867405 Lokale Energie Strategie (LES) bijlage 2 Adviesdocument scenariostudie programmapijlers LES
Tekst van het document
<
Auteur
Thijs ten Brinck
Controle en vrijgave
Pieter Boon pieter@we-boost.nl +31 6 10 03 94 54
Projectcode
WBTr2023-003
Versienr
1.0
Datum
26 oktober 2023
Status
Definitief
Opdrachtgever
Gemeente Baarn
© We-Boost 2023 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van We-Boost.
> In het coalitieakkoord Samen Baarn (2022-2026) is de doelstelling opgenomen om in 2030 zoveel mogelijk klimaatneutraal te zijn. Conform nationaal klimaatbeleid beperkt Nederland als geheel in 2030 de uitstoot van broeikasgassen met ten minste 49% (t.o.v. 1990) en is Nederland uiterlijk in 2050 klimaatneutraal. Via onder meer de Regionale Energiestrategieën en Transitievisies Warmte valt een belangrijk deel van de nationale klimaatopgave binnen de verantwoordelijkheden van individuele gemeenten. Om deze verantwoordelijkheden in te vullen, werkt de gemeente Baarn aan een Lokale Energie Strategie (LES), met drie programmapijlers: 1) Energiebesparing, 2) Duurzame warmte en 3) Duurzame elektriciteit. Binnen elk van deze pijlers zijn keuzes te maken die invloed hebben op in hoeverre de doelen worden bereikt, en hoe snel die doelen worden bereikt. Dit rapport is opgesteld als achtergronddocument voor de op te stellen LES, en geeft de gemeente inzicht en handelingsperspectief inzake de opgaven, beleidsopties en tijdslijnen per programmapijler, met aandacht voor de raakvlakken en samenhang tussen de 3 programmapijlers en tussen nationaal en gemeentelijk beleid. De scope van dit onderzoek betreft uitsluitend de verduurzamingsopgaven in de gebouwde omgeving. Mobiliteit is daarmee bijvoorbeeld buiten beschouw gelaten.
Ook bedrijven met hun specifieke werkprocessen zijn buiten beschouwing gelaten, omdat die veelal een individuele maatwerkoplossing kennen in de duurzaamheidstransitie, afhankelijk van de branche.
Dit rapport geeft per programmapijler inzicht in de stuurinstrumenten en indicatoren waarop de gemeente de voortgang op de pijlers kan bewaken en een advies voor de door de gemeente vast te stellen beleidsdoelen. Per programmapijler zijn scenario’s onderzocht waarmee de doelen van de gemeente kunnen worden gerealiseerd. Hierbij is steeds een beleidsarm referentiescenario (autonome ontwikkeling) vergeleken met drie scenario’s waarin de gemeente een meer of minder actieve rol pakt om de transitie naar een duurzame samenleving te stimuleren. De onderzochte scenario’s staan in het overzicht hieronder:
Energiebesparing
Duurzame warmte
0. Beleidsarm
0. Beleidsarm
1.
1.
Eerst sociale huur
Warmtepomp
2. Eerst vergelijkbare gebouwen
2. Warmtenet en warmtepomp
3. Eerst de slechtst geïsoleerde gebouwen
3. Warmtenet en gerichte ontmoediging warmtepomp
Duurzame elektriciteit 0. Beleidsarm 1.
Stimuleren grote daken en parkeerterreinen 2. Maximaal op alle daken en parkeerterreinen 3. Maximaal op grote daken, parkeerterreinen en op land
Elk van de scenario’s is doorgerekend met rekenmodellen die ook het PBL hanteert voor het doorrekenen van de landelijke effecten van de transitie naar een duurzame gebouwde omgeving. Vervolgens zijn alle scenario’s vergeleken met het beleidsarme 0-scenario. 3
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
Beleidsarm 0-scenario (autonome ontwikkeling) De gemeente staat niet alleen in de energietransitie. Verschillende subsidieregelingen, financieringen en normeringen vanuit de rijksoverheid, provincie en Europa bieden woning- en objecteigenaren nu al kansen en prikkels om te verduurzamen. De hoge energieprijzen van de laatste jaren en blijvende onzekerheid over de ontwikkeling daarvan bieden daarbij extra motivatie. Ook zonder inspanningen van de gemeente zal daarom een aanzienlijk deel van de bewoners en ondernemers in Baarn autonoom investeren in isolatie, warmtepompen en zonnepanelen. Deze autonome ontwikkeling is gehanteerd als referentie voor de scenario’s waarin de gemeente wél een actieve rol neemt. De belangrijkste resultaten uit het aangenomen autonome scenario zijn per programmapijler hierna weergegeven: Energiebesparing
Duurzame warmte
Duurzame elektriciteit
Jaartal
Labels > B
Labels < E
Aardgasvrij
Gasgebruik
% Duurzame opwek
CO2-uitstoot
2023
29%
34%
2%
20 mln. m3
2%
68 kton
2030
37%
25%
20%
13 mln. m3
3%
39 kton
2040
45%
16%
51%
1 mln. m3
4%
3 kton
2050
88%
0%
51%
1 mln. m3
4%
3 kton
De belangrijkste bevindingen: 1. Ook zonder aanvullend beleid van de gemeente zal er worden geïnvesteerd in isolatiemaatregelen. In 2050 hebben bijna 9 van de 10 gebouwen in de gemeente Baarn naar verwachting een label B of beter. 2. Door de uitfasering van gasketels neemt het gasgebruik al sterk af. Er blijft sprake van enig aardgasgebruik zolang er sprake is van hybride warmtepompen. 3. Zonder aanvullend beleid van de gemeente is het percentage duurzame lokaal opgewekte energie laag, ook in 2050. 4. Door de CO2-reductie in de elektriciteitsvoorziening is in het autonome scenario al sprake van een sterke afname van de CO2-emissies in de gebouwde omgeving richting 2040. Impact op CO2-uitstoot in 2030. De totale CO2-uitstoot voor Baarn in 2021 was 118 kiloton (Klimaatmonitor). In de uitgangssituatie veroorzaakt de gebouwde omgeving - uitgaande van een gemiddeld weerjaar - jaarlijks 68 kiloton CO2-uitstoot, ofwel 58% van het totaal in 2021. De in het beleidsarme scenario voorziene maatregelen in de gebouwde omgeving resulteren in een CO2-reductie van 16% ten opzichte van de totale uitstoot in de gemeente in 2021. Hierna gaan we per programmapijler in op de gevolgen van aanvullend beleid. We vergelijken daarbij steeds de onderzochte scenario’s met het beleidsarme 0-scenario.
4
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
Energiebesparing De belangrijkste bevindingen staan in het samenvattend overzicht hieronder, waarin steeds per scenario is aangegeven hoeveel dat scenario op een aantal belangrijke indicatoren afwijkt van het beleidsarme 0-scenario. De vermelde CO2-reductie betreft de cumulatieve extra reductie ten opzichte van het autonome scenario, over de volledige periode tot 2050. Labels > B in 2040
Labels < E in 2040
CO2-reductie t/m 2050
+48%
-50%
2 kton
2. Eerst vergelijkbare gebouwen
+57%
-53%
3 kton
3. Eerst de slechtst geïsoleerde gebouwen
+50%
-62%
18 kton
Scenario 1.
Eerst sociale huur
De belangrijkste bevindingen: 1. Door te kiezen voor het clusteren van gebouwen is het mogelijk om de isolatie-opgave te versnellen: een aantrekkelijke optie bij het huidige gebrek aan personeel. 2. De meeste CO2-reductie is te boeken door in te zetten op het scenario waarbij eerst de slechtst geïsoleerde woningen worden aangepakt. Dit leidt uiteindelijk ook tot het kleinste aantal woningen met een slecht energielabel (E of lager). 3. Er zijn geen significante verschillen in de uiteindelijke kosten of besparingen tussen de scenario’s: in 2050 ontstaat een situatie die waarin de scenario’s niet onderscheidend zijn.
Duurzame warmte De belangrijkste bevindingen staan in het samenvattend overzicht hieronder, waarin steeds per scenario is aangegeven hoeveel dat scenario op een aantal belangrijke indicatoren afwijkt van het beleidsarme 0-scenario. De vermelde CO2-reductie betreft de cumulatieve extra reductie ten opzichte van het autonome scenario, over de volledige periode tot 2050. Aardgasvrij in 2040
Gasgebruik in 2040
CO2-reductie t/m 2050
+49%
-49%
79 kton
2. Warmtenet en warmtepomp
+59%
-61%
83 kton
3. Warmtenet en ontmoediging warmtepomp
+40%
+62%
-38 kton
Scenario 1.
Warmtepomp
De belangrijkste bevindingen: 1. De energiebesparing en milieuwinst bereikt met duurzame warmte-oplossingen is aanzienlijk groter dan bij uitsluitend isoleren. Dit vanwege het hoge energetische rendement van zowel individuele warmtepompen als collectieve warmtepompen voor warmtenetten. Het effect op de CO2-uitstoot is nog groter, omdat de uitstoot in de elektriciteitssector snel daalt. 2. Het ontmoedigen van individuele warmtepompen in afwachting van de realisatie van een warmtenet (scenario 3) gaat ten koste van energiebesparing en CO2-reductie op kortere termijn maar maakt de businesscase voor een warmtepomp wel zekerder. 3. Door de hogere kosten van een warmtenet zijn de totale (cumulatieve) maatschappelijke kosten alleen in het scenario waarbij iedereen kiest voor een (hybride) warmtepomp lager dan in het beleidsarme 0-scenario. 5
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
4. Er zijn geen significante verschillen in de uiteindelijke kosten of besparingen tussen de scenario’s: in 2050 ontstaat een situatie die waarin de scenario’s niet onderscheidend zijn. Wel zijn de besparingen op energiekosten (ten opzichte van het beleidsarme 0-scenario) in alle scenario’s zo’n 25% in 2050.
Duurzame elektriciteit De belangrijkste bevindingen staan in het samenvattend overzicht hieronder, waarin steeds per scenario is aangegeven hoeveel dat scenario op een aantal belangrijke indicatoren afwijkt van het beleidsarme 0-scenario (met uitzondering van het percentage duurzaam opgewekte energie, het weergegeven percentage is het aandeel lokaal opgewekte duurzame energie ten opzichte van het energieverbruik in 2021. In het beleidsarme 0-scenario is dat 4% in 2040). De vermelde CO2reductie betreft de cumulatieve extra reductie ten opzichte van het autonome scenario, over de volledige periode tot 2050. Scenario 1.
Stimuleren grote daken en parkeerterreinen 2. Maximaal op grote daken en parkeerterreinen 3. Maximaal op grote daken, parkeerterreinen en op land
Zonstroom in 2040
% Duurzame opwek 2040
CO2-reductie t/m 2050
+46 MW
12%
4 kton
+74 MW
17%
21 kton
+84 MW
18%
23 kton
De belangrijkste bevindingen: 1. Ook met volledig inzetten op zonnestroom is het niet mogelijk om alle in Baarn gebruikte energie lokaal op te wekken met zonnestroom. Naar verwachting is nog geen 20% van de totale energievraag met zonnestroom in te vullen, met alleen zon op dak is maximaal zo’n 10% van de (huidige) energievraag in te vullen. Zelfs als uitsluitend naar de elektriciteitsvraag van gebouwen wordt gekeken, dan is deze met zonnestroom op daken niet volledig in te vullen. 2. Een uitdaging met zonnestroom is de ongelijktijdigheid van vraag en aanbod (veel aanbod op momenten met weinig vraag). Vraagsturing, opslag en verzwaring van het elektriciteitsnet zijn daarom essentiële randvoorwaarden om een groei in zonnestroom te verwezenlijken én een positieve businesscase voor zonnestroom te houden. Grootschalige elektriciteitsproductie. De scenario’s in dit rapport gaan uit van de potentie voor zonnepanelen op daken, parkeerterreinen en in kleine grondgebonden velden langs infrastructuur. In het Uitnodigingskader zonne- en windenergie is voor Baarn in totaal potentie geïdentificeerd voor 159 hectare (ca. 159 MWp) aan grondgebonden zonnevelden en voor 1 solitaire windturbine van ca. 5 megawatt. Volledige benutting van deze potentie zou ca. 33% van het totale energieverbruik van Baarn in 2021 dekken.
Met het oog op de gemeentelijke doelstelling om in 2030 zoveel mogelijk klimaatneutraal te zijn, zijn dit belangrijkste aanbevelingen bij het opstellen van de LES voor de gemeente Baarn: 1 | Liever snel dan optimaal | De gemeente kan de transitie versnellen door de verduurzaming per buurt systematisch te ondersteunen en/of te faciliteren. Het verschil ten opzichte van de autonome ontwikkeling komt daarbij vooral voort uit de keuze om vroeg uit de startblokken te komen en tot 2040 stevig door te zetten. De volgorde van de buurtaanpak is zowel qua 6
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
energiebesparing als op duurzame warmte slechts beperkt onderscheidend. Ook de keuze voor de uitrol voor collectieve of individuele duurzame warmteoplossingen is qua energiebesparing en CO2-reductie nauwelijks onderscheidend. Kies er in de lokale energiestrategie daarom voor om reeds lopende verduurzamingsinitiatieven in de gemeente te versterken. En kies bovenal snel over in welke buurt of buurten de systematische verduurzaming nog deze bestuursperiode zal starten. Elk besluit dat de gemeente hierover nog dit jaar kan nemen, leidt tot een grotere CO2reductie in 2030 dan besluitvorming die nader onderzoek - en dus meer tijd - vergt. 2 | Focus op duurzame warmte | De grootste energiebesparing in de gebouwde omgeving is te realiseren met het uitfaseren van reguliere aardgasketels. In de scenario’s voor de programmapijler duurzame warmte is aangenomen dat een buurtaanpak tot 10 jaar duurt. Dit omdat een minimum isolatieniveau (schillabel B) voorwaardelijk is aan het uitfaseren van aardgas en de isolatieopgave dus voorafgaat aan de overstap naar duurzame warmte. Zeker in buurten waar de gemeente kiest voor individuele warmtepompen, kan elk object waarin de isolatie op peil gebracht is vaak ook direct daarna de overstap naar duurzame warmte maken. Bovendien zijn 3915 (29%) verblijfsobjecten in aanvang al voldoende geïsoleerd voor duurzame warmteoplossingen.
Alles dat de gemeente kan doen om de aangenomen 10 jaar tussen de start en het voltooien van een buurtaanpak voor duurzame warmte in de praktijk in te korten, leidt tot een aanzienlijke extra CO2-reductie in 2030 en 2040. 3 | Besluit uiterlijk in 2025 over warmtenetten | De verschillen in energiebesparing en CO2reductie tussen individuele warmtepompen of warmtenetten zijn beperkt onderscheidend voor individuele objecten en daarmee (in de modellen) ook beperkt onderscheidend voor buurten als geheel. In de praktijk kan de realisatie van een warmtenet voor een groter aantal doelgroepen een sterkere prikkel zijn om al eerder voor duurzame warmte te kiezen. Deze doelgroepen kiezen anders pas op een natuurlijk moment (defecte cv-ketel, verkoop van de woning) voor de overstap naar een individuele warmtepomp maken. Daartegenover staat dat andere doelgroepen autonoom al eerder - dan een warmtenetaansluiting mogelijk is - voor een individuele warmtepomp kiezen. De verwachting is dat deze autonome ontwikkeling vanaf 2026 versnelt omdat vervangen van een defecte Cv-ketel door een reguliere gasketel dan door normering van rijkswege onmogelijk zal zijn. Objecten die eenmaal over zijn op een individuele warmtepomp, later alsnog aansluiten op een warmtenet is alleen reëel als dit kunstmatig aantrekkelijk gemaakt wordt voor de objecteigenaar.
Om voldoende dichtheid in aansluitingen voor een warmtenet te verzekeren is het advies daarom om uiterlijk in 2025 te bepalen of en wanneer in buurten een warmtenet gerealiseerd wordt. Niet actief en tijdig kiezen voor een warmtenet, betekent anders in de praktijk vrijwel zeker een keuze voor individuele warmtepompen in de betreffende buurten. 4 | Zet niet teveel druk op zonne-energie | De afgelopen jaren zijn er - zonder actieve rol - van de gemeente al vele zonnepanelen geïnstalleerd. Hiermee is ruim 10% van het potentieel op daken in Baarn nu al benut. De verwachting is dat het enthousiasme voor de plaatsing van zonnepanelen ook de komende jaren aanhoudt. Ondertussen belemmert de capaciteit van het elektriciteitsnet tijdelijk de realisatie van grotere zonnepaneleninstallaties. Het valt niet uit te sluiten dat de netbeheerder de komende jaren ook voor kleinverbruikers een (tijdelijke) stop op de uitbouw van zonnepanelen moet afkondigen. Het advies aan de gemeente is om voor de korte termijn ruimte te laten aan het enthousiasme van particulieren en pas actief in te zetten op de ontwikkeling van grootschalige zonnepaneleninstallaties op grote daken, parkeerterreinen en langs infrastructuur als het risico op een rem op nieuwe zonnepanelen voor kleinverbruikers geweken is.
Voor de CO2reductie is elk zonnepaneel van waarde maar ook met volledige benutting van het potentieel op daken en parkeerterreinen verbruikt Baarn 5 keer meer energie dan het opwekt. Alleen met zonnepanelen op daken kan Baarn niet energieneutraal zijn.
7
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
5 | Blijf creatief en veerkrachtig | Er zijn uitdagingen te over in de energietransitie. Een aantal daarvan zijn al zeer actueel, zoals netcongestie, uitvoeringscapaciteit, beschikbaarheid van materialen, draagvlak, financiering, stikstofdepositie, vleermuizen. Het is vrijwel zeker dat er de komende jaren nog nieuwe negatieve verrassingen oppoppen. Wees hier als gemeentelijke organisatie op voorbereid, en maak ook in de afstemming met bewoners en ondernemers helder dat de gemeente niet overal controle over heeft. Laat tegenslagen echter geen aanleiding zijn om de transitie tijdelijk stil te leggen. Als de ingeslagen weg tijdelijk geblokkeerd raakt, kom je via een omweg nog altijd sneller op je bestemming dan door te wachten totdat iemand anders de blokkade wegneemt. Er is in de energietransitie nog zoveel te doen dat er ongeacht welke tegenslag dan ook altijd elders wél vooruitgang mogelijk is.
8
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
1.
2.
3.
4.
Energiebesparing ................................................................................................................................................................................. 10 1.1.
Mogelijkheden en beleidsinstrumenten ........................................................................................................................ 11
1.2.
Meetbare indicatoren en afrekenbare doelen ..................................................................................................... 13
1.3.
Huidige situatie per buurt ................................................................................................................................................... 15
1.4.
Scenario’s energiebesparing gebouwde omgeving ....................................................................................... 21
Duurzame warmte .............................................................................................................................................................................. 33 2.1.
Mogelijkheden en beleidsinstrumenten................................................................................................................. 33
2.2.
Meetbare indicatoren en afrekenbare doelen .................................................................................................... 35
2.3.
Huidige situatie per buurt ..................................................................................................................................................36
2.4.
Scenario’s duurzame warmte .........................................................................................................................................39
Duurzame elektriciteit ...................................................................................................................................................................... 53 3.1.
Mogelijkheden en beleidsinstrumenten................................................................................................................. 53
3.2.
Meetbare indicatoren en afrekenbare doelen .................................................................................................... 55
3.3.
Huidige situatie per buurt .................................................................................................................................................. 55
3.4.
Scenario’s duurzame elektriciteitsopwekking ................................................................................................... 60
Programmapijlers in samenhang ........................................................................................................................................... 68 Bijlage I | verschillen tussen energie- en schillabel ........................................................................................................... 71 Bijlage II | Doelgroepen in de gemeentelijke energietransitie ................................................................................ 73
Dit rapport is als volgt opgezet: 1. Energiebesparing. In dit hoofdstuk worden de beleidsdoelen, indicatoren en scenario’s op het thema energiebesparing uitgewerkt. De focus ligt daarbij op isolatie van de gebouwschil. 2. Duurzame warmte. Dit hoofdstuk gaat in op het thema duurzame warmte. De focus ligt op het type verwarmingstoestel per pand, en welke rol de gemeente daarin heeft. 3. Duurzame elektriciteit. De focus in dit hoofdstuk ligt op scenario’s waarmee de hoeveelheid zonnepanelen in de gemeente Baarn kan worden vergroot. 4. Programmapijlers in samenhang. Dit hoofdstuk beschrijft de raakvlakken en potentiële conflicten tussen de programmapijlers en de onderzochte scenario’s. De bijlages bevatten achtergrondinformatie bij dit rapport
Dit rapport bevat een scenario-analyse ten behoeve van de Lokale Energie Strategie (LES) van de gemeente Baarn. Hiervoor is gebruik gemaakt van openbare data van het CBS, energieleveranciers en landelijk gebruikte rekenmodellen van het PBL. De scenario’s geven een richting aan en zijn onderling goed vergelijkbaar, maar het blijft een modelmatige benadering. Daadwerkelijke kosten, energie- en CO2-besparing kunnen afwijken, afhankelijk van sociale, maatschappelijke en politieke factoren die niet in de rekenmodellen zijn opgenomen.
9
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
1.
Waarom energiebesparing | Energiebesparing ondersteunt het behalen van klimaatdoelen en houdt de energielasten voor bewoners, ondernemers en verenigingen betaalbaar. Zo lang de transitie naar volledig duurzame energie nog niet voltooid is, beperkt energiebesparing de broeikasgasuitstoot van ons energiesysteem. Ook beperkt energiebesparing de kosten, het materiaalverbruik en het ruimtebeslag van ons energiesysteem. Dit heeft voordelen voor milieu, maatschappij en economie. Zowel tijdens als na de transitie naar emissievrije energieproductie. Uitgangspunten uit het coalitieakkoord | De warmte- en energietransitie begint met besparen en isoleren, zo stelt het Coalitieakkoord Samen Baarn (2022-2026). Verduurzaming van zowel huur- als koopwoningen is een speerpunt van het college. De gemeente zet actief in op het ontzorgen en helpen van inwoners, bedrijven, ondernemers en verenigingen om goede keuzes te maken op het gebied van energiebesparing. Daarbij heeft het college aandacht voor energiearmoede. De gemeente is regievoerder, ontzorgt en geeft zelf het voorbeeld. Focus op Gebouwde omgeving | De gebouwde omgeving (54%) en verkeer en vervoer (42%) hebben in Baarn verreweg het grootste aandeel in het energieverbruik, zie Figuur 1. Industrie (3%) en landbouw (0,3%) hebben in Baarn een aanzienlijk beperkter aandeel in het energiegebruik dan in de nationale verdeling naar sector.
In lijn met nationale initiatieven zoals het Nederlands Klimaatakkoord (2019) en het Nationaal Isolatie Programma (NIP, 2022) ligt een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid voor energiebesparing in de gebouwde omgeving bij de gemeente. De verantwoordelijkheid voor energiebesparing in de sectoren verkeer en vervoer, industrie en landbouw ligt vooralsnog primair bij de nationale politiek. In de rest van dit hoofdstuk ligt de focus daarom op energiebesparing in de gebouwde omgeving van Baarn.
Baarn
Nederland 0%
10%
20%
Gebouwde omgeving
30%
40%
Verkeer en vervoer
50%
60%
70%
80%
Industrie, Energie, Afval, Water
90%
100%
Landbouw
Figuur 1 Verdeling energiegebruik naar sector voor Baarn en Nederland (2021, Klimaatmonitor.nl)
Geadviseerde beleidsdoelen | Het advies aan de gemeente op basis van de analyse in dit hoofdstuk is om de volgende (tussen)doelen te hanteren om het beleid op de programmapijler Energiebesparing richting te geven en het succes van het opgestelde beleid te monitoren: * Aanvangssituatie. 3915 (29%) van de 13.309 van de woningen en overige panden met een verblijfsfunctie heeft in aanvang een schillabel1 B of beter en is daarmee geschikt voor lagetemperatuurverwarming. * 2025. 500 van de woningen en overige panden met een verblijfsfunctie die in 2023 een schillabel C of slechter hebben, bereiken uiterlijk eind december 2025 schillabel B of beter en zijn daarmee geschikt voor lagetemperatuurverwarming. Dit doel betreft een haalbare resultaatverplichting en beoogt om de uitvoering van de renovatieopgave zo snel mogelijk op te starten. * 2030. 45% van de in 2023 bestaande voorraad aan woningen en overige panden met een verblijfsfunctie heeft een schillabel* B of beter, en is daarmee geschikt voor 1
Het schillabel is - in tegenstelling tot het bekendere energielabel – onafhankelijk van de aanwezige installaties voor verwarming en opwek van duurzame energie. Nadere toelichting in bijlage I.
10
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
lagetemperatuurverwarming. Dit doel betreft een ambitieuze maar haalbare resultaatverplichting en beoogt een significante energiebesparing op ruimteverwarming, waarmee in betreffende panden duurzame warmtevoorzieningen mogelijk worden. * 2040. 60% van de in 2023 bestaande voorraad aan woningen en overige panden met een verblijfsfunctie heeft een schillabel B of beter, en is daarmee geschikt voor lagetemperatuurverwarming. Dit doel betreft een resultaatverplichting en beoogt een significante energiebesparing op ruimteverwarming, waarmee in betreffende panden duurzame warmtevoorzieningen mogelijk worden. * Uiterlijk 2050. Elk pand met verbruiksfunctie heeft het voor dit pand optimale schillabel, waarmee in ieder geval een duurzame warmtevoorzieningen mogelijk is. Dit doel betreft een inspanningsverplichting en laat ruimte om maatwerk te leveren voor specifieke panden (bijvoorbeeld monumenten of verblijfsobjecten die in de winter niet gebruikt worden) waarin verregaande isolatie en kierdichting niet toegestaan of niet wenselijk is. Paragraaf 1.2 verklaart het hoe en waarom van deze doelen.
De gebouwde omgeving in Baarn verbruikte in 2021 bij elkaar 274 miljoen kilowattuur aan energie [Klimaatmonitor]. Woningen hebben met 68% het grootste aandeel, commerciële dienstverlening (17%, o.a. detailhandel, kantoren en horeca) en publieke dienstverlening (16%, zorg, onderwijs en overige overheidsgebouwen) verdelen de rest, zie Figuur 2.
0%
10%
20%
30%
Woningen
40%
50%
60%
Commerciële dienstverlening
70%
80%
90%
100%
Publieke dienstverlening
Figuur 2 Energieverbruik gebouwde omgeving Baarn naar type bebouwing (2021, Klimaatmonitor.nl).
Ruimteverwarming is zowel in woningen (66%) als bij dienstverlening (54%) verreweg de grootste energieverbruiker, zie Figuur 3. Warm tapwater, koeling, verlichting en koken/productbereiding zijn verder aanzienlijke verbruiksposten.
Diensten
Woningen 0%
10%
Ruimteverwarming
20%
30%
Koeling en ventilatie
40% Tapwater
50%
60%
Verlichting
70%
80%
90%
Koken of productbereiding
100% Overig
Figuur 3 Energiegebruik naar verbruikstype (RVO Monitor Energiebesparing Gebouwde Omgeving 2021).
In de basis is op alle verbruiksposten is energiebesparing mogelijk. De hieronder opgesomde mogelijkheden kan Baarn bevorderen met beleid op de programmapijler Energiebesparing. Isolatie en kierdichting | Verbeteren van de isolatie en dichten van kieren in de gebouwschil (vloeren, daken, muren, kozijnen en glas) voorkomt dat panden onnodig warmte verliezen in de winter of onnodig opwarmen in de zomer. Een minimale isolatiegraad is ook voorwaardelijk aan de – door de gemeente met de Programmapijler Duurzame Warmte, hoofdstuk 2 - beoogde uitfasering van aardgasketels als hoofdverwarmingsinstallatie. De isolatiegraad is in de basis de 11
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
verantwoordelijkheid van de gebouweigenaar. Huurders hebben belang bij een hogere isolatiegraad maar beperkt mogelijkheden om isolatie en kierdichting te verbeteren. Met nietbouwkundige maatregelen (tochtstrips, radiatorfolie, waterzijdig inregelen CV) is ook zonder medewerking van de gebouweigenaren wel enige besparing haalbaar. Voor een deel van de ingrepen in de gebouwschil kan een ecologisch onderzoek verplicht zijn, waaruit mogelijk ook ecologische maatregelen volgen. De gemeente kan overwegen om dit onderzoek te faciliteren en/of maatregelen te subsidiëren. Provincie Utrecht heeft het voortouw genomen in natuurvriendelijk isoleren binnen de provincie en kan hierbij adviseren. Ventilatie en warmteterugwinning (WTW) | In een kierdicht en goed geïsoleerd pand is ventilatie belangrijk voor de frisse lucht. Ventileren voorkomt ook dat de luchtvochtigheid te sterk oploopt, en ook dat bespaart energie; opwarmen van drogere lucht vergt minder energie dan opwarmen van vochtige lucht. Een WTW-installatie hergebruikt warmte uit uitgeblazen ventilatielucht om frisse lucht van buiten op te warmen. Ventilatie is een gedeelde verantwoordelijkheid van eigenaren (installaties faciliteren) en gebruikers van gebouwen (installaties juist gebruiken).
Vervangen apparatuur en gericht beperken verbruik | Met name het elektriciteitsverbruik in de gebouwde omgeving is te beperken met het vervangen van oude apparaten en gloeilampen door moderne apparatuur. Op warm tapwater valt te besparen met een spaardouchekop. Daarnaast kan met behulp van bijvoorbeeld aanwezigheidsmelders, tijdschakelaars en gebouwmanagementsystemen het energieverbruik voor verlichting, koeling en verwarming in ruimtes waar op dat moment niemand is omlaag. Vervangen van apparatuur en installeren van aanwezigheidsmelders is in de basis een verantwoordelijkheid van gebruikers van gebouwen. Gedragsverandering | Bovengenoemde opties besparen energie zonder dat de eindverbruiker er veel van merkt. Met korter of kouder douchen, een lagere instelling van de thermosstaat, afdanken van apparatuur (bijvoorbeeld een zonnebank of een tweede koelkast) en andere veranderingen in gedrag valt ook energie te besparen. Energiebesparende gedragsverandering is een verantwoordelijkheid van gebruikers van gebouwen. Beleidsadvies | Per type ingreep zijn verschillende beleidsinstrumenten te overwegen, uiteenlopend van 1) informeren en adviseren, 2) faciliteren, 3) subsidiëren of belasten en 4) verbieden of verplichten. Advies aan de gemeente op basis van de analyse in deze paragraaf: A.
Stel doelen op het beperken van energiegebruik voor ruimteverwarming voor alle panden en faciliteer gebouweigenaren in het verbeteren van isolatie en kierdichting. Adequate isolatie is voorwaardelijk aan de - met de Programmapijler Duurzame Warmte - beoogde overstap op aardgasvrije hoofdverwarmingsinstallaties. Ook in afwachting van de uitfasering van aardgas is met het verbeteren van de gebouwschil al een aanzienlijke energiebesparing haalbaar op de ruimteverwarming, met afstand de grootste post in het energiegebruik in de gebouwde omgeving. B. Informeer en adviseer over de voordelen van moderne energiezuinige apparatuur en gedragsverandering. Stel hier als gemeente geen doelen op. Het is en blijft de eigen verantwoordelijkheid van individuele inwoners en ondernemers om deze besparingskansen in te lossen. C. Overweeg om niet-bouwkundige besparingsmaatregelen te faciliteren en/of te subsidiëren voor inwoners met een laag of middeninkomen. Dit verhoogt de sociale cohesie, in aanvulling op – of in afwachting van – verbeteringen aan de gebouwschil die ook voor deze doelgroep verlichting bieden.
12
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
D. Overweeg om verbeteringen aan de gebouwschil en apparatuur te verplichten voor gemeentelijk en/of maatschappelijk vastgoed. Dit verlaagt de maatschappelijke uitgaven aan energie en vergroot (door voorbeeldwerking) mogelijk de bereidwilligheid bij particuliere woning- en gebouweigenaren om ook actie te ondernemen.
Het advies is om voor de programmapijler Energiebesparing in ieder geval gemeentelijke doelen te stellen op besparing op ruimteverwarming. In Tabel 1 zijn verschillende indicatoren beschreven om de doelen op ruimteverwarming concreet te maken en de prestaties te monitoren. Tabel 1 Indicatoren voor energiebesparing Mogelijke indicator en bruikbaarheid
Beschikbaarheid
Relevantie
en accuratesse data Energielabel | Het energielabel geeft een indicatie van de
In Nederland is voor zo’n 60%
Zowel het Nationaal
energieprestaties van een pand. Dit betreft een
van alle panden een
Isolatieprogramma
combinatie van eigenschappen van de gebouwschil, de
energielabel bekend.
(NIP, 2022) als de
aanwezigheid van duurzame verwarmingstoestellen en/of
Registratie van een
Transitievisie Warmte
zonnepanelen. De energielabelmethodiek is daarmee een
energielabel is sinds 2008
Baarn (TWV, 2020)
goede indicator voor het succes op de 3 programmapijlers
verplicht bij de verkoop,
gebruiken de
(Energiebesparing, Duurzame Warmte en Duurzame
verhuur en/of oplevering van
energielabel-methodiek
Elektriciteit samen). Voor doelen gericht op specifiek de
gebouwen. Er is geen
als indicator van de
pijler energiebesparing is het energielabel niet ideaal.
verplichting om aanpassingen
energie-efficiëntie van
Verschillende aanpassingen aan de
aan gebouwen na de laatste
panden.
energielabelmethodiek sinds 2008 maken de labels
transactie te verwerken. Het
onderling ook lastiger vergelijkbaar.
bekende label is dus niet voor alle panden accuraat.
Schillabel | Het schillabel volgt de methodiek van het
Het schillabel wordt niet als
Het Vesta MAIS model
energielabel maar is onafhankelijk van de aanwezige
zodanig geregistreerd maar
van het PBL hanteert
installaties voor verwarming en opwek van duurzame
wordt afgeleid van bekende
en benadert het
energie. Een woning met schillabel B is vergelijkbaar aan
data, o.a. geregistreerde
schillabel. Dit model
een woning die zonder zonnepanelen/zonneboiler en met
energielabels, bouwjaren en
vormt de basis voor veel
een standaard HR-gasketel energielabel B behaalt. Het
gebouwtypes.
landelijke en regionale
schillabel is dus een gerichte indicator van de isolatiegraad
analyses met
van de gebouwschil.
betrekking tot de warmtetransitie.
2
kWh/m /jaar | Het energieverbruik per vierkante meter
Data over het oppervlak van
De Transitievisie
gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2/jaar) geeft – na aftrek
verblijfsobjecten is openbaar
Warmte Baarn (TWV,
van een gemiddeld/aangenomen energieverbruik voor
beschikbaar. Data over het gas-
2020) gebruikt - naast
warm tapwater, koken en elektrische apparatuur – een
en elektriciteitsgebruik is
energielabels - ook
directe indicatie van het daadwerkelijke energieverbruik
beschikbaar op PC6 (postcode).
kWh/m2/jaar.
voor ruimteverwarming. Deze indicator is
Gemiddeld warm tapwater-
toekomstbestendig. De hoofdverwarmingsinstallatie kan
verbruik is bekend voor
een gasketel, stadswarmte of warmtepomp zijn.
typische huishoudens.
Geschiktheid voor lage- of midden-temperatuur-
Deze geschiktheid is af te
Deze afgifte-
verwarming | Lage- en middentemperatuurverwarming
leiden uit het schillabel of blijkt
temperaturen zijn
betreft verwarming met een afgiftetemperatuur van 40°
in de praktijk door de
gangbaar bij
respectievelijk 70° Celsius. Panden zijn geschikt voor deze
afgiftetemperatuur te verlagen
warmtepompen en
(vaak duurzamere) vormen van verwarming als ze op de
in de winter en het comfort te
warmtenetten en
meest koude dagen van het jaar comfortabel warm blijven
beoordelen.
daarmee relevant voor
bij deze afgiftetemperaturen. Als een lage
13
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
beleid op de
afgiftetemperatuur volstaat, is dat een indicator van een
programmapijler
goed geïsoleerde gebouwschil.
Duurzame Warmte.
Beleidsadvies | Het advies aan de gemeente is om het schillabel en/of de daadwerkelijke warmtevraag in kWh/m2/jaar als hoofdindicator te hanteren voor doelen op de Programmapijler Energiebesparing. Deze indicatoren zijn het best bruikbaar als indicatie van de kwaliteit van de gebouwschil. Ook is voldoende data beschikbaar om de score van individuele panden, buurten en de volledige gebouw omgeving in Baarn op deze indicatoren te bepalen of in te schatten en in opvolgende jaren te monitoren. De geschiktheid van panden voor lage- en midden-temperatuurverwarming is desgewenst uit deze indicatoren af te leiden. In afwijking van bovenstaande is het advies om in de communicatie naar inwoners en ondernemers het (integrale) energielabel te hanteren. Verschillen tussen het schillabel en het energielabel (dat veel gebouweigenaren bezitten) zouden verwarring of onrust kunnen veroorzaken. In de publiekscommunicatie heeft een integrale benadering over de drie programmapijlers de voorkeur, en dan is het energielabel dat zowel energiebesparing, duurzame warmte en duurzame elektriciteit raakt een goed instrument. Mocht er toch aanleiding voor communicatie aan de hand van het schillabel dan moeten deze uitingen de verschillen met het energielabel eenvoudig duiden.
Overwegingen bij doelen op energiebesparing | Hoeveel energie een individuele woning, een bedrijf of de gehele gebouwde omgeving in Baarn nu of in 2050 nodig heeft, is niet exact vast te stellen. Zeker is wel dat energiebesparing in veel panden nodig is om de transitie naar duurzame warmte mogelijk en/of eenvoudiger maken. Hierbij is wel het principe van afnemende meeropbrengsten van toepassing. Simpel gesteld; Een dubbeldikke isolatielaag levert niet dubbel zoveel energiebesparing. Een renovatie van schillabel C tot B is in de regel doelmatiger dan een renovatie van schillabel B tot A. Beleidsadvies | De geadviseerde beleidsdoelen beschreven in de inleiding van hoofdstuk 1 zijn het resultaat van de analyse in deze paragraaf.
14
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
In de aanpak van de warmtetransitie in Baarn (en in heel Nederland) spelen woonwijken en buurten een hoofdrol. De gebouwen en huishoudens per buurt delen op hoofdlijnen dikwijls (voor de warmtetransitie relevante) kenmerken zoals bouwperiode, dichtheid en omvang van verblijfsobjecten, inkomen en gezinssamenstelling. Ook vanuit het oogpunt van voorzieningen en energie-infrastructuur ligt het voor de hand om in ieder geval in eerste aanzet in wijken en buurten te denken bij de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Databronnen en bewerkingen | Als input voor gemeentelijke beleidsvorming op de programmapijler Energiebesparing zijn in dit hoofdstuk relevante kentallen voor de gebouwde omgeving in Baarn in kaart gebracht, uitgesplitst op wijk- en buurtniveau. Hierbij is voor een inschatting van het huidige energiegebruik voor ruimteverwarming per verblijfsobject (en de gemiddelden per wijk of buurt) gebruik gemaakt van de volgende databronnen en bewerkingen: * Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). Bouwjaren, verblijfsoppervlak. * Energieverbruiksdata. Gas- en elektraverbruik gerapporteerd door Stedin op PC4/6-niveau. * EP-Online. Geregistreerde officiële Energielabels, per verblijfsobject. * Vesta MAIS. Inschatting schillabels o.b.v. bouwjaren en gebouwkenmerken, per verblijfsobject.
Focus op buurten | De gemeente Baarn is opgedeeld in 4 wijken en 21 buurten, zie Tabel 2 en Figuur 4. Wijken 00 en 01 zijn beoordeeld als te groot om doelgericht transitiebeleid voor op te stellen. Dit document neemt daarom de buurten als primaire schaalniveau voor beleidsadviezen. In de praktijk worden deze buurten in Baarn vaak al als wijken gezien. De figuren in de rest van deze paragraaf tonen gemiddelden van voor de programmapijler energiebesparing relevante kentallen per buurt. Tabel 2 Verblijfsobjecten en inwoneraantallen per buurt Wijk
Aantal buurten
Aantal verblijfsobjecten
Aantal inwoners
Wijk 00
8 buurten
6577
11.950
Wijk 01
7 buurten
5051
10.090
Wijk 02
2 buurten
872
1606
Wijk 04 & 05
3 buurten + Amerpoort Sherpa
809
1225
Totaal
21 buurten
13.309
24.871
15
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
Figuur 4 Wijken en buurten in Baarn
Bouwjaren | Door de jaren heen zijn de nieuwbouweisen en -wensen aan verblijfsobjecten sterk veranderd. In het algemeen zijn de energieprestaties van recentere bouw beter dan in (niet gerenoveerde) oudbouw. Het gemiddelde bouwjaar van verblijfobjecten in Baarn is 1962. De oudste wijken liggen rond het centrum, de jongste wijken ten noorden en oosten van het centrum. In het buitengebied en de parkgebieden is het beeld gemengder, zie Figuur 5.
Figuur 5 Gemiddeld bouwjaar per buurt
Figuur 6 toont de standaardafwijking van het gemiddelde bouwjaar per buurt. Een grote standaardafwijking toont dat er in de betreffende buurten een aanzienlijke spreiding in bouwjaren bestaat. Dit is in Baarn in bijna alle buurten het geval. Alleen in de buurten EemdalZuid en Eemdal-Noord liggen de bouwjaren redelijk dicht bij elkaar.
16
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
Figuur 6 Standaardafwijking van bouwjaar per buurt
Gasgebruik per woning | Het overgrote deel van de gebouwde omgeving in Baarn gebruikt (net als in de rest van Nederland) op dit moment nog aardgasketels als hoofdverwarming (zie ook Figuur 27). Het gasverbruik per woning geeft dus nu nog een indicatie van de gemiddelde energieprestaties van de gebouwde omgeving per buurt, zie Figuur 7. Echter speelt hier natuurlijk ook de omvang van de objecten een rol. Objecten in het buitengebied zijn in het algemeen groter en verbruiken meer energie dan centraler gelegen verblijfsobjecten.
Figuur 7 Gemiddeld aardgasverbruik per woning per buurt (CBS, 2021)
Energielabels (geregistreerd) | In Baarn zijn voor 62% van de verblijfsobjecten officiële energielabels geresisteerd bij EP-Online, zie Figuur 8 voor de verschillen per buurt. Registratie van een energielabel is sinds 2008 verplicht bij oplevering, verkoop of verhuur van verblijfsobjecten. Aanpassingen die sinds een transactie gedaan zijn, zijn vaak niet in de bij EP-Online bekende energielabels verwerkt. Anderzijds is de verwachting dat de energieprestaties voor verblijfsobjecten zonder energielabel gemiddeld minder goed zijn dan de energieprestaties voor 17
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
objecten waarvoor een label geregistreerd is. Al met al geeft het gemiddelde van de bekende energielabels per buurt een aardige indicatie van de energieprestaties per buurt, zie Figuur 9.
Figuur 8 Aandeel geregistreerde energielabels per buurt
Figuur 9 Gemiddelde van de bekende energielabels per buurt
Schillabels (gemodelleerd) | Met behulp van de beschikbare data over bouwjaren en gebouweigenschappen is volgens de methode van het Vesta MAIS-model van het planbureau voor de leefomgeving per verblijfsobject het schillabel ingeschat. Figuur 10 toont de gemiddelden per buurt.
18
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
Figuur 10 Gemiddeld schillabel per buurt
Een verschil tussen het energielabel en schillabel per object of per buurt valt vanwege de afwijkende methodiek te verwachten, zie bijlage I. Een groot verschil tussen schillabel en energielabel geeft aanleiding om te vermoeden dat er in een buurt al relatief veel geïnvesteerd is in verduurzaming. Dit lijkt met name in de Staatsliedenwijk en Nieuwe-Oosterhei geval.
Figuur 11 Mediaan verschil tussen geschat schillabel en bekend energielabel per buurt
Figuur 12 toont de verdeling van de in de in totaal 13.309 verblijfsobjecten naar het ingeschatte schillabel in de beginsituatie. C is het meest voorkomende schillabel, gevolgd door F en A of beter.
19
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
4000 3200
3500
2899
3000 2500
2109
2000
1806
1688
1500
976
1000
631
500 0 A of beter
B
C
D
E
F
G
Figuur 12 Verdeling objecten naar schillabel in beginsituatie
Energieverbruik voor ruimteverwarming naar verblijfsoppervlak (gemodelleerd) | Met behulp van de beschikbare data over bouwjaren en gebouweigenschappen is volgens de methode van het Vesta MAIS-model van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) per verblijfsobject het energieverbruik voor ruimteverwarming per vierkante meter per jaar ingeschat. Figuur 13 toont de gemiddelden per buurt.
Figuur 13 Gemiddeld energieverbruik voor ruimteverwarming per m2 verblijfsobject per buurt
Dichtheid bebouwing | In buurten met een hoge dichtheid aan verblijfsobjecten is het absolute energiegebruik (en dus ook de potentie voor energiebesparing) groter dan in buurten met uitgespreide bebouwing. Figuur 14 toont de dichtheid van de bebouwing per buurt. Deze is conform verwachting met name in het centrum en de buurten daarom relatief hoog.
20
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
Figuur 14 Aantal m2 verblijfsruimte per hectare per buurt
Gevolgtrekking voor beleid | De correlatie tussen de bekende data (bouwjaar, gasverbruik en geregistreerde energielabels) en de met modellen ingeschatte data (schillabel en energiegebruik voor ruimteverwarming) is op buurtniveau groot. De verschillen tussen buurten uit de figuren hierboven geven daarmee een redelijke basis om bijvoorbeeld de prioriteit of volgorde van een wijkgerichte aanpak op vast te stellen. Wel betreft dit een momentopname. Indien een wijk of buurt weloverwogen pas later de aandacht van de gemeente krijgt, is de kans groot dat veel gebouweigenaren in de tussentijd op eigen initiatief al maatregelen treffen. Dit zou dan kunnen blijken door de analyse te zijner tijd opnieuw te doen en de ontwikkeling in geregistreerde energielabels te volgen. In de buurten Staatsliedenwijk, Componistenwijk, Professorenwijk, Schilderswijk, Centrum, Lage Vuursche en Nieuwe-Oosterhei bestaat nu al een relatief grote afwijking tussen bekende energielabels en gemodelleerde schillabels. Mogelijk zijn verblijfsobjecten in deze buurten al bovengemiddeld vaak gerenoveerd en verduurzaamd.
Gegeven de doelstellingen voor de gebouwde omgeving in de gehele gemeente Baarn (paragraaf 1.2) en de inventarisatie van de huidige situatie per wijk op de (in paragraaf 1.3 geadviseerde) indicatoren schillabel, energieverbruik per m2 per jaar en sociale huur zijn er verschillende beleidsscenario’s en subscenario’s denkbaar om de doelen te bereiken. In dit hoofdstuk zijn een aantal van deze scenario’s geschetst en vergeleken op: 1. Kosten. Hierbij zijn de investeringskosten en vermeden energiekosten uitgezet in de tijd. 2. Uitvoerbaarheid. Aandacht voor de technische uitvoerbaarheid; beschikbaarheid van arbeid. 3. Opbrengsten. Overzicht van de bereikte energiebesparing en CO2-reductie. Met beleid op de programmapijler Energiebesparing kan de gemeente Baarn het tempo, de volgorde en het uiteindelijke isolatieniveau van de verblijfsobjecten in Baarn beïnvloeden. De scenario’s en de onderlinge verschillen tussen de scenario’s verschaffen inzicht in de voor- en nadelen van denkbaar beleid op de programmapijler Energiebesparing.
21
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
Om een goed vergelijk tussen de scenario’s mogelijk te maken, zijn de volgende aspecten per scenario bewust gelijk gehouden, tenzij expliciet is gemaakt dat en waarom is afgeweken. Uitvoerbaarheid | Afgaande op de doelen uit het Nederlands Klimaatakkoord zou het aantal renovaties nationaal op 300.000 objecten per jaar moeten liggen. In de praktijk worden nu in Nederland jaarlijks ruwweg 100.000 objecten geïsoleerd. Aangenomen is dat Baarn over een evenredig deel van de nationale uitvoeringscapaciteit voor renovaties kan beschikken, ligt het renovatietempo in Baarn tussen de 150 en 450 objecten per jaar. Gegeven dat een aantal objecten in werkelijkheid al een renovatie heeft ondergaan - die nog niet is verwerkt in het schillabel - is aangenomen dat een gesimuleerd renovatietempo rond de 500 per jaar haalbaar is. Autonome ontwikkeling | Ook als de gemeente hiertoe geen inspanningen levert, investeren veel objecteigenaren op eigen initiatief in de gebouwschil. Hiertoe zijn vanuit het Rijk subsidies en financieringsmogelijkheden beschikbaar. Ook geldt voor kantorenvastgoed sinds 1 januari 2023 de energielabel C-plicht en mogen woningen met energielabel E t/m G vanaf 2030 niet meer verhuurd worden. Verder vormen recente energieprijzen en de invoering van CO2-beprijzing voor de gebouwde omgeving een extra prikkel om objecten versneld te verduurzamen.
Op basis van [Verduurzaming van de Woningvoorraad, EIB 2022] is aangenomen dat in Baarn: * jaarlijks 3% (ca. 420 verblijfsobjecten) van de totale voorraad autonoom 1 labelstap verbetering doormaakt * Jaarlijks 1% (ca. 140 verblijfsobjecten) 2 schillabelstappen verbetert, met na de labelstap een minimaal schillabel van D (voor woningen) en B (voor utiliteitsgebouwen). * Voor objecten met schillabel A is geen verdere autonome ontwikkeling aangenomen. Start- en eindsituatie | Technisch is het mogelijk om de schil van vrijwel alle bestaande verblijfsobjecten te renoveren tot schillabel A. In de praktijk zal dat lang niet met alle objecten gebeuren, bijvoorbeeld omdat de investering niet opweegt tegen de behaalde energiebesparing of omdat eisen aan het behoud van monumentale waarde een al te grote schilsprong verhinderen. Wel is de verwachting dat energieprijzen, subsidies en fiscaal beleid vanuit de rijksoverheid en/of Europa maken dat vrijwel alle objecten uiteindelijk tot een optimaal niveau geïsoleerd worden. Als uitgangspunt voor de scenario’s zijn de volgende aannames gedaan: * Alle objecten met schillabel E t/m C in 2023 voor 2050 gerenoveerd tot schillabel B of beter. * Alle objecten met schillabel G of F in 2023 voor 2050 gerenoveerd tot schillabel D of beter. Geen sloop of nieuwbouw | Aangenomen is dat de huidige verblijfsobjecten in Baarn tot 2050 behouden blijven.
In de praktijk zal de renovatieopgave kleiner zijn, omdat een onbekend deel van de objecten wel uit de voorraad onttrokken wordt, bijvoorbeeld door brand, waterschade of herontwikkeling. Projectontwikkeling - bijvoorbeeld de Baarnsche Zoom - is buiten beschouwing gehouden omdat nieuwbouw (conform bouwbesluit) al bij oplevering optimaal geïsoleerd is. Aanpak per buurt | In lijn met de Transitievisie Warmte en nationaal beleid geldt een aanpak per wijk of buurt als uitgangspunt voor de scenario’s. Aangenomen is dat alle objecten in een buurt systematisch worden verduurzaamd alvorens de buurtaanpak in een volgende buurt te starten.
In dit scenario vindt het verbeteren van de energieprestaties van de gebouwde omgeving uitsluitend plaats op basis van externe ontwikkelingen waar de gemeente Baarn geen invloed op heeft. Dit scenario dient als nulscenario om (de omvang van) de voordelen van de scenario’s waarin de gemeente wel een actieve rol neemt tegen af te zetten.
22
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
Scenario-uitwerking | In dit scenario is de in paragraaf 1.4.1 aangenomen autonome ontwikkeling de enige drijver van verbeteringen aan de gebouwschil van verblijfsobjecten; Onafhankelijk van de wijk of buurt maakt jaarlijks 3% van de woningvoorraad (exclusief de objecten met schillabel A) 1 labelstap verbetering door en maakt 1% 2 schillabelstappen verbetering door. Opbrengsten | Figuur 15 toont de ontwikkeling in de schillabels als gevolg van dit scenario. In 2030 en 2040 heeft respectievelijk 37% en 45% van de in 2023 bestaande verblijfsobjecten schillabel B bereikt, waarmee de in paragraaf 1.2 vastgestelde doelen in dit scenario niet worden behaald. 14000
Aantal verblijfsobjecten
12000 10000 8000 6000 4000 2000 0
A of hoger
B
C
D
E
F
G
Figuur 15 Ontwikkeling in labels per jaar
Analyse van uitvoerbaarheid | De aangenomen autonome schilstappen resulteren tot 2040 in gemiddeld 280 complete renovaties (afhankelijk van het schillabel in 2023 tot respectievelijk schillabel A/B of D) per jaar. Daarmee is dit scenario tot 2040 uitvoerbaar. In de praktijk kan een groot deel van de autonome renovaties door incidenten gedreven worden, bijvoorbeeld een sterke stijging van de energieprijs of een koude winter. Als de gemiddeld aangenomen jaarlijkse renovaties in de praktijk in schokken van bijvoorbeeld 5 jaar verlopen, zal dit de uitvoerbaarheid sterk bemoeilijken. Dit heeft dan vrijwel zeker ook invloed op de kosten, vanwege tijdelijke schaarste aan materialen en vakmensen. De aangenomen – van rijkswege afgedwongen versnelling tussen 2040 en 2050 vergt gemiddeld 735 renovaties per jaar en is alleen uitvoerbaar als de uitvoeringscapaciteit sterk toeneemt en/of als vrijwel alle overige gemeenten wel beleid voeren om al voor 2040 een groot deel van de gebouwde omgeving te verbeteren.
Dit scenario stuurt op het identificeren en vervolgens met voorrang verduurzamen van alle verblijfsobjecten (sociale huurwoningen, private huursector, koopwoningen, bedrijfspanden en overig vastgoed) in de buurten met het grootste aandeel corporatiebezit. De volgende 4 veronderstellingen maken dit scenario mogelijk interessant: 1. Woningcorporatie Omthuis heeft veel verblijfsobjecten in beheer en kan een sterke partner zijn om de renovatieopgave in Baarn versneld op te starten. 23
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
2. Met voorrang opwaarderen van de gebouwschil van corporatiewoningen en voormalige corporatiewoningen voorkomt dat deze eventueel suboptimaal gerenoveerd worden om (precies) te voldoen aan de label D-plicht vanaf 2030 voor huurwoningen. 3. Met voorrang opwaarderen van de gebouwschil van corporatiewoningen en voormalige corporatiewoningen verlaagt gericht de energierekening van inwoners met lage en middeninkomens. en verhoogt het comfort voor deze inwoners. Figuur 16 toont het aandeel corporatiebezit in het totaal aantal verblijfsobjecten per buurt.
Figuur 16 Corporatiebezit per buurt
Scenario-uitwerking | Uitgaande van de vanuit uitvoerbaarheid aangenomen maximaal 450 renovaties per jaar, worden tot 2040 in de buurten met de het grootste aandeel corporatiebezit systematisch alle verblijfsobjecten tot het optimale schillabel gerenoveerd, zie Tabel 3. Woningcorporatie Omthuis heeft in april 2023 aangekondigd om de gebouwschil van alle woningen in haar bezit in Baarn voor 2030 op te waarderen, zodat al deze woningen klaar zijn om op een nader te bepalen moment (na 2030) de stap naar aardgasvrije verwarming mogelijk te maken. Dit scenario is onafhankelijk hiervan tot stand gekomen. De volgorde en jaartallen in Tabel 3 geven dan ook nadrukkelijk geen indicatie van de plannen van Omthuis. Tabel 3 Sociale huur en moment in buurtaanpak Buurt
Aantal objecten
Aandeel sociale huur
Buurtaanpak
Nieuwe-Oosterhei
1254
57%
2024-2027
Professorenwijk
976
55%
2027-2029
Staatsliedenwijk
691
47%
2029-2031
Eemdal-Noord
943
34%
2030-2033
Zandvoort
1026
30%
2033-2036
Schilderswijk
1048
28%
2035-2038
Schoonoordpark
554
28%
2038-2040
Overige buurten
Natuurlijk moment voor 2050
Totdat de objecten in een buurt conform Tabel 3 via de buurtaanpak gerenoveerd worden, loopt de paragraaf 1.4.1 aangenomen autonome ontwikkeling door. Ook in alle buurten die niet aan bod 24
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
komen in de buurtaanpak loopt deze autonome ontwikkeling door. Tussen 2040 en 2050 worden alle dan nog niet gerenoveerde objecten van rijkswege gerenoveerd tot een optimaal schillabel. Opbrengsten | Figuur 17 toont de ontwikkeling in de schillabels als gevolg van dit scenario. In 2030 en 2040 heeft respectievelijk 46% en 66% van de in 2023 bestaande verblijfsobjecten schillabel B bereikt, waarmee de in paragraaf 1.2 vastgestelde doelen in dit scenario worden behaald. 14000
Aantal verblijfsobjecten
12000 10000 8000 6000 4000 2000 0
A of hoger
B
C
D
E
F
G
Figuur 17 Ontwikkeling in labels per jaar
Analyse van uitvoerbaarheid | De in dit scenario aangenomen schilstappen resulteren tot 2040 gemiddeld in een uitvoerbare 480 renovaties per jaar. De aangenomen – van rijkswege afgedwongen – verduurzaming van de nog niet gerenoveerde objecten tussen 2040 en 2050 vergt gemiddeld 445 renovaties per jaar en is daarmee ook goed uitvoerbaar.
Dit scenario stuurt op het identificeren en vervolgens met voorrang seriematig verduurzamen van clusters van sterk vergelijkbare woningen of verblijfsobjecten. De volgende 3 veronderstellingen maken dit scenario mogelijk interessant: 1. Seriematig opwaarderen van de gebouwschil van vergelijkbare objecten gaat sneller en kostenefficiënter dan het doorvoeren van dezelfde maatregelen in dezelfde individuele objecten in een willekeurige volgorde. 2. Seriematig opwaarderen van de gebouwschil van voldoende grote clusters is voor renovatieaannemers aantrekkelijk genoeg om (al dan niet in concurrentie) een aantrekkelijkere aanbieding te doen dan voor het doorvoeren van dezelfde maatregelen in dezelfde individuele objecten in een willekeurige volgorde. 3. Seriematig opwaarderen van clusters maakt het uitfaseren van het lokale gasnet eerder mogelijk dan het doorvoeren van dezelfde maatregelen in dezelfde individuele objecten in een willekeurige volgorde. Op basis van de analyse in paragraaf 1.3, met name de gegevens over bouwjaar en schillabel, is grof ingeschat in welk aandeel van de verblijfsobjecten per buurt behoort tot een cluster van 25
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
minimaal 10 gelijkaardige objecten. Deze inschatting is steekproefsgewijs getoetst met beelden van Google Streetview. Op basis van [TNO 2021] is aangenomen dat renovaties van dergelijke clusters volgens de contingentaanpak gemiddeld 25% besparen op kosten en 10% op uitvoeringstijd. Daarmee ligt het aangenomen maximumaantal renovaties voor sterk geclusterde buurten op 500 i.p.v. 450 per jaar. Scenario-uitwerking | Uitgaande van de vanuit uitvoerbaarheid aangenomen maximaal 450-500 renovaties per jaar, worden tot 2040 in de buurten met de het grootste aandeel clustering systematisch alle verblijfsobjecten tot het optimale schillabel gerenoveerd, zie Tabel 4. Tabel 4 Aantal objecten per buurt en moment in buurtaanpak Buurt
Aantal objecten
Mate van clustering
Buurtaanpak
Eemdal-Zuid
751
100%
2024-2026
Eemdal-Noord
943
100%
2025-2028
Professorenwijk
976
75%
2027-2029
Staatsliedenwijk
691
50%
2029-2031
Nieuwe-Oosterhei,
1254
50%
2031-2034
Schilderswijk
1048
50%
2034-2037
Componistenwijk
578
50%
2037-2039
Amerpoort Sherpa
421
50%
2039-2040
Overige buurten
Natuurlijk moment voor 2050
Totdat de objecten in een buurt conform Tabel 4 via de buurtaanpak gerenoveerd worden, loopt de paragraaf 1.4.1 aangenomen autonome ontwikkeling door. Ook in alle buurten die niet aan bod komen in de buurtaanpak loopt deze autonome ontwikkeling door. Tussen 2040 en 2050 worden alle dan nog niet gerenoveerde objecten van rijkswege gerenoveerd tot een optimaal schillabel. Opbrengsten | Figuur 18 toont de ontwikkeling in de schillabels als gevolg van dit scenario. In 2030 en 2040 heeft respectievelijk 50% en 70% van de in 2023 bestaande verblijfsobjecten schillabel B bereikt, waarmee de in paragraaf 1.2 vastgestelde doelen in dit scenario worden behaald.
26
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
14000
Aantal verblijfsobjecten
12000 10000 8000 6000 4000 2000 0
A of hoger
B
C
D
E
F
G
Figuur 18 Ontwikkeling in labels per jaar
Analyse van uitvoerbaarheid | De in dit scenario aangenomen schilstappen resulteren tot 2040 gemiddeld in een uitvoerbare 510 renovaties per jaar. De aangenomen – van rijkswege afgedwongen – verduurzaming van de nog niet gerenoveerde objecten tussen 2040 en 2050 vergt gemiddeld 395 renovaties per jaar en is daarmee ook goed uitvoerbaar.
Dit scenario stuurt op het met voorrang renoveren van objecten met schillabels G t/m E tot een optimaal schillabel. De volgende 2veronderstellingen maken dit scenario mogelijk interessant: 1. In objecten met schillabels G t/m E is per vierkante meter verblijfsoppervlak de grootste energie-, CO2- en kostenbesparing te bereiken. 2. In objecten met schillabels G t/m E is met een renovatie voor gebruikers de grootste comfortwinst te bereiken. Op basis van de analyse in paragraaf 1.3 is bepaald in welk aandeel van de verblijfsobjecten per buurt een schillabel van E of slechter heeft. Scenario-uitwerking | Uitgaande van de vanuit uitvoerbaarheid aangenomen maximaal 450 renovaties per jaar, worden tot 2040 in de buurten met de het grootste aandeel schillabels E t/m G (Figuur 19) systematisch alle verblijfsobjecten tot het optimale schillabel gerenoveerd. Totdat de objecten in een buurt conform de buurtaanpak gerenoveerd worden, loopt de paragraaf 1.4.1 aangenomen autonome ontwikkeling door. Ook in alle buurten die niet aan bod komen in de buurtaanpak loopt deze autonome ontwikkeling door. Tussen 2040 en 2050 worden alle dan nog niet gerenoveerde objecten van rijkswege gerenoveerd tot een optimaal schillabel.
27
<
WBTr2023-003 Roadmaps programmapijlers LES Baarn
Figuur 19 Percentage schillabel E of slechter per buurt.
Opbrengsten | Figuur 20 toont de ontwikkeling in de schillabels als gevolg van dit scenario. In 2030 en 2040 heeft respectievelijk 46% en 67% van de in 2023 bestaande verblijfsobjecten schillabel B of beter bereikt, waarmee de in paragraaf 1.2 vastgestelde doelen in dit scenario worden behaald. 14000
Aantal verblijfsobjecten
12000 10000 8000