Toelichting en Regels BP Stationstuinen 2e fase
Tekst van het document
10
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
Afstand
Afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2
De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3
De dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.4
De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.5
De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.6
De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.7
Peil
De plaats vanwaar in het kader van dit bestemmingsplan de hoogte wordt gemeten als bedoeld “bouwen goothoogte” en als volgt bepaald: a. voor bouwwerken boven het maaiveld, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een (al dan niet openbare) weg grenst: de hoogte van de kruin van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. voor bouwwerken boven het maaiveld, waarvan de hoofdtoegang niet onmiddellijk aan de hiervoor bedoelde weg grenst: de hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de hoofdtoegang; c. voor bouwwerken onder het maaiveld, het peil van het bijbehorende bovengrondse hoofdgebouw; d. in de andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
Regels (vastgesteld)
11
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels
Doelen
Het bestemmingsplan is gericht op: a. het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysiek leefomgeving en goede omgevingskwaliteit; b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van deze fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; en c. het mogelijk maken van een transformatie naar De Stationstuinen 2e fase met het openbaar vervoer als belangrijke drager en met een omgeving die: 1. bijdraagt aan de woonopgave; 2. de economische positie van Dutch Fresh Port versterkt en geen concurrent is van de bestaande economische functies in het dorp Barendrrecht; 3. een brug slaat tussen het Dutch Fresh Port, het dorp Barendrecht, Rotterdam en het omliggende (recreatie)landschap; 4. duurzaam, gezond, veilig en klimaatbestendig is.
12
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
Artikel 4 4.1
Gemengd
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maximaal 850 woningen (waaronder woon-werkwoningen), al dan niet in combinatie met een aan-huis-gebonden beroep, met dien verstande dat: 1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - wonen op de begane grond niet toegestaan' woningen op de begane grond niet zijn toegestaan, maar wel aan woningen gerelateerde voorzieningen, niet zijnde bergingen; 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - mobilityhub 1' en 'specifieke vorm van gemengd - mobility hub 2' woningen en/of andere (geluid)gevoelige objecten niet zijn toegestaan; b. detailhandel, niet zijnde een supermarkt, tot een maximum oppervlakte van 1.350 m2 bvo, met dien verstande dat: 1. de maximale oppervlakte per detailhandelsvestiging niet meer mag bedragen dan 200 m2 bvo; 2. detailhandel uitsluitend is toegestaan binnen de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd detailhandel'; 3. het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor detailhandel, niet zijnde supermarkt, uitsluitend is toegestaan wanneer binnen het plangebied van het bestemmingsplan 'De Stationstuinen 1ste fase' (met IDN: NL.IMRO.0489.BPBTO20220003-VG03) niet meer dan maximaal 250 m2 bvo aan detailhandel aanwezig is; c.
horeca in de categorieën 1 en 2 tot een maximum oppervlakte van 400 m2 bvo, met dien verstande dan de maximale omvang van horeca per vestiging 150 m2 bo mag zijn; d. kantoren, dienstverlening en andere niet-woonfuncties tot een maximum oppervlakte van 6.500 m2 bvo, met dien verstande dat geen cluster van meer dan vijf kantoren zijn toegestaan binnen het plangebied met een maximum omvang van 1.000 m2 bvo per kantoor vestiging; e. maatschappelijke voorzieningen, met dien verstande dat: 1. een onderwijsinstelling is toegestaan tot een maximum oppervlakte van 4.000 m2 bvo; 2. een kinderopvang is toegestaan tot een maximum oppervlakte van 800 m2 bvo; f. sportvoorzieningen tot een maximum oppervlakte van 600 m2 bvo; g. in aanvulling op het bepaalde in sub b t/m f is ter plaatse van de aanduiding 'specifeke vorm van gemengd - mobilityhub 1' en 'specifieke vorm van gemengd - mobilityhub 2' een mobilityhub toegestaan met de volgende voorzieningen: 1. een supermarkt uitsluitend ter plaatse van 'specifeke vorm van gemengd - mobilityhub 1' tot een maximum oppervlakte van 2.000 m2 bvo; 2. parkeervoorzieningen; 3. nutsvoorzieningen; met dien verstande dat: h. de niet-woonfuncties zoals bedoeld in sub b t/m g uitsluitend zijn toegestaan als deze geschikt zijn voor functiemenging met inachtneming van het bepaalde in lid 4.4.3; met daaraan ondergeschikt: i. groen- en speelvoorzieningen; j.
tuinen; k. wegen en paden; l. parkeervoorzieningen- en verkeersvoorzieningen (al dan niet ondergronds); m. nutsvoorzieningen; n. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; o. kunstwerken; p. geluidwerende voorzieningen.
Regels (vastgesteld)
13
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
4.2
Bouwregels
Op de in lid 4.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden: 4.2.1
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend gebouwd worden binnen het bouwvlak; b. het bouwvlak mag voor maximaal 70% worden bebouwd; c. van het maximaal aantal woningen zoals bedoeld in lid 4.1 sub a dient minimaal 10% te worden gebouwd als grondgebonden woningen; d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' is aangegeven; e. in afwijking van het bepaalde in sub d mag de bouwhoogte met ten hoogste een bouwlaag worden overschreden indien op een gedeelte van het hoofdgebouw ten opzichte van de maximale bouwhoogte een bouwlaag minder wordt gerealiseerd; f. in afwijking van het bepaalde in sub d geldt dat er opbouwen van maximaal 7 meter toegestaan zijn op 50% van de totale oppervlakte van het gebouw, niet zijnde daken van parkeervoorzieningen, met dien verstande dat: 1. de opbouwen moeten op de naar het openbaar gebied gerichte gevels minimaal 3 meter terug liggen ten opzichte van de onderliggende bouwlagen: 2. opbouwen zijn niet toegestaan bij grondgebonden woningen; 3. opbouwen zijn niet toegestaan op het deel van het parkeergebouw wat onderdeel uitmaakt van de mobility hub binnen de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - mobilityhub 1'; 4. opbouwen zijn niet toegestaan binnen de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd mobilityhub 2'; g.
ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - hoogteaccent 1' en 'specifieke bouwaanduiding - hoogteaccent 2' hoogteaccenten gerealiseerd mogen worden, met dien verstande dat voor 'specifieke bouwaanduiding - hoogteaccent 1' op maximaal 21 meter hoogte de bebouwing minimaal 3 meter terugliggend dient te zijn ten opzichte van de onderliggende bouwlagen; h. in afwijking van het bepaalde in sub d t/m g mag de maximale bouwhoogte worden overschreden door ondergeschikte bouwonderdelen, met dien verstande dat: 1. deze ondergeschikte bouwonderdelen, noodzakelijk zijn voor het doelmatig functioneren van het bouwwerk, zoals liftopbouwen, lichtkoepels, schoorstenen, luchtverversingsapparatuur, zonnepanelen, glazenwasinstallaties en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2. de maximale bouwhoogte met maximaal 3 meter mag worden overschreden. i. voor balkons, gelegen binnen het bouwvlak, gelden de volgende regels: 1. de minimale hoogte van balkons ten opzichte van peil bedraagt minimaal 3 m, tenzij de balkons gelegen zijn aan de Spoorlaan of wanneer de balkons grenzen aan de bestemming 'Groen' of 'Verkeer'; dan geldt een minimale hoogte van 6 m; j. in afwijking van het bepaalde onder a zijn ook balkons toegestaan buiten het bouwvlak en/of bestemmingsgrens, met dien verstande dat: 1. de uitkraging van balkons maximaal 1,6 m bedraagt; 2.
de minimale hoogte van balkons ten opzichte van peil 3 m bedraagt, tenzij de balkons gelegen zijn aan de Spoorlaan of grenzend aan de bestemming 'Groen' of 'Verkeer'; dan geldt een minimale hoogte van 6 m; k. op daktuinen zijn kassen toegestaan met een maximale oppervlakte van 10 m2 en een maximale hoogte van 3 m; l. de bouwwerken moeten voldoen aan de beoogde duurzaamheidseisen, zoals bepaald in de bijlage opgenomen beleidsregel 'Beleidsregel Duurzaamheid De Stationstuinen', zoals deze luidt op het moment van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag. De beleidsregel waarnaar in dit plan wordt verwezen, kan na vaststelling van het bestemmingsplan door het college van burgemeester en wethouders worden gewijzigd.
14
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
4.2.2
Andere bouwwerken
Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. bouwwerken geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan: 1. 8 m voor lichtmasten; 2. 3 m voor reclamezuilen; 3. 3 m voor overige bouwwerken geen gebouwen zijnde; c. 5 m voor geluidwerende voorzieningen, met dien verstande dat de bouwhoogte mag worden overschreden: 1. in het geval dat er een geluidwerende voorziening tussen de bebouwing moet worden gerealiseerd zoals bedoeld in lid 4.4.6. In deze gevallen geldt dat de bouwhoogte van de geluidwerende voorziening maximaal gelijk mag zijn aan de bouwhoogte van de bebouwing. 4.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van: a. het bepaalde in 4.2.2 voor het realiseren van een mast voor cameratoezicht ten behoeve van de openbare orde en veiligheid, mits: 1. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; 2. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad; 3. de afwijking voorzien wordt van een ruimtelijke motivering. b. het bepaalde in 4.2.1 sub f en toestaan dat opbouwen zijn toegestaan: 1. op meer dan 50% van de totale oppervlakte van het gebouw tot een maximum van 70%; 2. op minder dan 3 meter terugliggend ten opzichte van de onderliggende bouwlagen; mits: a. dit goed (ruimtelijk) onderbouwd is; b. hierover een advies is uitgebracht door het kwaliteitsteam; c. de afwijking past binnen het beeldkwaliteitsplan, dat als Bijlage 2 bij de regels is gevoegd; d. de bouwwerken moeten voldoen aan de beoogde duurzaamheidseisen, zoals bepaald in de bijlage opgenomen beleidsregel 'Beleidsregel Duurzaamheid De Stationstuinen', zoals deze luidt op het moment van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag. De beleidsregel waarnaar in dit plan wordt verwezen, kan na vaststelling van het bestemmingsplan door het college van burgemeester en wethouders worden gewijzigd. c.
het bepaalde in 4.2.2 sub c voor het realiseren van een geluidwerende voorziening met een hogere bouwhoogte, voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de woningen en/of (geluid) gevoelige functies. 4.4
Specifieke gebruiksregels
4.4.1
Algemeen
a. b. c. d. e.
de opslag en/of verkoop van consumentenvuurwerk is niet toegestaan; bedrijvigheid mag uitsluitend plaatsvinden in de vorm van kleinschalige, ambachtelijke bedrijvigheid; productie en/of laad- en loswerkzaamheden mogen alleen plaatsvinden in de dagperiode; de activiteiten, inclusief opslag, dienen hoofdzakelijk inpandig plaats te vinden; het gebruik van verlichting in of aan een gebouw is toegestaan waarbij de lichtuitstraling buiten het gebouw zo veel mogelijk wordt beperkt zoals bedoeld in lid 4.4.3 sub g; f. tijdelijke of permanente bewoning van de niet aan het hoofdgebouw gebouwde bijbehorende bouwwerken is niet toegestaan; g. een beroep aan huis is toegestaan mits: 1. de vloeroppervlakte van de activiteiten ten hoogste 60 m² bedraagt; 2. geen onevenredige verkeersaantrekkende werking ontstaat.
Regels (vastgesteld)
15
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
4.4.2
Meldingsplicht
a. Ongeacht het bepaalde in de overige regels is het gebruik van de gronden binnen deze bestemming voor meldingsplichtige activiteiten onder het Activiteitenbesluit verboden zonder dat deze activiteiten ten minste 4 weken voor aanvang van het gebruik zijn gemeld. b. Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: 1. de aanduiding van de activiteit; 2. het adres waarop de activiteit wordt verricht; 3. de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht; 4. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; 5. de dagtekening; 6. een onderbouwing dat kan worden voldaan aan de van toepassing zijnde regels voor geluid en geur. c. Het bevoegd gezag kan, naar aanleiding van de bij de melding aangeleverde gegevens, bij nadere eis bepalen dat extra gegevens en bescheiden worden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of kan worden voldaan aan de regels in het bestemmingsplan. 4.4.3
Niet-woonfuncties geschik t voor functiemenging
Voor het gebruik van niet-woonfuncties geschikt voor functiemenging zoals bedoeld in lid 4.1 sub i en voor bestaande bedrijven binnen het plangebied gelden de volgende regels: a. het geluidniveau als gevolg van een activiteit, op grond van het Activiteitenbesluit, op de gevel van een geluidgevoelig object bedraagt niet meer dan: dagperiode
avondperiode
nachtperiode
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
Maximaal geluidniveau
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
b. in uitzondering op het bepaalde onder a bedraagt het geluidniveau als gevolg van een activiteit, op grond van het Activiteitenbesluit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig object niet meer dan: dagperiode
avondperiode
nachtperiode
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
Maximaal geluidniveau
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
c. de maximale geluidniveaus genoemd onder a en b gelden in de dagperiode niet voor laden en lossen; d. in afwijking op het bepaalde onder a wordt het geluidniveau gemeten op een afstand van 10 meter van de grens van de inrichting als de gevel van een geluidgevoelig object op meer dan 10 meter van de inrichting is gelegen; e. de normen voor geluid en trillingen niet van toepassing zijn op incidentele bedrijfssituaties als bedoeld in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai; f. de geurbelasting op de gevel van een geurgevoelig gebouw mag niet meer bedragen dan 0,5 ouE/M3 als 98-percentiel; g. het lichtniveau op het geveldeel of gevelopening van een lichtgevoelig gebouw mag niet meer bedragen dan: 1. 10 lx in de ochtend- en dagperiode; 2. 2 lx in de nachtperiode. 4.4.4
Voorwaardelijke verplichting parkeren
a. De gebouwen binnen deze bestemming mogen slechts in gebruik worden genomen onder de voorwaarde, dat altijd in voldoende mate is voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's en fietsen. b. Het benodigde aantal parkeerplaatsen voor auto's en fietsen wordt vastgesteld aan de hand van de in het Parkeerbeleid De Stationstuinen vastgestelde parkeernormen en in het Ontwikkelkader
16
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase vastgestelde bijbehorende toepassingsmethodiek, zoals opgenomen in Bijlage 3 Parkeerbeleid De Stationstuinen en Bijlage 4 Ontwikkelkader. c. Ten aanzien van het aantal autoparkeerplaatsen dat bestemd is voor niet openbaar gebruik moet worden voldaan aan de verhouding openbaar gebruik/niet-openbaar gebruik voor het plangebied zoals opgenomen in Bijlage 4 Ontwikkelkader. Het parkeren of stallen van auto's voor niet openbaar gebruik dient plaats te vinden in of onder het hoofdgebouw (niet zijnde mobilityhub), dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat hoofdgebouw (niet zijnde mobilityhub) behoort. Het overige deel van het autoparkeren zal moeten worden toegewezen aan een mobilityhub op afstand of parkeerplaatsen op maaiveld. Al het fietsparkeren voor bewoners en werknemers dient inpandig te worden gerealiseerd in of bij het hoofdgebouw, waarbij voldaan moet worden aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in Bijlage 3 Parkeerbeleid De Stationstuinen. d. Het college van burgemeester en wethouders kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder sub a: 1. als voldaan wordt aan de voorwaarden om af te wijken van de vastgestelde parkeernormen en toepassingsmethodiek, zoals opgenomen in Bijlage 3 Parkeerbeleid De Stationstuinen en/of Bijlage 4 Ontwikkelkader; of 2.
als het voldoen aan de parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; e. Het college van burgemeester en wethouders kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder sub c voor het tijdelijk toestaan van parkeervoorzieningen voor niet openbaar gebruik op een andere locatie, mits: 1. de tijdelijke parkeervoorzieningen niet langer dan 10 jaar in stand mogen worden gehouden vanaf de oplevering van de eerste woningen, waarvoor de omgevingsvergunning zoals bedoeld in sub e is verleend; 2. de bezettingsgraad van deze tijdelijke parkeervoorzieningen mag niet hoger zijn dan 90%; 3. er voldaan wordt aan de parkeerbehoefte zoals bepaald in sub b. 4.4.5
Toetsingsregel waterhuishouding
Een omgevingsvergunning voor het bouwen kan uitsluitend worden verleend wanneer bij de aanvraag is aangetoond dat voorzien wordt in de opvang en vertraagde afvoer van een bui van ten minste 70 mm in één uur (T=100) aan neerslag.
4.4.6
Voorwaardelijke verplichting milieubelastende activiteiten
Ter waarborging van een goed woon- en leefklimaat voor woningen en andere (geluid) gevoelige functies, zoals bedoeld in lid 4.1, gelden de volgende voorwaardelijke verplichtingen: a. het bouwen van woningen en andere (geluid) gevoelige functies buiten de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geluidwerend vlies' is uitsluitend toegestaan wanneer ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geluidwerend vlies' bebouwing is opgericht met een minimale hoogte van 14 meter en de bebouwing in stand wordt gehouden; b. in aanvulling op het bepaalde in sub a is het bouwen van woningen en andere (geluid) gevoelige functies buiten de 'specifieke bouwaanduiding - geluidwerend vlies', voor zover geen bebouwing is opgericht dan wel in stand is gehouden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding geluidwerend vlies, wel toegestaan, wanneer de bebouwing gelegen buiten de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geluidwerend vlies' gelijktijdig, aangrenzend dan wel in het hetzelfde gebouw wordt gerealiseerd met de bebouwing gelegen binnen de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding geluidwerend vlies'; c.
de woningen en andere (geluid) gevoelige functies kunnen uitsluitend in gebruik worden genomen en in stand worden gehouden wanneer als gevolg van de representatieve bedrijfsactiviteiten van de bedrijven gelegen aan de Transportweg 8 en 17, Koopliedenweg 28 en Handelscentrum ZHZ 41a (zoals opgenomen in hoofdstuk 4, Bijlage 10 van de toelichting) voldaan wordt aan het volgens het Activiteitenbesluit toelaatbare langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op de gevel(s) (delen) van de nieuwe woningen en andere (geluid) gevoelige functies. Dit moet aangetoond worden bij de aanvraag omgevingsvergunning met een akoestisch onderzoek dat aan het bevoegd
Regels (vastgesteld)
17
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase gezag ter beoordeling wordt overlegd; en de volgende maatregelen gerealiseerd moeten worden en in stand worden gehouden: 1. een geluidwerend vlies en/of dove gevel(s) (dan wel een combinatie van beide) ter plaatse van de oostelijke gevel van de bebouwing, gelegen binnen de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding geluidwerend vlies'; 2. een geluidwerende voorziening met minimaal en maximaal dezelfde hoogte als de bebouwing tussen de gebouwen, gelegen binnen de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – geluidwerend vlies'; 3. een geluidwerend vlies en/of dove gevel(s) (dan wel een combinatie van beide), op de gevel(s) (delen) van de nieuwe woningen en andere (geluid) gevoelige functies, anders dan gelegen binnen de oostelijke gevel van de bebouwing zoals bedoeld in sub c1, die blijkens het akoestisch onderzoek een hogere geluidbelasting hebben dan volgens het Activiteitenbesluit toelaatbare langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT); waarbij elke woning dient te beschikken over minimaal één geluidluwe gevel(deel); d.
indien in afwijking van het bepaalde in sub c2 een onderdoorgang wordt gerealiseerd tussen gebouwen met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geluidwerend vlies', waarbij het geluidwerend vlies en/of de dove gevel(s) en/of geluidwerende voorziening wordt doorbroken, dient aan de overzijde van de onderdoorgang een geluidwerende voorziening binnen de bestemming 'Gemengd' of 'Verkeer' te worden gerealiseerd, waarbij de lengte en hoogte van de geluidwerende voorziening vanaf maaiveld een voldoende afmeting dient te hebben. Dit moet blijken uit een akoestisch onderzoek zoals genoemd in sub c. 4.4.7
Toetsingsregel geluidluwe gevel vanwege verkeerslawaai
Een omgevingsvergunning voor het bouwen kan uitsluitend worden verleend indien de woningen, zoals bedoeld in artikel 4.1 sub a: a. beschikken over één geluidluwe gevel(deel) met een geluidbelasting van maximaal 48 dB vanwege wegverkeerslawaai op basis van een akoestisch onderzoek dat bij de aanvraag wordt overlegd. De geluidbelasting wegverkeerslawaai wordt bepaald na aftrek van 5 dB conform artikel 110g van de Wet geluidhinder; b. voldoen aan de hieronder opgenomen maatregelen: 1. maximale binnenwaarde van 33 dB op basis van totale gecumuleerde geluidbelasting exclusief aftrek artikel 110g Wgh; 2. bij een geluidbelasting van meer dan de voorkeursgrenswaarden onder de Wet geluidhinder (standaardwaarden onder de Omgevingswet) dient bij eenzijdige georiënteerde woningen elke verblijfsruimte voorzien te zijn van minimaal één geluidluwe gevel (deel), waar de voorkeursgrenswaarde Wgh niet wordt overschreden; 3. bij woningen met meerdere zijden dient te minste één gevel geluidluw te zijn (voorkeursgrenswaarde Wgh niet overschrijdend; 4. bij woningen die niet over een geluidluwe buitenruimte beschikken moet binnen 100 meter een (gemeenschappelijke) geluidluwe buitenruimte beschikbaar zijn; 5. de slaapkamers zijn zoveel mogelijk aan de minst geluidbelaste zijde gesitueerd; 6.
als er balkons direct onder elkaar worden geplaatst, dan dienen de plafonds van de balkons geluidsabsorberend te worden uitgevoerd; 7. als de geluidsbelasting boven de gecumuleerde plandrempel van 65 dB komt dan moet een dove gevel worden toegepast; 8. maximaal 1 dove gevel per woning; 9. op hoog geluidbelaste locaties dienen zoveel als mogelijk/wenselijk niet-geluidgevoelige functies te worden gesitueerd. 4.4.8
Voorwaardelijke verplichting bezonning
De gebouwen binnen deze bestemming mogen alleen worden opgericht als middels een bezonningsstudie is aangetoond dat er voldoende bezonning is op de gevels van de gebouwen in de omgeving, voor zover er (direct) achter deze gevels woonfuncties worden gerealiseerd.
18
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase a. Er is sprake van voldoende bezonning indien er ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag zijn in de periode tussen 19 februari tot en met 21 oktober, ter plaatse van het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam van de woonkamer, bij een zonnehoogte van tenminste 10'. b. Van het gestelde onder b kan worden afgeweken na een advies hierover van het Kwaliteitsteam op basis van een door initiatiefnemer geleverd bezonningsonderzoek. 4.4.9
Voorwaardelijke verplichting windklimaat
Gebouwen met een bouwhoogte van meer dan 30 meter mogen alleen worden opgericht als: a. wordt aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar windklimaat middels een windonderzoek dat voldoet aan de NEN 8100 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving'; b. de noodzakelijke maatregelen en voorzieningen, zoals die uit het onderzoek als bedoeld onder a. naar voren komen, worden gerealiseerd, en deze in stand worden gehouden; c. uit het windonderzoek blijkt dat minimaal sprake is van een matig windklimaat, zoals aangegeven in onderstaande tabel:
4.4.10 Voorwaardelijke verplichting knip Spoorlaan-Zuideinde De gebouwen binnen deze bestemming mogen slechts in gebruik worden genomen onder de voorwaarde, dat er een knip komt in de verbinding tussen de Spoorlaan en de Zuideinde voor auto- en vrachtverkeer.
4.4.11 Voorwaardelijke verplichting groenvoorzieningen a. het gebruik van de gronden en bebouwing, als bedoeld in artikel 4.1 lid a, is uitsluitend toegestaan indien binnen 5 jaar na het verlenen van de laatste omgevingsvergunning voor het bouwen is voorzien in: 1. de aanleg en behoud van de groenvoorzieningen op de gronden met de bestemming 'Groen'; 2. de aanleg en behoud van minimaal 2 pocketparken met een oppervlakte van ten minste 500 m2; b. Het college van burgemeester en wethouders kan met een omgevingsvergunning afwijken van de termijnen genoemd sub a als het voldoen aan de termijnen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit en het Kwaliteitsteam hierover heeft geadviseerd. 4.4.12 Voorwaardelijke verplichting trillingen Het in gebruik nemen en gebruik houden van trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten binnen 100 meter astand van het spoor (gemeten vanaf de buitenste rail) is alleen toegestaan indien de trillingsniveaus van deze gebouwen voldaan aan de voorschriften uit de SBR richtlijn B: Hinder voor personen in gebouwen; meet- en beoordelingsrichtlijn (augustus 2002). 4.5
Afwijken van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van:
Regels (vastgesteld)
19
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase a. het bepaalde in 4.1 sub b en c ten behoeve van het aanpassen van de maximale oppervlakte bvo per vestiging detailhandel of horeca, waarbij geldt dat: 1. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat; 2. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld; 3. er een advies moet liggen van het Kwaliteitsteam; 4. er wordt voorzien in voldoende parkeervoorzieningen conform het bepaalde in lid 4.4.4; b. Het bepaalde in 4.4.3 onder a en b ten behoeve van een hoger langtijdgemiddeld beoordelingsniveau: 1. op de gevel van een geluidgevoelig object dagperiode
avondperiode
nachtperiode
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
Maximaal geluidniveau
75 dB(A)
70 dB(A)
65 dB(A
2. in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig object dagperiode
avondperiode
nachtperiode
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
Maximaal geluidniveau
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A
c. De afwijking als bedoeld onder c is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarden dat: 1. cumulatief het geluidniveau niet meer bedraagt dan 61 dB(A); en 2. elke woning ten minste één geluidluwe gevel heeft. 4.6
Wijzigingsbevoegdheid
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de in het plan opgenomen bestemming te wijzigen ten behoeve van het toestaan van woningen en/of andere (geluid)gevoelige objecten binnen de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - mobility hub 2', mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. b. c. d.
er sprake is van voldoende parkeergelegenheid conform artikel 4.4.4; er geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat; het maximum aantal woningen niet meer bedraagt dan zoals aangegeven in 4.1 sub a; de maximum bedrijfsvloeroppervlakte van de niet-woonfuncties zoals bedoeld in 4.1 sub a t/m h niet wordt overschreden; e. er voldaan wordt aan de regels binnen bestemming 'Gemengd' zoals opgenomen in 4.1, 4.2 en 4.4; f. er wordt voldaan aan het beeldkwaliteitsplan zoals opgenomen in Bijlage 2 Beeldkwaliteitsplan; g. er wordt voldaan aan de beleidsregel Duurzaamheid de Stationstuinen zoals opgenomen in Bijlage 5 Beleidsregel Duurzaamheid De Stationstuinen.
20
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
Artikel 5 5.1
Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
groenvoorzieningen, bermen en beplanting; parken en plantsoenen; voet- en fietspaden; water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
met daaraan ondergeschikt: e. bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen; f. nutsvoorzieningen. 5.2
Bouwregels
Op de in lid 5.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden: a. andere bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte van andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan: 1. 8 m voor lichtmasten; 2. 6 m voor bruggen, verkeersborden en speelvoorzieningen; 3. 3 m voor overige andere bouwwerken. 5.3
Afwijken van de bouwregels
5.3.1
Cameratoezicht
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.1 voor het realiseren van een mast voor cameratoezicht ten behoeve van de openbare orde en veiligheid, mits: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad; c. de afwijking voorzien wordt van een ruimtelijke motivatie.
Regels (vastgesteld)
21
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
Artikel 6 6.1
Verkeer
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verkeersvoorzieningen; met daaraan ondergeschikt: b. c. d. e. f. g. h. i. 6.2
bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen; groen- en speelvoorzieningen; parkeervoorzieningen; nutsvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; kunstwerken; terrassen ten behoeve van aanliggende horecavestigingen; geluidwerende voorzieningen. Bouwregels
Op de in lid 6.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden: a. bouwhoogte van andere bouwwerken, mag niet meer bedragen dan: 1. 8 m voor lichtmasten; 2. 2 m voor erf- en terreinafscheidingen; 3. 3 m voor reclamezuilen; 4. 3 m voor overige andere bouwwerken; b. 5 m voor geluidwerende voorzieningen, met dien verstande dat de bouwhoogte mag worden overschreden in het geval een onderdoorgang wordt gerealiseerd zoals bedoeld in lid 4.4.6. Dit is enkel toegestaan voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de woningen en/of (geluid) gevoelige functies. 6.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.1 voor het realiseren van een mast voor cameratoezicht ten behoeve van de openbare orde en veiligheid, mits: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad; c. de afwijking voorzien wordt van een ruimtelijke motivatie.
22
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
Artikel 7 7.1
Waarde - Archeologie - 2
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie - 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 7.1.1
Voorrangsregeling
Indien er strijd ontstaat tussen het bepaalde in de bestemming 'Waarde - Archeologie - 2' en het bepaalde in de overige daar voorkomende bestemmingen, prevaleert het bepaalde in de bestemming 'Waarde - Archeologie - 2'. 7.2
Bouwregels
7.2.1
Rapport archeologische monumentenzorg
In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) welke voldoen aan de oppervlakte- en/of dieptematen welke genoemd zijn in lid 7.3. 7.2.2
Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen
Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de volgende regels verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. 7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.3.1
Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de hierna onder a t/m f genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 80 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m² beslaan. Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a. b. c. d. e. f.
grondbewerkingen (van welke aard dan ook); het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; het indrijven van voorwerpen in de bodem; het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen en afgraven; het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies en dergelijke; het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande lopen.
Regels (vastgesteld)
23
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
7.3.2
Uitzondering op het aanlegverbod
Het omgevingsvergunningvereiste geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten. 7.3.3
Toelaatbaarheid
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt verleend, indien daardoor de aanwezige archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. Alvorens de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te kunnen verlenen, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning aan het bevoegd gezag hieromtrent een rapport van een archeologisch deskundige te overleggen. 7.3.4
Regels voor een aanlegvergunning
Aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden kunnen de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
24
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
Hoofdstuk 3 Artikel 8
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Regels (vastgesteld)
25
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
Artikel 9 9.1
Algemene bouwregels
Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten
a. Voor een bouwwerk, dat krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringbepalingen in de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat: 1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; 2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden. b. Ingeval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt. c. Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing. 9.2
Overschrijding bouwgrenzen
De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingsgrenzen, aanduidingen en bestemmingsregels worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, technische ruimtes, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 3 m bedraagt; b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt; c. andere ondergeschikte (bouw)onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt. De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken dan wel dat niet voldaan wordt aan de regels in artikel 4.4. 9.3
Overschrijding van bestemmingsgrenzen
Bestemmingsgrenzen mogen worden overschreden voor de bouw van balkons aan gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,6 m bedraagt en de minimale hoogte van balkons ten opzichte van peil minimaal 3 m bedraagt, tenzij de balkons gelegen zijn aan de Spoorlaan; dan geldt een minimale hoogte van 6 m. De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken dan wel dat niet voldaan wordt aan de regels in artikel 4.4. 9.4
Ondergronds bouwen
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; b. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m²; c. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil. 9.5
Afwijken ten behoeve van ondergronds bouwen
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.4 sub c voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 meter onder peil onder de voorwaarden dat:
26
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase a. de waterhuishouding niet wordt verstoord; b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.
Regels (vastgesteld)
27
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
Artikel 10
Algemene afwijkingsregels
Het bevoegd gezag kan – tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is – bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: a. afwijkingen van maten met ten hoogste 10% voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken; b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 meter bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken dan wel dat niet voldaan wordt aan de regels in artikel 4.4.
28
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
Artikel 11 11.1
Algemene wijzigingsregels
Overschrijding bestemmingsgrenzen
a. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 meter bedragen, gemeten vanaf de grens van het bestemmingsvlak dat wordt overschreden en het bestemmingsvlak mag in totaal met niet meer dan 10% worden vergroot. b. van de bevoegdheid genoemd onder a kan uitsluitend gebruik worden gemaakt als voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 4.4.
Regels (vastgesteld)
29
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
Artikel 12
Zorgplicht
Degene die een activiteit verricht als bedoeld in dit bestemmingsplan en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen in artikel 3 is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd en gevergd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
30
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
Hoofdstuk 4 Artikel 13 13.1
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%. c. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 13.2
Overgangsrecht gebruik
a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Sub a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Regels (vastgesteld)
31
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
Artikel 14
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'De Stationstuinen 2e fase'.
32
Regels (vastgesteld)
De Stationstuinen 2e fase
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
Inhoudsopgave
Bijlagen bij regels
3
Bijlage 1
Staat van horeca-activiteiten
4
Bijlage 2
Beeldkwaliteitsplan
6
Bijlage 3
Parkeerbeleid De Stationstuinen
51
Bijlage 4
Ontwikkelkader
76
Bijlage 5
Beleidsregel Duurzaamheid De Stationstuinen
158
2
Inhoudsopgave (vastgesteld)
bestemmingsplan De Stationstuinen 2e fase
Bijlagen bij regels
Bijlagen bij regels (vastgesteld)
3