CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Memorie van toelichting Wet op de Veiligheidsregios.pdf

gemeenteraad 18 januari 2022, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Noodopvang Asielzoekers47.565 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende plannen: • het plan, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Wet ambulancezorg; • de maatregelen die op grond van artikel 27 zijn getroffen; • calamiteitenplannen als bedoeld in artikel 69 van de Waterstaatswet 1900 die betrekking hebben op geheel of ten dele binnen de veiligheidsregio gelegen waterstaatswerken; • de regels die zijn gesteld op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wet bestrijding ongevallen Noordzee; • het plan, bedoeld in artikel 6 van de Havenbeveiligingswet; • het beveiligingsplan, bedoeld in artikel 37e van de Luchtvaartwet; • het veiligheidsbeheersplan, bedoeld in artikel 7 van de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels; • het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk VI van de Kernenergiewet;

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

17

• •

met crisisplannen, vastgesteld voor het gebied van aangrenzende veiligheidsregio’s; overeenkomstige plannen van aangrenzende staten.

In het crisisplan is ook een beschrijving van de afspraken met de crisispartners over crisisbeheersing en rampenbestrijding opgenomen. Het crisisplan is van het gemeentelijke naar het regionale niveau gebracht, omdat voor een multidisciplinaire voorbereiding en uitvoering van de rampbestrijding en crisisbeheersing regionale samenwerking noodzakelijk is. Het crisisplan dient ter kennis te worden gebracht van de commissaris van de Koningin in verband met zijn mogelijke rol in de responsfase. Een belangrijk onderdeel van het crisisplan vormen de afspraken die zijn gemaakt met de crisispartners met betrekking tot bijvoorbeeld voorlichting, alarmering, inzamelen van besmette waren, opvangen, verzorgen en registreren van slachtoffers, evacuatie, uitvaartverzorging, voorzien in primaire levensbehoeften, schadeafhandeling, nazorg en verslaglegging. Deze staan bekend als de gemeentelijke processen. Er is al enige tijd een ontwikkeling gaande, waarbij de coördinatie van de voorbereiding en de uitvoering van deze gemeentelijke processen steeds meer op regionaal niveau plaatsvinden. Gemeenten zijn meestal niet in staat om al deze processen gedurende lange tijd zelfstandig uit te voeren. Daarom is samenwerking tussen gemeenten noodzakelijk en worden afspraken gemaakt om deze taken gezamenlijk op te pakken binnen de veiligheidsregio.

De veiligheidsregio is verantwoordelijk voor de voorbereiding ervan. Voor de voorbereiding en uitvoering is inbreng van de gemeenten nodig. Het bestuur van de veiligheidsregio wijst een coördinerende functionaris aan, die zorgt voor een goede organisatie, werkwijze, taakverdeling en verantwoordelijkheids- en bevoegdheidsverdeling van deze crisisbeheersingsprocessen in overleg met de gemeenten. Onverlet de verantwoordelijkheden van een vakminister om binnen zijn domein specifieke informatie over mogelijke crises te geven, is communicatie richting de bevolking een belangrijk proces dat in regionaal verband wordt voorbereid. Het belang van communicatie over risico’s is evident. Deze vorm van communicatie levert een bijdrage aan de weerbaarheid en zelfredzaamheid van de bevolking. Hierbij geldt wel dat een zorgvuldige afweging dient te worden gemaakt tussen het belang van zelfredzaamheid en de communicatie van gedetailleerde informatie die kwaadwillenden kunnen gebruiken voor het voorbereiden van een aanslag. In de informatievoorziening aan de bevolking worden risico- en crisiscommunicatie onderscheiden. Bij de voorbereiding en uitvoering van de risico- en crisiscommunicatie is het expertisecentrum risico- en crisiscommunicatie (ERC) op nationaal niveau het aanspreekpunt voor bestuurders.

Naast bepalingen voor informatievoorziening aan de bevolking, bevat de wet ook bepalingen over informatievoorziening aan het bij de bestrijding van rampen of crises betrokken personeel en aan de bestuurlijke kolom. In het navolgende wordt ingegaan op de verantwoordelijkheden omtrent informatievoorziening. Onverlet de verantwoordelijkheden van een vakminister, heeft het bestuur van de veiligheidsregio de verantwoordelijkheid voor de informatievoorziening aan burgers over de rampen en crises die de bevolking en het milieu kunnen treffen en over de maatregelen die de overheid heeft getroffen ter voorkoming en bestrijding ervan. Dit ligt in het verlengde van de verantwoordelijkheid van het bestuur van de veiligheidsregio voor het vaststellen van het risicoprofiel. Het bestuur geeft tevens aan de bevolking de te volgen gedragslijn aan. Deze informatievoorziening staat bekend als risicocommunicatie.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

18

Ten tijde van een crisissituatie, waarin een vakminister bevoegd is voor de bestrijding van deze crisis, is de verantwoordelijkheid voor de inhoud van de informatievoorziening, inclusief de informatie over de gedragslijn, belegd bij de desbetreffende vakminister(s). Vervolgens is er sprake van wederzijdse afstemming tussen de vakminister(s) en de burgemeester (of voorzitter van de veiligheidsregio bij een bovenlokale crisis). Bij deze uitwisseling stemt de vakminister de informatie over de te nemen maatregelen en de gedragslijn, waarvoor zij verantwoordelijkheid draagt, af met de informatie die door de burgemeester (of voorzitter van de veiligheidsregio bij een bovenlokale crisis) wordt verstrekt over die aspecten van het beleid ter beheersing van de crisis waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen. Het bestuur van de veiligheidsregio is ook verantwoordelijk voor de informatievoorziening aan de minister, de commissaris van de Koningin en de hoofdofficier van justitie over de rampen en crises die de bevolking of het milieu in een regio kunnen treffen.

Daarnaast heeft het bestuur van de veiligheidsregio als taak om het personeel, dat betrokken is bij de bestrijding van rampen en crises, te voorzien van informatie over de rampen en crises die de regio kunnen treffen en over de risico’s die hun inzet bij die bestrijding kan hebben voor hun gezondheid en de voorzorgsmaatregelen die in verband hiermee zijn getroffen. Het gaat hier om een preventieve taak. Bij een daadwerkelijke ramp of crisis draagt de burgemeester er zorg voor dat de getroffen bevolking in zijn gemeente op de juiste wijze wordt geïnformeerd over de oorsprong, de omvang en de gevolgen daarvan. Bovendien geeft hij de te volgen gedragslijn aan. Als de ramp of crisis een bovenlokaal karakter heeft en er een RBT is ingesteld, dan wordt de informatievoorziening in het RBT gecoördineerd. Deze informatievoorziening staat bekend als crisiscommunicatie. Het betreft hier onder meer de taakverdeling tussen de voorzitter van het RBT en de burgemeesters van de getroffen gemeenten en de inzet van een voorlichterspool. Wanneer de crisisbestrijding plaatsvindt door een vakminister, vindt afstemming tussen het RBT en de betrokken minister plaats over de informatie die door de minister zal worden verstrekt en de informatie die door de burgemeesters zal worden verstrekt.

Vanzelfsprekend zullen de betrokken minister en de burgemeesters informatie verstrekken over die aspecten van het beleid ter beheersing van de crisis waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen. De burgemeester is verantwoordelijk voor het informeren van het tijdens de bestrijding van de ramp of crisis betrokken personeel over de ramp of crisis en de risico’s die hun inzet bij de bestrijding heeft voor hun gezondheid en de voorzorgsmaatregelen die in verband hiermee zullen worden getroffen. Dat laat onverlet dat in het RBT afspraken gemaakt kunnen worden hoe deze informatievoorziening vorm krijgt, waarbij de burgemeester verantwoordelijk blijft voor de uitvoering van deze taken binnen zijn gemeente.

Rampbestrijdingsplannen Rampbestrijdingsplannen zijn de operationele plannen waarin de aanpak van concrete rampsituaties voor specifieke inrichtingen is beschreven. Bij amvb worden de categorieën inrichtingen en de luchtvaartterreinen aangewezen waarvoor, op grond van de Europese richtlijn 92/86/EG (Seveso-II richtlijn), rampbestrijdingsplannen moeten worden opgesteld. Het gaat hierbij om inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen in bepaalde hoeveelheden aanwezig zijn of kunnen ontstaan bij een ongeval. Voor militaire installaties, gevaren die met ioniserende straling samenhangen, vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor, over het water of door de lucht, vervoer van gevaarlijke stoffen door pijpleidingen buiten de genoemde inrichtingen en stortplaatsen zijn de beheerders van deze

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

19

objecten op grond van sectorale wetgeving verplicht om eigen calamiteitenplannen op te stellen. Het staat de regio’s vrij om voor andere naar plaats, aard en ernst voorzienbare rampen en zware ongevallen in deze en andere inrichtingen en voor specifieke ramptypen operationele plannen naar analogie van het rampbestrijdingsplan op te stellen. Deze rampbestrijdingsplannen worden door het bestuur van de veiligheidsregio vastgesteld. Bij amvb zullen nadere regels gesteld worden over de inhoud van de rampbestrijdingsplannen. Daarbij kan gedacht worden aan regels betreffende: • de functies van de aan de inrichting verbonden personen die bevoegd zijn om procedures van alarmering binnen en buiten de inrichting en van inwerkingstelling van bestrijdingsacties binnen de inrichting in werking te doen treden; • de functies van de personen die belast zijn met het opperbevel over en de operationele leiding van het geheel van de bestrijdingsacties; • de maatregelen en voorzieningen die zijn getroffen opdat degene die is belast met het opperbevel en de hulpverleningsdiensten snel wordt geïnformeerd en de bij de bestrijding betrokken personen snel worden opgeroepen; • het schema met betrekking tot de leiding over en de gecoördineerde inzet van diensten en organisaties die bij de bestrijding kunnen worden betrokken; • de maatregelen en voorzieningen die zijn getroffen met het oog op de

bestrijding op en buiten het terrein van de inrichting; • de maatregelen en voorzieningen die zijn getroffen om de bevolking te informeren over de ramp of het zware ongeval of de dreigende ramp of het dreigende zware ongeval en over de door haar te volgen gedragslijn; • de maatregelen en voorzieningen die zijn getroffen om de hulpverleningsdiensten van een andere staat te informeren, indien de bevolking of het milieu van die staat door de ramp of het zware ongeval kunnen worden getroffen of dreigen te worden getroffen.

Vereenvoudiging rapportagesystematiek De rapportage- en informatiesystematiek is vereenvoudigd. Het crisisplan wordt aan de commissaris van de Koningin gezonden. Het beleidsplan en de rampbestrijdingsplannen hoeven niet meer naar het Rijk of de provincie verstuurd te worden. Informatie over de taakuitvoering wordt op diens verzoek aan de minister geleverd. De gedachte is dat hij zich hiervoor op het jaarverslag richt. Over de realisatie van de landelijke doelstellingen is het van belang dat de minister op de hoogte blijft van de voortgang. Hierover rapporteren de regio’s jaarlijks aan de minister. De administratieve lasten van de rapportage- en informatieverstrekking aan de minister voor de veiligheidsregio’s worden tot een minimum beperkt. 4.2 Veiligheidsregio als adviseur veiligheid Met dit wetsvoorstel krijgt de veiligheidsregio de belangrijke rol van adviseur op het terrein van veiligheid. De brandweer heeft van oudsher een belangrijke rol vervuld op het terrein van de brandveiligheid en brandpreventie. Deze rol heeft zich de laatste jaren ontwikkeld en is uitgebreid naar het terrein van pro-actie.

De komst van de veiligheidsregio maakt het mogelijk en noodzakelijk de specialistische expertise die nodig is om deze adviesrol adequaat te vervullen, te bundelen en verder te ontwikkelen zodat zij haar rol als adviseur waar nodig multidisciplinair kan invullen en deze bovendien te verbreden tot onderwerpen op het brede terrein van de fysieke veiligheid waarvoor in de regio bestuurlijke aandacht wordt gevraagd.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

20

De veiligheidsketen De veiligheidsketen bestaat uit de onderdelen pro-actie, preventie, preparatie, repressie en nazorg. Pro-actie zorgt ervoor dat het thema veiligheid vroegtijdig op de agenda komt, bijvoorbeeld bij ruimtelijke ontwikkelingen en aanvragen milieuvergunningen zodat onveilige situaties zoveel mogelijk structureel worden voorkomen. Preventie betreft de zorg voor het voorkomen van (directe oorzaken) van (brand)onveiligheid en het zoveel mogelijk beperken en beheersen van gevolgen van eventuele inbreuken op die veiligheid. Preparatie richt zich op de voorbereiding op de te nemen acties bij branden, rampen, crises en zware ongevallen. Het daadwerkelijke optreden van de hulpdiensten wordt aangemerkt als repressie. Nazorg is, in de breedste zin, alles dat eraan bijdraagt om zo spoedig mogelijk het herstel van de oude situatie te bewerkstelligen, zoals schadeherstel, opvang, psychosociale zorg bij getroffenen. Brandveiligheid De brandveiligheid is in de huidige wetgeving geregeld in een aantal wetten waaronder de Brandweerwet 1985, de Woningwet, de Wet milieubeheer en de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Bij bouwvergunningen wordt de brandveiligheid getoetst aan het Bouwbesluit en de Bouwverordening. Bij milieuvergunningen is de Wet milieubeheer het referentiekader.

De toets vindt meestal plaats door de lokale brandweer, zodat een directe relatie gelegd kan worden tussen brandpreventie en repressie. Verder worden brandveiligheidstoetsen uitgevoerd bij vergunningen die voortkomen uit de APV, de Brandbeveiligingsverordening en soms de Drank- en Horecawet. De adviestaak in het kader van brandpreventie is in de Brandweerwet 1985 al geruime tijd toebedeeld aan de regionale brandweer, maar in de praktijk is deze adviestaak toch veelal lokaal gebleven. Ontwikkeling van pro-actie en preventie Met de totstandkoming van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (Brzo 1999) en het Vuurwerkbesluit is de preventietaak uitgebreid. De Brzo-taak wordt voor het bevoegd gezag rampenbestrijding (het college van burgemeester en wethouders) uitgevoerd door de regionale brandweer en bestaat uit het toezien op de naleving van regels en het treffen van maatregelen om adequaat te kunnen optreden bij incidenten. Het Vuurwerkbesluit bepaalt dat de commandant van de regionale brandweer het bevoegd gezag adviseert over het opslaan en bewerken van consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk. De adviestaak van de brandweer heeft de afgelopen jaren een belangrijke uitbreiding gekregen op het terrein van pro-actie.

In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 heeft het bestuur van de regionale brandweer expliciet een taak gekregen om in relevante gevallen advies uit te brengen over het groepsrisico en de mogelijkheden voor rampenbestrijding en voor de zelfredzaamheid van personen tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. Dit advies wordt uitgebracht aan het bevoegde gezag in het kader van de Wet milieubeheer of de Wet op de Ruimtelijke Ordening, dat besluiten moet nemen over activiteiten of ontwikkelingen met een kans, dat door een ramp bij een activiteit met gevaarlijke stoffen of met een vliegtuig, een groep mensen, die niet rechtstreeks bij de activiteit betrokken is, tegelijkertijd omkomt. Deze kans wordt groepsrisico genoemd. In andere belangrijke wetten en regelgeving worden hulpverleningsdiensten nadrukkelijk betrokken of wordt een relatie gelegd met de rampenbestrijding, zoals de Kernenergiewet, de Wet aanvullende regels

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

21

veiligheid tunnels, het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken, de Wet milieugevaarlijke stoffen en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Een belangrijke ontwikkeling wat betreft het bevoegde gezag op het terrein van vergunningverlening is het voorstel voor een Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Hierbij wordt de omgevingsvergunning geregeld, die één geïntegreerde vergunning voor bouwen, wonen, monumenten, ruimte, natuur en milieu omvat. Gelet op het voorgaande en de specialistische kennis die hiervoor nodig is, zal de veiligheidsregio de brandweeradviestaken op de terreinen pro-actie en preventie voor een groot deel op zich nemen. Deze adviestaken strekken zich uit over het gehele terrein van pro-actie en preventie en dienen vooral ter ondersteuning van het bevoegde gezag op de terreinen milieubeheer, ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer.

Monodisciplinair en multidisciplinair advies Met de komst van de veiligheidsregio krijgt de adviestaak een meer multidisciplinair karakter. Niet alleen vanuit brandweerperspectief wordt advies gegeven. Inzichten van andere hulpverleningsdiensten (geneeskundige hulpverlening en politie) en organisaties die bijdragen aan rampenbestrijding en crisisbeheersing moeten daarin worden verdisconteerd. Dit impliceert dat van oorsprong monodisciplinaire adviezen ook vanuit het perspectief van andere voor de veiligheid relevante partijen gezichtspunten gaan bevatten. Hiermee kunnen adviezen worden verrijkt. Waar nu al multidisciplinaire adviezen gegeven kunnen worden (bijvoorbeeld bij Brzo 1999 en Bevi), zal de veiligheidsregio hierin adequater kunnen voorzien. Deskundigenadvies In de genoemde regelgeving is steeds sprake van het geven van een advies door de brandweer, omdat terecht verondersteld wordt dat deskundigheid en specialistische kennis op het terrein van brandveiligheid, hulpverlening en rampenbestrijding aanwezig zijn bij de lokale en/of regionale brandweer. De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de advisering ligt bij het bestuur van de veiligheidsregio. Gelet op het specialistische karakter van de (wettelijk vereiste) adviezen zal de adviesfunctie in mandaat kunnen worden uitgevoerd.

De regelgeving waarin thans is bepaald dat het advies wordt uitgebracht door de regionale brandweercommandant zal met het voorgaande in overeenstemming worden gebracht. Advisering in het beleidsplan In dit wetsvoorstel gaat de aandacht ook uit naar niet-wettelijke advisering. De veiligheidsregio kan gevraagd en ongevraagd adviseren over risico’s op het terrein van branden, ongevallen, rampen en crises. Op basis van het risicoprofiel van de regio kan de veiligheidsregio gemeenten, provincies en andere bestuursorganen gevraagd en ongevraagd voorzien van adviezen op het brede terrein van de fysieke veiligheid. Dit advies gaat uit van de bestaande risicosituatie in het betreffende gebied. Hoe deze advisering plaatsvindt en hoe deze taak wordt ingericht, wordt vastgelegd in het beleidsplan. De veiligheidsregio kan in het beleidsplan verder gaan en ook anticiperen op toekomstige ontwikkelingen op het terrein van ruimtelijke ordening, milieu, verkeer en vervoer of anderszins voor zover de burgemeester of de gemeente daarbij een taak heeft. De inmiddels verworven kennis en deskundigheid die de lokale en regionale brandweer heeft opgedaan met de wettelijke adviestaken zal de veiligheidsregio ook kunnen aanwenden voor de niet-wettelijke adviestaken. Om de adviestaken goed te kunnen (blijven) uitvoeren zal de komende jaren geïnvesteerd moeten worden in kennis- en deskundigheids-

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

22

bevordering. Thans bestaat er een (te) grote verscheidenheid in kennisniveau tussen gemeenten en regio’s, welke deels is toe te schrijven aan verschillen in de aanwezige risico’s en deels aan gegroeide praktijken. Dit wetsvoorstel is erop gericht om de komende jaren belangrijke voortgang te boeken met kwaliteitsverbetering en -borging door duidelijke taken toe te delen aan de veiligheidsregio’s en de ambities hiervoor uit te schrijven. Kennis- en deskundigheidsbevordering zijn niet alleen een opdracht voor de veiligheidsregio. Daarnaast spelen ook de partijen waaraan geadviseerd wordt een belangrijke rol bij kennis- en deskundigheidsontwikkeling. De veiligheidsregio zal zich op de hiervoor beschreven wijze steeds meer ontwikkelen tot een van de belangrijkste adviseurs op het terrein van de veiligheid. 5. Organisatie brandweer, GHOR, multidisciplinaire taken en meldkamer

5.1 Brandweer In de bestaande situatie is sprake van meerdere brandweerorganisaties naast elkaar: op regionaal niveau functioneert een regionale brandweerorganisatie onder leiding van een regionaal commandant en daarnaast kan elke gemeente haar eigen brandweerorganisatie onder leiding van een lokaal commandant hebben. Tussen deze twee is geen hiërarchische relatie. Iedere commandant heeft zijn eigen taken en onderscheiden verantwoordelijkheden. In de eerder genoemde rapporten is erop gewezen dat dit voor het realiseren van voldoende bestuurlijke en operationele slagkracht bij rampen en crises geen wenselijke situatie is. Mede door de grote branden en rampen die ons land hebben getroffen – Vuurwerkramp (Enschede 2000) en Nieuwjaarsbrand (Volendam 2001) – is (de schaal van) de organisatie van de brandweer opnieuw ter discussie komen te staan. Uit de rapporten die naar aanleiding van die rampen zijn opgesteld (Oosting / Alders) en verschillende inspectierapporten vloeit voort dat het onderbrengen van de lokale brandweerzorg bij de regionale brandweer een effectieve en efficiënte manier is om een groot aantal van de gesignaleerde tekorten bij de brandweer weg te nemen. Ook in het Bestuursakkoord Rijk-VNG wordt dit benoemd maar wordt tevens opgemerkt dat de verhoging van de kwaliteit, effectiviteit en doelmatigheid van de brandweerzorg daarbij voorop staan.

In haar reactie op het concept-wetsvoorstel bevestigt de VNG deze conclusie: «De VNG onderkent het belang van een opschaling naar regionaal niveau van de uitvoering van (delen van) brandweertaken. Beschikbaarheid, professionaliteit en specialisatie vragen daarom». In de ogen van de VNG dient het echter aan de veiligheidsregio overgelaten te worden om haar zorgplicht te organiseren en vorm te geven. De NVBR schrijft daarentegen in haar reactie op het concept-wetsvoorstel: «De huidige praktijk van regionalisatie van de brandweer laat grote verschillen zien in mate van regionalisatie en tempo daarvan. De door alle partijen onderschreven noodzakelijke kwalitatieve ontwikkeling van de brandweer kan alleen plaatsvinden door organisatiekracht en managementkracht op regionale schaal te bundelen. Alleen een brandweerorganisatie die haar eigen huis op orde heeft, is in staat om op multidisciplinair niveau mee te draaien». Door verschillende gemeenten is echter de vrees geuit dat een geregionaliseerd korps ertoe leidt dat de lokale binding van de brandweer verloren gaat. Deze vrees geldt vooral de vrijwilligers, die 80% van het totale personeelsbestand vormen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

23

In het coalitieakkoord staat dat regionalisering van de brandweerkorpsen niet wettelijk verplicht wordt gesteld. De regionale brandweer zoals deze ingevolge de Brandweerwet 1985 in iedere regio is ingesteld, blijft voortbestaan. De krachtens die wet aan de regionale brandweer opgedragen taken worden onder de verantwoordelijkheid van het bestuur van de veiligheidsregio uitgevoerd. Gemeenten kunnen zelf besluiten de lokale brandweerzorg en het lokale brandweerpersoneel aan de regionale brandweer over te dragen dan wel een eigen korps in stand te houden ten behoeve van de lokale brandweerzorg. Het instellen en in stand houden van de regionale brandweer is als taak neergelegd bij het bestuur van de veiligheidsregio. Evenals onder de Brandweerwet 1985 behoort het (organiseren van het) oefenen tot de taak van de regionale brandweer. Ook wordt tot de taak gerekend het zorg dragen voor de uitwisselbaarheid van materieel binnen en tussen regio’s. In het wetsvoorstel is voorzien in een afbakening tussen de taken die in ieder geval aan de regionale brandweer moeten worden overgedragen en de overige taken van de brandweer, waarover een keuze gemaakt wordt om deze over te dragen aan de regionale brandweer dan wel de uitvoering daarvan te beleggen bij een gemeentelijk brandweerkorps. Daaruit vloeit voort dat ook het toezicht zich richt op zowel de regio als de gemeente.

Het wetsvoorstel creëert de voorwaarden om de kwaliteit van de brandweer te verhogen door een wettelijke basis te bieden voor het stellen van landelijke, uniforme kwaliteitseisen waaraan de brandweerzorg ten minste moet voldoen. De eisen waaraan de brandweerzorg moet voldoen, zijn onder de bestaande wetgeving gegeven in zogeheten zachte regelgeving, zoals leidraden (bijvoorbeeld de leidraad brandweerzorg of de leidraad grootschalig optreden) en handboeken (zoals het handboek rampenbeheersing). Deze regels laten veel ruimte voor lokale invulling van de normen, waarmee de rechtzekerheid niet gediend is en wat heeft geleid tot landelijk uiteenlopende niveaus van geleverde zorg. Op basis van dit wetsvoorstel zal gekomen worden tot een amvb waarin algemeen geldende normen worden gesteld waaraan de brandweerzorg moet voldoen. Overigens is het van belang te benadrukken dat ook de gemeentelijke brandweerkorpsen dienen te voldoen aan de eisen die landelijk gelden voor de brandweer. Ook bij een decentrale invulling van de brandweerfunctie is er immers sprake van het fungeren binnen één regio, met de plicht tot onderlinge steunverlening en de potentie om op te schalen en als één korps te functioneren. Gemeenten moeten zelf aannemelijk maken dat zij aan genoemde kwaliteitseisen voldoen. Ook de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid ziet toe op het behalen van deze kwaliteitseisen.

In het wetsvoorstel is nu geregeld, dat als dat niet het geval is de minister van BZK een aanwijzing kan geven aan betrokken gemeente. Deze gemeente heeft dan tot 1 januari 2010 de gelegenheid om de geconstateerde gebreken op te heffen. Een en ander is conform de afspraken die met de VNG in het kader van het Bestuursakkoord zijn gemaakt en sluiten ook aan op het Beleidsprogramma van dit kabinet. Wanneer betrokken gemeente ook dan nog in gebreke blijft, kan de minister van BZK het college van burgemeester en wethouders opdragen de gemeentelijke brandweer op te heffen. Het college van burgemeester en wethouders en het bestuur van de regio maken schriftelijk afspraken over de gevolgen van dat besluit. Overigens blijft de bevoegdheid van de minister ook van kracht ná 2010.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

24

Bedrijfsbrandweer De bevoegdheid om te bepalen dat een inrichting over een bedrijfsbrandweer moet beschikken, is neergelegd bij het bestuur van de veiligheidsregio, omdat dit bestuur een brede afweging kan maken over de kwaliteit en capaciteit van de repressieve brandweerzorg in de regio. Op basis van deze afweging beoordeelt het bestuur of bepaalde risico’s afgedekt moeten worden door bedrijfsbrandweren, indien er ingeval van een brand of ongeval sprake is van een bijzonder gevaar voor de openbare veiligheid. Dit is een afgeleide taak van het college van burgemeester en wethouders waar het bevoegd gezag ligt voor de brandweerzorg. In dit verband kan het college van burgemeester en wethouders (evenals de provincie ingeval die vergunning verleent) de regio vragen een inrichting aan te wijzen als bedrijfsbrandweerplichtig, als dat in het kader van de vergunningsvoorwaarden relevant is. 5.2 GHOR Het begrip GHOR is in de wereld van de rampenbestrijding en crisisbeheersing een ingeburgerd begrip. Oorspronkelijk verwezen de letters naar een handeling: geneeskundige hulpverlening bij ongevallenen en rampen, en ruim opgevat is op dat terrein de GHOR nog steeds een speler. De GHOR-vlag dekt evenwel de letterlijke lading niet (meer).

De geneeskundige hulpverlening als zodanig geschiedt immers niet door de GHOR, maar door diverse soorten professionals in de medische sector, en bovendien niet alleen bij ongevallen en rampen, maar ook bij crises. Die ontwikkeling houdt in dat «GHOR» niet gezien moet worden als een afkorting, maar als een zelfstandig begrip, zoals bijvoorbeeld ook «ANWB» en de «HEMA» zich als verzelfstandigde namen hebben losgemaakt van hun historie. De GHOR is een bijzonder onderdeel van de rampen- en crisisbestrijdingsorganisatie van de veiligheidsregio. Het bestuur van de regio heeft als aparte taak het organiseren van de geneeskundige hulpverlening in hun regio met het oog op zware ongevallen, rampen en crisissituaties. Om deze taak uit te voeren richt het bestuur een GHOR-organisatie in. De GHOR wijkt als organisatie af van diensten als brandweer en politie. De GHOR is namelijk niet een staande organisatie die aan dagelijkse hulpverlening doet. De GHOR-taak van het bestuur van de regio houdt in het maken van afspraken met de in de regio aanwezige instellingen als bedoeld in de Wet toelating zorginstellingen (hierna: de Wtzi) en zorgaanbieders als bedoeld in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: de instellingen) alsmede met de regionale ambulanceen gezondheidsdiensten over hun voorbereiding op en inzet bij zware ongevallen, rampen en crisissituaties.

Instellingen of diensten die hier niet onder vallen, kunnen door de ministers worden aangewezen dan wel aangezocht. Ook hun voorbereiding en inzet ingeval nazorg na een calamiteit nodig is, kan onderdeel uitmaken van de afspraken. Nieuw in dit wetsvoorstel is dat de afspraken met de instellingen en diensten worden opgenomen in het regionale crisisplan. Deze afspraken vinden hun pendant in de plannen van de zorg (Ziekenhuisrampenopvangplan, Regionaal ambulanceplan). Op deze wijze is voor het bestuur van de veiligheidsregio met het behandelen van het crisisplan een afstemmings- en controlemoment ingebouwd. Het bestuur van de veiligheidsregio let er bij het maken en vastleggen van de afspraken op dat ze passen in het geheel van afspraken en procedures die met andere hulpverleningsdiensten, zoals de politie en brandweer, worden gemaakt. Afstemming van de taken van instellingen onderling en afstemming van de taken van de instellingen met andere hulpverleningsdiensten zijn namelijk een onderdeel van de taak.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

25

Naast deze voorbereidende taak dient de voorzitter van de veiligheidsregio in geval van een ongeval, ramp of crisissituatie een doelmatige en gecoördineerde geneeskundige hulpverlening te ontplooien. De voorzitter stuurt, coördineert en regisseert dan de activiteiten van de instellingen met die van de verschillende hulpverleningsdiensten.

Organisatie van de GHOR Voor het organiseren en uitvoeren van de taak van de veiligheidsregio op het gebied van de geneeskundige hulpverlening wordt een directeur GHOR aangesteld. In de huidige Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen aangeduid als: «Regionaal geneeskundig functionaris» (RGF). De directeur GHOR heeft onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de veiligheidsregio als hoofdtaken: – het organiseren van die zaken die nodig zijn ter voorbereiding op, dan wel afhandeling van de geneeskundige hulpverlening (regisserende taak); – de feitelijke, repressieve taak; het leiding geven aan een operationele organisatie in het kader van diezelfde geneeskundige hulpverlening (sturende en coördinerende taak); – de voorbereiding op en de coördinatie bij de afhandeling van de nazorg (nazorg in de brede zin van het woord). – het waar nodig adviseren van het bestuur bij de besluitvorming voor het verstrekken van vergunningen voor bijvoorbeeld het houden van grote evenementen waar geneeskundige hulpverleningsaspecten een rol kunnen spelen. In de voorbereidingsfase wordt de directeur GHOR ondersteund door een GHOR-bureau. In geval van de feitelijke repressie bij een zwaar ongeval, een ramp of een crisis heeft het bestuur van de veiligheidsregio aan deze bureaucapaciteit niet genoeg. Dan is er immers noodzaak voor verdere coördinatie en sturing.

Het bestuur moet er derhalve zorg voor dragen dat de directeur GHOR in die situaties wordt ondersteund door competente functionarissen, die de coördinerende en sturende taken op zich kunnen nemen. Formeel opereert de directeur GHOR dan onder het gezag van de burgemeester in wiens gemeente het zware ongeval of de ramp zich heeft voorgedaan, tenzij het om een gebeurtenis van meer dan plaatselijke betekenis gaat, dan functioneert de GHOR onder verantwoordelijkheid van de voorzitter van de veiligheidsregio in diens hoedanigheid van eenhoofdig gezagsdrager. In de praktijk is het gebruikelijk dat de directeur GHOR met de instellingen de afspraak maakt dat enkele van hun medewerkers in de repressieve fase GHOR-functies uitoefenen. Deze medewerkers krijgen van de zijde van het bestuur van de veiligheidsregio als zodanig een aanstelling en vallen vanaf het moment van inzet onder de verantwoordelijkheid van het bestuur van de veiligheidsregio. Operationeel worden zij bij inzet aangestuurd door de directeur GHOR. Sturend en coördinerend kunnen optreden in geval van calamiteiten vraagt om aparte bekwaamheden. Met de werkgevers van deze medewerkers worden dan ook afspraken gemaakt over de mate waarin en de wijze waarop zij zich voor te bereiden op de hun GHOR-taak door middel van opleiding en oefening.

De GHOR-functies die deze medewerkers moeten vervullen, worden bij ministeriële regeling nader omschreven, evenals de vakbekwaamheidseisen waaraan zij moeten voldoen. Indien onverhoopt GHOR-functies niet vervuld kunnen worden via afspraken met instellingen dient het bestuur van de veiligheidsregio hier op andere wijze in te voorzien.

Kwalitatief verantwoorde zorg Uitgangspunt bij het maken van afspraken van het bestuur van de veiligheidsregio met de instellingen en diensten, is dat de instellingen en

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

26

diensten onder alle omstandigheden zelf verantwoordelijk zijn voor hun voorbereiding op en werkzaamheden bij inzet. Zij blijven deze uitvoeren binnen de kaders van de wet- en regelgeving op het terrein van de gezondheidszorg, ook als zij functioneren in het kader van de GHOR. Het leveren van verantwoorde zorg door de instellingen en diensten in bijzondere omstandigheden vereist vaak ook daar extra en bijzondere vaardigheden van de medewerkers van de instellingen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om zaken als keuzes maken over welk slachtoffer als eerste hulp krijgt, maar ook de feitelijke eerste hulp onder rampomstandigheden. Dat verschilt met het dagelijkse werk in een ziekenhuis. Op de instellingen en diensten – denk bijvoorbeeld aan de Regionale Ambulancevoorziening i.o. (RAV), wat betreft de Wtzi aan ziekenhuizen met een erkenning als traumacentra, en wat betreft andere relevante zorgaanbieders aan huisartsen – zijn de Kwaliteitswet zorginstellingen en de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg van toepassing. Met andere woorden: zij moeten ook tijdens ramp- of crisisomstandigheden verantwoorde zorg leveren. Op grond van deze wetten en de beoogde Wet ambulancezorg, zijn de instellingen gehouden zich voor te bereiden op hun taak in het kader van de geneeskundige hulpverlening.

Het is een verantwoordelijkheid van de zorgsector zelf om voor de inzet onder bijzondere omstandigheden een normenkader te ontwikkelen. Om deze vaardigheden te ontwikkelen en te onderhouden, moeten ook de medewerkers van instellingen die geen GHOR-aanstelling hebben, worden opgeleid en geoefend. Dit geldt voor ziekenhuismedewerkers, ambulancepersoneel, huisartsen, GGZ-medewerkers en anderen. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) rekent het tot zijn verantwoordelijkheid om dit te bevorderen.

Afstemming met traumazorg In de Beleidsvisie traumazorg 2006–2010 (Kamerstukken II 2005/06, 29 247, nr. 37) krijgen de ziekenhuizen met de erkenning als traumacentrum, de opdracht vaker en beter samen te werken. Er bestaat nu een geheel Nederland omvattend netwerk traumazorg. Alle tien traumacentra hebben (concrete) afspraken met de ziekenhuizen in hun regio over de acute zorgopvang (de juiste patiënt (tijdig) op de juiste plaats). Op basis van beleidsregels die op grond van de artikelen 4 en 13 van de Wtzi tot stand zijn gebracht, zijn de ziekenhuizen met erkenning traumacentrum gehouden een overleg tot stand te brengen, het zogenaamde regionaal overleg acute zorgketen. In dit overleg komen de belangrijkste aanbieders van acute zorg bij elkaar met als doel een regionaal dekkend systeem te realiseren, zodat de patiënt met een acute zorgvraag zo snel mogelijk op de juiste plaats terechtkomt. De directeur GHOR is lid van dit overleg en hij heeft daarmee een structuur om afspraken te maken met de aanbieders van acute zorg. Afstemming bij volksgezondheidscrises Er zijn specifieke crises- en rampsituaties die ontstaan binnen het domein van de volksgezondheid, zoals bij infectieziekten. De verantwoordelijkheid voor de voorbereiding van de aanpak van een dergelijke crisis ligt bij het college van burgemeester en wethouders.

De verantwoordelijkheid voor de daadwerkelijke bestrijding van zo’n crisis ligt bij de burgemeester. De gemeentelijke gezondheidsdiensten zijn belast met de uitvoering ervan. Dit wordt geregeld in de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv), de Infectieziektenwet en de Quarantainewet.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

27

De gemeenten hebben hun gezondheidsdiensten veelal georganiseerd via een gemeenschappelijke regeling. GGD-Nederland en de VNG hebben aangegeven voorstander te zijn van territoriale congruentie van hun GGD-regio’s met de veiligheidsregio’s. Het kabinet is voornemens wettelijk te regelen dat de GGD regio’s per ultimo 2010 congruent zijn. Territoriale congruentie op dit punt houdt immers in dat in de veiligheidsregio door de bestuurlijk verantwoordelijken en hun uitvoerders optimaal kan worden afgestemd over de inzet bij volksgezondheidscrises, waarmee ook de slagkracht kan worden vergroot (Kabinetstandpunt Veiligheidsregio’s 2004; Kamerstukken II 2003/04, 29 517, nr. 1). Tot nu toe hebben primair veel gemeenten deze bestuurlijke en territoriale congruentie verder vorm gegeven. Het kabinet is er voorstander van dat de operationele GHORorganisatie en de GGD-organisatie zoveel mogelijk bij elkaar worden gebracht en de processen zo goed mogelijk op elkaar worden afgestemd. Om dit te bevorderen wordt geregeld dat de directeur GHOR participeert in de directie van de in het gebied van de veiligheidsregio gelegen GGD. De publieke verantwoordelijkheid van de GGD-en en hun ervaring op het terrein van de grootschalige gezondheidsincidenten, zoals infectieziekten, maakt dat het raadzaam is dat de besturen van veiligheidsregio’s en GGD gezamenlijk crisissituaties aanpakken.

De GHOR beweegt zich qua uitvoering op het gebied van de openbare gezondheidszorg en moet daar in haar functioneren rekening mee houden. Het bestuur dient vanuit haar GHOR-taak te bevorderen dat het niet openbaar bestuurde deel van de gezondheidszorg zich verbindt met de openbare gezondheidszorg opdat in de uitvoering tot één keten van zorg kan worden gekomen. Dit verloopt soepeler indien er territoriale congruentie tot stand is gebracht.

Naleving en toezicht Aan het bestuur van de veiligheidsregio kunnen op basis van deze wet bij amvb eisen worden gesteld waaraan de GHOR-organisatie van de regio en de in te zetten GHOR-functionarissen moeten voldoen. De minister van BZK stelt deze eisen vanuit zijn verantwoordelijkheid voor een goede organisatorische voorbereiding op zware ongevallen, rampen en crisissituaties. De eisen die de minister stelt aan het bestuur van de veiligheidsregio met betrekking tot de GHOR en zijn functionarissen brengt hij uit in overleg met de minister van VWS gelet op diens medeverantwoordelijkheid voor een goede geneeskundige hulpverlening. Hiermee is gewaarborgd dat het eisenpakket aansluit aan de systematiek van voorbereiding die bij de instellingen plaatsvindt. Zoals hiervoor al is aangegeven is in de Wtzi bepaald dat instellingen zich dienen te prepareren op hun bijdrage aan de geneeskundige hulpverlening ingeval van een ramp of een crisis. De beleidsregels acute zorg ex artikel 4 jo 13 van de Wet toelating zorginstellingen (Wtzi) zullen in dit verband door de minister van VWS na overleg met de minister van BZK op dit punt nog worden aangescherpt. De ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid in casu de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ) zijn op grond van artikel 35 van de Wtzi verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Wtzi.

De minister van VWS kan, al dan niet na onderzoek van de IGZ, optreden indien een instelling in gebreke blijft. Zo kan de minister zonodig de vergunning tot het verlenen van zorg intrekken of bestuursdwang toepassen (respectievelijk op grond van de artikelen 13, tweede lid, en 37 van de Wtzi). Deze aanpak strookt ook met de geest van de Kwaliteitswet zorginstellingen, namelijk dat zorginstellingen zelf verantwoordelijk zijn voor het leveren van kwalitatief verantwoorde zorg en bij gebreke daarvan door de minister al of niet via de IGZ kan worden ingegrepen. Het bestuur van de veiligheidsregio laat zich periodiek door de directeur GHOR op de hoogte stellen van de staat van voorbereiding van de instel-

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

28

lingen. Zo nodig spreekt de directeur namens het bestuur van de veiligheidsregio een instelling erop aan wanneer de voorbereiding niet aan de maat is. Indien een instelling volgens het bestuur zich niet of onvoldoende voorbereidt op een ramp of een crisis kan de voorzitter van de veiligheidsregio de desbetreffende instelling een aanwijzing geven. Mocht de instelling geen gevolg geven aan de aanwijzing dan kan de voorzitter de minister van VWS verzoeken van zijn bevoegdheden gebruik te maken om de nodige maatregelen te treffen. De Kwaliteitswet zorginstellingen biedt de minister van VWS mogelijkheden om in te grijpen. De minister van VWS kan daarbij zijn inspectie inschakelen. De IGZ is toezichthouder op de zorgaanbieders in de zin van de Kwaliteitswet zorginstellingen en de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De IGZ beschikt over sanctiemogelijkheden om er zorg voor te dragen dat de gevraagde medewerking alsnog wordt geboden. De IGZ is verder de toezichthouder op het optreden van het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester, alsook op het optreden van de gemeentelijke gezondheidsdiensten, ter uitvoering van de Wcpv, de Infectieziektenwet en de Quarantainewet.

De minister van VWS heeft beperkte aanwijzingsbevoegdheden richting burgemeester en wethouders (op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wcpv) en burgemeester (op grond van artikel 26b, eerste lid, van de Infectieziektenwet), ter zake van de bestrijding van een infectieziektecrisis. De rol van de IGZ als toezichthouder op grond van bovengenoemde wetten maakt dat er samenhang zal zijn tussen die taak en de toezichthoudende taak van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (hierna: IOOV), onderdeel van het ministerie van BZK. De IOOV heeft op het punt van het toezicht op de veiligheidsregio een coördinerende rol in relatie tot de IGZ. In de brief «Eenduidig toezicht» aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2005/06, 29 362, nr. 107), is uiteengezet hoe de samenwerking tussen de verschillende inspecties zal verlopen indien de regio’s op de staat van voorbereiding op rampen- en crisisbeheersing worden geïnspecteerd. Van belang daarbij is dat, geïnitieerd door de IOOV, de inspecties hun toezicht op elkaar afstemmen en in onderling overleg op periodieke basis onderzoek doen in de regio’s naar de organisatiegraad van de geneeskundige hulpverlening en het niveau van voorbereiding van de betrokken partijen.

Financiering De financieringsstructuur van de veiligheidsregio’s, en van de GHOR in het bijzonder, vraagt om enige verduidelijking. Uitgangspunt bij de voorbereiding op zware ongevallen rampen en crisissituaties is dat elke sector die een bijdrage moet leveren aan de voorbereiding zijn eigen kosten draagt; dus de geneeskundige sector ook bij de voorbereiding op GHORactiviteiten. Dit standpunt is door een eerder kabinet reeds ingenomen (Kamerstukken II 2001/02, nr. 26 956, nr. 11) en in een later kabinetsstandpunt inzake de GHORdiaanse knoop (Kamerstukken II 2004/05, 26 956, nr. 25) bevestigd. Vertrekpunt voor de financiering van de voorbereidingskosten door de geneeskundige sector is de financieringssystematiek zoals die geldt voor de instellingen in de gezondheidszorg. Zorgverzekeraars hebben met de instellingen contracten afgesloten voor het leveren van zorg. Onder die zorg valt ook de zorg die in geval van een ramp of zwaar ongeval moet worden geleverd. De zorgsector moet zich hierop voorbereiden onder andere door te oefenen. Deze kosten van de voorbereiding en het oefenen dienen derhalve uit de eigen middelen van de instellingen te worden gefinancierd. In die zin wijkt de financieringsstructuur niet af van die van andere partijen.

Voorbereidingen van bijvoorbeeld Defensie en de waterschappen op rampen of crisissituaties, ook het participeren in oefeningen, worden ook in die sectoren uit de eigen middelen betaald.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

29

Vanuit deze uitgangspunten is met de minister van VWS afgesproken dat hij vanaf 2008 er zorg voor zal dragen dat ieder jaar structureel geoormerkt geld beschikbaar komt voor opleiden, trainen en oefenen door de instellingen en diensten. Dit maakt het voor de besturen van de veiligheidsregio’s mogelijk om de instellingen en diensten daarop aan te spreken en met hen afspraken te maken op welke wijze dit geld wordt gebruikt ter voorbereiding op calamiteiten. Zeker als het referentiekader voor oefenen door ziekenhuizen gereed is, biedt de combinatie van referentiekader en geoormerkt geld een goed vertrekpunt om de voorbereiding gezamenlijk in te vullen. De verantwoordelijkheid voor financiering van het GHOR-bureau en haar activiteiten ligt bij de regio. De regio wordt hoofdzakelijk gefinancierd door de aangesloten gemeenten. Sinds enkele jaren kent de minister van BZK in aanvulling op wat de gemeenten zelf bijdragen, een rijksbijdrage toe aan de regio (de BDUR). Deze rijksbijdrageregeling wordt gecontinueerd.

5.3 Multidisciplinaire taken Naast bovenbeschreven monodisciplinaire taken, is een beschrijving van de multidisciplinaire taken op zijn plaats. Multidisciplinaire taken zijn taken die door hun aard moeten worden uitgevoerd door twee of meer van de hulpverleningsdiensten gezamenlijk. Deze taken liggen met name op het terrein van de rampenbestrijding en crisisbeheersing. Maar ook ten aanzien van de meldkamer en de advisering in het kader van proactie en preventie is multidisciplinaire samenwerking tussen de betrokken diensten vereist. Hier wordt ook gedoeld op de afstemming met de andere crisispartners zoals de waterschappen, het Openbaar Ministerie of de functionarissen van gedeconcentreerde diensten. De instelling van veiligheidsregio’s schept gunstige voorwaarden om daadwerkelijk invulling te geven aan het multidisciplinaire karakter van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing. In deze wet worden geen voorschriften gegeven voor de inrichting van de ambtelijke organisatie die de besluiten van het bestuur van de veiligheidsregio voorbereidt en uitvoert. Het inrichten van de ambtelijke organisatie wordt aan de veiligheidsregio overgelaten. Verwacht mag worden, zoals ook beschreven is in de brief aan de Tweede Kamer van 27 april 2005 (2004/05, 29 517, nr.

4), dat deze voorbereiding en uitvoering in handen zal zijn van de hoofden van de belangrijkste uitvoerende organisaties, te weten de commandant van de brandweer, de directeur GHOR, de korpschef en de functionaris die belast is met de coördinatie van de operationele prestaties van de gemeenten in het kader van de rampenbestrijding en crisisbeheersing. Het wordt aan het bestuur van de veiligheidsregio overgelaten hoe aan de samenwerking nader vorm te geven. In meerdere regio’s is met het oog op de multidisciplinaire taken al een veiligheidsdirectie of een managementteam ingericht, maar er kan ook voor een andere vorm gekozen worden. In meerdere regio’s zijn zogenaamde veiligheidsbureaus ingericht, waar de samenwerking tussen de disciplines zijn beslag krijgt. Het feit dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze multidisciplinaire taken eventueel bij een organisatorische eenheid ligt, laat onverlet dat de coördinatie van deze taken of van onderdelen van deze taken als zodanig aan één van de diensten kan worden opgedragen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

30

5.4 Meldkamer Het bestuur van de veiligheidsregio draagt er zorg voor dat er één meldkamer wordt ingesteld en in stand gehouden ter ondersteuning van de monodisciplinaire processen van de politie, brandweer, ambulancezorg en de geneeskundige hulpverlening. Het bestuur van de veiligheidsregio is verantwoordelijk voor het algehele beheer en in stand houden van de gemeenschappelijke meldkamer, met dien verstande dat het bestuur van de Regionale Ambulancevoorziening en het regionale college van politie ieder zorg dragen voor het in stand houden van hun eigen deel van de gemeenschappelijke meldkamer. Het bestuur van de veiligheidsregio maakt afspraken met het regionale college van politie over het gemeenschappelijk gebruik van de meldkamer. Aan de vergunninghouder voor ambulancezorg worden eisen gesteld op basis van de Wet ambulancezorg binnen welk kader deze partij deelneemt aan de gemeenschappelijke meldkamer. In deze wet wordt geregeld dat het gaat om een gemeenschappelijke meldkamer waarin de werkzaamheden ten minste gecolokeerd worden uitgevoerd. Colocatie houdt in ieder geval in gemeenschappelijke huisvesting en gebruik van ondersteunende systemen en zoveel mogelijk afstemming van de werkprocessen. De lasten voor beheer en instandhouding worden door de besturen van de disciplines die gebruik maken van de meldkamer gedragen, tenzij partijen anders overeenkomen.

Het bestuur van de veiligheidsregio benoemt en ontslaat de directeur van de meldkamer. Hij doet dit niet eerder dan nadat hij het regionale college en het bestuur van de regionale ambulancevoorziening in de gelegenheid heeft gesteld daarover advies uit te brengen. Het personeel van de meldkamer is in de regel afkomstig en in dienst van de disciplines die samenwerken in de meldkamer, tenzij de partijen in regionaal verband voor een andere oplossing kiezen. Het aanstellen van personeel van één van de partijen voor het verrichten van werkzaamheden in de meldkamer, behoeft instemming van de directeur. Dit met het oog op de kwaliteitsbewaking en mogelijkheden voor samenwerking van het personeel. De directeur van de meldkamer kan immers zijn verantwoordelijkheid voor het algehele beheer en de kwaliteit van de processen niet waarmaken indien hij geen zeggenschap heeft over het personeel dat in de meldkamer te werk wordt gesteld. De meldkamer wordt ingericht voor het ontvangen, registreren en beoordelen van alle acute hulpvragen gericht op de inzet van brandweer, geneeskundige hulpverlening, ambulancezorg of politie, het bieden van een adequaat hulpaanbod en het begeleiden en coördineren van de hulpdiensten. Onder acute hulpvragen dient hier te worden verstaan spoedeisende hulpvragen en hulp die binnen afzienbare tijd (circa vierentwintig uur) geboden moet worden.

Voor geplande activiteiten van hulpverlening, zoals de inzet van politie met betrekking tot een evenement dat over een bepaalde tijd plaatsvindt of het geplande vervoer van zieken, kan gebruik gemaakt worden van de faciliteiten van de meldkamer. Partijen kunnen echter ook anders besluiten. De directeur heeft de algehele leiding over de meldkamer. Hij dient daarbij de werkinstructies van de verantwoordelijke leidinggevenden van de onderscheiden disciplines in acht te nemen. In meldkamers waar gecolokeerd wordt gewerkt kunnen een of meer leidinggevenden van de onderscheiden disciplines leiding geven aan de werkprocessen en de daadwerkelijk inzetbepaling voor de eigen discipline. De directeur draagt er zorg voor dat de meldkamer operationeel is in zowel reguliere als in ramp- en crisissituaties. Voor hulpverlening die door de meldkamer wordt georganiseerd en gecoördineerd, kunnen ook andere (overheids-)instellingen nodig zijn. In situaties waarin meerdere hulpverleningsdiensten samenwerken of de omvang van de hulpverlening toeneemt, is het belangrijk dat de verschillende disciplines van de meld-

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

31

kamer (brandweer, geneeskundige hulpverleningsorganisatie, ambulancezorg en politie) elkaar goed kunnen vinden en hun handelingen afstemmen. Om dit te realiseren hebben nu bijna alle meldkamers van brandweer, geneeskundige hulpverleningorganisatie en politie een gezamenlijke huisvesting (colocatie). Ook neemt de operationele en beheersmatige samenwerking tussen deze organisaties verder toe. Dit wetsvoorstel bouwt voort op deze ontwikkelingen en maakt verdere ontwikkelingen richting een geïntegreerde meldkamer in de toekomst mogelijk. Het kabinet wil dit ook bevorderen en streeft een vergaande mate van integratie van de processen na. De meldkamer is in ieder geval gecolokeerd, maar ook verdergaande vormen van samenwerking zijn mogelijk. Regio’s kunnen overgaan naar een volledig geïntegreerde meldkamer. Gelet op het regeerakkoord en de reacties op het wetsvoorstel van de VNG en de NVBR, die pleiten voor een heldere publiekrechtelijke verankering van de meldkamer, zijn de bepalingen ten opzichte van het in consultatie gegeven voorstel aangepast. De meldkamer is essentieel voor het bevoegd gezag om zijn verantwoordelijkheid voor de veiligheid en openbare orde waar te maken. De meldkamer vervult de spilfunctie in het functioneren van brandweer, politie, geneeskundige hulpverlening en ambulancezorg, zowel in de dagelijkse situatie als onder ramp- of crisisomstandigheden.

Het bevoegd gezag moet direct op de meldkamer kunnen sturen. In de wet is daarom verankerd dat de meldkamer onder de publieke verantwoordelijkheid valt en wordt ingesteld en in stand gehouden door het bestuur van de veiligheidsregio, met dien verstande dat de daadwerkelijke uitvoering van de meldkamer ambulancezorg en daarmee de verantwoordelijkheid voor de feitelijke inzet valt onder de verantwoordelijkheid van de rechtspersoon aan wie vergunning is verstrekt door de minister van VWS. Hetzelfde geldt voor het regionale college van politie wat betreft het bepalen van de werkwijze in het politiedeel van de meldkamer. De minister van VWS verleent per regio een vergunning aan één rechtspersoon tot het verrichten van ambulancezorg. Om voor de meldkamer ambulancezorg de verantwoordelijkheid van het openbaar bestuur waar te maken, is bepaald dat ten aanzien van een groot aantal onderwerpen het bestuur van de veiligheidsregio eisen kan stellen aan de vergunninghouder. Daarnaast is bepaald dat het bestuur van de veiligheidsregio de directeur van de meldkamer benoemt. Naast deze directe sturing, vindt op basis van dit wetsvoorstel ook indirecte sturing plaats door het op grond van artikel 16 stellen van eisen aan onder andere de meldkamer.

De minister van BZK kan eisen stellen aan prestaties en systemen, zoals de minister van VWS op basis van de Wet ambulancezorg ook nader eisen kan stellen. Dit zijn bijvoorbeeld eisen die betrekking hebben op het hanteren van procedures, de wijze van samenwerking, de snelheid van opschalen en opleidingseisen aan de medewerkers. Doel van deze eisen is om de meldkamerfunctie krachtiger te positioneren en om ervoor te zorgen dat de opleiding en de geoefendheid van het personeel dat werkzaam is in de meldkamer van eenzelfde kwaliteitsniveau is. Deze eisen gelden ook voor het personeel, belast met taken op terrein van brandweer, geneeskundige hulpverleningsorganisatie en politie, dat werkzaam is in de meldkamer. Ten aanzien van het meldkamerpersoneel voor de ambulancezorg, zullen deze eisen deel uitmaken van de voorwaarden die gesteld worden aan de vergunningverlening op basis van de beoogde Wet ambulancezorg. De eisen die bij amvb worden gesteld aan het politiedeel van de meldkamer vinden hun grondslag in de Politiewet 1993. Een grote ramp of crisis die het niveau of de capaciteit van de regio te boven gaat, vereist opschaling of onderlinge bijstandsverlening van de hulpdiensten. Om de operationele en de beleidsmatige processen ook bij opschaling goed te laten verlopen is het noodzakelijk dat regionale organi-

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

32

saties onderling op elkaar aansluiten, onder andere om uitwisselbaarheid te bereiken. De regionale organisaties dienen eveneens aan te sluiten op de nationale (Rijks) crisisbeheersingsorganisatie. Dit vereist op een aantal essentiële terreinen, zoals op het terrein van de meldkamer, uniformering en standaardisering. Gelet op de centrale rol van de meldkamer en gelet op de verantwoordelijkheden van de minister van BZK heeft de minister de mogelijkheid om eisen te stellen, die zich vooral zullen richten op interregionale en landelijke implicaties van de meldkamerfunctie. Gedacht moet worden aan het snel kunnen opschalen (van een regio naar meer regio’s), het hanteren van uniforme werkwijzen en aan uniforme en uitwisselbare informatiestromen. Het bestuur van de veiligheidsregio is verantwoordelijk voor de gemeenschappelijke meldkamer. Een onderdeel van de gemeenschappelijke meldkamer is de 112-centrale. Het regionale college is verantwoordelijk voor het in stand houden van de 112-centrale. Het telefoonnummer 112 is binnen de Europese Unie het alarmnummer voor de hulpverleningsdiensten. De ophanging aan de politie is een gevolg van de cruciale rol van de politie en de meeste oproepen hebben betrekking op een hulpvraag aan deze organisatie.

Er bestaat dan ook geen directe aanleiding om de verantwoordelijkheid voor de 112-centrale onder te brengen bij het bestuur van de veiligheidsregio. De NVBR veronderstelt in haar reactie op het concept wetsvoorstel dat hiermee de 112-centrale fysiek apart gepositioneerd wordt in het politiedomein. Zo mag de wet echter niet gelezen worden. De 112-centrale valt op de gronden als hierboven geschetst onder het beheer van het regionale college, maar maakt fysiek deel uit van de gemeenschappelijke meldkamer waar de werkzaamheden in ieder geval gecolokeerd plaatsvinden. Dit is met name in gevallen waarin de disciplines samen moeten optrekken van cruciaal belang. De bestuurlijke en operationele samenwerking in en rond de meldkamer en de 112-centrale wordt op basis van dit wetsvoorstel geregeld. Per regio dient de verdere uitwerking plaats te vinden in een convenant. De aspecten van de meldkamer die in ieder geval in het convenant dienen te worden opgenomen zijn de locatie, het beleid en beheer, de financiën, het te gebruiken ondersteunende systeem en de prestaties. In lokale crisissituaties heeft de burgemeester het gezag over de meldkamer, ten aanzien van alle disciplines, waarbij echter ook de (hoofd)officier van justitie gezagsdrager is indien er opsporingsbelangen in het geding zijn.

De burgemeester kan, wanneer hij dat om redenen van openbare orde nodig acht, aanwijzingen geven aan de Regionale Ambulancevoorziening. In het geval van een bovenlokale ramp of crisis komt deze bevoegdheid toe aan de voorzitter van de veiligheidsregio. De Koninklijke marechaussee (Kmar) vervult de reguliere politietaak op Schiphol en andere aangewezen vliegvelden. Deze taak wordt uitgevoerd door de districten van de Kmar, die de beschikking hebben over een eigen politiemeldkamer. Deze meldkamer is niet gecolokeerd. De Kmar valt niet onder het regionale college van politie, noch onder de korpsbeheerder. Beheersmatig kent de Kmar een geheel andere constructie dan de politie. Dit wetsvoorstel schrijft voor dat het bestuur van de veiligheidsregio moet voorzien in de meldkamerfunctie. Voor de Kmar zijn er nu voorzieningen voor de meldkamerfunctie, maar die wijken (nog) af van de lijn die beleidsmatig wordt voorgestaan, zoals colocatie. De uitzonderingsbepaling die nu in het wetsvoorstel is opgenomen, kan voor de situatie op Schiphol en de andere luchtvaartterreinen uitkomst bieden.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 117, nr. 3

33

Wat betreft het gezag over de Kmar bij de vliegvelden is de situatie identiek als het gezag over de politie: de burgemeester heeft het gezag op het terrein van de openbare orde en veiligheid en de officier van justitie heeft het gezag op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Daarmee is bepaald dat de Kmar, voor zover betreft de politietaken op vliegvelden, gelijk te schakelen is met de reguliere politie. Het bestuur van de veiligheidsregio dient derhalve ook de beoogde operationele prestaties van de Kmar in dit verband op te nemen in het beleidsplan van de veiligheidsregio en het bestuur dient de Kmar op te nemen in het crisisplan. Het bestuur van de veiligheidsregio kan echter ten aanzien van de Kmar geen convenant sluiten met het regionale college van politie. Het bestuur van de desbetreffende veiligheidsregio zal in dit verband een convenant moeten opstellen met de minister van Defensie, als verantwoordelijke voor het beheer van de Kmar. 6. Sturing door de rijksoverheid Om sturing te geven aan de veiligheidsregio’s en het door de regio’s te voeren beleid staat de minister van BZK een aantal mogelijkheden ter beschikking. Om overal in Nederland, voor alle burgers, op het terrein van brand, ongeval, ramp of crisis een zeker minimum veiligheidsniveau te bereiken, worden landelijke voorschriften nodig geacht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11041036/1