CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Memorie van toelichting Wet op de Veiligheidsregios.pdf

gemeenteraad 18 januari 2022, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Noodopvang Asielzoekers47.565 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

Landelijke voorschriften zijn eveneens nodig om opschaling tijdens een zeer grote ramp of crisis mogelijk te maken. Onderlinge bijstandsverlening vereist bijvoorbeeld uniformiteit, onderlinge uitwisselbaarheid en aansluiting van systemen op elkaar. Het uitgangspunt is dat de landelijke voorschriften uiterst beperkt dienen te blijven. Niettemin wees een aantal partijen, zoals de VNG, het IPO en de NVBR tijdens de consultatieronde in hun commentaar op het conceptwetsvoorstel op het grote aantal aangekondigde amvb’s. Dit heeft ertoe geleid dat de behoefte daaraan nogmaals kritisch is bezien. Veel van de voorschriften in dit wetsvoorstel bestaan echter al en zijn gebaseerd op bestaande wetten. Bovendien is in een aantal gevallen sprake van voorschriften die zijn gebaseerd op Europese (veiligheids)voorschriften; Nederland is gehouden die in de nationale regelgeving over te nemen. Hier valt dus geen «winst» te boeken bij het terugdringen van centrale regelgeving. Bij amvb kunnen kwaliteitseisen gesteld worden. Daarnaast heeft de minister de mogelijkheid om landelijke doelstellingen vast te stellen. Deze zijn reeds toegelicht in hoofdstuk 4. De kwaliteitseisen komen voor een aantal onderdelen overeen met die uit de huidige wet- en regelgeving zoals eisen te stellen met betrekking tot personeel en materieel.

In de nieuwe situatie worden bovendien nadere kwaliteitseisen gesteld aan de voorbereiding van de rampenbestrijding en crisisbeheersing. Het gaat daarbij in ieder geval om een basisniveau dat door de minister wordt vastgesteld ten aanzien van de melding en alarmering, de op- en afschaling, de leiding en coördinatie en het informatiemanagement. Uit verschillende onderzoeken door onder andere de IOOV komt naar voren dat de kwaliteit van een aantal kritische multidisciplinaire processen binnen de rampenbestrijding onvoldoende is geborgd. De evaluaties van de vuurwerkramp in Enschede en de Nieuwjaarsbrand in Volendam, en ook recent het onderzoek van de IOOV «Bestuurlijke aansturing van de brandweerzorg» hebben de processen melding en opschaling, leiding en coördinatie en operationeel informatiemanagement als zwak ontwikkeld aangemerkt. Uit dezelfde onderzoeken komt naar voren dat deze multidis-

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

34

ciplinaire processen kritisch zijn voor het systeem van rampenbestrijding en crisisbeheersing en dat verbetering ervan van wezenlijk belang is. Bij het verbeteren van de kritische processen worden minder vrijblijvendheid, meer uniformiteit, een minimum prestatieniveau en een toetsingskader voor de IOOV als uitgangspunten gehanteerd. Het stellen van kwaliteitseisen aan de taakuitvoering van de veiligheidsregio’s is een van de verbetermaatregelen. De minister van BZK heeft op 18 april 2007 in een algemeen overleg met de Tweede Kamer aangekondigd dat dergelijke eisen worden ontwikkeld. Op basis van deze aankondiging worden onder andere basisvereisten opgesteld voor de drie bovengenoemde kritische multidisciplinaire processen. De eisen moeten ertoe leiden, dat de feitelijke bestrijding van een incident volgens vastgelegde normen gaat verlopen. De eisen betreffen bijvoorbeeld de beschikbaarheid van sleutelfunctionarissen, de capaciteit van de meldkamer en het tempo en de structuur van de opschaling. Het wetsvoorstel voorziet daarnaast in een aantal mogelijkheden om bij of krachtens amvb dan wel bij ministeriële regeling kwaliteitseisen te stellen met betrekking tot verschillende onderdelen van onder het bestuur van de veiligheidsregio ressorterende diensten.

Hierbij valt te denken aan eisen betreffende: • de organisatie van de brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing alsmede aan de taakuitvoering door en de bekwaamheid van degenen die zijn aangesteld of aangewezen met het oog op de bestrijding van branden, zware ongevallen, rampenbestrijding en crisisbeheersing. • het opleidingsniveau en de geoefendheid van het personeel dat werkzaam is in een meldkamer en over de prestaties en professionaliteit van de meldkamerfunctie. Dit zijn bijvoorbeeld eisen die betrekking hebben op het hanteren van procedures, wijze van samenwerking, snelheid van opschalen en opleidingsniveau van de medewerkers. Doel van deze eisen is om de meldkamerfunctie krachtiger te positioneren. • de informatie- en communicatiehuishouding van de veiligheidsregio en de daarin werkzame operationele organisaties. Al deze eisen betreffen zowel de brandweer (ook indien het personeel daarvan in dienst is van de gemeente) als de GHOR en de meldkamer en gelieerden. • het kwaliteitszorgsysteem van de regio; Hierbij ligt het voor de hand dat de trend wordt voortgezet van toepassing van het INK-model voor de brandweer en het HKZ-model voor de GHOR. Wellicht dat op termijn gekomen kan worden tot één model voor de gehele ambtelijke organisatie van de veiligheidsregio. • het brandweer- en reddingsmaterieel. • bedrijfsbrandweren.

Inhoudelijk zal de sturing door het Rijk zich voornamelijk richten op het waarborgen van een minimum kwaliteitsniveau.

Samenwerking In het wetsvoorstel is de mogelijkheid opgenomen dat regels gesteld worden over samenwerking tussen veiligheidsregio’s en regionale politiekorpsen, het Korps landelijke politiediensten (KLPD) en de Koninklijke marechaussee (Kmar) voor zover dit betreft de uitvoering van de politietaak op de luchthaven Schiphol en andere luchthavens. Dergelijke regels kunnen bepaalde aspecten of taakgebieden betreffen waarbij uniformiteit van de uitvoering essentieel is en de totstandkoming van verschillende convenanten tussen betrokken partners niet voldoende adequaat is. Wanneer deze regels raken aan de handhaving van de strafrechtelijke rechtsorde dan wel aan overige taken ten dienste van de justitie worden de regels gegeven door de minister van BZK en de minister van Justitie

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

35

gezamenlijk. Wat betreft regels met betrekking tot de Kmar is voorzien dat deze in overeenstemming met de minister van Defensie worden geformuleerd.

Benoeming brandweercommandant en directeur GHOR Het is van groot belang dat de betrokken organisaties op functies van strategisch belang beschikken over leidinggevenden met de juiste capaciteiten. Aangezien de veiligheidsregio is vormgegeven als een gemeenschappelijke regeling waarbij een openbaar lichaam is ingesteld, ligt het in de rede dat het bestuur van het openbaar lichaam het eigen personeel benoemt. Met de VNG worden afspraken gemaakt over de toepassing van het LMD-beleid bij de vervulling van vacatures. 7. Samenwerking

7.1 Samenwerking met het regionale college politie Zoals in paragraaf 3.2 van deze toelichting aangegeven, gaat het voorliggende wetsvoorstel uit van de huidige organisatie van de politie. Dat betekent dat het veiligheidsbestuur en het regionale college als juridische entiteiten naast elkaar zullen bestaan. Een formele juridische integratie van deze besturen is op dit moment, mede gezien de wens van de VNG om niet nu tot integratie van de besturen over te gaan, niet aan de orde; intensieve samenwerking tussen de besturen wel. In de huidige praktijk is reeds te zien dat de besturen van de brandweer, de GHOR en de politie in veel regio’s intensief samenwerken. Dat zal met de vorming van één bestuur voor de veiligheidsregio zo blijven. Alleen al het gegeven dat de burgemeesters van de regio zitting hebben in beide besturen, bevordert de samenhang in de besluiten van de beide besturen. Ook het feit dat de voorzitter van de veiligheidsregio tevens voorzitter van het regionale college is, draagt daar aan bij. In de praktijk zal het er op neer komen dat de besturen inzake de veiligheid een integraal beleid voeren en de besluiten op elkaar afstemmen, juist waar het gaat om het leggen van dwarsverbanden tussen de regionale beleidsplannen, waarin uitwerking wordt gegeven aan de landelijke, regionale en lokale beleidsprioriteiten.

Daarnaast kent het wetsvoorstel de verplichting om in een convenant de formele aspecten van de samenwerking tussen de beide besturen vast te leggen. In ieder geval worden de terreinen benoemd waarop de samenwerking plaatsvindt, de wijze waarop wordt samengewerkt, de besluitvormingsprocedures en de verantwoordelijkheden van de verschillende actoren. Ook worden op basis van het convenant de operationele prestaties van de politie afgestemd voor zover het de taken van de politie op het gebied van rampen, zware ongevallen en crises betreft. In het convenant worden verder afspraken gemaakt over het afstemmen van de beleidsplannen van het bestuur van de veiligheidsregio en het regionale college van politie, bijvoorbeeld door de beleidsplannen onderwerp te laten zijn van een gezamenlijke vergadering. Ook bevat het convenant afspraken ten aanzien van de meldkamerfunctie. De hoofdofficier van justitie heeft verschillende mogelijkheden de beleidsvorming van het bestuur van de veiligheidsregio te beïnvloeden en daarmee de voorbereiding op de rampenbestrijding en crisisbeheersing en de taakuitvoering van de politie daarin. De belangrijkste is zijn positie in het regionale college van politie. Ten eerste bij het afsluiten van het convenant tussen het regionale college en het bestuur van de veiligheidsregio.

Ten tweede bij de rol die het regionale college krijgt bij het opstellen van het risicoprofiel voor de veiligheidsregio en tot slot dient het bestuur van de veiligheidsregio samenhang aan te brengen tussen het beleidsplan veiligheidsregio en het beleidsplan politie met het regionale college van politie.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

36

In de responsfase heeft de hoofdofficier van justitie zitting in het RBT. De korpschef neemt, afhankelijk van het soort ramp of crisis, aan de vergaderingen van het RBT deel en kan, afhankelijk van de soort ramp of crisis, door de voorzitter van de veiligheidsregio worden aangewezen als regionaal operationeel leider.

7.2 Samenwerking met crisispartners Het bestuur van de veiligheidsregio zal met diverse partijen samenwerken. Het gaat hier bijvoorbeeld om de waterschappen, het Openbaar Ministerie (OM) en andere overheidsdiensten, waaronder de gedeconcentreerde diensten en het Regionaal Militair Commando. Deze partijen worden aangeduid als crisispartners. Daarnaast zijn er nog private partijen, die door hun expertise en capaciteiten een belangrijke rol kunnen spelen bij de crisisbeheersing, zoals ziekenhuizen, de Koninklijke Nederlandse Reddingsmaatschappij (KNRM), de Koninklijke Nederlandse Bond tot het Redden van Drenkelingen (KNBRD), het Nederlandse Rode Kruis, ProRail, de NS en andere bedrijven, zoals de energiebedrijven en de (petro-)chemische industrie. Het doel van deze samenwerking is dat partijen gezamenlijk voorbereidingen treffen en dat coördinatie bij de aanpak van de ramp of crisis tot stand komt. Bij deze samenwerking is het uitgangspunt dat de wettelijke taken en bevoegdheden van alle betrokkenen intact blijven. Mede om deze reden is er niet voor gekozen deze functionarissen wettelijk te verplichten deel te nemen aan het bestuur van de veiligheidsregio of het RBT. In het wetsvoorstel zijn maatregelen opgenomen om de benodigde samenwerking te bevorderen. De crisispartners worden bij essentiële onderdelen betrokken.

Afhankelijk van taak, positie en situatie betreft het de volgende onderdelen: • deelname aan de vergaderingen van het bestuur van de veiligheidsregio • deelname aan periodieke vergadering met alle crisispartners • deelname aan de vergaderingen van het RBT • kenbaar maken van de zienswijze op het risicoprofiel • afspraken over oefenen • afspraken over operationele prestaties • afstemming in de planvorming. De deelname aan de vergaderingen van het bestuur van de veiligheidsregio gebeurt op uitnodiging van de voorzitter. De hoofdofficier van justitie, als vertegenwoordiger van het OM, en de voorzitters van de betrokken waterschappen als vertegenwoordigers van bestuursorganen ontvangen standaard een uitnodiging. Indien het grondgebied van een veiligheidsregio in meer dan één waterschap is gelegen, bepalen de betrokken voorzitters van de waterschappen wie van hen deelneemt aan de vergaderingen. De crisispartners, het OM en de waterschappen maken geen deel uit van de gemeenschappelijke regeling van het bestuur van de veiligheidsregio. Zij hebben de functie van adviseur en hebben geen stemrecht. Daarnaast nodigt de voorzitter van de veiligheidsregio andere functionarissen uit de vergaderingen van het bestuur bij te wonen, wanneer hun aanwezigheid in verband met de te behandelen onderwerpen van belang is.

Om de betrokkenheid van alle crisispartners in de regio te verzekeren, zijn bovenstaande zaken in de wet opgenomen. Het contact met het bestuur van de veiligheidsregio zal tot uitdrukking komen in een jaarlijks te organiseren vergadering waar gemeenschappelijke thema’s kunnen worden besproken. In ieder geval zullen de risico’s in de regio besproken worden tijdens dit overleg.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

37

Een aantal van de crisispartners betreft functionarissen van gedeconcentreerde diensten (ook wel aangeduid als: rijksheren), die afhankelijk van sectorale wetgeving kunnen optreden ten tijde van een crisis. Het betreft hier bijvoorbeeld de hoofdingenieurs-directeur van Rijkswaterstaat, de regionaal geneeskundig inspecteurs voor VWS en de regionaal inspecteurs van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM). Hierna worden deze voorbeelden kort toegelicht. De hoofdingenieurs-directeur van Rijkswaterstaat zijn als bevoegd gezag verantwoordelijk voor het beheer van de rijksoppervlaktewateren (inclusief waterkwaliteitsbeheer) en van de waterstaatswerken. Daarnaast zijn zij als bevoegd gezag verantwoordelijk voor het nautisch beheer op scheepvaartwegen. Zij voeren tevens het beheer over het rijkswegennet. Bij crisisbeheersing gebruiken zij hun reguliere of bijzondere bevoegdheden op dit gebied. Tevens adviseren zij het bestuur van de veiligheidsregio in de preparatie- en de responsfase. De regionaal geneeskundig inspecteur voor VWS oefent toezicht uit op de kwaliteit van de gezondheidszorg. In de preparatieen responsfase heeft hij ook een adviserende rol voor het bestuur van de veiligheidsregio.

De regionaal inspecteur van de VROM-inspectie oefent toezicht uit op de vergunningverlening door gemeenten en hij heeft een eerstelijnsbevoegdheid bij een drinkwaterincident. Dit geldt zowel voor de preparatie- als de responsfase. Hij legt hierover verantwoording af aan de inspecteur-generaal. Het optreden van het RBT en van de afzonderlijke burgemeesters doorkruist niet de wettelijke bevoegdheden van crisispartners tijdens een daadwerkelijke ramp of crisis. De adviestaak van crisispartners met eerstelijnsbevoegdheden of inspectietaken mag niet in het gedrang komen. Om ieders verantwoordelijkheid tijdens een daadwerkelijke ramp of crisis zo goed mogelijk tot uitdrukking te laten komen, is een goede voorbereiding op mogelijke rampen, zware ongevallen en crises essentieel. De besturen van de waterschappen en de gedeconcentreerde diensten worden door het bestuur van de veiligheidsregio uitgenodigd hun zienswijze kenbaar te maken op het risicoprofiel, dat een belangrijk fundament van het regionaal beleidsplan vormt. Het crisisplan bevat een overzicht van de afspraken die met de crisispartners gemaakt zijn. Het crisisplan dient niet strijdig te zijn met plannen die op grond van sectorale wetgeving gemaakt worden (zie paragraaf 4.1 planvorming). Bij de planvorming worden afspraken gemaakt over de samenwerking in de responsfase. Deze samenwerking wordt beschreven in het crisisplan.

De crisispartners kunnen in deze fase afspreken op welke wijze de samenwerking in de responsfase wordt vormgegeven, waarbij nadrukkelijk de eigenstandige verantwoordelijkheden van de crisispartners en van het bestuur van de veiligheidsregio in stand dienen te blijven. Onder buitengewone omstandigheden kunnen vertegenwoordigers van het Rijk in de hoedanigheid van rijksheer een belangrijke rol vervullen. Er is sprake van buitengewone omstandigheden als een vitaal belang wordt bedreigd en de normale bevoegdheden ontoereikend zijn om deze dreiging aan te pakken. Noodwetgeving wordt dan van kracht verklaard. Een rijksheer kan op grond van een mandaat in een bepaald gebied namens zijn minister een bepaalde noodbevoegdheid uitoefenen. De minister zelf behoudt de regie en kan dus ook zelf over de desbetreffende noodbevoegdheden beschikken. De noodwetgeving spreekt overigens van een «aangewezen autoriteit» en gebruikt de term rijksheer niet. Het zijn namelijk niet uitsluitend bij gedeconcentreerde rijksdiensten werkzame ambtenaren die op grond van de noodwetgeving gemandateerd kunnen worden. Voorbeelden van rijksheren onder buitengewone omstandigheden zijn de directeuren van de kamers van koophandel die in deze

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

38

gevallen optreden als economisch commissaris voor de minister van EZ en de regionale directeuren van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) die als voedselcommissaris fungeren voor de minister van LNV. In de toekomst zullen de hoofdingenieurs-directeur van Rijkswaterstaat worden aangewezen als rijksheer voor Verkeer en Waterstaat. Een andere belangrijke crisispartner is de hoofdofficier van justitie als vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie. Het OM is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en met andere bij wet vastgestelde taken. De hoofdtaak van het Openbaar Ministerie bestaat uit de opsporing en vervolging van strafbare feiten en het toezicht op de uitvoering van strafvonnissen. De hoofdofficier van justitie is lid van het regionale college van politie en beslist daar mee over het beleid en het beheer van de politie. Bovendien maakt de hoofdofficier deel uit van de beheersdriehoek politie. Als lid van het regionale college van politie is de hoofdofficier in het huidige stelsel partij bij de afspraken die in het convenant tussen het regionale college en het bestuur van de veiligheidsregio zijn gemaakt. Het bestuur van de veiligheidsregio zal de hoofdofficier van justitie standaard uitnodigen deel te nemen aan de vergaderingen van het bestuur. Dit gelet op de verwevenheid van de taken van betrokkenen.

Dit betekent onder meer dat de stukken zullen worden toegezonden en het aan de hoofdofficier wordt gelaten al dan niet aan de vergadering deel te nemen. De hoofdofficier heeft geen stemrecht in het bestuur van de veiligheidsregio. De (hoofd)officier van justitie zal deel uitmaken van het regionale beleidsteam in de responsfase (zie hoofdstuk 8) omdat bij iedere ramp of crisis vermoedelijk strafrechtelijke implicaties ontstaan. De gezagsdriehoek blijft bestaan naast het RBT, waarbij in het geval van een bovenlokale ramp of crisis de voorzitter van de veiligheidsregio bij de handhaving van de openbare orde het gezag over de politie uitoefent. De waterschappen spelen een belangrijke rol bij rampenbestrijding en crisisbeheersing. De organisatie van waterschappen is gebaseerd op de Waterschapswet. De taken van de waterschappen zijn onder meer de zorg voor de waterkering, de waterkwaliteit en de waterkwantiteit. Het waterschap stelt een calamiteitenplan op als bedoeld in artikel 69 van de Waterstaatswet 1900 dat betrekking heeft op waterstaatswerken. Bij waterstaatkundige calamiteiten bestaat er een nauw raakvlak tussen de bevoegdheden van de voorzitter van het waterschap en de burgemeester. De voorzitter van het waterschap waarin de veiligheidsregio is gelegen, is een bestuurder en wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de vergaderingen van het bestuur de veiligheidsregio.

Indien de veiligheidsregio op het grondgebied van meer dan één waterschap is gelegen, bepalen de betrokken voorzitters wie van hen deelneemt aan de vergadering van het bestuur van de veiligheidsregio. Het stemrecht in het bestuur van de veiligheidsregio is echter gerelateerd aan de in dit wetsvoorstel opgedragen taak aan de deelnemende gemeenten. De voorzitter van het waterschap heeft in het bestuur van de veiligheidsregio dan ook geen stemrecht. De waterschappen hebben hun eigen wettelijk opgedragen taak en een eigen bestuur. Aan het verzoek van de Unie van Waterschappen, gedaan in haar reactie op het concept-wetsvoorstel, om volwaardig lid te worden van het bestuur van de veiligheidsregio meent het kabinet dan ook niet te kunnen voldoen. Met de waterschappen zal op drie punten afstemming plaatsvinden: het risicoprofiel, het beleidsplan en de gemaakte afspraken over de afstemming tijdens een crisis worden vastgelegd in het crisisplan. De voorzitters van alle betrokken waterschappen worden ook uitgenodigd voor de vergaderingen van het RBT. Het wordt aan hen overgelaten of hun

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

39

aanwezigheid, afhankelijk van het incident, noodzakelijk is. De Unie van Waterschappen heeft in haar reactie op het concept-wetsvoorstel aangegeven in het RBT eenzelfde positie te wensen als die van de burgemeesters. Dit is in zoverre het geval, dat er in het RBT niet gestemd wordt. De positie van de voorzitter van het waterschap in de gemeenschappelijke besluitvorming is daarmee gelijk aan die van de burgemeester. De voorzitter van het waterschap behoudt daarbij zijn eigen verantwoordelijkheden. De vervanging en vertegenwoordiging van de voorzitters van het waterschap bij de vergaderingen van het bestuur van de veiligheidsregio en het RBT zijn in de wet niet geregeld. Het is aan de voorzitters van de waterschappen om hiervoor in overleg met de voorzitter van het regionale bestuur voorzieningen te treffen. Er bestaat een nauw raakvlak tussen de bevoegdheden van de hoofdingenieur-directeur (HID) van Rijkswaterstaat en die van de waterschappen. Beiden hebben de zorg voor de waterkering, waterkwaliteit en waterkwantiteit in hun wateren. De waterschappen zijn voor een deel van hun crisisbevoegdheden afhankelijk van wat Rijkswaterstaat doet. De HID is als beheerder en leverancier van de informatie rond overstromingen het bevoegd gezag op de rijksscheepvaartwegen.

De HID heeft wettelijke bevoegdheden ten aanzien van (onder meer) het beheer van rijksoppervlaktewateren en de rijkswaterkeringen. Bij gevaar voor wateren en waterkeringen is deze functionaris onder meer bevoegd de maatregelen te treffen die hij nodig oordeelt, zonodig in afwijking van de wet (artikel 72 Waterstaatswet 1900). Wat de waterschappen doen voor wateren en waterkeringen in hun beheer, doet de HID voor rijkswateren en waterkeringen. De HID is als waterbeheerder tevens de ontvanger van de risico’s van de waterschappen in de rijksoppervlaktewateren. De rijkshavenmeester is door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen als bevoegde autoriteit voor de nautische veiligheid en het scheepvaartverkeer. Hij voert rijkstaken uit. Er is een nauwe relatie met het werkterrein van de HID. De rijkshavenmeester is verantwoordelijk voor de veiligheid van het scheepvaartverkeer op rijksscheepvaartwegen in zijn gebied. De samenwerking tussen HID, rijkshavenmeester en het bestuur van de veiligheidsregio vindt onder meer plaats door de afstemming van de calamiteitenplannen die op grond van de Waterstaatswet 1900 door alle beheerders van waterstaatswerken gemaakt moeten worden. Verder vraagt het bestuur van de veiligheidsregio de zienswijze van door andere ministers aan te wijzen functionarissen over het risicoprofiel.

Daartoe kan de minister van V&W de HID en de rijkshavenmeester aanwijzen. Ook worden de HID en de rijkshavenmeester uitgenodigd voor een jaarlijks overleg over de risico’s in de regio. Bovendien nodigt de voorzitter partners als de genoemde functionarissen uit deel te nemen aan de bestuursvergadering, bijvoorbeeld bij de behandeling van onderwerpen waarbij deze partners inbreng kunnen hebben.

1

RMC Noord: Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel, Flevoland en Gelderland. RMC West: Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht. RMC Zuid: Noord-Brabant, Zeeland en Limburg.

In de brief aan de Tweede Kamer d.d. 24 mei 2006 (Kamerstukken II 2005/06, 30 300 X, nr. 106) hebben de ministers van Defensie en BZK, hun voornemens uitgesproken over de decentrale borging van de civielmilitaire samenwerking vanuit de behoefte om Defensie structureel en vroegtijdig te betrekken bij de voorbereiding op rampen en crises. Het is gebleken dat civiele bestuurders en militaire commandanten elkaar niet altijd weten te vinden en dat er soms sprake is van een zekere terughoudendheid om naar elkaar toe te stappen. De Commandant Regionaal Militair Commando (C-RMC) speelt een belangrijke rol bij de decentrale samenwerking. Nederland is ingedeeld in drie Regionale Militaire Commando’s (RMC’s)1. De drie RMC’s omvatten elk meerdere veiligheids-

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

40

regio’s. De adviescapaciteit van de C-RMC wordt dusdanig uitgebreid dat iedere veiligheidsregio kan beschikken over een eigen militaire adviseur: de officier veiligheidsregio. De C-RMC is in zijn regio het eerste aanspreekpunt voor overheden, civiele instanties en personen voor elke vorm van civiel-militaire samenwerking. De C-RMC is bekend met de actuele geplande militaire operaties in zijn gebied en is op de hoogte van bijvoorbeeld de bezetting van militaire oefenterreinen en infrastructurele en facilitaire zaken. Voor aanvragen van militaire bijstand is bovendien een bataljon van de Nationale Reserve beschikbaar, dat onder andere kan worden ingezet bij binnenlandse crisissituaties. Daarnaast beheert de C-RMC de kazernes en terreinen van de landmacht. De C-RMC ondersteunt alle defensiemedewerkers en militaire eenheden in zijn gezagsgebied. In genoemde brief is vastgesteld dat Defensie een rol zal spelen bij evacuatie, inrichten van verzamelpunten, inrichten van een noodhospitaal en dergelijke. Om een goede civiel-militaire samenwerking te bewerkstelligen treedt de C-RMC of de officier veiligheidsregio op als liaison («verbindingsofficier») tussen het bestuur van de veiligheidsregio en Defensie.

De C-RMC steunt de veiligheidsregio’s bij de planvorming op het terrein van crisisbeheersing en rampenbestrijding en adviseert daarbij over de inzetmogelijkheden van militaire capaciteiten. Verder is de C-RMC intermediair bij de planning en uitvoering van de militaire bijdrage aan multidisciplinaire oefeningen en zal daartoe zonodig overleg voeren met het bestuur van de veiligheidsregio. Wanneer militaire bijstand wordt geleverd, coördineert de C-RMC de daadwerkelijke inzet van de militaire middelen onder lokaal gezag zodat zijn positie op dat moment gelijkwaardig is aan die van de korpschef, de brandweercommandant en de directeur GHOR. De C-RMC zal in dit verband op uitnodiging van de voorzitter van het RBT ook een actieve rol spelen in het planningsproces aangezien hij inzicht heeft in de capaciteiten, mogelijkheden en beperkingen van de militaire organisatie.

7.3 Internationale samenwerking Bij de uitvoering van dit wetsvoorstel moet rekening gehouden worden met de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van Helsinki. De landen die dit internationaal Verdrag hebben ondertekend, verbinden zich ertoe passende maatregelen te nemen en onderling samen te werken om de mens en het milieu te beschermen tegen industriële ongevallen met grensoverschrijdende gevolgen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Binnen de Europese Unie geldt bovendien de Seveso II-richtlijn, die betrekking heeft op de preventie van zware ongevallen en op de beperking van de gevolgen daarvan voor mens en milieu, en die ook bepalingen inzake grensoverschrijdende samenwerking bevat. De EU heeft het Verdrag van Helsinki goedgekeurd onder voorbehoud van het gebruik van drempelwaarden zoals die in Seveso II gehanteerd worden (zie Besluit 98/685/EG van de Raad van 23/93/1998 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen). Daarnaast moet Nederland bij de uitvoering van dit wetsvoorstel rekening houden met de verplichting om bij een ernstige noodsituatie, waarbij andere EU-lidstaten kunnen worden bedreigd of getroffen door de gevolgen van een crisis op Nederlands grondgebied, de Europese Commissie te informeren.

Deze verplichting vloeit voort uit de Beschikking van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2001 tot vaststelling van een communautair mechanisme ter vergemakkelijking van

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

41

versterkte samenwerking bij bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming.(Beschikking 2001/792/EG, Euratom, Pb EG2001, L297). Via dit bijstandsmechanisme kan, indien noodzakelijk, via de Europese Commissie ook aan andere EU-lidstaten om bijstand in een ramp of crisissituatie worden gevraagd. Het informeren van de Europese commissie en het indienen van een verzoek om bijstand bij de Europese Commissie geschiedt door de minister van BZK via het Nationaal Crisis Centrum (NCC). 8. Optreden in de responsfase

8.1 Eenhoofdig gezag bij bovenlokale rampen en crises In het Beleidsplan Crisisbeheersing 2004–2007 (Kamerstukken II 2003/04, 29 668, nr. 1) is uiteengezet dat de huidige structuur bij bovenlokale incidenten belangrijke knelpunten kent. Ook zijn in het beleidsplan criteria genoemd waaraan een nieuwe structuur zou moeten voldoen. Deze criteria zijn eenheid, eenduidigheid en eenvoud. Om helderheid te bieden over de structuur in de responsfase is ervoor gekozen om de structuur voor bovenlokale incidenten wettelijk te regelen. Juist ook bij bovenlokale rampen en crises is het van groot belang dat het gezag berust bij één persoon en dat de hiërarchische verhoudingen duidelijk zijn. Hoe ingewikkelder de situatie, des te groter het belang van een eenvoudige bevelsstructuur. Zonder een eenduidige gezagsstructuur bij bovenlokale rampen en crises bestaat het gevaar van stagnatie in de besluitvorming over te nemen maatregelen en van miscommunicatie in de bevelslijnen naar de betrokken operationele diensten, terwijl het essentieel is dat de operationele diensten één bestuurlijk aanspreekpunt hebben. In het wetsvoorstel is derhalve voorzien in een regeling voor eenhoofdig gezag bij bovenlokale rampen en crises. Dit gezag berust bij de burgemeester die tevens voorzitter van de veiligheidsregio is. De voorzitter van de veiligheidsregio wijst de regionaal operationeel leider aan.

De regionaal operationeel leider neemt deel aan de vergaderingen van het RBT, en hij is op zijn beurt voorzitter van het regionaal operationeel team, dat bestaat uit de leidinggevenden van de betrokken diensten. Aan de keuze om het bovenlokaal gezag toe te vertrouwen aan de burgemeester die voorzitter van de veiligheidsregio is, liggen de volgende overwegingen ten grondslag. In de eerste plaats is het uitoefenen van gezag in het kader van de handhaving van de openbare orde en de rampenbestrijding een verantwoordelijkheid waarmee een burgemeester, zeker een burgemeester van een grote gemeente, vertrouwd is, gelet op de wettelijke taken die hij dagelijks vervult. Het is om die reden wenselijk een burgemeester met het gezag te belasten, zolang dat redelijkerwijs mogelijk is. Opschaling naar een ander bestuurlijk niveau, dat van de commissaris van de Koningin of van de minister van BZK, komt pas in beeld als de afwegingen die bij de uitoefening van de hier aan de orde zijnde bevoegdheden in het geding zijn, het regionale niveau te boven gaan. In de tweede plaats is van belang dat steeds vooraf duidelijk is wie met het bovenlokale gezag is belast. Dat is essentieel voor een goede voorbereiding.

In de derde plaats is van belang dat de voorzitter van de veiligheidsregio een bijzondere verantwoordelijkheid draagt bij de taakuitvoering van de veiligheidsregio ten aanzien van de voorbereiding op de rampenbestrijding en de crisisbeheersing. De spilfunctie die hij daarbij vervult geeft hem meer dan wie ook inzicht in alle risico’s die in de regio aanwezig zijn. De wetenschap dat hij belast zal zijn met het eenhoofdig

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

42

gezag bij bovengemeentelijke rampen en crises, stelt hem in staat en spoort hem aan om de kwaliteit van de voorbereiding van de veiligheidsregio steeds in dat perspectief te beoordelen. In de vierde plaats speelt een rol dat de voorzitter van de veiligheidsregio vanwege zijn rol als korpsbeheerder zeer vertrouwd is met de politie en uit dien hoofde een bestendige werkrelatie heeft met de hoofdofficier van justitie die deel uitmaakt van het regionaal beleidsteam. Om dezelfde reden heeft hij een functionele relatie met de korpschef. Deze vaste relatiepatronen zijn in situaties waarin onder spanning moet worden gewerkt essentieel om slagvaardig te kunnen handelen. Ten slotte is van belang dat de voorzitter van de veiligheidsregio een ervaren bestuurder is. Dat is niet alleen relevant in het overleg met de collega-burgemeesters in het RBT maar ook van belang omdat bij bovengemeentelijke rampen en crises een goede afstemming met andere, bijvoorbeeld nationale autoriteiten noodzakelijk is. Voor die afstemming is het niet zonder betekenis als de betrokken gezagsdrager door alle betrokken partijen als gelijkwaardig wordt gezien. De voorzitter van de veiligheidsregio roept bij bovenlokale rampen en crisis een regionaal beleidsteam bijeen waarin in ieder geval de burgemeesters van de betrokken gemeenten en de hoofdofficier van justitie zitting hebben.

Afhankelijk van de concrete omstandigheden zal de voorzitter ook andere bestuurders en crisispartners uitnodigen deel te nemen aan de vergaderingen van het RBT. De voorzitter van een betrokken waterschap kan aan de vergaderingen van het RBT deelnemen vanuit zijn verantwoordelijkheid voor watergerelateerde rampen en crises. Het kan voorkomen dat niet het waterschap betrokken is bij een watergerelateerd incident, maar de provincie als beheerder van een waterweg. Uiteraard zal de voorzitter dan een vertegenwoordiger van de provincie vragen deel te nemen aan de vergaderingen van het RBT. Daarnaast nodigt de voorzitter alle functionarissen uit, wier aanwezigheid in verband met de omstandigheden van belang is, aan de vergadering deel te nemen. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de Commandant Regionaal Militair Commando, de directeur GGD, vertegenwoordigers namens de provincie als die bijvoorbeeld betrokken zijn als beheerders van provinciale wegen, regionale inspecteurs van VROM bij een ramp of crisis op het gebied van milieu, drinkwater en kernenergie, de rijkshavenmeesters of de HID van de regionale directies van Rijkswaterstaat. Deze laatste heeft verschillende taken en bevoegdheden ten aanzien van waterstaatsaangelegenheden, rijkswegen, luchtvaart en het oppervlaktewater.

De HID kan, zoals hiervoor opgemerkt, als beheerder van onder meer de rijkswateren en waterkeringen in geval van gevaar die maatregelen treffen die hij nodig oordeelt. Voor deze te treffen maatregelen is van belang dat overleg in het RBT plaatsvindt. De afspraken over de samenwerking en deelname aan het RBT zullen worden opgenomen in het regionale crisisplan. Uit deze opsomming moge blijken dat de samenstelling van het RBT telkens maatwerk vraagt, toegesneden op het incident of het type crisis. Het RBT is dus bij uitstek het gremium voor overleg over door de voorzitter en de betrokken crisispartners te nemen maatregelen met betrekking tot de bestrijding van de ramp of crisis, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Het doel van het overleg in het RBT is om waar nodig tot afstemming en coördinatie te komen tussen genomen of voorgenomen maatregelen ter bestrijding van de crisis en de implicaties daarvan voor de openbare orde. Dit overleg kan in de praktijk uiteraard ook worden geïnitieerd door de crisispartners die de voorzitter van de veiligheidsregio bij hun beraad uitnodigen. Het RBT neemt overigens als zodanig geen besluiten, noch over inhoudelijke maatregelen noch over maatregelen ter zake van de openbare orde. De voorzitter van de veiligheidsregio dient in het RBT in ieder geval met

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

43

de betrokken burgemeesters van de betrokken gemeenten te overleggen over het beleid en de besluiten die nodig zijn in het kader van de uitoefening van het bovenlokaal gezag. Het gaat daarbij om het in het betrokken gebied toepassing geven aan openbare orde bevoegdheden die in het wetsvoorstel worden genoemd. In ieder geval de Havenbeveiligingswet, de Waterstaatswet 1900, de Infectieziektewet, de Quarantainewet, de Wet collectieve preventie gezondheid en de Kernenergiewet bevatten bevoegdheden en verantwoordelijkheden die bij de burgemeester zijn belegd ten aanzien waarvan de betrokken minister kan aansturen, bijvoorbeeld in de vorm van een aanwijzing. De burgemeester is daarmee onderdeel van de sectorale crisisstructuur, waarbij de afstemming met het vakministerie is geborgd en de burgemeester op aanwijzing van de sectorminister besluiten en maatregelen neemt ter beheersing van de crisis. Ook het komende wetsvoorstel Publieke gezondheid bevat dergelijke bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de burgemeester en van de betrokken minister. Het is van belang dat bij de beheersing van crises samenhang bestaat tussen de te treffen sectorale maatregelen ter beheersing van de crises en de maatregelen ter handhaving van de openbare orde.

Wanneer een crisis zich beperkt tot één gemeente, zal de burgemeester de bevoegdheden ter beheersing van de crisis, die krachtens de sectorale wetten bij hem zijn belegd kunnen uitoefenen. De crisisbevoegdheden en de bevoegdheden in het kader van de handhaving van de openbare orde liggen dan in een hand. Wanneer een crisis zich bovenlokaal manifesteert, is het consequent om de betreffende bevoegdheden ingevolge de sectorale wetten toe te kennen aan de voorzitter van de veiligheidsregio, die dan immers tevens beschikt over de benodigde bevoegdheden ter handhaving van de openbare orde. In de aanpassingswetgeving bij deze wet zal er in worden voorzien dat de betreffende burgemeesterlijke bevoegdheden ingevolge deze sectorwetten in het geval van een bovenlokale crisis overgaan naar de voorzitter van de veiligheidsregio en eventuele aanwijzingen of andere maatregelen (zoals de inhoud van de te communiceren gedragslijn) van de betrokken minister zich richten tot de voorzitter van de veiligheidsregio. Op basis van de inventarisatie van de crisiswetgeving wordt – gelet op het advies van de Raad van State – bezien welke wetgeving overigens in bovenstaande zin moet worden aangepast.

Hiervoor is aangegeven welke overwegingen ten grondslag liggen aan de keuze om de voorzitter van de veiligheidsregio bij bovenlokale rampenbestrijding en crisisbeheersing met het gezag ten behoeve van de handhaving van de openbare orde te belasten. Dat door de invoering van dit eenhoofdig bovenlokaal gezag bestaande verhoudingen tot op zekere hoogte worden doorbroken, is daarbij onvermijdelijk. Dat is verantwoord, mits voorzieningen worden getroffen die de gevolgen daarvan tot een aanvaardbaar minimum beperken. Dat geldt in het bijzonder de democratische verantwoording over de bovenlokale gezagsuitoefening. Het is noodzakelijk dat over de besluiten die bij de bestrijding van bovenlokale rampen en crises na consultatie van de in het RBT aanwezige burgemeesters worden genomen, op ordentelijke wijze verantwoording wordt afgelegd. Daarbij moet voorop gesteld worden dat de voorzitter van de veiligheidsregio naar redelijke verwachting in veel gevallen besluiten zal nemen die de burgemeesters van de betrokken gemeenten kunnen onderschrijven of billijken. Verwacht mag voorts worden dat in het RBT op basis van de beschikbare informatie overeenstemming zal bestaan over het te voeren beleid en de te nemen maatregelen. De in het RBT aanwezige burgemeesters kunnen zich als lokale gezagsdragers immers goed inleven in de afwegingen die het uitoefenen van gezag met zich brengt. De veron-

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

44

derstelling lijkt daarom gerechtvaardigd dat zij zich in de regel zullen kunnen vinden in de besluiten van de voorzitter van de veiligheidsregio. In die gevallen is materieel sprake van collectief genomen besluiten. Het is echter niet uitgesloten dat de voorzitter van de veiligheidsregio onder bijzondere omstandigheden besluiten neemt die in het RBT niet op consensus kunnen rekenen. Een burgemeester die ernstig bezwaar heeft tegen een voorgenomen besluit omdat hij van oordeel is dat zijn gemeente door dat besluit onevenredig in haar belangen wordt getroffen, kan in het RBT verzoeken daarvan schriftelijk aantekening te laten maken. Nadat de bovengemeentelijke ramp of crisis is beëindigd, verloopt het proces van verantwoording over het gevoerde beleid als volgt. De voorzitter van de veiligheidsregio brengt, in overeenstemming met de burgemeesters die zitting hebben gehad in het RBT brengen (schriftelijk) verslag uit over het verloop van de gebeurtenissen en de genomen besluiten. Zij beantwoorden voorts schriftelijk de vragen van de afzonderlijke gemeenteraden die naar aanleiding van het uitgebrachte verslag worden gesteld. Indien de burgemeesters van de betrokken gemeenten hebben ingestemd met de besluiten van de voorzitter van de veiligheidsregio, kan elke burgemeester daarna afzonderlijk aan zijn gemeenteraad verantwoording afleggen.

In de gevallen waarin de voorzitter van de veiligheidsregio besluiten neemt waarover in het RBT geen overeenstemming kon worden bereikt, verloopt de procedure op onderdelen anders. In het verslag dat over het verloop van de gebeurtenissen en de genomen besluiten wordt uitgebracht, zal gewag moeten worden gemaakt van deze aantekening. Voorts verplicht het wetsvoorstel de voorzitter van de veiligheidsregio om na de procedure van schriftelijke verantwoording op verzoek van de desbetreffende gemeenteraad mondeling inlichtingen te komen verschaffen over het bestreden besluit. Dat laatste impliceert dat de voorzitter van de veiligheidsregio in de desbetreffende gemeenteraad persoonlijk verantwoording moet afleggen. Aldus is verzekerd dat in de gemeenteraad die het aangaat verantwoording wordt afgelegd door de bestuurder die verantwoordelijk is voor het genomen besluit. Op deze wijze is verzekerd dat de gemeenteraden de eigen burgemeester kunnen aanspreken op zijn rol in het RBT en daarover een oordeel kunnen uitspreken. In dit stelsel is het evenzeer mogelijk dat een gemeenteraad de voorzitter van veiligheidsregio ter verantwoording kan roepen over een hem onwelgevallig besluit waartegen de burgemeester van de desbetreffende gemeente in het RBT bezwaar heeft aangetekend.

Duidelijk zal zijn dat de gemeenteraad over het optreden van de voorzitter van de veiligheidsregio een oordeel kan uitspreken. De gemeenteraad heeft echter niet de bevoegdheid aan een eventueel negatief oordeel consequenties te verbinden. Dat is overigens ook niet wenselijk. Indien de uitoefening van het bovenlokaal gezag plaatsvindt in overeenstemming met de burgemeesters van de betrokken gemeenten zijn de afzonderlijke burgemeesters daarop aanspreekbaar en afrekenbaar. Indien die overeenstemming echter niet mogelijk was omdat de belangen van de betrokken gemeenten verschillend werden gewogen, kan het eindoordeel over de belangenafweging die heeft plaatsgevonden, niet worden overgelaten aan de raad van een gemeente. De uitoefening van het eenhoofdig gezag op bovenlokaal niveau ontstijgt naar zijn aard het belang van de afzonderlijke gemeenten. Indien in het publieke proces van het afleggen van verantwoording zou blijken dat de voorzitter van de veiligheidsregio onjuist heeft gehandeld, zal de minister van BZK de betrokken burgemeester daarop aanspreken. Dat kan er in het uiterste geval toe leiden dat deze voorzitter zijn voorzitterschap van het veiligheidsbestuur moet neerleggen.

Met het oog op de beoordeling door de minister van BZK van het functioneren van de voorzitter van de veiligheidsregio als eenhoofdig gezag bij bovengemeentelijke rampen en crises voorziet het wetsvoorstel in het zenden van de verantwoordingsinformatie naar de minister, zij het uitsluitend indien de voorzitter van de

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

45

veiligheidsregio ook mondeling verantwoording heeft moeten afleggen in een gemeenteraad. In alle andere gevallen bestaat voor een beoordeling door de minister geen aanleiding. De voorzitter van het RBT wijst de regionaal operationeel leider (ROL) aan, en stuurt de voorzitter de operationeel leider van het regionaal operationeel team (ROT) aan met het oog op de maatregelen die nodig zijn voor een gecoördineerde inzet. De ROL neemt aan de vergaderingen van het RBT deel. Op zijn beurt geeft hij leiding aan het ROT, waarin de leidinggevenden van de betrokken diensten zitting hebben. De ROL geeft leiding aan het gecoördineerde optreden en zorgt dat de besluiten van de voorzitter van de veiligheidsregio worden uitgevoerd.

8.2 Opsporingsbelangen Als het gaat om een situatie waarin opsporingsbelangen in het geding zijn, heeft de officier van justitie gezag over de politie en kan hij aan de politie de nodige aanwijzingen geven, in het kader van het optreden van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Er zijn nauwelijks rampen, crises of zware ongevallen denkbaar waarbij de strafrechtelijke handhaving niet aan de orde komt, in enig stadium van de respons. Ook als de strafechtelijke component pas in tweede instantie een belangrijke rol gaat spelen, bijvoorbeeld omdat er eerst levensreddende werkzaamheden uitgevoerd moeten worden, dan is het de taak van de hoofdofficier van justitie om de belangen van het strafrechtelijk onderzoek zoveel mogelijk veilig te stellen. In de lokale gezagsdriehoek stemmen de burgemeester, officier van justitie en politiechef het beleid over de taakuitvoering van de politie af. De rol van het RBT laat de rol van de gezagsdriehoek voor de politie onverlet. In de responsfase kan de gezagsdriehoek een functie hebben naast het RBT. De deelnemers zijn de burgemeester, de officier van justitie en het hoofd van het territoriale onderdeel van het regionale politiekorps, binnen welks grondgebied de gemeente valt.

De gezagsdriehoek zal in voorkomende gevallen bijeen komen over de specifieke inzet van de politie: het kan nodig zijn om een afweging te maken tussen de verschillende belangen die een rol spelen in betreffende crisis (openbare orde, veiligheid, handhaving rechtsorde), waarbij een besluit genomen moet worden over de uitvoering van de politietaak. De gezagsdriehoek heeft eveneens een functie als er sprake is van zeer vertrouwelijke informatie, die alleen in deze kring van personen gedeeld kan worden. De conclusies uit het overleg kunnen worden teruggekoppeld in het RBT.

8.3 Terrorisme De begrippen ramp en crisis zijn in dit wetsvoorstel zodanig geformuleerd dat een terroristische aanslag of dreiging daaronder kan vallen. In het Besluit van 14 december 2005, houdende tijdelijke herindeling van ministeriële taken in geval van een terroristische dreiging met een urgent karakter (Staatsblad 2005, 662) zijn taken en bevoegdheden van de minister van Justitie opgenomen, ter voorkoming van een terroristisch misdrijf of om op voorhand de gevolgen daarvan te beperken. De bepalingen in het wetsvoorstel laten de bevoegdheden van de minister van Justitie op grond van dit besluit onverlet, noch brengt het wetsvoorstel wijziging in de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde in algemene zin (zie in dit verband ook de hierboven opgenomen passage over opsporingsbelangen).

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

46

Ook brengt dit wetsvoorstel geen wijziging in de positie en de rol van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb), die, onder verantwoordelijkheid van de ministers van Justitie en van BZK, een centrale rol vervult bij de aansturing van diensten wanneer een crisis voortvloeit uit een terroristische daad.

8.4 Bijstand Bijstand is een specifieke vorm van tijdelijke steunverlening aan de veiligheidsregio in het kader van de bestrijding of beheersing van een ramp, ongeval of crisis. In het kader van dit wetsvoorstel kan bijstand betrekking hebben op steunverlening door: – een brandweerorganisatie van een andere regio; – een brandweerorganisatie uit een omliggend land; – een organisatie, belast met ambulancevervoer uit een andere regio; – een organisatie, belast met ambulancevervoer uit een omliggend land; – provinciale diensten; – rijksdiensten; – militairen (als bijzondere vorm van steunverlening). Bijstand tussen politiekorpsen en bijstand aan de politie is afzonderlijk geregeld in de Politiewet 1993. Bijstand heeft een tijdelijk karakter en kan zowel personele als materiële bijstand omvatten. De procedure voor het aanvragen van bijstand verandert ten opzichte van de bestaande wetgeving: het verzoek tot bijstand wordt niet langer gedaan door de burgemeester, maar door de voorzitter van de veiligheidsregio. Bij een incident op gemeentelijk niveau zal allereerst in het kader van onderlinge steunverlening een beroep worden gedaan op de omliggende gemeentelijke brandweerkorpsen. Als de regionale capaciteit niet volstaat, doet de voorzitter van het bestuur van de veiligheidsregio een verzoek om bijstand aan de minister van BZK.

Hiermee is deze procedure analoog aan de procedure van politiebijstand, waar het de korpsbeheerder is die, op aanvraag van de burgemeester, bijstand aanvraagt als de capaciteit van het eigen regionale politiekorps op enig moment niet toereikend is. Als een RBT is ingesteld (wat meestal het geval zal zijn als een incident zo’n omvang heeft dat bijstand noodzakelijk is) heeft de voorzitter van de veiligheidsregio direct zicht op de ontwikkeling die zal nopen tot bijstandsaanvraag. Als geen RBT is ingesteld, ligt het in de rede dat de betrokken burgemeester de voorzitter van de veiligheidsregio in een vroeg stadium informeert. Omdat de operationele aansturing is gericht op het regionale niveau hoeft de commissaris van de Koningin zich niet langer op de operationele aansturing te richten. Wel dient de commissaris van de Koningin over de bijstandsaanvraag te worden geïnformeerd. Het Landelijk Operationeel Coördinatie Centrum (LOCC) adviseert de minister van BZK bij aanvragen om bijstand. Als de bijstand wordt verleend door een brandweerorganisatie of door een organisatie van ambulancevervoer van een andere regio, dan richt de minister zich tot de voorzitter van de betrokken regio. Als de bijstand wordt geleverd door een provinciale dienst, dan richt de minister zich tot de commissaris van de Koningin.

Indien de bijstand bestaat uit personeel of materieel van en rijksdienst, dan wendt de minister zich tot de betrokken minister. Ten aanzien van ambulancebijstand zijn op 8 april 2004 samenwerkingsafspraken gemaakt tussen de minister van BZK, de minister van VWS, het Beraad van GHOR-burgemeesters en de Raad voor Regionaal Geneeskundig Functionarissen (RGF’en) met betrekking tot de voorbereiding van de geneeskundige sector op rampen. Hiermee is de ontwikkeling van een nationaal ambulancebijstandsplan doorgezet. De techniek om landelijke

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

47

ambulancebijstand langs geautomatiseerde weg te effectueren, is inmiddels beschikbaar. De minister van BZK krijgt de bevoegdheid om te bepalen dat een regio ambulancecapaciteit dient af te staan voor ambulancebijstand in het kader van geneeskundige hulpverlening. Gedacht wordt aan 50% van de regionale capaciteit. Hij zal door middel van een convenant met de ambulancesector hier nader invulling aan geven. Hierin zullen verder zaken als opkomsttijd, aantallen, kosten, procedures op zodanige wijze worden geregeld dat de acute zorg in de aangewezen regio’s, gegeven de omstandigheden, optimaal kan worden verleend. Het is aan de bestuurders om binnen hun eigen regio invulling te geven aan hun bijdrage aan het ambulancebijstandsplan. In het regionale programma van eisen, genoemd in de beoogde Wet ambulancezorg, zullen ten behoeve van de vergunningverlening bepalingen hierover dienen te worden opgenomen. In het zogeheten ambulanceplan is overeengekomen dat een bepaald deel van de ambulancecapaciteit op afroep van een bijstandsvragende regio beschikbaar dient te zijn voor geneeskundige hulpverlening. Ondersteuning die geleverd wordt door andere organisaties dan genoemde organisaties valt niet onder het begrip bijstand.

Onder het begrip bijstand vallen ook niet de hoog gespecialiseerde samenwerkingsverbanden tussen departementen en/of kennisinstituten, zoals het beleidsondersteunende team milieu-incidenten (BOT-mi) van VROM. Deze entiteiten doen onderzoek en adviseren bestuursorganen ten behoeve van besluitvorming op het gebied van ongevallen, rampen en crises. Onder omstandigheden kan het nodig zijn dat het RBT deze externe deskundigheid inschakelt bij de voorbereiding van besluiten en maatregelen. Deze ondersteuning kan rechtstreeks worden aangevraagd bij de betrokken instanties, zoals dat nu ook het geval is. Naast bijstand in het kader van dit wetsvoorstel kan Defensie ook een andere vorm van steun verlenen aan bestuursorganen in situaties die betrekking hebben op het openbaar belang. De «Regeling militaire steunverlening in het openbaar belang 2004» maakt dit mogelijk.

8.5 Informatiepositie Om de structuur goed te laten werken is een sterk flankerend beleid nodig met als kern dat de informatiepositie van alle betrokkenen continu optimaal is. De informatiepositie wordt ondersteund met technische voorzieningen die ervoor zorgen dat alle informatie op alle niveaus van besluitvorming aanwezig is. Daarnaast is de menselijke component minstens zo belangrijk. Daarom zullen, conform de afspraken zoals beschreven in de brief aan de Tweede Kamer van 7 maart 2006 (Kamerstukken II 2005/06 29 517, nr. 9) regio’s, provincies en het Rijk wederzijds op elk moment liaisons inzetten volgens een van te voren met elkaar afgesproken systeem. De liaisons moeten geselecteerd zijn op basis van vastgestelde competenties en moeten ook deelnemen aan oefeningen. Het regelen van de informatiepositie conform het bovenstaande en met name het concentreren van de operationele aansturing op het regionale niveau leiden ertoe dat de commissaris van de Koningin zich niet langer op de operationele aansturing hoeft te richten. De voorziening die artikel 12 van de Wrzo bood inzake de operationele leiding van de bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval door de commissaris van de Koningin, komt te vervallen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

48

8.6 Gemaakte afwegingen Met bovenstaande bepalingen is de structuur op basis van dit wetsvoorstel in de responsfase eenduidig geregeld en is zij ten opzichte van de oude situatie eenvoudiger. De positie van de voorzitter van het RBT wordt zo sterk mogelijk gemaakt zonder dat wordt getornd aan de aanwijzingsbevoegdheid van de commissaris van de Koningin. Er is niet gekozen voor een differentiatiemodel, waarbij de regio’s zelf mogen uitmaken of de commissaris van de Koningin dan wel de burgemeester voorzitter van het RBT is. De belangrijkste reden hiervoor is dat de bevoegdheidsverdeling in precaire situaties als rampen en crises bij uitstek een landelijk uniform model vraagt. Verder kunnen er onevenwichtige verhoudingen ontstaan bij de afstemming als een crisis gemeenten treft die in twee regio’s binnen één provincie zijn gelegen en deze regio’s voor een verschillend model hebben gekozen; de commissaris van de Koningin is dan in de ene regio voorzitter RBT en in de andere niet; dezelfde commissaris van de Koningin speelt dan in de ene regio een andere rol dan in de andere. Verder zou het differentiatiemodel een discontinuïteit betekenen tussen de preparatiefase en de responsfase, waarmee de beoogde winst van het geven van het bestuurlijke voortouw aan dezelfde ambtsdrager als voorzitter van het bestuur van de veiligheidsregio en RBT wordt losgelaten. 9.

Coördinatie informatievoorziening rampenbestrijding In het kabinetsstandpunt ACIR (Kamerstukken II 2004/05, 26 956, nr. 37) is geconstateerd dat er sprake is van fragmentatie in de informatievoorziening in het veiligheidsveld. Dat komt doordat de besluitvorming over de informatievoorziening is versnipperd en door het ontbreken van een landelijke visie en landelijke kaders. Het kabinet heeft in zijn kabinetsstandpunt ACIR uitgesproken dat er meer convergentie op dit onderwerp gecreëerd moet worden. In het wetsvoorstel is opgenomen dat de veiligheidsregio’s een gemeenschappelijke regeling treffen, waarbij een openbaar lichaam wordt ingesteld, waaraan de behartiging van hun taken ten behoeve van de inrichting van een uniforme informatie- en communicatievoorziening wordt overdragen. De gemeenschappelijke regeling is een samenwerkingsverband dat optreedt als multidisciplinaire vraagorganisatie (voor de brandweer en de GHOR) en is in elk geval belast met het in kaart brengen van de informatiebehoefte van de regio’s. De taken betreffen in ieder geval het formuleren en vaststellen van gezamenlijke kaders, standaarden en kwaliteitseisen op het gebied van de informatie- en communicatievoorziening. De realisatie van de informatievoorziening van en tussen de regio’s moet (door de regio’s zelf) binnen deze kaders en afspraken uitgevoerd worden.

Gezien het multidisciplinaire karakter van de veiligheidsregio, is ook het werkgebied van het op te richten samenwerkingsverband multidisciplinair (uitgezonderd de politie). Om voldoende voortgang te behalen is een bepaling opgenomen dat de minister van BZK een aanwijzing aan het bestuur van het bij de gemeenschappelijke regeling in het leven geroepen openbaar lichaam kan geven indien het belang van de informatie-uitwisseling dit vereist. Aan deze regeling kunnen tevens deelnemen het Rijk (vertegenwoordigd door de minister wie het aangaat ten behoeve van de onder hem ressorte-

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

49

rende diensten) of andere rechtspersonen voor zover hun deelname van belang is voor de samenwerking. Over de informatie- en communicatievoorzieningen, het gebruik ervan alsmede over de informatiebeveiliging kan de minister van BZK regels geven. Tot slot kan de minister frequenties toewijzen voor de overdracht van gegevens door middel van deze voorzieningen. Soortgelijke bepalingen bestaan ook voor de politie in de huidige Politiewet 1993. De Raad Multidisciplinaire Informatievoorziening Veiligheid (Raad MIV, opgericht in april 2006) is het bestuurlijk platform van de betrokken partijen, gericht op een gemeenschappelijke aanpak van het convergeren van de informatievoorziening en het verbeteren van het niveau van de informatievoorziening. In de Raad MIV nemen (gemandateerde) bestuurlijke of professionele vertegenwoordigers van veiligheidspartners op het gebied van brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening en ambulancezorg, politie, gemeenten en het Rijk deel. Eventueel kunnen ook andere diensten of rechtspersonen (voor zover hun deelname van belang is voor de samenwerking) zitting nemen in de raad MIV. Het Rijk en de VNG zijn in het Bestuursakkoord van 4 juni 2007 overeengekomen dat de gemeenten de bestaande Raad MIV als bestuurscommissie zullen inpassen in het Veiligheidsberaad.

Deze bestuurscommissie zal de bestaande taken van de Raad MIV blijven uitvoeren. BZK en de VNG maken binnen zes maanden na ondertekening van deze overeenkomst nadere afspraken over hoe de positie van de deelnemende partijen die niet tot de veiligheidsregio behoren, wordt gewaarborgd. 10. Financiële bepalingen

10.1 Financieringsstructuur Conform de systematiek van de Wgr, wordt de veiligheidsregio gefinancierd uit bijdragen van de gemeenten. De VNG en andere bestuurlijke partners onderschrijven dit uitgangspunt. Daarnaast voorziet dit wetsvoorstel – net als in de huidige situatie – erin dat van rijkswege een tegemoetkoming wordt verleend in de kosten die voortvloeien uit de uitoefening van taken die bij de gemeenschappelijke regeling worden overgedragen aan het bestuur van de veiligheidsregio. Over deze bijdrage worden in lagere regelgeving nadere regels gesteld. Deze nadere regels zijn thans opgenomen in het Besluit Doeluitkering Bestrijding van Rampen en Zware Ongevallen (BDUR). Om te verzekeren dat in deze nadere regeling voorwaarden kunnen worden gesteld aan deze bijdrage is een bepaling ter zake in dit wetsvoorstel opgenomen. Op deze wijze wordt de mogelijkheid geopend om in de toekomst de financiering van rijkswege te koppelen aan specifiek te formuleren prestaties, aangevuld op de reguliere verdeelsystematiek. Deze prestaties liggen op de terreinen waarop in dit wetsvoorstel of in de lagere regelgeving inputen outputeisen zijn of kunnen worden geformuleerd. De hoofdgrondslag voor toekenning van de financiering van rijkswege wordt bepaald door het verdeelmodel van het BDUR.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11041036/1