740065 Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Stationstuinen 1ste fase
Tekst van het document
Met de ontwikkeling van De Stationstuinen (als geheel) wordt 14 hectare bedrijventerrein aan de bestaande voorraad onttrokken. Met bestemmingsplan Nieuw-Reijerwaard (vastgesteld op 12 november 2014) is planologische ruimte geboden voor deze bedrijven uit de agrofood sector. Bovendien blijft er voldoende aanbod over voor de vraag vanuit de agrologistiek in de regio. Het bestemmingsplan Nieuw-Reijerwaard is reeds vastgesteld en een verdere vulling van dit bedrijventerrein met nieuwe bedrijven maakt onderdeel uit van de referentiesituatie in dit MER. De locatie van Nieuw-Reijerwaard is
Hoofdstuk 3
26
te zien in figuur 3.1. Binnen Nieuw Reijerwaard worden drie windturbines mogelijk gemaakt. Deze zijn in figuur 3.1 weergegeven. De dichtstbijzijnde windturbine komt op 0,95 km van de meest noordelijke hoek van het plangebied. In de bijlagen bij deze toelichting is het compensatieplan opgenomen voor de Stationstuinen (als geheel). Hieronder worden de conclusies beschreven: Compensatie deelgebied 1, bedrijventerrein Barendrecht Oost en Spoorzone In deelgebied 1 wordt circa 16 hectare bedrijventerrein (passend binnen de scope van de compensatieregeling) onttrokken aan de voorraad. Van deze 16 hectare is ruim 13.6 hectare bestemd voor AGF-bedrijven middels een functieaanduiding en circa 2.3 hectare voor algemene bedrijvigheid. Diverse onderzoeken tonen aan dat er na transformatie voldoende aanbod bedrijventerrein in het AGF-segment in de regio beschikbaar blijft. Als de regio hiermee instemt, hoeft er op grond van de Omgevingsverordening (artikel 6.12) van de provincie Zuid-Holland geen compensatie plaats te vinden. Voor de 13.6 ha met functieaanduiding AGF biedt Nieuw-Reijerwaard een alternatief zowel in m2 als milieucategorie 4 en blijft er nog (ruim) voldoende aanbod over voor de vraag vanuit agrologistiek in de regio. De afstemming heeft al plaatsgevonden met de provincie Zuid-Holland, de gemeente Ridderkerk en de gemeente Rotterdam in Dutch Fresh Port.
De 2.3 hectare die geen functieaanduiding AGF heeft, wordt voor 1,2 hectare feitelijk wel door een agrologistiek bedrijf gebruikt. Om nu onduidelijke redenen heeft deze kavel echter in het bestemmingsplan in 2013 geen AGF-functieaanduiding heeft gekregen. Het restant van 1,1 hectare wordt gecompenseerd conform het traditionele compensatieprincipe, door toevoeging van functie bedrijventerreinen elders. In de huidige plannen van de Stationstuinen (als geheel) komt nog zo’n 3 hectare werken “terug” in de vorm van woon-werkcombinaties. Het gaat dan o.a. om hoogwaardige AGF-bedrijvigheid en onderwijs, die overlapt met wonen binnen panden. Veelal gaat het hierbij overigens om functies in milieucategorie 2 tot mogelijk maximaal 3. Tenslotte verkent Barendrecht nog andere mogelijkheden van compensatie door het beter benutten van bestaande terreinen en het toevoegen van nieuwe planologische ruimte voor bedrijvigheid. Uit onderzoek van Stec liggen voor de nieuwe planologische ruimte mogelijkheden in drie locaties: • De Lorenzweg (Barendrecht-Oost), • Het ‘oude’ Oud-Reijerwaard ten noorden van de A15, • Nabij gasverdeelstation (tussen de Londen, De Gent en Kilweg. Voor het beter benutten principe wordt door de Stec-groep kansen gezien op Dierenstein en Barendrecht-Oost. Met de Stec-groep gaan we in het vervolg deze kansen verder in kaart brengen.
Compensatie deelgebied 2, Kantorenlocatie Barendrecht NS-station. In deelgebied 2 wordt circa 3 hectare bedrijfsbestemming in milieucategorie 3.1 of hoger onttrokken aan de voorraad. Dit deelgebied kent de aanduiding “Kantorenlocatie”. Op grond van de regionale Kantoren visies en het provinciale kantorenbeleid is het doel van de locatie herbestemmen. Dat is ook in lijn met de voorgestane gebiedsontwikkeling. Voor dit deelgebied is op basis hiervan geen compensatie nodig.
Hoofdstuk 3
27
Advies MRDH op compensatieplan De Stationstuinen (als geheel) Er is door de bestuurscommissie Economisch Vestigingsklimaat van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag een advies uitgebracht ten aanzien van het compensatieplan. Deze is als bijlage bij deze toelichting gevoegd en luidt als volgt: Samenvattend zien wij uw ambities voor De Stationstuinen (als geheel) als een logische locatie voor verstedelijking op een OV-ontsloten gebied, gecombineerd met de modernisering van Dutch Fresh Port. Uw visie op compensatie past grotendeels binnen het provinciale Omgevingsbeleid door de verplaatsing naar Nieuw-Reijerwaard, maar leidt wel tot een aanzienlijke onttrekking van ruimte voor bedrijven, ook in lagere milieucategorieën. Een deel van uw voorstel past niet in huidig provinciaal beleid. Daarvoor zijn nadere bestuurlijke afspraken met de provincie Zuid-Holland noodzakelijk. De uiteindelijke vorm en omvang van bedrijfsruimte in het nieuwe werkmilieu is daarbij ook een aandachtspunt. Overleg is gaande over het maken van nadere bestuurlijke afspraken.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Gebiedsvisie De Stationstuinen Het Koersdocument ten aanzien van De Stationstuinen is de aanleiding van dit plan. In de daaropvolgende gebiedsvisie zijn de ambities en wensen van De Stationstuinen beschreven, waarbinnen dit plangebied is gelegen. In de gebiedsvisie wordt bij de ontwikkelstrategie het stationsgebied als stap 1 beschreven. Hier staat het volgende: “Een gezonde leefomgeving, duurzame mobiliteit en de goede relatie met Dutch Fresh Port zijn belangrijke speerpunten bij de ontwikkeling van De Stationstuinen. Deze komen samen bij de hoofdentree van het treinstation. Hier zijn de hindercontouren beperkt, zijn kavels bebouwbaar en kan als eerste ‘smoel gemaakt’. Een logische eerste stap in de ontwikkeling.” Ten aanzien van het programma wordt het volgende beschreven: “Het gebied van stap 1, dicht bij de noordelijke stationstoegang is dé nieuwe entree van Barendrecht. Dit wordt de nieuwe bruisende plek met volop voorzieningen en stevige dichtheid van wonen. Op deze plekken is hogere bebouwing ruimtelijk logisch in combinatie met voorzieningen in een (meerlaagse) plint.” De fasering en het verplaatsen van bedrijven is afhankelijk van de bereidheid van bedrijven om mee te werken en van ontwikkelende partijen om risicodragend te investeren in dit gebied.
Zo zal elke partij zijn eigen businesscase opstellen en beoordelen of er voldoende reden is om de ontwikkeling mogelijk te maken.
Hoofdstuk 3
28
Hierbij is er een aantal kwaliteitsprincipes leidend. Deze zijn hieronder beschreven. Daarnaast is per kwaliteitsprincipe beschreven wat de relatie is met het plangebied. 1) Doel is dat er sprake is van een gemengd gebied waarbij wonen een belangrijke functie is. Graag zien we hoe deze ambitie zich vertaald naar elke fase; Met dit plan wordt aangesloten bij deze ambitie. Er wordt invulling gegeven aan woningen maar ook ‘voorzieningen en werken’. 2) Uitzondering op dit eerste punt is de locatie bij de oostelijke entree van de Gebroken Meeldijk. Gezien de afstand tot de stationslocatie en toekomstige voorzieningen en de nabijheid van bedrijven, zijn hier ontwikkelingen zonder wonen voorstelbaar; n.v.t. 3) De regionale en lokale afspraken bepalen dat bij elke ontwikkeling 30% sociale woningbouw en 20% betaalbare woningbouw gerealiseerd moet worden. Initiatiefnemers kunnen hier alleen van afwijken als ze elders binnen het visiegebied compenseren; Er wordt aangesloten bij de lokale afspraken. Het initiatief, waarbij 815 woningen (inclusief afwijkingslocatie) worden gerealiseerd in de 1ste fase met een mix van grondgebonden woningen, gestapelde woningen in de vrije sector, en het midden en sociaal segment voor een brede, diverse, doelgroep voorziet in een kwalitatieve behoefte. In totaal wordt minimaal 30% aan sociale huur gerealiseerd en 30% aan overige betaalbare woningen.
4) Er moet een gezond en prettig leefmilieu ontstaan. Dit betekent dat: Er geen hinder is van bestaande bedrijven. Ook geen hinder moet ontstaan vanuit wonen voor bestaande (en te behouden) bedrijven. Hiertoe dienen voldoende maatregelen genomen te worden; a. Er is geen hinder van werkverkeer. Hiertoe dient het mogelijk te zijn werkverkeer (vrachtwagens) om te leiden zonder zittende bedrijven te hinderen; b. De uitgangspunten met betrekking tot het groene verblijfskarakter voor de openbare ruimte zijn onderdeel van de ontwikkeling; c. Het gebied sluit aan op de duurzaamheidsambities van De Stationstuinen op het gebied van klimaatbestendigheid, biodiversiteit en energie, warmte/koude. In de hoofdstukken 3, 4 en 5 wordt hier verder op ingegaan. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 5) De Stationstuinen is autoluw. Daarom zetten we sterk in op deelmobiliteit en parkeren uit het zicht van het straatbeeld. De parkeergarages (als onderdeel van een gesloten bouwblok) zorgen hier onder andere voor. Daarnaast wordt binnen de Stationstuinen ingezet op een goede bereikbaarheid voor wat betreft het openbaar vervoer. De ligging nabij het station en de nabijheid van bushaltes zal hierbij helpen. Ook komen er twee mobility-hubs. Deze worden al in dit bestemmingsplan voor de 1ste fase mogelijk gemaakt.
Er wordt daarnaast voorzien in voldoende langzaamverkeersroutes door De Stationstuinen.
Hoofdstuk 3
29
6) Om een samenhangend gebied te laten groeien moet elke fase goed aansluiten op zowel andere fasen als de directe omgeving. Daarbij is het belangrijk dat een fase zelfstandig functioneert, al dan niet samen met voorgaande fasen. De beoogde nieuwbouw kan zelfstandig functioneren en belemmert niet de verdere ontwikkeling van De Stationstuinen. De bestaande bedrijven kunnen ook hun activiteiten blijven ontplooien. Qua omvang en uitstraling zal het plan aansluiten bij verder te ontwikkelen locaties in De Stationstuinen. 3.3.2 Ambitiedocument klimaatadaptatie De nieuwbouwontwikkeling De Stationstuinen in Barendrecht omvat de bouw van 3500 woningen. De start van de ontwikkeling is gepland op 1 mei 2024. Voordat de ontwikkeling van start kan gaan moet gekeken worden naar de ambities die er voor de gemeente Barendrecht en Emborion zijn voor de ontwikkeling van het plangebied. Er is een notitie opgesteld waarin wordt aangegeven aan welke eisen de ontwikkeling moet voldoen en wat het ambitieniveau hiervan is voor de ontwikkeling De Stationstuinen als geheel. Dit document is opgenomen in de bijlagen. Geadviseerd wordt bij de verdere uitwerking van de plannen het ambitiedocument steeds te raadplegen, Er dient actief getoetst te worden door het kwaliteitsteam en de integrale beheerders van de gemeente Barendrecht of de ambities voldoende verwerkt zijn in het plan en gehaald worden.
Hiermee wordt een klimaat robuuste omgeving gecreëerd waarin goed is nagedacht over alle aspecten van klimaatverandering. Met het plan wordt aangesloten bij de ambities die zijn opgenomen ten aanzien van o.a. water, droogte en hittestress. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan De Stationstuinen 1ste fase is ook getoetst aan het ambitiedocument. Hieronder worden de eisen uit het ambitiedocument beschreven: Wateroverlast Een groot deel van de neerslag (50 mm) van een korte hevige bui (1/100 jaar, 70 mm in 1 uur) op privaat terrein wordt op dit terrein opgevangen en vertraagd afgevoerd. De berging is niet eerder dan in 24 uur leeg. Realiseren van minimaal 50mm waterberging op private percelen, waarin het dakoppervlak incl. 50% verhardoppervlak van tuinen is meegenomen. In het plangebied treedt geen schade op aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (1/100 jaar 2050, 90 mm/u). Relatie Stationstuinen en bestemmingsplan Stationstuinen 1e fase In De Stationstuinen wordt een bui van 70mm in één uur (T=100 huidig) aan neerslag opgevangen en vertraagd afgevoerd. Ten tijde van droogte wordt het water langer vastgehouden in de bergingsvoorzieningen. Bij de plannen voor de private percelen dient aangetoond te worden dat er over het gehele perceel 50mm water wordt geborgen en vastgehouden.
De gebouwen en kwetsbare voorzieningen hebben hogere dorpelhoogte t.o.v. het maaiveld. Water wordt zoveel mogelijk geleid naar locaties waar het vastgehouden kan worden zonder schade te geven aan privaat of openbaar gebied.
Hoofdstuk 3
30
Het uitgangspunt is dat de ontwikkeling van De Stationstuinen -per saldo- niet leidt tot een toename van verharding ten opzichte van de huidige situatie. Op basis van de eerste ontwerpen is de inschatting dat het percentage verhard oppervlak afneemt en de omvang van oppervlaktewater toeneemt. De gemeente heeft in de gebiedsvisie echter wel de ambitie opgenomen om lokale waterberging te bevorderen. Er moet ruimte zijn om hemelwater te bufferen en vertraagd af te voeren, zowel in de openbare ruimte als op particulier terrein. Om deze ambitie waar te maken zijn maatregelen nodig binnen de ontwikkelvelden als in het openbaar gebied. De bodemopbouw en de huidige grondwaterstanden beperken echter de mogelijkheden voor lokale waterberging. Dit hangt ook nauw samen met de inrichting van het watersysteem. Om deze ambities te halen zijn daarom keuzes en afwegingen te maken. Droogte De inrichting van het plangebied is afgestemd op de verwachte grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte. In het plangebied wordt 50% (circa 450mm in 'normale' jaren) van de jaarlijkse neerslag geïnfiltreerd. Relatie Stationstuinen en bestemmingsplan Stationstuinen 1e fase Met het opstellen van de waterhuishoudkundige notitie is gekeken naar de huidige en de te verwachten grondwaterstanden en wordt hierop geanticipeerd in het ontwerp.
Dit houdt in dat waterbergingen langere tijd “vol” mogen zijn om in droge periodes dit water af te geven. Er worden meerdere bergingsvoorzieningen gecreëerd in De Stationstuinen die water langere tijd kunnen vasthouden. Door deze bergingsvoorzieningen wordt minimaal 50% van het hemelwater geïnfiltreerd. In het ontwikkelkader voor De Stationstuinen is beschreven in welke gebieden van De Stationstuinen waterberging wordt gerealiseerd. Hierbij zal dus een relatie liggen tussen het bestemmingsplan Stationstuinen 1e fase en de andere fases. Gezamenlijk wordt gezorgd voor voldoende waterberging. Hittestress Tenminste 50% schaduw in het plangebied op de hoogste zonnestand voor verblijfsplekken en gebieden waar langzaam verkeer zich verplaatst. Opwarming van stedelijk gebied verminderen: 40% van alle oppervlakken wordt warmte werend of verkoelend ingericht. Koeling van gebouwen leidt niet tot opwarming van de (verblijfs-)ruimte in de directe omgeving. Relatie Stationstuinen en bestemmingsplan Stationstuinen 1e fase Met het ontwerp van de openbare ruimte wordt gekeken naar kleuren en materialen die een warmt werende of verkoelende werking hebben. De randvoorwaarde is hierbij om 40% van alle oppervlaktes warmte werend of verkoelend in te richten. Er wordt gekeken naar het effect van koeling van de gebouwen op de directe omgeving.
Er wordt voorkomen dat restwarmte in smalle openbare ruimtes wordt uitgestoten. Bij voorkeur wordt restwarmte vanaf de daken afgegeven. Biodiversiteit Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht en creëert een hoogwaardige habitat voor ten minste gebouw bewonende soorten.
Hoofdstuk 3
31
Relatie Stationstuinen en bestemmingsplan Stationstuinen 1e fase In het plangebied wordt een zo natuurlijk mogelijke ruimte gecreëerd met de ruimte die er is. Er worden natuurvriendelijke oevers aangeplant binnen De Stationstuinen en er worden lokale soorten voor het groen gekozen, zodat de biodiversiteit zoveel mogelijk versterkt wordt. Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan het zo veel mogelijk realiseren van hoogwaardige habitat voor ten minste gebouw bewonende soorten. Overstroming Voor de ontwikkeling Stationstuinen geldt een maximale overstromingsdiepte bij een dijkdoorbraak tussen de 200 tot 250cm. Relatie Stationstuinen en bestemmingsplan Stationstuinen 1e fase Vitale infrastructuur wordt niet op de begane grond aangebracht om schade bij een overstroming zo veel mogelijk te voorkomen.
Hoofdstuk 3
32
4.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE 4.1 Inleiding en procedure Inleiding De gemeente Barendrecht wil het gebied ten oosten van station Barendrecht herontwikkelen tot gemengd woon-werkgebied: De Stationstuinen. Het gebied moet ruimte bieden aan minimaal 3.500 woningen en een bijbehorend voorzieningenaanbod van circa 67.500 m2 bvo voor werken en voorzieningen. Bepalingen Wet milieubeheer In de Wet milieubeheer is opgenomen dat voor ontwikkelingen met mogelijk belangrijke nadelige (milieu)effecten het verplicht is een zogenaamde m.e.r. (procedure) te doorlopen en een MER op te stellen. De ontwikkeling van De Stationstuinen is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit is in bijlage D van het Besluit m.e.r. opgenomen (D11.2). Tabel 4.1 toont de bepalingen van D11.2 uit het Besluit m.e.r. Kolom 1 Activiteiten De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
Kolom 2 Gevallen In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Kolom 3 Plannen De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
Kolom 4 Besluiten De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
Figuur 4.1 Bepalingen uit D11.2 van het Besluit m.e.r.
De Stationstuinen als geheel is een ontwikkeling waarbij belangrijke (milieu)effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten. De gemeente heeft daarom besloten de m.e.r.-procedure te doorlopen en een MER op te stellen2. Dit MER, dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd, is gekoppeld aan het eerste ruimtelijke besluit voor De Stationstuinen, onderhavig bestemmingsplan De Stationstuinen 1ste fase. Het MER zelf richt zich op de totale ontwikkeling van De Stationstuinen. Op die manier worden de milieubelangen volwaardig meegenomen bij de besluitvorming van onderhavig bestemmingsplan en van de plannen, die nog volgen. In het MER wordt ervan uitgegaan, dat er na vaststelling van onderhavig bestemmingsplan een omgevingsplan komt conform de nieuwe Omgevingswet 3. Dit omgevingsplan omvat dan De Stationstuinen
2
3
Het is gebruikelijk de afkortingen (de) m.e.r. en (het) MER te gebruiken. De afkorting m.e.r. met kleine letters en puntjes ertussen staat voor de volledige procedure, de milieueffectrapportage. MER met hoofdletters, zonder puntjes staat voor het milieueffect rapport, het rapport dat hierbij opgesteld wordt. Mogelijk dat door het uitstellen van de inwerkingtreding van de Omgevingswet tot 1 januari 2024 besloten wordt nog een tweede bestemmingsplanprocedure te doorlopen voor De Stationstuinen 2e fase. Dit zou een extra tussenstap zijn. Daarna kan dan een Omgevingsplan worden vastgesteld voor De Stationstuinen als geheel, waarin dan niet één maar twee bestemmingsplannen worden verwerkt.
Hoofdstuk 4
33
als geheel en kan gezien worden als een plan, vanwege het kader stellende karakter. Onderhavig bestemmingsplan, waarin de ontwikkeling van de eerste fase mogelijk gemaakt wordt, is te zien als een besluit in het licht van de Wet milieubeheer. Het MER voor De Stationstuinen vervult daarom twee functies. Het vormt het planMER voor de totale ontwikkeling van De Stationstuinen. Hiervoor onderzoekt het MER de effecten op de leefomgeving en keuzes en afwegingen (alternatieven) die hieruit volgen. Daarnaast vervult het MER meer een toetsende functie voor onderhavig bestemmingsplan, hiervoor beoordeelt het MER de effecten op de leefomgeving. Procedure Start van de m.e.r.-procedure: notitie Reikwijdte en Detailniveau Voor de start van de m.e.r-procedure is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld. De NRD heeft zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode heeft eenieder schriftelijk kunnen reageren op deze notitie en aan kunnen geven over wat onderzocht moet worden in het MER en op welke manier. Ook zijn wettelijke adviseurs en betrokken instanties in de gelegenheid gesteld om advies te geven. De NRD met de daarbij behorende nota van beantwoording zijn als bijlagen bij deze toelichting gevoegd.
Figuur 4.2 Stappen van de m.e.r.-procedure en het ruimtelijk besluit
Initiatiefnemer en bevoegd gezag Voor de ontwikkeling van De Stationstuinen is de gemeente Barendrecht de initiatiefnemer én het bevoegd gezag. Binnen de gemeente is de passende scheiding van deze functies geregeld doordat de bevoegdheid voor de ruimtelijke procedures ondergebracht is bij de afdeling Ruimtelijke Ordening. De toetsing van het MER is ondergebracht bij de afdeling Milieu, die hierin onafhankelijk advies inwint bij DCMR. Rapport behorend bij de m.e.r.-procedure: het MER De m.e.r. is geen op zichzelf staande procedure. De m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit. De ontwikkeling van De Stationstuinen wordt in deelbesluiten uitgewerkt. Het eerste ruimtelijke besluit
Hoofdstuk 4
34
betreft onderhavig bestemmingsplan. De m.e.r.-procedure is dan ook gekoppeld aan dit bestemmingsplan. Dat betekent dat het MER tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. Eerste ontwikkeling binnen huidig bestemmingsplan Het vigerende bestemmingsplan Bedrijventerrein Noordoost (vastgesteld op 11 juni 2013) biedt, door middel van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid, ruimte voor de ontwikkeling van woningbouw (de zogenaamde fase 0) binnen de bestemming gemengd. Voor dit afwijkingsbesluit geldt geen m.e.r-plicht. Deze ontwikkeling loopt vooruit op de m.e.r.- en bestemmingsplanprocedure en kan daarmee gezien worden als een autonome ontwikkeling. In de onderzoeken bij het MER is wel rekening gehouden met de woningbouwontwikkeling in fase 0. Ontwerpbestemmingsplan ‘Dwarsligger Barendrecht’ In de zomer van 2022 heeft het ontwerp bestemmingsplan ‘Dwarsligger Barendrecht’ ter visie gelegen. Daarin wordt woningbouw mogelijk gemaakt op een perceel ten zuiden van het plangebied van dit bestemmingsplan. Voor dit perceel ligt bij de gemeente ook een verzoek van Prorail voor de vestiging van een verkeersleidingspost. De gemeente heeft de voorkeur voor woningbouw op dit perceel. Daarom vindt er overleg plaats met Prorail over een alternatieve locatie voor de verkeersleidingspost. Definitieve besluitvorming hierover is nog niet genomen.
Mogelijk dat geen alternatief kan worden gevonden. Dan zal het ontwerp bestemmingsplan “Dwarsligger’ worden ingetrokken door de gemeente en zal vergunning worden verleend voor de komst van een verkeersleidingspost. Bij vaststelling van dit bestemmingsplan zal hier definitief duidelijkheid over bestaan. In het MER, maar ook in de onderzoeken behorende bij dit bestemmingsplan is voorlopig uitgegaan van een worst case situatie als het gaat om milieu: de komst van een verkeersleidingspost. In het geval dat Prorail kiest voor een alternatieve locatie en op het perceel woningbouw zal komen zal het MER en de onderzoeken (voor zover nodig) worden aangepast en aangevuld ten behoeve van het vast te stellen bestemmingsplan.
4.2 Het MER Er is door AnteaGroup een milieueffectrapport (MER) opgesteld. Het doel van de milieueffectrapportage (m.e.r.) is het onderzoeken, afwegen en beoordelen van de effecten van de ontwikkeling van De Stationstuinen (als geheel) op de fysieke leefomgeving. Dit moet leiden tot een voorkeursalternatief (het bestemmingsplan en later het omgevingsplan) waarin de effecten op de fysieke leefomgeving meegenomen zijn in de gemaakte keuzes. Dit landt uiteindelijk in het milieueffectrapport (MER), het rapport dat hiervoor opgesteld wordt. Het MER dient als planMER voor de gehele ontwikkeling van De Stationstuinen. Voor het bestemmingsplan (met een directe bouwtitel) dient het MER als projectMER. De ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan worden getoetst aan de regels en randvoorwaarden die volgen uit het MER. In het MER is onderscheid gemaakt tussen deel A, B en C. In deel A worden de effecten van het planvoornemen beschreven. Hierbij komen verschillende milieuthema’s aan bod, zoals gezondheid, geur, luchtkwaliteit, duurzaamheid en water. In deel B worden de keuzes en afwegingen beschreven. Deel C omvat het spelregelkader. Hierna wordt de conclusie van het MER weergegeven. Hierin zijn de effecten van het De Stationstuinen als geheel op de omgeving samengevat in onderstaande een tabel.
Hoofdstuk 4
35
Thema
Beoordeling
Score
Mobiliteit Wegenstructuur en verkeersveiligheid
De wegenstructuur wordt geschikt gemaakt voor de woonfunctie met ruimte 0/+
voor het toepassen van de ontwerpprincipes van duurzaam veilig, de hoofdwegen zijn of worden voorzien van vrijliggende fietspaden. Op de rotonde Veren
+
Ambachtseweg / Spoorlaan ontstaan knelpunten voor verkeersveiligheid. Verkeersafwikke-
De maatregelen voor duurzame mobiliteit verminderen de verkeerseffecten van
ling
-
de ontwikkeling. Knelpunten voor de verkeersafwikkeling zijn niet overal uit te
0/-
sluiten, hiervoor is vervolgonderzoek noodzakelijk. Duurzame mobiliteit
De ontwikkeling vindt plaats binnen het verzorgingsgebied van het station, de 0/+
ontwikkeling leidt tot een verschuiving van de modal split van auto naar fiets
+
van ongeveer 11%. Milieu en gezondheid Milieuhinder
De ontwikkeling van De Stationstuinen maakt woningbouw binnen milieucon0/-
touren van bedrijven mogelijk. Door middel van spelregels voor communicatie
0
met bedrijven en vervolgonderzoek is milieuhinder te voorkomen. Geluidbelasting op nieuwe woningen
Door stedenbouwkundige optimalisatie en waar nodig toepassen van maatre0/-
gelen is het naar verwachting mogelijk om de cumulatieve geluidbelasting bij groot percentage van de woningen een cumulatieve geluidbelasting onder de
+
55 dB te krijgen. Effecten op geluid- Het effect van het planvoornemen op de geluidbelasting (wegverkeerslawaai) bij bebelasting
be- staande woningen is minder dan 1 dB.
0
staande woningen Luchtkwaliteit bin- De concentraties luchtverontreiniging liggen onder de WHO-advieswaarden van 2015, nen het plangebied maar meer dan 10% boven de advieswaarden van 2021.
0/+
Effecten op lucht- De ontwikkeling van De Stationstuinen leidt tot een toename van concentraties luchtkwaliteit
bij
be- verontreiniging van minder dan 1%.
0
staande woningen Plaatsgebonden ri- In de plansituatie zijn geen relevante bronnen voor het plaatsgebonden risico aanwesico
zig. De plaatsgebonden risicocontour heeft geen invloed op de gefaseerde ontwikke-
0
ling. Groepsrisico
Op basis van berekeningen voor de spoortunnel leidt de ontwikkeling niet tot toename van het groepsrisico.
Zelfredzaamheid
Het opstellen van een (beperkte) verantwoording geldt als spelregel voor de verdere uitwerking in ruimtelijke besluiten.
Trillingen
Vervolgonderzoek bij gevoelige objecten binnen 100 meter van het spoor wordt als spelregel meegenomen.
Geur
0 + 0
Binnen de geurcontouren zijn minder of licht geurgevoelige objecten mogelijk. Voor de meest geurgevoelige objecten wordt een aanvullend geurhinderonderzoek uitgevoerd bij het ruimtelijke plan. Met de herontwikkeling verdwijnt een belangrijke bron van geur-
0/+
hinder in het gebied. Gezondheidsbescherming
De spelregel voor geluidmaatregelen verminderen de milieubelasting in het ge0/-
bied. De inrichting van de groenblauwe structuur leidt tot afname van hitte-
0/+
stress. Gezondheidsbevordering
Met de inrichting van het gebied stimuleert de gemeente een gezonde levens0/+
stijl. De nadere keuzes om langzaam verkeer te stimuleren en een groenblauwe openbare ruimte te creëren dragen hier positief aan bij.
Hoofdstuk 4
36
+
Thema
Beoordeling
Score
Duurzaamheid Energie
Door BENG-eisen voor energiebesparing en opwekken van duurzame energie vast te leggen
Wateroverlast
0
De waterbergende capaciteit van de nieuwe waterstructuur en de eisen voor -
waterberging op privaat terrein en voor de openbare ruimte beperken de risico’s
0/+
op wateroverlast. Waterveiligheid
De overstromingsrisico’s in dit gebied zijn zeer klein. Beheersmaatregelen kunnen de gevolgen van deze risico’s beperken (spelregel)
Materiaalgebruik
0
De gemeente zet in op zoveel mogelijk hergebruik van bestaande materialen en inzet van duurzame materialen. Spelregels dragen bij aan het afdwingen van duurzaam
+
materiaalgebruik. Afval en afvalwater Voor alsnog gaat het plan uit van benutting van bestaande systemen. Onderzoek naar rioolcapaciteit is noodzakelijk (spelregel).
0
Ruimtelijke kwaliteit Cultuurhistorie
Mogelijke archeologische waarden in de bodem zijn niet uitgesloten. Het uitvoeren van historisch onderzoek geldt als spelregel voor de ontwikkeling.
Archeologie
Er zijn geen beschermde cultuurhistorische waarden in het gebied. Het plan leidt hierdoor niet tot effecten op cultuurhistorie.
Windhinder
Voor de ontwikkeling geldt een onderzoeksplicht (spelregel) bij hoogbouw van meer dan 30 meter.
Bezonning
Geen effect.
Lichthinder
Bij de verdere uitwerking dienen mogelijke bronnen van lichthinder onderzocht te wor-
0 0 0 0
den (spelregel).
0
Water, bodem en ondergrond Bodemopbouw
De bodemopbouw is naar verwachting op enkele plaatsen beperkend voor de -
infiltratiecapaciteit. Dit dient meegenomen te worden in het grondwateronder-
0/-
zoek (spelregel). Bodemkwaliteit
In het plangebied zijn diverse verdachte locaties aanwezig. Bij de ruimtelijke besluiten dient nader onderzocht te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de woonfunctie. Eventuele sanering van verontreiniging leidt tot verbetering van de bodemkwaliteit.
+
Dit wordt als spelregel opgenomen. Niet-gesprongen
Door voor aanvang van werkzaamheden in het gebied historisch vooronderzoek ver-
explosieven
plicht te stellen (spelregel) worden negatieve effecten voorkomen.
Oppervlaktewater en grondwater
0
Waterberging en compensatie
De herinrichting van het watersysteem leidt tot een robuuster watersysteem met meer oppervlaktewater.
0 +
Met de nieuwe water- en groenstructuur wordt ruimte gecreëerd voor waterber-
ging. Om te bepalen of de ontwikkeling voldoet aan de gewenste ontwaterings-
0
diepte is nader onderzoek naar grondwaterstanden noodzakelijk (spelregel). Waterkwaliteit
0
De herinrichting van de waterstructuur en het verdwijnen van de lange duiker leiden tot positieve effecten op de waterkwaliteit.
+
Natuur Natura 2000-gebie- De toe- of afname van stikstofdepositie is zowel voor de gebruiksfase als voor de reden
alisatiefase kleiner dan 0,01 mol/ha/jaar.
Natuurnetwerk Ne- Geen effect.
0
derland
Hoofdstuk 4
0
37
Thema
Beoordeling
Weidevogel-gebie-
Geen effect.
Score 0
den Beschermde hout- Geen effect.
0
opstanden Effecten op aanwe- Door vervolgonderzoek (natuurtoets) verplicht te stellen kunnen negatieve effecten op zige (beschermde) beschermde soorten voorkomen worden. Om kansen voor versterking van biodiversisoorten
teit te benutten zijn keuzes te maken voor de verdere inrichting.
Natuurvriendelijke inrichting van het gebied
Doordat de watergang door het gebied geen hoofdwatergang wordt, zijn er mo0
gelijkheden voor natuurvriendelijke inrichting. Dit geldt als spelregel voor de ontwikkeling van De Stationstuinen.
Besluiten bij het MER Het MER heeft onderzocht wat de effecten van De Stationstuinen als geheel zijn, hoe het woon- en leefklimaat binnen De Stationstuinen zal zijn en hoe nadere keuzes en afwegingen hier (positief) aan bijdragen. Dit heeft geleid tot een spelregelkader voor de gebiedsontwikkeling: een set aan regels en (rand)voorwaarden voor de verdere uitwerking in ruimtelijke besluiten, vergunningen of andere procedures. Daarnaast heeft het MER de ontwikkeling getoetst aan de ambities voor De Stationstuinen, zoals opgenomen in de gebiedsvisie. De toets aan de ambities heeft geleid tot aanbevelingen voor de verdere uitwerking en monitoring van de ambities. Voor het ruimtelijk besluit tot vaststelling van onderhavig bestemmingsplan vervult het MER een toetsende rol (projectMER). Het bestemmingsplan is getoetst aan het spelregelkader van het MER. Deze toets is terug te vinden in paragraaf 9.3 van het MER en wordt hieronder samengevat. Bestemmingsplan De Stationstuinen 1ste fase: Toets aan het Spelregelkader 1. Mobiliteit Spelregels
Aspect Wegenstructuur en verkeersveiligheid
Verkeersafwikkeling
Duurzame mobiliteit
Hoofdstuk 4
+
Spelregels Toepassen van de ontwerpprincipes van Duurzaam Veilig bij het opstellen van wegprofielen Borging van de afsluiting voor wegverkeer rond het station door middel van verkeersbesluit(en) Locaties en tijden voor vrachtverkeer instellen Gefaseerde aanpak voor de mobiliteitsmaatregelen (monitoring) Nader onderzoek naar de verkeersafwikkeling op de IJsselmondse Knoop Uitgangspunten voor verkeersmodellering vastleggen in ruimtelijke besluiten Vervolgonderzoek naar verkeersafwikkeling op kruispunten Aanleg van nieuwe fietsvoorzieningen in het gebied Aansluiting bij omliggende fietsverbindingen
38
+
Wegenstructuur & verkeersveiligheid Fase 1 van De Stationstuinen maakt gebruik van de bestaande wegen. De wegen behouden de bestemming ‘verkeer’. De herinrichting van de wegenstructuur is voorzien in de volgende fasen. Het nemen van een verkeersbesluit voor afsluiting van autoverkeer en het instellen van locaties en tijden voor vrachtverkeer is in deze fase niet aan de orde. Verkeersafwikkeling De verkeersafwikkeling voor fase 1 is onderzocht in het verkeersonderzoek voor De Stationstuinen. Uit het onderzoek blijkt dat de ontwikkeling tot beperkte toename (minder dan 2%) van etmaalintensiteiten op de grote wegen A15, IJsselmondse Randweg, Veren Ambachtseweg en Boezemweg leidt. Grotere toenames zijn te verwachten op de Spoorlaan, Donk en Dierensteinweg (tussen Donk en IJsselmondse Knoop). Deze toename leidt niet tot knelpunten voor de I/C-waarden of de doorstroming op kruispunten. De gemeente start met een onderzoek naar de verkeersafwikkeling op de IJsselmondse Knoop. Duurzame mobiliteit Binnen het plangebied zijn twee mobiliteitshubs beoogd. Deze hubs moeten ervoor zorgen dat er, in samenhang met een nieuw aan te leggen fietsstructuur, voorzien kan worden in een mobiliteitsshift. Dit volgt uit de nadere keuze voor duurzame mobiliteit. De hubs zijn in het bestemmingsplan vastgelegd door middel van een functieaanduiding.
Parkeren Met de voorgenomen ontwikkelingen wordt voorzien in minimaal 1.080 parkeerplaatsen. Dit is conform het parkeerbeleid en afgestemd op de mobiliteitsingrepen die in het plangebied van de gehele ontwikkeling worden uitgevoerd. In het bestemmingsplan zijn uitgangspunten voor de locatie en inrichting van parkeervoorzieningen opgenomen. Dit is ook vastgelegd in het Ontwikkelkader en door middel van een voorwaardelijke verplichting geborgd in dit bestemmingsplan. 2. Milieu en gezondheid Spelregels
Aspect Milieuhinder Geluid Luchtkwaliteit
Externe veiligheid
Hoofdstuk 4
Spelregels Toetsing aan de VNG-milieuzoneringssystematiek voor bedrijvigheid binnen De Stationstuinen Inventariseren van bedrijfsactiviteiten per ruimtelijk besluit Akoestisch onderzoek op basis van het stedenbouwkundig ontwerp Maatregelen om lokale luchtverontreiniging te voorkomen of te beperken Gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing langs drukke wegen uitsluiten Goed geventileerde woningen Geen nieuwe risicovolle inrichtingen binnen het woongebied Geen BRZO-inrichtingen binnen het plangebied Beperkte verantwoording van het groepsrisico opnemen Advies inwinnen bij de Veiligheidsregio ten aanzien van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid
39
Aspect
Trillingen Geur Gezondheid
Spelregels Geen zeer kwetsbare functies binnen 200 meter van het spoor Onderzoek naar trillingshinder bij woningbouw binnen 100 meter van het spoor Geurhinderonderzoek bij woningbouw binnen geurcontouren van omliggende bedrijven Gezond gedrag stimuleren Toetsing van het stedenbouwkundig ontwerp op ruimtelijke aspecten Maatregelen om een gezonde leefstijl te bevorderen
Bedrijven en milieuzonering Voor fase 1 is een inventarisatie van de bedrijven en milieuzoneringen rond het plangebied opgenomen. Vanuit de uitgevoerde analyse zijn er een aantal aandachtspunten: over het plangebied lopen diverse milieucontouren. Om aan te tonen dat er voor de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen zijn dient er nader onderzoek naar de aspecten akoestiek en externe veiligheid te worden uitgevoerd. Dit is nader onderzocht. voor de mobiliteitshub geldt een richtafstand van 10 meter. De locaties van de mobiliteitshubs zijn vastgelegd door middel van functieaanduidingen. Binnen 10 meter van deze locaties zijn geen woningen mogelijk. Dit is als volgt geborgd in dit bestemmingsplan. De locaties van de beide mobilityhubs zijn aangegeven op de verbeelding door middel van specifieke aanduiding. De bouwvlakken waar woningen zijn toegestaan liggen op een grotere afstand dan 10 meter van deze aanduidingen. de beoogde voorzieningen kunnen binnen de vlakken met de bestemming ‘Gemengd’ worden gerealiseerd als er wordt voldaan aan de voorwaarden voor functiemenging uit de VNG-brochure. Dit is geregeld in artikel 3.4.2 van de regels. Akoestiek Voor het bestemmingsplan is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de relevante geluidbronnen en de cumulatieve geluidsbelasting hiervan buiten het plangebied. Het plan is ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
Het onderzoek leidt tot de volgende bevindingen/resultaten: de geluidsbelasting van de gezoneerde wegen bedraagt ten hoogste 40 dB en valt hiermee onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB; de niet-gezoneerde wegen zijn in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing ook beschouwd. De geluidsbelasting ten gevolge van deze wegen bedraagt bij gebouw B, C en D niet meer dan 48 dB. In het geval van gebouw A en E is er een belasting van 52 dB en 50 dB. In fase 2 van de ontwikkeling worden deze wegen afgewaardeerd naar 30 km/uur en heringericht. Dit leidt tot een afname van de geluidbelasting van ongeveer 4 dB; de geluidsbelasting van railverkeer op de geplande woongebouwen bedraagt ten hoogste 53 dB en blijft hiermee onder de voorkeursgrenswaarde van 55 dB; ten gevolge van een aantal bedrijven en de padelbanen wordt de toetsingswaarde van 50 dB langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor bedrijven overschreden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken tot 55 dB langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Gezien de ligging van het gebied tussen (spoor)wegen en diverse bedrijven en het beoogde gemengde programma is dit ook te motiveren. De geluidsbelasting van één bedrijf is ook hoger dan deze 55 dB, voor dit bedrijf dient er gekeken te worden naar het plaatsen van een geluidsscherm en/of andere bronmaatregelen;
Hoofdstuk 4
40
de cumulatieve geluidsbelasting is ten hoogste 61 dB. De cumulatieve geluidsbelasting is getoetst aan het gemeentelijk geluidbeleid. De cumulatieve waarden voldoen aan de maximale grenswaarde. Het plan voor fase 1 voldoet aan het ‘’Standstill-principe’’. De verwachting is dat een binnenniveau van 33 dB haalbaar is. Alle woningen beschikken over een geluidluwe zijde (55 dB voor gemengd gebied). De verdere ontwikkeling maakt verdere afname van de geluidbelasting mogelijk, doordat bedrijven in de omgeving van fase 1 verdwijnen en de snelheid op omliggende wegen verlaagd wordt. Gebouw (toetspunt)
Hoogte [m]
A (132) B (72) C (111) D (107) E (100)
13,5 19,5 14,5 20,5 8,5
Geluidbelasting Industrielawaai (LAr,LT) [dB(A)] 55 58 57 53 45
Wegverkeerslawaai (Lden) [dB] 55 55 50 51 56
Railverkeerslawaai (Lden) [dB] 52 48 40 45 48
Cumulatief (Lvl,cum) [dB] 59 61 58 56 56
Om bovenstaande te borgen zijn er twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Artikel 3.4.5 gaat over het industrielawaai. Artikel 3.4.6 handelt over verkeerslawaai (geluidluwe gevel). Luchtkwaliteit In het luchtkwaliteitsonderzoek dat is uitgevoerd is geconcludeerd dat de ontwikkeling van de eerste fase voldoet aan de gestelde grenswaarden die worden gesteld in het besluit NIBM. In het plangebied zijn geen aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit. Externe veiligheid In het bestemmingsplan is een verantwoording voor het groepsrisico opgenomen. Dit wordt voorgelegd aan de veiligheidsregio. 3. Duurzaamheid Spelregels
Aspect Energie Klimaatadaptatie Circulariteit
Spelregels Vastleggen van BENG-eisen Beheersmaatregelen voor overstromingsrisico’s
Minimaal percentage houtbouw vastleggen in ruimtelijke besluiten Toetsing van het inrichtingsplan voor ondergrondse containers Scheiden hemelwater en vuilwater in aan te leggen rioleringssysteem Onderzoek naar capaciteit van het afvalwaterriool
Energie Voor de ontwikkeling zijn BENG-eisen vastgesteld in het Ontwikkelkader. Deze zijn vastgelegd in het Ontwikkelingskader dat gekoppeld is aan de gebiedsontwikkeling.
Hoofdstuk 4
41
Klimaatadaptatie In het Ontwikkelkader zijn randvoorwaarden gesteld voor de gehele gebiedsontwikkeling op het gebied van klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit. Dit is opgesteld om te conformeren aan het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DRA). In het ontwikkelkader wordt aandacht besteedt aan de volgende thema’s: wateroverlast, dit betreffen eisen over het opvangen, verwerken en vertraagd afvoeren van hemelwater; droogte en bodemdaling, dit betreffen eisen over de grondwaterstand en infiltratie; hittestress, dit betreffen eisen over schaduw, tegengaan van opwarming en verkoeling; biodiversiteit, dit betreffen eisen om habitatten voor bepaalde soorten te creëren. Voor klimaatadaptatie zijn de maatregelen uit het Convenant Klimaatadatief Bouwen vertaald naar gebit specifieke eisen. Dit is vastgelegd in een Ambitiedocument voor Klimaatadaptatie (zie ook paragraaf 3.3.2). De eisen gelden als voorwaarde voor de ontwikkeling. Circulariteit In het Ontwikkelkader is een minimaal percentage houtbouw vastgelegd. De inrichting van het (afval)watersysteem wordt verder bepaald aan de hand van de watertoets bij het bestemmingsplan. Afkoppelen van het bestaande hemelwaterriool is het uitgangspunt voor de ontwikkeling. Daarnaast is er in het Ontwikkelkader vastgelegd dat er wordt gewerkt aan de hand van de vijf kader stellende strategieën volgens de Circulariteitsprestatie Gebouw (CPG). 4.
Ruimtelijke kwaliteit Cultuurhistorie en archeologie Ten behoeve van het bestemmingsplan is archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd naar de potentiele archeologische waarden binnen het plangebied. Hier is geconcludeerd dat er mogelijk archeologische waarden aanwezig zijn in de bodem. Het zuidelijk gedeelte van het plangebied kan worden vrijgegeven omdat hier reeds een verkennend bodemonderzoek heeft plaatsgevonden. In het overige gedeelte van het plangebied is er een middelhoge kans op het aantreffen van archeologische resten. Alvorens dit gedeelte van het plangebied kan worden vrijgegeven dient er aanvullend een inventariserend veldonderzoek te worden uitgevoerd waar graafwerkzaamheden beoogd zijn die dieper dan 80 cm onder het maaiveld plaats zullen vinden. Dit is in het bestemmingsplan vastgelegd door middel van een dubbelbestemming. Ruimtelijke aspecten Het bestemmingsplan maakt maximaal vier hoogteaccenten mogelijk met een minimale hoogte van 33 meter en een maximale hoogte van 50 meter. Het bestemmingsplan voorziet in een bepaling voor nadere eisen ten aanzien van bezonning en windhinder. Water, bodem en ondergrond Spelregels
Aspect Bodem en ondergrond Waterstaat
Hoofdstuk 4
Spelregels Bodemonderzoek en -sanering passend bij de gewenste functie Onderzoek naar bestaande kunstwerken Vastleggen van eisen voor waterberging Uitvoeren van grondwateronderzoek
42
Aspect
Spelregels Natuurvriendelijke oevers als uitgangspunt Aanleg van de tijdelijke situatie voor de peilgebieden Inrichting van de waterstructuur binnen het plangebied in de eerste fase
Bodem en ondergrond Voor de volledige gebiedsontwikkeling is een bodemonderzoek uitgevoerd om de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied in kaart te brengen. Hierbij zijn gedeelten van het plangebied aangemerkt als verdachte locatie voor bodemverontreiniging. Aanvullend hierop is er verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de milieu hygiënische bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Water Voor het bestemmingsplan is een watertoets opgesteld. Hierin zijn de eisen voor waterberging vastgelegd. Het onderzoek naar grondwaterstanden wordt door de gemeente uitgevoerd. Eisen voor de inrichting van de waterstructuur en de oevers zijn opgenomen in het Ontwikkelkader. Drie peilgebieden zullen worden gefuseerd. Via de procedure van het peilbesluit zal op korte termijn een vergunning worden aangevraagd voor de fusering van twee peilgebieden, om zo een tijdelijke situatie te creëren buiten het plangebied waardoor de geduikerde hoofdwatergang binnen het plangebied eerder verlaten kan worden en er zo geen belemmeringen zijn voor de realisatie van de Stationstuinen 1ste fase. Buiten het plangebied vindt ook de compensatie in verband met de waterbergingsopgave van het bestemmingsplan plaats. In de regels is in artikel 3.4.4 deze watercompensatie geborgd. 5. Natuur Spelregels
Aspect Beschermde gebieden Biodiversiteit
Spelregels Stikstofonderzoek uitvoeren voor de ruimtelijke besluiten voor De Stationstuinen Uitvoeren van natuurtoets bij ruimtelijke besluiten Eisen voor natuurvriendelijke inrichting vastleggen
Beschermde natuurgebieden Voor de voorgenomen ontwikkeling is er een onderzoek uitgevoerd naar de invloed van de ontwikkeling op beschermde natuurgebieden. Wat betreft Natura 2000 is er een stikstofonderzoek uitgevoerd dat heeft aangetoond dat de eerste fase (bestemmingsplan) niet leidt tot een toename van stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling voor zowel de realisatie- als de gebruiksfase. Negatieve effecten op de andere beschermde natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland, Weidevogelgebieden en Provinciaal Landschap Midden Delfland) zijn op basis van de natuurtoets, die in het kader van dit bestemmingsplan is opgesteld, uitgesloten. Biodiversiteit In het kader van biodiversiteit is er in dezelfde natuurtoets onderzocht of er negatieve effecten zijn te verwachten op beschermde soorten door de voorgenomen ontwikkeling. Hier is als conclusie naar vo-
Hoofdstuk 4
43
ren gekomen dat er rekening gehouden dient te worden met de aanwezigheid van algemene broedvogels. Ter bescherming van deze soort volstaan mitigerende maatregelen. Ook is er sprake van de mogelijke aantasting van de habitat van steenmarter en vleermuizen. Om in kaart te brengen wat de gevolgen zijn en welke mitigerende maatregelen passend zijn is er nader onderzoek naar deze soorten uitgevoerd. Het vervolgonderzoek naar steenmarters met behulp van cameravallen heeft aangetoond dat er geen sprake is van de aanwezigheid van de steenmarter of van habitatten die geschikt zijn voor de steenmarter. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van negatieve effecten voor de steenmarter. Tijdens verschillende terreinbezoeken zijn foeragerende huismussen waargenomen in de nieuw ingezaaide perken rondom het logistiekgebouw. Het inzaaien van de perken heeft gezorgd voor een verandering van situatie ten opzichte van de periode van veldonderzoek ten behoeve van de natuurtoets. Het nieuwe foerageergebied maakt dat plangebied nu wordt gebruikt als leefgebied voor de huismussen. In het logistiek centrum kan de huismus potentieel tot broeden komen. Hierdoor is inzicht wenselijk naar het gebruik van het plangebied door de huismus. Het wordt geadviseerd om nader onderzoek uit te voeren naar het gebruik van het plangebied door de huismus.
Onderzoek vindt plaats tijdens twee terreinbezoeken in de periode van april t/m juni. Binnen het plangebied zijn geen kraam- of zomerverblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Het plangebied bevat één paarterritorium van gewone dwergvleermuis waardoor de aanwezigheid van een paarverblijfplaats binnen het plangebied niet is uit te sluiten. Er zijn geen essentiële vliegroutes of foerageergebieden aangetroffen. De geplande werkzaamheden resulteren in het vernietigen van één paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis wat in overtreding is met de Wet natuurbescherming. Daarom is het noodzakelijk om ontheffing aan te vragen bij de Provincie Zuid-Holland en zijn er aanvullende mitigerende maatregelen nodig. Deze ontheffingsaanvraag staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg, omdat redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat deze ontheffing kan worden verleend. Deze moet zijn verleend voordat begonnen wordt met de daadwerkelijke aanvang van de werkzaamheden. Maatregelen om biodiversiteit te bevorderen zijn opgenomen in het Ontwikkelkader. De ruimte voor nieuwe groenstructuren is vastgelegd in het stedenbouwkundig plan en ook in dit bestemmingsplan door het opnemen van een aanduiding ‘Groen’ binnen de bestemming ‘Gemengd’.
4.3 Ingebrachte zienswijzen Het MER wordt gelijktijdig met het ontwerp bestemmingsplan 6 weken ter visie gelegd. De zienswijzen die in deze periode worden ingebracht zullen worden samengevat en van een gemeentelijke reactie worden voorzien. De nota van beantwoording zienswijzen zal gevoegd worden bij het vast te stellen bestemmingsplan. Indien besloten wordt delen van het ontwerp bestemmingsplan aan te passen zullen deze aanpassingen worden doorgevoerd in het vast te stellen bestemmingsplan.
Hoofdstuk 4
44
4.4 Toetsingsadvies en aanbevelingen Commissie m.e.r. De Commissie voor de milieueffectrapportage wordt advies gevraagd over het ontwerp-MER. Het advies en eventuele aanbevelingen worden aan het bevoegd gezag voorgelegd waarna wordt besloten wat met het advies te doen.
Hoofdstuk 4
45
5.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
5.1 Verkeer en parkeren Parkeren In de parkeerbehoefte van het in De Stationstuinen gerealiseerde programma wordt volgens de normensystematiek (normhoogte en toepassingswijze) zoals vastgesteld in het Ontwikkelkader voorzien. Deze systematiek is gebaseerd op de parkeernormennota van Barendracht. De parkeervoorzieningen worden deels bestemd voor niet openbaar gebruik en deels, om te voorkomen dat een onnodig grote capaciteit wordt gerealiseerd, voor openbaar gebruik. De niet openbare parkeerplaatsen zijn bestemd voor exclusief privaat gebruik door bepaalde bewoners waardoor bij de parkeerbehoefteberekening, geen rekening wordt gehouden met dubbelgebruik (aanwezigheid = permanent 100%). Overige bewoners, werkers en bezoekers van De Stationstuinen parkeren met de auto in openbare parkeervoorzieningen. Voor het parkeren van een voertuig in De Stationstuinen is een parkeerrecht nodig. Om parkeerrechten juist toe te kennen staan alle functies op adresbasis in De Stationstuinen op de POET-lijst (Parkeren Op Eigen Terrein). Zo wordt voorkomen dat gebruikers van deze functies in aanmerking komen voor een parkeervergunning in het openbare gebied.
Bij toekenning van parkeerrechten in openbaar gebied (straat en parkeervoorzieningen), hetgeen per functie geschiedt, wordt getoetst op de het parkeernormenkader zoals vastgelegd in het Ontwikkelkader en de parkeerverordening van de gemeente Barendrecht. Een en ander is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Verkeer Er is een onderzoek gedaan naar mobiliteit door RHDHV. Dit onderzoek is verwerkt in de milieueffectrapportage en als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna worden de belangrijkste onderdelen beschreven. Effecten op wegenstructuur en verkeersveiligheid Met de ontwikkeling van De Stationstuinen verandert de functie van het gebied. Het bedrijventerrein wordt omgevormd tot gemengd woon-werkgebied. Dit vraagt een andere functie van het wegennet. Het centrale gebied van De Stationstuinen krijgt een verblijfsfunctie. Rond het station krijgt langzaam verkeer prioriteit en wordt doorgaand autoverkeer geweerd. De volgende verkeerskundige maatregelen zijn voorzien: Binnen het plangebied geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur; Aanleg van een nieuwe weg als verbinding tussen de Spoorlaan en de Gebroken Meeldijk; Westzijde Spoorlaan, Zuideinde en westzijde van de Gebroken Meeldijk worden niet toegankelijk voor autoverkeer (met uitzondering van hulpdiensten en bestemmingsverkeer); Parkeerdek van het station wordt ontsloten via noordkant van Zuideinde en Donk.
Hoofdstuk 5
46
Fietsers en voetgangers hebben doorgaande, aantrekkelijke routes in het gebied, goed verbonden met routes in de omgeving.
Hoe de weginrichting en -profielen precies vormgegeven worden is op dit moment nog niet bekend. Het afsluiten van wegen en het verlagen van de toegestane snelheid dragen in ieder geval positief bij aan de verkeersveiligheid in het gebied. Ook wordt met de nieuwe wegenstructuur doorgaand vrachtverkeer uit het gebied geweerd. De kans op ongevallen neemt hierdoor af. Op wegen waar langzaam verkeer en autoverkeer samenkomen speelt de inrichting van de weg een belangrijke rol voor de veiligheid. Voor de inrichting van de wegen worden bij de verdere uitwerking wegprofielen opgesteld. De ontwerpprincipes van Duurzaam Veilig gelden hiervoor als uitgangspunt (spelregel). Op enkele kruispunten in de omgeving waar relatief veel langzaam verkeer kruist kunnen verkeersonveilige situatie ontstaan. Bij verkeersveiligheid speelt vrachtverkeer een belangrijke rol. Binnen De Stationstuinen is het aandeel zwaar verkeer beperkt, doordat de ontsluiting van de grote bedrijfslocaties niet via het plangebied loopt. Vrachtverkeer voor bevoorrading van onder andere winkels en horeca gaat wel door het gebied. Door hiervoor laad- en lostijden in te stellen buiten de schooltijden kan kruising van langzaam verkeer en vrachtverkeer beperkt worden (spelregel). Effecten op de verkeersafwikkeling De impact van de ontwikkeling van De Stationstuinen op het omliggende wegennet is door RHDHV onderzocht.
In het onderzoek is verkend welke impact de ontwikkeling van 2.300 tot 3.500 woningen aangevuld met 40.000 tot 70.000 vierkante meters voorzieningen, bedrijven en kennis- en opleidingsinstellingen heeft op de verkeersintensiteiten. Door de ontwikkeling van het gebied komen ook vierkante meters bedrijven te vervallen. Hier is rekening mee gehouden in het onderzoek. Het onderzoek bevat een weergave van de impact van de gebiedsontwikkeling op twintig wegvakken in de omgeving. Daarbij is een vergelijking gemaakt tussen basisjaar 2020, referentiejaar 2030 en planjaar 2030. Met de planontwikkeling wijzigt ook de verkeersstructuur. In het verkeersmodel is Zuideinde, ter hoogte van het station, afgesloten voor autoverkeer. De verbinding tussen de Spoorlaan en de Gebroken Meeldijk komt oostelijker te liggen. Ook wordt het Mederterrein in de noordoosthoek van het plangebied ontsloten via Donk, in plaats van via de Spoorlaan. De ontwikkeling van De Stationstuinen leidt tot een toename van verkeer op de ontsluitingswegen en de wegen binnen het plangebied. Zuideinde en Donk kennen procentueel de grootste toename van verkeer. Dit komt doordat deze weg de belangrijkste ontsluitingsroute voor het station en de noordwestzijde van het plangebied wordt. De Spoorlaan kent eveneens een grote toename van verkeer. Ook dit vormt een belangrijke ontsluitingsroute voor verkeer.
Bij de IJsselmondse Knoop is een verdere verslechtering van de doorstroming te verwachten. De doorstroming op de IJsselmondse Knoop is in de autonome situatie reeds een knelpunt. Een mogelijke maatregel om dit knelpunt op te lossen is het toevoegen van een extra rijstrook tussen de toerit en het knooppunt Ridderkerk. Voorwaarde hiervoor is dat de afstroom richting de A16 verbeterd wordt. Voor de verbetering van de verkeersafwikkeling op de A16 worden maatregelen onderzocht in het MIRT-onderzoek Oeververbindingen. Aanpassingen aan de toerit van de A15 worden door Rijkswaterstaat opgepakt bij dit MIRT-onderzoek als meekoppelkans meegenomen. Hierover
Hoofdstuk 5
47
is nog geen besluit genomen. Aanvullend onderzoek naar wegontwerp, kostenraming en de effecten op het (hoofd)wegennet gelden als spelregel voor de verdere uitwerking van de plannen voor De Stationstuinen. Bij het kruispunt Donk/ Dierensteinweg ontstaan knelpunten door de toename van verkeer. In de ochtendspits is de verkeersstroom vanaf de IJsselmondse Knoop dermate groot dat het kruispunt het verkeer onvoldoende kan verwerken. Dit kan terugslaan tot het kruispunt Veilingweg/ Dierensteinweg en zelfs tot de IJsselmondse Knoop. In de avondspits is de verkeersstroom vanaf Donk maatgevend voor de verkeersafwikkeling. Voor dit kruispunt zijn maatregelen nodig om de verkeersafwikkeling te verbeteren. Bij de rotonde Verlengde Voorweg/ Spoorlaan ontstaan knelpunten door de toename van verkeer en het kruisen van langzaam verkeer. Bij de kruispunten Donk/Dierensteinweg en Verlengde Voorweg/Spoorlaan is het effect van de ontwikkeling groot. Hier zijn in de autonome situatie nog geen knelpunten aanwezig. Het afwegen van maatregelen (nadere keuze) om de impact van de ontwikkeling te verminderen is nodig.
Effecten op duurzame mobiliteit OV-voorzieningen Het plangebied bevindt zich in de directe nabijheid van het station en enkele bushaltes. De ontwikkeling van circa 3.500 woningen in het verzorgingsgebied van deze OV-voorzieningen vergroot het draagvlak voor OV. Er liggen kansen om met de ontwikkeling in te zetten op duurzame mobiliteit door autogebruik te ontmoedigen en OV en fiets te stimuleren. De bereikbaarheid van het station en beleid ten aanzien van autogebruik (onder andere parkeerbeleid) spelen een belangrijke rol in het stimuleren van OV-gebruik. Hiervoor zijn nadere keuzes te maken. Langzaam verkeer Het gebied is in de huidige situatie niet direct gericht op langzaam verkeer. Met name veilig wandelroutes ontbreken. Met de ontwikkeling neemt het aandeel langzaam verkeer in het gebied toe. De inrichting van het wegennet en de aanleg van voorzieningen voor langzaam verkeer draagt bij aan het stimuleren van fietsgebruik en betere veiligheid voor fietsers en voetgangers. Een goede bereikbaarheid van het station en goede verbindingen met het buitengebied zijn hierbij van belang. Voor het stimuleren van langzaam verkeer zijn keuzes en afwegingen te maken. Modal Split Door de ontwikkeling van bedrijventerrein naar gemengd woon-werkgebied wijzigt de modal split. Het autogebruik neemt met 10% af, het fietsgebruik neemt 13% toe.
Parkeren De Stationstuinen moet een autoluw gebied worden. Voor parkeren wordt in De Stationstuinen ingezet op collectieve parkeervoorzieningen, buiten het straatbeeld. Alleen gereserveerde plekken voor deelauto’s mogen op straat zichtbaar zijn. Dit kan gaan om parkeergarages voor algemeen gebruik of als onderdeel van een nieuw bouwblok. Ook kleinschalige parkeerhoven op maaiveld zijn mogelijk. Het uitgangspunt is dat deze parkeervoorzieningen voor bewoners binnen 100 meter beschikbaar zijn. Voor overige functies is 200 meter en 250 meter het uitgangspunt. Parkeerbeleid kan een belangrijke rol spelen in het stimuleren van duurzame mobiliteit. Door het toepassen van strengere parkeernormen en het beschikbaar stellen van innovatieve mobiliteitsconcepten zoals deelauto’s kan de aanwezigheid van de auto verminderd worden. De parkeernormen die toegepast worden in De Stationstuinen moeten passen bij de mobiliteitsmaatregelen van de ontwikkeling. Dit wordt daarom meegenomen in de keuzes en afwegingen voor duurzame mobiliteit.
Hoofdstuk 5
48
5.2 Geluid 5.2.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel: Breedte geluidszones langs wegen
Stedelijk gebied
Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte