CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Hof van Barendrecht d.d. 15 mei 2024 (ex bijlagen).pdf

commissie Ruimte 11 juni 2024, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Ontwerp-omgevingsvergunning en verklaring van geen bedenkingen bouwplan 27 woningen, Hof van Barendrecht, 1e Barendrechtseweg 92a (adviserend)28.196 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De breedte van een zone is, op grond van artikel 74 van de Wgh, afhankelijk van de ligging in stedelijk of buitenstedelijk gebied en van het aantal rijstroken. Normstelling De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen is vastgelegd in de Wgh. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk te zijn of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. Gemeentelijk geluidbeleid Het geluidbeleid van de gemeente Barendrecht is vastgelegd in de ‘Visie op het geluidbeleid gemeente Barendrecht’ van november 2006. De gemeente Barendrecht heeft de ambitie om zo veel mogelijk het “stand-still” principe te hanteren voor de geluidsbelasting vanwege het weg-, het spoorwegverkeer en de industrie. De beoordeling van het “stand-still” principe vindt plaats door een vergelijking van de huidige en toekomstige situatie. Uitgerekend is hoeveel gehinderden/ernstig gehinderden en slaapverstoorden er in de huidige situatie zijn en hoeveel in de plansituatie.

Omdat het onderzoeksgebied uitsluitend nieuwbouw betreft en de planontwikkeling niet leidt tot een significante toename van de geluidsbelasting op bestaande woningen in de omgeving, is alleen de toename van het aantal gehinderden/ernstig gehinderden en slaapverstoorden binnen de nieuwbouw bepaald. Het aantal gehinderden/ernstig gehinderden en slaapverstoorden wordt beoordeeld op basis van de gecumuleerde geluidsbelasting exclusief de reductie ex artikel 110g Wgh met een forfaitaire bezetting van 2,2 bewoners per woning en de dosis-effectrelaties uit de Regeling geluid milieubeheer. Deze aantallen worden met het totaal aantal gehinderden/ernstig gehinderden en slaapgestoorden in Barendrecht (Geluidsbelastingkaart derde tranche) vergeleken. Uit deze vergelijking volgt een Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

24

procentuele verandering. De gemeente maakt de afweging of er ruimte in Barendrecht is om dit project te realiseren. In deze afweging worden de percentages gehinderden in 2006 en in 2016 betrokken. Daarnaast is in het Actieplan geluid van de gemeente Barendrecht een plandrempel voor wegverkeerslawaai opgenomen van Lden 63 dB. Voor woningen met een geluidsbelasting die 63 dB of hoger is dan deze waarde moeten maatregelen worden getroffen die de geluidsbelasting reduceren. Het is ongewenst om woningen te realiseren met een geluidsbelasting van 63 dB of hoger. Deze geluidsbelasting betreft een cumulatieve geluidsbelasting van het verkeer op alle wegen samen zonder de toepassing van de correctie van 5 dB op grond van artikel 110g Wgh. Bouwbesluit In het Bouwbesluit 2012 zijn eisen gesteld ten aanzien van de karakteristieke geluidswering van de gevels van een nieuwe woning. De eis aan de karakteristieke geluidwering voor wegverkeer is de vastgestelde hogere waarde minus 33 dB. De karakteristieke geluidwering moet worden bepaald op basis van de cumulatieve geluidsbelasting van alle relevante wegen samen exclusief de reductie ex artikel 110g Wgh.

4.3.2 Onderzoek Voor de voorgenomen ontwikkeling heeft KuiperCompagnons in oktober 2022 een akoestisch onderzoek naar weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 2. De nieuwe woningen liggen binnen de in de Wet geluidhinder (Wgh) vastgelegde onderzoekszone van de rijksweg A15/A29, de route Henry Dunantlaan/Dierensteinweg, de 1e Barendrechtseweg, de Boerhaavelaan, de spoorlijn Rotterdam-Dordrecht en de Betuweroute. Dit betekent dat op grond van de Wgh akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd en moet worden getoetst aan de normen uit deze wet. Omdat het projectgebied niet ligt in de zone van een industrieterrein speelt dit geluidsaspect hier geen rol. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is eveneens de mogelijke geluidhinder van het verkeer op omliggende 30 km-wegen in het onderzoek betrokken. Dit betreft uitsluitend het verkeer op de Van der Meulenstraat en Van Hulststraat ten zuiden van de locatie. In het onderzoek is eveneens getoetst aan het geluidbeleid van de gemeente Barendrecht. De berekeningsresultaten van het onderzoek zijn weergegeven in tabel 4.2. Uit het onderzoek blijkt dat het verkeer op de rijkswegen, de Henry Dunantlaan, de 1e Barendrechtseweg, de 30 km-wegen en het spoorverkeer een geluidsbelasting veroorzaakt die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde.

Dit betekent dat een afweging van geluidsreducerende maatregelen benodigd is, en zo nodig de vaststelling van hogere waarden.

Tabel 4.2: Berekeningsresultaten akoestisch onderzoek (bron: KuiperCompagnons, 15 november 2022).

Het verkeer op de rijkswegen veroorzaakt op de tweede (deels) en derde verdieping een geluidsbelasting die de maximale hogere waarde van 53 dB overschrijdt. Op grond van de Wgh zijn daarom (bouwkundige) geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Uit de resultaten blijkt dat de cumulatieve geluidbelasting maximaal 67 dB bedraagt (zonder reductie ex artikel 110g Wgh) op de noordgevel van de nieuwe beneden-bovenwoningen. Omdat de plandrempel Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

25

voor de cumulatieve geluidsbelasting voor wegverkeerslawaai van 63 dB wordt overschreden moeten geluidsreducerende maatregelen worden onderzocht en afgewogen. Het verdient aanbeveling de beoordeling van de karakteristieke geluidwering van de gevels uit te voeren op basis van de cumulatieve geluidsbelasting van wegverkeer zonder de toepassing van de reductie ex artikel 110g Wgh. Op grond van de Wgh moet bij een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde(n) een afweging worden gemaakt van de in aanmerking komende geluidsreducerende maatregelen. Omdat ook sprake is van een overschrijding van de plandrempel en op grond daarvan ook een dergelijke afweging noodzakelijk is, is deze afweging in het onderzoek gezamenlijk gemaakt. Uit het onderzoek volgt dat geluidsreducerende maatregelen aan de bron in de vorm van een stiller wegdek niet gewenst of niet doelmatig zijn. Aanvullende maatregelen langs de A15 zijn gezien de relatief beperkte schaal van het project financieel niet doelmatig en daarom verder niet beschouwd. Overdrachtsmaatregelen zijn wel onderzocht in de vorm van een scherm langs de Henry Dunantlaan, met een hoogte van 1,2 m en een lengte van 95 m tussen de rijbaan en het fietspad. Met dit scherm blijkt het mogelijk om op de begane grond van het gebouw de geluidsbelasting te reduceren tot 63 dB.

Op de eerste verdieping blijft een geluidsbelasting aan de orde van hoger dan 63 dB. Omdat de maximale hogere waarde van 53 dB voor de A15 wordt overschreden zijn vanuit de Wgh (bouwkundige) maatregelen noodzakelijk. Voor de beneden-bovenwoningen is op derde verdieping (geheel) en tweede verdieping (deels) een dove gevel noodzakelijk. Een dergelijke gevel bestaat in principe uit een gemetselde gevel of een gevel met ramen die niet kunnen worden geopend. Daarnaast ondervindt de gehele noordgevel van de beneden-bovenwoningen op alle verdiepingen een geluidsbelasting hoger dan de plandrempel van 63 dB voor wegverkeerslawaai. Ook vanuit dit oogpunt zijn aanvullende (bouwkundige) maatregelen noodzakelijk. In lijn met de bovenwoningen ligt het voor de hand ook voor deze woningen een dove gevel toe te passen. Voor de woningen waar een geluidsbelasting aan de orde is die hoger is dan voorkeursgrenswaarde moet een hogere waarde procedure worden doorlopen. De benodigde (vast te stellen) hogere waarden zijn gepresenteerd in tabel 4.3.

Tabel 4.3: Benodigde hogere waarden (bron: KuiperCompagnons, 15 november 2022).

Naast de toetsing aan de plandrempel is in het akoestisch onderzoek ook getoetst of de (toename van) het aantal (ernstig) gehinderden past binnen het ‘stand-still’ principe uit het gemeentelijk geluidsbeleid. Omdat dit bouwplan in de nabijheid van drukke wegen wordt gesitueerd is sprake van een toename van het aantal (ernstig) gehinderden. Door de toepassing van een dove noordgevel bij de benedenbovenwoningen kunnen deze aantallen grofweg gehalveerd worden. Bij toepassing van een geluidsscherm van 1,2 m langs de Henry Dunantlaan is het niet noodzakelijk de begane grond van de benedenwoningen aan de zijde van de Henry Dunantlaan doof uit te voeren. Daarnaast zorgt het scherm

Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

26

voor een reductie in de toename van het aantal (ernstig) gehinderden van circa 20%. Dit scherm is geen wettelijke verplichting maar is beschouwd vanuit het gemeentelijke geluidbeleid. Gezien de optredende geluidbelasting en benodigde hogere waarden zijn de mogelijkheden voor optimalisatie van het woon- en leefklimaat nader beschouwd. Op basis daarvan kan het bevoegd gezag de afweging maken om de woningen op deze locatie toe te staan. Zo is onder meer gekeken naar de mogelijkheid tot het plaatsen van een of meer voorhangschermen (voor te openen gebouwdelen) aan de zijde van de Henry Dunantlaan, waardoor geen dove gevel nodig zou zijn. Een andere onderzochte optie is een aanpassing van de indeling van het pand, waardoor de nadelige gevolgen van een dove gevel beperkt worden. Beide maatregelen zijn niet mogelijk gebleken, onder meer omdat ze niet kosteneffectief zijn, mede gelet op doel om hier betaalbare woningen te realiseren. Ook stuitten ze op stedenbouwkundige bezwaren. Zo heeft het plaatsen van voorhangschermen duidelijke gevolgen voor de architectuur; een scherm (glazen wand) langs de gehele gevel van het gebouw levert op deze locatie niet een stedenbouwkundig wenselijk beeld op. Tot slot is ook de indeling van de woningen zelf niet dusdanig verder te optimaliseren gebleken waardoor het woon- en leefklimaat significant verbetert.

Voor het bouwplan zijn verschillende mogelijkheden en maatregelen onderzocht om het woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen te optimaliseren. Op basis daarvan is gekozen voor de oplossing met een geluidscherm en (gedeeltelijk) dove gevels, zoals onderzocht in het akoestisch onderzoek. Daarmee wordt voldaan aan de wet- en regelgeving, en binnen alle randvoorwaarden op deze locatie een zo goed mogelijk woon- en leefklimaat gerealiseerd. Met deze onderbouwing kunnen de hogere waarden worden vastgesteld en de woningen op deze locatie worden toegelaten.

4.3.3 Conclusie Uit akoestisch onderzoek blijkt dat door het verkeer op verschillende wegen de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Voor de betreffende woningen is de vaststelling van hogere waarden benodigd (zie tabel 4.3). Daar waar de maximale hogere waarde wordt overschreden zijn (bouwkundige) geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Verder blijkt dat aan de zijde van de Henry Dunantlaan de plandrempel van 63 dB uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt overschreden, waardoor ook om die reden een afweging van maatregelen nodig is. Er zijn verschillende maatregelen onderzocht. Er zullen dove gevels worden gerealiseerd daar waar de maximale hogere waarde of plandrempel wordt overschreden, in combinatie met een geluidscherm langs de Henry Dunantlaan. Andere maatregelen zijn niet mogelijk, doelmatig en/of wenselijk gebleken. Door toepassing van een dove noordgevel bij de benedenbovenwoningen en een geluidscherm kan de toename van het aantal (ernstig) gehinderden beduidend gereduceerd worden. Op basis van een nadere beschouwing van maatregelen kan worden onderbouwd dat met de gekozen oplossing sprake is van een optimalisatie van het woon- en leefklimaat. 4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

27

grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing. Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.

4.4.2 Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling van 27 nieuwe woningen is een ontwikkeling passend binnen de term ‘niet in betekenende mate bijdragend’ aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als 'NIBM'. De realisatie van 12 woningen in dit plan valt hier ruim binnen, onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk.

Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn wel de jaargemiddelde concentraties van luchtverontreinigende stoffen bepaald ter plaatse van het projectgebied, met behulp van de NSLmonitoringstool. In afbeelding 4.1 zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de Henry Dunantlaan en 1e Barendrechtseweg weergegeven voor het peiljaar 2020. Uit afbeelding 4.1 blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter hoogte van het projectgebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 24,2 μg/m3, 17,2 μg/m3 en 9,3 μg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 μg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

28

Afbeelding 4.1: Concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het projectgebied (bron: NSL-monitoringstool).

4.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit leidt niet tot belemmeringen voor voorgenomen ontwikkeling. 4.5

Externe veiligheid

4.5.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.

Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting.

4.5.2 Onderzoek Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Op basis van de risicokaart zijn in de omgeving van het projectgebied de volgende risicobronnen in de omgeving aanwezig: · Vervoer gevaarlijke stoffen (o.a. LPG) over de rijkswegen A15, A16 en A29; Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

29

· · ·

Vervoer gevaarlijke stoffen (o.a. LPG) over de Betuweroute; Hogedruk aardgastransportleiding A-517; Hogedruk aardgastransportleiding A-559.

Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter. Het invloedsgebied van LPG is 355 m voor vervoer over de weg en 460 m voor vervoer over het spoor. Voor toxische stoffen is het invloedsgebied maximaal 4.000 m. Het projectgebied ligt circa 100 m ten zuiden van de Rijksweg A15 en komt daarmee binnen het verantwoordingsgebied. Daarom dient een verantwoording van het groepsrisico te worden gegeven. Er is een groepsrisicoberekening benodigd met het programma RBMII. Het projectgebied ligt buiten het verantwoordingsgebied van de Betuweroute. Wel bevindt het projectgebied zich binnen het invloedsgebied van GF3 (o.a. LPG) en toxische stoffen van de spoorlijn, en het invloedsgebied van toxische stoffen van de Rijkswegen A29 en A16. Er dient een beschrijving te worden gegeven van de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’. De aardgastransportleidingen A-517 en A-559 hebben een invloedsgebied van respectievelijk 380 en 430 m. De locatie bevindt zich binnen de invloedsgebieden van deze hogedruk aardgastransportleidingen, waardoor een verantwoording gegeven dient te worden van het groepsrisico. Het groepsrisico dient berekend te worden met het computerprogramma CAROLA. In dit kader heeft KuiperCompagnons een onderzoek uitgevoerd naar het aspect externe veiligheid. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 3.

De belangrijkste conclusies zijn in deze paragraaf beknopt samengevat. De locatie ligt binnen het verantwoordingsgebied van de Rijksweg A15. De hoogte van het groepsrisico van de rijksweg is berekend met RBMII. Uit de berekeningen kan geconcludeerd worden dat het GR in de plansituatie toeneemt van 0,90 keer de oriëntatiewaarde naar 0,92 keer de oriëntatiewaarde. Dit is een toename van 0,02 oftewel 2,2%. De maatgevende kilometer en het maatgevende punt zijn in de huidige situatie en de plansituatie hetzelfde. Er is zowel in de huidige als plansituatie geen overschrijding van de oriëntatiewaarde. Ook bevindt het projectgebied zich binnen de invloedsgebieden van de hogedruk aardgastransportleidingen A-517 en A-559, waardoor een verantwoording gegeven dient te worden van het groepsrisico. In zowel de huidige als de plansituatie wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico voor dit leidingtraject niet overschreden. Er treedt geen verandering van het GR op als gevolg van het bouwplan. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid. Voor de beschouwde risicobronnen gelden verschillende maatgevende ongeval scenario’s. In het geval van een BLEVE of fakkelbrandincident kan gevlucht worden, mits men zich niet binnen de 100% letaliteitscontour bevindt.

Voor de verschillende ongevalsituaties is het mogelijk om de volgende maatregelen te treffen tot de voorbereiding van bestrijding van rampen binnen het plangebied: · in het stedenbouwkundig ontwerp rekening houden met de bereikbaarheid van hulpverleningsdiensten; · effectieve bluswatervoorziening; · E-Alert; · afsluitbare mechanische ventilatiesystemen; · risicocommunicatie naar de bewoners. In het kader van de omgevingsvergunning zal nog advies gevraagd worden van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) met betrekking tot bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

30

4.5.3 Conclusie Voor de risicobron rijksweg A15 is een berekening van het groepsrisico uitgevoerd. Uit de berekeningen blijkt dat zowel in de huidige als de plansituatie geen sprake is van een overschrijving van de oriëntatiewaarde. Ook voor de hogedruk aardgastransportleidingen in de omgeving is geconcludeerd dat in de huidige en plansituatie de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. Daarnaast is in het onderzoek een beschrijving gegeven van de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Hierover zal nog advies worden gevraagd van de VRR. 4.6

Bodemgeschiktheid

4.6.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.

Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Ww) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport.

4.6.2 Onderzoek Uitgangspunt is dat bij ontwikkelingen de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie. In het vigerende bestemmingsplan zijn de gronden waarop de woningen zijn voorzien bestemd als ‘Bedrijf’. Binnen deze bestemming is wonen niet toegestaan. Er kan niet zonder meer gesteld worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie – wonen – waardoor bodemonderzoek benodigd is. In dit kader heeft Arnicon B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding van waargenomen asbestverdachte plaatmaterialen nabij de zuidwesthoek van het terrein is daarbij tegelijk een asbest in bodemonderzoek uitgevoerd. Doel van het onderzoek was inzicht te verkrijgen of en in hoeverre het voormalige dan wel huidige gebruik van de locatie geleid kan hebben tot verontreiniging van de bodem, en vast te stellen of de verdenking van bodemverontreiniging met asbest terecht was. Het Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

31

onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 4, de belangrijkste conclusies en aanbevelingen zijn hieronder samengevat. Resultaten verkennend bodemonderzoek Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat zowel de boven- als de ondergrond licht verontreinigd is met diverse zware metalen, PAK, PCB en minerale olie. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en naftaleen gemeten. Voor het overige zijn in de grond en in het grondwater geen verontreinigingen aangetroffen. Resultaten verkennend asbestonderzoek Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat de waargenomen asbestverdachte plaatmaterialen op het maaiveld niet asbesthoudend zijn. In de mengmonsters AMM1 (conform BRL 2018) en AMM2 (indicatief) is geen asbest aangetoond. Wat betreft de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten is gesteld dat deze representatief worden geacht voor de bodemkwaliteit van de locatie. Conclusies Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "onverdacht" voor bodemverontreiniging boven de in de bodemkwaliteitskaart vastgestelde kwaliteit (wonen / achtergrondwaarde) dient te worden verworpen. Zowel boven- als ondergrond blijkt te voldoen aan klasse industrie. De gemeten licht verhoogde gehalten geven geen aanleiding tot het verrichten van een nader onderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen.

De locatie wordt op basis van de onderzoeksresultaten geschikt geacht voor de huidige bedrijfsbestemming en eventuele toekomstige woonbestemming. Daarnaast wordt op basis van de resultaten van het asbestonderzoek geconcludeerd dat de locatie kan worden beschouwd als niet-asbestverdacht. Aanbevelingen Eventuele afvoer van grond dient plaats te vinden conform de regelgeving in het Besluit bodemkwaliteit. Aanbevolen wordt om eventueel vrijkomende grond op de locatie te hergebruiken. Voor hergebruik als bodem binnen de locatie is het Besluit bodemkwaliteit niet van toepassing. Aan hergebruik van licht verontreinigde grond zijn beperkingen verbonden. Dit geldt met name voor hergebruik buiten de onderzoekslocatie in een hoeveelheid groter dan 50 m3. Wanneer bij de bouw- en/of herinrichting meer dan 50 m3 grond vrijkomt en buiten de locatie wordt hergebruikt, dient in principe te worden gehandeld conform het Besluit bodemkwaliteit. De gemeente waar de grond wordt toegepast is hierbij het bevoegd gezag.

4.6.3 Conclusie Op basis van het verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde woonfunctie. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot nader onderzoek of saneringsmaatregelen. Daarnaast blijkt uit verkennend asbestonderzoek dat de locatie als nietasbestverdacht kan worden beschouwd. Het aspect bodem vormt zodoende geen belemmering voor de ontwikkeling. 4.7

Flora en fauna

4.7.1 Kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

32

van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een ruimtelijk plan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl.

Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ü er geen andere bevredigende oplossing is, en ü geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ü sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: · de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of · de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ü er geen andere bevredigende oplossing is, en ü indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

33

worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Wet stikstofreductie en natuurverbetering De Wnb bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Indien ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen de Natura 2000-gebieden geen stikstofdepositie wordt berekend, kunnen negatieve gevolgen in die gebieden worden uitgesloten.

De Wet stikstofreductie en natuurverbetering is op 1 juli 2021 in werking getreden. Via het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering, waarin de stikstofwet verder is uitgewerkt, geldt per 1 juli een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten omdat de emissies tijdelijk en beperkt zijn. De aanlegfase hoeft niet langer te worden berekend. Een berekening voor de gebruiksfase blijft wel nodig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.

4.7.2 Onderzoek Soortenbescherming De kans bestaat dat in het projectgebied beschermde plant- en/of diersoorten voorkomen. De ontwikkeling voorziet in de sloop van bestaande bebouwing en mogelijk het verwijderen van enkele groenelementen op het perceel, ten behoeve van de bouw van nieuwe woningen. Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming is hierom benodigd. In dit kader heeft Ecofect B.V. in 2022 een quickscan ecologie uitgevoerd. Hierin is onderzocht of de beoogde werkzaamheden mogelijk conflicteren met de Wnb, door een inschatting te maken of beschermde soorten voorkomen en gebruik maken van het projectgebied. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 5, de bevindingen hieruit zijn in deze paragraaf samengevat. Flora Het perceel is nauwkeurig onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde soorten aangetroffen. Ook de geraadpleegde databanken geven geen aanwijzingen naar beschermde soorten op de projectlocatie. Vogels Ten aanzien van vogels zijn er geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen, en worden er geen nadere onderzoeken geadviseerd. Er is geen sprake van overtreding van de Wnb.

Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

34

Vleermuizen Op basis van de bevindingen uit de quickscan wordt nader onderzoek naar vleermuizen niet noodzakelijk geacht. Er is geen sprake van overtreding van de Wnb. Zoogdieren In het projectgebied zijn geen beschermde zoogdieren aangetroffen, en de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om beschermde soorten in het projectgebied te verwachten. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van overtreding van de Wnb wat betreft zoogdieren. Overige soorten Het projectgebied ligt buiten het bereik van beschermde reptielen en amfibieën. Ook zijn in het plangebied geen beschermde vissen te verwachten. Ook het voorkomen van vlinders, libellen en andere ongewervelden kan op basis van het onderzoek redelijkerwijs worden uitgesloten. Houtopstanden In het projectgebied worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Wnb. Overtreding op dit onderdeel van de Wnb is dan ook niet aan de orde. Gebiedsbescherming De ontwikkellocatie ligt niet op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daardoor gaat er geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren, en is toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent NNN niet benodigd. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd natuurgebied, zoals Natura 2000-gebied, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur.

Stikstofdepositie In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden aanwezig. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is ‘Oude Maas’ (circa 3 km afstand). Omdat binnen dit natuurgebied geen stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn, is dit natuurgebied niet van belang. De meest nabijgelegen stikstofgevoelige natuurgebieden zijn de Biesbosch (circa 15 km afstand), Krammer-Volkerak (circa 20 km afstand) en Solleveld & Kapittelduinen (circa 27 km afstand). Naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling heeft KuiperCompagnons een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De bijbehorende notitie is opgenomen in bijlage 6. In dit onderzoek is beoordeeld of de gebruiksfase en de aanlegfase van de nieuwe woningen een toename veroorzaakt van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg het plan Hof van Barendrecht. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van de Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten en dat het aspect stikstofdepositie uit de Wnb niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkeling.

4.7.3 Conclusie Op basis van de uitgevoerde quickscan ecologie is geconcludeerd dat de beoogde ontwikkelingen niet leiden tot overtreding van Wnb wat betreft beschermde flora en fauna. Daarnaast maakt het projectgebied geen deel uit van een beschermd natuurgebied. Wat betreft stikstof is gebleken dat significant negatieve effecten op de instandhouding van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. 4.8

Overige belemmeringen Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het projectgebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming, zoals straalpaden, Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

35

planologisch relevante kabels beschermingszones en dergelijke.

en

leidingen

(zoals

waterleidingen

of

rioleringsleidingen),

Ten noorden van het projectgebied zijn enkele gasleidingen aanwezig. Deze bevinden zich buiten het projectgebied. In het vigerende bestemmingsplan is voor twee gasleidingen een beschermende dubbelbestemming opgenomen. Deze liggen ten noorden van de Henry Dunantlaan en reiken niet tot in of nabij het projectgebied. Daarnaast heeft leidingbeheerder Stedin in een eerder stadium per brief aangegeven dat de dichtstbijzijnde hogedruk gasleiding nabij de kruising Dierensteinweg / 1e Barendrechtseweg ligt, ruim buiten het projectgebied. Voor het overige zijn er in de directe nabijheid van het projectgebied geen relevante kabels, leidingen of andere belemmeringen aanwezig.

Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

36

5

Water

5.1

Kader Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 20162021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit is Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden.

Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouder van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal beleid Regionaal Waterplan 2016-2021 Op 29 juni 2016 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 in werking getreden. In het Regionaal Waterplan wordt verwezen naar de Visie Ruimte en Mobiliteit, vastgesteld op 7 juli 2014. Provinciale staten van Zuid-Holland hebben echter op 20 februari 2019 nieuw beleid vastgesteld, namelijk het Omgevingsbeleid. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

37

leefomgeving samengevoegd in een omgevingsvisie en een omgevingsverordening. Verder wordt in het Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021 verwezen naar de Voortgangsnota KRW en het Provinciaal Waterplan 2010 2015. Omgevingsvisie en omgevingsverordening Het waterbeleid komt op diverse plekken voor in de omgevingsvisie en omgevingsverordening ZuidHolland. In de omgevingsverordening zijn voor bestemmingsplannen in hoofdstuk 6 instructieregels opgenomen. Hier komen onder andere de Keur, legger en peilbesluit aan bod. Beleid waterbeheerder Waterschap Hollandse Delta – Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma (WBP) van Waterschap Hollandse Delta zijn de doelen beschreven die het waterschap tijdens de planperiode 2022-2027 wilt bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem, waterketen en wegen. De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid uit de ambities voor de langere termijn (2050). Deze ambities worden, nog meer dan voorheen, beïnvloed door de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd, waar het waterschap voor staat. Het omgaan met de gevolgen van een veranderend klimaat én het tegengaan van verdere klimaatverandering springen hierbij het meest in het oog.

Behalve de ambities voor de lange termijn en de doelen die het waterschap in 2027 bereikt wil hebben, gaat het Waterbeheerprogramma ook in op de strategie om te komen tot realisatie van deze doelen. De doelen voor 2027 en de strategie vormen de basis voor de concreet uit te voeren maatregelen. De maatregelen zelf maken geen deel uit van dit Waterbeheerprogramma, maar worden elk jaar opnieuw in het kader van de reguliere planning- en controlcyclus bepaald. Keur waterschap Hollandse Delta Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Waterschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het Waterschap. In de Legger van oppervlaktewaterlichamen en kunstwerken voor waterschap Hollandse Delta zijn de watergangen opgenomen, waarop de Keur van toepassing is. 5.2

Watertoets Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Bestaand watersysteem In het projectgebied en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig. Zoals te zien op de Legger van het waterschap in afbeelding 5.1, bevinden zich in de wijdere omgeving wel verschillende oppervlaktewaterlichamen. Zo loopt er een hoofdwatergang ten noorden van de Henry Dunantlaan, en ten oosten van de 1e Barendrechtseweg. Ook is ten zuidwesten van het projectgebied een omvangrijke waterpartij aanwezig, die eveneens is aangeduid als hoofdwatergang.

Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

38

Afbeelding 5.1: Uitsnede Legger oppervlaktewaterlichamen en kunstwerken (bron: waterschap Hollandse Delta).

Bodem en grondwater Ten behoeve van de voorliggende ontwikkelingen zal het (grond)waterpeil niet worden aangepast. Eventuele bodemdaling in de omgeving zal niet door het plan worden beïnvloed. Waterveiligheid en waterkeringen In het projectgebied is geen regionale of primaire waterkering aanwezig. Ook ligt het projectgebied niet binnen de beschermingszone van een waterkering. Waterkwantiteit In het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Met de ontwikkeling gaat dan ook geen oppervlaktewater verloren. De gronden van het projectgebied zijn in de bestaande situatie voor een deel verhard, met de bebouwing aan de noordoostkant, centrale weg en overige terreinverhardingen. In de toekomstige situatie wordt de bestaande bebouwing gesloopt en een deel van de terreinverharding verwijderd. Daarvoor in de plaats komen nieuwe verhardingen in de vorm van woningen, een toegangsweg en parkeerplaatsen. Tabel 5.1 toont een overzicht van de bestaande en toekomstige verharde oppervlakten in het projectgebied. De huidige bebouwing en terreinverhardingen beslaan gezamenlijk een oppervlak van circa 2.045 m2. In de toekomstige situatie vormen de nieuwe woningen een verharding van 1.123 m2, en kent de toegangsweg een oppervlak van circa 462 m2. De nieuwe parkeerplaatsen bij de benedenbovenwoningen beslaan een oppervlak van 507 m2.

Omdat deze worden uitgevoerd in halfverharding is dit in de berekening in tabel 5.1 voor 50% meegeteld. Tot slot vormen de parkeerplaatsen bij de grondgebonden woningen een oppervlak van 212 m2. In totaal, resulteert dit in een verharding van 2.051 m2. Dit betekent een toename van het verhard oppervlak met circa 6 m2 als gevolg van de ontwikkeling. Conform de beleidsregels van het waterschap Hollandse Delta dient vanaf een toename aan verharding van 500 m2 in stedelijk gebied compenserende waterberging gerealiseerd te worden. Daarbij hanteert het

Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

39

waterschap de vuistregel dat de compensatie een oppervlakte van 10% van de toename in verharding beslaat. De berekende toename van met 6 m2 betekent dat watercompensatie niet benodigd is. De voorkeursvolgorde voor het realiseren van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatie) betreft: nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename, nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied, nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. Type verharding Projectgebied Huidige bebouwing Huidige terreinverharding Nieuwe bebouwing Nieuwe toegangsweg Nieuwe parkeervakken noordzijde Waarvan verhard (halfverharding, 50%) Nieuwe parkeervakken zuidzijde Totaal verharding Ontwikkeling verharding

Bestaande situatie Toekomstige situatie 3.983 m2 3.983 m2 401 m2 1.644 m2 2.045 m2

1.123 m2 462 m2 507 m2 254 m2 212 m2 2.051 m2 + 6 m2

Tabel 5.1: Verhard oppervlak in het projectgebied in de huidige en toekomstige situatie.

Waterafvoer en riolering Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon hemelwater op verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkeling diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. In het projectgebied wordt afvalwater afgevoerd via het gemeentelijk riool (droogweerafvoer – DWA). Hemelwater dat op daken, parkeerverharding en opritten valt wordt afgekoppeld van het DWA-stelsel via het HWA-stelsel ingezameld en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Hemelwater dat op wegen valt, dient via bodempassages te worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Waterkwaliteit In het projectgebied zijn geen KRW-waterlichamen aanwezig. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild.

In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Ook worden hierdoor de risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen geminimaliseerd.

Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

40

Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente, tot aan het eindgemaal, dat in beheer is van het waterschap Hollandse Delta. Het waterschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met de afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud.

Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

41

6

Archeologie en cultuurhistorie

6.1

Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. Het gaat daarbij om de volgende zaken: - Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; - Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; - Bescherming van stads- en dorpsgezichten.

6.2

Archeologie In het vigerende bestemmingsplan is aan het hele projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 3’ toegekend. Hierbinnen geldt een regeling met een vergunningplicht voor het bouwen en het uitvoeren van werken en werkzaamheden (inclusief heien) die dieper reiken dan 80 cm beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 m2. Voor werkzaamheden boven deze vrijstellingsgrens is archeologisch onderzoek benodigd waarin de archeologische waarde van het terrein dat zal worden verstoord in voldoende mate wordt vastgesteld. In het kader van de beoogde ontwikkeling is het bouwplan ter beoordeling voorgelegd aan de afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR). Aan de hand van een beoordeling heeft BOOR een advies opgesteld. Het advies is hieronder samengevat, de adviesbrief is opgenomen in bijlage 7. Op basis van een beoordeling van het bouwplan ziet de afdeling Archeologie geen reden tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) in het projectgebied. BOOR adviseert de gemeente Barendrecht dan ook om af te zien van een dergelijk onderzoek. De locatie kan voor de voorgenomen ontwikkeling worden vrijgegeven zonder archeologische bemoeienis. Wel wordt benadrukt dat er altijd rekening dient te worden gehouden met zogenaamde toevalsvondsten. Hiervan dient men op basis van de Erfgoedwet 2016 (art.

5.10) het bevoegd gezag, de gemeente Barendrecht, te informeren.

6.3

Cultuurhistorie Uit de cultuurhistorische waardenkaart, ook wel Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS), van de provincie Zuid-Holland blijkt dat aan het projectgebied en de directe omgeving geen cultuurhistorische waarden zijn toegekend. Zoals te zien in afbeelding 6.1 bevindt zich alleen ten westen van het projectgebied een historisch landschappelijke lijn met redelijk hoge waarde (trambaan). Deze landschappelijke lijn ligt echter op geruime afstand en door bebouwing afgescheiden van het projectgebied, en wordt met de voorgenomen ontwikkeling dan ook niet aangetast.

Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

42

Afbeelding 6.1: Uitsnede cultuurhistorische kaart provincie Zuid-Holland.

6.4

Conclusie Wat betreft archeologie heeft BOOR geadviseerd om naar aanleiding van het bouwplan af te zien van archeologisch vooronderzoek, en geconcludeerd dat de locatie voor de voorgenomen ontwikkeling kan worden vrijgegeven zonder archeologische bemoeienis. Daarnaast zijn er geen cultuurhistorische waarden in het plangebied of de omgeving die door de voorgenomen ontwikkeling worden aangetast.

Hof van Barendrecht - Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) Gemeente Barendrecht 624.102.50 / 15 mei 2024

43

7

Mobiliteit

7.1

Verkeer In de bestaande (planologische) situatie is sprake van een bedrijfsfunctie, in de vorm van een voormalig hoveniersbedrijf. In de toekomstige situatie is voorzien in 27 nieuwe woningen. De nieuwe woningen worden via een centrale toegangsweg ontsloten op de Van Hulststraat. Om inzicht te verkrijgen in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling, kan gebruik worden gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstig parkeren’. De mate van stedelijkheid en ligging van het projectgebied zijn bepalend voor de hoogte van de verkeersgeneratie (en parkeernormen). Het CBS schaalt Barendrecht in als ‘sterk stedelijke’ gemeente. Voor de omgeving van het projectgebied wordt het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ uit de CROW-richtlijnen gehanteerd. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag. De kencijfers in de CROW-publicatie geven een minimaal en een maximaal getal weer. Bij de berekeningen wordt uitgegaan van een gemiddelde van deze twee cijfers. Voor woningen is in de CROW-publicatie onderscheid gemaakt naar eigendom (koop, huur), naar type woning (vrijstaand, twee-onder-één kap, tussenwoning en appartementen) en prijs. Er worden 27 nieuwe woningen gerealiseerd, bestaande uit 20 beneden-bovenwoningen, 6 twee-onder-een-kapwoningen en 1 vrijstaande woning.

Met behulp van de woningcategorieën uit de CROW-publicatie is de verkeersgeneratie van de nieuwe woningen berekend in tabel 7.1. Hieruit volgt een totale verkeersgeneratie van 153 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voorheen was op het perceel een hoveniersbedrijf gevestigd. De precieze verkeersgeneratie hiervan is niet bekend. Deze functie komt het meest overeen met de werkfunctie 'bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief' in de CROW-publicatie (bijvoorbeeld loods, opslag of transportbedrijf). Hiervoor geldt in dit omgevingstype een verkeersgeneratie van 3,6-5,3 (gemiddeld 4,45) motorvoertuigbewegingen per 100 m2 bvo per etmaal. De bestaande bebouwing op het perceel kent een oppervlak van circa 380 m2. Hoewel planologisch gezien twee bouwlagen mogelijk zijn (maximum goothoogte 7 m), is hier uitgegaan van de bestaande bebouwing met één bouwlaag. Zoals te zien in tabel 7.1, resulteert dit in circa 16,91 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Functie Bestaande situatie Voormalig hoveniersbedrijf ('bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief') Totaal (bestaand) Toekomstige situatie Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, appartement, goedkoop Totaal (toekomstig) Totaal (ontwikkeling)

Aantallen m2 380 m2 bvo

/

Norm (gemiddelde) 4,45 / 100 m2 bvo

Verkeersgeneratie

16,91 16,91

1 6 20

8,2 / woning 7,8 / woning 4,9 / woning

8,2 46,8 98 153 + 136,09

Tabel 7.1: Berekening verkeersgeneratie huidige en toekomstige situatie.

Uit tabel 7.1 blijkt dat met inbegrip van de geschatte verkeersgeneratie van de bestaande (planologische) invulling van het perceel, de beoogde ontwikkeling zorgt voor een toename van circa 136 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De toekomstige verkeersbewegingen van en naar het projectgebied worden afgewikkeld via de Van Hulststraat. Deze sluit via de Van der Meulenstraat op korte

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14188920/1