CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en Regels BP Stationstuinen 2e fase

commissie Wonen en Werken 9 juni 2026, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase (adviserend)33.260 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Conclusie

Vanuit externe veiligheid ontstaan geen belemmeringen voor de planvorming.

De Stationstuinen 2e fase

48

5.7

Ecologie

5.7.1

Toetsingskader

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunning plichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

De Stationstuinen 2e fase

49

Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); • soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); • andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 5.7.2

Quickscan flora en fauna

Er is door BRO een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied. Deze is opgenomen in de bijlagen. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies beschreven. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: •

Met betrekking tot de sloop van de woningen aan Gebroken Meeldijk 56 en 58 zijn overtredingen ten aanzien van het verwijderen van nest-locaties van huismus en gierzwaluw op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven;

•

Met betrekking tot de sloop van de bebouwing aan Gebroken Meeldijk 56 en 58, Gebroken Meeldijk 64B, Gebroken Meeldijk 66 en Transportweg 20 – 46 is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van een of meerdere vleermuissoorten niet op voorhand uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven;

•

Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;

•

In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

5.7.3

Vervolgonderzoeken soorten

Huismus Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan flora en fauna is vervolgonderzoek uitgevoerd naar de huismus. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hieronder is de conclusie beschreven.

De Stationstuinen 2e fase

50

•

Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen nestlocaties van huismus waargenomen. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot huismus is uitgesloten. Er hoeft geen ontheffing te worden verkregen, noch zijn er enige vervolg-stappen noodzakelijk met betrekking tot deze soort. Wel dienen de volgende maatregelen in acht te worden genomen:

•

De kap van het opgaand groen dient buiten het broedseizoen of na een broedvogelcontrole te worden uitgevoerd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart t/m half augustus;

•

Met betrekking tot de zorgplicht dienen eventueel aangetroffen dieren tijdens de werkzaamheden de kans te krijgen om het plangebied zelfstandig te verlaten. Bij soorten als egel en gewone pad kunnen de dieren met beleid verplaatst worden naar een veilige plek buiten het plangebied.

Gierzwaluwen Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan flora en fauna is vervolgonderzoek uitgevoerd naar de gierzwaluw. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hieronder is de conclusie beschreven. •

Binnen het plangebied is één nestlocatie van Gierzwaluw waargenomen, binnen de woning aan de Gebroken Meeldijk 58.

•

Met de voorgenomen plannen wordt de bebouwing binnen het plangebied gesloopt, waardoor de nestplaats wordt vernietigd. Hierop geldt een vergunningsplicht conform artikel 11.37 lid 1 onderdeel b, inzake het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels.

•

Hiertoe dient een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit te worden verkregen.

Vleermuizen Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan flora en fauna is vervolgonderzoek uitgevoerd naar de vleermuis. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hieronder is de conclusie beschreven. •

Er zijn een 2-tal zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis binnen de Gebroken Meeldijk 66 en 1 zomer- en paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in de bedrijfshal aan de Gebroken Meeldijk 64B aangetroffen.

•

Met de voorgenomen plannen wordt de bebouwing binnen het plangebied gesloopt, waardoor de verblijfplaatsen worden vernietigd. Hierop geldt een vergunningsplicht conform artikel 11.46 lid 1 onderdeel ben d, inzake het verstoren van gewone dwergvleermuis en het vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis.

•

Hiertoe dient een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit te worden verkregen.

5.7.4

Stikstofonderzoek

Er is door AnteaGroup een stikstofonderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in de bijlagen. Voor het bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase te Barendrecht zijn stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd voor de realisatiefase en de gebruiksfase. Uit de rekenresultaten blijkt dat er geen sprake is van een toename in stikstofdepositie ten gevolge van het planvoornemen. De AERIUS pdf laat een resultaat van 0,00 mol/ha/jaar zien. De berekeningen zijn als bijlage toegevoegd aan deze rapportage. Voor de voorgenomen ontwikkeling toont AERIUS Calculator voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Significante gevolgen voor de habitats in Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie zijn daarmee uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie staat verdere besluitvorming derhalve niet in de weg.

De Stationstuinen 2e fase

51

5.7.5

Conclusie

Het onderdeel ecologie zorgt niet voor belemmeringen.

5.8

Bodem

5.8.1

Toetsingskader

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 5.8.2

Onderzoek

Door adviesbureau RSK is een Vooronderzoek Landbodem (vooronderzoek NEN 5725) uitgevoerd op de gehele Stationstuinen-locatie (proj.nr. 516545.001(01), 28-03-2022). Dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Voor het gedeelte waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft zijn de deelgebieden Gebroken Meeldijk en Transportweg en Koopliedenweg van toepassing. Over deze deellocaties wordt in de rapportage het volgende opgemerkt: •

Gebroken Meeldijk: Op basis van de beschikbare bodem(kwaliteit)gegevens wordt geconcludeerd dat de bodem binnen het deelgebied Gebroken Meeldijk over het algemeen niet verdacht is op bodemverontreiniging als gevolg van puntbronnen of (voormalige) verdachte bedrijfsactiviteiten. Uitzonderingen vormen de locatie Gebroken Meeldijk 68 (waar in de ondergrond sterke verontreinigingen met koper zijn aangetoond en matig verhoogde gehalten lood, nikkel en zink) en de locatie Gebroken Meeldijk 66 (waar in het wegdek sterke verontreinigingen aanwezig zijn met vluchtige aromaten gerelateerd aan een geval van ernstige bodemverontreiniging op Gebroken Meeldijk 73). De bodem binnen deelgebied Gebroken Meeldijk is wel verdacht op bodemverontreiniging als gevolg van de aanwezigheid van gedempte sloten.

•

Transportweg en Koopliedenweg: Op basis van de beschikbare bodem(kwaliteit)gegevens wordt geconcludeerd dat de bodem binnen het deelgebied Handelscentrum Zuid Holland Zuid niet verdacht is op bodemverontreiniging als gevolg van puntbronnen of (voormalige) verdachte bedrijfsactiviteiten. De bodem is wel verdacht op bodemverontreiniging als gevolg van de aanwezigheid van gedempte sloten.

Voor een deellocatie is in het verleden een bodemonderzoek verricht door Lawijn. Hieruit is gebleken dat in de ondergrond sprake is van verhoogte gehalten en (lichte) verontreinigingen, maar niet van dusdanig aard dat er sprake is van noodzakelijk sanering. Uit dit onderzoek naar voren komt dat de zandige aanvullaag ter plaatse van voormalige sloot niet verontreinigd is. Aangezien het gehele plangebied begin jaren ’80 van de vorige eeuw gelijktijdig is ontwikkeld tot bedrijventerrein kan op basis van dit onderzoek worden verondersteld dat alle sloten destijds met schoon zand zijn aangevuld. Het onderzoek is als bijlage toegevoegd aan de toelichting van het bestemmingsplan. 5.8.3

Conclusie

De vastgestelde milieu hygiënische bodem- en grondwaterkwaliteit vormt geen belemmering voor de economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

De Stationstuinen 2e fase

52

5.9

Water

Oppervlakteverdeling De verdeling van verhard- en onverhard oppervlak en oppervlaktewater voor de huidige en toekomstige situatie is in onderstaande tabel weergegeven.

Oppervlaktewater Voorgenomen inrichting plangebied Een belangrijk kenmerk van de voorgenomen ontwikkeling is de blauw-groene zone, die aan de westelijke kant van het plangebied is voorzien. In deze zone wordt de waterloop, die in de huidige situatie overkluisd van noord naar zuid in het plangebied ligt, vervangen door een open watergang. Een open watergang is beter voor de waterkwaliteit dan een overkluisde watergang. Daarnaast is de bergingscapaciteit in een open watergang groter. Een open watergang heeft verder een grotere interactie tussen grond- en oppervlaktewater, waardoor de grondwaterstanden beter beheerst kunnen worden. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt (beleving), droogte en hitte is een open watergang ook positief. De inrichting van watergang langs de Spoorlaan, in de zone die voor verkeer bestemd is, is niet duidelijk. Aangenomen is dat de bestaande watergang hier gehandhaafd blijft. Peilgebied De gebiedsontwikkeling bestaat uit verschillende fases. In fase 1 wordt de waterstructuur aangepast. Het voornemen is om drie peilgebieden te verbinden en de hoofdwatergang langs de Tuindersweg en Veren Ambachtseweg te laten lopen. In onderstaande tabel is weergegeven hoe dit toekomstige peilgebied eruit komt te zien. Er komt één vast peil van NAP -1,90 m. Op basis van de nu beschikbare gegevens wordt verwacht dat deze structuur in alle fasen zal voldoen.

Bij iedere volgende fase wordt getoetst of dit inderdaad nog steeds het geval is. Eventueel zal per fase bijgestuurd worden. De voorliggende tweede fase ligt geheel binnen het oorspronkelijke peilgebied, en ook binnen het grotere toekomstige peilvak. De aanpassingen van de waterstructuur is voor deze fase dus niet van belang. Verhard- en onverhard oppervlak In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak met circa 15.295 m2 af, het onverhard oppervlak met circa 15.055 m2 af en het wateroppervlak neemt met circa 240 m2 toe. Wel dient als kanttekening te worden

De Stationstuinen 2e fase

53

opgemerkt dat de geschatte oppervlaktes een eerste inschatting betreffen. In de toekomst dient het plan nog verder in detail te worden uitgewerkt. Benodigde watercompensatie Waterschap Hollandse Delta Beleidsregel 11 dat betrekking heeft op artikel 3.3. uit de Keur stelt dat 10% van de toename aan verhard oppervlak moet worden gecompenseerd in de vorm van open water. Er is geen toename aan verhard oppervlak, er hoeft daarom niet te worden gecompenseerd in de vorm van open water. Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland In het “convenant klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland” staat dat op privaat terrein een groot deel van de neerslag (50 mm) van een korte hevige bui dient te worden opgevangen. Het is nog onbekend hoe groot het oppervlak publiek en privaat terrein is. Er is daarom als uitgangspunt aangenomen dat de gebouwen (25.860 m²) behoren tot privaat terrein. Om te voldoen aan het Convenant is ca. 1.293 m3 (25.860 m2 * 50 mm) aan waterberging benodigd. Dit betreft bijvoorbeeld berging op groen-blauwe daken, en in wadi’s. De precieze uitwerking vindt plaats in de uitvoeringsfase. Grondwater Voor de grondwaterstand zijn in par. 2.5 de volgende inschattingen gemaakt: •

GG: NAP -1,2 m

•

GHG: NAP -0,9 m

•

GLG: NAP -1,35 m

Het maaiveld bevindt zich overwegend tussen NAP -0,8 m en NAP -1,3 m. De weg bevindt zich op gemiddeld NAP -0,8 m. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de grondwaterstand relatief hoog ligt. De tabel hieronder geeft een overzicht van veel gebruikte mimimaal benodigde ontwateringsdieptes van gemeentes in Nederland.

Klimaatadaptatie De gemeente Barendrecht heeft haar beleid rondom klimaatadaptatie voor De Stationstuinen opgenomen in de beleidsregel ‘Duurzaamheid De Stationstuinen’ (zie paragraaf 3.3.3). Binnen het plangebied bestaat de mogelijkheid om klimaat adaptieve maatregelen te nemen. De slecht doorlatende toplaag in combinatie met de relatief hoge grondwaterstand maakt het gebied ongeschikt voor infiltratie. Wel kan de aanleg van groen in de wijk worden gestimuleerd. Groene daken leveren verschillende voordelen op: •

Het vangt regenwater op, dit vermindert de belasting op het rioolstelsel,

•

Het draagt bij aan de vermindering van CO2-uitstoot. Het werkt isolerend waardoor stookkosten worden verminderd.

•

Gedurende hoge temperaturen straalt het groene dak minder warmte uit. Dit heeft een gunstig effect op de omgevingstemperatuur.

De Stationstuinen 2e fase

54

Ook vermindert het aanwezige oppervlaktewater hittestress in het plangebied. Hittestress binnen het plangebied kan verder worden verminderd door de aanleg van bomen en/of andere vegetatie. Dit heeft als voordeel dat het plangebied robuuster is gedurende langdurige periodes van droogte doordat het water beter wordt vastgehouden. Om wateroverlast tijdens extreme situaties te voorkomen moet bij de inrichting van het plangebied rekening worden gehouden dat overtollig hemelwater tot afstroom kan komen naar pekken waar dit niet tot wateroverlast leidt. Bij voorkeur wordt het water bovengronds afgevoerd richting oppervlaktewater. Vuil en hemelwater In de huidige situatie ligt er een hemelwaterriool. In de toekomstige situatie dient er een gescheiden rioolstelsel in het plangebied aanwezig te zijn. Het vuilwaterriool dient te lozen op een afvalwaterzuivering (RWZI) van waterschap Hollandse Delta. Hemelwater dient lokaal te infiltreren of vertraagd te worden afgevoerd naar het oppervlaktewatersysteem. De benodigde rioolcapaciteit zal later bij de vergunningverlening moeten worden uitgezocht en nader worden uitgewerkt. Indien nodig kan het blijken dat het afvalwaterriool nog verder moet worden uitgebreid. Waterkwaliteit In de toekomstige situatie mag de waterkwaliteit niet verslechteren.

Dit houdt in dat er geen negatieve gevolgen zijn op het omliggende grond en/of oppervlaktewatersysteem. Derhalve dient gewerkt te worden met niet-uitlogende materialen. Ook moet afstromend hemelwater zoveel mogelijk gescheiden afgevoerd worden om vervuiling te voorkomen. Een voorbeeld hiervan is dat hemelwater dat op het dak valt schoner is dan hemelwater dat valt op een intensief gebruikte parkeerplaats of weg. Bij de aanleg van nieuw oppervlaktewater moeten doodlopende watergangen worden voorkomen in verband met de waterkwaliteit. De toepassing van natuurvriendelijke oevers wordt aanbevolen. De aanleg van natuurvriendelijke oevers draagt bij aan een verhoging van de natuurwaarde, ofwel de ecologische waterkwaliteit, verbetering van de chemische waterkwaliteit en een verbetering van de belevings- en recreatiewaarde. Waterveiligheid Op basis van de legger van waterschap Hollandse Delta ligt in het noordoosten op een afstand van ca. 480 m een regionale waterkering. Het plangebied ligt binnendijks en bevind zich niet de in de kern- of beschermingszone van waterkeringen. Om deze reden zijn er geen effecten op de waterveiligheid.

5.10

Archeologie

5.10.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.

De Stationstuinen 2e fase

55

Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 5.10.2

Onderzoek

Er is door AnteaGroup een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plan. Deze is opgenomen in de bijlagen. Hieronder is een samenvatting beschreven. Resultaten Op eventueel in de ondergrond aanwezige rivierduinen kunnen resten uit de steentijd worden aangetroffen. Op afzettingen van de stroomgordel van Ridderkerk kunnen resten uit het neolithicum en de bronstijd worden verwacht. Bij eerder onderzoek in het zuidelijke deel van het plangebied (Zaakid. 4599435100) werden binnen 5m -mv geen rivierduin- of stroomgordelafzettingen aangetroffen. In de top van het Hollandveen kunnen resten uit de ijzertijd, romeinse tijd en middeleeuwen aanwezig zijn. Het Hollandveen werd bij eerder onderzoek in het zuidelijke deel van het plangebied (Zaakid.4599435100) aangetroffen tussen 3,5 en 3,75m -NAP (circa 2,35 á 2,7m -mv). Bij onderzoek op circa 35m ten noorden van het plangebied werd het Hollandveen aangetroffen van circa 2,20 á 3,40m -mv. In en op de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren kunnen resten uit de middeleeuwen en nieuwe tijd verwacht worden. Mogelijk was het grootste deel van gebied echter te nat voor bewoning en vond bewoning voor de inpoldering voornamelijk plaats op kreekoevers. Na de inpoldering vond bewoning hoofdzakelijk plaats langs dijken en ontginningsassen.

Op basis van de historische kaarten worden in het plangebied geen resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd verwacht, behalve eventuele resten van een molen uit circa 1940. Advies In het zuidelijke deel van het plangebied heeft reeds een verkennend booronderzoek plaatsgevonden. Dit deel van het terrein kan op basis van de bevindingen van dat onderzoek worden vrijgegeven tot 5m -mv. Omdat er in het overige deel van het plangebied een middelhoge kans is op het aantreffen van archeologische resten binnen het plangebied, adviseert Antea Group om een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase, uit te voeren op de locaties waar graafwerkzaamheden dieper dan 80cm -mv gepland zijn. De methode – een verkennend booronderzoek bestaande uit 6 boringen per hectare - is er niet primair op gericht om archeologische resten aan te treffen (hiervoor is de gehanteerde boordichtheid en –intensiteit te gering), maar is wel uitermate geschikt om: 1) de aard van bodemopbouw en 2) de mate van intactheid van de oorspronkelijke bodemopbouw inclusief de archeologische sporendragende niveaus te bepalen. Bovenstaande is een advies; het hierop nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Barendrecht. Het advies is namens het bevoegd gezag beoordeeld door Archeologie Rotterdam.

Het rapport wordt akkoord bevonden en het advies voor een (aanvullend) booronderzoek wordt onderschreven.

De Stationstuinen 2e fase

56

5.10.3

Conclusie

Het aanvullende archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning(en). In het plan is de al vigerende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 2’ gehandhaafd, zodat op die manier de bescherming van archeologische waarden is geborgd.

5.11

Cultuurhistorie

5.11.1

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 5.11.2 Onderzoek Binnen het plangebied liggen geen rijksmonumenten. Ook is het gebied geen onderdeel van een beschermd stads- of dorpsgezicht. In en rondom het plangebied liggen in de Cultuurhistorische Atlas van de provincie Zuid-Holland geen cultuurhistorisch waardevolle structuren. De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied tast geen cultuurhistorische waarden in de omgeving aan. In het archeologisch onderzoek (zie bijlage bij deze toelichting) wordt verwezen naar eventuele resten van een molen uit 1940 binnen het plangebied.

Naar alle waarschijnlijkheid is dit een klein poldermolentje geweest, een zogenaamd Bosman-molentje. Deze molentjes waren vroeger wel meer te vinden in het tuindersdorp Barendrecht en omgeving en dragen zeker bij aan de (her)beleving van de gloriedagen van de groente en fruitveiling en de bedrijvigheid van tuinders rondom de veiling. Vanuit cultuurhistorisch perspectief en de beleving daarvan (zeker in combinatie met de oude loodsen die blijven staan en het voormalige veilinghuis Jabaay) is het een optie dit element terug te brengen in De Stationstuinen. Deze cultuurhistorische elementen kunnen zo samen een ‘verband’ brengen in het ‘verhaal’ van De Stationstuinen. 5.11.3 Conclusie Het onderdeel cultuurhistorie zorgt niet voor belemmeringen.

De Stationstuinen 2e fase

57

6

Juridische planopzet

In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

6.1

Inleiding

Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functieen bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

6.2

Plansystematiek

Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. Bij het opstellen van de regels is waar mogelijk aangesloten op de regeling zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Barendrecht Noordoost’. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente Barendrecht. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels.

De Stationstuinen 2e fase

58

Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): •

bestemmingsomschrijving;

•

bouwregels;

•

nadere eisen;

•

afwijken van de bouwregels;

•

specifieke gebruiksregels;

•

afwijken van de gebruiksregels;

•

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;

•

omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;

•

wijzigingsbevoegdheid.

De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 2 start met een artikel, waarin de doelen van het bestemmingsplan worden beschreven (artikel 3). Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: •

anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

•

algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan.

•

algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van niet-ingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

•

algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

•

een regel met een zorgplicht. Degene die een activiteit verricht als bedoeld in dit bestemmingsplan en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen in artikel 3, is verplicht:

De Stationstuinen 2e fase

59

o

alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

o

voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

o

als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

6.3

Bestemmingen

Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Gemengd Voor een groot deel van het plangebied is de bestemming ‘Gemengd’ opgenomen. Binnen deze bestemming zijn de functies wonen en andere (commerciële) voorzieningen toegestaan en maakt de ontwikkeling van De Stationstuinen 2e fase mogelijk. Als het gaat om wonen is van belang, dat wonen is uitgesloten in de mobilityhubs. De mobility hubs zijn op de verbeelding aangeduid. De niet-woonfuncties zijn alleen maar toegestaan als ze geschikt zijn voor functiemenging met woningen. Daarvoor is een toetsingskader opgenomen in artikel 4.4.3. Er is een meldingsplicht opgenomen voor meldingsplichtige activiteiten onder het Activiteitenbesluit. Voor de gewenste flexibiliteit is niet gekozen voor een strakke regeling per bouwblok, maar een meer algemene regeling. Er is gewerkt met een standaardbouwhoogte, die onder voorwaarden kan worden opgetopt. Er zijn daarnaast in het plangebied verschillende hoogteaccenten opgenomen met een passende bouwregeling. Om wel sturing te kunnen geven is het maximale aantal woningen en het maximale oppervlak van de verschillende toegestane functies vastgelegd (in sommige gevallen ook per vestiging). De bouwwerken moeten voldoen aan de beoogde duurzaamheidseisen zoals bepaald in de beleidsregel ‘Duurzaamheid De Stationstuinen’.

In het plan zijn verschillende gebruiksregels en voorwaardelijke verplichtingen opgenomen om e.e.a. te borgen. Om het parkeren te borgen staat in artikel 4.4.4 een voorwaardelijke verplichting parkeren. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te borgen zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen voor milieubelastende activiteiten buiten het plangebied (artikel 4.4.7), bezonning (artikel 4.4.8), windklimaat (artikel 4.4.9), een knip in de verbinding Spoorlaan – Zuideinde (artikel 4.4.10) en groenvoorzieningen (artikel 4.4.11). Wat betreft geluid is een toetsingsregel opgenomen om te waarborgen dat elke woning in ieder geval één geluidluwe gevel heeft met een geluidbelasting van maximaal 48dB vanwege wegverkeerslawaai. Er zijn ook toetsingsregels opgenomen voor waterberging. Naar aanleiding van overleggen na vaststelling van het bestemmingsplan 1ste fase zijn er afspraken gemaakt tussen gemeente en Prorail. Eén van de afspraken betreft het opnemen van een voorwaardelijke verplichting voor trillingshinder. De wens is om mogelijke trillingshinder voor nieuwe bewoners zoveel mo gelijk te minimaliseren. Met het opnemen van een extra voorwaardelijke verplichting worden nieuwe bewoners aanvullend beschermd tegen mogelijke trillinghinder als gevolg van de nabijgelegen spoor wegen.

De Stationstuinen 2e fase

60

Er is daarnaast een bepaling opgenomen voor de borging van ‘grondgebonden woningen’. Minimaal 10% van het aantal woningen dient te worden gerealiseerd als grondgebonden woningen. Hieronder worden ook Beneden-bovenwoning (BeBo) verstaan, waarbij de ondergelegen woning als grondgebonden woning wordt beschouwd. Optopping op grondgebonden woningen is niet toegestaan, met uitzondering van een BeBowoning. Daarnaast geldt voor grondgebonden bouwwerken dat voor bijbehorende bouwwerken wordt aangesloten bij vergunningsvrij bouwen. Om die reden is daar geen specifieke regeling voor opgenomen. Groen Het parkgedeelte gelegen aan de westzijde van het plangebied krijgt de bestemming ‘Groen’. Binnen deze aanduiding zijn in beginsel uitsluitend bouwwerken toegestaan ten behoeve van groen. Daarnaast zijn water en voorzieningen voor de waterhuishouding alsmede voet- en fietspaden toegestaan. Verkeer De Spoorlaan, de gronden langs de Gebroken Meeldijk en het oostelijk deel van het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Verkeer'. Voor andere bouwwerken dan gebouwen is een maximale hoogtemaat opgenomen, met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van de verkeersregeling, de verkeers- of wegaanduiding of de verlichting. Waarde – Archeologie - 2 Ter bescherming en veiligstelling van archeologische waarden is een dubbelbestemming Archeologie opgenomen.

De Stationstuinen 2e fase

61

7

Uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

7.1

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen: •

de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;

•

de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;

•

de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;

•

de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;

•

de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de bouw van onder andere woningen. Er is derhalve sprake van een of meerdere bouwplannen als bedoeld in het Bro en dus is kostenverhaal aan de orde. Ten behoeve van onderhavig grondexploitatie heeft de gemeente met de ontwikkelende partij een (anterieure) exploitatieovereenkomst gesloten waarin de kosten voor de grondexploitatie worden verhaald op deze ontwikkelende partij(en). Hiermee is het verhaal van kosten anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan in dit kader op basis van artikel 6.12 lid 2 van de Wro niet noodzakelijk. De raad heeft ook voor het overige afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: •

Vooroverleg

•

Vaststellingsprocedure

De Stationstuinen 2e fase

62

7.2.1

Vooroverleg

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Tijdens de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan zullen de verschillende vooroverlegpartners de kans hebben om een reactie te geven op het plan. Reacties met eventueel bijbehorende acties of aanpassingen zullen te zijner tijd in deze paragraaf (zie paragraaf 7.2.2) beschreven worden. 7.2.2

Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure heeft het ontwerp bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. In deze periode zijn er 18 zienswijzen ingediend. Deze zijn samengevat en van een antwoord voorzien in de nota beantwoording zienswijzen. Deze nota is als een bijlage gevoegd bij dit bestemmingsplan. Naar aanleiding van de zienswijzen is het ontwerpbestemmingsplan op onderdelen aangepast. De aanpassingen staan op een rij in de nota beantwoording zienswijzen.

De Stationstuinen 2e fase

63

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Ontwikkelkader De Stationstuinen Bijlage 2: Structuurplan Bijlage 3: Beeldkwaliteitsplan De Stationstuinen Bijlage 4: Ambitiedocument klimaatadaptatie De Stationstuinen Bijlage 5: Quickscan Ontplofbare oorlogsresten De Stationstuinen Bijlage 6: Quickscan Flora en Fauna De Stationstuinen 2e fase Bijlage 7: Vervolgonderzoek huismus De Stationstuinen 2e fase Bijlage 8: Vooronderzoek bodem Bijlage 9: Archeologisch bureauonderzoek De Stationstuinen Bijlage 10: Akoestisch onderzoek De Stationstuinen 2e fase Bijlage 11: Externe veiligheid De Stationstuinen 2e fase Bijlage 12: Watertoets De Stationstuinen 2e fase Bijlage 13: Stikstofonderzoek De Stationstuinen 2e fase Bijlage 14: Ladder wonen De Stationstuinen 2e fase Bijlage 15: Ladder voorzieningen De Stationstuinen 2e fase Bijlage 16: Aanvulling MER De Stationstuinen 2e fase Bijlage 17: Onderzoeken verkeer Bijlage 18: Beoordeling bedrijven en milieuzonering De Stationstuinen 2e fase Bijlage 19: Compensatieplan van bedrijventerrein naar woon-werkgebied Bijlage 20: Nota van zienswijzen Bijlage 21: Deelrapportage Parkeren Bijlage 22: Parkeerbeleid De Stationstuinen Bijlage 23: Verkennend en aanvullend bodemonderzoek

De Stationstuinen 2e fase

bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

4 4 11

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7

Bestemmingsregels Doelen Gemengd Groen Verkeer Waarde - Archeologie - 2

12 12 13 21 22 23

Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Zorgplicht

25 25 26 28 29 30

Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

31 31 32

2

Inhoudsopgave (vastgesteld)

Regels

bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1

Plan

Het bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase met identificatienummer NL.IMRO.0489.BPBTO20230003-VG01 van de gemeente Barendrecht. 1.2

Bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

Archeologische waarde

Gebied dat vanuit archeologisch oogpunt bescherming behoeft door middel van een dubbelbestemming. Het gebied is gewaardeerd op basis van de trefkans op archeologische relicten. Voor de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' gelden de regels conform de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' van het bestemmingsplan. 1.6

Avondperiode

Periode van een etmaal tussen 19 uur en 23 uur. 1.7

Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.8

Bedrijf

Een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren en verhandelen van goederen dan wel op het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij eventueel detailhandel plaatsvindt uitsluitend als niet zelfstandig en ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde goederen. 1.9

Bedrijfsvloeroppervlak (bvo)

De totale oppervlakte van de voor bedrjifsuitoefening benodigde bedrijfsruimten inclusief de verkoopvloeroppervlakte opslag en administratieve ruimten en dergelijke. 1.10

Begane grondlaag

De op de begane grond gelegen bouwlaag. 1.11

Beroep aan huis

De uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten door de bewoner van de woning op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, educatief, kunstzinnig, ontwerptechnisch, maatschappelijk, consumentverzorgend of daarmee gelijk te stellen gebied, mits: a. geen horeca, prostitutie of detailhandel zijnde, behoudens ondergeschikte detailhandel met een assortiment dat aansluit bij de ter plaatse uitgeoefende beroep- en bedrijfsactiviteit; b. de uitoefening ondergeschikt is aan de woonfunctie en de (ruimtelijke) uitstraling van de woonfunctie

4

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase behouden blijft; c. de bewoner op betreffende adres in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. 1.12

Bestaand

met betrekking tot bebouwing: de als zodanig op de verbeelding aangegeven bebouwing, zoals deze bestaat op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan dan wel op grond van een verleende bouwvergunning/omgevingsvergunning is c.q. kan worden gebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald. met betrekking tot gebruik: Het gebruik van grond en opstallen, zoals dat bestaat op het tijdstip dat het plan of betreffende planonderdeel rechtskracht heeft gekregen. 1.13

Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak. 1.14

Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.15

Bevi-inrichtingen

Het besluit externe veiligheid inrichtingen legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijventerrein. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die onder het besluit risico's zware ongevallen (BRZO) vallen, lpg-tankstations, opslagplaatsen voor gevaarlijke stoffen (PGS), ammoniakkoelinstallaties en spoorwegemplacementen. Het besluit bevat eisen voor het plaatsgebonden risico (PR) en regels voor het groepsrisico (GR). Het verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen hiermee rekening te houden. Zie verder: Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.16

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.17

Bouwgrens

De grens van een bouwvlak. 1.18

Bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor primaire functies van het gebouw of de daaraan gerelateerde functies geschikt of geschikte maken is, balkon en dakterrassen daaronder begrepen, niet zijnde een entresol of mezzanine. 1.19

Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.20

Bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel. 1.21

Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.22

Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Regels (vastgesteld)

5

bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase

1.23

Dagperiode

Periode van een etmaal tussen 07 uur en 19 uur. 1.24

Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- en bedrijfsactiviteit. Het bieden van gelegenheid om gekochte etenswaren ter plaatse te nuttigen is toegestaan. Onder detailhandel wordt niet verstaan detailhandel in volumineuze goederen. 1.25

Dienstverlening

Het beroeps en/of bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, zoals een kapsalon, reisbureau, uitzendbureau, bankfiliaal, wasserette, apotheek, pedicures, makelaarskantoren of daarmee naar aard gelijk te stellen diensten, eventueel met bijbehorend kantoor, magazijn of ambacht, zulks met uitzondering van horecabedrijven en seksinrichtingen. 1.26

Dove gevel

a. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. 1.27

Functiemenging

Een gebied waarin (kleinschalige) bedrijven of andere milieubelastende functies verspreid zijn gesitueerd tussen woningen en/of andere gevoelige functies. 1.28

Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.29

Geluidgevoelig object

Zoals bepaald in de Wet geluidhinder en Besluit geluidhinder. 1.30

Geluidwerende vlies

Een bouwkundige constructie aangebracht aan de buitenzijde van een gevel met het doel een geluidsreductie op deze gevel te bewerkstelligen, als gevolg waarvan voldaan wordt aan het gestelde in de Wet geluidhinder, waarbij de afstand tussen geluidwerende vlies en gevel tenminste 0,5 meter is en waarbij er tussen geluidwerende vlies en gevel sprake is van buitenlucht, met openingen ten behoeve van de luchtverversing met een capaciteit van tenminste 6 dm³ per seconde per m² vloeroppervlak van de achterliggende woning(en). 1.31

Geurgevoelig gebouw / Lichtgevoelig gebouw

Een gebouw dat bestemd en geschikt is voor menselijk wonen of verblijf, waarbij sprake is van permanent (of daarmee vergelijkbaar) gebruik. 1.32

Grondgebonden woning

Een woning die toegankelijk is vanaf straatniveau (al dan niet middels een licht verhoogd entree), bestaande uit maximaal 2 bouwlagen. Hieronder wordt ook begrepen een beneden en -bovenwoning (BeBo), mits beide woningen vanaf maaiveld toegankelijk zijn.

6

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase

1.33

Hoofdgebouw

Een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.34

Hoofdverblijf

De woning waar u gedurende het hele jaar of het grootste deel van het jaar feitelijk woont en volgens de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. 1.35

Horeca

Een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gericht op het tegen vergoeding exploiteren van zaalaccommodatie, het verstrekken van drank en het voor directe consumptie bereiden en verstrekken van etenswaren. 1.36

Hotel

Een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het op commerciële basis bieden van overnachtingsmogelijkheden met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter plaatse. 1.37

Huishouden

Samenlevingsvorm van één of meer personen die in vast verband samenleven en waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling. Een kenmerk van continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid is het voor onbepaalde tijd samenleven. (bedrijfsmatige) kamerverhuur en door een instelling geplaatste personen vallen niet onder het begrip huishouden. 1.38

Kantoor

Voorzieningen gericht op het al dan niet commercieel verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. 1.39

Kunstwerk

Een constructie ten dienste van civieltechnische en/of infrastructurele voorzieningen, zoals een brug, een dam, een tunnel, een via- of aquaduct of een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening; vliesconstructies en duikers daaronder niet begrepen. 1.40

Kwaliteitsteam

Een door het college van burgemeester en wethouders ingesteld multidisciplinaire team, bestaande uit meerdere professionals, dat alle ingediende plannen toetst op ruimtelijke kwaliteit in samenhang met het gemeentelijk beleid. Eén van de leden is de voorzitter van de welstandscommissie/commissie ruimtelijke kwaliteit (CRK) en deze legt tevens de relatie naar de CRK en vergunningverlening die uiteindelijk over de plannen een advies zal uitbrengen in de fase van de vergunningen. 1.41

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

Het gemiddelde van de wisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in een bepaalde periode. 1.42

Maaiveld

De bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden.

Regels (vastgesteld)

7

bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase

1.43

Maatschappelijke voorziening

Overheidsvoorzieningen en voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid, kinderopvang, cultuur, religie, begraafplaatsen, crematoria, sport, onderwijs en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca met een assortiment dat aansluit op de aard van deze voorieningen. 1.44

Mobility hub

Een mobiliteitshub is een plek al dan niet bebouwd waar diverse reizen en vervoersvormen samenkomen zoals openbaar vervoer, deelmobiliteit, de fiets, voetganger en auto. Kenmerken van een mobility hub zijn:

Het is makkelijk om van de ene op de andere vervoersvorm over te stappen. De locatie is uitnodigend, toegankelijk en prettig om te verblijven. Er is ruimte voor praktische aanvullende diensten: bijvoorbeeld een supermarkt of commerciële voorzieningen. 1.45

Nachtperiode

Periode van een etmaal tussen 23 uur en 07 uur. 1.46

Nutsvoorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, hoogspanningsmasten, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.47

Openbare ruimte

De ruimte die voor iedereen toegankelijk is en niet direct aan een individu of groep toegerekend kan worden. Gronden die als openbare ruimte aangemerkt kunnen worden zijn onder andere parken, straten, pleinen, steegjes en parkeerplaatsen. 1.48

Perceelsgrens

Een grens tussen twee percelen. 1.49

Permanente bewoning

Bewoning van een ruimte als hoofdverblijf c.q. vaste woon- of verblijfplaats door één of meer personen, die op dat adres zijn ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). 1.50

Pocketpark

Een compact park bedoeld voor recreatie, ontmoeting, groen, water dat een rustpunt vormt voor bezoekers met de daarbij behorende voorzieningen zoals paden, straatmeubilair, groen- en watervoorzieningen. 1.51

Prostitutie

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen voor of met een ander tegen vergoeding of betaling. 1.52

Seksinrichting

De voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichtingen wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekswinkel, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

8

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase

1.53

Staat van Horeca-activiteiten

Een lijst van Horeca-activiteiten ingedeeld naar toelaatbaarheid in relatie tot uitstraling in het algemeen, zoals verstoring en/of hinder, zoals opgenomen in Bijlage 1 Staat van horeca-activiteiten. 1.54

Straatmeubilair

Voorzieningen ten behoeve van de weggebruiker, zoals verkeersborden, straatverlichting, zitbanken, plantenbakken e.d. 1.55

Trillinggevoelige gebouwen

Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. b. c. d.

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

1.56

Trillinggevoelige ruimten

Een trillinggevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een: a. woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie; b. onderwijsfunctie; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. 1.57

Tuin

Terrein ten behoeve van de aanleg van groenvoorzieningen, met de daarbij behorende verharding (paden, terrassen) en vijvers en dat in overwegende mate niet voor bebouwing in aanmerking komt. 1.58

Verbeelding

Analoge en/of digitale verbeelding (weergave) van het plangebied. 1.59

Verkeersvoorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van verkeer, waaronder: (spoor)wegen, fiets- en wandelpaden, parkeervoorzieningen, verkeerslichten, verkeersregelinstallaties, halteplaatsen, openbaar vervoersvoorzieningen, oversteekplaatsen, straatmeubilair, trottoirs, duikers, kruisende infrastructuur, en overige vergelijkbare verkeersvoorzieningen. 1.60

Vestiging

Locatie van een onderneming, instelling of zelfstandige beroepsbeoefenaar (dat wil zeggen elke fabriek, werkplaats, kantoor, winkel of andere bedrijfsruimte, dan wel elk complex daarvan) waarin of van waaruit een economische activiteit of zelfstandig (vrij) beroep wordt uitgeoefend door minimaal 1 werkzaam persoon. Elke afzonderlijk gelegen ruimte, terrein of complex van ruimten of terreinen, benut door een onderneming voor de uitoefening van haar activiteiten. 1.61

Waterhuishoudkundige voorzieningen

Al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.; 1.62

Woning

Een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat geschikt en bestemd is voor huisvesting van niet meer dan één huishouden.

Regels (vastgesteld)

9

bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase

1.63

Wonen

Het bewonen van een woning of zelfstandige wooneenheid door niet meer dan één huishouden. 1.64

Woon-werkwoning

Een woning met een daaraan (bouwkundig) gekoppelde of daarin opgenomen kleine bedrijfs- of praktijkruimte, atelier of kantoor, waarbij de bedrijfsfunctie ondergeschikt is aan de woonbestemming en de bewoner zelf de ruimte gebruikt. Een directe interne verbinding is geen vereiste.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16972463/2