CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

A-2 Brief Mts Van de Langemeen inzake leefgebieden zwarte specht en draaihals d.d. 8-2-22.pdf

Commissie Grondgebied 7 april 2022, gemeente BarneveldBij agendapunt: Besluit B&W inzake de onzorgvuldige kartering leefgebieden zwarte specht en draaihals46.064 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

Verzonden: dinsdag 8 februari 2022 11:11 Onderwerp: Onzorgvuldige kartering leefgebieden zwarte specht en draaihals Goedemorgen raadsleden, Zoals een aantal van jullie al wisten, hebben wij (Boeren omgeving Stroe/Kootwijkerbroek) handen in een geslagen om kritische naar ons aangrenzend N2000 gebied (De Veluwe) te kijken gezien dit door niemand wordt gedaan. Wat blijkt is dat er zacht uitgedrukt een potje van gemaakt wordt waarbij wij als beheerders van het buitengebied (landbouw) op slot gezet kunnen worden. Wij hebben Stikstofclaim & Staf erbij getrokken en samen ontdekt wat er in bijgevoegde brief, die verstuurd is naar afgevaardigde Peter Drenth van Provincie Gelderland. Dit laat zien dat men onterecht N2000 ingetekend heeft als Stikstof gevoelige natuur en nog meer onterecht druk op de landbouw uitoefent. Ik hoop dat dit een ieder laat zien dat we eens kritisch naar de N2000 gebieden en de beheerder moeten kijken maar ook optreden. Als we niet uitkijken geven we zo meteen alles weg aan een beleid die door een relatief klein groepje is opgezet voor eigen gewin. Zoals ik tegen een aantal van jullie al eerder heb aangegeven, met nuchtere verstand en zelf onderzoek zal je zien dat we helemaal geen stikstof probleem in de praktijk hebben, maar een beheer probleem in deze natuur gebieden.

Klein voorbeeld, hoop N2000 gebied is cultuurgrond en elke boer weet dat cultuurgrond onderhouden moet worden. Als het verzuurd is moet er kalk op. Zo kunnen wij als boeren tal van punten opnoemen en feitelijk onderbouwen wat er fout gaat in de N2000 gebieden als het op beheren aan komt. Als je hierover verder wil doorpraten, wij staan open om het gesprek aan te gaan. Wellicht goed dat jullie ook een Stikstofclaim/Staf uitnodigen om hun vondsten te delen met jullie. Probleem is dat de beheerders de vinger naar buiten wijzen terwijl er allerlei informatie achter gehouden wordt. Zo ook de echte ecologen rapporten in Gelderland laat zien dat de afgelopen 20 jaar het niet stabiel is maar beter gaat met de habitatstichtlijnen. Hoe komt het dat grondmonster die door provincies soms zelf genomen worden, niet openbaar gemaakt wordt maar je moet betalen om het in te zien. Voor mij heel simpel, als er echt problemen zijn die door andere opgelost moeten worden en je hebt keiharde bewijzen, dan laat je die zien. De reden waarom wij hier voor vechten is ons bestaan. Wij hoorden de omgevingsvisie van Ede, hebben Wim Kusters horen praten laatst en zien/horen dat ze feiten worden verdraait. De 1.5km zonering om N2000 gebied is een sterfhuis constructie voor boeren die daarin zitten.

Wij snappen dan ook werkelijk niet dat als wij als simpele boeren hier ons even druk om maken, al deze feiten boven water krijgen en de gehele politiek lijkt zich hier niet druk om te maken. Sterker nog, waaien gewoon met de wind mee. Ik hoop dat hiermee de ogen wederom geopend worden. Als ze ook open zijn, dan hoop ik ook dat Gemeente Barneveld met andere gemeentes en provincies een vuist durven te maken om dit beleid een halt toe te roepen i.p.v. mee te waaien met deze wind die van geen kanten klopt. Daarnaast heb ik ook een bijlagen gestuurd van een onderzoek/herstel programma vanuit België. Daarin zie je dat er meer wegen naar Rome leiden. Mooie is om hoge bomen met struiken in de randen van de N2000 te maken die de stikstof opvangen als een soort van vanggewas. Kortom, i.p.v. de oplossing altijd maar buiten de N2000 gebieden te leggen, hiermee in de N2000 gebieden te maken.

Wellicht denken sommige van jullie, dit is niet aan ons! Ik denk van wel, want door al dit soort dingen, raakt het ook de visie en beleid van Barneveld maar ook het gebied. Hiermee kunnen jullie ook opkomen voor jullie eigen belangen en de cultuur/omgevingsvisie van Gemeente Barneveld. Nu kan het nog, laten we alles op zijn beloop, dan verdwijnt er een heleboel en dat herstel je niet zomaar. Met vriendelijke groet, Edward van de Langemeen Mts. van de Langemeen

Aantekenen Aan Provincie Gelderland, College van Gedeputeerde Staten T.a.v.de heer P. Drenth Postbus 9090 6800 GX Arnhem

Dronten, 4 februari 2022

Betreft: Onzorgvuldige kartering leefgebieden zwarte specht en draaihals

Geachte Gedeputeerde Drenth, Zoals u bekend behartigt de Stichting Stikstof Claim (SSC) onder meer de belangen van agrariërs in den brede, waaronder het (onbelemmerd) kunnen voortzetten van de agrarische bedrijfsvoering. In dit kader wijst de SSC u op de onzorgvuldige kartering van de leefgebieden van de zwarte specht en draaihals. SSC verzoekt u namens aangeslotenen om deze onzorgvuldige kartering zo snel mogelijk ongedaan te maken. SSC heeft geconstateerd dat de kartering van leefgebieden van beide vogelsoorten onzorgvuldig zijn uitgevoerd en in strijd met het beleid van de minister. Dit heeft grote gevolgen voor uitkomsten van het rekenmodel Aerius. De onzorgvuldige kartering van de leefgebieden van de zwarte specht en de draaihals op de Veluwe, hebben in de praktijk gezorgd voor meer stikstofgevoelige natuur, met een strengere Kritische Depositie Waarde (KDW). Dientengevolge veroorzaken agrariërs een forsere overschrijding van de KDW, ondanks dat ze geen kilogram stikstof extra zijn gaan uitstoten. De consequenties daarvan zullen op enige moment hoogstwaarschijnlijk substantieel zijn. Over de karteringen en berekeningen in Aeriua Sinds het najaar van 2017 heeft uw Provincie een aanzienlijk areaal stikstofgevoelige natuur “bijgeplust” in Aerius op de Veluwe, specifiek voor genoemde twee vogelsoorten.

Het gaat concreet om 55.281 hectare stikstofgevoelig leefgebied van het type 1

Lg13 Bos van arme zandgronden (26.181 ha) Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden (29.100 ha)

bron: Aerius Monitor, https://monitor.aerius.nl/gebied/57/onderwerp/informatie/hoofdstuk/2 https://monitor.aerius.nl/gebied/57/onderwerp/informatie/hoofdstuk/3 Aanvankelijk bevonden de stikstofgevoelige gebieden zich meer in de kern van de Veluwe. De bijgetekende stikstofgevoelige leefgebieden strekken zich uit tot op en zelfs over de randen van dit N2000-gebied (binnen het rekenmodel vallen hexagonen gemakkelijk deels over de rand van een N2000-gebied). Het bijplussen van zoveel stikstofgevoelig leefgebied heeft ervoor gezorgd dat de Aeriusberekeningen van agrariërs rondom de Veluwe substantieel zijn gewijzigd. Zij veroorzaken hierdoor opeens veel meer en veel hogere belastingen van de stikstofgevoelige natuur. Dit wordt veroorzaakt omdat alleen de hectares met een kritische depositiewaarde (stikstofgevoelige hectares) relevant zijn voor het stikstofbeleid (natuurbeleid). De stikstofgevoelige hectares op de N2000-randen zijn daarbij het meest relevant. Over stikstofgevoelig leefgebied In de winter van 2020/2021 werd SSC duidelijk dat er veel leefgebied was bijgetekend in Aerius, met name op de Veluwe. Volgens voormalig minister Schouten zijn leefgebieden ingetekend, waar soorten voorkomen.

SSC constateert echter dat Provincie Gelderland veel leefgebied heeft ingetekend, waar zij wenst dat soorten in de toekomst gaan voorkomen, zonder dat deze soorten daar op dit moment daadwerkelijk leefgebied hebben. Dit is in strijd met antwoorden op Kamervragen zoals verwoordt in Kamerbrieven van voormalig minister Schouten. Uit: Beantwoording vragen over het bijtekenen van tienduizenden hectares stikstof gevoelige natuur in rekenmodel; 23 november 2020; vragen SGP-fractie, antwoordt de voormalig minister (nr. 2): “…De betreffende leefgebieden van soorten waren overigens ook al eerder dan in 2017 stikstofgevoelig, maar de kartering daarvan liep achter op die van de habitattypen. Oorzaak daarvan was dat pas in 2012 een indeling in aanvullende stikstofgevoelige leefgebieden beschikbaar was, met bijbehorende kritische depositiewaarden (het bekende rapport van Van Dobben e.a.).

Vervolgens moesten die typen nog in kaart worden gebracht en per gebied gekoppeld aan de verschillende soorten die ervan gebruik maken.” https://www.aanpakstikstof.nl/documenten/kamerstukken/2020/11/24/beantwoord ing-kamervragen-over-bijtekenen-stikstofgevoelige-natuur-in-rekenmodel-aerius Uit: Beantwoording vragen over het bericht “Zoekgebieden, phishing en AERIUS” van de heer Hanekamp; 22 november 2020; vragen CDA-fractie: “Bij leefgebieden van soorten is dat aandeel groter, omdat daar gelet moet worden op zowel fysieke kenmerken (met name vegetatie) als op de aanwezigheid van een soort. Want leefgebied is pas relevant als een soort er ook daadwerkelijk gebruik 2

van maakt. (…) . Dat een soort recent niet is gezien op een locatie kán veroorzaakt zijn door een te geringe waarnemingsinspanning. Vandaar dat er een relatief groot areaal te boek staat als «mogelijk bezet leefgebied», wat in AERIUS wordt aangeduid als zoekgebied.” https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2021/02/22/beantwoordi ng-kamervragen-over-artikel-zoekgebieden-phishing-en-aerius Minister Schouten stelde derhalve dat een locatie in Aerius wordt aangemerkt als leefgebied, als de soort er ook daadwerkelijk gebruik van maakt. Dat een provincie de wens heeft dat een soort zich er in de toekomst vestigt is dus niet relevant en kan dus ook niet als leefgebied in Aerius worden aangemerkt. Dat is ook volstrekt logisch, de soort is er gewoonweg niet, of nog niet te vinden. Over het leefgebied van draaihals en zwarte specht op de Veluwe Provincie Gelderland heeft niet de leefgebieden van de zwarte specht en draaihals ingetekend in Aerius, maar in plaats daarvan de locaties die zij geschikt acht voor de soort. Met andere woorden: waar de provincie de soort wenst in de toekomst. Dit volgt uit de PAS gebiedsanalyse, 057 Veluwe, versie d.d.

15-12-2017 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/PAS/Gebiedsanalyses_vigerend/057_ Veluwe_gebiedsanalyse_15-12-2017_GL.pdf Daarin staat over de draaihals: “Bijna geheel Natura2000-gebied Veluwe is geschikt leefgebied voor Draaihals, echter slechts een klein deel daarvan lijkt daadwerkelijk bevolkt.” Ook staat vermeldt: “Figuur 5.b, geeft in groene tinten de begrenzing van de gebieden binnen Natura2000-gebied Veluwe weer, die "geschikt" worden geacht voor Draaihals als broed- en foerageergebied.” Hetzelfde geldt voor de zwarte specht. “Figuur 5.b, geeft in groene tinten de begrenzing van de gebieden binnen Natura 2000- gebied Veluwe weer, die "geschikt" worden geacht voor Zwarte specht als broed en foerageergebied". U schrijft op 8 juni 2021 een ‘bijlage bij de Statenbrief’, genaamd ‘Actualisatie habitat- en leefgebiedenkaarten; totstandkoming en status van habitatkaarten.’ Daarin schrijft u het volgende: “De exacte locatie van aanwezige habitattypen en leefgebieden wordt vastgelegd op een habitattypenkaart of een leefgebiedenkaart. Op deze kaarten wordt op een objectieve, wetenschappelijk-technische manier de feitelijke situatie in het Natura 2000-gebied weergegeven.” https://gelderland.stateninformatie.nl/document/10242061/1/Bijlage_Notitie_met_ achtergrondinformatie SSC constateert dat wat u schrijft, niet klopt.

U heeft niet de exacte leefgebieden op de Aerius-kaart laten intekenen, maar de gebieden die u geschikt acht voor toekomstige 3

bewoning door beide soorten. Of de vogels zich er daadwerkelijk gaan vestigen, blijft ongewis. Dit gaat dus lijnrecht in tegen het beleid van de Minister Schouten die stelde dat een locatie in Aerius louter als leefgebied mag worden aangemerkt, als de soort daar ook daadwerkelijk verblijft. Dat is dus niet het geval. Consequenties en verzoek Provincie Gelderland vraagt uiterste juridische precisie van de agrariërs, waar het gaat over stikstof en natuur. Zij dienen tot op de gram nauwkeuring per hectare te verantwoorden, wat zij aan stikstofdepositie veroorzaken. Er wordt geen enkel risico op verslechtering van een soort geaccepteerd. Er geldt een nultolerantie. Ondertussen vergroot de Provincie Gelderland het areaal stikstofgevoelige natuur, door zich te baseren op de gewenste aanwezigheid van vogels en/of habitats. De Provincie hoort de daadwerkelijke aanwezigheid van vogels en habitats als uitgangspunt te nemen. Wat SSC betreft uitsluitend gebaseerd op de situatie ten tijde van de aanwijzing van de N2000 gebieden. Maar zelfs als de Provincie zich wenst te baseren op de ontwikkelingen vanaf de datum van aanwijzing, dan nog zal de werkelijke aanwezigheid van vogels en habitats leidend moeten zijn en niet de ‘gewenste aanwezigheid’.

SSC verzoekt u daarom binnen twee (2) weken na heden de ‘bijlage bij de Statenbrief’, genaamd ‘Actualisatie habitat- en leefgebiedenkaarten; totstandkoming en status van habitatkaarten’, aan te passen en zich ten aanzien van de leefgebieden van de draaihals en zwarte specht te conformeren aan het door Minister Schouten aan de Kamer geformuleerde beleid. Louter die leefgebieden waar deze vogelsoorten ook daadwerkelijk aanwezig zijn kunnen worden vastgelegd op een habitattypenkaart of een leefgebiedenkaart, en daarmee de feitelijke situatie in het Natura 2000-gebied ter zake genoemde soorten weergeven. Hiermee zal de kartering van de leefgebieden van de zwarte specht en de draaihals op de Veluwe op een juiste, zorgvuldige manier kunnen worden meegenomen in de Aeriusberekeningen. Indien u niet of niet volledig gehoor geeft aan voornoemd verzoek van SSC, dan zal SSC niet nalaten de passende (juridische) maatregelen te treffen teneinde de onjuiste kartering ongedaan te maken. SSC gaat er echter vanuit dat u het zover niet laat komen. In afwachting van uw spoedige berichten. Met vriendelijke groet,

John Spithoven Voorzitter 4

See discussions, stats, and author profiles for this publication at: https://www.researchgate.net/publication/330620656

Herstelstrategieën tegen de effecten van atmosferische depositie van stikstof op Natura2000 habitat in Vlaanderen. Technical Report · December 2018 CITATIONS

READS

13

886

29 authors, including: Luc De Keersmaeker

Dries Adriaens

Research Institute for Nature and Forest

Research Institute for Nature and Forest

112 PUBLICATIONS 1,782 CITATIONS

34 PUBLICATIONS 2,336 CITATIONS

SEE PROFILE

SEE PROFILE

Anny Anselin

Piet De Becker

Research Institute for Nature and Forest

Research Institute for Nature and Forest

112 PUBLICATIONS 662 CITATIONS

40 PUBLICATIONS 644 CITATIONS

SEE PROFILE

Some of the authors of this publication are also working on these related projects:

Florabank View project

Natuurindicatoren View project

All content following this page was uploaded by Kris Decleer on 25 January 2019.

The user has requested enhancement of the downloaded file.

SEE PROFILE

Herstelstrategieën tegen de effecten van atmosferische depositie van stikstof op Natura2000 habitat in Vlaanderen Luc De Keersmaeker, Dries Adriaens, Anny Anselin, Piet De Becker, Claude Belpaire, Geert De Blust, Kris Decleer, Geert De Knijf, Heidi Demolder, Luc Denys, Koen Devos, Ralf Gyselings, An Leyssen, Lon Lommaert, Dirk Maes, Patrik Oosterlynck, Jo Packet, Desiré Paelinckx, Sam Provoost, Jeroen Speybroeck, Eric Stienen, Arno Thomaes, Kris Vandekerkhove, Koen Van Den Berge, Floris Vanderhaeghe, Wouter Van Landuyt, Gerlinde Van Thuyne, Jan Van Uytvanck, Glenn Vermeersch, Jan Wouters, Maurice Hoffmann

Auteurs: CLuc De Keersmaeker, Dries Adriaens, Anny Anselin, Piet De Becker, Claude Belpaire, Geert De Blust, Kris Decleer, Geert De Knijf, Heidi Demolder, Luc Denys, Koen Devos, Ralf Gyselings, An Leyssen, Lon Lommaert, Dirk Maes, Patrik Oosterlynck, Jo Packet, Desiré Paelinckx, Sam Provoost, Jeroen Speybroeck, Eric Stienen, Arno Thomaes, Kris Vandekerkhove, Koen Van Den Berge, Floris Vanderhaeghe, Wouter Van Landuyt, Gerlinde Van Thuyne, Jan Van Uytvanck, Glenn Vermeersch, Jan Wouters, Maurice Hoffmann Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) is het Vlaams onderzoeks- en kenniscentrum voor natuur en het duurzame beheer en gebruik ervan. Het INBO verricht onderzoek en levert kennis aan al wie het beleid voorbereidt, uitvoert of erin geïnteresseerd is. Vestiging: INBO Brussel Herman Teirlinckgebouw, Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel www.inbo.be e-mail: luc.dekeersmaeker@inbo.be Wijze van citeren: De Keersmaeker L., Adriaens D., Anselin A., De Becker P., Belpaire C., De Blust G., Decleer K., De Knijf G., Demolder H., Denys L., Devos K., Gyselings R., Leyssen A., Lommaert L., Maes D., Oosterlynck P., Packet J., Paelinckx D., Provoost S., Speybroeck J., Stienen E., Thomaes A., Vandekerkhove K., Van Den Berge K., Vanderhaeghe F., Van Landuyt W., Van Thuyne G., Van Uytvanck J., Vermeersch G., Wouters J., Hoffmann M. (2018).

Herstelstrategieën tegen de effecten van atmosferische depositie van stikstof op Natura2000 habitat in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuuren Bosonderzoek 2018 (13). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.14113664 D/2018/3241/072 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2018 (13) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Foto cover: Luc De Keersmaeker

© 2018, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Herstelstrategieën tegen de effecten van atmosferische depositie van stikstof op Natura2000 habitat in Vlaanderen Luc De Keersmaeker, Dries Adriaens, Anny Anselin, Piet De Becker, Claude Belpaire, Geert De Blust, Kris Decleer, Geert De Knijf, Heidi Demolder, Luc Denys, Koen Devos, Ralf Gyselings, An Leyssen, Lon Lommaert, Dirk Maes, Patrik Oosterlynck, Jo Packet, Desiré Paelinckx, Sam Provoost, Jeroen Speybroeck, Eric Stienen, Arno Thomaes, Kris Vandekerkhove, Koen Van Den Berge, Floris Vanderhaeghe, Wouter Van Landuyt, Gerlinde Van Thuyne, Jan Van Uytvanck, Glenn Vermeersch, Jan Wouters, Maurice Hoffmann

Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)

Opzet en opbouw van het rapport Te hoge atmosferische depositie van stikstof tast vroeg of laat de natuurkwaliteit aan, in die mate dat de Europese natuurdoelen voor habitats en soorten niet gehaald kunnen worden. Dit heeft tot gevolg dat het vergunnen van activiteiten die bijdragen tot de uitstoot van stikstof, in het gedrang komt. Het PAS programma heeft tot doel om economische activiteiten mogelijk te maken en de Europese natuurdoelen te realiseren, door een mix van brongerichte maatregelen – die de uitstoot van stikstof reduceren – en effectgerichte maatregelen – die trachten de negatieve gevolgen voor de natuurkwaliteit te milderen. Het PAS herstelbeheer omvat effectgerichte maatregelen, die toegepast worden op de habitat zelf of in de omgeving ervan, die een invloed uitoefenen op de kwaliteit ervan. Door een aangepast beheer te voeren kunnen de negatieve effecten van stikstofdepositie op Europese beschermde natuur tot op zekere hoogte gemitigeerd worden. De drie hoofdstukken van het voorliggend rapport hebben tot doel op een beknopte wijze een onderbouwing te leveren voor het PAS herstelbeheer.

In een eerste hoofdstuk geven we achtergrond bij de PAS: hoe verloopt de biogeochemische cyclus van stikstof, op welke wijze tast verhoogde stikstofdepositie de natuurwaarde aan en wat zijn de kritische depositiewaarden en de overschrijdingskaart? We omschrijven het PAS herstelbeheer en geven aan in welke verhouding het staat tot het reguliere natuurbeheer en de natuurinrichting. Dit hoofdstuk verduidelijkt ook waarom we de Nederlandse herstelstrategieën als uitgangspunt genomen hebben en op welke wijze onze benadering een aanvulling kan zijn. We lichten ook toe waarom zoveel belang gehecht moet worden aan het herstel van de waterhuishouding. In het tweede onderdeel omschrijven we de afzonderlijke herstelmaatregelen en geven op een systematische wijze aan hoe ze werken tegen stikstofdepositie. We geven ook beknopt maar systematisch aan wat de gunstige en ongewenste effecten zijn, ondermeer op de soorten van bijlagen II en IV van de habitatrichtlijn en bijlage I van de vogelrichtlijn. Bij elke maatregel wordt het verband gelegd met de Nederlandse herstelmaatregelen en ‐strategieën (Jansen et al. 2014; Smits et al. 2014), waar een grondige screening van de beschikbare wetenschappelijke literatuur aan vooraf ging. Het zou ons te ver leiden om de techniciteit en complexiteit van het PAS herstelbeheer diepgaand te behandelen.

Omdat het PAS herstelbeheer bestaat uit maatregelen die nu reeds frequent worden toegepast in natuur‐ en bosbeheer, verwijzen we voor het beheer van habitats systematisch naar het ‘Handboek voor beheerders ‐ Europese natuurdoelstellingen op het terrein, Deel I’ (Van Uytvanck & De Blust 2012). Dit werk richt zich tot particuliere beheerders, terreinbeherende overheden, natuurbehoudsorganisaties en beleidsmakers en beschrijft beheertrajecten voor de meeste habitattypes die in Vlaanderen voorkomen. Voor meer informatie over het beheer van soorten, verwijzen we naar Van Uytvanck & Goethals (2014) en Decleer (2007). In het derde hoofdstuk worden de herstelmaatregelen gebundeld tot herstelstrategieën, door per habitattype of habitatsubtype een prioritering te geven van de maatregelen die in aanmerking komen voor de PAS. Deze prioritering is gebaseerd op de efficiëntie van de maatregelen, maar ook op het relatieve belang in Vlaanderen van de verstoringen waarop deze maatregelen inwerken. Het doel van de prioritering is de beheerder op weg te zetten bij de keuze van het meest efficiënte maatregelenpakket. Dit betekent echter ook dat de prioritering van herstelmaatregelen in dit rapport gezien moet worden als een globale beoordeling, uitgevoerd op het niveau van Vlaanderen.

Op het lokale vlak kunnen en moeten afwijkende prioriteiten gelegd worden in de PAS gebiedsanalyses en beheerplannen. De argumentatie die in het derde hoofdstuk bij de herstelstrategieën wordt gegeven, biedt een ondersteuning bij de afweging om in de gebiedsanalyses en beheerplannen al of niet af te wijken van de globale prioritering.

4

Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)

www.inbo.be

Samenvatting In dit rapport worden 25 herstelmaatregelen beschreven, die de negatieve effecten kunnen mitigeren van te hoge depositie van stikstof, op 84 Europese habitat(sub)typen uit Vlaanderen die gevoelig zijn voor deze milieudruk. Het rapport heeft tot doel een beknopte onderbouwing te leveren van de werking van de maatregelen en de neveneffecten die ze kunnen hebben, zodat ze kunnen gebruikt worden om in het kader van de Programmatisch Aanpak Stikstof (PAS) negatieve effecten van stikstofdepositie te mitigeren. Op basis van een expertenoordeel werd aan de herstelmaatregelen in tabelvorm een globale prioritering op het niveau van Vlaanderen toegekend, die in een begeleidende tekst werd onderbouwd. Het pakket van herstelmaatregelen en hun onderlinge prioritering, vormen samen een herstelstrategie voor elk van de habitat(sub)typen die stikstofgevoelig zijn. Met deze globale herstelstrategieën als houvast kan de beheerder een herstelstrategie op maat uitwerken, die is aangepast aan de lokale kenmerken van de Europese habitats. Dit betekent dat de prioriteit van de maatregelen lokaal tegen het licht wordt gehouden en zo nodig kan aangepast worden, om zo goed mogelijk tegemoet te komen aan de lokale problematiek.

Het rapport bevat ook een beoordeling van de effectiviteit van het herstelbeheer (A of B), die variabel is en afhankelijk van systeemkenmerken van het habitat(sub)type waarvoor het van toepassing is.

www.inbo.be

Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)

5

Aanbevelingen voor beheer en/of beleid Voorliggende herstelstrategieën hebben tot doel de effecten van verhoogde stikstofdepositie op Europees beschermde habitat(sub)types in de mate van het mogelijke te milderen. De toepassing van herstelbeheer impliceert niet dat de KDW als grenswaarde voor atmosferische stikstofdepositie aan belang verliest. Een aanhoudende milieudruk boven een niveau dat schadelijk geacht wordt (per definitie de KDW) kan immers tot gevolg hebben dat een aantal ‘tipping points’ overschreden worden, waarna herstel zeer moeilijk of zelfs uitgesloten is ‐ ook al neemt de milieudruk vervolgens weer af. Een voorbeeld daarvan is de bodemverzuring onder invloed van aanhoudende stikstofdepositie, waarbij mineralen verdwijnen en toxische metalen (aluminium, ijzer) vrijkomen, die levensgemeenschappen ingrijpend beïnvloeden. Als populaties van veeleisende of functioneel zeer belangrijke, maar moeizaam koloniserende soorten hierdoor eenmaal verdwenen zijn, is volledig spontaan herstel zonder herintroductie vrijwel uitgesloten. Zo is de voorjaarsflora van bossen op matig zure leembodem op termijn van enkele decennia achteruit gegaan als gevolg van bodemverzuring (Baeten et al. 2009). Ook voor bepaalde gemeenschappen van slakken, die een hoge calciumbehoefte hebben, zijn er ‘tipping points’ die aan de bodemzuurtegraad gerelateerd zijn.

Bekalking als maatregel tegen verzuring schijnt voor deze soorten niet het gewenste resultaat te hebben (Kappes & Topp 2014). Modelresultaten en metingen wijzen uit dat de depositie van stikstof in Vlaanderen sinds 1990 fors is afgenomen, maar ook dat er de laatste jaren een stagnatie schijnt op te treden van de dalende trend (VMM 2017: www.milieurapport.be; Verstraeten et al. 2016). Er zijn signalen van een pril bodemkundig herstel als gevolg hiervan (Verstraeten et al. 2015), maar het is nog onduidelijk in welke mate gevoelige fauna en flora zich kunnen herstellen bij het huidige depositieniveau. Lokaal, bij voorbeeld in de Noorderkempen en in West‐Vlaanderen zijn de stikstofdeposities nog steeds zeer hoog.

Figuur 1:

Habitattype B heeft een relatief hoge KDW en het herstelbeheer is toereikend om de effecten van stikftofdepositie te mitigeren in afwachting van een daling tot onder de KDW. Habitattype A is gevoeliger dan type B en heeft hierdoor een lagere KDW. Het herstelbeheer is niet in staat om de langdurige en hoge overschrijding van de KDW effectief te mitigeren.

Voor bepaalde habitattypes zijn de grenzen van het herstelbeheer bij een voortdurende overschrijding van de KDW bereikt (Berendse 2017). Globaal genomen achten we een herstelstrategie onvoldoende toereikend om terrestrische of aquatische habitats, waarvoor de kwaliteit van de neerslag een sleutelrol speelt in de nutriëntenhuishouding (type A‐habitats), duurzaam in stand te houden bij langdurige en sterke overschrijding van 6

Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)

www.inbo.be

de KDW (zie onderdeel 3.3). A‐type habitats zijn doorgaans ook habitats met een lage KDW en het blijft voor deze habitats daarom cruciaal dat de globale N‐depositie verder naar beneden gaat (figuur 1). In afwachting hiervan zijn al de herstelstrategiën te beschouwen. Voor habitats die afhankelijk zijn van grond‐ of oppervlaktewater of die voorkomen op kalkrijke bodem (type B‐habitats), biedt het herstelbeheer betere perspectieven. We pleiten ervoor om de tweedeling in A‐habitats en B‐habitats te gebruiken om de middelen voor mitigerende maatregelen (het PAS herstelbeheer) en voor emissiereducerende maatregelen, zo efficiënt en doordacht mogelijk in te zetten. Een ondoordachte toepassing van beheermaatregelen om de stikstofovermaat te reduceren, kan vooral op A‐habitats averechtse effecten hebben en bij voorbeeld via verdere bodemverarming biodiversiteitsverlies in de hand werken (van den Burg & Vogels 2017).

www.inbo.be

Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)

7

English abstract: restoration strategies to mitigate effects of atmospheric nitrogen deposition on Natura2000 habitat in Flanders In this report we describe 25 restoration measures that can (temporarily) mitigate negative effects by nitrogen deposition on 84 Natura2000 habitat and subhabitat types in Flanders (northern Belgium). For each restoration measure, the positive effects or negative unintended consequences are briefly listed. We discern for this purpose eutrophication, acidification and other effects, the latter in particular on fauna. Restoration measures were prioritized and related to each other, which resulted in restoration strategies for each habitat or subhabitat type. These restoration strategies are based on expert judgement and give an indication of the relevance of measures at the scale of Flanders as a whole. Local managers can use it as a support, but in many cases adjustment to local conditions will be necessary. This report also discerns habitat or subhabitat for which restoration measures are unable to stop degradation by persistent nitrogen deposition (type A), from habitat for which restoration measures can be more successful (type B). The nutrient status of type A habitat and subhabitat is mostly determined by the quality of precipitation, and they are therefore very sensitive for simultaneous acidification and eutrophication.

By contrast, type B habitat and subhabitat is buffered by (moderately) mineral rich soil or groundwater, implicating that measures to counteract eutrophication do not cause further acidification.

8

Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)

www.inbo.be

Inhoudstafel 1

Achtergrond bij het PAS herstelbeheer........................................................................................ 13

1.1

De biogeochemische cyclus van stikstof ............................................................................................ 13

1.2

Effecten van stikstofdepositie op natuurkwaliteit ............................................................................. 15

1.3

Kritische depositiewaarden (KDW) .................................................................................................... 17

1.4

PAS herstelbeheer: niets nieuws onder de zon? ................................................................................ 18

1.5

Remediëring door hydrologisch herstel ............................................................................................. 19

1.6

De Nederlandse herstelmaatregelen en ‐strategieën als uitgangspunt ............................................. 20

2

Omschrijving van de herstelmaatregelen .................................................................................... 21

2.1

Plaggen en chopperen........................................................................................................................ 21

2.2

Maaien ............................................................................................................................................... 22

2.3

Begrazen ............................................................................................................................................ 24

2.4

Branden .............................................................................................................................................. 25

2.5

Strooisel verwijderen ......................................................................................................................... 26

2.6

Opslag verwijderen ............................................................................................................................ 27

2.7

Toevoegen basische stoffen ............................................................................................................... 29

2.8

Baggeren ............................................................................................................................................ 30

2.9

Vegetatie ruimen ............................................................................................................................... 31

2.10

Vrijzetten oevers ................................................................................................................................ 32

2.11

Uitvenen ............................................................................................................................................. 33

2.12

Manipulatie voedselketen.................................................................................................................. 34

2.13

Ingrijpen op de structuur van de boom‐ en struiklaag ....................................................................... 36

2.14

Ingrijpen in de soortensamenstelling van de boom‐ en struiklaag .................................................... 37

2.15

Verminderde oogst houtige biomassa ............................................................................................... 39

2.16

Tijdelijke drooglegging ....................................................................................................................... 40

2.17

Herstel van winddynamiek ................................................................................................................. 42

2.18

Herstel functionele verbindingen....................................................................................................... 43

2.19

Aanleg van een scherm van houtige soorten ..................................................................................... 44

2.20

Herstel waterhuishouding: structureel herstel op landschapsschaal................................................. 45

2.21

Herstel waterhuishouding: herstel oppervlaktewaterkwaliteit ......................................................... 47

2.22

Herstel waterhuishouding: herstel grondwaterkwaliteit ................................................................... 48

2.23

Herstel waterhuishouding: afbouw grondwateronttrekking ............................................................. 50

2.24

Herstel waterhuishouding: optimalisatie van de lokale drainage ...................................................... 51

2.25

Herstel waterhuishouding: verhogen infiltratie neerslag................................................................... 52

3

Herstelstrategieën van habitat(sub)types .................................................................................... 54

3.1

Herstelmaatregelen versus herstelstrategieën .................................................................................. 54

3.2

Prioritering van herstelmaatregelen .................................................................................................. 54

www.inbo.be

Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)

9

3.3

Effectiviteit van de herstelstrategieën ............................................................................................... 55

3.4

Kusthabitats en halofytenvegetaties .................................................................................................. 56

3.5

Kustduinen ......................................................................................................................................... 57

3.6

Landduinen ........................................................................................................................................ 59

3.7

Zoetwaterhabitats .............................................................................................................................. 60

3.8

Heide .................................................................................................................................................. 63

3.9

Thermofiel struikgewas ...................................................................................................................... 65

3.10

Natuurlijke en halfnatuurlijke graslanden .......................................................................................... 66

3.11

Venen ................................................................................................................................................. 68

3.12

Bossen ................................................................................................................................................ 69

10

Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)

www.inbo.be

Lijst van figuren Figuur 1:

Habitattype B heeft een relatief hoge KDW en het herstelbeheer is toereikend om de effecten van stikftofdepositie te mitigeren in afwachting van een daling tot onder de KDW. Habitattype A is gevoeliger dan type B en heeft hierdoor een lagere KDW. Het herstelbeheer is niet in staat om de langdurige en hoge overschrijding van de KDW effectief te mitigeren.

Figuur 2:

De stikstofcyclus in een terrestrisch systeem, met in het rood de vormen waarin stikstof kan voorkomen en in het blauw de belangrijkste processen. Aangepast naar Johnson et al. (2005).

Figuur 3:

Evolutie van de 10‐jaarlijkse gemiddelde concentratie van nitraat (b) en ammonium (c) in neerslag volgens de MATCH en EMEP modellen (linkerschaal) in de centrale Alpen, vergeleken met de gemeten concentraties in het ijs van de Colle Gnifetti gletsjer in dezelfde regio. De rechterschaal is een factor 5 kleiner dan de linkerschaal (Engardt et al. 2017).

Figuur 4:

Bodemzuurtegraad in relatie tot ammoniumdepositie, op een west‐oost georiënteerd transect doorheen het gewestbos van Ravels. De bodemverzuring was het sterkst aan de bosranden, waar de depositie het hoogst was. Centraal in het transect werd in 1996 een depositie van 35 kg stikstof per ha gemeten (De Schrijver et al. 1998)

Figuur 5

Terminologie die gehanteerd wordt met betrekking tot natuurontwikkeling en natuurbeheer, schematisch uitgezet ten opzichte van enerzijds de tijd en anderzijds de natuurwaarde van respectievelijk de uitgangstoestand en de eindtoestand (Van Uytvanck & Decleer 2004).

Lijst van tabellen Tabel 1

Vergelijking van de KDW voor Vlaanderen, volgens de praktische wegwijzer 3.1 (ANB, 2015), met het omslagpunt van de vegetatie volgens Wilkins et al. (2016). * geeft aan dat voor de verschillende subtypes van een habitat een verschillende KDW bepaald werd, waardoor een bereik wordt weergegeven.

Tabel 2

Omschrijving van de prioriteit van herstelmaatregelen die ingezet kunnen worden om de effecten van stikstofdepositie op een habitat te mitigeren.

Tabel 3

Omschrijving van A‐ en B‐habitattypes in de conceptnota IHD/PAS

Tabel 4

Maatregelen die in aanmerking komen voor het PAS herstelbeheer van kusthabitats en halofytenvegetaties, met een prioritering voor elk habitattype of –subtype van deze groep (zie tabel 2).

Tabel 5

Maatregelen die in aanmerking komen voor het PAS herstelbeheer van kustduinen, met een prioritering voor elk habitattype of –subtype van deze groep (zie tabel 2).

Tabel 6

Maatregelen die in aanmerking komen voor het PAS herstelbeheer van landduinen, met een prioritering voor elk habitattype of –subtype van deze groep (zie tabel 2).

Tabel 7

Maatregelen die in aanmerking komen voor het PAS herstelbeheer van zoetwaterhabitats, met een prioritering voor elk habitattype of –subtype van deze groep (zie tabel 2).

Tabel 8

Maatregelen die in aanmerking komen voor het PAS herstelbeheer van heide, met een prioritering voor elk habitattype of –subtype van deze groep (zie tabel 2).

Tabel 9

Maatregelen die in aanmerking komen voor het PAS herstelbeheer van thermofiel struikgewas, met een prioritering voor elk habitattype of –subtype van deze groep (zie tabel 2).

Tabel 10

Maatregelen die in aanmerking komen voor het PAS herstelbeheer van graslanden, met een prioritering voor elk habitattype of –subtype van deze groep (zie tabel 2).

Tabel 11

Maatregelen die in aanmerking komen voor het PAS herstelbeheer van venen, met een prioritering voor elk habitattype of –subtype van deze groep (zie tabel 2).

www.inbo.be

Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)

11

Tabel 12

12

Maatregelen die in aanmerking komen voor het PAS herstelbeheer van bossen, met een prioritering voor elk habitattype of –subtype van deze groep (zie tabel 2).

Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)

www.inbo.be

1

Achtergrond bij het PAS herstelbeheer

1.1

De biogeochemische cyclus van stikstof

Stikstof is een essentiële bouwsteen van het leven op aarde, bij voorbeeld als onderdeel van aminozuren, DNA en RNA. Bovendien is stikstof overvloedig aanwezig rondom ons: stikstofgas (N2) maakt 78% uit van de atmosfeer van onze planeet. Dit stikstofgas is echter niet reactief en daardoor voor de meeste organismen niet bruikbaar. Om door planten benut te worden, moet stikstof worden omgezet naar een reactieve vorm, zoals in de gassen ammoniak (NH3) of stikstofoxides (NOx). Dit proces noemt stikstoffixatie en gespecialiseerde bodembacteriën spelen hierin een sleutelrol. Die bacteriën kunnen op zichzelf voorkomen, of samenleven met planten die hier hun voordeel uit halen. Gekende voorbeelden zijn klaver‐ en elzensoorten, die zich op deze wijze hebben aangepast aan een omgeving met weinig beschikbare stikstof (figuur 2).

1 Biologische fixatie 2 Industriële fixatie 3 Vervluchtiging 4 Depositie van NH3 en NOx 5 Nitrificatie 6 Immobilisatie 7 Mineralisatie 8 Opname door planten 9 Denitrificatie 10 uitspoeling naar grondwater 11 Oogst of begrazing

O.M. Organisch Materiaal

Figuur 2:

De stikstofcyclus in een terrestrisch systeem, met in het rood de vormen waarin stikstof kan voorkomen en in het blauw de belangrijkste processen. Aangepast naar Johnson et al. (2005).

Planten groeien en nemen hierbij reactieve stikstof op – de opname gaat vooral via bodem en water – en grazende dieren benutten vervolgens de stikstof die in het plantenweefsel zit. Via mest en urine, maar ook via dode dieren en dood plantaardig materiaal, komt reactieve stikstof opnieuw in de bodem en het water terecht (figuur 2). De cyclus wordt gesloten door een hele keten van gespecialiseerde organismen die het organisch materiaal afbreken tot bouwstenen die opnieuw bruikbaar zijn voor planten. Dit proces noemt mineralisatie en hierbij wordt stikstof in + organische verbindingen omgezet tot ammonium (NH4 ). Er zijn plantensoorten die ammonium kunnen benutten, ‐ maar de meeste soorten zijn aangewezen op nitraat (NO3 ). De omzetting van ammonium naar nitraat heet nitrificatie en ook dit is het werk van gespecialiseerde bacteriën (figuur 2). De hierboven beschreven processen ‐ verlopen vrij snel en de concentratie aan NO3 in bodem en water kunnen in de loop van een jaar sterk schommelen. De nitrificatiesnelheid is immers afhankelijk van temperatuur, zuurtegraad en vochtigheid en bovendien is ook de opname van nitraat door planten in de loop van een jaar niet constant.

www.inbo.be

Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)

13

In omgekeerde richting kan reactieve stikstof vast komen te liggen zodat het niet langer beschikbaar is voor planten, of reactieve stikstof kan zelfs uit het ecosysteem verdwijnen. De vastlegging van nitraat en ammonium als organisch materiaal in de bodem heet immobilisatie. De vorming van ammoniakgas (NH3) uit organisch materiaal, vooral uit mest en urine, noemen we vervluchtiging. Het proces waarbij reactieve stikstof terug wordt omgezet naar niet reactieve stikstof (bij voorbeeld stikstofgas) heet denitrificatie. Reactieve stikstof kan ook verloren gaan door uitspoeling van nitraat via het oppervlakte‐ en grondwater (figuur 2). De stikstofovermaat die niet door cultuurgewassen of door natuurlijke vegetatie kan worden opgenomen, spoelt uit of vervluchtigt en tast de milieu‐ en natuurkwaliteit aan. In natuurlijke, niet vervuilde ecosystemen zijn de verliezen echter zeer klein: reactieve stikstof wordt efficiënt gerecycleerd. Reactieve stikstof was lange tijd een schaarse grondstof en de eerder vermelde stikstof fixerende plantensoorten werden dan ook veel gebruikt als groenbemester in de land‐ en bosbouw. Aan deze schaarste kwam een einde door de uitvinding van het Haber – Bosch proces bij het begin van de 20ste eeuw. Dit industriële proces, ondersteund door energie uit fossiele brandstoffen, zet stikstofgas om in ammoniak en ligt aan de basis van de productie van kunstmest.

Vooral door het gebruik van kunstmest, door de niet grondgebonden veehouderij en door de verbranding van fossiele brandstoffen ‐ waarbij stikstof vooral vrijkomt als stikstofoxiden (NOy) ‐ zijn we in de loop van de 20ste eeuw geëvolueerd van een schaarste naar een overmaat aan reactieve stikstof. De evolutie van de atmosferische depositie van stikstof in Europa in de voorbije 150 jaar is in beeld gebracht met de EMEP en MATCH modellen, die vergeleken werden met chemische analyses van ijsmonsters uit gletsjers die dezelfde periode omspannen (figuur 3; Engardt et al. 2017). Dit onderzoek toonde aan dat de stikstofdepositie in Europa in 1990 ongeveer vijfmaal zo hoog was als in de tweede helft van de 19de eeuw. Sindsdien is een dalende trend ingezet, hoewel concentraties in ijsmonsters uit de centrale Alpen een tragere en minder sterke daling vertonen dan beide modellen voorrekenen voor dezelfde regio (figuur 3).

Figuur 3:

Evolutie van de 10‐jaarlijkse gemiddelde concentratie van nitraat (b) en ammonium (c) in neerslag volgens de MATCH en EMEP modellen (linkerschaal) in de centrale Alpen, vergeleken met de gemeten concentraties in het ijs van de Colle Gnifetti gletsjer in dezelfde regio. De rechterschaal is een factor 5 kleiner dan de linkerschaal (Engardt et al. 2017).

In Vlaanderen liep de gemiddelde jaarlijkse stikstofdepositie in 1990 op tot 44 kg per ha. Sindsdien nam ook in Vlaanderen de stikstofdepositie af; in 2015 bedroeg die globaal ongeveer 23 kg per ha. Het aandeel van NHx nam in deze periode toe (VMM 2017: www.milieurapport.be). In weinig vervuilde regio’s in Noord‐Europa wordt de gemiddelde jaarlijkse stikstofdepositie begroot op minder dan 5 kg/ha (Erisman et al. 2015).

14

Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)

www.inbo.be

1.2

Effecten van stikstofdepositie op natuurkwaliteit

De verhoogde concentratie van reactieve stikstof in de atmosfeer en de depositie ervan (figuur 2) heeft een hele reeks negatieve effecten op natuurlijke ecosystemen, die een achteruitgang van de biodiversiteit tot gevolg heeft. Zo stelde observationele studie vast dat de soortenrijkdom van heischrale graslanden (habitat 6230) in Europa goed verklaard kan worden door atmosferische stikstofdepositie (figuur 4, Stevens et al. 2010). De mechanismen die deze verarming door stikstofdepositie verklaren, zijn zeer divers.

Figuur 4

De totale depositie van anorganische stikstof is sterk verklarend voor de totale soortenrijkdom van de vegetatie 2 van heischrale graslanden (gemiddelde van 5 proefvlakken van 4 m ) in 9 Europese landen (Stevens et al. 2010)

Een eerste effect gaat uit van ammoniak, een gas dat toxisch is en de bladeren van planten kan aantasten (Krupa 2003). Ook bij lage concentratie tast het de fotosynthese aan van gevoelige organismen, zoals korstmossen (Paoli et al. 2010). Korstmossen halen hun voedingsstoffen grotendeels uit neerslag en stofdeeltjes, waardoor het zeer gevoelige indicatoren zijn voor luchtvervuiling (Hoffmann 1993; Hoffmann 1994; Frati et al. 2007; Van den Broeck et al. 2007). De gassen ammoniak en stikstofoxiden worden omgezet en afgezet op bodem en vegetatie, als natte of droge depositie (Lefebre & Deutsch 2017). Voornamelijk de intensieve veehouderij ligt aan de basis van de sterk verhoogde depositie van ammonium stikstof, als gevolg van vervluchtiging van ammoniak uit mest en urine. Hierdoor kan de verhouding tussen ammonium en nitraat in de bodem wijzigen. Dit treedt vooral op in zure omstandigheden waar de omzetting van ammonium naar nitraat (nitrificatie, zie figuur 2) traag verloopt. Aangezien vele plantensoorten vooral nitraat benutten als bron van stikstof en ammonium toxisch kan zijn voor deze soorten, beïnvloedt de overmaat aan ammonium de samenstelling van de vegetatie. Dergelijke negatieve effecten zijn vastgesteld op soorten van heischraal grasland, heide, venen en zwak gebufferde vennen (Schuurkes et al. 1986; De Graaf et al. 1998; Limpens & Berendse 2003; van den Berg et al.

2008). Vermesting is het best gekende effect van atmosferische stikstofdepositie. Het vermestende effect van de atmosferische depositie van stikstof ligt voor de hand: reactieve stikstof is een belangrijk voedingselement en sites met een hoge beschikbaarheid van stikstof zijn schaars in natuurlijke ecosystemen. Ze komen er wel voor, maar op een beperkte oppervlakte, namelijk op plaatsen waar een grote hoeveelheid organisch materiaal verteert. Dat zijn bij voorbeeld open plekken in bossen, latrines van grazers en kadavers van dode dieren, of oevers van meren en rivieren waar organisch materiaal aanspoelt. De soorten die er kenmerkend voor zijn, zoals bramen, grote brandnetel en forse grassoorten, gebruiken de extra stikstof om harder te groeien dan andere plantensoorten, die net aangepast zijn aan een lage stikstofbeschikbaarheid. Door de sterk verhoogde depositie van stikstof zijn de rollen omgekeerd: sites met een geringe beschikbaarheid van stikstof zijn zeldzaam geworden en de kenmerkende soorten worden weggeconcurreerd. In graslanden, heiden, bossen en venen is door uitgebreid observationeel en experimenteel onderzoek vastgesteld dat forse grassen (gevinde korststeel, bochtige smele, pijpestro, …) zich uitbreiden onder de toegenomen beschikbaarheid van stikstof. Dit gaat ten koste van vele andere soorten, bij

www.inbo.be

Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)

15

voorbeeld heideachtigen (Bobbink & Willems 1987; van Dobben et al. 1999; Cunha et al. 2002; Jacqemyn et al. 2003; Strengbom et al. 2003; Nishimura & Tsuyuzaki 2015). De atmosferische depositie van stikstof kan ook een verzurend effect hebben op bodem en water. De mate van verzuring is zeer variabel en hangt af van het bufferend vermogen. In de meeste natuurgebieden in Vlaanderen is de bodem vrij zuur tot zeer zuur en ook zeer gevoelig voor verdere verzuring. Enkel polders en valleien van beken en rivieren, met mineralenrijk grond‐ en oppervlaktewater en plaatsen waar kalk vrij in de bodem aanwezig is, zijn goed gebufferd. Door verzuring kan de zuurtegraad (pH) van de bodem dalen – wat betekent dat protonen (H+) toenemen in de bodemoplossing en op bodemdeeltjes. Basische kationen (Ca2+, K+, Mg2+) spoelen hierdoor uit en er ontstaan tekorten aan deze voedingselementen bij veeleisende plantensoorten. Dit proces treedt op tussen pH waarden van ongeveer 7 en 5. Bij nog verdere verzuring, als de pH daalt tot onder een waarde van 4,5 komt aluminium vrij in de bodemoplossing (Ulrich 1981). Aluminium is toxisch voor vele plantensoorten, die verdwijnen bij verzuring onder deze kritische waarde (Andersson 1988).

In verschillende Europese landen is een aanzienlijke verzuring vastgesteld van terrestrische en aquatische ecosystemenen (Falkengren‐Grerup & Eriksson 1990; Stoddard 1994; Sverdrup et al. 1995; De Schrijver et al. 2006; Lepori & Keck 2012). Langsheen een depositiegradiënt onder naaldbos in Ravels, gelegen in een regio met een intensieve veehouderij, kon het verzurende effect van ammoniumdepositie duidelijk in beeld gebracht worden (figuur 5, uit De Schrijver et al. 1998). Als gevolg van verzuring ging in Meerdaalwoud over een periode van 47 jaar de voorjaarsflora aanzienlijk achteruit (Baeten et al. 2009).

Figuur 5

Bodemzuurtegraad in relatie tot ammoniumdepositie, op een west‐oost georiënteerd transect doorheen het gewestbos van Ravels. De bodemverzuring was het sterkst aan de bosranden, waar de depositie het hoogst was. Centraal in het transect werd in 1996 een depositie van 35 kg stikstof per ha gemeten (De Schrijver et al. 1998).

De hierboven geschetste effecten (toxiciteit, wijziging van stikstofbron, vermesting, verzuring) treden meestal samen op en zijn op het terrein moeilijk van elkaar te onderscheiden. Bij de bespreking van de herstelmaatregelen in het tweede hoodstuk van dit rapport, worden het effect van de maatregelen of verzuring en vermesting, die het best gedocumenteerd zijn, systematisch overlopen. Daarnaast zijn er ook nog specifieke negatieve effecten op bepaalde soorten of soortengroepen. Zo remt stikstofdepositie ook de groei van mycorrhiza, dit zijn fungi die een belangrijke rol spelen in de voedselvoorziening van vele plantensoorten (Arnolds 1991; Ludwig 1996). De overmaat aan stikstof kan planten gevoeliger maken voor droogte, vorst en insectenvraat (Aerts & Bobbink 1999). Stikstofdepositie kan de volledige voedselketen aantasten, 16

Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)

www.inbo.be

via complexe verstoringsketens, die nog maar in beperkte mate in beeld gebracht zijn. Stikstof stimuleert forse plantensoorten, waardoor een koeler en vochtiger microklimaat ontstaat. Hierdoor kunnen bepaalde insecten, bij voorbeeld sprinkhanen, de volledige levenscyclus niet meer doorlopen (Van Wingerden et al. 1992). De toename van stikstof en de afname van mineralen zoals calcium en fosfor verlagen de voedingswaarde van planten voor fauna (Vogels et al. 2016). Als gevolg hiervan is een afname van het broedsucces van koolmees en sperwer vastgesteld (Graveland et al. 1994; van den Burg 2000).

1.3

Kritische depositiewaarden (KDW)

Om vast te leggen vanaf welk niveau een milieudruk zoals stikstofdepositie problematisch wordt voor een habitat of soort wordt gewerkt met het concept van grenswaarde of kritische last. Een grenswaarde of kritische last geeft aan wat de maximaal toelaatbare milieudruk is per eenheid van oppervlakte of volume die een bepaald habitattype of leefgebied kan verdragen zonder dat deze ‐ volgens de huidige kennis ‐ er hinder van ondervindt (https://www.natura2000.vlaanderen.be/begrippen/letter_k) . De kritische depositiewaarde is een grenswaarde of kritische last voor atmosferische stikstofdepositie en wordt uitgedrukt in kilogram stikstof per hectare per jaar (vermesting) of in zuurequivalenten per hectare per jaar (verzuring). De KDW’s die in Vlaanderen gebruikt worden, zijn gebaseerd op de Nederlandse waarden (van Dobben et al. 2012). Deze KDW’s zijn een verdere uitwerking van de waarden die door de United Nations Economic and Social Council (UNECE) in 2010 werden vastgesteld in het kader van de Convention on long‐range Transboundery Air Pollution. Op drie na zijn voor alle habitat(sub)types die in Vlaanderen voorkomen, KDW’s te vinden in het Nederlandse rapport (Hens & Neirynck 2013).

De Nederlandse KDW’s zijn volgens een vast protocol tot stand gekomen, door de integratie van resultaten van empirisch onderzoek ‐ dit zijn experimenten en waarnemingen waarbij het effect van stikstoftoediening werd onderzocht ‐ met de resultaten van modellen die simuleren tot op welk niveau de habitat extra stikstof kan verwerken. Als empirisch onderzoek en modeluitkomsten onvoldoende waren om tot een KDW te komen, werd aangevuld met expertise (van Dobben et al. 2012). Uit recent onderzoek blijkt dat de effecten van chronische stikstofdepositie op de vegetatie van bepaalde habitattypes ernstiger zijn dan tot nu toe werd aangenomen (Payne et al. 2013; Kooijman et al. 2016; Wilkins et al. 2016). Voor 6 van de 7 habitattypes uit het onderzoek van Wilkins et al. (2016), die ook in Vlaanderen voorkomen, ligt het omslagpunt in de vegetatie bij een lager depositieniveau dan de KDW’s die nu gehanteerd worden (Tabel 1).

Tabel 1

Vergelijking van de KDW voor Vlaanderen, volgens de praktische wegwijzer 3.1 (ANB 2015), met het omslagpunt van de vegetatie volgens Wilkins et al. (2016). * geeft aan dat voor de verschillende subtypes van een habitat een verschillende KDW bepaald werd, waardoor een bereik wordt weergegeven.

Habitattype

KDW Vlaanderen (kg/ha.jaar)

Omslagpunt vegetatie (kg/ha.jaar)

4010

11‐17

6,9‐10,1

4030

15

5,7‐16,4

6210

21

8,3‐8,7

6230*

10‐12

6,6‐7,3

6410

15

6,8‐13,6

6510*

20‐22

7,6‐11,9

91E0*

26‐34

15,9‐18,7

Door de KDW’s te combineren met de depositiekaart en de habitatkaart, ontstaat een overschrijdingskaart die weergeeft waar de draagkracht van habitat wordt overschreden en in welke mate dat het geval is. Deze overschrijdingskaart is een belangrijk instrument voor de PAS en ligt aan de basis van het gebiedsspecifieke beleid. Het PAS herstelbeheer is van toepassing op alle habitat in SBZ‐H waarvoor volgens de overschrijdingskaart de KDW overschreden is. Dit is het geval op ongeveer 70% van de 44.000 ha habitat die in habitatrichtlijngebied ligt (Cools et al. 2015). Deze cijfers zijn niet constant: ze wijzigen bij elke actualisatie van de depositie‐ en habitatkaarten, die

www.inbo.be

Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)

17

resulteert in een nieuwe overschrijdingskaart. Ook nieuw gerealiseerd habitat kan onder deze voorwaarde in aanmerking voor herstelbeheer. Het ontwikkelingsbeheer dat toegepast wordt om vanuit een niet niet‐ habitatwaardige uitgangstoestand habitat te realiseren (figuur 6), is er niet onder begrepen.

1.4

PAS herstelbeheer: niets nieuws onder de zon?

Het PAS herstelbeheer heeft tot doel de negatieve effecten van stikstofdepositie op habitat, waarvoor de KDW is overschreden, te milderen. Herstelbeheer kan toegepast worden op de habitat zelf, zoals bij voorbeeld plaggen en begrazen, of op een ruimer landschappelijk geheel dat de kwaliteit van de habitat mee bepaalt. Voorbeelden van maatregelen die op landschapsschaal worden toegepast, zijn het herstel van de connectiviteit en hydrologisch herstel. PAS herstelbeheer omvat niet alleen maatregelen die de stikstofvoorraad verkleinen, maar alle mogelijke maatregelen die ingrijpen op de complexe verstoringen die stikstofdepositie veroorzaakt. Plaggen van heide en grasland is een voorbeeld van een maatregel die effectief stikstof verwijdert, door de organische bodem grotendeels weg te halen (Aerts & Heil 1993). Dat absoluut effect is veel kleiner bij begrazen (Aerts & Heil 1993), maar grazers verkiezen grassen zodat ze effectief ingrijpen op de verstoorde competitieverhoudingen (Bokdam & Gleichman 2000). Verder werken grazers vooral in op de herverdeling van de stikstof binnen het systeem door habitatspecifieke preferenties voor verschillende gedragsvormen.

Sommige maatregelen werken specifiek in op de beschikbaarheid van stikstof (bij voorbeeld plaggen), of tegen de verzurende effecten (bij voorbeeld bekalken), terwijl andere maatregelen zowel verzuring als vermesting kunnen afremmen. Een voorbeeld van een maatregel die zowel tegen verzuring als vermesting kan inwerken, is de geleidelijke omvorming van naaldbos naar loofbos. Hierdoor verlaagt de depositie van stikstof in het bos, verbetert de strooiselkwaliteit en wordt ook meer stikstof opgenomen en vastgelegd door de houtige vegetatie (De Schrijver et al. 2004). Ook hydrologische maatregelen kunnen zowel verzuring als vermesting remediëren. Omwille van de effectiviteit en het belang van hydrologisch herstel, gaan we in een volgend onderdeel dieper in op deze specifieke herstelmaatregel.

Figuur 6

18

Terminologie die gehanteerd wordt met betrekking tot natuurontwikkeling en natuurbeheer, schematisch uitgezet ten opzichte van enerzijds de tijd en anderzijds de natuurwaarde van respectievelijk de uitgangstoestand en de eindtoestand (Van Uytvanck & Decleer 2004).

Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)

www.inbo.be

De herstelmaatregelen die worden ingezet om de effecten van stikstofdepositie te milderen, worden vaak al decennia toegepast in natuurbeheer en –natuurherstel. Vele milieudrukken werken namelijk al zeer lang in op onze natuur. Zo werd bij voorbeeld in de jaren 1980 uitgebreid onderzoek verricht naar nutriëntengiften, om de verzurende en verarmende effecten van zwaveldepositie op bossen, rivieren en meren te milderen. Recenter heeft de toegenomen vraag naar houtige biomassa, als alternatief voor fossiele brandstoffen, het onderzoek naar compenserende nutriëntengiften in bossen opnieuw gestimuleerd. In een aantal landen worden nutriëntegiften om deze redenen ook systematisch toegepast (Clair & Hindar 2005; Mant et al. 2013; Reid & Watmough 2014). Andere herstelmaatregelen zijn in wezen reguliere beheermaatregelen die al eeuwenlang worden toegepast, bij voorbeeld om graslanden en heiden te beheren. Bij verhoogde stikstofdepositie moeten ze echter met een hogere intensiteit toegepast worden om successie tegen te gaan en de karakteristieke vegetatie in stand te houden (Terry et al. 2004; Wamelink et al 2009). Dit extra beheer rekenen we ook tot het PAS herstelbeheer. Het PAS herstelbeheer is hierdoor moeilijk te plaatsen binnen de terminologie die gehanteerd wordt met betrekking tot natuurbeheer en natuurontwikkeling (figuur 6).

PAS herstelbeheer kan zowel natuurbeheer als natuurontwikkeling omvatten, op voorwaarde dat het tot doel heeft actueel aanwezige habitat robuuster te maken tegen de effecten van stikstofdepositie. Maatregelen die enkel gericht zijn op de uitbreiding van habitat, zijn niet onder het PAS herstelbeheer begrepen en worden in dit rapport niet behandeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=e6843655-c78a-400c-8d7a-f625a69c8bd5