Toelichting en Regels BP Stationstuinen 2e fase
Tekst van het document
In deelgebied 1 wordt circa 16 hectare bedrijventerrein (passend binnen de scope van de compensatieregeling) onttrokken aan de voorraad. Van deze 16 hectare is ruim 13.6 hectare bestemd voor AGF-bedrijven middels een functieaanduiding en circa 2.3 hectare voor algemene bedrijvigheid.
•
Diverse onderzoeken tonen aan dat er na transformatie voldoende aanbod bedrijventerrein in het AGFsegment in de regio beschikbaar blijft. Als de regio hiermee instemt, hoeft er op grond van de Omgevingsverordening (artikel 6.12) van de provincie Zuid-Holland geen compensatie plaats te vinden.
•
Voor de 13.6 ha met functieaanduiding AGF biedt Nieuw-Reijerwaard een alternatief zowel in m2 als milieucategorie 4 en blijft er nog (ruim) voldoende aanbod over voor de vraag vanuit agrologistiek in de regio.
De Stationstuinen 2e fase
27
•
De afstemming heeft al plaatsgevonden met de provincie Zuid-Holland, de gemeente Ridderkerk en de gemeente Rotterdam in Dutch Fresh Port.
•
De 2.3 hectare die geen functieaanduiding AGF heeft, wordt voor 1,2 hectare feitelijk wel door een agrologistiek bedrijf gebruikt. Om nu onduidelijke redenen heeft deze kavel echter in het bestemmingsplan in 2013 geen AGF-functieaanduiding heeft gekregen. Het restant van 1,1 hectare wordt gecompenseerd
•
conform het traditionele compensatieprincipe, door toevoeging van functie bedrijventerreinen elders. In de huidige plannen van de Stationstuinen (als geheel) komt nog zo’n 3 hectare werken “terug” in de vorm van woon-werkcombinaties. Het gaat dan o.a. om hoogwaardige AGF-bedrijvigheid en onderwijs, die overlapt met wonen binnen panden. Veelal gaat het hierbij overigens om functies in ten hoogste milieucategorie 2.
•
Tenslotte verkent Barendrecht nog andere mogelijkheden van compensatie door het beter benutten van bestaande terreinen en het toevoegen van nieuwe planologische ruimte voor bedrijvigheid. Uit onderzoek van Stec liggen voor de nieuwe planologische ruimte mogelijkheden in drie locaties: o o
De Lorenzweg (Barendrecht-Oost), Het ‘oude’ Oud-Reijerwaard ten noorden van de A15,
o
Nabij gasverdeelstation (tussen de Londen, De Gent en Kilweg).
Voor het beter benutten principe wordt door de Stec-groep kansen gezien op Dierenstein en Barendrecht-Oost. Met de Stec-groep gaan we in het vervolg deze kansen verder in kaart brengen. Compensatie deelgebied 2, Kantorenlocatie Barendrecht NS-station. •
In deelgebied 2 wordt circa 3 hectare bedrijfsbestemming in milieucategorie 3.1 of hoger onttrokken aan
•
de voorraad. Dit deelgebied kent de aanduiding “Kantorenlocatie”.
•
Op grond van de regionale Kantoren visies en het provinciale kantorenbeleid is het doel van de locatie herbestemmen. Dat is ook in lijn met de voorgestane gebiedsontwikkeling.
•
Voor dit deelgebied is op basis hiervan geen compensatie nodig.
Advies MRDH op compensatieplan De Stationstuinen (als geheel) Er is door de bestuurscommissie Economisch Vestigingsklimaat van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag een advies uitgebracht ten aanzien van het compensatieplan. Deze is als bijlage bij deze toelichting gevoegd en luidt als volgt: Samenvattend zien wij uw ambities voor De Stationstuinen (als geheel) als een logische locatie voor verstedelijking op een OV-ontsloten gebied, gecombineerd met de modernisering van Dutch Fresh Port. Uw visie op compensatie past grotendeels binnen het provinciale Omgevingsbeleid door de verplaatsing naar NieuwReijerwaard, maar leidt wel tot een aanzienlijke onttrekking van ruimte voor bedrijven, ook in lagere milieucategorieën. Een deel van uw voorstel past niet in huidig provinciaal beleid. Daarvoor zijn nadere bestuurlijke afspraken met de provincie Zuid-Holland noodzakelijk. De uiteindelijke vorm en omvang van bedrijfsruimte in het nieuwe werkmilieu is daarbij ook een aandachtspunt. Laatste stand van zaken Bij de vaststelling van het bestemmingsplan ‘De Stationstuinen 1ste fase’ heeft er uitgebreid overleg plaatsgevonden met de stakeholders. In haar reactie wijst de provincie op het moeten compenseren van 2,3 ha bedrijventerrein met een hoge milieucategorie. Inmiddels kan volstaan worden met de compensatie van 1.1 ha. Dit is in ambtelijk overleg (6 oktober 2023) bevestigd.
De reden hiervoor is dat de “Strategie Bedrijventerreinen” van de MRDH is aanvaard door GS. De 1.2 ha die bestemd was voor hoge milieucategorie, maar feitelijk gebruikt werd voor logistieke activiteiten (met een lage milieucategorie) hoeft niet meer gecompenseerd
De Stationstuinen 2e fase
28
te worden. Daarmee resteert 1.1 ha die gecompenseerd moet worden. Op basis van het hierboven samengevatte compensatieplan zijn op lange termijn er diverse mogelijkheden in Barendrecht. Op korte termijn is het aanbod beperkter. De gemeente ziet 2 opties om op korte termijn te compenseren: a) Ten westen (ca 0.7 ha) en ten oosten (minstens 1 ha) van de Beren is ruimte voor een bedrijventerrein met een hoge milieucategorie. Voor de locatie ten westen wordt momenteel een bestemmingsplanwijziging voorbereid. b) Op Vaanpark eindigt het gasverdeelstation haar activiteiten in 2028. Er komt hier in totaal 3.5 ha beschikbaar. Naar verwachting komt er in 2024 al 0.5 ha beschikbaar. Vooruitlopend daarop is B&W bevoegd om de bestemming van deze locatie te wijzigen (via een wijzigingsbevoegdheid in het vigerende bestemmingsplan). Echter er zijn naar verwachting ook andere ruimtelijke wensen voor dit gebied. Met een B&W besluit om hier minimaal 1.1 ha te reserveren voor bedrijfsactiviteiten met een hoge milieucategorie voldoet Barendrecht aan de verplichting van de provincie. Gezien de ligging zal deze locatie weinig tot geen bezwaren oproepen vanuit de nabije omgeving.
Daarom is aan het college voorgesteld om op 7 november 2023 het volgende te besluiten (reeds besloten door het college): a) Het bestemmingplan ten westen van De Beren (Dierensteinweg, 0.7 ha) aan te passen naar een milieucategorie van 4.1. b) In de gebiedsvisie voor de Dierensteinweg ook het deel ten oosten van de Beren te reserveren voor minimaal 0.4 ha voor milieucategorie 4.1. c) Minimaal 1.1 ha van de locatie “gasverdeelstation op Vaanpark” te reserveren voor milieucategorie 4.1.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Gebiedsvisie De Stationstuinen
Het Koersdocument ten aanzien van De Stationstuinen is de aanleiding van dit plan. In de daaropvolgende gebiedsvisie zijn de ambities en wensen van De Stationstuinen beschreven, waarbinnen dit plangebied is gelegen. In de gebiedsvisie wordt bij de ontwikkelstrategie het stationsgebied als stap 1 beschreven. Hier staat het volgende: “Een gezonde leefomgeving, duurzame mobiliteit en de goede relatie met Dutch Fresh Port zijn belangrijke speerpunten bij de ontwikkeling van De Stationstuinen. Deze komen samen bij de hoofdentree van het treinstation. Hier zijn de hindercontouren beperkt, zijn kavels bebouwbaar en kan als eerste ‘smoel gemaakt’. Een logische eerste stap in de ontwikkeling.” Ten aanzien van het programma wordt het volgende beschreven: “Het gebied van stap 1, dicht bij de noordelijke stationstoegang is dé nieuwe entree van Barendrecht. Dit wordt de nieuwe bruisende plek met volop voorzieningen en stevige dichtheid van wonen. Op deze plekken is hogere bebouwing ruimtelijk logisch in combinatie met voorzieningen in een (meerlaagse) plint.” De fasering en het verplaatsen van bedrijven is afhankelijk van de bereidheid van bedrijven om mee te werken en van ontwikkelende partijen om risicodragend te investeren in dit gebied. Zo zal elke partij zijn eigen businesscase opstellen en beoordelen of er voldoende reden is om de ontwikkeling mogelijk te maken.
De Stationstuinen 2e fase
29
Hierbij is er een aantal kwaliteitsprincipes leidend. Deze zijn hieronder beschreven. Daarnaast is per kwaliteitsprincipe beschreven wat de relatie is met het plangebied. 1) Doel is dat er sprake is van een gemengd gebied waarbij wonen een belangrijke functie is. Graag zien we hoe deze ambitie zich vertaald naar elke fase; Met dit plan wordt aangesloten bij deze ambitie. Er wordt invulling gegeven aan woningen maar ook ‘voorzieningen en werken’. 2) Uitzondering op dit eerste punt is de locatie bij de oostelijke entree van de Gebroken Meeldijk. Gezien de afstand tot de stationslocatie en toekomstige voorzieningen en de nabijheid van bedrijven, zijn hier ontwikkelingen zonder wonen voorstelbaar; In het gehele plangebied is wonen gemengd met bepaalde voorzieningen toegestaan. 3) De regionale en lokale afspraken bepalen dat bij elke ontwikkeling 30% sociale woningbouw en 20% betaalbare woningbouw gerealiseerd moet worden. Initiatiefnemers kunnen hier alleen van afwijken als ze elders binnen het visiegebied compenseren; Er wordt aangesloten bij de lokale afspraken. Het initiatief, waarbij maximaal 850 woningen worden gerealiseerd in deze fase met een mix van grondgebonden woningen, gestapelde woningen in de vrije sector, en het midden en sociaal segment voor een brede, diverse, doelgroep voorziet in een kwalitatieve behoefte.
In totaal wordt minimaal 30% aan sociale huur gerealiseerd. Zie hiervoor ook paragraaf 3.3.3. 4) Er moet een gezond en prettig leefmilieu ontstaan. Dit betekent dat: Er geen hinder is van bestaande bedrijven. Ook geen hinder moet ontstaan vanuit wonen voor bestaande (en te behouden) bedrijven. Hiertoe dienen voldoende maatregelen genomen te worden; a. Er is geen hinder van werkverkeer. Hiertoe dient het mogelijk te zijn werkverkeer (vrachtwagens) om te leiden zonder zittende bedrijven te hinderen; b. De uitgangspunten met betrekking tot het groene verblijfskarakter voor de openbare ruimte zijn onderdeel van de ontwikkeling; c.
Het gebied sluit aan op de duurzaamheidsambities van De Stationstuinen op het gebied van klimaatbestendigheid, biodiversiteit en energie, warmte/koude.
In de hoofdstukken 3, 4 en 5 wordt hier verder op ingegaan. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 5) De Stationstuinen is autoluw. Daarom zetten we sterk in op deelmobiliteit en parkeren uit het zicht van het straatbeeld. De parkeergarages (als onderdeel van een gesloten bouwblok) zorgen hier onder andere voor. Daarnaast wordt binnen de Stationstuinen ingezet op een goede bereikbaarheid voor wat betreft het openbaar vervoer. De ligging nabij het station en de nabijheid van bushaltes zal hierbij helpen. Ook komen er twee mobilityhubs. Er wordt daarnaast voorzien in voldoende langzaamverkeersroutes door De Stationstuinen. 6) Om een samenhangend gebied te laten groeien moet elke fase goed aansluiten op zowel andere fasen als de directe omgeving. Daarbij is het belangrijk dat een fase zelfstandig functioneert, al dan niet samen met voorgaande fasen.
De Stationstuinen 2e fase
30
De beoogde nieuwbouw kan zelfstandig functioneren en belemmert niet de verdere ontwikkeling van De Stationstuinen. De bestaande bedrijven kunnen ook hun activiteiten blijven ontplooien. Qua omvang en uitstraling zal het plan aansluiten bij verder te ontwikkelen locaties in De Stationstuinen. 3.3.2
Beleidsregel ‘Duurzaamheid De Stationstuinen’
Nieuwbouwlocaties in Zuid-Holland worden zoveel mogelijk klimaatadaptief gebouwd, zodat ze bestand zijn tegen weersextremen als gevolg van klimaatverandering. Deze ambitie is vastgelegd in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Naar aanleiding hiervan is door de gemeente Barendrecht duurzaam beleid opgesteld in de vorm van de beleidsregel ‘Duurzaamheid De Stationstuinen’. Voor de gebiedsontwikkeling De Stationstuinen worden eisen gesteld aan verschillende duurzaamheidsaspecten. Deze zijn in het ontwikkelkader vastgesteld en verder uitgewerkt in het Ambitiedocument klimaatadaptatie. In de samenwerkingsovereenkomst voor de ontwikkeling van De Stationstuinen is als gezamenlijk doel bepaald: “het creëren van een duurzame en gezonde leefomgeving, waardoor een bijdrage kan worden geleverd aan de klimaatdoelstellingen, en goede milieukwaliteit, een groene omgeving en gezondheid.”. Door de afspraken publiekrechtelijk te borgen, is zeker gesteld dat ze onderdeel van het beoordelingskader zijn. Om voldoende flexibiliteit in het plan te houden zijn deze kaders niet in detail vastgelegd in de verbeelding en planregels van dit bestemmingsplan. De regels en de verbeelding van het bestemmingsplan beperkt zich tot de zaken die essentieel zijn voor het borgen van de kwaliteit van de leefomgeving en het leefklimaat.
Deze beleidsregel is bedoeld als een nadere uitwerking daarvan op het onderdeel duurzaamheid. In de beleidsregel zijn normen gesteld aan verschillende aspecten van duurzaamheid, voor zover deze betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. De regels variëren van het beoogde energiesysteem tot klimaatadaptatie. De bepalingen vormen een uitwerking van de open normen in het bestemmingsplan. Deze beleidsregel Duurzaamheid geeft een nadere invulling van de regels van de bestemmingsplannen voor De Stationstuinen voor zover het de volgende bepaling betreft: •
de bouwwerken moeten bijdragen aan de beoogde duurzaamheidseisen, zoals bepaald in de beleidsregel ‘Duurzaamheid De Stationstuinen; Barendrecht’”, zoals deze luidt op het moment van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag. De beleidsregel waarna in dit plan wordt verwezen, kan na vaststelling van het bestemmingsplan door het college van burgemeester en wethouders worden gewijzigd.
Naast deze beleidsregel is er ook een ambitiedocument klimaatadaptatie opgesteld voor De Stationstuinen. Hierin wordt onder andere ingegaan wateroverlast, hittestress, droogte en biodiversiteit. Hierna wordt kort op deze elementen ingegaan. Wateroverlast •
Een groot deel van de neerslag (50 mm) van een korte hevige bui (1/100 jaar, 70 mm in 1 uur) op privaat terrein wordt op dit terrein opgevangen en vertraagd afgevoerd. De berging is niet eerder dan in 24 uur leeg.
•
Realiseren van minimaal 50mm waterberging op private percelen, waarin het dakoppervlak incl. 50% verhardoppervlak van tuinen is meegenomen.
•
In het plangebied treedt geen schade op aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (1/100 jaar 2050, 90 mm/u).
De Stationstuinen 2e fase
31
Relatie De Stationstuinen en bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase In De Stationstuinen wordt een bui van 70mm in één uur (T=100 huidig) aan neerslag opgevangen en vertraagd afgevoerd. Ten tijde van droogte wordt het water langer vastgehouden in de bergingsvoorzieningen. Bij de plannen voor de private percelen dient aangetoond te worden dat er over het gehele perceel 50mm water wordt geborgen en vastgehouden. De gebouwen en kwetsbare voorzieningen hebben hogere dorpelhoogte t.o.v. het maaiveld. Water wordt zoveel mogelijk geleid naar locaties waar het vastgehouden kan worden zonder schade te geven aan privaat of openbaar gebied. Het uitgangspunt is dat de ontwikkeling van De Stationstuinen -per saldo- niet leidt tot een toename van verharding ten opzichte van de huidige situatie. Op basis van de eerste ontwerpen is de inschatting dat het percentage verhard oppervlak afneemt en de omvang van oppervlaktewater toeneemt. De gemeente heeft in de gebiedsvisie echter wel de ambitie opgenomen om lokale waterberging te bevorderen. Er moet ruimte zijn om hemelwater te bufferen en vertraagd af te voeren, zowel in de openbare ruimte als op particulier terrein. Om deze ambitie waar te maken zijn maatregelen nodig binnen de ontwikkelvelden als in het openbaar gebied. De bodemopbouw en de huidige grondwaterstanden beperken echter de mogelijkheden voor lokale waterberging.
Dit hangt ook nauw samen met de inrichting van het watersysteem. Om deze ambities te halen zijn daarom keuzes en afwegingen te maken. Droogte •
De inrichting van het plangebied is afgestemd op de verwachte grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte.
•
In het plangebied wordt 50% (circa 450mm in 'normale' jaren) van de jaarlijkse neerslag geïnfiltreerd.
Relatie De Stationstuinen en bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase Met het opstellen van de waterhuishoudkundige notitie is gekeken naar de huidige en de te verwachten grondwaterstanden en wordt hierop geanticipeerd in het ontwerp. Dit houdt in dat waterbergingen langere tijd “vol” mogen zijn om in droge periodes dit water af te geven. Er worden meerdere bergingsvoorzieningen gecreëerd in De Stationstuinen die water langere tijd kunnen vasthouden. Door deze bergingsvoorzieningen wordt minimaal 50% van het hemelwater geïnfiltreerd. In het ontwikkelkader voor De Stationstuinen is beschreven in welke gebieden van De Stationstuinen waterberging wordt gerealiseerd. Hierbij zal dus een relatie liggen tussen het bestemmingsplan Stationstuinen fase 2 en de andere fases. Gezamenlijk wordt gezorgd voor voldoende waterberging. Hittestress •
Tenminste 50% schaduw in het plangebied op de hoogste zonnestand voor verblijfsplekken en gebieden waar langzaam verkeer zich verplaatst.
•
Opwarming van stedelijk gebied verminderen: 40% van alle oppervlakken wordt warmte werend of verkoelend ingericht.
•
Koeling van gebouwen leidt niet tot opwarming van de (verblijfs-)ruimte in de directe omgeving.
Relatie De Stationstuinen en bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase Met het ontwerp van de openbare ruimte wordt gekeken naar kleuren en materialen die een warmt werende of verkoelende werking hebben. De randvoorwaarde is hierbij om 40% van alle oppervlaktes warmte werend of verkoelend in te richten. Er wordt gekeken naar het effect van koeling van de gebouwen op de directe omgeving. Er wordt voorkomen dat restwarmte in smalle openbare ruimtes wordt uitgestoten. Bij voorkeur wordt restwarmte vanaf de daken afgegeven.
De Stationstuinen 2e fase
32
Biodiversiteit •
Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht en creëert een hoogwaardige habitat voor ten minste gebouw bewonende soorten.
Relatie De Stationstuinen en bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase In het plangebied wordt een zo natuurlijk mogelijke ruimte gecreëerd met de ruimte die er is. Er worden natuurvriendelijke oevers aangeplant binnen De Stationstuinen en er worden lokale soorten voor het groen gekozen, zodat de biodiversiteit zoveel mogelijk versterkt wordt. Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan het zo veel mogelijk realiseren van hoogwaardige habitat voor ten minste gebouw bewonende soorten. 3.3.3
Woonvisie 2023 - 2027 Goed wonen in Barendrecht
De gemeentelijke visie op het wonen wortelt in de grondgedachte dat een fijn huis in een veilige, groene wijk in belangrijke mate bijdraagt aan het geluk van mensen, Het algemene doel is voor de huidige en toekomstige inwoners veilige en groene buurten gecreëerd worden, waarin het fijn wonen is. Eén van de nieuwe buurten wordt de Stationstuinen. Hierover staat het volgende in de woonvisie: “In De Stationstuinen bouwen we aan het groene dorp van morgen. De Stationstuinen wordt ontwikkeld aan de oostzijde van NS-station Barendrecht. Een bruisende plek waar wonen, werken, leren en recreëren samenkomen. Deze wijk biedt straks ruimte aan circa 3.500 nieuwe woningen met voorzieningen, bedrijven, onderwijs, horeca en recreatie op hoog niveau. De Stationstuinen levert een aanzienlijke bijdrage aan de toekomst van Barendrecht, maar ook aan de regio”. Over de regionale behoefte versus de lokale behoefte in de periode 2021-2031 heeft uitgebreid overleg plaatsgevonden met de regio. Het is duidelijk dat het lokale belang en de lokale behoefte schuren met de regionale belangen. In het licht daarvan heeft Barendrecht een realistisch bod aan de regio uitgebracht. Het aanbod behelsde in de periode 2021-2031 circa 3.600 woningen te bouwen. Dat is een fors hoger aantal dan Barendrecht zelf nodig heeft.
De Stationstuinen zorgen in deze periode voor het grootste aanbod: daar liggen plannen voor circa 3.500 woningen (waarvan er tot 2031 circa 3.000 worden opgeleverd) – waarvan circa 30% in het sociale segment, 30% middelduur en 40% duur. De Provincie heeft het bod van Barendrecht goedgekeurd. De gemeente kiest dus voor circa 3.600 woningen in 2021-2031, waarvan 30% sociaal. Met de 30% sociale huur wordt ook voldoen aan de doelstelling van het Rijk, waarbij gemeenten die nu nog niet over 30% sociale huurwoningen in de voorraad beschikken minimaal 30% sociale huur in de nieuwbouw moeten realiseren. De gemeente zal een en ander monitoren in de komende jaren en bijstellen indien daar aanleiding voor is. Met de 30% middelduur ziet de gemeente kansen om in de woningbehoefte voor middeninkomens te voorzien. Waarbij naast huur ook kansen en markt gezien wordt voor goedkopere en middeldure koop. Nieuwe inzichten en ontwikkelingen hebben geleid tot herijking van de uitgangspunten voor De Stationstuinen. Door de uitbreiding van het plangebied ontstaat er ruimte om het woningbouwprogramma van De Stationstuinen uit te breiden naar ca. 4.500 woningen. De voornaamste aanleiding voor de wijziging van uitgangspunten is het beschikbaar komen van twee percelen binnen en direct grenzend aan het plangebied van De Stationstuinen.
Verder kiest de gemeente dus voor betaalbaar woningbouwprogramma: circa 30% in het sociale segment, 30% middelduur en 40% duur.
De Stationstuinen 2e fase
33
Tenslotte kiest de gemeente voor meer variatie en innovatieve woonvormen. Het is duidelijk dat dit bestemmingsplan een belangrijke stap is om te komen tot het bereiken van de doelstellingen uit de woonvisie: het bouwen van een nieuw groen dorp van morgen en een bruisende plek waar wonen, werken, leren en recreëren samenkomen. 3.3.4
Parkeerbeleid De Stationstuinen
In Barendrecht wordt De Stationstuinen ontwikkeld. Een nieuw gemengd gebied binnen Barendrecht dat ruimte biedt voor een divers woningaanbod, maatschappelijke voorzieningen, onderwijsvoorzieningen, mogelijkheden voor agrofood gerelateerde bedrijfsfuncties, start-ups en ruimte voor research, development en experience. Aan de ontwikkeling van dit nieuwe gebied is een mobiliteits- en parkeervraagstuk verbonden. De toekomstige bewoners, werknemers en bezoekers aan De Stationstuinen moeten en willen zichzelf kunnen verplaatsen. Om in deze behoeften te voorzien worden passende mobiliteits- en parkeeroplossingen geboden. Voor De Stationstuinen is daarom parkeerbeleid vastgesteld. Hierin is het parkeerbeleid voor fietsen en auto’s uitgewerkt dat geldt voor De Stationstuinen en het gebied rondom de nieuwe wijk. Dit beleid staat niet op zichzelf en is een resultaat van een langer lopend proces. Het beleid is een nadere uitwerking van eerder bepaalde strategische richtingen zoals vastgelegd in het Ontwikkelkader , het Structuurplan Fruitpacking District en het besluit van de gemeenteraad om binnen De Stationstuinen te werken met gereguleerd- en betaald parkeren. In paragraaf 5.1 wordt ingegaan op de relatie van dit parkeerbeleid met dit bestemmingsplan. Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels ten aanzien van de realisatie van parkeerplaatsen.
De Stationstuinen 2e fase
34
4
Milieueffectrapportage
4.1
Inleiding
MER De Stationstuinen De gemeente Barendrecht wil het gebied ten oosten van station Barendrecht herontwikkelen tot gemengd woon-werkgebied: De Stationstuinen. Het gebied moet ruimte bieden aan minimaal 3.500 woningen, een bijbehorend voorzieningenaanbod met ongeveer 67.500 m2 bedrijfsoppervlak. Voor de ontwikkeling heeft de gemeente allereerst een gebiedsvisie opgesteld. Deze visie wordt nu vertaald naar ruimtelijke kaders. Voor de eerste fase van de ontwikkeling is een bestemmingsplan opgesteld. Voor de ontwikkeling van De Stationstuinen is de m.e.r.-procedure doorlopen en een MER opgesteld. Het MER is procedureel gekoppeld aan het bestemmingsplan voor fase 1 dat op 1 maart 2023 als ontwerpbesluit gepubliceerd is. Nieuwe uitgangspunten voor De Stationstuinen Nieuwe ontwikkelingen en inzichten hebben geleid tot herijking van de uitgangspunten voor De Stationstuinen. Door de uitbreiding van het plangebied ontstaat er ruimte om het woningbouwprogramma van De Stationstuinen uit te breiden naar ca. 4.500 woningen. De voornaamste aanleiding voor de wijziging van uitgangspunten is het beschikbaar komen van twee percelen binnen en direct grenzend aan het plangebied van De Stationstuinen.
4.2
Aanvulling MER
Er is door AnteaGroup een aanvulling gemaakt op het eerder opgestelde MER. Deze is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Het eerder opgestelde MER is toegevoegd aan het bestemmingsplan voor De Stationstuinen 1ste fase. Deze is op ruimtelijkeplannen.nl (thans Omgevingsloket) te raadplegen. Voor de onderdelen waarvoor geen aanvulling nodig was, wordt hier dan ook naar verwezen. De beoogde uitbreiding van het plangebied en het woningbouwprogramma past niet binnen de uitgangspunten van het MER. Het MER gaat uit van 3.500 woningen. De betreffende percelen zijn in het MER meegenomen als bedrijfspercelen (ProRail binnen het plangebied, Fresh2You grenzend aan het plangebied) waar geen woningbouwontwikkeling voorzien is. Het MER heeft op basis van deze uitgangspunten de te maken keuzes voor de ontwikkeling van De Stationstuinen en de effecten op de leefomgeving onderzocht en beoordeeld. Wijziging van uitgangspunten kan leiden tot andere keuzes en/of andere effecten op de leefomgeving. Het doel van deze aanvulling op het MER is om te bepalen of de gewijzigde uitgangspunten voor De Stationstuinen leiden tot andere conclusies voor het MER. Deze aanvulling beschrijft de impact van het toevoegen van de twee percelen en de uitbreiding van het programma voor de keuzes uit het MER en voor de effecten op de leefomgeving.
In de aanvulling van het MER is enerzijds ingegaan op de effecten van de uitbreiding van het programma en van het plangebied op de verschillende milieuaspecten. Daarnaast is getoetst aan het geldende spelregelkader. Voor deze aanvullingen/onderbouwingen wordt verwezen naar het document in de bijlagen. Hierna zijn de belangrijkste conclusies beschreven.
De Stationstuinen 2e fase
35
Uitbreiding plangebied en programma Het gebied voor woningbouwontwikkeling wordt uitgebreid met twee percelen. Het woningbouwprogramma kan hierdoor uitbreiden tot ca. 4.500 woningen voor heel De Stationstuinen. De gemeente koppelt nieuw parkeerbeleid (passend bij de hogere stedelijkheid) aan deze uitbreiding. Het aandeel langzaam verkeer en OV neemt hierdoor toe. Uit het verkeersonderzoek blijkt dat de toename van 1.000 woningen ten opzichte van de 3.500 woningen hierdoor niet leidt tot een toename van verkeer. De uitbreiding leidt hierdoor niet tot grotere effecten op verkeer en verkeergerelateerde thema’s geluid, luchtkwaliteit en stikstof. Voor de toe te voegen percelen aan het plangebied van De Stationstuinen zijn in het Structuurplan stedenbouwkundige invullingen uitgewerkt. Hiermee is geborgd dat de percelen integraal onderdeel uitmaken van de ontwikkeling en op een goede manier aansluiten bij de omliggende ontwikkellocaties. Voor de verdere uitwerking en inrichting van de percelen gelden de spelregels uit het MER. Toetsing van bestemmingsplan 2e fase In deze aanvulling is beschreven hoe met bestemmingsplan 2e fase invulling is gegeven aan het spelregelkader vanuit MER De Stationstuinen. Het bestemmingsplan geeft invulling aan de spelregels door onderzoeken uit te voeren en waar nodig maatregelen te treffen.
De beoogde uitbreiding van het (gehele) plangebied en het woningbouwprogramma leidt in deze fase (2) niet tot nadelige gevolgen voor het milieu.
De Stationstuinen 2e fase
36
5
Omgevingsaspecten
5.1
Verkeer en parkeren
Verkeer De Stationstuinen liggen op loopafstand vanaf het treinstation en centrum van Barendrecht. Gezien de ligging ten opzichte van het station is het een ideale knooppuntontwikkeling. Door het bundelen van ruimtelijke ontwikkelingen nabij openbaar vervoersknooppunten vindt integrale gebiedsontwikkeling plaats waarin verschillende functies (wonen, winkels, werken) en modaliteiten (OV, lopen, fiets, auto) samenkomen. Het resultaat van een dergelijke aanpak is een leefbare, duurzame en bereikbare omgeving. Door het clusteren van verschillende functies, en het aanbieden van voldoende mobiliteitsalternatieven, is het mogelijk de auto nagenoeg uit het straatbeeld te laten verdwijnen. De nabijheid van het centrum van Barendrecht en haar voorzieningen heeft daarnaast ook een positief effect op de aantrekkingskracht van De Stationstuinen als woongebied. Het is voor de ruimtelijke kwaliteit binnen De Stationstuinen noodzakelijk dat de buitenruimte van De Stationstuinen vrijwel autovrij wordt. Om dit te realiseren wordt parkeerplaatsen op maximaal 100 meter van de woningen gerealiseerd in 6 parkeerhubs. Deze garages worden aan de rand van de wijk gerealiseerd. Bij een klein deel van de woningen worden privé parkeerplaatsen in de woonblokken gerealiseerd. In de openbare ruimte komt aan de randen een beperkt aantal parkeerplaatsen op maaiveld.
Daarbij wordt in het gebied een parkeerregulering ingevoerd voor het parkeren op straat, in de hubs en op het parkeerdek bij het station. Bewoners, werknemers en bedrijven komen in aanmerking voor een parkeervergunning, bezoekers moeten betaald parkeren. In de hubs wordt tevens deelmobiliteit aangeboden in de vorm van deelauto’s en deel(bak)fietsen. Deze mobiliteitsopzet draagt er toe bij dat het autobezit en het autogebruik in De Stationstuinen lager ligt dan in andere delen van Barendrecht. Om dit te stimuleren worden in de wijk ook voorzieningen ten behoeve van de wijk gerealiseerd. Deze voorzieningen in de wijk krijgen geen bovenwijkse rol. Alle voorzieningen zijn ondersteunend aan de toekomstige bewoners. Daarmee is het uitgangspunt dat de voorzieningen nauwelijks autoverkeer van buiten De Stationstuinen aantrekken. Dit mobiliteitsconcept en ruimtelijk concept draagt er toe bij dat de verkeersintensiteit op het omliggende wegennet wordt beperkt en maakt het mogelijk een reductie van het aantal benodigde parkeerplaatsen te realiseren (zie bijlage 21). Er is door Goudappel een onderzoek verricht naar de verkeersafwikkeling van De Stationstuinen. Deze is in bijlage 17 (deelrapport verkeersgeneratie - Kenmerk 014356.20231020.R2.03, datum 15 december 2023) bij deze toelichting opgenomen.
In het onderzoek zijn verschillende verkeersmodellen doorgerekend die de netwerkeffecten van de ontwikkeling van De Stationstuinen inzichtelijk maken. De doorrekeningen tonen het effect van het mobiliteitsconcept voor de nieuwe wijk aan. In de ‘business as usual’ situatie leidt de ontwikkeling tot een sterke toename van autoverkeer in en rond het plangebied. Door rekening te houden met parkeren op afstand van de woningen en betaald parkeren in de planvariant neemt het autoverkeer van en naar het plangebied af. Er ontstaat een verschuiving waardoor het aantal verplaatsingen met de fiets en het openbaar vervoer sterk toenemen. Voor fase 2 van De Stationstuinen is ook door Goudappel een specifiek onderzoek verricht naar de netwerkeffecten (bijlage 17, Fasering van De Stationstuinen – Kenmerk 016004.20231215.R3.01, datum 15 december 2023). In de variant voor fase 2 zijn toenames van het autoverkeer te verwachten op de Spoorlaan, Donk, Gebroken Meeldijk en Dierensteinweg (tussen Donk en IJsselmondse Knoop). Op basis van het onderzoek blijkt dat de ontwikkeling van de 2e fase van De Stationstuinen nog geen knelpunten veroorzaakt op
De Stationstuinen 2e fase
37
kruispunten op het omliggende wegennet. In de 1e fase wordt de IJsselmondse knoop zwaarbelast in de ochtend- en avondspits. Dit knelpunt vervalt na realisatie van fase 2. De oorzaak hiervan is de verandering van het programma. Het gebied waar fase 2 wordt gerealiseerd bevat in fase 1 nog bedrijven. In fase 2 worden dit voornamelijk woningen. Hierdoor veranderen de verkeersstromen. Bedrijven zorgen in de ochtendspits voor een verkeersstroom naar het plangebied en in de avondspits weer richting het hoofdwegennet. Door de ontwikkeling van woningen in fase 2 wordt de richting van de verkeersstromen omgedraaid, waarmee de kruispuntbelasting in de spitsen verandert en de kruispuntbelasting lager wordt. Parkeren De Stationstuinen moet een autoluw gebied worden. Uitgangspunt is het STOMP principe. Dat betekent dat het verkeer binnen het gebied gestuurd wordt op prioriteit voor langzaam verkeer. Het STOMP-principe komt met een duidelijke hiërarchie tussen verschillende modaliteiten: 1. Stappen (voetgangers) 2. Trappen (fietsers) 3. Openbaar vervoer 4. Mobility as a Service (deelmobiliteit) 5. Privé-auto Op basis van het STOMP principe is een beperkt autogebruik en –bezit uitgangspunt in De Stationstuinen. Om een hoge kwaliteit te bieden aan het Openbaar gebied moet deze ruimte worden benut met groen, water en ruimte voor wandelen en fietsen.
Het Openbaar gebied moet dan zo beperkt mogelijk worden gevuld met straatparkeren. Om dit te bereiken is veel aandacht besteed aan het parkeerconcept voor De Stationstuinen, zie hiervoor ook bijlage 21 van de toelichting. Het parkeerconcept is ook bedoeld om duurzame mobiliteit te stimuleren. Door het toepassen van strengere parkeernormen en het beschikbaar stellen van innovatieve mobiliteitsconcepten zoals deelauto’s kan de aanwezigheid van de auto verminderd worden. De parkeernormen die toegepast worden in De Stationstuinen moeten passen bij de mobiliteitsmaatregelen van de ontwikkeling. Dit wordt daarom meegenomen in de keuzes en afwegingen voor duurzame mobiliteit. Voor parkeren wordt in De Stationstuinen ingezet op collectieve parkeervoorzieningen, buiten het straatbeeld. Het uitgangspunt is dat deze parkeervoorzieningen voor bewoners binnen 100 meter beschikbaar zijn. Voor overige functies is 200 meter en 250 meter het uitgangspunt. De parkeervoorzieningen worden deels bestemd voor niet openbaar gebruik en deels, om te voorkomen dat een onnodig grote capaciteit wordt gerealiseerd, voor openbaar gebruik. De niet openbare parkeerplaatsen zijn bestemd voor exclusief privaat gebruik door bepaalde bewoners waardoor bij de parkeerbehoefteberekening, geen rekening wordt gehouden met dubbelgebruik (aanwezigheid = permanent 100%).
Overige bewoners, werkers en bezoekers van De Stationstuinen parkeren met de auto in openbare parkeervoorzieningen, waaronder zogenaamde Mobilityhubs. Voor meer informatie over het parkeerbeleid en de parkeerregulering wordt verwezen naar het parkeerbeleid voor De Stationstuinen (bijlage 22) en het Ontwikkelkader (bijlage 1). De parkeernormen zijn geborgd in de regels in de vorm van een voorwaardelijke verplichting. Ook zijn de Mobilityhubs op de verbeelding weergegeven.
De Stationstuinen 2e fase
38
5.2
Geluid
5.2.1
Toetsingskader
Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; • de aanleg van een nieuwe weg; • de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel: Breedte geluidszones langs wegen Stedelijk gebied Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel: Maximale ontheffingswaarden Situatie
Maximale ontheffingswaarde
Artikel
Stedelijk gebied •
Nieuwe woningen
63 dB
Artikel 83, lid 2 Wgh
•
Vervangende nieuwbouw
68 dB
Artikel 83, lid 5 Wgh
Buiten stedelijk gebied •
Nieuwe woningen
53 dB
Artikel 83, lid 1 Wgh
•
Agrarische bedrijfsbebouwing
58 dB
Artikel 83, lid 4 Wgh
•
Vervangende nieuwbouw
58 dB
Artikel 83, lid 7 Wgh
•
Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van
63 dB
Artikel 83, lid 6 Wgh
een autoweg of autosnelweg
*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.
De Stationstuinen 2e fase
39
5.2.2
Onderzoek
Er is door LBP-Sight een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar weg- en railverkeerslawaai en lawaai vanwege bedrijven. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de belangrijkste conclusies beschreven. In het akoestisch onderzoek “Akoestisch onderzoek Stationstuinen fase 2” (LBP Sight, 25 maart 2025) in bijlage 10 is gebruik gemaakt van een dataset uitgaande van 4.500 woningen. Het verkeerskundige rapport “Deelrapport verkeersgeneratie De Stationstuinen Barendrecht” (Goudappel, 15 december 2023) heeft als hoofddoel het onderzoeken en toetsen van de verkeersafwikkeling om aan te tonen dat de toename van het verkeer door de ontwikkeling van de Stationstuinen aanvaardbaar is. Het rapport van Goudappel gaat om die reden uit van een worst-case scenario met een woningaantal dat hoger ligt (5.000 woningen) dan de aangeleverde dataset waarop het akoestisch onderzoek is gebaseerd (4.500 woningen). Het plangebied ligt nabij drie verschillende geluidbronnen, wegverkeer, railverkeer en bedrijven. Voor iedere geluidbron is apart de geluidbelasting op de grenzen van de bouwvlakken berekend, maar ook het cumulatieve geluidniveau is op deze bouwvlakken beschouwd. Deze berekende waarden zijn aan de geldende toetsingskaders en het gemeentelijk geluidbeleid getoetst.
Wegverkeer Alleen de geluidbelasting afkomstig van de gezoneerde weg Veren Ambachtsweg - Tuindersweg is iets hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De hoogste geluidbelasting bedraagt 49 dB inclusief wettelijke aftrek. Deze beperkte overschrijding treedt op ter plaatse van de woningen geprojecteerd in bouwvlak D en F. Het betreft bij bouwvlak F de oostgevel vanaf de 12e verdieping en hoger. Voor de woningen die aan de oostgevel gaan grenzen dient derhalve deze procedure te worden gevolgd. Het betreft bij bouwvlak D de oostgevel vanaf de 7e verdieping en hoger. Voor de woningen die aan de oostgevel gaan grenzen binnen het bouwvlak is een hogere waarde verleend. Bij de verdere planuitwerking zullen voor de woningen waarvoor een hogere waarde is verleend mogelijk aanvullende maatregelen getroffen moeten worden om te zorgen dat de woningen ten minste één geluidluwe zijde hebben. In het bestemmingsplan is vastgelegd dat woningen dienen te beschikken over één geluidluwe gevel(deel) met een geluidbelasting als gevolg van het verkeerslawaai van maximaal 48 dB. Voor hoekwoningen is dat de noord- en zuidgevel, echter bij een eenzijdig georiënteerde woning die alleen aan de oostgevel grenst zullen bij buitenruimten extra geluidafscherming moeten worden gerealiseerd. Voor 30km/u-wegen geldt geen formeel toetsingskader ingevolge de Wet geluidhinder.
Daarmee is het vaststellen van hogere waarden niet van toepassing op 30km/u-wegen. Hoewel de Wet geluidhinder niet van toepassing is op dergelijke wegen, dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden onderzocht of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hoewel de grenswaarden uit de Wet geluidhinder niet formeel gelden, hebben we de kaders uit de Wet wel gehanteerd als maat om de resultaten te kunnen duiden. De geluidbelasting als gevolg van de niet-gezoneerde wegen is ten hoogste 47 dB na aftrek van 5 dB volgens artikel 110g uit de Wet geluidhinder op bouwvlak H en 45 dB op bouwvlak A, D en E. Gegeven de lage geluidbelasting en het autoluwe karakter van het gebied kan worden gesteld dat er zeker sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Railverkeerslawaai Met behulp van het rekenmodel is op het te beoordelen nieuwbouwplan de geluidbelasting vanwege het spoorverkeer bepaald. Uit de rekenresultaten blijkt dat op geen enkel gebouw de voorkeursgrenswaarde van
De Stationstuinen 2e fase
40
55 dB wordt overschreden. Er hoeft derhalve ten gevolge van railverkeerslawaai geen hogere waarde te worden aangevraagd. Bedrijvenlawaai Uit de toetsing blijkt dat voor bedrijf Frukar B.V, Agf-online B.V. B & L Logistics en Kivits-Goes niet kan worden voldaan aan het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT). Bij de bouwvlakken A, D, E en F wordt het beoordelingsniveau van 50 dB(A) per individuele inrichting overschreden. Derhalve zijn maatregelen onderzocht om aan deze grenswaarden te kunnen voldoen. De overschrijding bij bouwvlak A als gevolg van Kivits Goes is zeer beperkt (tot 2 dB(A)) en is het gevolg van het gebruik van technische installaties op het dak. Maatregelen aan deze installaties zijn relatief eenvoudig te treffen (geluidschermen, aanpassen bedrijfstijden). Bij nader uitwerking van de plannen kan hier nader op worden ingegaan en kan worden bepaald welke maatregelen het meest effectief zijn. De overschrijding bij bouwvlak E als gevolg B&L Logistics is beperkt (tot 5 dB(A)) en is het gevolg van het gebruik van technische installaties op het dak. Maatregelen die voor Frukar en AGF-online zullen moeten worden getroffen (zie hierna) leiden tot een veel lagere geluidbelasting voor B&L Logistics waarmee ook de overschrijding wordt weggegnomen. De overschrijding als gevolg van de activiteiten bij Frukar B.V en Agf-online B.V.
zijn van een andere orde en vragen aanpassing in het stedenbouwkundige concept. De maatregel die getroffen kan worden is de oostkant van de bouwvlakken D en E waar geluidgevoelige bebouwing kan komen te voorzien van een vliesgevel en/of een dove gevel. Deze vliesgevel die ten minste net zo hoog is als de achterliggende bebouwing aan de oostzijde dient langs de gehele oostzijde ononderbroken te zijn (dus ook tussen de bouwvlakken moeten geluidschermen worden opgericht). Op plaatsen waar vanuit het stedenbouwkundige concept een onderdoorgang is gewenst dient aan de overzijde van die onderdoorgang een geluidscherm te worden opgericht die voldoende lengte en hoogte moet hebben. De openingen tussen de bouwvlakken dient eveneens te worden voorzien van gebouwhoge geluidschermen zodat een geheel gesloten wand aan deze zijde ontstaat. Bij de tweedelijns bebouwing geldt dat bij het hoogteaccent F vanaf 25m eveneens dove gevels en of vliesgevels noodzakelijk zijn. De invulling van de randbebouwing aan de grens van het bedrijventerrein bepaald in hoeverre het hoogteaccent geluid belast wordt. Indien aan de oostzijde een lagere bebouwing (hoogte van 21m) wordt toegepast is het uitganspunt dat de tweede lijn bebouwing (met uitzondering van de 2 hoogteaccenten) ook lager wordt uitgevoerd.
Bij het aanhouden van de hogere bouwhoogte op de tweede lijn bebouwing moet als de geluidbelasting > 50 dB(A) is de desbetreffende gevel uitgevoerd worden met een dove gevel en of vliesgevel. De realisatie van een geluidwerend vliesgevel aan de bouwblokken en tussen de gebouwen is opgenomen als een voorwaardelijke verplichting. Eveneens is opgenomen dat wanneer een onderdoorgang wordt gerealiseerd, een aanvullende voorziening wordt getroffen om te waarborgen dat er sprake is van een goed woonen leefklimaat. Indien woningen waar sprake is van de noodzaak van een dove gevel en of vliesgevel worden voorzien van een geluidluwe gevel(deel) (geluidbelasting =< 50 dB(A)) kan een goed woon- en leefklimaat worden gerealiseerd.
De Stationstuinen 2e fase
41
Bij verdere planuitwerking moeten de exacte afmetingen van de vliesgevel en deze geluidschermen worden bepaald (afmetingen van de geluidschermen worden mede bepaald aan de hand van het feit of er wel of geen walstroomaansluiting gaat komen in het gebied).
Figuur 5.1: Locatie vliesgevel
5.2.3
Conclusie
Het onderdeel geluid zorgt niet voor belemmeringen.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Toetsingskader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
•
het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
•
het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
•
het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
De Stationstuinen 2e fase
42
Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: •
het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
•
het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).
5.3.2
Onderzoek
In het MER voor De Stationstuinen is reeds onderzocht wat de effecten zijn van het project op de luchtkwaliteit. Daarnaast is gekeken of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In de aanvulling op de MER, zoals opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting, wordt hier nog verder op ingegaan. Het volgende wordt geconcludeerd. In en rond het plangebied zijn enkele meetpunten inzichtelijk gemaakt. Voor fijn stof ligt de toename rond de 0,5 μg/m3. De toenames zijn het gevolg van de verkeerseffecten van de ontwikkeling met bijbehorend mobiliteitsbeleid zoals beschreven in het MER. De verkeersresultaten laten zien dat op de Spoorlaan, Zuideinde en de Gebroken Meeldijk de omvang van verkeer afneemt ten opzichte van de berekeningen van het MER. De concentraties luchtverontreiniging in het gebied zullen daardoor lager liggen dan de resultaten uit het MER. Bij de wegen waar toename van verkeer berekend is, zijn geen gevoelige objecten in de directe omgeving aanwezig. Op basis van deze resultaten is te concluderen dat de luchtkwaliteit in en rond het plangebied voldoet aan de wettelijke grenswaarden uit de Wet milieubeheer. De WHO-advieswaarden van 2021 worden niet gehaald. 5.3.3
Conclusie
Het onderdeel luchtkwaliteit zorgt niet voor belemmeringen.
5.4
Bedrijven en milieuzonering
5.4.1
Toetsingskader
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
De Stationstuinen 2e fase
43
Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Figuur 5.2: Relevante bedrijven met milieucontouren o.b.v. DCMR inventarisatie (rood) en bedrijven op basis van bedrijfsmogelijkheden (paars)
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiege-
2
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
De Stationstuinen 2e fase
44
bieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 5.4.2
Onderzoek
Er is door AnteaGroup een quickscan milieuzonering opgesteld. Hiervoor wordt verwezen naar de bijlagen bij deze toelichting. Hierna zijn de belangrijkste resultaten beschreven. Het plangebied bevindt zich ten oosten van het treinstation van Barendrecht. In de huidige situatie is het gebied in gebruik als bedrijventerrein. In de toekomst wordt De Stationstuinen een gemengd woon- en werkgebied. Volgens de VNG-brochure behoren gebieden met een matige tot sterke functiemenging tot het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Milieuzonering kan in eerste instantie op basis van de planologisch toegestane milieucategorie in beeld gebracht worden. In bestemmingsplannen is vastgelegd wat de maximaal toegestane milieucategorie per locatie is. In het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Barendrecht Noordoost’ (vastgesteld op 11 juni 2013) zijn via functieaanduidingen maximale milieucategorieën gekoppeld aan de bedrijfsbestemmingen. Het plangebied ligt binnen contouren van de functieaanduiding voor milieucategorie 2, 3.2 en 4.1. Daarnaast zijn de vlakken met de enkelbestemming ‘Gemengd’ ten oosten van het station relevant. Binnen deze bestemming zijn dienstverlenging, maatschappelijke voorzieningen, kantoren, horeca en bedrijfsactiviteiten toegestaan. Deze kunnen in milieucategorie 2 geclassificeerd worden.
Bij het gemengde vlak ten zuiden van het plangebied is echter een afwijking verleend voor milieucategorie 3.1. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden van het station en bijbehorende parkeerterrein. De percelen ten noorden, westen en zuiden van het plangebied liggen binnen de Gebiedsvisie De Stationstuinen. Met de Gebiedsvisie en het voorbereidingsbesluit voor dit gebied, sorteert de gemeente voor op de toekomstige ontwikkeling van het woon-werkgebied. Hiermee wordt voorkomen dat bedrijven binnen het plangebied van De Stationstuinen toekomstplannen kunnen ontwikkelen die niet passen bij de gewenste ontwikkeling tot woonwerkgebied. De bedrijven aan de oostkant van het plangebied liggen buiten de begrenzing van de gebiedsvisie en het voorbereidingsbesluit en kunnen maximaal gevuld worden op het gebied van de planologische bedrijfsmogelijkheden. In de volgende paragraaf zijn de milieucontouren op basis van de vergunde situatie geïnventariseerd. In theorie is het mogelijk dat op sommige percelen bedrijven met andere of grotere milieucontouren zich (willen) vestigen. In onderstaande tabel is aangegeven wat dit kan betekenen per hinderaspect.
Op basis van een bedrijveninventarisatie van de DCMR zijn de milieuzones van de omliggende bedrijven in kaart gebracht. In figuur 5.2 zijn de bedrijven en bijbehorende richtafstanden in kaart weergegeven.
De Stationstuinen 2e fase
45
De richtafstanden per hinderaspect van de relevante bedrijven zijn hieronder weergegeven.
Geluid De geluidscontour van diverse bedrijven aan de oostkant overlapt met een of meerdere bouwvlakken in het plangebied. In het kader van het bestemmingsplan is een separaat akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarin het geluid van bedrijvigheid is meegenomen. Door middel van dit onderzoek kan inzichtelijk gemaakt worden hoe een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Dit onderzoek is als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor de groothandel in machines is op locatie 4 alleen het kantoorpand gevestigd. Hier zijn geen bedrijfsactiviteiten met relevante geluidemissies over het plangebied aanwezig. Dit bedrijf is daarom niet meegenomen in het geluidonderzoek. Gevaar De richtafstand van gevaar van meerdere groothandels in groenten en fruit overlapt met een deel van een bouwvlak binnen het plangebied. In het kader van het bestemmingsplan is een separaat onderzoek op het gebied van externe veiligheid uitgevoerd. Door middel van dit onderzoek kan inzichtelijk gemaakt worden hoe een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Dit onderzoek is als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. De conclusies van deze analyse zijn als volgt: •
over het plangebied lopen diverse milieucontouren. Met een nader onderzoek naar geluid en externe veiligheid kan onderbouwd worden hoe een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd;
•
voor de functiemenging van voorzieningen met gevoelige functies worden milieuregels opgenomen in het bestemmingsplan.
5.4.3
Conclusie
Het onderdeel bedrijven en milieuzonering zorgt niet voor belemmeringen.
5.5
Kabels en leidingen
In het plangebied zijn geen kabels en leidingen van een zodanige omvang gelegen, dat deze bescherming behoeven in dit bestemmingsplan door middel van een dubbelbestemming met een beschermingszone.
De Stationstuinen 2e fase
46
5.6
Externe veiligheid
5.6.1
Toetsingskader
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: •
activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;
•
transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
•
transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.
Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een orientatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief.
Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
5.6.2
Onderzoek
Er is door AnteaGroup een quickscan externe veiligheid opgesteld. Deze is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de belangrijkste conclusies beschreven. Uit de scan blijkt dat er meerdere risicovolle activiteiten plaatsvinden in of nabij deze gebieden. Ten behoeve van de verdere besluitvorming dient: •
Het risico van het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor nader beschouwd te worden in relatie tot het explosiescenario, en verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden in relatie tot artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. De aanwezigheid van een landtunnel maakt dat het groepsrisico redelijkerwijs niet berekend kan worden.
•
Behoeven de hogedruk aardgastransportleidingen niet nader beschouwd te worden.
•
Moet het groepsrisico van de A15 verantwoord te worden in relatie tot artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes.
De Stationstuinen 2e fase
47
•
Moet ten aanzien van het tankstation Berkman een QRA worden uitgevoerd als binnen 150 meter rondom het LPG vulpunt cq de LPG-tank een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld. Daarnaast moet het groepsrisico worden verantwoord. Het bestemmingsplan van fase twee ligt niet binnen deze risicocontouren.
Verantwoording groepsrisico Verantwoording van het groepsrisico is voor de spoorlijn Kijfhoek – Barendrecht, de Rijksweg A15 en het LPG-tankstation Berkman Barendrecht verplicht. In de rapportage in de bijlage is een aanzet gedaan voor de verantwoording van het groepsrisico. Het bevoegd gezag, de gemeenteraad van Barendrecht, kan deze elementen betrekken bij de besluitvorming ten aanzien van de ruimtelijke procedure. Voor het LPG-tankstation geldt dat voor het ruimtelijk besluit dat gevoelige objecten mogelijk maakt binnen de risicocontour van het tankstation. Voor fase 2 is dit niet het geval. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico stelt de gemeente Barendrecht in het kader van de ruimtelijke procedure de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) in de gelegenheid advies uit te brengen. Op 25 januari 2024 heeft de VRR een advies uitgebracht. In het advies worden enkele maatregelen voorgeschreven ten aanzien van zelfredzaamheid. De zelfredzaamheid geeft aan in welke mate de aanwezigen in staat zijn om zich op eigen kracht in veiligheid te brengen. In beginsel geldt dat schuilen in een gebouw de beste optie is.
Door ramen en deuren te sluiten, het ventilatiesysteem af te schakelen, weg te blijven bij ramen (hittestraling en mogelijke scherfwerking) en te schuilen aan die zijde van het gebouw die zo ver mogelijk van het incident is afgelegen, is het risico op verwondingen het kleinst. Op de website www.rijnmondveilig.nl vindt u meer informatie over wat te doen in geval van een incident. Ten aanzien van de A15 en het spoor is in het kader van Stationstuinen fase 1 het groepsrisico ook reeds verantwoord. Het onderstaande wordt onder andere beschreven. Ten aanzien van de bestrijding van een incident beschikt de veiligheidsregio over protocollen om een incident te bestrijden. Ten aanzien van de zelfredzaamheid is relevant dat de ontwikkeling niet het verblijf van zeer kwetsbare groepen beoogt. Gezien de afstand is alleen het toxisch scenario relevant. Bescherming wordt geboden door na een incident met gevaarlijke stoffen op de A15 ramen en deuren te sluiten en de mechanische ventilatie af te schaken. Als de Omgevingswet van kracht is, moet bij nieuwbouw de mechanische ventilatie handmatig afschakelbaar worden uitgevoerd. In ruimtelijke besluiten dient dit door middel van een (beperkte) verantwoording beschreven te worden. Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is.
De mate waarin uitvoering aan bestrijdbaarheid kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). 5.6.3