CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Memorie van toelichting Wet op de Veiligheidsregios.pdf

gemeenteraad 18 januari 2022, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Noodopvang Asielzoekers47.565 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 6

De woorden «onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden» in de aanhef van het eerste lid brengen tot uitdrukking dat behalve de hier geregelde separate toepassing, het ook mogelijk is dat toepassing plaatsvindt in de beperkte of algemene noodtoestand volgens de regels die de Coördinatiewet daarvoor geeft.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

84

Artikel 47 Dit artikel bevat een afwijking van de normale bevoegdheidsverdeling. De commissaris kan de voorzitter van de veiligheidsregio aanwijzingen geven inzake de bestrijding van een ramp of crisis (eerste lid). Het tweede lid geeft de minister van BZK de mogelijkheid om de commissaris de aanwijzing te geven om van zijn aanwijzingsbevoegdheid krachtens het eerste lid gebruik te maken. Artikel 48 Op grond van dit artikel kan de minister van BZK alle bevoegdheden die de commissaris en de voorzitter van de veiligheidsregio krachtens dit wetsvoorstel hebben, geheel of ten dele aan zich te trekken. Ook is mogelijk dat de minister de betrokken bevoegdheden niet zelf uitoefent maar daarmee een andere autoriteit belast. Artikel 49 Dit artikel komt wat strekking betreft overeen met artikel 24 van de Wrzo. In verband met het grondwettelijk beschermd huisrecht dient van de bevoegdheid tot binnentreden in woningen niet willekeurig of lichtvaardig gebruik te worden gemaakt. Het belang waarmee het binnentreden is gediend moet opwegen tegen het belang van het beschermen van het huisrecht. Daarnaast moet de wijze van uitoefening van de bevoegdheid tot binnentreden voldoen aan de eis van proportionaliteit. Daarbij gaat het erom dat de inbreuk op het huisrecht niet groter is dan in het concrete geval noodzakelijk.

Deze voorwaarden voor het binnentreden zijn tot uitdrukking gebracht door de clausule dat alleen binnengetreden kan worden voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van de taak van de binnentredende ambtenaar nodig is. Hoewel de toetsing aan het redelijkheidscriterium met name een rol speelt bij het binnentreden van woningen – daarbij is immers het grondwettelijk beschermd huisrecht in het geding – wordt deze toetsing in elk geval van binnentreden verplicht gesteld. Artikel 50

Eerste lid Deze specifieke bijdrage aan de regio vindt thans haar basis in de artikelen 5, tweede lid, Brandweerwet 1985 en 19, tweede lid, Wet ghor. Anders dan in die bepalingen is in dit wetsvoorstel bepaald dat aan de bijdrage voorwaarden kunnen worden verbonden. Daarbij wordt gedacht aan het verstrekken van beleidsinformatie en het maken van wederzijdse afspraken. Voor de veiligheidsregio blijft de hybride financiering – door gemeenten en het rijk – gehandhaafd. De rijksbijdrage bestrijkt slechts een deel van de inkomsten van de regio en wordt overtroffen door het gemeentelijke aandeel. In het Bestuursakkoord van 4 juni 2007 is tussen het Rijk en de VNG overeengekomen dat de rijksbijdrage substantieel zal stijgen. De rijksbijdrage is bestemd voor de bekostiging van de taken van de regio, genoemd in artikel 9 van dit wetsvoorstel, anders dan de lokale brandweerzorg. De bijdrage van het Rijk is additioneel op het gemeentelijk aandeel, is niet kostendekkend en niet gebonden aan afzonderlijke taken. Het huidige Besluit doeluitkeringen bestrijding rampen en zware ongevallen wordt vervangen door een nieuw bijdragebesluit, dat wordt gebaseerd op het zesde lid van artikel 50. Bij de verdeling van de beschikbare middelen zal meer dan thans rekening worden gehouden met het risicoprofiel van de regio. Tweede lid Dit lid is, net als het derde en vierde lid, ontleend aan artikel 25 Wet

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

85

rampen en zware ongevallen (Wrzo). Artikel 25, eerste lid, van de Wrzo bepaalt dat een bijdrage uit ’s Rijks kas kan worden verleend in de kosten die voor een gemeente voortvloeien uit de daadwerkelijke bestrijding van een ramp en uit de gevolgen van die bestrijding. Er dient een rechtstreekse relatie te bestaan tussen de bestrijding van de ramp en de kosten, wil van een bijdrage sprake kunnen zijn. Zo vallen kosten die gemaakt worden ter voorkoming van een ramp waarvan niet zeker is of en wanneer deze plaatsvindt, niet onder dit artikel. Wel vallen onder dit artikel de kosten die gemaakt moeten worden wanneer een bepaalde situatie is ontstaan waarvan zeker is dat deze direct tot een ramp zal leiden. Voorts zij er op gewezen dat dit artikel niet voorziet in een tegemoetkoming in alle kosten die het gevolg zijn van de ramp: het gaat slechts om de kosten die tijdens de duur van de ramp zijn gemaakt voor de bestrijding en de gevolgen van de bestrijding. Vooralsnog zijn de kosten die voor een gemeente voortvloeien uit de kosten van crisisbeheersing, van een bijdrage uitgezonderd.

Derde en vierde lid Deze leden komen overeen met artikel 25, tweede lid, Wrzo en artikel 11 Brandweerwet 1985. Er wordt geregeld dat voor twee situaties waarin bijstand wordt verleend, bijdragen kunnen worden toegekend: in de kosten die voor een veiligheidsregio uit het verlenen van binnenlandse bijstand voortvloeien, en aan provincies, veiligheidsregio’s, gemeenten, organisaties en diensten die bijstand verlenen bij het bestrijden van rampen en crises in België of Duitsland. In het eerste geval kunnen de kosten die niet konden worden voorzien en om die reden niet in de begroting zijn opgenomen, voor een bijdrage in aanmerking komen. Het tweede geval vloeit voort uit de mogelijkheid dat de bevoegde organen van de verdragsluitende partijen ingevolge artikel 3 van de met België respectievelijk Duitsland gesloten bijstandsovereenkomsten een verzoek om bijstand doen, indien naar hun oordeel grensoverschrijdende bijstand noodzakelijk is. Uitgangspunt daarbij is dat de verdragsluitende partijen zelf de kosten dragen voor deze bijstandsverlening, het zogeheten gesloten-beurzenstelsel. Dat neemt niet weg dat de bij deze bijstandsverlening betrokken Nederlandse diensten, organisaties en instanties wel aanspraak kunnen maken op een bijdrage in de kosten. Het huidige Besluit rijksbijdragen bijstands- en bestrijdingskosten zal worden gebaseerd op het zesde lid van artikel 50.

Vijfde lid Dit lid komt overeen met artikel 25, derde lid, van de Wrzo en regelt dat een bijdrage wordt verleend in de kosten die voortvloeien uit het opsporen en ruimen van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. De positie van de gemeente verandert niet ten opzichte van de Wrzo. Het huidige Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog 2006 zal worden gebaseerd op het zesde lid van artikel 50. Het streven is er op gericht om deze specifieke uitkering over te hevelen naar het gemeentefonds. Zesde lid Ter bevordering van de rechtsgelijkheid en de rechtszekerheid is voor alle in de voorgaande leden benoemde situaties een regeling bij of krachtens algemene maatregel van bestuur getroffen. Deze regeling zal aan dit wetsvoorstel worden aangepast. Artikel 51 Dit artikel regelt het toezicht door de minister van BZK en de verplichtingen die de onder toezicht staande bestuursorganen hebben om de Inspectie de inlichtingen te verstrekken die zij voor het uitvoeren van haar

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

86

taken nodig heeft. De tekst van lid 1, onder a, komt overeen met artikel 19, lid 1, onder a, Brandweerwet 1985, met dien verstande dat de begrippen crisis en crisisbeheersing zijn toegevoegd ten opzichte van de omschrijving van de taken van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) in artikel 19, eerste lid, de onderdelen a en b. Het eerste lid, onder b, is een voorzetting van artikel 19a, eerste lid, Brandweerwet 1985 en regelt dat periodiek een multidisciplinaire rapportage wordt uitgebracht over de stand van de voorbereiding op de rampenbestrijding. In het eerste lid, onder c, is sprake van een onderzoeksplicht, tenzij de Onderzoeksraad voor veiligheid een onderzoek instelt. Overigens kan een gemeentebestuur of het bestuur van een veiligheidsregio desgewenst altijd ook zelf een onderzoek doen, onafhankelijk van de actie die de Onderzoeksraad of de IOOV onderneemt. Denkbaar is dat het een bestuur om bepaalde aspecten gaat die men zelf wil onderzoeken om lering uit te trekken. Artikel 52 Dit artikel brengt tot uitdrukking dat de ministeriële verantwoordelijkheid ten volle geldt voor de inspectiefunctie. De minister van BZK stelt het inspectieprogramma vast (eerste lid) en stuurt het jaarverslag van de IOOV naar de Staten-Generaal (vijfde lid). Het tweede lid onderstreept de bijzondere plaats die de IOOV in de departementale organisatie heeft.

De IOOV heeft rechtstreeks toegang tot de minister en behoeft voor het geven van signalen aan de minister niet de instemming van de desbetreffende beleidsafdeling(en). De toezending van een afschrift van de inspectierapporten aan de commissaris van de Koningin (derde lid) is van belang voor de uitoefening van zijn taken, zoals die ten aanzien van de uitoefening van het toezicht door de minister wanneer de commissaris daarbij wordt betrokken (zie artikel 53). Artikel 53 Zoals in hoofdstuk 11 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting is aangegeven, krijgt de minister van BZK in dit wetsvoorstel de beschikking over een aanwijzingsbevoegdheid die hem de mogelijkheid biedt te interveniëren als uit rapporten van de IOOV of anderszins blijkt dat de taakuitvoering van een veiligheidsregio tekortschiet. De taken staan primair in artikel 9 opgesomd; dat betreft de overgedragen taken. Daarnaast staan overige taken verspreid in de wet. De formulering «indien de taakuitvoering door de veiligheidsregio tekortschiet» ziet in den brede op de taken van het bestuur, dus omvat mede de situatie dat de door de minister van BZK vastgestelde landelijke doelstellingen (artikel 31) onvoldoende uitwerking krijgen in het beleidsplan van een veiligheidsregio (artikel 13, tweede lid, onder b) of in de uitvoering van het beleidsplan achterblijven.

De minster kan ten aanzien van de uitvoering van de landelijke doelstellingen de vinger aan de pols houden omdat de regio’s hem jaarlijks moeten rapporteren over de uitvoering van de landelijke doelstellingen (artikel 22, tweede lid).

Derde lid In het derde lid is geregeld dat de minister van BZK de commissaris van de Koningin inschakelt als blijkt, uit rapporten van de IOOV of anderszins, dat een veiligheidsregio in haar taakuitvoering zodanig tekortschiet dat de minister overweegt de veiligheidsregio een aanwijzing op grond van het eerste lid te geven. De betrokkenheid van de commissaris houdt in dat hij zich verdiept in de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de gebleken tekortkomingen en een aanbeveling aan de minister doet over de aanwij-

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

87

zing die aan de veiligheidsregio zou moeten worden gegeven. Het ligt in de rede dat de commissaris in overleg treedt met het bestuur van de veiligheidsregio en ook met andere betrokkenen voor zover hem dat in het concrete geval zinvol voorkomt. De formulering dat de commissaris kennisneemt van alle feiten en omstandigheden in verband met de gebleken tekortkomingen, geeft de commissaris de vrijheid om de werkwijze te hanteren die hem het meest dienstig voorkomt. De commissaris kan zich op grond van de door hem gevoerde gesprekken een oordeel vormen over de oorzaken van de tekortkomingen. Op basis van het door hem uitgevoerde onderzoek kan de commissaris gemotiveerd aangeven welke aanwijzing de minister het beste kan geven. Aangezien de commissaris zijn werkzaamheden verricht ten behoeve van een door de minister uit te oefenen bevoegdheid is in het vijfde lid bepaald dat de commissaris zijn werkzaamheden uitvoert als rijksorgaan, dat wil zeggen onder verantwoordelijkheid van de regering. Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat de minister op grond van artikel 55, tweede lid, verantwoordelijk blijft voor het horen van het bestuur van de veiligheidsregio voordat de aanwijzing wordt gegeven. Het is immers de minister die de aanwijzing geeft. Het is daarom van belang dat hij zelf kennis neemt van de zienswijze van het bestuur van de veiligheidsregio voordat de aanwijzing uitgaat.

Artikel 54 Dit artikel komt overeen met artikel 20 van de Brandweerwet 1985 en regelt de bevoegdheden in het kader van het lokale nalevingstoezicht en bepaalt welke personen die bevoegdheden toekomen. Artikel 55 Dit artikel komt overeen met artikel 21 van de Brandweerwet 1985. Het derde lid komt overeen met artikel 25b Wrzo, met dien verstande dat de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders is overgegaan naar het bestuur van de veiligheidsregio. Dit artikel vindt uitwerking in (een onderdeel van) het Besluit risico’s zware ongevallen 1999. Artikel 56 Dit artikel komt overeen met artikel 25c van de Wrzo, met dien verstande dat de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders is overgegaan naar het bestuur van de veiligheidsregio. Ook is de formulering van het artikel aangepast aan de Algemene wet bestuursrecht (met toepassing van vuistregel 61 van de leidraad aanpassingswetgeving vierde tranche). Artikel 57 Dit artikel komt overeen met artikel 23 van de Brandweerwet 1985, met dien verstande dat het artikel is uitgebreid met de strafbaarstelling van de op eenieder rustende informatieplicht (artikel 42, tweede lid en artikel 44, tweede lid).

Het regelt verder de strafbaarstelling van het overtreden van regels van de brandbeveiligingsverordening (artikel 3, tweede lid) en het niet naleven van de verplichtingen die het hoofd of de bestuurder van een inrichting op grond van artikel 25 heeft met betrekking tot de plicht een bedrijfsbrandweer in stand te houden en de procedure om vast te stellen of een dergelijke plicht wordt opgelegd.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

88

Artikel 58 Dit artikel komt overeen met artikel 24 van de Brandweerwet 1985 en regelt de aanwijzing van ambtenaren van de met opsporing van de in artikel 61 strafbaar gestelde feiten. Artikel 59 Het intrekken van de in dit artikel genoemde wetten zal leiden tot (technische) aanpassingen in wetten die naar die drie wetten verwijzen. Deze aanpassingen zullen worden opgenomen in een aanpassings- of invoeringswet. Daarbij zal ook een voorziening worden getroffen om de bepalingen die in de Brandweerwet 1985 zijn opgenomen over de kwaliteit (artikelen 14 en 15) over het Nibra (artikelen 18 a tot en met f) en over het Nbbe (artikel 18g), in deze wet op te nemen zoals deze luiden op het moment van intrekking. Verwezen zij in dit verband ook naar de laatste opmerking bij artikel 16. Tot slot zal het «omhangen» van op de genoemde wetten gebaseerde lagere regelgeving in de aanpassingswet worden geregeld. Artikel 60 Hoewel meldkamers in beginsel gecolokeerd zijn, kan het nodig blijken dat hierop (tijdelijk) een uitzondering wordt gemaakt. Dit artikel geeft de minister van BZK de bevoegdheid te bepalen dat er (nog) geen colocatie is, dan wel toe te staan dat een bestuur van een veiligheidsregio (nog) geen colocatie heeft geregeld. Het is aan de minister om te bepalen hoelang deze afwijking kan voortduren.

Indien de belangen van de ambulancezorg bij het verzoek om afwijking zijn betrokken, beslist de minister van BZK niet dan na overleg met de minister van VWS. Enkele regio’s beschikken nog niet over een gecolokeerde meldkamer. Het Korps landelijke politiediensten heeft om begrijpelijke redenen geen gecolokeerde meldkamer met brandweer en ambulancezorg. De Koninklijke marechaussee (Kmar) vervult de reguliere politietaak op de civiele luchthavens in ons land. Daartoe beschikt de Kmar over een eigen «politie»-meldkamer. De voor de luchthavens bestaande voorzieningen voor de meldkamerfunctie, wijken (nog) af van de lijn die in dit wetsvoorstel wordt voorgestaan, zoals de colocatie. Deze uitzonderingspositie is verdedigbaar, gezien de bijzondere positie van de Kmar, die niet valt onder het gezag/beheer van het regionale college van politie. Dit artikel maakt een afzonderlijke bepaling voor de Kmar overbodig. Artikel 61 In hoofdstuk 6 van het algemeen deel van de toelichting is aangegeven dat één algemene maatregel van bestuur (de amvb die eisen stelt aan het kwaliteitszorgsysteem) naar verwachting uitsluitend in de startfase van de veiligheidsregio’s nodig zal zijn. Derhalve is in dit besluit bepaald dat de grondslag daarvoor na vijf jaar komt te vervallen – en daarmee zal ook de algemene maatregel van bestuur zelf komen te vervallen.

Artikel 62 Omdat het gewenst kan zijn onderdelen van de wet op een later tijdstip in werking te doen treden, is gekozen voor een flexibele inwerkingtredingsbepaling. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, G. ter Horst

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

89

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11041036/1