CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Memorie van toelichting Wet op de Veiligheidsregios.pdf

gemeenteraad 18 januari 2022, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Noodopvang Asielzoekers47.565 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

De in dit artikel opgenomen grondslag voor een amvb komt na vijf jaar te vervallen (zie artikel 61). Artikel 22 Er geldt geen vaste rapportageplicht voor de veiligheidsregio’s ten aanzien van de uitvoering van hun taken. Er wordt volstaan met de mogelijkheid dat de minister de voorzitters van veiligheidsregio’s informatie vraagt als hij daaraan behoefte heeft (eerste lid). Aldus blijven overbodige rapportages achterwege en worden administratieve lasten beperkt. Indien de minister van BZK landelijke doelstellingen heeft vastgesteld zullen de veiligheidsregio’s wel jaarlijks moeten rapporteren over de wijze waarop zij deze doelstellingen realiseren (tweede lid). Ten aanzien van de rapportage, bedoeld in het tweede lid, kan de minister regels stellen. Dat maakt het mogelijk om een wijze van rapporteren voor te schrijven waardoor de

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

67

gegevens van de regio’s met elkaar vergeleken kunnen worden. Voorts kunnen de administratieve lasten worden beperkt omdat wordt voorkomen dat onnodige informatie wordt verstrekt of aanvullende informatie moet worden gevraagd. Indien uit de in het tweede lid bedoelde rapportage blijkt dat de regio in gebreke blijft bij de uitvoering van de landelijke doelstellingen, kan de minister de veiligheidsregio op grond van artikel 55 een aanwijzing geven. Artikel 23

Eerste lid De in het eerste lid omschreven taken houden geen wijziging in ten opzichte van de huidige taken van de brandweer. Onderdeel c Er is van afgezien het sirenenet expliciet te vermelden als middel om de bevolking te waarschuwen. Omdat de technische ontwikkelingen op dit punt volop gaande zijn – denk aan het systeem van cell broadcoasting waarvan wordt onderzocht of dat het sirenestelsel kan vervangen dan wel aanvullen – is niet langer een specifieke technische alarmeringsvoorziening genoemd. Dat betekent echter niet dat het gebruik van het sirenenet niet langer is toegestaan. Onderdeel d Het verkennen van gevaarlijke stoffen is het maken van een inschatting van de hoeveelheid vrijgekomen gevaarlijke stof en het zo mogelijk uitvoeren van metingen en voorts het interpreteren van ongevals- en meetgegevens om de ernst, omvang en gevolgen voor het getroffen gebied vast te stellen. Het verrichten van ontsmetting is het organiseren en waar nodig verwijderen van oppervlakkige besmetting met gevaarlijke stoffen bij mensen, dieren, goederen en infrastructuur ten einde eventuele gezondheidsschade te beperken en verdere verspreiding van de besmetting naar de omgeving te voorkomen. Artikel 23a Voor de uitvoering van de brandweerzorg is een brandweer nodig.

Krachtens artikel 8 dragen colleges van burgemeester en wethouders de brandweerzorg, en de plicht tot het instellen en in stand houden van een brandweer, over aan het bestuur van de veiligheidsregio. Deze regionale brandweer zorgt, naast tal van andere zaken, ook voor het voorkomen, beperken en bestrijden van brand en voor het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand. Tot een volledig geregionaliseerde brandweer verplicht dit wetsvoorstel niet. Het wordt individuele colleges van burgemeester en wethouders toegestaan hun gemeentelijke brandweer te houden, voor enkele met name genoemde taken. Voor alle andere taken zorgt de regionale brandweer, die immers in alle gevallen wordt ingesteld. Wanneer een gemeente besluit tot het hebben van een eigen brandweer voert deze in plaats van de regionale brandweer de in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a en b, genoemde taken uit. Het tweede lid ziet op de situatie dat in een regio alle gemeenten voor een gemeentelijke brandweer kiezen. Dat maakt de verplichting voor de regionale brandweer de hiervoor bedoelde taken uit te voeren, tot een loze verplichting; deze wordt in die situatie dan ook buiten toepassing verklaard.

Mocht na een aanvankelijke keuze voor gemeentelijke brandweer toch het moment aanbreken dat het college besluit tot volledige regionalisering van het eigen korps en daartoe de gemeentelijke brandweer opheft, dan

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

68

moet dat uiteraard mogelijk zijn. Het derde lid voorziet daarin, en bepaalt dat de regionale brandweer dan voortaan ook in de desbetreffende gemeente de eerder genoemde taken uitvoert. De afwijking van 23, eerste lid, zoals opgenomen in eerste lid van artikel 23a, is daarmee niet langer aan de orde. Het vierde lid bepaalt dat over de gevolgen van besluiten om een gemeentelijke brandweer te houden respectievelijk deze op te heffen, afspraken moeten worden gemaakt. Uit de formulering blijkt dat de regio in de besluiten als zodanig geen rol speelt: de regio heeft deze te accepteren. De voorwaarden (met inbegrip van de financiële) waaronder een en ander geschiedt, worden uiteraard in belangrijke mate bepaald door de regio. Artikel 23b Het kan gewenst zijn dat bepaalde – bijvoorbeeld zeer specialistische – functies in de regio, en voor de gehele regio, beschikbaar zijn. Het zou dan niet efficiënter zijn indien een gemeentelijke brandweer (ook) dat specialisme in huis heeft. Daarom wordt het bestuur bevoegd gemaakt om bepaalde functies bij uitsluiting te laten vervullen door personeel dat in dienst is van de regio. Zouden besturen nalaten dergelijke functies aan te wijzen, terwijl het naar het oordeel van de minister van BZK noodzakelijk zou zijn zulks te doen, dan kan deze een voordracht doen voor een algemene maatregel van bestuur waarin functies worden aangewezen.

Artikel 23c Het is denkbaar dat een gemeentelijke brandweer niet alle branden aankan. In dit artikel wordt geregeld hoe de burgemeester in dat geval aan extra inzet komt: dit loopt via de voorzitter, die zal proberen hetzij door middel van de regionale brandweer de ondersteuning te leveren, hetzij door zijn bestuurlijke contacten van elders bijstand te regelen. Artikel 23d De gemeentelijke brandweer moet aan alle eisen voldoen waar de regionale brandweer aan moet voldoen: brandweer is brandweer. Zou de gemeentelijke brandweer tekort schieten, dan volgt een aanwijzing van de minister aan het college van burgemeester en wethouders, teneinde de tekortkomingen zo spoedig mogelijk te herstellen. Het derde lid bepaalt dat wanneer een gemeente blijvend tekort schiet, de minister kan ingrijpen, en de gemeente kan dwingen de gemeentelijke brandweer op te heffen. De taken van de gemeentelijke brandweer komen dan terecht bij de regionale brandweer. Naar verwachting zal dan ook het personeel overgaan naar de regionale brandweer. De regio moet aan de gewijzigde situatie meewerken, maar bepaalt vanzelfsprekend in belangrijke mate de voorwaarden (met inbegrip van de financiële) waaronder een en ander geschiedt. De afspraken hieromtrent moeten schriftelijk worden vastgelegd. Artikel 24 Dit artikel komt overeen met artikel 17 van de Brandweerwet 1985.

Eerste lid Brandweer- en reddingsmaterieel dat in Nederland wordt gemaakt, ingevoerd of gebruikt dient te voldoen aan bepaalde eisen. Deze eisen hangen samen met het gebruik door het publiek, met name bij draagbare blustoestellen, en het gebruik door hulpverleningsdiensten. Op grond van dit artikel kunnen bij algemene maatregel van bestuur eisen worden gesteld

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

69

aan de veiligheid en deugdelijkheid. Ook kunnen eisen worden gesteld die harmonisatie en onderlinge uitwisseling van dergelijke materieel mogelijk maken binnen en buiten Nederland. Het Besluit draagbare blustoestellen 1997, waarvoor artikel 17, eerste lid, Brandweerwet 1985 de basis vormt, zal worden gebaseerd op artikel 24, eerste lid.

Tweede lid De in dit lid bedoelde kostenvergoeding wordt onder andere in rekening gebracht bij de keuring van draagbare blustoestellen voor de Nederlandse markt. Artikel 25 Dit artikel komt overeen met artikel 13 van de Brandweerwet 1985, met dien verstande dat de bevoegdheid om bedrijven te verplichten een bedrijfsbrandweer te hebben van het college van burgemeester en wethouders verschuift naar het bestuur van de veiligheidsregio. Op grond van het eerste lid kan een inrichting die in geval van brand of ongeval bijzonder gevaar kan opleveren voor de openbare veiligheid, worden aangewezen als bedrijfsbrandweerplichtig. Ingevolge het vierde lid wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald welke inrichtingen kunnen worden aangewezen, welke eisen inzake personeel en materieel kunnen worden gesteld en worden nadere regels gegeven betreffende de totstandkoming van een aanwijzing. Deze regels zijn vastgelegd in het Besluit bedrijfsbrandweren. De achtergrond van de bevoegdheid om bedrijven te verplichten een bedrijfsbrandweer in het leven te roepen, is gelegen in het feit dat er grenzen zijn aan hetgeen van de overheid op het vlak van de repressieve brandweerzorg mag worden verwacht. In het geval van zeer bijzondere risico’s moet degene die de risico’s in het leven roept een bijdrage leveren aan de beheersing en bestrijding daarvan.

Het betreft in de regel Brzo-bedrijven die aangewezen worden als bedrijfsbrandweerplichtig. In de procedure om tot aanwijzing te komen wordt aan de hand van een bedrijfsbrandweerrapportage van het bedrijf (of het veiligheidsrapport Brzo) beoordeeld wat geloofwaardige scenario’s zijn voor incidenten op het bedrijfsterrein. Op basis hiervan wordt een maatgevend scenario opgesteld dat bepaalt of er een bedrijfsbrandweer nodig is en zo ja, wat de kwaliteit en omvang moet zijn. In artikel 25 wordt de bevoegdheid om bedrijven te verplichten een bedrijfsbrandweer te hebben aan het bestuur van de veiligheidsregio toegekend omdat de veiligheidsregio verantwoordelijk is voor de kwaliteit en capaciteit van de brandweerzorg. De veiligheidsregio beschikt voorts over de specialistische kennis en de deskundigheid ten aanzien van risicovolle bedrijven. Op grond van deze overwegingen kan de veiligheidsregio het best beoordelen of aanwijzing nodig is. De bedrijfsbrandweer maakt deel uit van de repressieve brandweerzorg en moet in staat zijn «de eerste klap» op te vangen. De hoorplicht die in artikel 13, eerste lid, van de Brandweerwet 1985 is opgenomen, komt niet terug in het eerste lid van artikel 25, maar is daarmee niet vervallen. In het Besluit bedrijfsbrandweren is namelijk de procedure geregeld die voorafgaat aan het besluit tot aanwijzing.

Gelet op het karakter van de aanwijzing, wordt daarin niet volstaan met de uit de Awb voortvloeiende plicht de bestuurder of het hoofd van de inrichting in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen, maar dient deze te worden gehoord. Doordat het Besluit bedrijfsbrandweren blijft bestaan (gebaseerd op het vierde lid van artikel 25), blijft dus ook de hoorplicht bestaan.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

70

Vierde lid In het Besluit bedrijfsbrandweren dat gebaseerd zal worden op dit vierde lid is sprake van een koppeling met de Wet milieubeheer. In het besluit worden de procedure en de reikwijdte van aanwijzingen geregeld. In de procedure wordt de afweging gemaakt tussen wat het bedrijf of inrichting preventief heeft geregeld aan veiligheidsvoorzieningen en wat repressief is geregeld (wat te doen als het mis gaat). De preventieve maatregelen worden door het vergunningverlenende bestuursorgaan ingevolge de Wet milieubeheer opgelegd in de milieuvergunning. Dit vergunningverlenende bestuursorgaan kan het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten of een minister zijn. Artikel 26

Eerste lid De begrippen coördinatie en aansturing richten zich vooral op het proces van uitvoering, terwijl regie meer betrekking heeft op de voorbereiding. Coördinatie is het laten samenwerken van de diverse zorgaanbieders met de onderscheiden diensten. Sturing is waar nodig het maken van keuzes in de fase van uitvoering. Regie is het bewaken van de mate van voorbereiding van de zorginstellingen, het eventueel doen van verbetervoorstellen en de planvorming. Ten tijde van een ramp of crisis geeft de directeur GHOR sturing (operationeel leiding) aan de geneeskundige hulpverlening. Advisering duidt op situaties waarin de GHOR bijvoorbeeld wordt betrokken bij de besluitvorming over het al of niet afgeven van vergunningen voor grote evenementen. De directeur GHOR kan daarbij adviseren over de condities waaronder het evenement kan plaatsvinden om het risico op ongevallen zo klein mogelijk te maken of het effect zo veel mogelijk te beperken. Tweede lid De functiebenaming «regionaal geneeskundig functionaris» die in artikel 4 van de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen (Wet ghor) wordt gebruikt, wordt vervangen door: directeur GHOR. Hij wordt, evenals de commandant van de regionale brandweer, benoemd door het bestuur van de veiligheidsregio.

De directeur GHOR maakt deel uit van de directie(s) van de in de regio gelegen GGD-organisatie(s) om zowel in de voorbereidende als in de uitvoerende fase de afstemming zo optimaal mogelijk te doen zijn. Tot het moment waarop alle GGD-regio’s territoriaal congruent zullen zijn met de veiligheidsregio’s kan dit wat praktische problemen oproepen. Dit probleem doet zich echter slechts een beperkte periode voor. Artikel 27

Eerste lid Het eerste lid komt in belangrijke mate overeen met artikel 7 van de Wet ghor. Nieuw is dat ook de zorgaanbieders in de zin van de Wet beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), zoals huisartsen, een taak wordt toegekend. In het Uitvoeringsbesluit WTZi wordt nader bepaald welke instellingen onder het begrip zorginstelling vallen. In ieder geval is er een taak binnen de geneeskundige hulpverlening toebedeeld aan de organisatie die het ambulancevervoer regelt (indien de Wet ambulancezorg in werking treedt: de Regionale Ambulancevoorziening RAV), de traumacentra en ziekenhuizen. Ook zij moeten een aandeel leveren in de geneeskundige hulpverlening. Niet uit te sluiten is dat in de toekomst meer zorginstellingen en zorgaanbieders op grond van de zorgregelgeving een taak krijgen bij de geneeskundige hulpverlening.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

71

Tweede lid Het is de taak van de directeur GHOR om de zorginstellingen en de zorgaanbieders te betrekken bij de geneeskundige hulpverlening, als bedoeld in deze wet. Daartoe maakt de directeur onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de veiligheidsregio’s afspraken met de zorginstellingen en relevante zorgaanbieders in de eigen regio. Tevens coördineert de directeur GHOR de voorbereidende activiteiten van de zorginstellingen en zorgaanbieders op de rampenbestrijding en stemt deze af met de andere hulpverleningsdiensten. Dit artikel haakt in op hetgeen de zorginstellingen al verplicht zijn op grond van de Wet toelating zorginstellingen en de beoogde Wet ambulancezorg. Belangrijke aspecten in de voorbereiding op de taak zijn het houden van oefeningen, planvorming en het adequaat opleiden van personeel.

Derde lid Deze bepaling dient ertoe dat het bestuur van de veiligheidsregio haar verantwoordelijkheid waar kan maken om te komen tot een verantwoord afsprakenstelsel. Daartoe is inzicht nodig in de voorbereidingsinspanning van zorginstellingen. Op basis van de informatie, die bij ziekenhuizen blijkt uit het jaardocument maatschappelijke verantwoording en het ziekenhuisopvangplan of bij de regionale ambulancevoorzieningen uit het regionaal ambulancebijstandsplan, kan het bestuur vaststellen tot welk niveau geneeskundige hulpverlening in een regio geboden kan worden. Vierde lid Het vierde lid is een samenvoeging van hetgeen werd bepaald in de artikelen 8 en 9 van de Wet ghor. Aspecten van een doelmatige geneeskundige hulpverlening, waar de te stellen eisen betrekking op hebben, en verantwoorde zorg, hebben vele raakvlakken. Op basis van dit artikel zal derhalve in goed overleg met de minister van VWS een afgewogen eisenpakket tot stand worden gebracht. Met betrekking tot het eisenpakket moet worden gedacht aan de elementen waaruit een afsprakenstelsel met gezondheidsinstellingen moet bestaan en normelementen met betrekking tot ziekenhuisrampenopvangplannen. Artikel 28 Het is mogelijk dat het bestuur van de veiligheidsregio constateert dat er geen goede afspraken kunnen worden gemaakt, of dat onvoldoende invulling wordt gegeven aan het uitvoeren daarvan.

Het bestuur zal dan eerst in overleg treden met het bestuur van de zorginstelling of zorgaanbieder om uiting te geven aan zijn zorgen en proberen om aan de ongewenste situatie een einde te maken. Als dat overleg naar de mening van het bestuur niet tot het gewenste resultaat leidt, kan de voorzitter zich rechtstreeks tot de zorginstelling of zorgaanbieder wenden en een schriftelijke aanwijzing geven; het tweede lid van dit artikel geeft hem daartoe de mogelijkheid. De vergunninghouders voor ambulancevervoer worden hier niet genoemd omdat daar gelet op het bepaalde in artikel 29 inzake de meldkamer in samenhang met de Wet Ambulancevervoer een eigen regiem voor geldt. Indien de voorzitter na een redelijke termijn geen verbeteringen constateert kan hij zich wenden tot de minister van VWS om passende maatregelen te nemen. De minister van VWS kan daartoe de Inspectie voor de gezondheidszorg, onderdeel van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, inschakelen. De inspectie heeft eigen bevoegdheden. De minister kan ook gebruik maken van zijn bevoegdheden krachtens artikel 7, eerste lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

72

Artikel 29 De meldkamer is een publieke verantwoordelijkheid. De publieke borging vindt plaats door de beheersverantwoordelijkheid voor de meldkamer te leggen bij het bestuur van de veiligheidsregio. Het bestuur benoemt onder andere de directeur van de meldkamer en bepaalt de gemeenschappelijke locatie en infrastructuur. Het bestuur van de veiligheidsregio geeft in de preparatieve fase aan hoe de meldkamer zich dient voor te bereiden op ramp- of crisissituaties. Bij opschaling in geval van een ramp of crisis komt de meldkamer rechtstreeks onder aansturing van de voorzitter van de veiligheidsregio te staan. De directeur meldkamer is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het personeel en voor de inrichting van de werkprocessen van de meldkamer. Vanuit elke sectorale verantwoordelijkheid (politie, brandweer, geneeskundige hulpverlening en ambulancezorg) kunnen eisen worden gesteld aan de kwaliteit van het personeel en aan de monodisciplinaire processen van die sectoren.

Eerste lid In aansluiting op de taak van het bestuur om te voorzien in de meldkamerfunctie (artikel 9, onderdeel g) is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat het om een publiekrechtelijk ingestelde meldkamer moet gaan. De meldkamer moet namelijk zijn ingesteld door het bestuur van de veiligheidsregio, of in het geval de veiligheidsregio niet zelf een meldkamer heeft ingesteld, door het bestuur van een andere veiligheidsregio. Dit wordt bedoeld met de beschikking hebben over een meldkamer. De zorg voor de instandhouding voor de meldkamer ambulancezorg, als onderdeel van de gemeenschappelijke meldkamer, is op grond van artikel 3 Wet ambulancezorg opgedragen aan een regionale ambulancevoorziening (RAV), die daarvoor een vergunning heeft verkregen door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De Wet ambulancezorg beoogt een hogere ketenkwaliteit, een grotere doelmatigheid en een betere toegankelijkheid tot de zorg. Dat wordt bereikt door de ambulancezorg tot de verantwoordelijkheid van de RAV te maken. De instandhouding meldkamer ambulancezorg heeft vooral betrekking op een kwalitatief verantwoorde en doelmatige inzet van ambulances en het bieden van verantwoorde zorg. Evenzo draagt het regionale college van politie zorg voor het bepalen van de werkwijze in het politiedeel van de meldkamer ter ondersteuning van het politieproces.

Tweede lid In het tweede lid wordt de taak van een meldkamer omschreven. Uitgangspunt daarbij is samenwerking van de disciplines in één meldkamer, ten minste op colocatieniveau. Centraal in die taak staat het verwerken van acute hulpvragen die met name via de 112 centrale voor de onderscheiden hulpverleningsdiensten binnenkomen. De 112-centrale maakt dan ook onderdeel uit van de gemeenschappelijke meldkamer. Indien nodig wordt vanuit de meldkamer de gezamenlijke inzet gecoördineerd. Derde lid De meldkamer staat onder eenhoofdige leiding van een directeur, die door het bestuur van de veiligheidsregio na overleg met het bestuur van de RAV en het regionale college van politie wordt benoemd. Het personeel is in dienst van de onderscheiden disciplines en kan van het bestuur van de veiligheidsregio dan wel de RAV een aanstelling krijgen dat ze werken in de meldkamer. De onderscheiden partijen kunnen ook besluiten dat al het personeel onder wordt gebracht bij één rechtspersoon. Afhankelijk van de samenwerkingsconstructie dragen partijen bij aan de exploitatielasten van de meldkamer.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

73

Om zijn verantwoordelijkheid voor de werkprocessen en samenwerking goed te kunnen invullen, heeft de directeur instemmingsrecht bij het aanstellen van het personeel van de meldkamer ambulancezorg en het politiedeel van de meldkamer. Tevens rapporteert hij periodiek aan het bestuur van de veiligheidsregio met in afschrift aan het regionale college van politie en het bestuur van de RAV over de uitvoering van de gestelde eisen en de gemaakte afspraken. Op deze manier stelt hij de besturen in staat hun verantwoordelijkheden waar te maken onder andere uit het oogpunt van kwaliteitsbewaking. Op basis van zijn rapporten kan hij wijzigingen in het personeelsbestand bewerkstelligen.

Vierde lid Op grond van artikel 4, derde lid, Wet ambulancezorg kan het bestuur van de veiligheidsregio eisen stellen aan de RAV. De publieke borging van de meldkamer ambulancezorg door het bestuur van de veiligheidsregio kan daarmee gestalte krijgen. Daarom is er ook voor gekozen om deze bepaling in deze wet op te laten nemen met een verwijzing naar de bronbepaling in de Wet ambulancezorg. Om een goede samenwerking van de RAV met de politie, de geneeskundige hulpverlening en de brandweer te garanderen, hebben die eisen betrekking op de in dit lid genoemde elementen. Vijfde lid De meldkamer vervult een spilfunctie in de hulpverlening door de regionale hulpverleningsdiensten. Het is daarom van het grootste belang dat het bestuur van de veiligheidsregio en het regionale college voor de politie sluitende afspraken maken om de meldkamer in staat te stellen die functie goed te vervullen. Dit vijfde lid draagt de betrokken besturen daarom op om over de daar genoemde aspecten in het in artikel 17 genoemde convenant afspraken te maken. Zesde lid Bovenregionale samenwerking is ook op het gebied van de meldkamer mogelijk. De strekking van dit artikel is om te waarborgen dat de gemeenschappelijkheid van de meldkamer binnen een regio ook bovenregionaal blijft gehandhaafd.

Het is echter wel zaak dat het bestuur van de veiligheidsregio bij het stellen van eisen bedoeld in het derde lid aangeeft dat de vergunninghouder voor ambulancezorg zich voegt in een eventuele beslissing van het bestuur om de meldkamer bovenregionaal samen te brengen. Dit kan echter niet verder gaan dan colocatie. Het kan immers zijn dat de vergunninghouders voor ambulancezorg verschillende maatschappijen zijn. Een verplichting tot integratie van meldkamerfuncties van verschillende ambulancediensten staat op gespannen voet met de vergunning die hun van de zijde van de minister van VWS is verstrekt. Artikel 30 In een aantal regio’s fungeert als coördinerend functionaris de gemeentesecretaris van een van de tot de regio behorende gemeenten. De door het bestuur van de veiligheidsregio aangewezen coördinerend functionaris is verantwoordelijk voor een goede voorbereiding van de gemeentelijke maatregelen en voorzieningen. Deze worden beschreven in het crisisplan (artikel 14). Het gaat daarbij bijvoorbeeld om voorzieningen voor noodopvang en om slachtofferregistratie. Artikel 31

Eerste lid De minister van BZK kan op het terrein van de rampenbestrijding en crisisbeheersing landelijke doelstellingen vaststellen waaraan het regionale bestuur invulling dient te geven. Te denken valt aan de prioriteit-

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

74

stelling in crisisscenario’s. De wijze waarop de regio de doelstellingen realiseert, zal worden opgenomen in het beleidsplan. Onder vaststelling van doelstellingen wordt mede verstaan het aanvullen of anderszins wijzigen ervan. Bij de formulering van de landelijke doelstellingen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de beleidscycli van de veiligheidsregio en van de politie.

Tweede lid Gelet op het belang van vastgestelde landelijke doelstellingen, is naast toezending aan de veiligheidregio’s voorzien in toezending aan de StatenGeneraal. Artikel 32 Regelmatig overleg met de voorzitters kan uiteraard ook zonder wettelijke bepaling gevoerd worden. Er is evenwel gekozen voor een wettelijke plicht, juist om de aansluiting te garanderen tussen het landelijke beleid en de regionale vertaling. Het overleg zou ertoe kunnen leiden dat het vaststellen van landelijke doelstellingen niet nodig blijkt, doordat er overeenstemming bestaat over de wenselijkheid aan bepaalde aspecten meer aandacht te besteden. Komt het toch tot vaststelling, dan kan het overleg er in ieder geval toe bijdragen dat deze vaststelling niet onverhoeds plaatsvindt. Artikel 33 De artikelen 33 en 34 bevatten een regeling voor de bestuurlijke organisatie in geval van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis, of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De regeling voorziet erin dat de burgemeester die voorzitter van het bestuur van de veiligheidsregio is, in het getroffen gebied toepassing kan geven aan een aantal bevoegdheden of taken uitvoert op het terrein van de openbare orde en de rampenbestrijding. Deze bevoegdheden worden in artikel 33, eerste lid, opgesomd.

Het gaat om de artikelen 4, 5 en 6 van het onderhavige wetsvoorstel, artikel 12 van de Politiewet 1993 waarin het gezag van de burgemeester over de politie is vastgelegd als zij optreedt ter handhaving van de openbare orde en ter uitvoering van de hulpverleningstaak, en de artikelen 172 tot en met 177 van de Gemeentewet, met uitzondering van artikel 176, derde tot en met zesde lid, waarin de bevoegdheden van de burgemeester met betrekking tot de handhaving van de openbare orde en de rampenbestrijding zijn geregeld. In het van toepassing uitgezonderde artikel 176, derde tot en met zesde lid, Gemeentewet is een procedure van administratief beroep op de commissaris van de Koningin geregeld voor het geval de gemeenteraad een door de burgemeester afgekondigde noodverordening in zijn eerstvolgende vergadering niet bekrachtigt. Nu in het hier aan de orde zijnde geval de noodverordening niet wordt vastgesteld door de burgemeester van de desbetreffende gemeente, maar door de voorzitter van de veiligheidsregio, komt aan deze voorziening haar betekenis te ontvallen. De voorzitter van de veiligheidsregio roept bij bovengemeentelijke rampen of crises een regionaal beleidsteam bijeen (tweede lid).

Het RBT wordt in verband met de uitoefening van bevoegdheden op het terrein van de openbare orde en de rampenbestrijding in ieder geval gevormd door de burgemeesters van de getroffen of bedreigde gemeenten en de hoofdofficier van justitie. De samenstelling van het RBT is verder afhankelijk van de situatie die zich voordoet: de voorzitter zal iedere functionaris die vanuit de eigen positie een rol heeft bij de aanpak van de ramp of crisis, uitnodigen deel te nemen. Het RBT kan zo de centrale plek worden voor overleg tussen alle betrokkenen. Besluiten worden in het RBT niet genomen. Aan het RBT als zodanig zijn geen bevoegdheden toegekend. De deelnemers die in het kader van de ontstane situatie bevoegdheden uitoefenen, maken in het RBT enerzijds melding van besluiten die zij

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

75

hebben genomen en kunnen anderzijds in het RBT sonderen of voorgenomen besluiten passen in het geheel van genomen en te nemen maatregelen. Voor de maatregelen die de voorzitter van de veiligheidsregio zelf in het getroffen gebied kan nemen op basis van de in het eerste lid genoemde bevoegdheden, geldt dat de voorzitter met burgemeesters van de getroffen gemeenten in het RBT moet overleggen, tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet (vierde lid). Indien in dat overleg onverhoopt zou blijken dat een burgemeester zich niet met een door de voorzitter van de veiligheidsregio voorgestelde maatregel kan verenigen omdat die naar zijn mening het belang van zijn gemeente onevenredig schaadt, kan de betrokken burgemeester daarvan schriftelijk aantekening laten maken. Het laten maken van schriftelijke aantekening heeft gevolgen voor de verantwoordingsprocedure (artikel 34). De voorzitter van de veiligheidsregio wijst een regionaal operationeel leider aan die deelneemt aan de vergaderingen van het RBT (derde lid). Het is aan de regio om voor een vaste regionaal operationeel leider te kiezen of de keuze te laten afhangen van de aard van de omstandigheden. De regionaal operationeel leider is voorzitter van het regionaal operationeel team dat bestaat uit de leidinggevenden van de betrokken diensten.

De regionaal operationeel leider is hiërarchisch ondergeschikt aan de voorzitter van de veiligheidsregio (vijfde lid). Artikel 34 In dit artikel is geregeld hoe verantwoording wordt afgelegd over het optreden bij een bovenlokale ramp of crisis. Uitgangspunt is dat de burgemeesters van de getroffen gemeenten verantwoording afleggen in hun eigen gemeente. Naar verwachting zal het overleg in het RBT er in de meeste gevallen toe leiden dat er overeenstemming bestaat over het te voeren beleid en de te nemen maatregelen. De formeel door de voorzitter van de veiligheidsregio genomen besluiten kunnen dan worden beschouwd als besluiten van alle in het RBT vertegenwoordigde burgemeesters. Alleen in het geval een burgemeester bezwaar heeft laten aantekenen tegen een voorgenomen besluit van de voorzitter van de veiligheidsregio (artikel 33, vierde lid), ligt dit anders. Om het proces van het afleggen van verantwoording ordelijk te laten verlopen, wordt door de voorzitter van de veiligheidsregio een verslag uitgebracht van het verloop van de gebeurtenissen en over de besluiten die door hem zijn genomen (eerste lid). Dit verslag dient de voorzitter van de veiligheidsregio uit te brengen in overeenstemming met de burgemeesters die deel uitmaakten van het RBT. Het is voor het afleggen van verantwoording immers van groot belang dat alle relevante informatie wordt verschaft.

In dit geval is daarnaast van belang dat de betrokken bestuurders die informatie gezamenlijk verstrekken. De raden van de betrokken gemeenten moeten dezelfde informatie krijgen. In het verslag moet worden vermeld of de burgemeesters gebruik hebben gemaakt van hun recht bezwaar aan te tekenen tegen een besluit. De voorzitter van de veiligheidsregio dient vervolgens, wederom in overeenstemming met de burgemeesters die deel uitmaakten van het RBT, schriftelijk de door de raden van de betrokken gemeenten gestelde vragen te beantwoorden. Indien de burgemeesters in het RBT hebben ingestemd met de besluiten van de voorzitter van de veiligheidsregio, kunnen zij vervolgens mondeling verantwoording afleggen over het optreden tijdens de bovenlokale ramp of crisis in hun eigen raad. In het geval een burgemeester bezwaar heeft aangetekend tegen een (voorgenomen) besluit van de voorzitter van de veiligheidsregio, dient de voorzitter van de veiligheidsregio de desbetreffende gemeenteraad mondeling inlichtingen te verstrekken indien deze dat verzoekt (derde lid). Aldus is verzekerd dat de bestuurder die het besluit genomen heeft aan de raad verantwoording aflegt. Aangezien er geen institutionele relatie bestaat tussen de raad en de voorzitter van de veiligheidsregio, heeft de raad geen bevoegdheden om gevolgen te

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

76

verbinden aan een negatief oordeel over het bestreden besluit. Dat is overigens ook onwenselijk, omdat de belangen die de voorzitter van de veiligheidsregio bij een bovenlokale ramp of crisis moet afwegen het belang van de afzonderlijke gemeenten te boven gaan. Niettemin is denkbaar dat ook in dat licht bezien het bestreden besluit als onjuist moet worden beoordeeld. De minister van BZK zal zich daarover een oordeel moeten kunnen vormen en daaraan in het uiterste geval consequenties kunnen verbinden. Met het oog daarop dienen het verslag en de beantwoording van naar aanleiding daarvan gestelde vragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, in afschrift te worden gezonden aan de minister van BZK (vierde lid). Het proces van publieke verantwoording kan er in het uiterste geval toe leiden dat de voorzitter van de veiligheidsregio die functie en tevens die van korpsbeheerder verliest. In artikel 10 van deze wet is daartoe een ontslaggrond opgenomen. Artikel 35 Op grond van het huidige artikel 12 Wrzo kon de commissaris van de Koningin in geval van een ramp of zwaar ongeval van meer dan plaatselijke betekenis in een of meer gemeenten of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan de burgemeesters, zoveel mogelijk na overleg met hen, de nodige aanwijzingen geven over het door hen inzake de bestrijding van de ramp of het zwaar ongeval te voeren beleid.

Deze aanwijzingsbevoegdheid is in artikel 35 gehandhaafd, met dien verstande dat het de voorzitter van de veiligheidsregio is aan wie de commissaris aanwijzingen kan geven. Ingevolge de artikelen 33 en 34 is het te voeren beleid bij bovenlokale rampen en crisis in handen van de voorzitter van de veiligheidsregio en niet langer een zaak van de afzonderlijke burgemeesters. De aanwijzingsbevoegdheid is voorts verbreed tot crises. Geschrapt is dat de commissaris van Koningin bij het geven van een aanwijzing in de operationele leiding van de bestrijding kan voorzien en dat hij zich in dat geval laat bijstaan door een provinciale rampenstaf. Een dergelijke doublure in de operationele aansturing is bij de aanwezigheid van regionaal opererende diensten onwenselijk. Artikel 36 Dit artikel komt overeen met artikel 13 van de Wrzo, met dien verstande dat de begrippen crisis en crisisbeheersing zijn toegevoegd. Het geeft de minister van BZK de bevoegdheid de commissaris van de Koningin beleidsaanwijzingen te geven in geval van een ramp of crisis of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De commissaris zal de aanwijzing van de minister moeten omzetten in aanwijzingen aan de voorzitter van de veiligheidsregio. Blijkens de wetsgeschiedenis is in dit artikel de medeverantwoordelijkheid van de minister van BZK voor de rampbestrijding tot uitdrukking gebracht.

Als criterium voor het geven van aanwijzingen geldt dat het algemeen belang dit dringend moet eisen. Daarbij moet worden gedacht aan zwaarwegende economische en sociale belangen, die prioriteitenstelling op landelijk niveau vergen, alsmede aan belangen die samenhangen met de noodzaak het beschikbare potentieel zo doelmatig en doeltreffend mogelijk in te zetten (Kamerstukken II 16 978, 1981, nr. 3, artikel 16, blz. 22). De bevoegdheid van de minister van BZK in dit artikel laat de bevoegdheden van de minister van Justitie in geval van een terroristische dreiging of aanslag, zoals vastgelegd in het koninklijk besluit van 14 december 2005 (Stb. 2005, 662) onverlet. Artikel 37 Dit artikel komt overeen met artikel 14 Wrzo, met dien verstande dat de voorzitters van de veiligheidsregio zijn toegevoegd en de burgemeesters zijn vervallen. Deze informatieplicht heeft betrekking op het uitwisselen van informatie tussen de bestuurders ten tijde van een ramp of crisis of de

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

77

dreiging daarvan. De uitwisseling van informatie is noodzakelijk omdat elk van hen op grond van de beschikbare informatie moet kunnen beoordelen of er aanleiding is gebruik te maken van de hem toekomende bevoegdheden. Artikel 38

Eerste lid De tekst van het eerste lid van artikel 38 is vrijwel identiek aan het huidige artikel 14a Wet rampen en zware ongevallen. De woorden «en zware ongevallen» zijn vervallen omdat zware ongevallen volgens de definitiebepalingen onder de reikwijdte van het begrip «ramp» vallen en daarom in het artikel niet (meer) nodig zijn. Het voorziet in coördinatie bij rampen op het niveau van de centrale overheid en geeft uitdrukking aan de rol van de minister van BZK als coördinerend minister op dit gebied. De verplichting om, in geval van een ramp waaraan mogelijk een terroristische daad ten grondslag ligt, overleg te plegen met de minister van BZK heeft geen gevolgen voor de uitoefening door de minister van Justitie van zijn bevoegdheden in geval van een terroristische dreiging of aanslag, doordat deze specifieke situatie wordt bestreken door het koninklijk besluit van 14 december 2005 (Stb. 2005, 662). Tweede lid Het tweede lid richt zich op de rol van de centrale overheid ten tijde van crises. Uit dit artikellid blijkt dat wanneer in specifieke wetten (bijzondere) bevoegdheden aan een minister zijn toegekend in het kader van crisisbeheersing, deze minister de betreffende bevoegdheden onverkort kan uitoefenen. Op het moment dat een vakminister gebruik maakt van deze bevoegdheden, dient hij evenwel de minister van BZK terstond te informeren.

Dit sluit aan bij de systematiek van de artikelen 35 en 36 waarin aan de minister van BZK en aan de commissaris der Koningin een aanwijzingsbevoegdheid is gegeven om ten tijde van een ramp of crisis aanwijzingen te geven aan de commissaris respectievelijk de voorzitter van de veiligheidsregio over het inzake de ramp of crisis te voeren beleid. Door de minister van BZK terstond over de door de vakminister te treffen maatregelen te informeren, wordt bovendien de eenheid van beleid op centraal niveau bevorderd en kan de minister van BZK zo nodig decentrale bestuursorganen (de voorzitter van de veiligheidsregio) sturen in het door hen te voeren beleid. Daarmee kan de minister – op basis van eigen bevoegdheden – het door de vakminister te voeren beleid (doen) ondersteunen en zo nodig anticiperen op het organiseren van bijstand ten behoeve van de door de burgemeester in te zetten diensten (politie, brandweer, GHOR). Artikel 39 Dit artikel komt overeen met het op 30 maart 2007 in werking getreden artikel 6a van de Wrzo dat naar aanleiding van de Vuurwerkramp in Enschede tot stand is gekomen. Het geeft de colleges van gedeputeerde staten de taak om een risicokaart te ontwikkelen en te beheren die via internet toegankelijk is, zodat informatie over risico’s in de leefomgeving van burgers voor eenieder toegankelijk is.

Het Rijk heeft in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten een model vervaardigd voor de provinciale risicokaarten. Op basis van dat landelijke model vervaardigen de provincies thans de eigen provinciale risicokaart. Voor het opstellen en beheren van deze kaart maken gedeputeerde staten gebruik van de gegevens afkomstig uit de risico-inventarisatie, die thans onderdeel is van het gemeentelijk rampenplan (artikel 3 Wrzo), maar die op grond van onderhavig wetsvoorstel (artikel 13; het risicoprofiel) door de veiligheidsregio zal worden vervaardigd. Op basis daarvan worden op de risicokaart de risicovolle locaties en objecten

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

78

geografisch aangegeven. De colleges van burgemeester en wethouders blijven verantwoordelijk voor de levering van deze gegevens aan gedeputeerde staten. De verschuiving van de bevoegdheid tot het maken van de risico-inventarisatie naar het bestuur van de veiligheidsregio heeft geen gevolgen voor deze leveringsplicht omdat de gegevens die nodig zijn voor de risico-inventarisatie steeds afkomstig zijn van de gemeenten. Gedeputeerde staten moeten derhalve te allen tijde kunnen terugvallen op de gemeenten. Omdat de kaart ook de risico’s van gevaarlijke stoffen weergeeft, bestaat al vanaf de ontwikkeling van het landelijk model voor de risicokaart nauwe samenwerking met het Ministerie van VROM, dat verantwoordelijk is voor het opzetten van het Register Situaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS). In verband met deze samenhang viel de inwerkingtreding van het bovengenoemde artikel 6a Wrzo samen met de wijziging van de wet milieubeheer (Stb. 2004, 265) die de grondslag vormt voor het eveneens op 30 maart 2007 in werking getreden Registratiebesluit externe veiligheid. Deze samenhang is ook de reden dat de directeur-generaal van het RIVM zorg draagt voor de levering aan gedeputeerde staten van de onder zijn verantwoordelijkheid vallende gegevens. Bij een recente wijziging van artikel 6a (Stb.

2006, 500) is het derde lid aangevuld met de mogelijkheid nadere regels te stellen met betrekking tot de toegang tot onderdelen van de risicokaart. Het betreft hier de afweging om bepaalde, op zichzelf openbare overheidsinformatie (in casu effectafstanden), om veiligheidsredenen niet via het internet toegankelijk te maken. Artikelen 40 tot en met 43 Deze artikelen betreffen de zogenaamde risicocommunicatie en komen overeen met de artikelen 10b, 10a en 10c van de Wrzo, met uitzondering van artikel 41, tweede lid, dat overeenkomt met 11a, derde lid, Wrzo. Onder risicocommunicatie wordt verstaan het verstrekken van informatie over risico’s die een ramp of crisis kunnen veroorzaken. Artikel 43, eerste lid, bevat in navolging van artikel 10a Wrzo de opdracht om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen over de verschaffing van informatie door dat bestuur aan de bevolking. Met het huidige Besluit risico’s zware ongevallen 1999 is reeds uitvoering gegeven aan deze opdracht. Het betreft in deze artikelen een tweezijdige informatiestroom: een ieder die beschikt over relevante veiligheidstechnische gegevens verschaft het bestuur van de veiligheidsregio informatie, terwijl het bestuur er op zijn beurt voor zorgt dat de bevolking informatie wordt verschaft.

De verplichting tot het verstrekken van informatie aan de overheid berust op de gedachte dat zij die gegevens nodig heeft met het oog op de voorbereiding van de bestrijding van rampen en de beheersing van crises. Met deze bepalingen worden onderdelen van een of meer EU-richtlijnen geïmplementeerd, te weten richtlijn 96/82/EG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (Pb EG 1997, L 10, de zogeheten Seveso II-richtlijn), laatstelijk gewijzigd bij richtlijn nr. 2003/105/EG (PbEU L 345), richtlijn 89/618/Euratom van 27 november 1989 (PbEG 1989, L 357) betreffende de informatie van de bevolking over de bij stralingsgevaar toepasselijke maatregelen ter bescherming van de gezondheid en over de alsdan te volgen gedragslijn en ten slotte richtlijn 90/219/EEG van 23 april 1990 (PbEG 1990, L 117), laatstelijk gewijzigd bij richtlijn nr. 98/81/EG (PbEG L 330) inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde microorganismen. Het betreft onder meer een aantal bepalingen inzake de planvorming en de bepalingen inzake de informatieverschaffing ten

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

79

behoeve van de voorbereiding van de rampenbestrijding en bij een daadwerkelijke ramp. De verplichting van de burgemeester betekent vanzelfsprekend niet dat niet ook door of namens en vakminister relevante sectorspecifieke informatie aan de bevolking kan worden verstrekt. Ten tijde van een crisissituatie, waarin een vakminister bevoegd is voor de bestrijding van deze crisis, is de verantwoordelijkheid voor de inhoud van de informatievoorziening, inclusief de informatie over de gedragslijn, belegd bij de desbetreffende vakminister(s). Vervolgens is er sprake van wederzijdse afstemming tussen de vakminister(s) en de burgemeester (of voorzitter van de veiligheidsregio bij een bovenlokale crisis). Bij deze uitwisseling stemt de vakminister de informatie over de te nemen maatregelen en de gedragslijn, waarvoor zij verantwoordelijkheid draagt, af met de informatie die door de burgemeester (of voorzitter van de veiligheidsregio bij een bovenlokale crisis) wordt verstrekt over die aspecten van het beleid ter beheersing van de crisis waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen. Het vierde lid regelt deze afstemming. Artikel 41 Dat het nuttig en nodig is dat veiligheidsregio’s hun crisisplannen niet alleen met aangrenzende veiligheidsregio’s afstemmen, maar ook met een aangrenzende buurstaat, is evident.

De gevolgen van crises en rampen zullen zich van landsgrenzen niets aantrekken en kunnen dus ook merkbaar zijn in een buurstaat. Op basis van bilaterale verdragen met België en Duitsland zijn bijstandsafspraken gemaakt. Ten tijde van de vuurwerkramp in Enschede is vanuit Duitsland bijstand verleend. Hoe de afstemming met buurstaten dient te verlopen, kan niet bij wet worden voorgeschreven. De buurstaten zijn immers niet aan Nederlandse wetten gebonden. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat beide buurstaten en de verschillende Duitse deelstaten er niet dezelfde werkwijze op na houden. Het is aan het bestuur van de veiligheidsregio’s die grenzen aan een buurstaat, zelf contact op te nemen met die buurstaat en afspraken te maken over de afstemming en mogelijk ook over bijstandverlening in geval van een ramp of crisis. Deze verplichting berust in een aantal gevallen bij de verantwoordelijke sectorminister, bijvoorbeeld bij het zich voordoen van dierziekten. Dit artikel regelt dat, wanneer het informeren van andere staten niet tot de verantwoordelijkheid van een andere minister behoort, de minister van BZK dat doet. Daarnaast moet Nederland bij een ernstige noodsituatie, waarbij andere EU-lidstaten kunnen worden bedreigd of getroffen door de gevolgen van een crisis op Nederlands grondgebied, de Europese Commissie informeren.

Deze verplichting vloeit voort uit de Beschikking van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2001 tot vaststelling van een communautair mechanisme ter vergemakkelijking van versterkte bescherming (Beschikking 2001/1792/EG, Euratom, Pb EB2001, L297). Via dit bijstandsmechanisme kan, indien noodzakelijk, via de Europese Commissie ook aan andere EU-lidstaten om bijstand in een ramp- of crisissituatie worden gevraagd. Het informeren van de Europese Commissie en het indienen van een verzoek om bijstand bij de Commissie geschiedt door de minister van BZK via het Nationaal Crisis Centrum (NCC). De taak die de Nationaal coördinator terrorismebestrijding (NCTb) heeft op grond van de Instellingsregeling van 29 juni 2005 (Stcrt. 2005, 127) blijft ongemoeid door dit artikel. Dat wil zeggen dat het terrein van voor-

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

80

lichting en woordvoering over terrorismebestrijding blijft voorbehouden aan de NCTb. Artikel 42

Tweede lid De verplichting tot het geven van informatie aan het bestuur van de veiligheidsregio vloeit voort uit het feit dat het bestuur die gegevens nodig heeft met het oog op de voorbereiding van de rampenbestrijding en crisisbeheersing. De in dit lid gegeven bevoegdheid tot het bevelen dat een risicovol object, dat behoort tot een bepaalde, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie inrichtingen, niet in werking wordt gesteld, is in overeenstemming met het feit dat het bestuur belast is met de voorbereiding. Met de term risicovol object wordt gedoeld op een inrichting (object) waarvan het in werking zijn veel risico’s met zich mee brengt; het gaat hier om een zogenaamde Seveso-inrichtingen. Het oordeel van het bestuur is doorslaggevend bij de beoordeling of aan de informatieverplichting is voldaan. Onverminderd hetgeen in de Algemene wet bestuursrecht over de voorbereiding van besluiten is bepaald, zal dit bestuur alvorens een niet-inwerkingstelling te bevelen, overleggen met andere bestuursorganen. Het bestuur zal ook overleggen met het orgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen. Dit in verband met de nauwe relatie tussen de rampbestrijding, de voorbereiding daarop en de externe veiligheid.

In dit overleg zal aan de orde kunnen komen welke gegevens in het kader van de voorbereiding op de rampenbestrijding ten aanzien van de betrokken inrichting relevant zijn en in hoeverre deze gegevens wel of niet zijn verstrekt. Derde, vierde en vijfde lid Met deze leden wordt afgeweken van artikel 10a Wrzo; artikel 42 wordt de nieuwe bepaling. Consequentie van artikel 10a was dat het bestuur van de veiligheidsregio niet alleen niet beschikte over bepaalde «gevoelige» informatie, maar ook niet wist wélke informatie het werd onthouden. Immers de afweging wel of geen informatie te verstrekken werd gemaakt door degene die over die informatie beschikte en gebeurde dus buiten het bestuur van de veiligheidsregio om. Om deze onwenselijke situatie te voorkomen is gekozen voor de constructie waarin de gegevens, die in het regime van de Wrzo onder de geheimhoudingsplicht vielen, niet langer kunnen worden «achtergehouden» maar aan de betrokken minister – dit zal veelal de minister van Defensie zijn – worden verstrekt. Als die minister van mening is dat het om gegevens gaat waarvan geheimhouding door het belang van de veiligheid van de staat is geboden, dan bewerkt hij deze gegevens zó dat ze onherkenbaar worden. Zo nodig overlegt hij met de minister van BZK.

In onherkenbare vorm verstrekt de betrokken minister vervolgens de informatie over deze gegevens aan het bestuur van de veiligheidsregio, dat daarmee rekening kan houden bij onder meer de planvorming. Het verschil tussen het derde en vierde lid is daarin gelegen dat bij het derde lid het initiatief tot gegevensverstrekking ligt bij de betrokken minister – hij geeft een aanwijzing tot verstrekking –, terwijl het initiatief in het vierde lid ligt bij degene die over de betreffende gegevens beschikt. Om de betrokken minister in staat te stellen alle gegevens in onderling verband te beoordelen, bepalen het derde en het vierde lid dat alle gegevens worden verstrekt en niet slechts de gegevens, waarvan geheimhouding is geboden. Artikel 43 Dit artikel komt overeen met artikel 10c Wrzo, zij het dat het met het oog op een duidelijker redactie opnieuw is geformuleerd. Verder bevat het een afwijking van artikel 10c Wrzo in die zin dat de plicht om het publiek te

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

81

informeren van het college van burgemeester en wethouders overgaat naar het bestuur van de veiligheidsregio. De overgang van deze informatieplicht hangt samen met de verantwoordelijkheid die het bestuur van de veiligheidsregio in artikel 15 van dit wetsvoorstel krijgt om rampbestrijdingsplannen voor de krachtens dat artikel aangewezen categorieën inrichtingen vast te stellen.

Tweede lid Dit lid verplicht het bestuur van de veiligheidsregio om de gegevens actief openbaar te maken die het van de krachtens artikel 15 aangewezen categorieën inrichtingen – de meer gevaarlijke categorie Seveso-inrichtingen – heeft ontvangen met het oog op de vaststelling van rampbestrijdingsplannen voor deze inrichtingen. De verplichting om voor deze bedrijven rampbestrijdingsplannen vast te stellen en om het publiek actief te informeren over de risico’s die dergelijke inrichtingen met zich brengen, vloeit voort uit richtlijn nr. 96/82/EG van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996, betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, de Seveso II-richtlijn. Ook het zeer beperkte uitzonderingenregime betreffende de openbaarheid dat in het tweede lid is geregeld, vloeit uit die richtlijn voort. Het betreft afwijkingen van de zogenaamde relatieve uitzonderingsgronden in artikel 10, tweede lid, Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De absolute weigeringsgronden die in artikel 10, eerste lid, Wob zijn geregeld, blijven onverkort gelden. Derde, vierde en vijfde lid Hierin wordt een beperkt uitzonderingenregime geregeld inzake passieve openbaarmaking van gegevens over alle Seveso-inrichtingen.

Dat het hier alle Seveso-inrichtingen betreft wordt tot uitdrukking gebracht door de verwijzing naar de Seveso-richtlijn uit 1996. Artikel 42, derde lid, vormt de grondslag voor de artikelen van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 die betrekking of mede betrekking hebben op het geven van informatie over gegevens die relevant zijn voor de voorbereiding van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing. Het gaat hierbij om alle Sevesoinrichtingen, hoewel de meeste op artikel 42 gebaseerde informatieverplichtingen betrekking hebben op de meer gevaarlijke categorie. Voor wat betreft die categorie gaat het in het derde, vierde en vijfde lid om de «overige» gegevens die aan het bestuur van de veiligheidsregio zijn verstrekt. Met «overige» wordt bedoeld dat het niet gaat om de gegevens die zijn verstrekt met het oog op de vaststelling van het rampbestrijdingsplan (waarvoor, zoals hiervoor aangegeven, het eerste en tweede lid een regeling geven). Voor wat betreft de minder gevaarlijke Seveso-inrichtingen gaat het om alle veiligheidstechnische gegevens die aan het bestuur van de veiligheidsregio zijn verstrekt. Het beperkte uitzonderingenregime betreffende de openbaarheid heeft ook hier uitsluitend gevolgen voor de relatieve weigeringsgronden in de Wob.

Zesde lid Dit regelt een beperking van het uitzonderingsregime betreffende de openbaarheid van milieu-informatie welke voortvloeit uit het verdrag van Aarhus. Artikel 44 Anders dan de artikelen 40, 41, eerste lid, 42 en 43 heeft dit artikel betrekking op de situatie dat zich reeds een ramp heeft voorgedaan. Dit artikel regelt de informatieverstrekking aan de burgemeester als primair verantwoordelijke voor de acute rampbestrijding binnen zijn gemeente en komt overeen met het artikel 11b van de Wrzo. Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan richtlijn 96/82/EG van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

82

ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (de Seveso II-richtlijn) en richtlijn nr. 90/219/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen. Dit artikel is overigens van toepassing op elke ramp en beperkt zich dus niet tot rampen in bepaalde categorieën. Dit geldt ten dele ook voor artikel 4 van het Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen, dat nadere regels geeft over deze informatieverschaffing.

Tweede lid De in het tweede lid genoemde verplichting om aan de burgemeester alle relevante veiligheidstechnische informatie te verschaffen waarover men beschikt, geldt niet voor zover deze informatie reeds op grond van andere voorschriften is verschaft of kan worden verkregen of de informatie ingevolge artikel 42, derde of vierde lid is verstrekt. In dit verband zij gewezen op artikel 17.2 van de Wet milieubeheer. In dat artikel is bepaald dat van een ongewoon voorval ten gevolge waarvan nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, zo spoedig mogelijk melding moet worden gedaan aan het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het verlenen van de milieuvergunning. Indien dit orgaan het college van burgemeester en wethouders is, kan deze melding worden geacht tevens aan de burgemeester te zijn gedaan. Indien echter dit orgaan gedeputeerde staten is, kan deze melding niet worden geacht ook aan de burgemeester te zijn gedaan, ondanks het feit dat artikel 17.2 gedeputeerde staten ertoe verplicht onverwijld van die melding kennis te geven aan onder meer de burgemeester. Anders dan artikel 11b Wrzo bevat artikel 44 niet langer een bepaling ten aanzien van gegevens waarvan geheimhouding door het belang van de veiligheid van de staat is geboden.

Een constructie, zoals die in artikel 42 ten aanzien van dezelfde gegevens is voorzien, is immers niet werkbaar in een situatie dat zich reeds een ramp heeft voorgedaan. Bovendien bestaat aan een dergelijke uitzonderingsclausule geen behoefte meer door de verwijzing in het tweede lid naar artikel 42, derde of vierde lid. Artikel 45 In dit artikel wordt de bijstandsverlening geregeld. Deze is thans geregeld in de artikelen 7, 8, 9 en 10 van de Brandweerwet 1985, de artikelen 15, 16, 17 en 18 van de Wrzo en de artikelen 17 en 18 van de Wet ghor. De regeling in onderhavig wetsvoorstel bevat enkele wijzigingen in de procedure van bijstandsverlening, die hieronder worden toegelicht.

Eerste lid Onder bijstand wordt in dit artikel verstaan ondersteuning door brandweer van de ene regio aan brandweer van de andere regio, ondersteuning door ambulancevervoer van de ene regio aan de andere, ondersteuning door rijksdiensten, ondersteuning door provinciale diensten en militaire ondersteuning. Bijstand door de politie valt buiten het bereik van dit artikel aangezien die, ook bij een ramp, zwaar ongeval of crisis, elders geregeld is. Zoals ook al in het algemene deel van deze toelichting is uiteen gezet, verschilt de procedure van het aanvragen van bijstand ten opzichte van de in de Wrzo geregelde procedure. Als gevolg van de regionale organisatie van brandweer en GHOR verzoekt de voorzitter van het bestuur van de veiligheidsregio om bijstand, gevolg gevend aan een daartoe strekkend verzoek van de burgemeester. Een tweede verschil is dat niet de commissaris van de Koningin maar de minister rechtstreeks benaderd wordt met een verzoek om bijstand. Dit verschil vloeit voort uit het feit dat commissaris van de Koningin niet langer belast is met de operationele aansturing. Wel dient de commissaris

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

83

van de bijstandsaanvraag door de voorzitter van het bestuur van de veiligheidsregio in kennis te worden gesteld. Praktisch voordeel van de procedure zoals die nu is vorm gegeven, is dat de minister van BZK beschikt over het Landelijk operationeel coördinatie centrum (LOCC), dat hem kan bijstaan bij een verzoek om ondersteuning.

Derde lid De rol van de commissaris van de Koningin bij verzoeken om bijstand van provinciale diensten is ongewijzigd. Bij de andere diensten tot wie de minister van BZK zich naar aanleiding van een verzoek om bijstand kan richten, valt te denken aan specialisten van provinciale diensten, bijvoorbeeld op het terrein van het milieu of de provinciale waterstaat. Deze mogelijkheid van een verzoek tot bijstandsverlening is thans voorzien in hoofdstuk IV van de Wrzo, artikel 9 van de Brandweerwet 1985 en de artikelen 17 en 18 van de Wet ghor. Vierde lid De minister van BZK krijgt met dit artikel de bevoegdheid om te bepalen dat een regio ambulancecapaciteit dient af te staan voor ambulancebijstand in het kader van geneeskundige hulpverlening in een andere veiligheidsregio. Hij zal door middel van een convenant met de ambulancesector hier nader invulling aan geven. De bedoeling is dat de minister maximaal 50% van de regionale capaciteit kan afstaan. In het convenant zullen verder zaken als opkomsttijd, aantallen, kosten, procedures op zodanige wijze worden geregeld dat de acute zorg in de aangewezen regio’s, gegeven de omstandigheden, optimaal kan worden verleend. De mogelijkheid bestaat voor een regio om gemotiveerd minder bijstand dan afgesproken te leveren. Het systeem van het ambulancebijstandsplan voorziet dan in een alternatief.

Indien alle alternatieven ontoereikend blijken, waardoor uiteindelijk onvoldoende bijstand voor de hulpvragende regio wordt gerealiseerd, is het aan de minister van BZK om de afweging te maken of en zo ja, hoeveel ambulances uiteindelijk geleverd dienen te worden. Daarmee wordt de beslissing voor ambulancebijstand op een hoger bestuurlijk niveau gelegd. Artikelen 46, 47, 48 en 49 Deze artikelen betreffen de bevoegdheden in buitengewone omstandigheden. Zij komen overeen met de artikelen 21, 22, 23 en 24 van de Wrzo, met dien verstande dat de toepassing van buitengewone bevoegdheden (artikelen 47, 48 en 49) zijn verbreed tot crisisbeheersing. Artikel 46 Dit is de standaardbepaling voor de zogenaamde separate inwerkingstelling van de noodbevoegdheden. Deze standaardbepaling is bij de herziening van het stelsel van noodwetgeving in de jaren negentig voor alle noodwetten en noodbevoegdheden opgenomen om hun inwerkingstelling volgens een uniforme procedure te laten verlopen. Onder separate toepassing wordt verstaan toepassing buiten een in de Coördinatiewet geregelde uitzonderingstoestand.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11041036/1