740065 Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Stationstuinen 1ste fase
Tekst van het document
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel: Maximale ontheffingswaarden Situatie
Maximale ontheffings-
Artikel
waarde Stedelijk gebied
Nieuwe woningen
63 dB
Artikel 83, lid 2 Wgh
Vervangende nieuwbouw
68 dB
Artikel 83, lid 5 Wgh
Buiten stedelijk gebied
Nieuwe woningen
53 dB
Artikel 83, lid 1 Wgh
Agrarische bedrijfsbebouwing
58 dB
Artikel 83, lid 4 Wgh
Vervangende nieuwbouw
58 dB
Artikel 83, lid 7 Wgh
Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van
63 dB
Artikel 83, lid 6 Wgh
een autoweg of autosnelweg
*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.
Hoofdstuk 5
49
5.2.2 Onderzoek Er is door AnteaGroup een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar weg- en railverkeerslawaai en lawaai vanwege bedrijven. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de belangrijkste conclusies beschreven. Wegverkeerslawaai Ten gevolge van de gezoneerde wegen Spoorlaan en Transportweg is de geluidsbelasting ten hoogste 40 dB en blijft daarmee ver onder het toetsingskader van 48 dB. Ten gevolge van de niet-gezoneerde (30 km/uur) wegen is de geluidbelasting ten hoogste 54 dB. Voor 30 km/uur-wegen geldt geen formeel toetsingskader ingevolge de Wet geluidhinder. Daarmee is het vaststellen van hogere waarden niet van toepassing op 30 km/uur-wegen. Hoewel de Wet geluidhinder niet van toepassing is op dergelijke wegen, dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden onderzocht of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hoewel de grenswaarden uit de Wet geluidhinder niet formeel gelden, zijn de kaders uit de Wet wel gehanteerd als maat om de resultaten te kunnen duiden. Railverkeerslawaai Met behulp van het rekenmodel is op het te beoordelen nieuwbouwplan de geluidbelasting vanwege het spoorverkeer bepaald. Uit de rekenresultaten blijkt dat op geen enkel gebouw de voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt overschreden. Er hoeft derhalve ten gevolge van railverkeerslawaai geen hogere waarde te worden aangevraagd.
Bedrijvenlawaai Voor ieder bedrijf is het langtijdgemiddeld geluidniveau (LAr,LT ) op de geprojecteerde woningen berekend. Als gevolg van de bedrijven HillFresh International, Olympic Fruit en de padelbanen wordt de toetsingswaarden van 50 dB LAr,LT overschreden. Conform de VNG-bedrijven en milieuzonering kan gemotiveerd worden afgeweken van deze toetsingswaarde naar 55 dB LAr,LT.. Gezien de situering hier nabij het spoor, verschillende wegen en bedrijven is dit te motiveren. Dit heeft als gevolg dat alleen ten gevolge van HillFresh International een overschrijding plaatsvindt. Voor dit bedrijf dient te worden gekeken naar de mogelijke plaatsing van een scherm langs nabij de vrachtwagens of de woningen en een reductie van de geluidemissie van de koeling. Cumulatieve geluidbelasting De geprojecteerde gebouwen liggen nabij verschillende geluidbronnen (wegen, rail en bedrijven). Daarnaast wordt op enkele punten de toetsingswaarde voor bedrijvenlawaai overschreden. Hierdoor dient eveneens de cumulatieve geluidbelasting inzichtelijk te worden gemaakt. In onderstaande tabel is de cumulatieve geluidbelasting inzichtelijk gemaakt (LVL,CUM). De berekende waarden zijn omgezet in Lden in wegverkeerslawaai (dB). De cumulatie is berekend conform de rekenregels in bijlage 1 van het reken- en meetvoorschrift geluid 2012.
Hoofdstuk 5
50
In het Actieplangeluid heeft de gemeente Barendrecht plandrempels voor de verschillende geluidbronnen vastgesteld. Zoals benoemd in hoofdstuk 2.5 aangegeven zijn deze drempelwaarden als volgt: Industrielawaai 60 dB Lden; Railverkeerslawaai 65 dB Lden; Wegverkeerslawaai 63 dB Lden (gecumuleerd voor lokale wegen, inclusief rijkswegen). Voor industrielawaai is de hoogste geluidbelasting 60 dB. De hoogste geluidbelasting vindt plaats op gebouw B (toetspunt 63, op 7,5m hoogte). Voor wegverkeerslawaai is de cumulatieve geluidbelasting ten hoogste 57 dB (gebouw A, toetspunt 15, 1,5m hoogte). Voor railverkeerslawaai is dit 49 dB (gebouw A, toetspunt 18, 13,5m hoogte). Voor alle drie de geluidbronnen geldt derhalve dat aan de plandrempels van het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. Daarnaast is de eis dat alleen een hogere grenswaarde kan worden verleend indien wordt voldaan aan het “Standstill-principe”. Toetsing aan het standstill-principe wordt gedaan op de gecumuleerde geluidbelasting van alle bronnen samen, omgerekend naar wegverkeer. Hierbij dient te worden getoetst aan de percentages in onderstaande tabel.
Om aan het standstill-principe te voldoen, mag vanaf 55 dB het percentage gehinderden niet verder toenemen. Uitgaande van een totaalaantal van 866 appartementen in het plangebied, verdeeld over de vijf getoetste gebouwen, is de verdeling over de geluidklassen weergegeven in tabel 4.13. Zoals te zien valt meer dan 73 % in de geluidklasse onder de 55 dB. Doordat de hoogste klassen (60 dB en hoger) bijna volledig zijn weggevallen, is de klasse 55 t/m 59 dB wel gegroeid. Hiermee kan derhalve worden gesteld dat wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. 5.2.3 Conclusie Voldaan wordt aan wet- en regelgeving als het gaat om geluid. In de regels is hierover ook een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Hoofdstuk 5
51
5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.
Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 5.3.2 Onderzoek Er een onderzoek gedaan naar luchtkwaliteit. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna wordt de conclusie beschreven. Toets grenswaarden Op basis van het uitgevoerde luchtkwaliteitonderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle beoordelingspunten wordt voldaan aan de op het betreffende punt te toetsen grenswaarden. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer vormt dan ook geen belemmering voor verdere besluitvorming (artikel 5.16, lid 1 onder a Wm). Effecten ten gevolge van de ontwikkeling De effecten voor de luchtkwaliteit zijn het meest voornaam op de concentraties NO2. De maximale toename bedraagt 0,6 μg/m3 voor fase 1, 1,7 μg/m3 voor fase 2 en maximaal 1,5 μg/m3 voor fase 2B. Op slechts enkele toetspunten na vallen de effecten van de ontwikkelingen ook voor fase 2 (2 stuks) en fase 2B (1 stuks) binnen de NIBM-grens genoemd in het Besluit NIBM. Uit de rekenresultaten blijkt ook duidelijk dat de effecten ten gevolge van het gehele MER-gebied groter zijn dan voor enkel het bestemmingsplangebied (fase 1).
Tevens blijkt duidelijk dat de effecten met betaald parkeren (fase 2B) minder groot zijn dan zonder betaald parkeren (fase 2). WHO-advieswaarden Op geen van de onderzochte locaties wordt, voor de stoffen NO2 en PM2,5, voldaan aan de WHOadvieswaarden. Voor beide stoffen blijkt ook dat op deze locaties reeds de achtergrondconcentraties
Hoofdstuk 5
52
niet aan deze advieswaarden voldoen. Enkel voor de concentraties PM10 geldt dat de WHO-advieswaarde wordt gerespecteerd. Dit geldt voor alle drie de fasen. Doordat de achtergrondconcentraties van de stoffen NO2 en PM10 reeds niet voldoen aan de WHOadvieswaarden kan worden gesteld dat het behalen van de WHO-advieswaarden een regionale/nationale aangelegenheid is. Op rijksniveau zijn hiervoor vergaande maatregelen benodigd. De nu voorgestelde ontwikkelingen op zich doen hier niets aan af. 5.3.3 Conclusie Het onderdeel luchtkwaliteit zorgt niet voor belemmeringen.
5.4 Bedrijven en milieuzonering 5.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 4. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.
4
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 5
53
5.4.2 Onderzoek Er is door AnteaGroup een ‘Analyse bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Deze memo is opgenomen in de bijlagen. Hier wordt dan ook naar verwezen. De conclusies van deze analyse zijn als volgt: Over het plangebied lopen diverse milieucontouren. Met een nader onderzoek naar geluid en externe veiligheid kan onderbouwd worden hoe een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Voor de mobiliteitshub geldt een richtafstand van 10 meter. Er is nader akoestisch onderzoek nodig als hier niet aan wordt voldaan. De voorzieningen kunnen binnen de gemengde vlakken gecombineerd worden met woningen als voldaan wordt aan de voorwaarden vanuit de VNG-brochure voor functiemenging. De benodigde akoestische onderzoeken naar industrielawaai zijn opgenomen in de bijlagen en behandeld in paragraaf 5.2 ‘Geluid’. Hier wordt dan ook naar verwezen. 5.4.3 Conclusie Het onderdeel milieuzonering zorgt niet voor belemmeringen. Voor de nadere akoestische onderbouwingen wordt verwezen naar paragraaf 5.2.
5.5 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels en leidingen van een zodanige omvang gelegen, dat deze bescherming behoeven in dit bestemmingsplan door middel van een dubbelbestemming met een beschermingszone.
5.6 Externe veiligheid 5.6.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt
Hoofdstuk 5
54
een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
5.6.2 Onderzoek Er is door AnteaGroup een quickscan externe veiligheid uitgevoerd. Ook is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld. De memo waarin dit is beschreven is opgenomen in de bijlagen. De conclusie luidt als volgt. Uit de scan blijkt dat er meerdere risicovolle activiteiten plaatsvinden in of nabij deze gebieden. Ten behoeve van de verdere besluitvorming is het volgende geconcludeerd: Het risico van het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor dient nader beschouwd te worden in relatie tot het explosiescenario, en verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden in relatie tot artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. De aanwezigheid van een landtunnel maakt dat het groepsrisico redelijkerwijs niet berekend kan worden. De hogedruk aardgastransportleidingen behoeven niet nader beschouwd te worden. Het groepsrisico van de A15 moet verantwoord worden in relatie tot artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. Ten aanzien van het tankstation Berkman moet een QRA worden uitgevoerd als binnen 150 meter rondom het LPG vulpunt c.q. de LPG-tank een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld. Daarnaast moet het groepsrisico worden verantwoord. Verantwoording van het groepsrisico is voor de spoorlijn Kijfhoek – Barendrecht, de Rijksweg A15 en het LPG-tankstation Berkman Barendrecht verplicht.
In de rapportage in de bijlage is een aanzet gedaan voor de verantwoording van het groepsrisico. Het bevoegd gezag, de gemeenteraad van Barendrecht, kan deze elementen betrekken bij de besluitvorming ten aanzien van de ruimtelijke procedure. Voor het LPG-tankstation geldt dat voor het ruimtelijk besluit dat gevoelige objecten mogelijk maakt binnen de risicocontour van het tankstation nader onderzoek dient plaats te vinden. Onderhavig bestemmingsplan ligt op een grotere afstand dan 150 meter. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico stelt de gemeente Barendrecht in het kader van de ruimtelijke procedure de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond in de gelegenheid advies uit te brengen.
Hoofdstuk 5
55
5.6.3 Conclusie Het onderdeel externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen.
5.7 Ecologie 5.7.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunning plichtig.
Hoofdstuk 5
56
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.
Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 5.7.2 Onderzoek Natuur Er is door AnteaGroup een natuurtoets gedaan voor onderhavig plan. Deze is opgenomen in de bijlagen. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies beschreven. Beschermde gebieden Natuurnetwerk Nederland In het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 2,7 kilometer afstand van het plangebied. Het betreft de rivier de Oude Maas. Van directe aantasting van de NNN is dan ook geen sprake. (Significant) negatieve effecten ten gevolge van het plan zijn uitgesloten.
Er is daarom geen noodzaak voor vervolgstappen of een uitgebreidere toetsing voor wat betreft het NNN.
Hoofdstuk 5
57
Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Oude Maas ligt op circa 2,7 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied. Daarbij ligt het Natura 2000-gebied de Boezems Kinderdijk op circa 5,9 kilometer van het plangebied. De afstand tussen deze gebieden en het plangebied is dermate groot dat van directe aantasting, zoals verdroging of geluid- en lichtverstoring van de Natura 2000-gebieden geen sprake is. Bovendien heeft de inrichting van het tussenliggend gebied een afschermende werking. In dit geval kunnen alleen effecten via stikstofdepositie van toepassing zijn op de Natura 2000-gebieden omdat deze stoffen zich door de lucht verder verspreiden. Er heeft een onderzoek plaatsgevonden naar stikstofdepositie. Verwezen wordt naar paragraaf 5.7.4 Bescherming van houtopstanden Binnen het plangebied zijn meerdere bomen aanwezig. Voor géén van de bomen hoeft een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. De bomen zijn niet opgenomen op de gemeentelijke monumentale bomenlijst. Daarnaast hoeft er geen kapmelding te worden gedaan bij de provincie Zuid-Holland, aangezien de bomen binnen de bebouwde kom van de Gemeente Barendrecht staan. Provinciaal Landschap Midden Delfland. Het plangebied ligt op circa 14 kilometer afstand van het Bijzonder Provinciaal landschap Midden Delfland.
Er worden dan ook geen negatieve effecten ten gevolge van het plan verwacht. Beschermde soorten Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende - in het kader van de Wet natuurbescherming - beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied; - Algemene broedvogels (mogelijke nesten in de rietkragen, bomen of grasvelden). - Vleermuizen (mogelijk verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes aanwezig in het plangebied). - Steenmarter (mogelijk leefgebied in het plangebied). In tabel 2 van de natuurtoets in de bijlagen is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende project. Aangegeven is of een nader onderzoek nodig is, of er sprake is van een overtreding van de Wet Natuurbescherming, of dit middels maatregelen voorkomen kan worden en of bij de uitvoering van het project een ontheffing nodig is. In Hoofdstuk 5 van deze Natuurtoets staat de onderbouwing voor de gegeven conclusies. Er is vervolgonderzoek nodig naar de steenmarter, de huismus en de vleermuis. In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. In het tekstkader in Bijlage 1 staat het wetsartikel uitgeschreven. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden.
De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. 5.7.3 Vervolgonderzoeken natuur Steenmarter en huismus Er is door AnteaGroup een vervolgonderzoek uitgevoerd naar de steenmarter en huismus. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de conclusies beschreven.
Hoofdstuk 5
58
Steenmarter Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat er binnen het plangebied geen leefgebied van de steenmarter aanwezig is. Er zijn geen waarnemingen gedaan van steenmarters in en rondom het gebouw. Rondom het plangebied zijn wel meerdere katten waargenomen. Er vormen geen belemmeringen voor de herontwikkeling van het plangebied door de steenmarter. Huismus Tijdens verschillende terreinbezoeken zijn foeragerende huismussen waargenomen in de nieuw ingezaaide perken rondom het logistiekgebouw. Het inzaaien van de perken heeft gezorgd voor een verandering van situatie ten opzichte van de periode van veldonderzoek ten behoeve van de natuurtoets. Het nieuwe foerageergebied maakt dat plangebied nu wordt gebruikt als leefgebied voor de huismussen. In het logistiek centrum kan de huismus potentieel tot broeden komen. Hierdoor is inzicht wenselijk naar het gebruik van het plangebied door de huismus. Het wordt geadviseerd om nader onderzoek uit te voeren naar het gebruik van het plangebied door de huismus. Onderzoek vindt plaats tijdens twee terreinbezoeken in de periode van april t/m juni. Vleermuizen Er is door Natuurinclusief een nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de conclusies beschreven. Binnen het plangebied zijn geen kraam- of zomerverblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen.
Het plangebied bevat één paarterritorium van gewone dwergvleermuis waardoor de aanwezigheid van een paarverblijfplaats binnen het plangebied niet is uit te sluiten. Er zijn geen essentiële vliegroutes of foerageergebieden aangetroffen. De geplande werkzaamheden resulteren in het vernietigen van één paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis wat in overtreding is met de Wet natuurbescherming. Daarom is het noodzakelijk om ontheffing aan te vragen bij de Provincie Zuid-Holland en zijn er aanvullende mitigerende maatregelen nodig. Deze ontheffingsaanvraag staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg, omdat redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat deze ontheffing kan worden verleend. Deze moet zijn verleend voordat begonnen wordt met de daadwerkelijke aanvang van de werkzaamheden. Tevens is het noodzakelijk dat zorgvuldig handelen wordt gegarandeerd. Een ecologisch werkprotocol wordt daarom aanbevolen zodat alle medewerkers op locatie op de hoogte zijn en weten wat te doen. 5.7.4 Onderzoek Stikstofdepositie Wat betreft Natura 2000 is er een stikstofonderzoek uitgevoerd dat heeft aangetoond dat de ontwikkelingen, die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt niet leiden tot een toename van stikstofdepositie zowel in de realisatiefase als in de gebruiksfase.
Dit onderzoek dient nog te worden geüpdatet in verband met het beschikbaar komen van een nieuwe Aerius-tool. Deze update zal gereed zijn bij vaststelling van dit bestemmingsplan.
Hoofdstuk 5
59
5.7.5 Conclusie Wat betreft het aspect Natuur wordt voor het belangrijkste deel voldaan aan wet- en regelgeving. Nader onderzoek dient nog plaats te vinden naar de huismus. Ook dient nog het onderzoek naar stikstofdepositie geüpdatet te worden. Deze onderzoeken zullen gereed zijn voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Tenslotte dient een ontheffing aangevraagd te worden in verband met de aanwezigheid van één paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Deze ontheffingsaanvraag staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg, omdat redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat deze ontheffing kan worden verleend voordat begonnen wordt met de daadwerkelijke aanvang van de werkzaamheden.
5.8 Bodem 5.8.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 5.8.2 Onderzoek Door adviesbureau RSK is een Vooronderzoek Landbodem (vooronderzoek NEN 5725) uitgevoerd op de gehele Stationstuinen-locatie (proj.nr. 516545.001(01), 28-03-2022). Dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Voor het gedeelte waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft zijn de deelgebieden Zuideinde en Dwarsligger van toepassing. Over deze deellocaties wordt in de rapportage het volgende opgemerkt: 1.
Zuideinde: Op basis van de beschikbare bodem(kwaliteit)gegevens wordt geconcludeerd dat de bodem binnen het deelgebied Zuideinde over het algemeen niet verdacht is op bodemverontreiniging als gevolg van puntbronnen of (voormalige) verdachte bedrijfsactiviteiten. Een uitzondering vormt de locatie Zuideinde 21 waar in 2006 een restverontreiniging met minerale olie is achtergebleven onder het pand. Aandachtspunt hier is ook een met zand afgevulde tank die nog onder het pand is gelegen. De bodem binnen deelgebied Zuideinde is wel verdacht op bodemverontreiniging als gevolg van de aanwezigheid van gedempte sloten. 2. Dwarsligger: Op basis van de beschikbare bodem(kwaliteit)gegevens wordt geconcludeerd dat de bodem binnen het deelgebied Dwarsligger niet verdacht is op bodemverontreiniging als gevolg van puntbronnen of (voormalige) verdachte bedrijfsactiviteiten. De bodem is wel verdacht op bodemverontreiniging als gevolg van de aanwezigheid van gedempte sloten.
Hoofdstuk 5
60
De conclusie is, dat de restverontreiniging ter plaatse van Zuideinde 21, de met zand afgevulde tank en de mogelijk aanwezige gedempte sloten binnen het plangebied geen belemmering zullen vormen voor de (economische) uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Door Waders Milieu is voor het noordwestelijke en zuidwestelijke deel van het plangebied een Verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd (rapp.nr. 21416501A, 20-07-2021). Dit onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten zware metalen (kwik, lood en zink), minerale olie en PAK aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In de grond zijn bijmengingen met baksteen, beton, kooldeeltjes, plastic en keramiek aangetroffen. Het beton is eenduidig te herkennen en wordt als niet asbestverdacht beschouwd. De andere bijmengingen zijn tevens niet asbestverdacht. Ook tijdens eerdere onderzoeken is geen asbest boven de grenswaarde voor nader onderzoek aangetoond. Er zijn geen aanwijzingen dat zich asbest in de bodem bevindt. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium, zink en xylenen aangetoond. De licht verhoogde concentratie barium heeft waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong (niet veroorzaakt door menselijk handelen).
De vastgestelde milieu hygiënische bodem- en grondwaterkwaliteit vormt geen belemmering voor de economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 5.8.3 Conclusie De vastgestelde milieu hygiënische bodem- en grondwaterkwaliteit vormt geen belemmering voor de economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.9 Water 5.9.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 5.9.2 Onderzoek In het kader van het MER is ook onderzoek gedaan naar het aspect water. Het MER heeft betrekking op De Stationstuinen als geheel. Voor onderhavig bestemmingsplan is een watertoets uitgevoerd. Deze is dus gericht op het plangebied van De Stationstuinen 1ste fase. Deze toets is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hieronder volgt een korte samenvatting. Fusering peilgebieden De hoofdwatergang die door De Stationstuinen als geheel stroomt komt vanaf de Waal, en stroomt door naar de Nieuwe Maas. Er zijn in totaal 3 peilgebieden rondom de ontwikkeling De Stationstuinen. Het waterpeil van de peilgebieden scheelt niet veel van elkaar (10cm), daarnaast hebben twee peilgebieden in de winter al hetzelfde waterpeil. Er is gekozen voor het fuseren van de drie peilgebieden.
Hoofdstuk 5
61
Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar de watertoets, maar ook naar het document ‘Fusering Peilgebieden De Stationstuinen’, dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Door het fuseren van de drie peilgebieden wordt een robuust systeem gecreëerd dat geen nadelige effecten heeft op het omliggende gebied. De grondsoorten van omliggende gebieden zijn gewend aan de waterpeil daling in de wintersituatie en dit heeft dus geen effect op de peilgebieden. Omdat er van het peilgebied met een waterpeilverschil van 0,10m alleen een beperkte aftakking in het gebied zit, zijn de effecten minimaal. Aanvullend heeft het omliggende gebied voldoende drooglegging (0,95m tot 1,3m) in de situatie met het voorgestelde waterpeil. Voor de procedure van het peilbesluit zal eerst een vergunning worden aangevraagd voor de fusering van twee peilgebieden, om zo een tijdelijke situatie te creëren waardoor de geduikerde hoofdwatergang binnen de ontwikkeling eerder verlaten kan worden en er zo geen belemmeringen zijn voor de realisatie van de Stationstuinen 1ste fase. De verdere fusering verloopt via een formeel peilbesluit. Het toepassen van één peilgebied zorgt niet alleen voor een robuust systeem, maar ook voor meer ontwerpruimte voor een klimaat adaptieve wijk, waardoor de ontwikkeling De Stationstuinen kan voldoen aan de ambities van de gemeente Barendrecht en waterschap Hollandse Delta.
Effecten van het project op de waterhuishouding Grondwater Voor de grondwaterstand zijn in par. 2.4 de volgende inschattingen gemaakt: GG: NAP -1,20 m GHG: NAP -0,95 m GLG: NAP -1,35 m Het maaiveld bevindt zich tussen NAP -0,25 m en NAP -1,0 m. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de grondwaterstand relatief hoog ligt.
Waterpeil Het bestaande peilgebied wordt uitgebreid. Er komt één vast peil van NAP -1,90 m. Op basis van de nu beschikbare gegevens wordt verwacht dat deze structuur in alle fasen zal voldoen. Bij iedere volgende fase wordt getoetst of dit inderdaad nog steeds het geval is. Eventueel zal per fase bijgestuurd worden. Verhard- en onverhard oppervlak In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak met circa +21.870 m 2 toe, het onverhard oppervlak met circa 23.345 m2 af en het wateroppervlak neemt met circa +1.475 m 2 toe. Wel dient als kanttekening te worden opgemerkt dat de geschatte oppervlaktes een eerste inschatting betreffen. In de toekomst dient het plan nog verder in detail te worden uitgewerkt.
Hoofdstuk 5
62
Beleidsregel 11 waterschap Hollandse Delta: Beleidsregel 11 dat betrekking heeft op artikel 3.3. uit de Keur stelt dat 10% van de toename aan verhard oppervlak moet worden gecompenseerd in de vorm van open water. Dit houdt in dat er ca. 2190 m2 aan oppervlaktewater moet worden gegraven. Er is ingeschat dat er ca. +1475 m2 aan extra wateroppervlak in het plangebied komt, dit is dus ontoereikend. De oplossing hiervoor is gevonden buiten het plangebied. Ten zuidoosten van het plangebied op een afstand van circa 440 m vindt in het kader van de ontwikkeling van De Stationstuinen als geheel watercompensatie plaats in de vorm van oppervlaktewater. Deze watercompensatie is van een dergelijke omvang dat hier ook de nog benodigde watercompensatie vanwege onderhavig bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Een en ander is geborgd in het de regels via een voorwaardelijke verplichting (artikel 3.4.4). De aanleg van de watercompensatie is gepland in 2023. Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland: In het “convenant klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland” staat dat op privaat terrein een groot deel van de neerslag (50 mm) van een korte hevige bui dient te worden opgevangen. Het is nog onbekend hoe groot het oppervlak publiek en privaat terrein is. Er is daarom als uitgangspunt aangenomen dat de gebouwen (18.320 m 2) behoren tot privaat terrein.
Op basis hiervan dient er in het plangebied ca. 920 m3 (18.320 m2 * 0,05 m) aan waterberging aanwezig te zijn. Klimaatadaptatie Binnen het plangebied bestaat de mogelijkheid om klimaat adaptieve maatregelen te nemen. De slecht doorlatende toplaag in combinatie met de relatief hoge grondwaterstand maakt het gebied ongeschikt voor infiltratie. Wel kan de aanleg van groen in de wijk worden gestimuleerd. Groene daken leveren verschillende voordelen op: Het vangt regenwater op, dit vermindert de belasting op het rioolstelsel. Het draagt bij aan de vermindering van CO2-uitstoot. Het werkt isolerend waardoor stookkosten worden verminderd. Gedurende hoge temperaturen straalt het groene dak minder warmte uit. Dit heeft een gunstig effect op de omgevingstemperatuur. Ook vermindert het aanwezige oppervlaktewater hittestress in het plangebied. Hittestress binnen het plangebied kan verder worden verminderd door de aanleg van bomen en/of andere vegetatie. Dit heeft als voordeel dat het plangebied robuuster is gedurende langdurige periodes van droogte doordat het water beter wordt vastgehouden. Om wateroverlast tijdens extreme situaties te voorkomen moet bij de inrichting van het plangebied rekening worden gehouden dat overtollig hemelwater tot afstroom kan komen naar pekken waar dit niet tot wateroverlast leidt.
Bij voorkeur wordt het water bovengronds afgevoerd richting oppervlaktewater. Vuil- en hemelwater In de huidige situatie ligt er een hemelwaterriool. In de toekomstige situatie dient er een gescheiden rioolstelsel in het plangebied aanwezig te zijn. Het vuilwaterriool dient te lozen op een afvalwaterzuivering (RWZI) van waterschap Hollandse Delta. Hemelwater dient lokaal te infiltreren of vertraagd te worden afgevoerd naar het oppervlaktewatersysteem. De geschikte rioolcapaciteit zal later bij de vergunningverlening moeten worden uitgezocht en nader worden uitgewerkt. Indien nodig kan het blijken dat het afvalwaterriool nog verder moet worden uitgebreid.
Hoofdstuk 5
63
Waterkwaliteit In de toekomstige situatie mag de waterkwaliteit niet verslechteren. Dit houdt in dat er geen negatieve gevolgen zijn op het omliggende grond en/of oppervlaktewatersysteem. Derhalve dient gewerkt te worden met niet-uitlogende materialen. Ook moet afstromend hemelwater zoveel mogelijk gescheiden afgevoerd worden om vervuiling te voorkomen. Een voorbeeld hiervan is dat hemelwater dat op het dak valt schoner is dan hemelwater dat valt op een intensief gebruikte parkeerplaats of weg. Bij de aanleg van nieuw oppervlaktewater moeten doodlopende watergangen worden voorkomen in verband met de waterkwaliteit. De toepassing van natuurvriendelijke oevers wordt aanbevolen. De aanleg van natuurvriendelijke oevers draagt bij aan een verhoging van de natuurwaarde, ofwel de ecologische waterkwaliteit, verbetering van de chemische waterkwaliteit en een verbetering van de belevings- en recreatiewaarde Waterveiligheid Op basis van de legger van waterschap Hollandse Delta ligt in het oosten op een afstand van ca. 200 m een regionale waterkering. Het plangebied ligt binnendijks. Ten noorden van het plangebied ligt de rivier de Waal. 5.9.3 Conclusie Het onderdeel water zorgt niet voor belemmeringen voor de gewenste ontwikkelingen, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.
5.10 Archeologie 5.10.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 5.10.2 Onderzoek Er is door AnteaGroup een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plan. Deze is opgenomen in de bijlagen. Hieronder is een samenvatting beschreven.
Hoofdstuk 5
64
Resultaten Op eventueel in de ondergrond aanwezige rivierduinen kunnen resten uit de steentijd worden aangetroffen. Op afzettingen van de stroomgordel van Ridderkerk kunnen resten uit het neolithicum en de bronstijd worden verwacht. Bij eerder onderzoek in het zuidelijke deel van het plangebied (Zaakid. 4599435100) werden binnen 5m -mv geen rivierduin- of stroomgordelafzettingen aangetroffen. In de top van het Hollandveen kunnen resten uit de ijzertijd, romeinse tijd en middeleeuwen aanwezig zijn. Het Hollandveen werd bij eerder onderzoek in het zuidelijke deel van het plangebied (Zaakid.4599435100) aangetroffen tussen 3,5 en 3,75m -NAP (circa 2,35 á 2,7m -mv). Bij onderzoek op circa 35m ten noorden van het plangebied werd het Hollandveen aangetroffen van circa 2,20 á 3,40m -mv. In en op de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren kunnen resten uit de middeleeuwen en nieuwe tijd verwacht worden. Mogelijk was het grootste deel van gebied echter te nat voor bewoning en vond bewoning voor de inpoldering voornamelijk plaats op kreekoevers. Na de inpoldering vond bewoning hoofdzakelijk plaats langs dijken en ontginningsassen. Op basis van de historische kaarten worden in het plangebied geen resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd verwacht, behalve eventuele resten van een molen uit circa 1940.
Advies In het zuidelijke deel van het plangebied heeft reeds een verkennend booronderzoek plaatsgevonden. Dit deel van het terrein kan op basis van de bevindingen van dat onderzoek worden vrijgegeven tot 5m -mv. Omdat er in het overige deel van het plangebied een middelhoge kans is op het aantreffen van archeologische resten binnen het plangebied, adviseert Antea Group om een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase, uit te voeren op de locaties waar graafwerkzaamheden dieper dan 80cm -mv gepland zijn. De methode – een verkennend booronderzoek bestaande uit 6 boringen per hectare - is er niet primair op gericht om archeologische resten aan te treffen (hiervoor is de gehanteerde boordichtheid en –intensiteit te gering), maar is wel uitermate geschikt om: 1) de aard van bodemopbouw en 2) de mate van intactheid van de oorspronkelijke bodemopbouw inclusief de archeologische sporendragende niveaus te bepalen. Bovenstaande is een advies; het hierop nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Barendrecht. Het advies is namens het bevoegd gezag beoordeeld door Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR). Het rapport wordt akkoord bevonden en het advies voor een (aanvullend) booronderzoek wordt onderschreven.
5.10.3 Conclusie Het aanvullende archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning(en). In het plan is de al vigerende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 2’ gehandhaafd, zodat op die manier de bescherming van archeologische waarden is geborgd.
Hoofdstuk 5
65
5.11 Cultuurhistorie 5.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 5.11.2 Onderzoek Binnen het plangebied liggen geen rijksmonumenten. Ook is het gebied geen onderdeel van een beschermd stads- of dorpsgezicht. In en rondom het plangebied liggen in de Cultuurhistorische Atlas van de provincie Zuid-Holland geen cultuurhistorisch waardevolle structuren. De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied tast geen cultuurhistorische waarden in de omgeving aan. In het archeologisch onderzoek (zie bijlage bij deze toelichting) wordt verwezen naar eventuele resten van een molen uit 1940 binnen het plangebied.
Naar alle waarschijnlijkheid is dit een klein poldermolentje geweest, een zogenaamd Bosman-molentje. Deze molentjes waren vroeger wel meer te vinden in het tuindersdorp Barendrecht en omgeving en dragen zeker bij aan de (her)beleving van de gloriedagen van de groente en fruitveiling en de bedrijvigheid van tuinders rondom de veiling. Vanuit cultuurhistorisch perspectief en de beleving daarvan (zeker in combinatie met de oude loodsen die blijven staan en het voormalige veilinghuis Jabaay) is het een optie dit element terug te brengen in De Stationstuinen. Deze cultuurhistorische elementen kunnen zo samen een ‘verband’ brengen in het ‘verhaal’ van De Stationstuinen. 5.11.3 Conclusie Het onderdeel cultuurhistorie zorgt niet voor belemmeringen.
Hoofdstuk 5
66
6.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
6.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
6.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. Bij het opstellen van de regels is waar mogelijk aangesloten op de regeling zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Barendrecht Noordoost’ en ‘Woongebied Oost’. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente Barendrecht. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels.
Hoofdstuk 6
67
Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven.
Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan. algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.
algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.
Hoofdstuk 6
68
Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
6.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Gemengd Voor een groot deel van het plangebied is de bestemming ‘Gemengd’ opgenomen. Binnen deze bestemming zijn de functies wonen en andere (commerciële) voorzieningen toegestaan. Voor de gewenste flexibiliteit is niet gekozen voor een strakke regeling per bouwblok, maar een meer algemene regeling. Wel is het maximale aantal aan woningen en het maximale oppervlak van de verschillende toegestane functies vastgelegd. Voor de toekomstige bebouwing is per blok een bouwvlak opgenomen met daarin aangegeven de maximum bouwhoogte. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. Daarnaast zijn andere bouwwerken toegestaan mits voldaan wordt aan de maatvoeringseisen. Om te waarborgen dat er voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien is in de specifieke gebruiksregels een verplichting opgenomen dat er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. Hierbij dient er getoetst te worden aan de meest recente gemeentelijke parkeernota en de afspraken, die gemaakt zijn in het Ontwikkelkader. Verkeer De Spoorlaan, het Zuideinde en de toegang tot de dakparkeerplaats van het station Barendrecht zijn voorzien van de bestemming 'Verkeer'.
Voor andere bouwwerken dan gebouwen is een maximale hoogtemaat opgenomen, met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van de verkeersregeling, de verkeers- of wegaanduiding of de verlichting. Waarde – Archeologie - 2 Ter bescherming en veiligstelling van archeologische waarden is een dubbelbestemming Archeologie opgenomen.
Hoofdstuk 6
69
7.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
7.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de bouw van onder andere woningen. Er is derhalve sprake van een of meerdere bouwplannen als bedoeld in het Bro en dus is kostenverhaal aan de orde.
Ten behoeve van onderhavig grondexploitatie heeft de gemeente met de ontwikkelende partij een (anterieure) exploitatieovereenkomst gesloten waarin de kosten voor de grondexploitatie worden verhaald op deze ontwikkelende partij(en). Hiermee is het verhaal van kosten anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan in dit kader op basis van artikel 6.12 lid 2 van de Wro niet noodzakelijk. De raad heeft ook voor het overige afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
Hoofdstuk 7
70
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Vooroverleg Vaststellingsprocedure 7.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. De gemeente heeft 5 vooroverlegreacties ontvangen. Deze zijn in een nota vooroverleg samengevat en van een antwoord voorzien.
De nota vooroverleg is als bijlage bij de toelichting gevoegd. De vooroverlegreacties hebben geleid tot een aanvulling van de toelichting (paragraaf 3.2.2) van het bestemmingsplan. 7.2.2 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het ontwerp bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen.
Hoofdstuk 7
71
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Ontwikkelkader De Stationstuinen Bijlage 2: Stedenbouwkundig plan De Stationstuinen Bijlage 3: Beeldkwaliteitsplan De Stationstuinen Bijlage 4: Compensatieplan van bedrijventerrein naar woon-werkgebied Bijlage 5: Advies MRDH over compensatieplan Bijlage 6: Ambitiedocument klimaatadaptie De Stationstuinen Bijlage 7: Ladder woonfuncties De Stationstuinen 1ste fase Bijlage 8: Ladder niet-woonfuncties De Stationstuinen Barendrecht 1ste fase Bijlage 9: Akoestisch onderzoek De Stationstuinen 1ste fase Bijlage 10: Milieueffectrapport De Stationstuinen Bijlage 11: Analyse bedrijven en milieuzonering Bijlage 12: Memo externe veiligheid incl.