CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

867405 Lokale Energie Strategie (LES) bijlage 2 Adviesdocument scenariostudie programmapijlers LES

Besluit in de Raad 31 januari 2024, gemeente BaarnBij agendapunt: Lokale Energie Strategie (LES)22.305 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

6000 4000 2000 0

A of hoger

B

C

D

E

F

G

Figuur 20 Ontwikkeling in labels per jaar

Analyse van uitvoerbaarheid | De in dit scenario aangenomen schilstappen resulteren tot 2040 gemiddeld in 505 renovaties per jaar. Het betreft voor een deel rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten en overige complexere panden. De renovaties gaan echter bovengemiddeld vaak slechts tot schillabel D, waarmee ook in dit geval het uitvoeringstempo haalbaar wordt geacht. 28

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

De aangenomen – van rijkswege afgedwongen – verduurzaming van de nog niet gerenoveerde objecten tussen 2040 en 2050 vergt gemiddeld 435 renovaties per jaar en is daarmee ook goed uitvoerbaar.

Figuur 21 toont voor de 4 scenario’s de verdeling van alle objecten naar schillabel in 2030 en 2040, afgezet tegen de verdeling in 2023. 8000

Situatie in 2023 Autonome ontwikkeling

7000

Sociale huurgerichte aanpak

6000

Contingentaanpak

5000

Labelsprong gerichte aanpak

4000 3000 2000 1000 0 A of beter

B

C

D

E

F

G

A of beter

B

C

D

E

F

G

Figuur 21 Spreiding van het aantal objecten naar schillabel in 2030 (links) en 2040 (rechts)

Afgezien van het scenario autonome ontwikkeling worden in alle scenario’s de doelen voor 2030 en 2040 bereikt, zie Tabel 5. Met de Contingentaanpak worden in deze peiljaren de hoogste percentages schillabel B of beter bereikt. Tabel 5 Opbrengsten op de programmapijler energiebesparing per scenario

Scenario

% schillabel B of beter 2030 2040

Doelstelling (Paragraaf 1.2)

45%

60%

0 | Autonome ontwikkeling

37%

45%

1 | Sociale huur gerichte aanpak

46%

66%

2 | Contingentaanpak

50%

70%

3 | Labelspronggerichte aanpak

46%

67%

Figuur 22 toont voor de verschillende scenario’s de ontwikkeling van het percentage objecten met schillabel B of beter per jaar tot 2050. Hieruit blijkt dat het verschil tussen de contingentaanpak en de overige scenario’s vooral in de jaren 2023-2028 ontstaat. Verder valt op dat de labelspronggerichte aanpak, gericht op het met prioriteit verduurzamen van de objecten met schillabel E of slechter, niet resulteert in een grote vertraging in de groei van het percentage objecten met schillabel B of beter. Dit omdat de autonome ontwikkeling nu geconcentreerd is in buurten waar relatief veel objecten met 1 of 2 labelsprongen schillabel B bereiken, en omdat aangenomen is dat na afronden van een buurtaanpak geen autonome ontwikkeling meer plaatsvindt in betreffende buurten. De voortgaande autonome ontwikkeling 29

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

in deze buurten verklaart ook waarom juist in dit scenario en in het autonome scenario het uiteindelijke percentage label A of beter het grootst is. 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 2023

2028

2033

2038

2043

Autonome ontwikkeling

Sociale huurgerichte aanpak

Contingentaanpak

Labelsprong gerichte aanpak

2048

Figuur 22 Percentage objecten met minimaal label B

Energiebesparing | Figuur 24 toont de ingeschatte ontwikkeling van het totale energiegebruik (aardgas, warmte en elektriciteit) in de gebouwde omgeving per scenario. Onderliggend aan elk scenario is hier ook een autonome ontwikkeling in de verwarmingsinstallaties (beschreven in paragraaf 2.4.2) en in de installatie van zonnepanelen (beschreven in 3.4.2) aangenomen. Deze ontwikkelingen zijn verantwoordelijk voor het grootste deel van de energiebesparing.

Figuur 23 Theoretisch en werkelijk gasverbruik per label (RVO)

De energiebesparing in de Labelsprongerichte aanpak verloopt het snelst maar de verschillen met de overige scenario’s zijn klein. Ook in het algemeen is de energiebesparing als gevolg van labelstappen kleiner dan volgt uit de theorie. Het Vesta MAIS-model is gebaseerd op een steekproef van daadwerkelijk energiegebruik in verschillende woningtypen met uiteenlopende labels.

Figuur 23 toont verschillen tussen theoretisch en gemeten verbruik bij verschillende labels. Het werkelijke verbruik ligt in woningen met label B of beter lager dan volgens de theorie, terwijl het werkelijke verbruik juist in de minst energiezuinige woningen aanzienlijk lager ligt dan verwacht volgens de theorie. Een vermoedelijke verklaring is dat bewoners in slecht geïsoleerde objecten al dan niet vanuit financiële overwegingen - genoegen nemen met minder comfort.

30

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

1000

Totaal energiegebruik [GJ]

900

800

700

600

500

400 2023

2028

2033

2038

2043

Autonome ontwikkeling

Sociale huurgerichte aanpak

Contingentaanpak

Labelsprong gerichte aanpak

2048

Figuur 24 Totale energiegebruik in de tijd

Uitgaven aan energie en verduurzaming in de tijd | In Figuur 25 is voor de gebouwde omgeving als geheel per scenario een ruwe inschatting van de investeringen in isolatie, verwarmingsinstallaties (conform 2.4.2) en zonnepanelen (conform 3.4.2) gegeven, samen met de (afnemende) energiekosten. Dit op basis van de volgende aannames: * Kosteninschattingen voor renovaties voor verschillende gebouwtypen en schillabelstappen zijn overgenomen uit Vesta MAIS versie 5.0 [2021]. * Aannames voor de investeringen in verwarmingstoestellen en zonnepanelen zijn beschreven in 2.1 respectievelijk 3.4.1. * Voor afgenomen en geproduceerde elektriciteit, aardgas en warmte is een prijspeil aangehouden van € 1,30/m3 voor aardgas en € 0,30/kWh voor elektriciteit. Voor warmte is de (naar GJ omgerekende) prijs van elektriciteit aangehouden. * Stabiele kosten, zonder rente. In de praktijk variëren de kosten van bouwmaterialen, arbeid, rente, elektriciteit, gas en warmte van jaar tot jaar, door externe oorzaken waarop de gemeente geen invloed heeft. De belangrijkste parameter waarop de gemeente wel invloed heeft, is het moment in de tijd waarop investeringen plaatsvinden.

Door aan te nemen dat de kosten voor renovaties en energie tot 2050 stabiel blijven en de rente buiten beschouwing te laten, ontstaat een indicatie van het voor- of nadeel van het versnellen van de renovaties of het voorruittrekken van bepaalde buurten. € 70,000,000

€ 70,000,000

€ 60,000,000

€ 60,000,000

€ 50,000,000

€ 50,000,000

€ 40,000,000

€ 40,000,000

€ 30,000,000

€ 30,000,000

€ 20,000,000

€ 20,000,000

€ 10,000,000

€ 10,000,000

€-

€-

Kosten isolatie

Kosten warmtebron

Kosten isolatie

Kosten warmtebron

Teruglevering terreinen (kWh)

Energiekosten

Teruglevering terreinen (kWh)

Energiekosten

31

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

€ 70,000,000

€ 70,000,000

€ 60,000,000

€ 60,000,000

€ 50,000,000

€ 50,000,000

€ 40,000,000

€ 40,000,000

€ 30,000,000

€ 30,000,000

€ 20,000,000

€ 20,000,000

€ 10,000,000

€ 10,000,000

€-

€-

Kosten isolatie

Kosten warmtebron

Kosten isolatie

Kosten warmtebron

Teruglevering terreinen (kWh)

Energiekosten

Teruglevering terreinen (kWh)

Energiekosten

Figuur 25 Ontwikkeling van de kosten. Linksboven autonome ontwikkeling, rechtsboven sociale huurgerichte aanpak, linksonder contingentaanpak en rechtsonder labelsprong gerichte aanpak

In het autonome scenario valt de bulk van de investeringen in isolatie in de periode 2040-2050. In de overige scenario’s zijn deze investeringen over de volle periode tot 2050 uitgesmeerd. Wel zie je een vroege en bescheiden piek in het labelgerichte scenario, omdat hier juist de grootste en duurste labelstappen als eerst genomen worden en omdat dit relatief grote objecten betreft. Figuur 26 toont per scenario de som van de in Figuur 25 weergegeven kosten. De cumulatieve investeringen over de periode tot 2050 zijn in alle scenario’s ruwweg gelijk. In de scenario’s waarin vroeg geïnvesteerd wordt in isolatie dalen de energiekosten en dus de totale kosten sneller. € 70,000,000 € 60,000,000

Totaal kosten [€]

€ 50,000,000 € 40,000,000 € 30,000,000 € 20,000,000 € 10,000,000 €2023

2028

2033

2038

2043

Autonome ontwikkeling

Sociale huurgerichte aanpak

Contingentaanpak

Labelsprong gerichte aanpak

Figuur 26 Som van de kosten in de tijd (energiekosten + investeringskosten)

32

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

2048

2.

Waarom duurzame warmte | In de Nederlandse klimaatwet is vastgelegd dat Nederland in 2030 en 2050 49% respectievelijk 95% minder broeikasgassen moet uitstoten dan in referentiejaar 1990. Verwarming met fossiel aardgas in de gebouwde omgeving heeft op dit moment een significant aandeel in de Nederlandse broeikasgasuitstoot. Voldoende beschikbaarheid van duurzame warmte is een harde voorwaarde voor het uitfaseren van aardgas, en daarmee voor het behalen van klimaatdoelen. In lijn met het Nederlands Klimaatakkoord (2019) ligt een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid voor duurzame warmte in de gemeente. Uitgangspunten uit het coalitieakkoord | Verduurzaming van Baarn vergt een gezamenlijke inspanning van inwoners, ondernemers, verenigingen en organisaties. De gemeente onderzoekt of en hoe zij de warmtetransitie kan versnellen. In deze raadsperiode komt voor alle woningen een warmteplan beschikbaar, zodat gericht collectieve dan wel individuele keuzes voor warmteoplossingen mogelijk zijn. Geadviseerde beleidsdoelen | Het advies aan de gemeente op basis van de analyse in dit hoofdstuk is om de volgende (tussen)doelen te hanteren om het beleid op de programmapijler duurzame warmte richting te geven en het succes van het opgestelde beleid te monitoren: * Aanvangssituatie. In 2021 was 1% van de woningen in Baarn voorzien van een all-electric warmtepomp.

De verwachting is dat dit in 2023 inmiddels is opgelopen tot 2%. * 2030. 25% van de in 2023 bestaande voorraad aan woningen en overige panden met een verblijfsfunctie heeft een gasvrije hoofdverwarmingsinstallatie. Dit doel betreft een haalbare resultaatverplichting, dicht bij het resultaat van enkel de autonome ontwikkeling. * 2040. 70% van de in 2023 bestaande voorraad aan woningen en overige panden met een verblijfsfunctie heeft een gasvrije hoofdverwarmingsinstallatie. Dit doel betreft een ambitieuze resultaatverplichting, alleen haalbaar met serieuze beleidsinspanningen. * Uiterlijk 2050. De gehele gebouwde omgeving van Baarn wordt aardgasvrij verwarmd. Dit doel betreft een haalbare resultaatverplichting, ervan uitgaande dat 100% groen gas of waterstof van rijkswegen beschikbaar komt voor de gasketels van hybride warmtepompen. Paragraaf 2.2 verklaart het hoe en waarom van deze doelen.

De gebouwde omgeving in Baarn maakt net als de rest van Nederland nog voor het overgrote deel gebruik van aardgasketels als hoofdverwarming en voor bereiding van warm tapwater. Ook bij het bereiden van voedsel spelen fornuizen en ovens op aardgas nog een grote rol. Het verbruik van fossiel aardgas in de gebouwde omgeving kan en moet uiteindelijk naar nul. Gasvrij koken | Voor het aardgasverbruik in de keuken is de transitie vrij eenvoudig. Inductiekookplaten en elektrische ovens zijn bij nieuwbouw en vervanging al jaren de norm en vervangen van een gasfornuis of gasoven door een elektrisch alternatief kan in de regel met de bestaande elektriciteitsaansluiting en zonder verdere aanpassing aan een verblijfsobject. Gasvrij verwarmen | De stap van een gasketel naar aardgasvrije ruimteverwarming en bereiding van warm tapwater is ingrijpender. Er zijn vele (deel)oplossingen, configuraties en combinaties mogelijk, elk met eigen voor- en nadelen. Voor deze scenariostudie zijn de volgende 4 opties als meest reëel voor Baarn beoordeeld. 1 | All-electric warmtepomp | Gebruikt elektriciteit om hernieuwbare warmte op lage temperatuur (uit bodem of buitenlucht) op te waarderen tot nuttige warmte voor ruimteverwarming (±40 ºC) en warm tapwater (±65 ºC). Investeren in een warmtepomp is in de 33

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

basis een keuze en/of verantwoordelijkheid van de objecteigenaar. Er zijn vanuit de rijksoverheid subsidies beschikbaar voor de aanschaf en installatie van een warmtepomp. Voorwaarden voor toepassing: * Vloerverwarming of laagtemperatuur-radiatoren nodig. * Geschikte ruimte voor buitenunit of grondboring nodig. * Schillabel B of beter gewenst voor optimaal comfort en rendement. * Voldoende capaciteit elektriciteitsnet in de regio en in de wijk. Aannames voor scenario’s: * Verbruikt 1 kWh elektriciteit om 4 kWh aan warmteproductie voor ruimteverwarming in een gasketel te vervangen. * Verbruikt 1 kWh elektriciteit om 2,5 kWh aan warmteproductie voor warm tapwater in een gasketel te vervangen. * Aankoop- en installatiekosten zijn geraamd op €13.000 exclusief €3000 ISDE-subsidie [Milieucentraal]. 2 | Hogetemperatuurwarmtenet op aquathermie | Gebruikt elektriciteit om hernieuwbare warmte op lage temperatuur (uit de rivier de Eem) met een warmtepomp op te waarderen tot nuttige warmte voor ruimteverwarming en warm tapwater (±65 ºC). Investeren in een warmtenet is in de basis een verantwoordelijkheid van een specifiek warmtebedrijf dat de warmte produceert en levert aan de afnemers. Voorwaarden voor toepassing: * Schillabel D of beter gewenst voor optimaal comfort. * Hoge dichtheid van bebouwing en hoge graad van deelneming voor haalbare businesscase.

* Voldoende capaciteit elektriciteitsnet in de regio, voor aansluiting centrale warmtepomp. Aannames voor scenario’s: * Verbruikt 1 kWh elektriciteit om 3 kWh aan warmteproductie voor ruimteverwarming of warm tapwater in een gasketel te vervangen. Hierbij is een warmteverlies van 25% over de leidingen aangenomen. * Realisatie en installatiekosten zijn geraamd op €19.000 per object [Eteck 2023]. * De verbruikskosten zijn geraamd op €0,30 per kWh elektriciteitsverbruik voor de productie van warmte. 3 | Zeer lage temperatuur (ZLT) warmtenet op aquathermie | Gebruikt elektriciteit om hernieuwbare warmte op lage temperatuur (uit de rivier de Eem) op te waarderen tot warmte op 15 tot 20 ºC. Individuele warmtepompen per object bereiden gebruiken het voorverwarmde water om warmte te produceren voor ruimteverwarming (±40-60 ºC) en warm tapwater (±65 ºC). Investeren in een warmtenet is in de basis een verantwoordelijkheid van een specifiek warmtebedrijf dat de warmte produceert en levert aan de afnemers. Voorwaarden voor toepassing: * Schillabel B of beter gewenst voor optimaal comfort. * Hoge dichtheid van bebouwing en hoge graad van deelneming voor haalbare businesscase. * Voldoende capaciteit elektriciteitsnet in de regio en in de wijk.

Aannames voor scenario’s: * Verbruikt 1 kWh elektriciteit om 4 kWh aan warmteproductie voor ruimteverwarming of warm tapwater in een gasketel te vervangen. Hierbij is een warmteverlies van 5% over de leidingen aangenomen. * Realisatie en installatiekosten zijn geraamd op €20.000 per object [Eteck 2023]. * De verbruikskosten zijn geraamd op €0,30 per kWh elektriciteitsverbruik voor de productie van warmte. 4 | Hybride warmtepomp | Gebruikt elektriciteit om hernieuwbare warmte op lage temperatuur (uit bodem of buitenlucht) op te waarderen tot nuttige warmte voor ruimteverwarming (±40 ºC) 34

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

en gebruik een gasketel voor de bereiding van warm tapwater (±65 ºC). Investeren in een warmtepomp is in de basis een keuze en/of verantwoordelijkheid van de objecteigenaar. Er zijn vanuit de rijksoverheid subsidies beschikbaar voor de aanschaf en installatie. Vanaf 2026 is installeren van een nieuwe reguliere gasketel van rijkswege niet meer toegestaan. Daarmee wordt een hybride warmtepomp verplicht de ondergrens voor nieuwe individuele installaties. Voorwaarden voor toepassing: * Vloerverwarming of laagtemperatuur-radiatoren gewenst * Geschikte ruimte voor buitenunit nodig * Schillabel B of beter gewenst voor optimaal comfort * Voldoende capaciteit elektriciteitsnet in de regio en in de wijk. * Behoud van het gasnet. De benutting van het gasnet zal sterk dalen maar de kosten voor onderhoud blijven gelijk. Zeker als het aantal aansluitingen daalt, lopen de kosten per aansluiting op. * Alleen aardgasvrij met gebruik van schaars groen gas of waterstof. Als veel inwoners en ondernemers op nationale schaal kiezen voor deze optie kan de prijs voor groen gas sterk oplopen, ook omdat andere sectoren aanspraak zullen doen op groen gas en waterstof voor hun eigen transitie. Aannames voor scenario’s: * Verbruikt 1 kWh elektriciteit om 4 kWh aan warmteproductie voor ruimteverwarming in een gasketel te vervangen. * Tapwaterbereiding gaat op aardgas.

In de praktijk kan het warmtepompdeel een deel van de tapwaterbereiding verzorgen maar kan ook de ruimteverwarming deels met de ketel gaan. Aangenomen is dat dit uitmiddelt. * Aankoop- en installatiekosten (inclusief nieuwe Cv-ketel) zijn geraamd op €8.000 exclusief €2500 ISDE-subsidie [Milieucentraal] per object. * Tot 2050 gebruikt een hybride warmtepomp aardgas voor tapwaterbereiding. Vanaf 2050 is aangenomen dat er groen gas of hernieuwbare waterstof geleverd via de dan nog bestaande gasnetten. Voor de scenario’s is de prijs van fossiel aardgas aangenomen voor groene gassen. Dit in afwijking van de kanttekeningen hierboven. * Oplopende vaste kosten per aansluiting zijn niet meegenomen. Beleidsadvies | Per type ingreep zijn verschillende beleidsinstrumenten te overwegen, uiteenlopend van 1) informeren en adviseren, 2) faciliteren, 3) subsidiëren of belasten en 4) verbieden of verplichten. Advies aan de gemeente op basis van de analyse in deze paragraaf: * Adviseer en faciliteer volledig aardgasvrij, waar dit op korte termijn mogelijk is. Wat betreft energiebesparing en CO2-reductie zijn all-electric warmtepompen en de beide varianten warmtenet optimaal. Ook de hybride warmtepomp is een grote stap voorruit ten opzichte van een reguliere cv-ketels op aardgas maar de beschikbaarheid en betaalbaarheid van hernieuwbare gassen in de toekomst is onzeker.

* Maak een keuze per buurt, want niet kiezen is ook kiezen. Als de gemeente geen beleid voert, zal een groeiend deel van de inwoners en ondernemers autonoom voor een individuele all-electric of hybride warmtepomp kiezen. Daarmee vervalt uiteindelijk de haalbaarheid van een warmtenet en/of de haalbaarheid van het uitfaseren van het bestaande gasnet.

Het advies is om voor de programmapijler duurzame warmte gemeentelijke doelen te stellen op het vervangen van reguliere gasketels door duurzame hoofdverwarmingsinstallaties. Concreet maken en monitoren van dergelijke doelen vereist passende indicatoren. In Tabel 6 zijn

35

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

verschillende indicatoren beschreven en beoordeeld op bruikbaarheid, beschikbaarheid en accuratesse van data en aansluiting bij overig relevant beleid en/of relevante beleidsstukken. Tabel 6 Indicatoren duurzame warmte Mogelijke indicatoren en bruikbaarheid

Beschikbaarheid

Relevantie

en accuratesse data % objecten gasvrij | Het aandeel van het totale aantal

Data is op buurtniveau

Toont de resterende

verblijfsobjecten dat over aardgasvrije hoofdverwarming

beschikbaar voor

opgave om duurzame

beschikt is een directe indicator van de geadviseerde

woningen, dus niet voor

hoofdverwarmings-

doelstelling op deze programmapijler.

alle verblijfsobjecten.

installaties te plaatsen.

Resterend aardgasverbruik per buurt | De ontwikkeling in

Data is op buurtniveau

Geeft inzicht in de kansen

het gasverbruik per buurt geeft een indicatie van

beschikbaar.

om het aardgasnet per

besparingen op aardgas, die het gevolg kunnen zijn van

buurt uit te faseren.

verbeteringen in de schil en/of vervanging van gasketels.

Beleidsadvies | Het advies aan de gemeente is om het percentage van het aantal gasvrije verblijfsobjecten als primaire indicator te hanteren op de programmapijler duurzame warmte. Het resterende aardgasverbruik per buurt is een geschikte overkoepelende indicator voor de pijlers energiebesparing en duurzame warmte samen. Overwegingen bij doelen op duurzame warmte | Tabel 7 toont de beoogde startjaren voor buurtuitvoeringsplannen en het aandeel van de verblijfsobjecten dat per buurtuitvoeringsplan aan bod komt [Aanvullende warmtekaders bij TVW Baarn, 2022]. Aangenomen is dat de transitie naar duurzame warmte per buurt uiterlijk 10 jaar na de in Tabel 7 aangenomen start van het buurtuitvoeringsplan voltooid is. In wijken die niet of nog niet aan bod komen in een buurtaanpak zal daarnaast een deel van de objecten al eerder (autonoom) overstappen op (hybride) warmtepompen, zoals beschreven in 2.4.1. Tabel 7 Beoogd startjaar voor buurtuitvoeringsplannen (aanvullende warmtekaders Baarn). Planning

Aantal panden

Cumulatief (% t.o.v. totaal)

Warmtetransitie voltooid

2022-2025

646

7%

2035

2025-2030

2957

36%

2040

2030-2035

2000

56%

2045

2035-2040

2949

86%

2050

Na 2040 (of natuurlijk moment)

1368

100%

2050

Eindtotaal

9920

voor deze panden in

Beleidsadvies | De geadviseerde beleidsdoelen beschreven in de inleiding van hoofdstuk 2 zijn het resultaat van de analyse in deze paragraaf.

Net als in het kader van energiebesparing ligt het ook bij beleid op de programmapijler duurzame warmte voor de hand om in wijken en buurten te denken bij de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Als input voor gemeentelijke beleidsvorming op de programmapijler Duurzame warmte zijn in deze paragraaf relevante kentallen voor de gebouwde omgeving in Baarn in kaart gebracht, uitgesplitst op wijk- en buurtniveau. 36

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

Hoofdverwarmingsinstallaties | Op basis van CBS-data over woningen in 2021: * Individuele aardgasketels zijn de norm. 90% van de woningen in Baarn heeft een gasketel als hoofdverwarming en er is in Baarn geen buurt zonder gasketels, zie Figuur 27. * Blokverwarming heeft in enkele buurten substantieel aandeel, zie Figuur 28. De verwachting is dat dit uitsluitend aardgasgestookte blokverwarming betreft. * Stadsverwarming is in Baarn nog in het geheel niet aan de orde. * Individuele warmtepompen (hybride en all-electric samen) zijn in 1% van de woningvoorraad aanwezig. In de buurten Schoonoordpark (11%) en de verspreide huizen in Lage Vuursche (17%) is het aandeel all-electric warmtepompen al substantieel. In overige buurten blijft dit aandeel steken tussen 0 en 4%, zie Figuur 29. * Voor 5% van de woningvoorraad is bij het CBS niet bekend welke hoofdverwarming geïnstalleerd is. Met name de buurten Centrum (13%), Amaliapark (10%) en in het buitengebied is niet bekend hoe woningen verwarmd zijn, zie Figuur 30.

Figuur 27 Aandeel gasketels per buurt in 2021 (CBS)

Figuur 28 Aandeel blokverwarming per buurt in 2021 (CBS)

37

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

Figuur 29 Aandeel (hybride en all-electric) warmtepompen per buurt in 2021 (CBS)

Figuur 30 Aandeel verwarmingsinstallatie niet bekend in 2021 (CBS)

Restlevensduur aardgasnet | In alle buurten van Baarn is een aardgasnet aanwezig. Geplande vervangingen aan en de restlevensduur van het gasnet kunnen een aanleiding zijn om de transitie naar duurzame warmte in een buurt te prioriteren. Figuur 31 toont de restlevensduur van het gasnet op basis van open data van netbeheerder Stedin.

38

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

Figuur 31 Restlevensduur aardgasnet

Gevolgtrekking voor beleid | Het aandeel objecten met aardgasketels in Baarn lag in 2021 boven het Nederlands gemiddelde. Warmtepompen hebben een beperkt aandeel en de warmtepompen zijn niet in enkele buurten geconcentreerd. Aansluiten van blokverwarming op eventuele stadswarmte is mogelijk. Vanuit de huidige aanwezige hoofdverwarmingsinstallaties bezien is er geen wijk waar nu al ‘te veel’ warmtepompen zijn geïnstalleerd om nog een warmtenet te overwegen.

Gegeven de doelstellingen voor de gebouwde omgeving in de gehele gemeente Baarn (paragraaf 1.2) en de inventarisatie van de huidige situatie per buurt zijn er verschillende beleidsscenario’s en subscenario’s denkbaar om de doelen te bereiken. In dit hoofdstuk zijn een aantal van deze scenario’s geschetst en vergeleken op: 1. Kosten. Hierbij zijn de investeringskosten en de vermeden energiekosten uitgezet in de tijd. 2. Uitvoerbaarheid. Aandacht voor de technische uitvoerbaarheid; beschikbaarheid van arbeid. 3. Opbrengsten. Overzicht van de bereikte energiebesparing en CO2-reductie. Met beleid op de programmapijler duurzame warmte kan de gemeente Baarn het tempo en de volgorde van het uitfaseren van aardgas als energiedrager voor warmteproductie beïnvloeden. Voor een deel van de gebouwde omgeving heeft het gemeentelijk beleid ook invloed op de keuze van de uiteindelijke warmteoplossing per buurt. De scenario’s en de onderlinge verschillen tussen de scenario’s verschaffen inzicht in de voor- en nadelen van denkbaar beleid op de programmapijler duurzame warmte.

Om een goed vergelijk tussen de scenario’s mogelijk te maken, zijn de volgende aspecten per scenario bewust gelijk gehouden, tenzij expliciet is gemaakt dat en waarom is afgeweken. Uitvoerbaarheid | Het aantal installaties van warmtepompen neemt de afgelopen jaren sterk toe, tot naar verwachting 120.000 stuks (hybride en all-electric samen) in bestaande bouw in 2023 in heel Nederland. Ook worden jaarlijks ruim 400.000 reguliere cv-ketels vervangen. Op basis daarvan is de aanname dat jaarlijks tot 750 installaties van warmtepompen haalbaar zijn in Baarn. 39

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

Deze aanname is overgenomen voor warmtenetaansluitingen. Aangenomen is verder dat de buurtaanpak voor duurzame warmte volgt op de buurtaanpakken voor energiebesparing, om zo de installatie van warmtepompen of warmtenetten ook qua gebouwschil mogelijk te maken. De aangenomen 10 jaar tussen de start van een buurtaanpak en het voltooien daarvan zou moeten volstaan. Gegeven een gefaseerde uitrol van maximaal 750 warmtepompen per jaar en/of de bouw van een centrale aquathermie installatie voor een warmtenet op zijn vroegst na 2030 is aangenomen dat netcongestie (op afname) geen belemmering voor de uitrol vormt. Schaalbaarheid warmtenet | Aquathermie met de Eem als bron is haalbaar verondersteld vanaf 500 aansluitingen, met een maximumpotentie van 1500 (goed geïsoleerde) woningequivalenten. Aansluiten van meer warmtenetaansluitingen vereist realisatie van aanvullende duurzame warmtebronnen, zoals bijvoorbeeld geothermie, zonthermie, warmtekoudeopslag en/of een centrale lucht-waterwarmtepomp. Aangenomen is dat het elektriciteitsverbruik per kWh geleverde warmte voor deze aanvullende bronnen gelijk is aan het verbruik bij aquathermie. Op het bedrijventerrein Noordschil is een lokaal warmtenet op basis van restwarmte van een van de gevestigde bedrijven een optie.

Warmtenet alleen in buurten met hoge dichtheid | In de aanvullende kaders bij de Transitievisie Warmte (oktober 2022) is voor alle buurten in Baarn de verwachte warmteoplossing geïnventariseerd. Voor de verblijfsobjecten in het buitengebied is een warmtenet niet realistisch, vanwege de lage woningdichtheid en hoge kosten. Een individuele warmtepomp is daarom als meest waarschijnlijke oplossing voorzien. Voor de overige buurten, weergeven in paars in Figuur 32, is zowel een individuele als een collectieve duurzame warmtevoorziening denkbaar.

Figuur 32 Verwachte warmte-oplossing per buurt

Autonome ontwikkeling | Ook als de gemeente Baarn geen inspanningen levert op de programmapijler duurzame warmte zullen objecteigenaren op eigen initiatief en/of als gevolg van nationaal beleid investeren in de duurzame verwarmingsinstallaties. Hiertoe zijn vanuit het Rijk subsidies en financieringsmogelijkheden beschikbaar. Ook werkt het Rijk aan een verbod op het installeren van nieuwe cv-ketels, tenzij deze onderdeel zijn van een hybride warmtepomp. Aangenomen is dat dit verbod zoals voorgenomen op 1 januari 2026 ingaat. Daarnaast vormen recent hoge aardgasprijzen een extra prikkel om objecten versneld te verduurzamen, met een trendbreuk in het aantal geïnstalleerde warmtepompen als gevolg. Dit maakt het lastig een autonome ontwikkeling in te schatten. De scenario’s zijn opgesteld aan de hand van de volgende grove aannames: 40

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

*

* *

*

In de objecten waar een reguliere gasketel autonoom wordt uitgefaseerd, komt daarvoor in 50% van de gevallen een all-electric en in 50% van de gevallen een hybride warmtepomp voor in de plaats. In de jaren 2024 en 2025 maakt jaarlijks 1,5% van de bestaande woningvoorraad met een gasaansluiting autonoom deze overstap. Vanaf 2026 maakt jaarlijks 7 procentpunt van de resterende bestaande woningvoorraad met een gasaansluiting deze overstap. Dit op basis van vervanging van gasketels bij einde levensduur en een gemiddelde levensduur van 15 jaar. Aangenomen is dat vanaf 2040 geen reguliere gasketels meer geïnstalleerd zijn.

Start- en eindsituatie | Technisch is het mogelijk om vrijwel alle bestaande verblijfsobjecten te renoveren tot schillabel B en zo geschikt te maken voor lagetemperatuurverwarming. In de praktijk zal dat lang niet met alle objecten gebeuren, bijvoorbeeld omdat de investering niet opweegt tegen de behaalde energiebesparing of omdat eisen aan het behoud van monumentale waarde een al te grote schilsprong verhinderen. Wel is de verwachting dat energieprijzen, subsidies en fiscaal beleid vanuit de rijksoverheid en/of Europa maken dat in zoveel mogelijk objecten voor volledige gasvrije verwarming gekozen wordt. Als uitgangspunt voor de scenario’s zijn de volgende aannames gedaan: * Alle objecten met schillabel E t/m C in 2023 zijn in 2050 overgestapt op een all-electric warmtepomp of hebben een warmtenetaansluiting. * Alle objecten met schillabel G of F in 2023 zijn in 2050 overgestapt op een hybride warmtepomp of hebben een warmtenetaansluiting. * Voor alle verblijfsobjecten die in 2050 gebruik maken van hybride systeem, verbruikt de gasketel groen gas, waterstof of een mix van beide duurzame gassen. Geen sloop of nieuwbouw | Aangenomen is dat de huidige verblijfsobjecten in Baarn tot 2050 behouden blijven.

In de praktijk zal de renovatieopgave kleiner zijn, omdat een onbekend deel van de objecten wel uit de voorraad onttrokken wordt, bijvoorbeeld door brand, waterschade of herontwikkeling. Projectontwikkeling - bijvoorbeeld de Baarnsche Zoom - is buiten beschouwing gehouden omdat nieuwbouw (conform bouwbesluit) al bij oplevering aardgasvrij is. Aanpak per buurt | In lijn met de Transitievisie Warmte en nationaal beleid geldt een aanpak per wijk of buurt als uitgangspunt voor de scenario’s. Aangenomen is dat alle objecten in een buurt systematisch worden verduurzaamd alvorens de buurtaanpak in een volgende buurt te starten. CO2-reductie op basis van gemiddelde elektriciteitsmix | Bij het bepalen van de CO2-reductie per scenario is op basis van [CO2-emissiefactoren.nl] aangenomen dat warmteproductie in een gasketel 0,24 kg CO2/kWh veroorzaakt. Voor het elektriciteitsverbruik van individuele warmtepompen en aquathermie is aangenomen dat de gemiddelde uitstoot lineair daalt van 0,34 kg CO2/kWh in 2022 tot 0 in 2035 (conform voorgenomen rijksbeleid). Gegeven de in paragraaf 2.1 aangenomen rendementen ontwikkelt de CO2-uitstoot per kWh geleverde warmte per duurzame verwarmingsinstallatie zich zoals weergegeven in Figuur 33.

41

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

CO2-uitstoot per kWh warmte [kg CO2-eq/kWh]

0.25 0.2 0.15 0.1 0.05 0 2023

2028

2033

Gas

Hybride

All-electric

2038

2043

Warmtenet LT

2048 Warmtenet HT

Figuur 33 Verloop van CO2-uitstoot per kWh geleverde warmte

In dit scenario vindt het verduurzamen van de warmtevoorziening in de gebouwde omgeving uitsluitend plaats op basis van externe ontwikkelingen waar de gemeente Baarn geen invloed op heeft. Dit scenario dient als nulscenario om (de omvang van) de voordelen van de scenario’s waarin de gemeente wel een actieve rol neemt tegen af te zetten. Scenario-uitwerking | In dit scenario is de in paragraaf 1.4.1 aangenomen autonome ontwikkeling van hybride en all-electric warmtepompen de enige drijver van verduurzaming. Vanaf 2050 stookt de ketel van de resterende hybride warmtepompen duurzaam gas. Opbrengsten | Figuur 34 toont de ontwikkeling in de hoofdverwarmingsinstallaties voor alle objecten in Baarn als gevolg van dit scenario. In 2030 en 2040 is respectievelijk 20% en 51% van de in 2023 bestaande verblijfsobjecten aardgasvrij gemaakt, waarmee de in paragraaf 2.2 vastgestelde doelen in dit scenario niet worden behaald. 14000

Aantal aansluitingen

12000 10000 8000 6000 4000 2000 0

Gasketel

Hybride warmtepomp

All-electric warmtepomp

Figuur 34 Ontwikkeling in hoofdverwarmingsinstallaties per jaar

42

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

Warmtenet

Analyse van uitvoerbaarheid | In de praktijk zal een groot deel van de autonome vervangingen door incidenten gedreven worden, bijvoorbeeld een sterke stijging van de energieprijs of een koude winter. Als de gemiddeld aangenomen jaarlijkse vervangingen in de praktijk in schokken van bijvoorbeeld 5 jaar verlopen, zal dit de uitvoerbaarheid sterk bemoeilijken. Dit heeft dan vrijwel zeker ook invloed op de kosten, vanwege tijdelijke schaarste aan materialen en vakmensen. De aangenomen - door het Rijk afgedwongen - versnelling tussen 2040 en 2050 is alleen uitvoerbaar als vrijwel alle overige gemeenten wel beleid voeren om al voor 2040 een groot deel van de gebouwde omgeving aardgasvrij te maken.

In dit scenario zet de gemeente in op het systematisch aardgasvrij maken van buurten waarbij reguliere gasketels worden vervangen door een individuele all-electric warmtepomp (voor alle objecten met aanvangstschillabel E t/m B) of een hybride warmtepomp (voor alle objecten met aanvangstschillabel F of G). Scenario-uitwerking | De buurtaanpak volgt de planning zoals opgesteld in de aanvullende kaders bij de Transitievisie Warmte, zoals weergegeven in Figuur 35. De aanname is dat de transitie per buurt 8 jaar na het afronden van de geplande buurtaanpak voltooid is. Tot het moment dat de buurtaanpak per buurt start, loopt de in paragraaf 2.4.1 aangenomen autonome ontwikkeling door. Dit geldt ook voor de buurten die voor 2040 niet aan bod komen in een buurtaanpak. Vanaf 2050 stoken alle dan resterende hybride warmtepompen duurzaam gas. Figuur 36 35 Planning aardgasvrij, individueel

Opbrengsten | Figuur 37 toont de ontwikkeling in de hoofdverwarmingsinstallaties voor alle objecten in Baarn als gevolg van dit scenario. In 2030 en 2040 is respectievelijk 33% en 76% van de in 2023 bestaande verblijfsobjecten aardgasvrij gemaakt, waarmee de in paragraaf 2.2 vastgestelde doelen in dit scenario worden behaald.

43

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

14000

Aantal aansluitingen

12000 10000 8000 6000 4000 2000 0

Gasketel

Hybride warmtepomp

All-electric warmtepomp

Warmtenet

Figuur 37 Ontwikkeling in hoofdverwarmingsinstallaties per jaar

Analyse van uitvoerbaarheid | De uitvoerbaarheid van deze buurtaanpak is afhankelijk van de ontwikkeling in de schillabels en de realisatie van lagetemperatuurafgiftesystemen in de objecten per buurt. De keuze voor dit scenario voor duurzame warmte moet daarom afgestemd zijn met een scenario voor de programmapijler energiebesparing dat hierop aansluit. Dit wordt haalbaar geacht gegeven de 10 jaar die per buurt genomen wordt om alle objecten aardgasvrij te maken.

In dit scenario zet de gemeente in op het systematisch aardgasvrij maken van buurten, waarbij reguliere gasketels worden vervangen door een collectief ZLT-warmtenet in combinatie met een individuele of blokboosterwarmtepomp. Voor objecten met schillabel B of beter is een gecombineerde COP van 4 aangenomen. Voor objecten met een schillabel lager dan B is de aangenomen COP 3. De aanname is dat alle objecten op het moment van aansluiten schillabel D of beter bereikt hebben, zodat verwarmen met 70 graden of lager volstaat. Scenario-uitwerking | De buurtaanpak volgt de planning zoals opgesteld in de aanvullende kaders bij de Transitievisie Warmte, zoals weergegeven in Figuur 38. De aanname is dat de transitie per buurt lineair verloopt en 10 jaar na het afronden van de buurtaanpak voltooid is. Tot het moment dat de buurtaanpak per buurt start, loopt de in paragraaf 2.4.1 aangenomen autonome ontwikkeling door. Dit geldt ook voor de buurten die niet aan bod komen in een buurtaanpak. Vanaf 2050 stoken alle dan resterende hybride warmtepompen duurzaam gas. Figuur 38 Planning aardgasvrij, collectief

44

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

Opbrengsten | Figuur 39 toont de ontwikkeling in de hoofdverwarmingsinstallaties voor alle objecten in Baarn als gevolg van dit scenario. In 2030 en 2040 is respectievelijk 33% en 81% van de in 2023 bestaande verblijfsobjecten aardgasvrij gemaakt, waarmee de in paragraaf 2.2 vastgestelde doelen in dit scenario worden behaald. 14000

Aantal aansluitingen

12000 10000 8000 6000 4000 2000 0

Gasketel

Hybride warmtepomp

All-electric warmtepomp

Warmtenet

Figuur 39 Ontwikkeling in hoofdverwarmingsinstallaties per jaar

Analyse van uitvoerbaarheid | De uitvoerbaarheid van deze buurtaanpak is afhankelijk van de ontwikkeling in de schillabels in de objecten per buurt. De keuze voor dit scenario voor duurzame warmte moet daarom afgestemd zijn met een scenario voor de programmapijler energiebesparing dat hierop aansluit. Dit wordt haalbaar geacht gegeven de 8 jaar die per buurt genomen wordt om alle objecten aardgasvrij te maken.

Dit scenario is vrijwel identiek aan scenario 2. In afwijking van scenario 2 adviseert de gemeente objecteigenaren in de buurten die aan bod komen voor een buurtaanpak om geen warmtepompen te installeren. Dit om de businesscase voor het warmtenet aantrekkelijker te maken. Aangenomen is dat de eigenaren van de betreffende objecten inderdaad de aanleg van het warmtenet afwachten. Defecte gasketels worden bij uitzondering vervangen met tweedehands ketels uit de buurten waarin reeds een warmtenet is gerealiseerd. Opbrengsten | Figuur 40 toont de ontwikkeling in de hoofdverwarmingsinstallaties voor alle objecten in Baarn als gevolg van dit scenario. In 2030 en 2040 is respectievelijk 22% en 71% van de in 2023 bestaande verblijfsobjecten aardgasvrij gemaakt, waarmee het in paragraaf 2.2 vastgestelde doel voor 2030 niet maar dat voor 2040 net wel wordt behaald.

45

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

14000

Aantal aansluitingen

12000 10000 8000 6000 4000 2000 0

Gasketel

Hybride warmtepomp

All-electric warmtepomp

Warmtenet

Figuur 40 Ontwikkeling in hoofdverwarmingsinstallaties per jaar

Analyse van uitvoerbaarheid | De uitvoerbaarheid van deze buurtaanpak is afhankelijk van de ontwikkeling in de schillabels in de objecten per buurt. De keuze voor dit scenario voor duurzame warmte moet daarom afgestemd zijn met een scenario voor de programmapijler energiebesparing dat hierop aansluit. Dit wordt haalbaar geacht gegeven de 8 jaar die per buurt genomen wordt om alle objecten aardgasvrij te maken.

Figuur 41 toont voor de verschillende scenario’s de ontwikkeling van het percentage aardgasvrije objecten tot 2050. Dit percentage neemt het snelst toe met de buurtaanpakken op individuele of collectieve warmte (zonder ontmoediging). Het uiteindelijke percentage aardgasvrije objecten in 2050 is het hoogst in de beide warmtenetscenario’s, omdat objecten met schillabel D als aangenomen optimum wel volledig aardgasvrij worden met een warmtenetaansluiting maar een gasketel behouden als onderdeel van een hybride warmtepomp indien geen warmtenetaansluiting gerealiseerd wordt. In het autonome scenario blijven de meeste objecten ‘steken’ op een hybride warmtepomp en blijft het uiteindelijke gasverbruik het grootst.

46

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 2023

2028

2033

2038

2043

2048

Autonome ontwikkeling Buurtaanpak op individuele warmtepomp Buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing Buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing met ontmoediging individuele oplossing

Figuur 41 Percentage aardgasvrije objecten

Figuur 42, Figuur 43 en Figuur 44 tonen de verdeling objecten naar warmtetoestellen in 2030, 204 en 2050. Hier valt op dat in scenario 3 in 2030 en 2040 nog meer reguliere gasketels overblijven dan in het autonome scenario. Uiteindelijk bereikt scenario 3 (samen met scenario 2) in 2050 wel het hoogste aandeel gasvrije objecten. Voordeel van scenario 3 ten opzichte van scenario 2 is dat uiteindelijk 1878 meer warmtenetaansluitingen gerealiseerd worden. Dit resulteert in een betere benutting van de collectieve infrastructuur en een betere businesscase voor het warmtenet. 14000 12000 10000 8000 6000 4000 2000 0 gasketel

hybride

all-electric

warmtenet

Situatie in 2023 Autonome ontwikkeling Buurtaanpak op individuele warmtepomp Buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing Buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing met ontmoediging individuele oplossing

Figuur 42 Verdeling objecten naar warmtetoestellen in 2030

47

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

14000 12000 10000 8000 6000 4000 2000 0 gasketel

hybride

all-electric

warmtenet

Situatie in 2023 Autonome ontwikkeling Buurtaanpak op individuele warmtepomp Buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing Buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing met ontmoediging individuele oplossing

Figuur 43 Verdeling objecten naar warmtetoestellen in 2040 14000 12000 10000 8000 6000 4000 2000 0 gasketel

hybride

all-electric

warmtenet

Situatie in 2023 Autonome ontwikkeling Buurtaanpak op individuele warmtepomp Buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing Buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing met ontmoediging individuele oplossing

Figuur 44 Verdeling objecten naar warmtetoestellen in 2050

Energiebesparing en CO2-reductie | Figuur 45, Figuur 46 en Figuur 47 tonen respectievelijk de ontwikkeling in het aardgasverbruik, elektriciteitsverbruik en de CO2-uitstoot voor elk van de scenario’s. Onderliggend aan deze grafieken is het autonome scenario voor energiebesparing (1.4.2) aangenomen. De prestaties op deze aspecten zijn voor scenario 1 en 2 nagenoeg gelijk. Het nadeel van het ontmoedigen van de autonome installatie van (hybride) warmtepompen in scenario 3 is dat het gasverbruik (Figuur 45) en de CO2-uitstoot (Figuur 47) daarmee het minst snel dalen, ook minder 48

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

snel dan in het autonome scenario waarin de gemeente geen inspanning levert op de verduurzaming van warmtetoestellen. Naar verwachting daalt het gasverbruik ten opzichte van 19,6 miljoen m3 in 2023 autonoom tot 12,8 miljoen m3 in 2030 (35% minder) in scenario 0, tot 11,1 miljoen m3 (43% minder) in scenario 1 en 2 en tot 14,9 miljoen m3 (24% minder) in scenario 3. In alle scenario’s neemt het elektriciteitsverbruik voor verwarming tot 2040 toe met het installeren van collectieve of individuele elektrische warmtetoestellen. In de buurtaanpak op collectieve warmte (Scenario 2) bereikt het elektriciteitsverbruik voor warmte in 2040 de grootste piek, namelijk 44.420.000 kWh. Tussen 2040 en 2050 daalt vervolgens de warmtebehoefte door een in het onderliggende scenario (1.4.2) aangenomen -versnelling van de verbetering van schillabels. Dit resulteert in een dalend elektriciteitsverbruik voor warmte vanaf 2040, tot tussen de 34.000.000 en 37.000.00 kWh. Ter referentie, het totale elektriciteitsverbruik in Baarn was in 2021 74.440.000 kWh. Het elektriciteitsverbruik gerelateerd aan warmte voegt dus in piekjaar 2040 60% toe aan het huidige elektriciteitsverbruik in de gemeente. 20000000 18000000

Gasgebruik [m3]

16000000

14000000 12000000 10000000 8000000 6000000 4000000 2000000 0 2023

2028

2033

2038

2043

2048

Autonome ontwikkeling Buurtaanpak op individuele warmtepomp Buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing Buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing met ontmoediging individuele oplossing

Figuur 45 Gasgebruik over de jaren heen

49

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

Elektriciteitsgebruik voor ruimteverwarming en tapwater [kWh]

50000000 45000000 40000000 35000000 30000000 25000000 20000000 15000000 10000000 5000000 0 2023

2028

2033

2038

2043

2048

Autonome ontwikkeling Buurtaanpak op individuele warmtepomp Buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing Buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing met ontmoediging individuele oplossing

Figuur 46 Elektriciteitsgebruik voor ruimteverwarming en tapwater 80000

CO2-uitstoot [ton CO2-eq]

70000 60000 50000 40000 30000

20000 10000 0 2023

2028

2033

2038

2043

2048

Autonome ontwikkeling Buurtaanpak op individuele warmtepomp Buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing Buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing met ontmoediging individuele oplossing

Figuur 47 CO2-uitstoot door de jaren heen

Uitgaven aan energie en verduurzaming in de tijd | In Figuur 48 is voor de gebouwde omgeving als geheel per scenario een ruwe inschatting van de investeringen in verwarmingsinstallaties, isolatie (conform 1.4.2) en zonnepanelen (conform 3.4.2) gegeven, samen met de (afnemende) energiekosten. Dit op basis van de volgende aannames: * Kosteninschattingen voor renovaties voor verschillende gebouwtypen en schillabelstappen zijn overgenomen uit Vesta MAIS versie 5.0 [2021]. * Aannames voor de investeringen in verwarmingstoestellen en zonnepanelen zijn beschreven in 2.1 respectievelijk 3.4.1. 50

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

*

Voor afgenomen en geproduceerde elektriciteit, aardgas en warmte is een prijspeil aangehouden van € 1,30/m3 voor aardgas en € 0,30/kWh voor elektriciteit. Voor warmte is de (naar GJ omgerekende) prijs van elektriciteit aangehouden. Stabiele kosten, zonder rente. In de praktijk variëren de kosten van bouwmaterialen, arbeid, rente, elektriciteit, gas en warmte van jaar tot jaar, door externe oorzaken waarop de gemeente geen invloed heeft. De belangrijkste parameter waarop de gemeente wel invloed heeft, is het moment in de tijd waarop investeringen plaatsvinden. Door aan te nemen dat de kosten voor renovaties en energie tot 2050 stabiel blijven en de rente buiten beschouwing te laten, ontstaat een indicatie van het voor- of nadeel van het versnellen van de renovaties of het voorruittrekken van bepaalde buurten.

*

€ 70,000,000

€ 70,000,000

€ 60,000,000

€ 60,000,000

€ 50,000,000

€ 50,000,000

€ 40,000,000

€ 40,000,000

€ 30,000,000

€ 30,000,000

€ 20,000,000

€ 20,000,000

€ 10,000,000

€ 10,000,000

€-

€-

Kosten isolatie

Kosten warmtebron

Kosten isolatie

Kosten warmtebron

Teruglevering terreinen (kWh)

Energiekosten

Totale kosten PV

Energiekosten

€ 70,000,000

€ 80,000,000

€ 60,000,000 € 60,000,000

€ 50,000,000 € 40,000,000

€ 40,000,000

€ 30,000,000 € 20,000,000

€ 20,000,000

€ 10,000,000 €-

€-

Kosten isolatie

Kosten warmtebron

Kosten isolatie

Kosten warmtebron

Totale kosten PV

Energiekosten

Totale kosten PV

Energiekosten

Figuur 48 Ontwikkeling van de kosten. Linksboven autonome ontwikkeling, rechtsboven buurtaanpak op individuele warmtepomp, linksonder buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing en rechtsonder buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing met ontmoediging individuele oplossing

In het autonome scenario valt de bulk van de investeringen in de warmtebron in de periode 20232040, daarna betreft het uitsluitend vervangingen van bestaande installaties. In de overige scenario’s zijn deze investeringen over een langere periode uitgesmeerd. Bij de scenario’s met een warmtenet zijn de investeringen hoger door de hogere aansluitkosten per object. Figuur 49 toont per scenario de som van de in Figuur 48 weergegeven kosten. In de scenario’s met een warmtenet zijn de kosten gedurende langere tijd wat hoger door de hogere investeringskosten, de energiekosten tussen de scenario’s zijn maar beperkt verschillend.

51

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

€ 80,000,000 € 70,000,000 € 60,000,000 € 50,000,000 € 40,000,000 € 30,000,000 € 20,000,000 € 10,000,000 €2023

2028

2033

2038

2043

2048

Autonome ontwikkeling Buurtaanpak op individuele warmtepomp Buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing Buurtaanpak op collectieve duurzame warmteoplossing met ontmoediging individuele oplossing

Figuur 49 Som van de kosten in de tijd (energiekosten + investeringskosten)

52

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

3.

Waarom duurzame elektriciteitsopwekking | In de Nederlandse klimaatwet is vastgelegd dat Nederland in 2030 en 2050 49% respectievelijk 95% minder broeikasgassen moet uitstoten dan in referentiejaar 1990. Elektriciteitsproductie in kolen- en gascentrales heeft op dit moment een significant aandeel in de Nederlandse broeikasgasuitstoot. Duurzame elektriciteitsopwekking verkleint allereerst de inzet van kolen- en gascentrales. Daarnaast is elektrificatie van warmteproductie, mobiliteit en industrie in deze sectoren een belangrijke route voor broeikasgasreductie. Hiervoor is extra elektriciteit nodig, en die moet duurzaam zijn. In lijn met het Nederlands Klimaatakkoord (2019) ligt een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid voor duurzame elektriciteit in 30 energieregio’s. Baarn is onderdeel van de Energieregio Amersfoort. Uitgangspunten uit het coalitieakkoord | Het college richt zich op het maximaliseren van zonnepanelen op daken van huizen, overheidsgebouwen, bedrijfspanden en parkeerterreinen. Op basis daarvan blijkt wat aanvullend nog nodig is. Teruglevering van energie aan het elektriciteitsnet is de komende jaren beperkt mogelijk. Daarom ontwikkelt Baarn een gemeentelijke visie op individuele en collectieve energieopslag en -distributie. Besloten is om in deze raadsperiode geen zonneweides of windturbines op agrarische en/of natuurgronden te realiseren.

In de rest van dit hoofdstuk gaat de aandacht daarom uit naar benutting van daken en parkeerterreinen voor productie van zonnestroom. Geadviseerde beleidsdoelen | Het advies aan de gemeente op basis van de analyse in dit hoofdstuk is om de volgende (tussen)doelen te hanteren om het beleid op de programmapijler duurzame elektriciteit richting te geven en het succes van het opgestelde beleid te monitoren: * Aanvangssituatie. Eind 2022 was in Baarn op daken bijna 13.000 kilowattpiek aan zonnepanelen geïnstalleerd. Hiermee is 10% van het potentieel op daken reeds benut. * 2030. Minimaal 40.000 kilowatt geïnstalleerd vermogen, waaronder minimaal 3 projecten gerealiseerd op parkeerterreinen, op water of grondgebonden langs infra. Dit doel steunt de (ingeschatte) voortgaande autonome groei. Inspanningen van de gemeente kunnen zich daarmee richten op enkele zichtbare energieprojecten. Paragraaf 0 verklaart het hoe en waarom van deze doelen.

Dankzij kostendalingen voor zonnepanelen, aantrekkelijke stimuleringsregelingen vanuit de rijksoverheid en relatief hoge elektriciteitsprijzen is de productie van zonnestroom op daken al jaren in opmars, ook in Baarn. Deze opmars kan de gemeente bevorderen met beleid op de programmapijler elektriciteitsopwekking. Per type ingreep zijn verschillende beleidsinstrumenten te overwegen, uiteenlopend van 1) informeren en adviseren, 2) faciliteren, 3) subsidiëren of belasten en 4) verbieden of verplichten. Zonnepanelen op eigen woning | Eigenaren van (grondgebonden) woningen laten op eigen initiatief zonnepanelen op eigen dak installeren. Ook voor eigen woningen binnen een VVE is plaatsen van zonnepanelen na afstemming vaak mogelijk, individueel of met de VVE samen. De salderingsregeling van de rijksoverheid maakt zonnepanelen vooralsnog zeer lucratief voor huiseigenaren. Het is op moment van schrijven onzeker of en wanneer de salderingsregeling afgebouwd wordt en hoe energieleveranciers daarop reageren. De verwachting is dat de rijksoverheid de installatie van zonnepanelen wil blijven bevorderen en de investering dus lucratief houdt. Zonnepanelen op private huurwoning | Bij huurwoningen komt de opbrengst van en de vermeden energiebelasting door zonnepanelen toe aan de huurder maar is de huurder niet in de 53

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

positie om te investeren in zonnepanelen. Huurder en verhuurder kunnen wel tot een overeenkomst komen die voor beiden lucratief is. Zonnepanelen dragen bij aan het energielabel, dat voor huurwoningen uiterlijk in 2030 minimaal energielabel D moet zijn. Zonnepanelen op sociale huurwoning | Net als bij private huur speelt ook hier een splitincentive. Huurder en verhuurder kunnen wel tot een overeenkomst komen die voor beiden lucratief is. Zonnepanelen dragen bij aan het energielabel, dat voor huurwoningen uiterlijk in 2030 minimaal energielabel D moet zijn. Zonnepanelen op bedrijfsvastgoed | Kantoren, productielocaties, winkels en boerderijen kunnen zowel in eigendom van de gebruiker als verhuurd zijn. Salderen op kleinverbruikersaansluitingen is vooralsnog ook voor bedrijven mogelijk. Voor grotere projecten is er de SDE++ regeling vanuit de rijksoverheid. Zonnepanelen dragen bij aan het energielabel, dat voor kantoren uiterlijk in 2023 minimaal energielabel C moet zijn. Zonnepanelen op maatschappelijk vastgoed | Scholen, zwembaden, zorgvastgoed en gemeentelijke kantoren kunnen zowel in eigendom van de gemeente als verhuurd zijn. Salderen op kleinverbruikersaansluitingen is vooralsnog ook hier mogelijk. Voor grotere projecten is er de SDE++ regeling vanuit de rijksoverheid.

Zonnepanelen dragen bij aan het energielabel, dat voor kantoren uiterlijk in 2023 minimaal energielabel C moet zijn. Zonnepanelen op parkeerterreinen | De verharding van grotere parkeerterreinen is door de gemeente geïdentificeerd als kansrijk voor installatie van zonnepanelen. Parkeerterreinen kunnen in eigendom van bedrijven of van de gemeente zijn. Voor zonnepanelen op parkeerterreinen is er de SDE++ regeling vanuit de rijksoverheid. Een verplichting om parkeerterreinen vanaf een bepaalde grote te benutten voor zonnestroomproductie wordt vanuit de rijksoverheid overwogen. Grondgebonden zonnepanelen | In de het uitnodigingskader zonne- en windenergie is ruimte geïdentificeerd voor 159 hectare aan zonnepanelen, 40 hectare daarvan alleen beschikbaar onder aanvullende voorwaarden. In het coalitieakkoord is besloten om in de huidige raadsperiode (20222026) geen zonneparken te realiseren op landbouw- of natuurgrond. Nader onderzoek voor plannen die een volgende coalitie (na 2026) eventueel kan vergunnen is wel mogelijk. Al daarvoor zijn mogelijk enkele hectares grondgebonden zonnepanelen te ontwikkelen langs infrastructuur. Vraagsturing en energieopslag | Het aanbod van zonnestroom is weersafhankelijk.

Flexibele aansturing van elektriciteitsgebruik, bijvoorbeeld bij het opladen van elektrische auto’s of het bereiden van warm tapwater, kan helpen om meer zonnestroom te integreren in het energiesysteem. Ook energieopslag kan de benutting van zonnestroom optimaliseren. Beleidsadvies | Advies aan de gemeente op basis van de analyse in deze paragraaf: * Bij maatschappelijk vastgoed ligt er voor de gemeente een natuurlijke rol om het nog resterende potentieel voor zonnepanelen te benutten. * Voor het overige potentieel is het niet vanzelfsprekend dat de gemeente beleidsinstrumenten inzet om de installatie van zonnepanelen te vergroten. De subsidies vanuit het Rijk maken zonnepanelen al zo aantrekkelijk dat forse investeringen in het elektriciteitsnet nodig zijn om de zonnestroom te kunnen verwerken.

54

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

Het advies is om voor de programmapijler duurzame elektriciteitsproductie gemeentelijke doelen te stellen op de benutting van het totale potentieel en specifiek op de benutting van daken van sociale en particuliere huurwoningen. Concreet maken en monitoren van dergelijke doelen vereist passende indicatoren. In Tabel 8 zijn verschillende indicatoren beschreven en beoordeeld op bruikbaarheid, beschikbaarheid en accuratesse van data en aansluiting bij overig relevant beleid en/of relevante beleidsstukken. Tabel 8 Indicatoren duurzame elektriciteit Mogelijke indicatoren en Bruikbaarheid

Beschikbaarheid

Relevantie

en accuratesse data Kilowatt opgesteld vermogen zonnepanelen | Geeft direct

Beschikbaar via CBS,

Relevant voor energie- en

aan hoeveel vermogen aan zonnepanelen in Baarn

maar niet alle installaties

klimaatdoelen.

geïnstalleerd is.

worden gemeld.

% verblijfsobjecten met zonnepanelen | Geeft een

Beschikbaar via CBS,

Relevant vanuit sociale

indicatie van het aantal huishoudens dat ‘meedoet’ en

maar niet alle installaties

cohesie.

profiteert van eigen zonnestroom.

worden gemeld.

% dakoppervlak benut | Geeft een indicatie van het

Inschatting via RVO.

benutte en nog beschikbare potentieel voor zonnepanelen

Relevant voor energie- en klimaatdoelen.

op bestaande daken. % energieverbruik gedekt met lokale duurzame

Beschikbaar via CBS,

Relevant voor energie- en

elektriciteit | Bijdrage van zonnepanelen (en in de

maar niet alle installaties

klimaatdoelen.

toekomst mogelijk andere bronnen) aan het

worden gemeld.

energieverbruik in de gemeente.

Beleidsadvies | Het advies aan de gemeente is om het geïnstalleerd vermogen als indicator te hanteren. Dit laat ruimte om een doel te zetten dat de potentie op daken overstijgt, terwijl optimale benutting van daken ook daar direct aan bij draagt. Overwegingen bij doelen op duurzame elektriciteit | De nationaal en regionaal sterke groei van zonnepaneleninstallaties van de afgelopen jaren is gerealiseerd zonder gemeentelijke doelen. Er resteert nog veel potentie én veel autonome animo voor de installatie van zonnepanelen, op daken, op parkeerterreinen en op geschikte locaties voor grondgebonden zonneparken. Tegelijkertijd vormen netcongestie en de groeiende onbalans tussen vraag en aanbod van zonnestroom nationaal een uitdaging, waarop de gemeente niet of nauwelijks invloed heeft. Beleidsadvies | Het geadviseerde beleidsdoel beschreven in de inleiding van hoofdstuk 3 zijn het resultaat van de analyse in deze paragraaf.

Als input voor gemeentelijke beleidsvorming op de programmapijler Duurzame elektriciteit zijn in deze paragraaf relevante kentallen voor de gebouwde omgeving in Baarn in kaart gebracht. Sinds 2012 is het aantal zonnepaneleninstallaties in Baarn toegenomen van enkele tientallen tot 2904 in 2022, 94% daarvan op woningen (Figuur 50). Het geïnstalleerd vermogen in 2022 was in de voorlopige cijfers van het CBS 12.765 kilowatt [kW], 67% daarvan op woningen (Figuur 51). De figuren in de rest van deze paragraaf tonen gemiddelden van voor de programmapijler duurzame elektriciteitsproductie relevante kentallen per buurt. 55

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

Aantal installaties 3500

3000 2500 2000 1500 1000 500 0 2012

2013

2014

2015

2016

2017

Woningen

2018

2019

2020

2021 **

2022*

Overig

Figuur 50 Aantal zonnepaneleninstallaties

Opgesteld vermogen zonnepanelen (kWp) 14000 12000 10000 8000 6000 4000 2000

0 2012

2013

2014

2015

2016

2017

Woningen

2018

2019

2020

2021 **

2022*

Overig

Figuur 51 Geïnstalleerd vermogen zonnepanelen (in kWp, * en ** betreffen voorlopige CBS-cijfers).

Potentieel zonnepanelen op daken | Op basis van [RVO 2022] is in Figuur 52 in kaart gebracht welke bestaande daken in Baarn geschikt zijn voor installatie van zonnepanelen. Hierbij is uitgegaan van zonnepanelen met een vermogen van 0,2 kilowattpiek per vierkante meter en rekening gehouden met de oriëntatie en hellingshoek van schuine daken en de schaduwvorming op alle daken. Het totale potentieel op bestaande daken is 113.000 kilowattpiek (kWp). In 2022 was met 12.765 kWp dus al 11% van het potentieel op daken benut.

56

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

Figuur 52 Potentieel vermogen zonnepanelen op alle daken per buurt in kWp.

In Figuur 53 is het totaal potentieel weergegeven voor alle grotere daken (250 m2 of groter) samen. Het potentieel per dak overschrijdt hier het vermogen dat teruggeleverd kan worden op een kleinverbruikersaansluiting, waarmee salderen niet mogelijk is.

Figuur 53 Potentieel vermogen zonnepanelen op grote daken per buurt in kWp

Potentieel zonnepanelen op parkeerterreinen | Op basis van [OpenStreetMap] zijn in Figuur 54 alle parkeerterreinen groter dan 250 m2 in kaart gebracht. Voor het potentieel van zonnepanelen met een vermogen van 0,2 kilowattpiek per vierkante meter en een vulgraad van 70%. Dit resulteert voor alle parkeerterreinen samen in een aanvullend potentieel van bijna 27.000 kWp.

57

<

WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn

Figuur 54 Potentieel vermogen zonnepanelen op parkeerterreinen per buurt in kWp.

Potentieel grondgebonden zonnepanelen | In de het uitnodigingskader zonne- en windenergie Baarn is ruimte geïdentificeerd voor 159 hectare aan zonnepanelen, 40 hectare daarvan alleen beschikbaar onder aanvullende voorwaarden. Bij oost-westopstelling is het gezamenlijke extra potentieel voor grondgebonden zonnepanelen 159.000 kWp. Huidig geïnstalleerd vermogen | Op basis van [RVO/Klimaatmonitor] (bekend tot 2021) toont Figuur 55 hoeveel vermogen aan zonnepanelen er per buurt reeds geïnstalleerd is.

Figuur 55 Geïnstalleerd vermogen zonnepanelen op daken per buurt in kW (2020).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13642271/1