952742 VVGB Schoolstraat 53-53D Bijlage 02 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Het gemeentelijke vuilwaterriool is van voldoende omvang om de beperkte toename van afvalwater van de woningen te kunnen verwerken. 5.1.3 Conclusie water Het aspect water vormt geen belemmering voor de bouw van nieuwe woningen op het perceel Schoolstraat 53.
5.2
Bodem
5.2.1
Wet- en regelgeving en beleid
Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming (1996) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd. Voor ruimtelijke plannen moet ten minste een historisch onderzoek worden verricht (conform NEN 5725). Als uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging, moet een verkennend bodemonderzoek worden verricht (conform NEN 5740). 5.2.2
Verkennend bodemonderzoek
Voor de beoogde ontwikkeling is in juni/ juli 2020 een verkennend bodemonderzoek (NEN5740) uitgevoerd door Milieutechniek ZVS Eemnes BV. De resultaten hiervan zijn opgenomen in externe Bijlage 5. Op basis van deze onderzoeken kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Gedurende het onderzoek is in een drietal boringen in de grond bijmenging met baksteen waargenomen. De aard van de bijmenging vormt geen aanleiding om de grond aanvullend op asbest te onderzoeken. Mogelijk als gevolg van de bijmenging is de grond licht verontreinigd met PCB’s, minerale olie, zink, lood en PAK. Ook onder de betonvloer van de bedrijfshal zijn deze componenten, met uitzondering van PCB’s, vastgesteld. De resterende bovengrond is overwegend licht verontreinigd met zink en/of lood. De ondergrond is eveneens licht verontreinigd met PCB’s, minerale olie, kwik, lood en PAK. Echter, dergelijke gehalten werden op basis van de voorinformatie verwacht en zijn geen ongewoon verschijnsel in de gemeente Baarn.
32
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof Aan de noordwestzijde van de bedrijfshal is sprake van een geregistreerde restverontreiniging in het traject van 3,0-4,5 m-mv. Ondanks saneringsinspanningen in het verleden is in 2010 in het kader van nazorg in het grondwater ter hoogte van peilbuis 30A nog steeds een sterk verhoogd gehalte aan minerale olie in het grondwater en een matige verhoging in de grond vastgesteld. In het grondwater ter hoogte van peilbuizen 102 en 16 is minerale olie niet aangetoond. Van verspreiding is zodoende geen sprake. Over het algemeen komen in het grondwater in lichte mate cis+trans -1,2-dichoorethaan en matig verhoogd tetrachlooretheen voor. Overigens zijn in de grond geen vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen aangetroffen. Mogelijk zijn deze verhogingen vanuit de omgeving afkomstig. Bij voorgenomen sloop en nieuwbouw op de locatie dient rekening te worden gehouden met het feit dat: Op de locatie aan de noordwestzijde van de bedrijfshal sprake is van een geregistreerde restverontreiniging vanaf 3,0 m-mv. Deze moet worden gesaneerd. Om die reden wordt er na de sloop van de opstallen een vervolgonderzoek ingesteld om vast te stellen wat de omvang is van deze verontreiniging en hoe die kan worden aangepakt.
Bij ontwikkeling naar een gevoeligere bestemming dient mogelijk grondverbetering te worden toegepast waarbij de grond van klasse industrie moeten worden afgevoerd. De toepassing van licht verontreinigde grond aan beperkingen onderhevig is. Indien gedurende de ontwikkeling grond vrijkomt en niet op de onderzoekslocatie kan of mag worden verwerkt, dient de grond te worden voorzien van een kwaliteitsverklaring conform het Besluit bodemkwaliteit, dan wel te worden aangeboden aan een erkende verwerker. 5.2.3
Aanvullend grondwateronderzoek
Door Baecx is een aanvullend grondwateronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in een rapport, dat als externe Bijlage 6 is toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. Op basis van dit aanvullende onderzoek blijkt dat voor alle grondwatermonsters de gehaltes onder de norm liggen voor VOCI en afbraakproducten. In de kern van de (eertijds) veronderstelde verontreinigingslocatie en langs de contour zijn geen sterk verhoogde gehaltes meer gemeten. De peilbuis aan de oostzijde is herplaatst en bemonsterd. Ook hierin zijn uitsluitend gehaltes aangetroffen binnen de normen. Het bevoegd gezag heeft enkele kanttekeningen geplaatst bij de wijze waarop het aanvullende grondwateronderzoek is uitgevoerd. Daarom zal er na sloop van de bebouwing, maar voor verdere werkzaamheden op de locatie een aanvullend onderzoek worden uitgevoerd. Dit om het onderzoek in overeenstemming te brengen met de indieningsvereisten voor de afgifte van een omgevingsvergunning. Naar verwachting zal de eindconclusie hierdoor niet wijzig en: er is geen aanleiding om tot (gedeeltelijke) sanering over te gaan. 5.2.4
Asbestinventarisatie
Omdat het de bedoeling is de bestaande bedrijfsgebouwen te slopen heeft Adviesbureau Flamant BV in oktober 2020 al een asbestinventarisatie uitgevoerd. Daarbij zijn ook de panden Eemstraat 14, 16 en 18 onderzocht. Omdat de resultaten van een asbestinventarisatie maximaal 3 jaar geldig zijn heeft Bureau BAECX in oktober 2023 de asbestinventarisatie geactualiseerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in externe Bijlage 7. In het rapport van BAECX is het voorgaande rapport van Adviesbureau Flamant BV als bijlage opgenomen. Op basis van deze recente asbestinventarisatie kunnen de volgende conclusies getrokken worden: • De asbestinventarisatie is geschikt voor volledige renovatie of totaalsloop; • Als de werkzaamheden buiten de reikwijdte van deze asbestinventarisatie vallen, dienen niet geïnspecteerde ruimtes alsnog geïnspecteerd te worden; • Aan de hand van het vooronderzoek, de visuele inspectie en de analyseresultaten concludeert Baecx B.V. dat binnen de onderzoekslocatie asbesthoudend materiaal aanwezig is , zoals aangegeven in onderstaande tabel; 33
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
.Overzicht asbesthoudend en/of asbestvrij materiaal • Er zijn geen aanwijzingen dat er overig asbesthoudend materiaal in verborgen gebouwdelen aanwezig is. • Een aanvullende asbestinventarisatie wordt niet noodzakelijk geacht. Wel wordt geadviseerd tijdens de sanering of sloopwerkzaamheden alert te zijn op de aanwezigheid van verborgen asbesthoudend materiaal. • Asbesthoudend materiaal dient, voor de aanvang van verbouwing of sloop, door een asbestverwijderingsbedrijf te worden verwijderd. Als tijdens de verwijdering/sloop onvoorzien extra asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen, dient dit aanvullend gemeld en geïnventariseerd te worden. 5.2.5 Conclusie bodemonderzoek Op basis van het verkennende bodemonderzoek, het aanvullende grondwateronderzoek en de uitgevoerde asbestinventarisatie kan geconcludeerd worden, dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling op het perceel Schoolstraat 53. Wel zal er na het slopen van de bebouwing, maar voor verdere werkzaamheden op de locatie nog een aanvullend onderzoek worden uitgevoerd. Dit om het uitgevoerde aanvullende grondwateronderzoek in overeenstemming te brengen met de indieningsvereisten voor de afgifte van een omgevingsvergunning.
5.3
Flora en fauna
5.3.1
Wet- en regelgeving en beleid
Natuurbescherming in Nederland De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. De wet geldt sinds 1 januari 2017 en vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming De Wet Natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000gebied (of Beschermd natuurmonument) zijn vergunningplichtig.
34
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof Gebiedsbescherming vanuit Provinciaal beleid De provinciale groenstructuur bestaat uit het Natuurnetwerk Utrecht (voormalig EHS). Het Natuurnetwerk Utrecht is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. 5.3.2
Onderzoek flora en fauna
Door Baecx is in oktober 2022 een quickscan verricht naar de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor beschermde natuurgebieden en beschermde soorten. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in een rapport, dat als externe Bijlage 8 aan deze ruimtelijke onderbouwing is toegevoegd. Op basis van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Gebiedsbescherming: De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied t.o.v. het plangebied is ‘Oostelijke Vechtplassen’. Dit Natura 2000-gebied ligt op circa 11 kilometer afstand ten westen van het plangebied. Beschermd NNN-gebied, ‘Baarnse Bos’, ligt op circa 850 meter afstand ten zuidwesten van het plangebied. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Soortenbescherming: Flora:
Binnen het plangebied zijn er geen beschermde soorten waargenomen. Er zijn wel diverse grote bomen in directe omgeving waargenomen. Deze blijven in stand. Op de erfgrens aan de oostzijde bevindt zich klimop. Deze klimop is in beheer van de gemeente. Deze blijft in stand.
De onderzoekslocatie is op dit moment ecologisch gezien heel erg arm. Het is een versteende stedelijke omgeving. Rondom het onderzoeksgebied zijn aan alle kanten tuinen gelegen. Deze tuinen voorzien de onderzoekslocatie van een groene buffer en ecologisch bieden deze tuinen een habitat aan soorten die binnen de projectlocatie niet een geschikt habitat kunnen vinden. Fauna: Vleermuizen: Er zijn geen vleermuizen of geschikte verblijfsplaatsen vastgesteld binnen het plangebied. Nader onderzoek achten we derhalve niet noodzakelijk. Gierzwaluw
Binnen het plangebied zijn geen gierzwaluwen of (potentiële) nestplaatsen waargenomen. Nader onderzoek achten we derhalve niet noodzakelijk.
Huismus
Binnen het plangebied zijn er geen nesten, individuele huismussen en/of roepende paartjes van de huismus waargenomen. Ook zijn er geen nest- en/of verblijfsplaatsen vastgesteld. Nader onderzoek achten we derhalve niet noodzakelijk.
Algemeen Bij het toepassen van Natuurinclusief ontwerp in de nieuwbouw en de inrichting van het terrein kan dat mogelijk een versterkend effect genereren op de lokale Flora en Fauna. Te allen tijde is de zorgplicht van toepassing. Verstorende werkzaamheden dienen zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zodra er ook werkzaamheden buiten de reikwijdte van dit onderzoek plaatsvinden, dient een aanvullende quickscan uitgevoerd te worden
35
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof Na uitvoering van het onderzoek zijn er bij het bevoegd gezag twijfels gerezen over de stelligheid waarmee in de quickscan de aanwezigheid van vleermuizen wordt uitgesloten. Zij (het bevoegd gezag) acht het niet uitgesloten dat er mogelijk toch verblijfsplaatsen kunnen zitten van de gewone dwergvleermuis. Om die reden is besloten alsnog een nader onderzoek naar vleermuizen uit te voeren. 5.3.3
Conclusie
Als gevolg van het bouwplan worden er geen negatieve effecten op beschermde gebieden verwacht. Om de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen te kunnen uitsluiten zal er aanvullend op de quickscan een nader onderzoek naar vleermuizen worden uitgevoerd.
5.4
Bomen effect analyse (BEA)
Bij nieuwe ontwikkelingen eist de gemeente Baarn een Boomeffectanalyse (BEA). Een BEA is een gestandaardiseerde onderzoeksmethode om de mogelijke effecten van ruimtelijke ingrepen te beoordelen. De locatie is echter geheel vrij van opgaande begroeiing en/of bomen. Om die reden kan hier een BEA achterwege gelaten worden.
5.5
Archeologie en cultuurhistorie
5.5.1
Wet- en regelgeving en beleid
Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet 2016 is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. In het vigerende bestemmingsplan is een deel van de gronden aan de noordzijde van het plangebied voorzien van de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie -2” (de “plusjes” op de plankaart).
36
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof Dit houdt in dat voor bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 100 m², alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport wordt overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: • de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; • in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd De eerder genoemde Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: "de veroorzaker betaalt". Om dit te kunnen onderbouwen dient de gemeente er voor te zorgen dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen het gemeentelijk grondgebied bekend zijn. Om die reden heeft de gemeente Baarn in april 2019 een Beleidsvisie Erfgoed vastgesteld. In deze visie wordt onder andere verwezen naar de door RAAP in 2018 opgestelde archeologische waardenen verwachtingskaart en een cultuurhistorische waardenkaart.
Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingskaart
Wat opvalt is, dat het gebied met een hoge archeologische verwachting (rood) nu over het gehele plangebied slaat en niet meer uitsluitend over een “randje” aan de noordzijde van het plangebied. .5.5.2
Onderzoek archeologie
Door Vestigia is in augustus 2023 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in een rapport, dat in juni 2024 nog is geactualiseerd en als externe Bijlage 9 is toegevoegd. In het rapport worden de volgende conclusies getrokken: Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting voor alle archeologische perioden, vanwege de verhoogde ligging op de overgang van de Baarnse stuwwal naar de Eemvallei. De aanwezigheid van dekzandafzettingen en de relatief hoge ligging in het landschap maakte deze locatie in principe gunstig voor bewoning en bewerking van het land. Het plangebied ligt net op de rand van de historische kern van Baarn. Binnen het plangebied is in ieder geval al sinds het begin van de 19e eeuw sprake van bebouwing, aan de straatzijde van de Schoolstraat.
37
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof Om deze verwachting te toetsen is op 23 augustus 2023 een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. Binnen het plangebied zijn tijdens dit onderzoek zes verkennende boringen uitgevoerd tot in het onverstoorde moedermateriaal. Binnen het plangebied bestaat het moedermateriaal uit dekzand. In vier van de zes boringen bestaat de bodemopbouw uit een verstoorde moderne bouwvoor, met daaronder het dekzand. In twee boringen is onder de bouwvoor nog een restant van een esdek aanwezig, met daaronder het natuurlijke moedermateriaal. In één van die boringen is de oorspronkelijke podzolbodem nog aanwezig en in de andere boring is de oorspronkelijke bodem in de Middeleeuwen meegeploegd zodat er geen sporen van bodemvorming meer zichtbaar zijn, maar er nog wel diepere sporen aanwezig kunnen zijn (paalkuilen, waterputten etc.). Bij vier van de zes boringen zijn zoals vermeld diepe verstoringen aangetroffen tot in het dekzand; alleen bij twee boringen (boringen 5323-05 en -06) kan worden vastgesteld dat de moderne verstoring significant dieper gaat dan het niveau waar nog een archeologische verwachting voor bestaat. Bij deze twee boringen zullen eventuele archeologische waarden dus verloren zijn gegaan, maar bij de overige vier boringen is dus nog steeds sprake van een archeologische verwachting.
Omdat de boringen 5 en 6 relatief ver uit elkaar liggen heeft het gehele plangebied in feite nog een archeologische verwachting. Op basis van deze conclusies adviseert Vestigia het volgende: Het plangebied had bij aanvang van het veldonderzoek in principe een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische sporen en vondsten vanaf de vroege prehistorie, met aan de oostzijde aan de rand van de Schoolstraat een verwachting op bebouwing die in ieder geval aantoonbaar teruggaat tot het begin van de 19e eeuw. Op basis van het veldonderzoek is de verwachting op het aantreffen van resten vanaf de vroege prehistorie nog steeds hoog. Rekening houdend met een buffer van 25 centimeter dient er vervolgonderzoek uitgevoerd te worden indien de geplande verstoringen dieper reiken dan 75 centimeter beneden maaiveld of 4,34 meter boven NAP. Gezien de aard van de voorgenomen ingrepen (nieuwbouw van woningen en parkeerkelder met aanleg van funderingen en bijbehorende infrastructuur in de vorm van cunetten en kabels en leidingen) is het waarschijnlijk dat dit niveau bij de geplande werkzaamheden zal worden verstoord. Daarnaast bestaat er nog een hoge archeologische verwachting op het aantreffen van resten van bewoning langs de Schoolstraat, die in principe al vanaf maaiveld kan worden aangetroffen.
Geadviseerd wordt een aanvullend karterend en waarderend inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uit te voeren (IVO-P). Voorafgaand aan de uitvoering van een dergelijk onderzoek dient altijd eerst (verplicht) een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, dat de goedkeuring behoeft van de gemeente als bevoegd gezag. Omdat een deel van het plangebied nog bebouwd is (op de locatie waar geen bebouwing is volgens de Kadastrale Minuut 1811-1832), kan het lonen om na de sloop nog een aanvullend booronderzoek uit te voeren om de diepte van de verstoringen aldaar te bepalen, en daarmee het gebied dat in aanmerking komt om door middel van proefsleuven te onderzoeken. Indien de ingrepen beperkt blijven tot nieuwbouw na sloop, op een locatie waar de bodem al is verstoord door de bestaande bebouwing, dan worden geen archeologische waarden bedreigd. Als de geplande ingrepen beperkt blijven tot 70 cm -mv, dan blijven deze boven het archeologisch niveau dat binnen het onbebouwde gedeelte van het plangebied is vastgesteld. Het definitieve ontwerp, met onder meer een parkeerkelder ter hoogte van de bestaande bebouwing, impliceert dat de geplande werkzaamheden naar verwachting tot voorbij het archeologisch niveau zullen reiken, en er dus vervolgonderzoek noodzakelijk is. Het bevoegd gezag, de gemeente Baarn, dient eerst over het advies in dit rapport een besluit te nemen.
Het is mogelijk dat dit besluit afwijkt van het advies in dit rapport.
38
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof Wanneer het bevoegd gezag besluit dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is en het plangebied wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Baarn, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. NMF Erfgoed Advies heeft het rapport versie 2.0 getoetst namens de gemeente Baarn. In het memo kenmerk NMF-2024-191-YB wordt aangegeven dat de vervolgstappen dienen te bestaan uit: 1. Aanpassen rapport op basis van de opmerkingen en definitief ontwerp. 2. Er dient een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven/boringen uitgevoerd te worden. 3. Voor een IVO-P is een Programma van Eisen (PvE) verplicht, dat door de gemeente als bevoegd gezag moet zijn goedgekeurd. 4. Het IVO-P zal eventuele vindplaatsen moeten traceren en waarderen.
Op basis van de resultaten van het IVO-P zal de gemeente de afweging maken of sprake is van een behoudenswaardige vindplaats en, zo ja, of deze in bodem behouden kan blijven of moet worden veiliggesteld door een opgraving. 5. Er mogen geen ondergrondse sloopwerkzaamheden of graafwerkzaamheden plaatsvinden op locatie totdat middels selectiebesluit door de gemeente vrijgave is verleend voor wat betreft archeologie, behalve ten bate van archeologisch onderzoek. 5.5.3
Onderzoek cultuurhistorie
In de nabijheid van het plangebied zijn geen gemeentelijke en/of rijksmonumenten aanwezig. Ook is het plangebied niet gelegen binnen de begrenzing van een Beschermd Stads - of Dorpsgezicht. De gewenste ontwikkeling in het plangebied heeft dan ook geen invloed op bestaande cultuurhistorische waarden. 5.5.4
Conclusie cultuurhistorie en archeologie
Geconcludeerd wordt dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmering hoeven te vormen voor het bouwplan. Definitieve uitsluitsel kan echter pas gegeven worden na uitvoering van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P).
39
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
5.6
Geluid
5.6.1
Wet- en regelgeving en beleid
Wegverkeer De Wet geluidhinder bepaalt dat het bevoegd gezag bij vaststelling van omgevingsvergunning de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de Wet geluidhinder vindt plaats per weg. Uitzondering hierop betreft de toetsing bij rijkswegen. Als meerdere rijkswegen in de directe nabijheid van een plan zijn gelegen dient het gecumuleerde geluidsniveau van deze wegen te worden gehanteerd bij de toetsing aan de Wet geluidhinder. Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer moet op de gevels van nieuwe (of te wijzigen) woningen in de geluidszone van een weg voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 48 dB. Als dit geluidsniveau wordt overschreden kan de gemeente een hoger geluidsniveau toestaan de zogenaamde 'Hogere waarde'. De Hogere waarde mag alleen worden verleend als uit akoestisch onderzoek blijkt dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting brengen niet mogelijk is. Aan de 'Hogere waarde' is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buitenstedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wet geluidhinder.
Conform artikel 110g mag een correctie worden toegepast op het berekende geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer. Voor wegen waar 70 km/uur of harder gereden mag worden is de aftrek 2 dB en voor de overige wegen 5 dB. De wettelijk toegestane snelheid is hier van belang. Voor wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur geldt geen aftrek aangezien deze wegen geen zone hebben en hierdoor niet onder de werkingssfeer van de Wet geluidhinder vallen. Enkel bij toetsing in het kader van het aspect "goede ruimtelijke ordening" wordt ten behoeve van een goede beoordeling de aftrek wel toegepast. Railverkeerslawaai Het geluidsniveau ten gevolge van het railverkeer moet op de gevels van nieuwe (of te wijzigen) woningen in de geluidszone van een spoorwegtraject voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 55 dB. De maximale hogere waarde voor nieuwe woningen in de zone van een spoorwegtraject bedraagt 68 dB. Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde 'zware lawaaimakers' als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht.
Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven gaan. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde) op woningen in de geluidszone van een industrieterrein bedraagt 50 dB(A). De maximaal toelaatbare geluidsbelasting op nieuwe woningen bedraagt 55 dB(A), voor bestaande woningen bedraagt deze 60 dB(A). De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen - vastgelegd in eerder genomen besluiten - blijven gelden. Cumulatie Bij de vaststelling van hogere grenswaarden verplicht de Wet geluidhinder het inzichtelijk maken van het gecumuleerde geluidsniveau. Dit betreft het gezamenlijk geluidsniveau van alle relevante geluidsbronnen (weg, rail, industrie). Een bron is relevant indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De gemeente kan een hoger grenswaarde vaststellen als er sprake is van een aanvaardbare gecumuleerde geluidsbelasting.
40
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
5.6.2
Onderzoek geluid
In de omgeving van de geplande nieuwe woningen bevinden zich geen gezoneerde industrieterreinen en spoorlijnen. Akoestisch onderzoek naar gezoneerde industrieterreinen en spoorlijnen is dan ook niet nodig. Daarom kan het akoestische onderzoek zich beperken tot de mogelijke invloed van wegverkeer. In oktober 2023 heeft De Milieuadviseur een akoestisch onderzoek verricht met betrekking tot wegverkeerslawaai. Dit onderzoek is in juni 2024 geactualiseerd. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in een rapport, dat als externe Bijlage 10 is opgenomen. De conclusies uit het akoestische rapport kunnen als volgt samengevat worden: •
De omliggende 30 km-wegen hebben op basis van de Wgh geen zone. Formeel gelden de normen uit de Wgh dan ook niet voor 30 km-wegen. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zijn bij de beoordeling van de geluidsbelastingen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de hoogste toelaatbare geluidsbelastingen van 63 dB gebruikt. Deze normen gelden voor een vergelijkbare weg met een 50 km regime.
•
Bij de nieuwe woningen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden, echter aan de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB wordt voldaan. De geluidsbelastingen liggen binnen de geluidsnormen uit de Wgh. Op grond van de Wgh zijn de optredende geluidsbelastingen dan ook acceptabel.
•
Op grond van het Bouwbesluit 2012 dient een akoestische binnenwaarde van 33 dB bij woningen ten gevolge van wegverkeerslawaai gegarandeerd te worden. Volgens artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. Echter door de hogere eisen voor de thermische isolatie voor nieuwe woningen is ook de geluidsisolatie van nieuwe woningen verbeterd. Bij nieuwe woningen is een gevelisolatie van 24 dB zonder extra geluidsisolatie goed mogelijk, wanneer er is gekozen voor goed geluidsgeïsoleerde ventilatievoorzieningen. Naar verwachting wordt de binnenwaarde van 33 dB in de nieuwe woning gehaald zonder dat er aanvullende geluidsisolerende maatregelen worden getroffen. Bij de aanvraag van een ‘Omgevingsvergunning bouwen’ (voormalige bouwvergunning) kan door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek worden aangetoond dat de binnenwaarde van 33 dB uit het Bouwbesluit 2012 wordt gehaald.
5.6.3
Conclusie geluid
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het bouwplan.
41
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
5.7
Stikstofdepositie/ luchtkwaliteit
5.7.1
Stikstofdepositie
In het kader van de Natuurbeschermingswet moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten kunnen optreden in Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of andere handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. De effectbeoordeling stikstofdepositie heeft tot doel de NO x (stikstof) en NH3 (ammoniak) emissies naar de lucht door het voornemen inzichtelijk te maken, de toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden te berekenen. De effectbeoordeling stikstofdepositie wordt afgesloten met conclusies waarbij duidelijk wordt of in het kader van de Wet Natuurbescherming significante effecten uitgesloten kunnen worden, dan wel een nader onderzoek nodig is (passende beoordeling). Het plangebied ligt op circa 12 kilometer afstand van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in de Natura 2000-gebieden 'Oostelijke Vechtplassen' en ‘Naardermeer’. Dichterbij gelegen Natura2000gebieden 'Eemmeer & Gooimeer Zuidoever' en ‘Arkenheem’ kennen geen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden.
In onderstaande afbeelding zijn het plangebied en het Natura 2000-gebieden zwart omlijnd weergegeven. De stikstofgevoelige habitats en leefgebieden zijn roze gekleurd. De overige niet stikstofgevoelige delen van het Natura 2000-gebied zijn groen of blauw gekleurd.
Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000 (bron: AERIUS Calculator) Door Langelaar Milieuadvies is in december 2023 een effectbeoordeling stikstofdepositie opgesteld. Deze effectbeoordeling is opgenomen in de externe Bijlage 11 bij deze ruimtelijke onderbouwing. In dit onderzoek is achtereenvolgens onderzocht: de NOX en NH3 emissies gedurende de tijdelijke fase (aanleg- en bouwfase); de NOX en NH3 emissies gedurende de permanente fase (gebruiksfase); 42
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof Op basis van een berekening met behulp van de Aerius calculator 2023 worden in het rapport de volgende conclusies getrokken: Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat zowel de inzet van machines en transportbewegingen in de aanlegfase als verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000- gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Voor het plan geldt geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstofdepositie. 5.7.2
Luchtkwaliteit
De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM 2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO 2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.
Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Het bouwplan gaat uit van de realisatie van 25 woningen. In de ministeriële regeling NIBM is een lijst van categorieën opgenomen die per definitie niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Conform bijlage 3 van de regeling NIBM geldt dat bij woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, uitgaande van één ontsluitingsweg, sprake is van een niet in betekende mate bijdrage aan de luchtverontreiniging vanwege het plan. 43
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof Geconcludeerd wordt dat het totale plan de realisatie van minder dan 1.500 woningen omvat, daardoor zal het plan ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de grenswaarden is op basis van de Wet milieubeheer niet noodzakelijk, aangezien het plan NIBM is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt inzichtelijk gemaakt of er sprake is van een dreigende grenswaarde-overschrijding. Toetsing grenswaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico’s kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM2.5 en PM10) in het plangebied tussen 2015 en 2030. De monitoringstool kent scenario’s zonder en met lokale maatregelen die er voor moeten zorgen dat op termijn overal aan de grenswaarden wordt voldaan. Beide typen scenario’s laten in de toekomst een afname van de concentraties zien. Dit komt doordat bedrijven en het verkeer steeds schoner worden door technologische verbeteringen.
De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2015, 2020 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s.
44
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
In de navolgende tabel staan de concentraties fijn stof (PM 10 en PM2.5) en stikstofdioxide (NO2) in de nabijheid van het plan zoals opgenomen in de monitoringstool voor het jaar 2030. Het betreffen concentraties langs de nabijgelegen Eemstraat. De concentraties langs deze weg zijn representatief voor de concentraties binnen- en in de directe omgeving van het plangebied.
45
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
Op de afbeeldingen zijn de concentraties PM10, PM2.5, en NO2 voor het jaar 2030 uit de monitoringstool weergegeven. Het perceel Schoolstraat 53 ligt binnen de rode cirkel. De concentraties luchtverontreinigende stoffen liggen onder de grenswaarden in dat jaar. Deze grenswaarden zijn op Europees niveau vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Tevens geven de uitkomsten uit de monitoringstool aan dat de concentraties van de luchtvervuilende stoffen vanaf 2020 in het plangebied verder afnemen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. 5.7.3
Conclusie
Uit het oogpunt van luchtkwaliteit/ stikstofdepositie zijn er derhalve geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied.
5.8
Bedrijven en milieuzoneringen
5.8.1
Wet- en regelgeving en beleid
Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: ‘rustig gebied’, ‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. In een rustig gebied en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor.
46
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met één stap worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten het betreffende perceel. Het plangebied bevindt zich in een omgeving waarin zowel wonen als werken voorkomst en het gebied dient derhalve te worden aangemerkt als een ‘gemengd gebied’.
Richtafstanden en omgevingstype (Bron: VNG) 5.8.2
Onderzoek
Wonen is geen hinderveroorzakende functie. Daarom hoeft er niet onderzocht te worden of de nieuwe woningen hinder veroorzaken ten opzichte van de omgeving. Tevens gaat het om de vraag of de nieuwe woningen hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In de omgeving van het plangebied zijn diverse functies aanwezig, waaronder bedrijvigheid (cat. 1 en 2), detailhandel en dienstverlening. Dergelijke functies worden op basis de VNG-uitgave aangemerkt als categorie 1 en 2 inrichtingen, waarvoor een grootste richtafstand van 10 meter (cat. 2) geldt in gemengde gebieden. In het voorliggende geval bedraagt de afstand tussen de woningen en de hiervoor genoemde functies meer dan 10 meter. Ten westen van de locatie Schoolstraat 53 bevindt zich het perceel Schoolstraat 35 t/m 37a, dat op basis van het vigerende bestemmingsplan Baarn Centrum de bestemming ‘Bedrijf’ heeft gekregen met een nadere aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - garage en plaatwerkerij'. Ter plaatse mag een autogarage en een plaatwerkerij uitgeoefend worden, zijnde een bedrijf uit categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Dit betekent, dat er een afstand van 50 meter (gemengd gebied!) in acht genomen dient te worden tussen dit bedrijf en de geplande woningbouw. Deze afstand is globaal in beeld gebracht op onderstaande afbeelding, waarbij het bedrijf blauw gekleurd is:
47
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
Zone van ongeveer 50 meter rond het bedrijf, waar een garagebedrijf en een plaatwerkerij mag worden uitgeoefend op basis van het vigerende bestemmingsplan.
Een dergelijke afstand betekent, dat een groot deel van het perceel Schoolstraat 53 ongeschikt zou zijn voor woningbouw. Enerzijds om te voorkomen dat toekomstige bewoners gehinderd zouden worden door dit bedrijf en anderzijds omdat het bedrijf anders negatief beïnvloed zou worden in zijn bedrijfsvoering door de nabijheid van de functie ‘wonen’. Het bedrijf is echter al jaren niet meer actief en vormt in de huidige situatie dus geen reële hinder voor de beoogde ontwikkeling. Planologisch is dat echter niet van belang, omdat de gronden nog steeds benut mogen worden voor een garagebedrijf annex plaatwerkerij. Daarom is al in 2017 met de eigenaar van het bedrijf afgesproken, dat de bestemming van zijn gronden gewijzigd zou worden in die zin, dat ter plaatse uitsluitend bedrijven behorend tot de milieucategorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegelaten zijn. Deze afspraak wordt nu door middel van een postzegelbestemmingsplan geëffectueerd. Hierdoor kan de afstand, die in acht genomen dient te worden tussen de toekomstige woningbouw en het bedrijf (met milieucategorie 1 en 2) teruggebracht worden van 50 tot 10 meter. Met het bouwplan wordt dus geanticipeerd op de situatie die ontstaat na realisatie van de beoogde planwijziging. 5.8.3
Conclusie bedrijven en milieuzoneringen
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de bouw van 25 woningen op het perceel Schoolstraat 53.
48
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
5.9
Externe veiligheid
5.9.1
Wet- en regelgeving en beleid
Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijk slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10 -6 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde.
Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb, 2011) en Het Besluit veiligheid Transportroutes (Bevt) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico wettelijk geregeld. De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico’s acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico’s te verkleinen. 5.9.2
Onderzoek externe veiligheid
Voor het plangebied is een risico-inventarisatie uitgevoerd. Hierbij is binnen 1 km afstand van het plangebied gekeken naar de volgende aspecten, die van invloed kunnen zijn op het plangebied: risicovolle inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over spoor, water en weg. Op de afbeelding hieronder is een fragment van de risicokaart Nederland opgenomen. Het plangebied is gesitueerd binnen de rode cirkel.
49
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
Uitsnede risicokaart Nederland met het plangebied binnen de rode cirkel Op basis van de risicokaart kan geconcludeerd worden, dat er in de ruime omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen plaats. Tenslotte vindt er in de ruime omgeving van het plangebied ook geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via spoor, water of weg. 5.9.3
Conclusie externe veiligheid
Vanuit externe veiligheid zijn geen belemmeringen voor het bouwplan.
50
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
5.10
Verkeer en parkeren
Bij het realiseren van een nieuwe functie dient gekeken te worden naar verkeersaspecten als ontsluiting en bereikbaarheid, parkeren en verkeersveiligheid. Verkeer De bestaande verkeersstructuur in de omgeving van het plangebied blijft gehandhaafd. De ontsluiting van het perceel Schoolstraat 53 vindt plaats door middel van een tweetal aansluitingen op de Schoolstraat. Op onderstaande afbeelding is dit aangegeven:
2 aansluitpunten op de Schoolstraat De ontsluiting ter plaatse van het ‘gat’ tussen Schoolstraat 37 en 41 wordt benut voor de toegang tot de parkeerkelder. De andere ontsluiting, die ongeveer op de plek van de huidige ontsluiting gepland is, zal hoofdzakelijk voor langzaam verkeer benut worden en slechts sporadisch door auto’s. De 25 nieuwe woningen zullen ongeveer 215 verkeersbewegingen per etmaal genereren. Daarnaast zullen de extra parkeerplaatsen voor de buurt ook verkeersbewegingen genereren. Het totaal zal echter veel minder zijn dan het aantal verkeersbewegingen, dat op basis van het gemeentelijke verkeersmodel voor het jaar 2030 opgeroepen wordt door de functies, die nu nog in het bedrijfspand uitgeoefend worden, te weten: 767 motorvoertuigen per etmaal. Dat betekent, dat het aantal verkeersbewegingen in de nieuwe situatie zonder problemen opgenomen kan worden in het huidige verkeersbeeld. Parkeren Bij bouw en verbouw gelden regels voor het aanleggen van parkeerplaatsen. De parkeernormen in gemeente Baarn zijn gebaseerd op de maximumwaarde (bovengrens) van de kengetallen van de CROW-publicatie 317 minus 15%.Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen percelen, die gelegen zijn in het ‘centrum’, het ‘overige deel van de bebouwde kom’ en het ‘buitengebied’. Het perceel Schoolstraat 53 is gelegen in het ‘centrum’.
Voor de 25 koopwoningen dient op basis hiervan uitgegaan te worden van een parkeernorm van 1,8 (1,5 voor bewoners plus 0,3 als bezoekersaandeel). Concreet betekent dit, dat er rekening gehouden dient te worden met 25 maal 1,8 is 45 parkeerplaatsen. In de parkeerkelder is ruimte voor het stallen van 70 auto’s. Zie onderstaande afbeelding:
51
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
Parkeerkelder met een capaciteit van 70 parkeerplaatsen Dat betekent, dat de gehele parkeerbehoefte in de kelder gehonoreerd kan worden. De capaciteit van de parkeerkelder is bewust groter dan de behoefte voor de nieuwe woningen. Op deze manier zijn er mogelijkheden voor mensen uit de directe omgeving om een parkeerplaats in de parkeerkelder te kopen of te huren. Hierbij kan de volgende kanttekening geplaatst worden: Indien in het kader van de Convenant Duurzame Woningbouw (zie ook paragraaf 5.12.1) voor het onderwerp Duurzame Mobiliteit, indicator parkeernorm het predicaat ‘zilver’ of ‘goud’ nagestreefd zou worden, dan mag het aantal parkeerplaatsen niet groter zijn dan 75%, respectievelijk 60% van de parkeernorm. Dat zou voor het voorgenomen bouwplan betekenen, dat het aantal te realiseren parkeerplaatsen verlaagd dient te worden van 45 naar 34 (75% van 45) danwel maximaal 27 (60% van 45). Dit betekent dat er ruimere mogelijkheden ontstaan voor mensen uit de directe omgeving om een parkeerplaats in de parkeerkelder te huren of te kopen. Daar hoort dan wel het aanbieden van het concept van een deelauto bij. Omdat de consequenties hiervan nu nog niet goed kunnen worden overzien, is gekozen voor ‘brons’. De bewoners zullen in dat geval wel geïnformeerd worden over de mogelijkheden van een deelauto-concept, maar de initiatiefnemer zal hierin zelf niet voorzien.
In het plan wordt bij de toegangsweg naar de parkeerkelder nog ruimte gereserveerd voor een 6-tal parkeerplaatsen. Deze kunnen benut worden door leveranciers, bewoners uit de directe omgeving of voor de stalling van een deelauto (indien daar later voor gekozen wordt). Conclusie: De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de realisatie van de nieuwe woningen op het perceel Schoolstraat 53.
52
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
5.11
Onderzoek kabels, leidingen en telecommunicatie installaties
Er zijn geen kabels en leidingen dan wel telecommunicatie installaties in het plangebied aanwezig die met een contour beschermd moeten worden. 5.11.1 Conclusies en aanbevelingen Er zijn geen belemmeringen te verwachten ten aanzien van kabels en leidingen dan wel telecommunicatie installaties in of nabij het plangebied.
5.12
Duurzaamheid
5.12.1 Convenant Duurzame Woningbouw Bij de bouw van het nieuwe appartementengebouw zal uiteraard uitgegaan worden van de eisen, die opgenomen zijn in de Convenant Duurzame Woningbouw. In 4.3.4 is ingegaan op de inhoud van deze convenant. Daaruit is naar voren gekomen, dat er 3 ambitieniveaus nagestreefd kunnen worden. Als basis kan gekozen worden voor "brons". Wanneer er een extra inspanning verricht wordt kan dit het predicaat "zilver" of zelfs “goud” opleveren. Zoals eerder aangegeven heeft de gemeente Baarn op 4 juli 2023 het Convenant Duurzame Woningbouw op niveau ‘zilver’ ondertekend en aangegeven te willen groeien naar ‘goud’ in 2030. Dit houdt in dat bij nieuwe woningbouwprojecten wordt gestreefd naar, waar mogelijk, het halen van een ambitieniveau hoger dan wettelijk verplicht. Dit streven naar een hoger ambitieniveau vraagt van de initiatiefnemer een inspanningsverplichting met behoud van betaalbaarheid, volume en snelheid van de bouwopgave. Wanneer in deze context maatwerk nodig is, kan per indicator een passend ambitieniveau worden gekozen. Maatwerk in de specifieke situatie blijft daarmee mogelijk, naast het door de gemeente gekozen ambitieniveau. Er kan in overleg (in de evaluatie) met de stakeholders besloten worden om indicatoren naar boven of beneden bij te stellen zodat de opgave het beste aansluit bij de omstandigheden ter plekke.
Een generieke aanscherping van een eis op de ene indicator kan het namelijk moeilijk (soms onmogelijk) maken de eis op een andere indicator te behalen. In het Convenant is een "Toetsingskader" opgenomen, waarin voor de verschillende duurzaamheidsaspecten aangegeven is welke eisen er gelden voor het ambitieniveau "brons", "zilver", of "goud". Het toetsingskader is hieronder opgenomen. In het Toetsingskader zijn de niveaus, waarvoor de initiatiefnemer een inspanningsverplichting realistisch en haalbaar acht omkaderd. Te zien is, dat het niet haalbaar geacht wordt om voor alle aspecten naar het niveau ‘zilver’ te streven. Daarentegen wordt het wel haalbaar geacht om voor meerdere aspecten voor ‘goud’ te gaan:
53
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
54
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
55
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
56
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
In het toetsingskader zijn de niveaus, waarvoor de initiatiefnemer een inspanningsverplichting realistisch en haalbaar acht omkaderd. Ter toelichting zal hieronder kort beargumenteerd worden, waarom voor bepaalde onderdelen het niveau ‘zilver’ niet realistisch en daarom niet haalbaar geacht wordt. Onderwerp energie: Wat betreft de BENG 1 normering wordt gesteld dat de wettelijke eis voor de energiebehoefte <55 kWh/m2/jaar is. Deze <55 kWh/m2/jaar hangt samen met de verhouding tussen verliesoppervlakte en gebruiksoppervlakte. Hieruit komen er 3 categorieën voort die afhankelijk zijn van het type woning: • <1,5 resulteert in <55 kWh/m2/jaar • <3,0 resulteert in <55+30 kWh/m2/jaar • >3,0 resulteert in <100 + 50 kWh/m 2/jaar In het convenant wordt een BENG eis van <55 kWh/m 2/jaar en lager gesteld. Bij grondgebonden woningen met een GO van 147m² en een verliesoppervlakte van 299 m² is de compactheid 2,03. Volgens de normen (en de BENG berekening) zou een dergelijke woning een energiebehoefte zijn hebben van 70,85 kWh/m2/jaar Wat betreft de BENG 3 normering: het dakoppervlak is simpelweg ontoereikend voor een niveau hoger dan hetgeen nu wettelijk verplicht is. Dit is fysiek onmogelijk. Onderwerp deelmobiliteit De ontwikkelaar is graag bereid om deelmobiliteitsconcepten te stimuleren, maar kan zich niet op voorhand vastleggen op een bepaald percentage van de bewoners.
Gezonde leefomgeving Het is op dit moment niet mogelijk om te garanderen dat meer dan 90% van de toegepaste materialen vrij zal zijn van giftige stoffen. Ter informatie kan nog het volgende aangegeven worden: In het Convenant zijn de indicatieve meerkosten voor een woning van circa 60 m 2 per onderwerp weergegeven. Bij deze meerkosten is nog geen rekening gehouden met de baten en/of subsidies die van toepassing zijn per thema en juist kosten kunnen drukken. Peildatum 1 februari 2022.
Indicatieve meerkosten 5.12.2. Conclusie duurzaamheid Het is helaas niet haalbaar om voor alle aspecten naar het niveau ‘zilver’ te streven. Daarentegen wordt het wel haalbaar geacht om voor meerdere aspecten voor ‘goud’ te gaan.
57
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
5.13
Milieueffectrapportage / M.E.R.-(beoordelings)plicht
5.13.1 Wet- en regelgeving en beleid Milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het Besluit m.e.r. staat voor welke plannen en besluiten in welke gevallen een m.e.r. -procedure moet worden doorlopen. Het besluit bevat bijlagen waaronder de C- en D- lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Bij een (directe) m.e.r.-plicht dient hoe dan ook een MER opgesteld te worden. Bij een m.e.r.-beoordelingsplicht dient te worden beoordeeld of de activiteit vanwege bijzondere omstandigheden toch belangrijke milieugevolgen kan hebben. Indien dat het geval is dan ligt een m.e.r.-procedure in de rede. Zo niet, dan dient het bevoegd gezag expliciet te besluiten dat geen m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Een derde situatie die zich kan voordoen betreft de situatie waarbij de betreffende activiteit qua omvang beneden de drempelwaarde voor m.e.r. beoordeling blijft. Ook in dat geval is, op grond van art. 2 lid 5 van het Besluit m.e.r., nog een beoordeling nodig, zij het dat dit een vormvrije beoordeling betreft.
De conclusie van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan worden verwerkt in de toelichting op het 'moederbesluit'. 5.13.2 Onderzoek M.e.r. (beoordelings)plicht Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die m.e.r- (beoordelings)plichtig zijn. 5.13.3 Conclusie M.e.r. (beoordelings)plicht Voor het bouwplan hoeft geen m.e.r of m.e.r-beoordeling te worden uitgevoerd.
58
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Malvahof
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid
Het betreft hier een private ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de eigenaar. Het plan voorziet niet in een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor voor de betrokken gronden geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro hoeft te worden vastgesteld. Wel wordt een planschade overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer gesloten. Het plan wordt economisch uitvoerbaar geacht.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg met de buurt
Op diverse momenten hebben er informatiebijeenkomsten plaatsgevonden. Omwonenden zijn gericht uitgenodigd om kennis te nemen van de voorgenomen plannen. Tijdens de bijeenkomsten zijn de plannen gepresenteerd en was er volop gelegenheid om daarop te reageren. Tijdens de bijeenkomsten zijn kritische geluiden gehoord over de nieuwe plannen. De initiatiefnemer heeft de plannen tussen de bijeenkomsten aangepast teneinde zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de opmerkingen van de bewoners. Een belangrijke aanpassing betreft de keuze om uitsluitend grondgebonden woningen te realiseren en de gehele parkeerbehoefte op te lossen door de bouw van een verdiept gelegen parkeerkelder. Hierdoor kan aan een deel van de bezwaren tegemoet gekomen worden. Een uitgebreid participatieverslag is opgenomen in de externe Bijlage 12. 6.2.2
Uitkomsten vooroverleg
Omdat de nieuwe ontwikkeling binnen de zogenaamde rode contour geprojecteerd is, zijn er geen provinciale belangen in het geding. Conform afspraken met de provincie behoeft een dergelijk plan in het kader van het (voor)overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening niet toegezonden te worden aan de provincie. Op basis van de digitale watertoets kan geconcludeerd worden, dat er geen nader overleg met het Waterschap hoeft plaats te vinden. Dit is schriftelijk bevestigd door het Waterschap op 11 juni 2024. Daarbij is door het Waterschap het volgende aangegeven: Op basis van het formulier van de digitale watertoets worden geen primaire waterbelangen geraakt en zijn er geen activiteiten in strijd met de Waterschapsverordening. Er liggen bijvoorbeeld geen watergangen of waterkeringen in de directe omgeving en er is geen toename van verhard oppervlak. Wel zijn er aandachtspunten om mee rekening te houden. Hemelwater dat op de locatie valt, wordt geloosd op een gemengd stelsel. Water dat direct wordt afgevoerd belast onnodig het rioolstelsel en de zuivering van het waterschap. Advies om zoveel mogelijk hemelwater binnen de perceelgrens vast te houden. Al dan niet op basis van een hemelwaterverordening. In de ruimtelijke onderbouwing worden maatregelen voorgesteld om hemelwater vertraagd af te voeren of te laten infiltreren in de bodem.