Memorie van toelichting Wet op de Veiligheidsregios.pdf
Tekst van het document
Dat verdeelmodel zal wijziging ondergaan in die zin dat bij de verdeling meer rekening wordt gehouden met verschillen in risico tussen de regio’s. Het streven is er op gericht om met ingang van 2008 te komen met een geactualiseerde bijdrageregeling. Hierin worden voor het eerst middelen – mede – verdeeld op basis van aanwezige risico’s. Wat betreft de ontvangst en besteding van de bijdrage wordt geen andere verantwoording en controle gevraagd dan hetgeen de regio’s toch moeten aanleveren in het kader van een gemeenschappelijke regeling. Verder wordt voor de eisen waaraan voldaan moet worden volledig aangesloten
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3
50
bij de financiële voorschriften die ook gelden voor provincies en gemeenten. De bepalingen in de huidige regelgeving over bijdragen voor de daadwerkelijke bestrijding van een ramp, het opsporen en opruimen van uit de Tweede Wereldoorlog achtergebleven explosieven en het verlenen van bijstand, blijven gehandhaafd, zij het dat de gemeente die in het huidige wettelijke stelsel nog evenals de regionale brandweer in aanmerking kan komen voor een bijdrage in de kosten van binnenlandse bijstand, in dit wetsvoorstel is komen te vervallen; deze bijdrage kan uitsluitend aan de veiligheidsregio worden verleend. Uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat de kosten van de voorbereiding op rampen of crisissituaties en het in dat verband actief oefenen voor eigen rekening komt van de betrokken instanties.
10.2 Financiële gevolgen wetsvoorstel Op grond van artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet bevat deze paragraaf een beschrijving van de financiële gevolgen van het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel genereert in beginsel geen additionele uitgaven; het versterkt de bestuurlijke en operationele slagkracht door de instelling van veiligheidsregio’s. Het wetsontwerp zal mede bijdragen aan het op orde brengen van de rampenbestrijding en crisisbeheersing. In het bestuursakkoord rijk en gemeenten van 4 juni 2007 is afgesproken dat eind 2009 beide op orde zijn. Om te komen tot een slagvaardige organisatie van rampenbestrijding en crisisbeheersing zal de BDUR substantieel worden verhoogd zonder dat dit ten koste gaat van het Gemeentefonds. 11. Toezicht Het toezichtarrangement voor de veiligheidsregio betreft naast instrumenten van controle en verantwoording ook het toezicht op de kwaliteit van de taakuitvoering. Het toezicht blijft in dit wetsvoorstel een taak van de minister van BZK. Het toezicht is verbreed naar alle taken van het regionale bestuur. Het gaat niet alleen om de planvorming of de taakuitvoering van de brandweer en de GHOR maar ook om de multidisciplinaire voorbereiding op een ramp of crisis en het beheer en functioneren van de meldkamer en het optreden van de veiligheidsregio in het kader van de rampenbestrijding en crisisbeheersing.
De IOOV heeft tot taak het toetsen van de wijze waarop een orgaan van een veiligheidsregio, een gemeente of een ander openbaar lichaam uitvoering geeft aan de taken met betrekking tot het voorkomen van, het voorbereiden op en het bestrijden of het beheersen van een brand, ongeval, ramp of crisis en oefent daarbij signalerend toezicht uit. Daarnaast heeft de IOOV tot taak het, in overeenstemming met de ministers van VROM, VWS, V&W en van SZW, periodiek toetsen van de voorbereiding op de rampenbestrijding en crisisbeheersing door het bestuur van de veiligheidsregio. De IOOV heeft voorts tot taak incidentonderzoek te verrichten tenzij de Onderzoeksraad voor veiligheid een onderzoek instelt. Het algemene motief voor toezicht is gelegen in de bewaking van het publieke belang van de veiligheid van de burgers. Het interbestuurlijk toezicht door de minister van BZK heeft daarbij tot doel te toetsen of lokale overheden wat betreft beleid en taakuitoefening goed voorbereid zijn op rampen, ongevallen of branden die gemeente-, regio-, provincieen landsgrens overschrijdende effecten kunnen hebben. Een goede voorbereiding op een mogelijke crisis of ramp is hiervan een belangrijk onderdeel. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat gemeenten samen een effectieve organisatie inrichten die is voorbereid op een zwaar ongeval, brand, ramp of crisis.
Het gevaar bestaat dat wat in de regionale plannen
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3
51
staat, niet goed in de praktijk is geïmplementeerd. Bijvoorbeeld: in de regio wordt onvoldoende geoefend, het materieel is niet op orde en de informatievoorziening sluit niet aan op de behoeften van bestuur en operationele diensten. Met het interbestuurlijk toezicht worden de verschillen in uitvoering, beleid en regelgeving van lagere overheden op het gebied van openbare orde en veiligheid expliciet gemaakt. Ook vormt het rijkstoezicht op de brandweerzorg, de rampenbestrijding en de crisisbeheersing een belangrijke waarborg dat het centrale en het decentrale beleid op dit domein met elkaar in overeenstemming zijn. Er is ten aanzien van de veiligheidsregio gekozen om het signalerende toezicht (verzamelen en beoordelen van informatie) te beleggen op rijksniveau bij de minister van BZK die hiervoor gebruik maakt van de IOOV. Dit is conform het advies van de bestuurlijke werkgroep Alders alsook het rapport van het Landelijk Beraad Crisisbeheersing «State of the art» over de toekomst van de planvorming. In het stelsel van de veiligheidsregio’s is gekozen voor een directe relatie tussen de voorzitters van het regionale bestuur en de minister van BZK.
Dit blijkt onder meer uit de door de minister te stellen kwaliteitseisen aan de taakuitvoering van het bestuur, de jaarlijkse rapportage door de voorzitters aan de minister over de realisatie van de landelijke doelstellingen en het periodiek overleg dat zal plaatsvinden bij de totstandkoming van de landelijke doelstellingen. Vanwege zijn eindverantwoordelijkheid voor het domein brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing is het toezicht op de taakuitvoering van het regionale bestuur belegd bij de minister van BZK. Tevens zijn de uitgangspunten het verminderen van de bestuurlijke drukte en een meer eenduidige aansturing leidend geweest bij de inrichting van het toezicht. De eisen die op basis van dit wetsvoorstel gesteld kunnen worden aan het kwaliteits- en prestatieniveau van de regio’s, bieden een toetsingskader voor de IOOV. Indien de IOOV tekortkomingen constateert in de taakuitvoering door de veiligheidsregio (met inbegrip van de doorwerking van door de minister vastgestelde landelijke doelstellingen), ligt de eerste verantwoordelijkheid om de geconstateerde gebreken op te heffen bij het regionale bestuur. Dat is in eerste instantie verantwoordelijk voor controle en het in gang zetten van verbeteringen. De IOOV maakt hierover procesafspraken. Wanneer regio’s deze afspraken niet of onvoldoende nakomen, rapporteert de IOOV dit aan de minister.
De minister kan besluiten een interventietraject te starten. Interveniëren in brede zin wordt gezien als het begeleiden van de verbeterprocessen, het aanspreken op gebreken, het doen van suggesties met als uiterste middel het geven van een aanwijzing. Bij het interventietraject maakt hij gebruik van de commissaris van de Koningin als (adviserend) rijksorgaan. Bij constateringen door de IOOV waarop een interventie door de minister aan de orde is, verzoekt de minister de commissaris van de Koningin hem te adviseren over de oorzaak van de geconstateerde problemen en de te nemen maatregelen. Het gaat hier om een inschakeling van de commissaris van de Koningin op basis van het inzicht dat hij vanwege zijn positie heeft in de lokale situatie en de bestuurlijke verhoudingen in de regio. Hij kan door het voeren van gesprekken met de betrokken besturen in kaart brengen wat de oorzaken van de geconstateerde tekortkomingen zijn en rapporteert hierover aan de minister. Vervolgens adviseert de commissaris van de Koningin de minister over het maken van afspraken met de regio, het te voeren overleg of een te geven aanwijzing. Waar nodig wordt de ambtsinstructie aangepast. De afweging tot interventie kan op deze manier in de breedte plaatsvinden op basis van de toezichtbevindingen, de lokale bestuurlijke informatie en de relatie met de andere beleidsterreinen.
De minister is zo in staat om op brede gronden een afweging te maken. De minister hoort vervolgens het bestuur van de veiligheidsregio, alvorens definitief te beslissen. De minister blijft eindverantwoordelijk en kan hierover ter verantwoording worden geroepen door de Tweede Kamer.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3
52
Het formele toezicht op de planvorming zoals dat in de huidige situatie in handen is gelegd van de provincie, verdwijnt. De materiële beoordeling hiervan komt de gemeenteraden toe. Over de uitvoering van de plannen wordt namelijk jaarlijks verantwoording afgelegd aan de gemeenteraden (conform de Wgr). Op deze manier wordt er meer nadruk gelegd op de uitvoering dan op het maken van plannen. Het crisisplan dient wel ter kennis te worden gebracht van de commissaris van de Koningin, zodat zijn informatiepositie (ten behoeve van de responsfase) optimaal is. Aan de regio’s wordt zoals in paragraaf 4 is toegelicht, niet de verplichting opgelegd om standaard alle plannen aan de minister te sturen. De minister kan overigens wel de verschillende plannen bij de regio’s opvragen, mocht dit nodig zijn bijvoorbeeld in verband met rapportages aan de Tweede Kamer. In dat geval zal de minister tijdig aangeven wat hij van de regio’s verwacht. Zoals toegelicht in paragraaf 5.2 zijn de IOOV en de IGZ ieder voor hun deel, onverlet de eigen verantwoordelijkheid, verantwoordelijk voor het toezicht op de GHOR. Zij stemmen hun toezicht onderling af door middel van een gemeenschappelijk werkprogramma. 12.
Administratieve lasten Doel van het wetsvoorstel is het realiseren van een hoogwaardige organisatie van de brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening, rampenbestrijding en crisisbeheersing, onder één bestuurlijke regionale regie. Daarbij worden de Brandweerwet 1985, de Wet ghor en de Wrzo in het wetsvoorstel geïntegreerd. Het wetsvoorstel bevat niet meer administratieve lasten voor het bedrijfsleven dan die welke uit de bovengenoemde drie wetten voortvloeien. De administratieve lasten die voortvloeien uit de Wrzo en de Wet ghor zijn al verwaarloosbaar klein. De bepalingen inzake de bedrijfsbrandweer zijn – afgezien van het verantwoordelijke bestuursorgaan – identiek aan die van het huidige artikel 13 Brandweerwet 1985. De in de veiligheidsregio werkzame organisaties die een wettelijke taak hebben in het kader van de geneeskundige hulpverlening (hierbij valt, waar het het bedrijfsleven betreft, in het bijzonder te denken aan ziekenhuizen) moeten afspraken maken met het bestuur van de veiligheidsregio over hun inzet bij de uitvoering van de geneeskundige hulpverlening en de voorbereiding daarop. Deze verplichting stemt materieel overeen met het huidige artikel 2, tweede zin, Wet ghor (burgemeester en wethouders dragen zorg voor de totstandkoming van afspraken die nodig zijn voor een doelmatige geneeskundige hulpverlening).
Zij is onderdeel van het overleg dat wordt gevoerd met het oog op het maken van crisis- en rampbestrijdingsplannen. Deze voorbereiding op de rampenbestrijding en het maken van crisis- en rampbestrijdingsplannen komen in het wetsvoorstel terug. De organisaties moeten meewerken aan oefeningen die zijn voorzien in het beleidsplan. Voor zover hieruit administratieve lasten zouden voortvloeien, kan worden opgemerkt dat deze verplichting materieel overeenstemt met artikel 6, eerste lid, van de Wet ghor. Dit artikellid, dat overigens in het wetsvoorstel niet terugkomt, verplicht onder meer tot vaststelling minstens eenmaal per vier jaar en in overeenstemming met betrokkenen van een organisatieplan inzake de geneeskundige hulpverlening, welk plan onder meer het niveau van de geoefendheid van het personeel van de geneeskundige hulpverleningsdiensten bevat.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3
53
De overige informatieverplichtingen (die het karakter hebben van vangnetbepalingen en voortvloeien uit EU-richtlijnen) van het wetsvoorstel verschillen materieel niet met die welke in de huidige Wet rampen en zware ongevallen zijn opgenomen. Tot slot leidt het wetsvoorstel niet tot meer administratieve lasten voor burgers dan de drie wetten die in dit wetsvoorstel zullen opgaan. 13. Invoering en overgangsrecht Naast dit wetsvoorstel wordt gewerkt aan een wetsvoorstel waarin alle overgangs- en invoeringsaspecten worden geregeld. Onder meer betekent dit het aanpassen van andere wetten aan het intrekken van de Brandweerwet 1985, de Wrzo en de Wet ghor. Ook alle bestaande amvb’s die in die wetten hun grondslag vinden, moeten worden bezien op houdbaarheid, en – waar mogelijk – in het onderhavige wetsvoorstel een nieuwe grondslag vinden. Ook zullen in het gehele wettenbestand alle verwijzingen naar de eerder genoemde wetten moeten worden aangepast. Daarnaast moet ook de feitelijke overgang van de huidige gemeenschappelijke regelingen, op basis van de Brandweerwet 1985 en de Wrzo, naar de nieuwe situatie, op basis van het onderhavige wetsvoorstel, geregeld worden. Dit is een complexe operatie, maar van overwegend juridisch-technische aard.
Het bedoelde wetsvoorstel zal naar verwachting derhalve sneller het wetgevingsproces doorlopen, zodat de verwachting gerechtvaardigd is dat beide wetsvoorstellen op een later moment gelijkgeschakeld kunnen worden. Alsdan kan ook worden geregeld dat de bepalingen die in de Brandweerwet 1985 zijn opgenomen over het Nibra (artikelen 18 a tot en met f) en over het Nbbe (artikel 18g),en onderdeel zijn van een andere wetstraject, worden opgenomen in het onderhavige wetsvoorstel.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1
Ramp, rampenbestrijding, crisis en crisisbeheersing Het huidige stelsel is gericht op de «klassieke» rampen met een lokaal of regionaal karakter en de acute inzet van de brandweerorganisatie, de geneeskundige hulpdiensten en de politie. Met «klassieke» rampen wordt gedoeld op rampen waarvan de bron en de acute effecten duidelijk te identificeren zijn en die beperkt zijn in tijd en plaats. Bij een ramp is sprake van een plotselinge overgang van de normale situatie naar een situatie waarin het leven en de gezondheid van veel personen, het milieu of grote materiële belangen in ernstige mate zijn geschaad of worden bedreigd. Het gaat hierbij om bedreiging of aantasting van de openbare veiligheid. In het Beleidsplan Crisisbeheersing 2004–2007 wordt openbare veiligheid gedefinieerd als de bescherming van personen of zaken; fysieke veiligheid is de situatie waarbij het leven en de bezittingen van de burgers zijn beschermd tegen gevaar. De term fysieke veiligheid wordt hier verder gehanteerd. Een ramp is een gebeurtenis en de bestrijding daarvan vereist direct een gecoördineerde inzet van politie, brandweer en GHOR. Het gaat hierbij onder andere om grote branden, ongevallen met explosieve of giftige stoffen, ongevallen in tunnels, overstromingen, zware verkeersongevallen, natuurbranden en paniek in menigten. In al die gevallen is de fysieke veiligheid verstoord.
Het begrip fysieke veiligheid geldt primair in het publieke domein, maar ook thuis moet men zich beschermd weten tegen van buiten komend onheil. Het openbaar bestuur heeft de verantwoordelijkheid deze fysieke veiligheid te waarborgen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3
54
De afgelopen jaren is zichtbaar geworden dat nieuwe fenomenen zich aandienen die niet binnen het kader van de »klassieke» rampenbestrijding vallen, maar wel om grootschalige en multidisciplinaire acties vragen. We spreken dan van crises. Aangezien in dit wetsvoorstel een verbreding plaatsvindt van rampen naar crises, is het noodzakelijk de begrippen crisis en crisisbeheersing te omschrijven. Ook bij een crisis kan de fysieke veiligheid verstoord zijn of kan een verstoring dreigen. Anders dan bij een ramp, gaat het bij een crisis meestal niet om één gebeurtenis, maar om een serie gebeurtenissen die in de tijd gespreid kunnen zijn. De oorsprong is vaak diffuser dan bij een ramp of zwaar ongeval en er kunnen meerdere factoren in het spel zijn. Er zal dus veelal geen sprake van een plotselinge en duidelijk gemarkeerde overgang van de normale situatie naar een abnormale situatie. De term situatie duidt hier op het geheel van omstandigheden dat zich voordoet (een toestand). Bovendien moeten er vitale belangen van de samenleving in het geding zijn. Vitale belangen zijn de territoriale veiligheid, de fysieke veiligheid, de ecologische veiligheid, de economische veiligheid of de sociale en politieke stabiliteit. De vitale belangen bevinden zich in de domeinen van verschillende vakministers.
Dit betekent dat bij een crisis het optreden van een of meer vakministers of hun gedeconcentreerde diensten vereist kan zijn; dat is de nationale dimensie van een crisis. Die dimensie wordt evenwel niet geregeld in dit wetsvoorstel, dat zich beperkt tot de decentrale actoren. Het wetsvoorstel brengt dan ook geen enkele wijziging aan in de bevoegdheidsverdeling tussen actoren op nationaal niveau en de decentrale gezagsdragers. Waar gesproken wordt van crisisbeheersing op decentraal niveau, of van maatregelen, ten tijde van een crisis te nemen door de voorzitter van de veiligheidsregio, betreft het de uitoefening van openbare orde-bevoegdheden op decentraal niveau die op geen enkele wijze een inbreuk maakt op de bevoegdheden van ministers. Een ander belangrijk verschil met een ramp is dat een crisis een langere periode van verstoring van de openbare veiligheid beslaat; dit komt in de definitie tot uiting in het woord: situatie. Bij een ramp is de verstoring uiteraard niet louter beperkt tot het moment van de gebeurtenis, maar de effecten van die gebeurtenis zijn wel direct aan die gebeurtenis gerelateerd. Derhalve is ook duidelijk waar de rampenbestrijding op gericht is.
De rol van de hulpverleningsdiensten kan bij de bestrijding van een crisis diverser zijn dan bij een «klassieke» ramp, en de betrokkenheid van andere organisaties, ook van buiten de overheid, zal al snel aan de orde zijn. Indien een crisis niet tot het lokale of regionale niveau beperkt blijft, maar ook een landelijke dimensie krijgt, wordt het waarschijnlijker dat de crisisbeheersing op nationaal niveau getrokken wordt. Daarnaast kan het aspect van de vitale belangen al leiden tot nationale crisisbeheersing, ook indien een incident zich slechts in één regio voordoet. Overigens is er ook bij nationale crisisbeheersing een rol weggelegd voor gemeenten en regio’s, zowel wat betreft de voorbereiding als wat betreft de rampenbestrijding en crisisbeheersing ter plekke, maar primair op het terrein van de openbare orde en de fysieke veiligheid. Om duidelijk te maken dat het begrip crisisbeheersing niet beoogt het terrein van vakministers te betreden, is expliciet aangegeven dat de crisisbeheersing primair is gericht op de handhaving van de openbare orde.
Ramp en zwaar ongeval Het begrip zwaar ongeval wordt in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet rampen en zware ongevallen (Wrzo) samen met het begrip ramp van één definitie voorzien. Het bezwaar van het geven van één definitie van twee naast elkaar staande begrippen («ramp of zwaar ongeval») is, dat twee begrippen die een verschillende lading hebben – een ramp is een
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3
55
gebeurtenis met een veel zwaardere lading dan een zwaar ongeval – gelijk worden gedefinieerd. Het definiëren van twee begrippen in één definitie is in wetgeving bovendien ongebruikelijk. Om recht te blijven doen aan de gedachte die ten grondslag heeft gelegen aan de wijziging waarbij de bedoelde gelijkschakeling in artikel 1 Wrzo is opgenomen (Stb. 1997, 142), is er in dit wetsvoorstel voor gekozen om het element zwaar ongeval in de definitie van het begrip ramp op te nemen. Aldus wordt ook in dit wetsvoorstel tot uitdrukking gebracht dat er gebeurtenissen zijn die niet de zwaarte van een ramp hebben, maar niettemin zodanige gevolgen hebben dat zij vergelijkbare processen in werking stellen, en om die reden in de wettekst aangeduid kunnen worden met het begrip ramp. Bijkomend voordeel van deze definitie is dat zij de leesbaarheid vergroot van de bepalingen waarin een opsomming voorkomt van de taken van de veiligheidsregio. In de memorie van toelichting stuit het gebruik van het begrip zwaar ongeval daarentegen niet op bezwaren, omdat het aansluit bij het spraakgebruik en recht doet aan de diversiteit van gebeurtenissen.
Geneeskundige hulpverlening Geneeskundige hulpverlening wordt gedefinieerd omdat dit begrip in dit wetsvoorstel een specifieke betekenis heeft, ontleend aan de omstandigheden waarop dit wetsvoorstel betrekking heeft. De definitie wijkt af van de definitie in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet ghor. Dat komt omdat in dit wetsvoorstel de organisatie van de geneeskundige hulpverlening door de GHOR centraal staat, terwijl in de Wet ghor de GHOR zowel als proces werd benaderd, maar tevens als aanduiding van de organisatie werd gebruikt. Dit kon tot verwarring leiden. Het element «door daartoe door het bestuur van de veiligheidsregio aangesteld personeel» is van belang omdat de GHOR, behalve met eigen personeel, ook werkt met mensen die niet in dienst van de GHOR (lees: de veiligheidsregio) zijn maar van instellingen waarmee de veiligheidsregio ingevolge artikel 27 afspraken heeft gemaakt. Op grond van die afspraken worden ook medewerkers van deze instellingen door het bestuur van de veiligheidsregio aangesteld om in voorkomende gevallen onder verantwoordelijkheid van het bestuur als GHOR-functionaris op te treden. De inzet van de geneeskundige hulpverleningsorganisatie vindt niet alleen plaats ingeval van een ramp of crisis. Ook indien een zwaar ongeval heeft plaatsgevonden met meerdere slachtoffers treedt de GHOR al op.
Evenzo wanneer er risico bestaat dat een gebeurtenis tot meerdere slachtoffers kan leiden is inzet van de GHOR op zijn plaats. Om te bepalen of GHORinzet nodig is, is de vraag van belang of gecoördineerde inzet nodig is. Indien deze vraag positief beantwoord wordt en de werkzaamheden van verschillende hulpverleningsdiensten dus op elkaar moeten worden afgestemd, is in de regel inzet van de GHOR op zijn plaats ook al is er geen sprake van een ramp of crisis in de zin zoals daarover in het dagelijkse verkeer wordt gesproken. Bij het element «organisaties van verschillende disciplines» kan, behalve aan de andere hulpverleningsdiensten, gedacht worden aan bijvoorbeeld het Nederlandse Rode Kruis. Hoewel in de praktijk mogelijk zonder tussenkomst van de meldkamer geneeskundige hulpverlening in de zin van dit artikel kan aanvangen, is de betekenis van de tussenkomst van de meldkamer dat ervan wordt uitgegaan dat de meldkamer ook in die gevallen zo spoedig mogelijk de coördinatie op zich neemt. Dat is ook een voorwaarde om multidisciplinaire en gecoördineerde inzet mogelijk te maken. Artikel 2 Het lokale niveau blijft het uitgangspunt van de bestuurlijke taakverdeling. Dit blijkt uit artikel 2, waar in algemene bewoordingen de primaire verantwoordelijkheid voor fysieke veiligheid bij het college van burgemeester en
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3
56
wethouders wordt gelegd. Explicitering van deze brede verantwoordelijkheden op lokaal niveau is nodig om onderdelen daarvan te kunnen overdragen aan het openbaar lichaam veiligheidsregio, dat de gemeenten op basis van artikel 8 moeten instellen. Deze systematiek ligt ook ten grondslag aan de Brandweerwet 1985 en de Wrzo. Artikel 3
Eerste lid, onder a Het eerste lid komt overeen met artikel 1, vierde lid, van de Brandweerwet 1985. Met de begrippen voorkomen en beperken wordt onder meer gedoeld op de zorg van het college van burgemeester en wethouders om bij de in specifieke wetgeving geregelde verlening van vergunningen en de handhaving van de naleving ervan aspecten van brandveiligheid en brandpreventie mee te wegen. Bij specifieke wetgeving moet worden gedacht aan de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer en de Woningwet. Eerste lid, onder b Bij de hier genoemde taken valt te denken aan technische hulpverlening, bijvoorbeeld het bevrijden van inzittenden uit een auto na een ongeval en het redden van dieren. Tweede lid De verplichting voor de gemeenteraad om een brandbeveiligingsverordening vast te stellen, is een voortzetting van artikel 12 Brandweerwet 1985. De omschrijving van de taak in het eerste lid, onder a, waarnaar het tweede lid verwijst komt overeen met de tekst van artikel 12 Brandweerwet 1985, met dien verstande dat de woorden «voor zover daarin niet bij of krachtens de Woningwet of enige andere wet is voorzien» niet zijn overgenomen, omdat zij overbodig zijn. Derde lid In de nota Bouwregelgeving 2002–2006 (Kamerstukken II, 2001/02, 28 325, nr.
1), die is uitgebracht in het kader van het project Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit, is aangekondigd dat «de technische brandveiligheids-voorschriften ex gemeentelijke bouw- en brandbeveiligingsverordeningen (...) landelijk (zullen) worden geüniformeerd in een algemene maatregel van bestuur met een dubbele wettelijke grondslag (Woningwet en Brandweerwet 1985); in die amvb zullen tevens zoveel mogelijk de voorschriften worden geïntegreerd, die thans in de milieuregelgeving zijn opgenomen over brandveilig gebruik». De Woningwet bevat in artikel 8, achtste lid, de grondslag voor een dergelijke algemene maatregel van bestuur. De Brandweerwet 1985 heeft deze grondslag niet. Deze wordt thans in artikel 3, derde lid, van dit wetsvoorstel opgenomen. De algemene maatregel van bestuur op basis van artikel 8, achtste lid, Woningwet is reeds in een vergevorderd stadium van voorbereiding en zal naar verwachting medio 2007 in werking kunnen treden. Daarin worden voorschriften gegeven voor het brandveilig gebruik van bouwwerken. Een vergelijkbare algemene maatregel van bestuur wordt op basis van het voorgestelde artikel 3, derde lid, ook mogelijk voor objecten waarvan het brandveilig gebruik niet krachtens een andere wet wordt geregeld, zoals verplaatsbare tenten en vaartuigen.
Met deze algemene maatregel van bestuur zullen de gemeentelijke brandbeveiligingsvoorschriften voor deze objecten, net als het geval is met de voorschriften voor gebouwen op basis van artikel 8, achtste lid, Woningwet, worden geüniformeerd. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de aankondiging aan de Tweede Kamer, zij het dat er twee algemene maatregelen van bestuur tot stand zullen komen in plaats van één.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3
57
Artikel 4 In dit artikel zijn artikel 173 Gemeentewet en artikel 11 Wrzo samengevoegd. Het in artikel 173 Gemeentewet geregelde opperbevel van de burgemeester bij brand is een nadere uitwerking van de in artikel 172 Gemeentewet neergelegde algemene verantwoordelijkheid van de burgemeester voor de openbare orde. Hetzelfde geldt voor het opperbevel dat de burgemeester krachtens artikel 11 Wrzo bij rampen en zware ongevallen heeft. Het integreren van de Brandweerwet 1985, de Wrzo en de Wet ghor in dit wetsvoorstel roept de vraag op waarom het opperbevel van de burgemeester over twee wetten verdeeld zou moeten blijven: het opperbevel bij brand in de Gemeentewet en het opperbevel bij rampen in dit wetsvoorstel. Gelet op het integrale karakter van dit wetsvoorstel is ervoor gekozen beide opperbevelbevoegdheden in dit wetsvoorstel samen te brengen. Dat is vervolgens aanleiding geweest om te bezien of beide bevoegdheden in een artikel kunnen worden geïntegreerd, zodat er één opperbevelbevoegdheid is bij het daadwerkelijk optreden. Dat heeft geleid tot het voorgestelde artikel 4, waarbij artikel 173 Gemeentewet als uitgangspunt heeft gediend. De integratie van beide opperbevelbevoegdheden in een artikel heeft allereerst tot gevolg dat de zogeheten lichte bevelsbevoegdheid die in het tweede lid van artikel 173 Gemeentewet is geregeld, in artikel 4 ook betrekking heeft op rampen.
Met de term lichte bevelsbevoegdheid wordt het onderscheid aangeduid met de bevoegdheid op grond van artikel 175 Gemeentewet (noodbevelen). Bij bevelen op grond van de lichte bevelsbevoegdheid kan worden gedacht aan het ontruimen van gebouwen, het afsluiten van straten en het verwijderen van personen die de brandbestrijding hinderen. Het niet opvolgen van deze bevelen is strafbaar krachtens artikel 184 Wetboek van Strafrecht. Een tweede gevolg van de aansluiting bij de redactie van artikel 173 Gemeentewet is dat de tweede volzin van artikel 11, eerste lid, Wrzo, waarin is bepaald dat degenen die aan de bestrijding deelnemen onder het bevel van de burgemeester staan, is vervallen. Een dergelijke toevoeging is overbodig omdat dit de kern van het opperbevel vormt. Ook de derde volzin van het eerste lid van artikel 11 Wrzo, waarin de burgemeester werd opgedragen zich te laten bijstaan door een gemeentelijke rampenstaf, is vervallen. Dit voorschrift, dat kennelijk de bedoeling heeft te verhinderen dat de burgemeester beslissingen neemt zonder bijstand van deskundigen, is overbodig. Ten slotte zij opgemerkt dat de voorgestelde opperbevelbevoegdheid niet is verbreed tot crisissituaties waarbij andere dan OOV-bevoegdheden aan de orde zijn.
In een crisis ligt de verantwoordelijkheid voor het beheersen van de crisis primair bij bestuursorganen die over de bevoegdheden beschikken om de noodzakelijke maatregelen te nemen, bijvoorbeeld bij de minister van LNV in het geval van een MKZ-crisis). Het is van groot belang dat tijdig overleg met de burgemeester plaatsvindt, zodat de implicaties van de door hem ter beheersing van de crisis noodzakelijk te nemen maatregelen, waaronder die ter handhaving van de openbare orde, onder ogen kunnen worden gezien. Artikel 5 De daadwerkelijke uitvoering voor de meldkamer ambulancezorg en daarmee de verantwoordelijkheid voor de feitelijke inzet valt onder de verantwoordelijkheid van de rechtspersoon aan wie vergunning is verstrekt door de minister van VWS. De wijze waarop de (private) rechtspersoon uitvoering geeft aan deze taak, kan voor de minister van VWS aanleiding vormen op te treden in de sfeer van de verleende vergunning. In geval van een ramp of vrees voor het ontstaan daarvan, berust het opperbevel op grond van artikel 4 van dit wetsvoorstel bij de burgemeester. Indien het naar zijn oordeel noodzakelijk is, kan de burgemeester
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3
58
op grond van artikel 5 ook aanwijzingen geven aan degene die in zijn gemeente de leiding heeft over de ambulancezorg. Het is aan de burgemeester te bepalen of de openbare orde in het geding is en of een aanwijzing nodig is. De burgemeester handelt alsdan vanuit zijn algemene verantwoordelijkheid voor de openbare orde binnen de gemeente. Artikel 6 Dit artikel komt qua strekking overeen met artikel 11a Wrzo, dat op zijn beurt weer was overgenomen uit de Rampenwet. Aanleiding tot het opnemen van deze informatiebepalingen destijds vormde onder meer de noodzaak tot implementatie van richtlijnen van de Raad der Europese Gemeenschappen. Het betreft de volgende richtlijnen: – Richtlijn 96/82/EG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (PbEG 1997, L 10), de zogeheten Seveso II-richtlijn, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn nr.
2003/105/EG (PbEU L345); – Richtlijn 89/618/Euratom van de Raad der Europese Gemeenschappen van 27 november 1989 (PbEG 1989, L 358) betreffende de informatie van de bevolking over de bij stralingsgevaar toepasselijke maatregelen ter bescherming van de gezondheid en voor de alsdan te volgen gedragslijn; – Richtlijn 90/219/EEG van de Raad der Europese Gemeenschappen van 23 april 1990 (PbEG 1990, L 117) inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn nr. 98/81/EG (PbEG L 330). Ten tijde van een crisissituatie, waarin een vakminister bevoegd is voor de bestrijding van deze crisis, is de verantwoordelijkheid voor de inhoud van de informatievoorziening, inclusief de informatie over de gedragslijn, belegd bij de desbetreffende vakminister(s). Vervolgens is er sprake van wederzijdse afstemming tussen de vakminister(s) en de burgemeester (of voorzitter van de veiligheidsregio bij een bovenlokale crisis). Bij deze uitwisseling stemt de vakminister de informatie over de te nemen maatregelen en de gedragslijn, waarvoor zij verantwoordelijkheid draagt, af met de informatie die door de burgemeester (of voorzitter van de veiligheidsregio bij een bovenlokale crisis) wordt verstrekt over die aspecten van het beleid ter beheersing van de crisis waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen.
De verplichting van de burgemeester betekent vanzelfsprekend niet dat niet ook door of namens een vakminister relevante sectorspecifieke informatie aan de bevolking kan worden verstrekt. Ten tijde van een crisissituatie, waarin een vakminister bevoegd is voor de bestrijding van deze crisis, is de verantwoordelijkheid voor de inhoud van de informatievoorziening, inclusief de informatie over de gedragslijn, belegd bij de desbetreffende vakminister(s). Vervolgens is er sprake van wederzijdse afstemming tussen de vakminister(s) en de burgemeester (of voorzitter van de veiligheidsregio bij een bovenlokale crisis). Het derde lid regelt deze afstemming. Artikel 7 De regio’s waarin ons land verdeeld wordt, zijn te vinden in de bijlage bij dit wetsvoorstel. De indeling komt overeen met de indeling die nu geldt op grond van artikel 3, eerste lid, van de Brandweerwet 1985. Conform de wettelijke opdracht in artikel 3, tweede lid, van die wet is deze regioindeling gelijk aan de indeling in regio’s die voor de politie geldt – maar er zijn afwijkingen toegestaan. Op grond van artikel 3 van de Wet ghor is de indeling op grond van de Brandweerwet 1985 tevens de grondslag voor de zogeheten GHOR-regio’s. Bestuurlijk zijn alle brandweer- en GHORregio’s congruent, voor een tweetal regio’s geldt dat er nog geen
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3
59
congruentie is van de brandweer- en GHOR-regio’s met de politieregio’s. Deze territoriale congruentie zal echter binnen afzienbare tijd een feit zijn. Er is dan ook geen reden meer om wettelijke bepalingen te handhaven die betrekking hebben op afwijkende indelingen. Een wijziging is altijd mogelijk; doorgaans zal deze slechts betrekking hebben op het aantal en de naam van de inliggende gemeenten, veroorzaakt door een gemeentelijke herindeling. Bij wijziging van de regiogrenzen mag verwacht worden dat de nu bereikte congruentie met de politieregio’s intact blijft. Een wettelijke fixatie van de regiogrenzen gaat evenwel te ver. Artikel 8 De gemeenschappelijke regeling die op basis van dit artikel door de gemeenten, behorende tot een van de in artikel 7 bedoelde regio’s, moet worden getroffen, is een regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). De veiligheidsregio’s zijn derhalve, net als de huidige brandweerregio’s en de huidige geneeskundige hulpverleningsregio’s, een vorm van verlengd lokaal bestuur. Bij de regeling moet een openbaar lichaam worden ingesteld. Omdat deze samenwerkingsvorm de eerste is in de voorkeursvolgorde die de Wgr in artikel 8 kent, is het niet nodig dit voorschrift vorm te geven als een afwijking van de Wgr. Op grond van artikel 8, eerste lid, tweede volzin, Wgr heeft een dergelijk openbaar lichaam rechtspersoonlijkheid.
Dit is onder meer van belang omdat de veiligheidsregio personeel in dienst moet kunnen hebben. De deelnemende gemeenten dienen een openbaar lichaam, genaamd veiligheidsregio, in te stellen en daaraan de in artikel 9 opgesomde taken over te dragen. Artikel 9 Dit artikel somt de taken op die aan het bestuur van de veiligheidsregio worden overgedragen
Onderdeel a Het inventariseren en analyseren van risico’s van branden, rampen en crises is een taak die aan de basis ligt van de taken die de veiligheidsregio uitvoert. Het beleidsplan dat de veiligheidsregio ten minste een maal in vier jaar moet vaststellen (artikel 12), is dan ook gebaseerd op een door het bestuur van de veiligheidsregio vastgesteld risicoprofiel (artikel 13), dat gezien kan worden als een nadere uitwerking van deze in onderdeel a opgedragen taak. Onderdeel b Dit onderdeel bepaalt dat de veiligheidsregio de rol krijgt toebedeeld van adviseur op het terrein van de fysieke veiligheid. Deze adviesrol valt in twee delen uiteen. Allereerst is er een wettelijke adviestaak. Deze omvat alle gevallen waarin ook thans al technische advisering nodig is in het kader van vergunningverlening. De in dit onderdeel genoemde wettelijke adviestaak verwijst slechts naar bestaande adviestaken in bijzondere wetgeving (zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen en het Vuurwerkbesluit). Daarnaast kan de veiligheidsregio op grond van het beleidsplan adviezen uitbrengen over onderwerpen waarvan de veiligheidsregio het wenselijk vindt dat deze aandacht krijgen van de deelnemende gemeenten en waarbij een eenduidige en eenvormige aanpak wenselijk is.
Voor een uitvoeriger beschouwing over de adviestaak van de veiligheidsregio zij verwezen naar paragraaf 4.2 van het algemeen deel van de toelichting.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3
60
Onderdeel c Dit onderdeel komt ten dele overeen met artikel 4, eerste lid, onder 3, van de Brandweerwet 1985 en betreft de advisering door de regio van de deelnemende gemeenten op het terrein van de brandpreventie. Onderdeel d Het voorbereiden op de bestrijding van branden, zware ongevallen, rampen en de beheersing van crises vraagt het gestructureerd doorlopen van een procesgang van inventarisatie en analyse van risico’s, daarna de besluitvorming over het te leveren zorgniveau, vervolgens een operationele planning en het maken van afspraken tussen diensten en organisaties en tot slot de opbouw van de operationele organisatie door opleiding, instructie, oefenen en de materiële inrichting van de organisatie. Het bestuur draagt zorg voor deze procesgang, de noodzakelijke besluitvorming over sterkte en beschikbare middelen en is verantwoordelijk voor de opbouw en de instandhouding van de operationele organisatie. De neerslag daarvan is te vinden in het beleidsplan van de veiligheidsregio (artikel 12). Er wordt in dit onderdeel een onderscheid gemaakt tussen «het voorbereiden» op de bestrijding van branden en «het organiseren» van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing. In het eerste geval gaat hoofdzakelijk om activiteiten die de veiligheidsregio zelf moet verrichten, terwijl in het tweede geval meestal ook activiteiten van andere betrokkenen noodzakelijk zijn.
Onderdelen e, f en g Met «het instellen en in stand houden» van een regionale brandweer wordt tot uitdrukking gebracht dat in elke regio voorzien dient te zijn in een regionale brandweerorganisatie. De taken die deze regionale brandweerorganisatie in ieder geval dient uit te voeren zijn opgenomen in artikel 23. Met «het instellen en in stand houden» van een organisatie, belast met de geneeskundige hulpverlening (onderdeel f), wordt tot uitdrukking gebracht dat deze door het bestuur op de schaal van elke regio dient te zijn georganiseerd. Met «het voorzien in» de meldkamerfunctie (onderdeel g) wordt tot uitdrukking gebracht dat gewaarborgd moet zijn dat de regio gebruik kan maken van een goed functionerende meldkamer; die eis betekent niet noodzakelijkerwijs dat elke regio een eigen meldkamer heeft. De gekozen formulering laat ruimte voor de mogelijkheid dat meerdere regio’s zijn aangesloten bij één meldkamer. Onderdeel i Onder informatievoorziening wordt hier verstaan het geheel aan mensen, middelen en systemen ten behoeve van het beschikbaar maken van informatie. Het betreft uitsluitend de informatievoorziening binnen de diensten van de veiligheidsregio en tussen deze diensten en de andere diensten en organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van in dit wetsvoorstel geregelde taken.
Ingevolge artikel 20 wordt een deel van deze taak – de inrichting van een uniforme informatie- en communicatievoorziening – op interregionale schaal behartigd. Artikel 10
Eerste lid In het eerste lid wordt geregeld dat het algemeen bestuur van de veiligheidsregio bestaat uit de burgemeesters van de deelnemende gemeenten. Dat is een afwijking van artikel 13, eerste lid, van de Wgr dat de gemeente ruimte laat zelf te bepalen wie zij naar het bestuur van het openbaar lichaam afvaardigt. De reden voor deze afwijking van het stelsel van de Wgr is in het algemeen deel toegelicht.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3
61
Tweede lid Het tweede lid houdt een afwijking in van artikel 13, negende lid, van de Wgr, op grond waarvan de voorzitter door en uit het algemeen bestuur wordt aangewezen. Voor de samenwerking tussen de veiligheidsregio en de politie is het van belang dat het voorzitterschap van beide besturen door dezelfde persoon, de korpsbeheerder, wordt bekleed. Nu wettelijk is geregeld wie de korpsbeheerder is, dient deze ook voorzitter van het bestuur van de veiligheidsregio te zijn. Omdat de voorzitter van de veiligheidsregio niet wordt benoemd, maar de korpsbeheerder die functie qualitate qua vervult, wordt voor de schorsing en het ontslag van de voorzitter aangesloten bij artikel 23 van de Politiewet 1993. De ontslaggronden, opgenomen in de algemene maatregel van bestuur op grond van het derde lid van artikel 23, gelden daarmee dus ook voor het functioneren van de korpsbeheerder als voorzitter van de veiligheidsregio. Vijfde lid In het vijfde lid is geregeld dat het bestuur bij meerderheid van stemmen beslist. Het is dus niet mogelijk in de gemeenschappelijke regeling op te nemen dat het algemeen bestuur bij gekwalificeerde meerderheid besluit. Het laat overigens onverlet dat de gemeenschappelijke regeling kan inhouden dat een gemeente meervoudig stemrecht heeft.
De voorzitter krijgt in zoverre een bijzondere positie dat zijn stem beslissend is ingeval er sprake is van het staken der stemmen. Hiervoor is gekozen om uit te sluiten dat de besluitvorming in een patstelling komt. De positie van de voorzitter krijgt dus iets meer gewicht, maar alleen als de stemmen staken. Artikel 11 Zowel de hoofdofficier van justitie als de voorzitter van het waterschap worden voor elke vergadering van het bestuur van de veiligheidsregio uitgenodigd. Zij worden zo in staat gesteld de besluitvorming van het bestuur van de veiligheidsregio te volgen en waar nodig inbreng te leveren vanuit de belangen van de organisaties die zij vertegenwoordigen. Het staat het bestuur van een regio overigens vrij om ook andere partners uit te nodigen voor de bestuursvergadering, bijvoorbeeld bij de behandeling van onderwerpen waarbij deze partners inbreng kunnen hebben. Rondom het thema water kan hierbij gedacht worden aan de HID en de rijkshavenmeester. Artikel 12
Eerste lid De verplichting om ten minste eenmaal in de vier jaar een beleidsplan vast te stellen, handhaaft de plancyclus die ook in de bestaande wetgeving is opgenomen. Het beleidsplan is te beschouwen als de opvolger van het regionaal beheersplan (artikel 5 Wrzo). In vergelijking met het beheersplan zijn de onderdelen van het beleidsplan enerzijds beperkter, anderzijds uitgebreider. Beperkter omdat het beheersplan uit vijf onderdelen bestaat, die nu zijn teruggebracht tot twee (de onderdelen a en d), uitgebreider omdat het beleidsplan een drietal nieuwe elementen kent. Dat betreft allereerst de plicht om door de minister van BZK vastgestelde landelijke doelstellingen (zie artikel 31), aangenomen dat die er zijn, in het beleidsplan uit te werken (onderdeel b). In de tweede plaats dient het beleidsplan een informatieparagraaf te bevatten, waarin een beschrijving wordt gegeven van de informatievoorziening binnen en tussen de diensten die in het kader van de veiligheidsregio samenwerken (onderdeel c). In de informatieparagraaf wordt op hoofdlijnen de ontwikkeling van de informatievoorziening aangegeven Een informatieparagraaf moet aansluiten bij het algemene organisatiebeleid (d.w.z. het beleid voor de
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3
62
uitvoering van de taken van de veiligheidsregio’s). Juist omdat informatieen communicatietechnologie in de loop van de jaren uitgegroeid is tot een voor organisaties strategisch belangrijke component, zal het informatiebeleid in nauwe samenhang met het algemene (lange termijn) beleid van een organisatie gepland en beheerst moeten worden. De verplichting om het informatiebeleid in een informatieparagraaf in het beleidsplan op te nemen vloeit voort uit het kabinetsstandpunt op het ACIR-advies «De Vrijblijvendheid Voorbij» (zie hoofdstuk 9 van het algemeen deel van de toelichting). In de derde plaats moet in het beleidsplan worden aangegeven hoe de veiligheidsregio haar niet-wettelijke adviesfunctie (artikel 8, onderdeel b) gaat invullen. Voor een beschouwing over de adviesfunctie van de veiligheidsregio zij verwezen naar paragraaf 4.2 van het algemeen deel van de toelichting.
Derde lid Afstemming van het beleidsplan met de beleidsplannen van de politieregio’s (artikel 31 Politiewet 1993) is vereist vanwege de taken van de politie op het gebied van branden, rampen en crises en vanwege de verwevenheid en afhankelijkheid van de onderscheiden disciplines (gemeente, brandweerorganisatie, geneeskundige hulpverlening en politie) bij de voorbereiding op en aanpak van rampen en crises. Afstemming met het beleid van de waterschappen is wenselijk omdat de waterschappen een belangrijke partner van de veiligheidsregio zijn, hetgeen ook tot uitdrukking komt in het feit dat de voorzitter van het waterschap voor de vergaderingen van het bestuur van de veiligheidsregio wordt uitgenodigd. Artikel 13 In artikel 3 Wrzo is de verplichting opgenomen om in het kader van de opstelling van het gemeentelijke rampenplan een risico-inventarisatie te maken. Voor het regionale beleidsplan is naast de risico-inventarisatie tevens de analyse van de risico’s van belang om onder meer de operationele prestaties te kunnen bepalen. Nadat de inventarisatie van de risicovolle situaties is uitgevoerd, kan een overzicht worden opgesteld van de soorten branden, rampen en crises die in de regio zouden kunnen ontstaan. Vervolgens wordt bij de risico-analyse op basis van deze inventarisaties een inschatting gemaakt van de gevolgen zoals het aantal gewonden en slachtoffers.
Samen vormen de risico-inventarisatie en de risico-analyse het risicoprofiel. Alvorens het risicoprofiel vast te stellen vraagt het bestuur de gemeenteraden hun zienswijze kenbaar te maken. Het gaat daarbij niet alleen om een oordeel over het risicoprofiel als zodanig, maar de gemeenteraden kunnen op basis van het risicoprofiel tevens hun wensen omtrent het te voeren beleid aangeven ten behoeve van het beleidsplan.
Vierde lid Inbreng voor het risicoprofiel is zeker nodig vanuit het regionale college van politie, omdat de politie een van de parate kernorganisaties is. Bij ambtenaren die worden betrokken bij het risicoprofiel, dient in ieder geval te worden gedacht aan de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat, de rijkshavenmeester van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, de commandant van het Regionaal Militair Commando, de directeur van de kamer van koophandel, de regionaal directeur van het Ministerie van LNV, de regionaal geneeskundig inspecteur van het Ministerie van VWS en de regionaal inspecteur van het Ministerie van VROM. Vijfde lid Partijen die voor gezamenlijk regionaal overleg in aanmerking komen, zijn
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3
63
de crisispartners, die hiervóór in paragraaf 7.2 van het algemeen deel van de memorie zijn genoemd. Artikel 14
Eerste lid Het regionale crisisplan komt in de plaats van het gemeentelijke rampenplan (artikel 3 Wrzo). Het crisisplan is een operationeel plan, dat de generieke aanpak van rampen en crises in de regio beschrijft. Het crisisplan moet net als het beleidsplan ten minste een maal in de vier jaar worden vastgesteld.
Tweede lid In het crisisplan zullen tevens de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden voor de gemeenten beschreven worden die voortvloeien uit het crisisplan. Het betreft onder meer de noodopvang en slachtofferregistratie, taken die nu ingevolge artikel 3, vijfde lid, Wrzo in het rampenplan zijn opgenomen. Daarnaast maken de afspraken die de veiligheidsregio met andere betrokken partijen heeft gemaakt, onderdeel uit van het crisisplan. Artikel 15 Dit artikel komt materieel overeen met artikel 4a van de Wrzo, waarin een onderdeel van de zogeheten Seveso-richtlijn is geïmplementeerd, namelijk de verplichting om voor de onder die richtlijn vallende categorieën van inrichtingen een rampbestrijdingsplan vast te stellen waarin de te nemen maatregelen bij een ramp in de inrichting zijn opgenomen. Het crisisplan, met inbegrip van daarin opgenomen objectgebonden uitwerkingen komt daarvoor in de plaats. De in dit artikel neergelegde specifieke verplichting voor een bijzondere categorie inrichtingen is echter gehandhaafd vanwege de Europese achtergrond daarvan (zie ook het slot van paragraaf 4.1 van het algemeen deel van de toelichting onder Rampbestrijdingsplannen). Artikel 15 is met enkele andere aan de Wrzo ontleende elementen aangevuld waardoor het een zelfstandige plaats in het wetsvoorstel kan innemen.
Zo wordt in het eerste lid duidelijk dat de verplichting om een rampbestrijdingsplan te maken betrekking heeft op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categoriëen inrichtingen en luchtvaartterreinen (artikel 4a Wrzo spreekt in algemene zin van «rampen en zware ongevallen» die aangewezen kunnen worden). In het eerste lid wordt voorts, met een zinsnede ontleend aan artikel 4, tweede lid, Wrzo aangegeven wat onder een rampbestrijdingsplan wordt verstaan (een plan, waarin het geheel van bij een ramp te nemen maatregelen is opgenomen). Ten slotte is in het eerste lid bepaald welk bestuursorgaan het rampbestrijdingsplan vaststelt (het bestuur van de veiligheidsregio). Het huidige Besluit rampbestrijdingsplannen inrichtingen en het Besluit rampbestrijdingsplannen luchtvaartterreinen, waarvoor artikel 4a, eerste lid, Wrzo de basis vormt, zullen gebaseerd worden op het eerste lid. Uit het Besluit rampbestrijdingsplannen luchtvaarrterreinen blijkt dat het ook van toepassing is op door de minister van BZK in overleg met de minister van Defensie met bepaalde burgerluchtvaartterreinen gelijkgestelde militaire luchtvaartterreinen. De Seveso II-richtlijn heeft tevens geleid tot het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (Brzo 1999), dat zijn wettelijke grondslag vindt in de Wet milieubeheer, de Wrzo, de Brandweerwet 1985 en de Arbeidsomstandighedenwet.
Het Brzo verplicht bepaalde categorieën bedrijven een veiligheidsrapport op te stellen. De informatie voor het rampbestrijdings-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3
64
plan dat opgesteld dient te worden in het kader van het Besluit rampbestrijdingsplannen inrichtingen, is voor een groot deel te vinden in dit veiligheidsrapport. Artikel 16 Dit artikel geeft een grondslag voor het stellen van nadere regels ten aanzien van de brandweer, de GHOR, de meldkamer en de organisatie van de rampenbestrijding, de crisisbeheersing en de geneeskundige hulpverlening alsmede ten aanzien van de taakuitvoering en de vakbekwaamheid van de mensen die bij de brandweer, de GHOR en de meldkamer werkzaam zijn in het kader van de rampenbestrijding en crisisbeheersing. Ook de huidige wetgeving kent grondslagen voor het stellen van nadere regels ten aanzien van deze onderwerpen. Zo biedt artikel 14 Brandweerwet 1985 een grondslag voor het stellen van eisen over functies en rangen, eisen van aanstelling en bevordering, eisen met betrekking tot de keuring en de controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid en over kleding en uitrusting. De Wet ghor biedt in artikel 8 een grondslag om met het oog op een doelmatige geneeskundige hulpverlening eisen te stellen aan de GHOR. De in artikel 16 voorgestelde bepaling is algemener geformuleerd en tevens verbreed.
De verbreding betreft enerzijds de toevoeging van de meldkamer (naast de brandweer en de GHOR) anderzijds de toevoeging van de organisatie van de rampenbestrijding, de crisisbeheersing en de geneeskundige hulpverlening daarbij. Bij de algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld aan de feitelijke bestrijding van een ramp of crisis. Het gaat hierbij om de prestaties waaraan de taakuitvoering van een veiligheidsregio ten minste moet voldoen, zoals de processen van melding en opschaling, leiding en coördinatie en operationeel informatiemanagement. Het gaat onder meer om het beschikbaar hebben van bepaalde functionarissen, het tijdsbestek waarbinnen deze functionarissen ter plaatse zijn, het aantal meldingen dat een meldkamer binnen een bepaalde tijd moet kunnen verwerken of het tempo en de structuur van de opschaling. Bij het stellen van eisen aan de prestaties van de meldkamer moet worden gedacht aan het hanteren van bepaalde procedures, de wijze van samenwerking, de snelheid van opschalen. Het betreft dus organisatorische randvoorwaarden. De eisen op het gebied van het personeel hebben betrekking op opleidingsniveau en geoefendheid. De eisen die worden gesteld aan het politiedeel van de meldkamer vinden hun grondslag in de Politiewet 1993.
Voor zover deze nadere regels mede betrekking hebben op de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel op overige taken ten dienste van de justitie, worden deze gezamenlijk met de minister van Justitie voorbereid. Van belang is nog op te merken dat het huidige artikel 14, tweede lid, Brandweerwet 1985 erin voorziet dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden gegeven over de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over het ontwerp van een maatregel, vast te stellen krachtens het eerste lid. Deze regels zijn vastgelegd in het Besluit overleg brandweerpersoneel. In verband met een afzonderlijke wijziging van de Brandweerwet 1985 die onder meer artikel 14 raakt, is er in dit wetsvoorstel van afgezien aan artikel 16 een bepaling toe te voegen waarin de in artikel 14, tweede lid, van de Brandweerwet 1985 geregelde overlegverplichting ten aanzien van in het eerste lid van dat artikel genoemde onderwerpen is geregeld. Daarin zal worden voorzien bij de overgangsen invoeringswetgeving.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3
65
Artikel 17 Het bestuur van de veiligheidsregio en het regionale college van politie maken afspraken in de vorm van een convenant met de minister van BZK dan wel de minister van Defensie. De onderwerpen die in ieder geval in het convenant opgenomen moeten worden hebben betrekking op de in het tweede lid genoemde taken. Dat zijn de taken bij de uitvoering waarvan de veiligheidsregio en de politieregio nauw zullen moeten samenwerken. In artikel 29, vijfde lid, worden in aanvulling op de in het tweede lid genoemde onderwerpen nog onderwerpen met betrekking tot de meldkamer genoemd waarover de partijen eveneens afspraken moeten maken. Bij de totstandkoming van het convenant wordt rekening gehouden met de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. Artikel 18 De bevoegdheid die in dit artikel is opgenomen voor de minister van BZK om regels te geven over de samenwerking tussen veiligheidsregio’s en tussen veiligheidsregio’s en politieregio’s komt overeen met de bevoegdheid die de minister van BZK op grond van artikel 46 Politiewet 1993 heeft om regels te stellen over de samenwerking tussen politieregio’s respectievelijk tussen politieregio’s en het Korps landelijke politiediensten.
De in artikel 18 van dit wetsvoorstel bedoelde regels tussen veiligheidsregio’s en de politie moeten ook kunnen gelden voor de luchthaven Schiphol, waar sprake van een bijzondere situatie omdat de reguliere politietaak daar wordt uitgevoerd door de Koninklijke marechaussee (artikel 6, eerste lid, onder c, Politiewet 1993). In dat geval zullen de regels in overeenstemming met de minister van Defensie worden opgesteld. De regels worden gezamenlijk met de minister van Justitie gesteld indien deze mede betrekking hebben op de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel op overige taken ten dienste van de justitie. Artikel 19 In dit artikel is een bevoegdheid voor de minister van BZK opgenomen die vergelijkbaar is met de bevoegdheid die hij heeft ingevolge artikel 48 van de Politiewet 1993. Doordat in beide wetten een gelijkluidende bevoegdheid voor de minister van BZK is opgenomen om regels te geven over de informatie- en communicatievoorzieningen en het gebruik daarvan, kan hij ervoor zorgen dat de ontwikkelingen binnen de organisaties die onder de Politiewet 1993 en dit wetsvoorstel vallen, met elkaar in de pas lopen.
De minister van BZK kan met gebruikmaking van deze bevoegdheid, aanvullend op hetgeen in het kader van de gemeenschappelijke regeling voor ICT is afgesproken (zie artikel 20), inhoudelijke voorschriften vaststellen ten aanzien van de informatie- en communicatievoorzieningen. Hij kan bijvoorbeeld kaders voorschrijven waarbinnen de informatieuitwisseling plaatsvindt, zoals het gebruik van bepaalde (uitwisselings-) standaarden, koppelvlakken en het definiëren van de informatie die uitgewisseld wordt. Artikel 20 De artikelen 19 en 20 bevatten vergelijkbare voorzieningen als de artikelen 47, 47a en 48 van de Politiewet 1993. Waar in de artikelen 47 en 47a is gekozen voor een eigen samenwerkingsfiguur, wordt in het onderhavige wetsvoorstel gekozen voor de samenwerkingsvorm die in het publiekrechtelijk organisatierecht voorhanden is, nl. de gemeenschappelijke regeling op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het ingevolge dit artikel bij gemeenschappelijke regeling in het leven te roepen openbare lichaam heeft van rechtswege rechtspersoonlijkheid. Dit vloeit voort uit
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3
66
artikel 8, eerste lid, eerste volzin, Wgr. Het aldus opgerichte samenwerkingsverband treedt op als multidisciplinaire vraagorganisatie (voor de brandweerorganisatie en de GHOR). Bij de gemeenschappelijke regeling worden de informatiebehoefte van de regio’s (de «vraag naar informatie»), het vaststellen van gezamenlijke kaders, standaarden en kwaliteitseisen op het gebied van de informatie- en communicatievoorziening in kaart gebracht. De multidisciplinaire vraagorganisatie krijgt zijn input vanuit de monodisciplinaire kolommen. Dit betekent dat ook de afzonderlijke disciplines de eigen (monodisciplinaire) informatiebehoefte inzichtelijk moeten maken. De verantwoordelijkheid en positie van de betrokken partijen kunnen het maken van gezamenlijke keuzes in de weg staan. Om bij dergelijke impasses toch voortgang te kunnen boeken, kan de minister van BZK het bestuur van het bij gemeenschappelijke regeling ingestelde openbaar lichaam aanwijzingen geven. In artikel 17 is opgenomen dat op regionaal niveau afspraken tussen het bestuur van de veiligheidsregio en het regionale politiecollege over de informatievoorziening worden gemaakt. Verder kan het ingevolge artikel 20 ingestelde openbaar lichaam afspraken maken met Politie Nederland over de informatie-uitwisseling en de inrichting van de informatievoorziening.
Concrete voorbeelden van activiteiten waarover afspraken kunnen worden gemaakt zijn het opstellen van gezamenlijke kaders voor de informatievoorziening, het vaststellen van communicatiestandaarden, het afstemmen van werkprocessen, het realiseren van uniforme aansluiting op elkaars systemen en op die van andere veiligheidspartners. Artikel 21 Een kwaliteitszorgsysteem is een managementsysteem met het doel de bedrijfsvoering in een organisatie, zowel in profitals non-profitorganisaties te verbeteren. Er zijn verschillende managementsystemen gangbaar waaronder het INK-model, ISO en HKZ-harmonisatiemodel. Met het kwaliteitszorgsysteem worden op systematische wijze de kwaliteit van de taakuitvoering, de resultaten en het beheer bewaakt, beheerst en verbeterd. Het kwaliteitszorgsysteem is toegespitst op de disciplines brandweerzorg, GHOR en politie. Bij de drie hulpverleningsdiensten is het gebruik van een kwaliteitszorgsysteem al gangbaar, bij de politie is het gebruik van een dergelijk systeem, gebaseerd op het model Nederlandse kwaliteit (INK), wettelijk verplicht. Bij de brandweerzorg wordt het INK-model, beschreven in het Handboek kwaliteitszorg brandweer, in toenemende mate geïmplementeerd. Bij de GHOR is naar verwachting in 2007 ongeveer 90% van de regio’s HKZ-gecertificeerd. Ook hier is de trend zichtbaar om door te groeien naar implementatie van het INK-model.