CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

191760 VOBP Drakenburgergracht Zorg 2020 bijlage A Toelichting

Besluit in de Raad 27 januari 2021, gemeente BaarnBij agendapunt: Voorontwerp bestemmingsplan Drakenburgergracht Zorg 202018.262 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Onderzoek

Er is een verkennend natuuronderzoek (Bijlage 7) uitgevoerd naar de mogelijke effecten van het voorliggende bestemmingsplan op eventueel aanwezige beschermde natuurwaarden in en om het plangebied. Ook is een aanvullend onderzoek (Bijlage 8) naar het voorkomen en gebruik van het plangebied door beschermde soorten uitgevoerd. Ten aanzien het aanpassen van de begrenzing van het NNN rond het woon-/zorgpark Amerpoort is tevens een verkenning naar wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en de potenties van compensatiegebieden in beeld gebracht (Bijlage 9). Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd Natura 2000-gebied. Er zijn derhalve door de bestemmingsplanherziening geen directe effecten te verwachten op Natura 2000-gebieden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen de Oostelijke Vechtplassen op circa 7,5 kilometer afstand Eemmeer & Gooimeer Zuidoever, ook op circa 7,5 kilometer afstand. De stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is berekend voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Omdat er sprake is van een bestemmingsplan met een mate van flexibiliteit is een maximale jaarlijkse stikstofemissie binnen het plangebied bepaald, waarbij de stikstofdepositie op het dichtst bijgelegen Natura 2000-gebied op 0,00 mol N/ha/jaar uitkomt. Deze maximale emissie betreft 366 kg NOx/jaar.

Met deze emissie kan er per jaar naar schatting zo'n 12.000 m2 aan BVO worden gesloopt of 34.500 m2 aan BVO worden gebouwd, of een combinatie daarvan. Door gefaseerd te bouwen worden er in de aanlegfase geen externe effecten op Natura 2000-gebieden door de depositie van stikstof verwacht. Voor de gebruiksfase is de maximale toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuurwaarden in omliggende Natura 2000-gebieden berekend. Er is een worst case aanname gedaan voor de verkeerstoename in de gebruiksfase. Zelfs met deze worst case aanname is de toename van de stikstofdepositie in de gebruiksfase 0,00 mol N/ha/jaar. Externe effecten op Natura 2000-gebieden door de depositie van stikstof worden in de gebruiksfase niet verwacht. Het plangebied maakt deels onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het betreft, zoals is te zien in onderstaande afbeelding, enkele gedeelten van het woon-/zorgpark Amerpoort en een klein deel van het terrein woon-/zorgpark Sherpa (oostelijk deel, halverwege het woon-/zorgpark). Op het woon-/zorgpark Amerpoort vallen delen die in gebruik zijn ten behoeve van de zorgfunctie, en waar soms ook gebouwen staan, binnen de begrenzing van het NNN.

Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 33 van 54

NNN in relatie tot het plangebied In de ruimtelijke visie die is opgesteld voor het woon-/zorgpark van Amerpoort, zijn ten opzichte van de bestaande situatie, functies verschoven. Dit om de indeling van het woon-/zorgpark in de toekomst te optimaliseren, waarbij functies beter op elkaar aansluiten. Dit brengt met zich mee dat in de toekomst ontwikkeld gaat worden binnen de begrenzing van het NNN zoals dit aangegeven is in de PRV. Dit omdat elders op het woon-/zorgpark geen ontwikkelruimte beschikbaar is en dit het enige alternatief is. Er zijn echter ook locaties op het woon-/zorgpark waar juist nieuwe ecologische waarden worden toegevoegd (compensatielocaties). Op onderstaande afbeelding zijn de oppervlakten van ontwikkellocaties binnen door de PRV aangewezen NNN-gebieden op het woon-/zorgpark van Amerpoort weergegeven (rood omlijnd). Daarnaast zijn de beoogde compensatielocaties aangeduid met daarbij horende oppervlakten (blauw omlijnd). Het oppervlak aan ontwikkellocaties binnen NNN wordt één-op-één gecompenseerd binnen woon-/zorgpark Amerpoort. De compensatiegebieden en resterende NNN-gebieden worden binnen onderhavig plan aangeduid met de bestemming Natuur met bijhorende regelingen die zien op instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuurwaarden.

Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 34 van 54

Ontwikkel- en compensatielocaties (natuur) op woon-/zorgpark Amerpoort

Ontwikkel- Oppervlak (m2) locatie

Compensatie-locatie Oppervlak (m2)

A1

7.670 B1

2.300

A2

12.500 B2

7.250

A3

* B3

10.050

B4

140

B5

235

B6

195

Totaal *

20.170

20.170

Bestaande bebouwing en verharding

Overzicht metrages ontwikkel- en compensatielocaties In de verkenning (Bijlage 9) is uitgebreid op de verschillende locaties ingegaan. Op locatie A1 zijn onder andere kantoren, technische dienst, kinderopvang en parkeren voorzien. Een deel van dit terrein is reeds in gebruik voor parkeren. Enkele jaren geleden diende Amerpoort voor de veiligheid van haar cliënten de houtopstanden fijnspar op locatie A2 te kappen vanwege het risico op natuurbrand. Destijds is daarvoor een kapmelding ingediend. Hier worden in de toekomst woongroepen gerealiseerd. Op locatie A3 is in de huidige situatie bebouwing en verharding aanwezig ten behoeve van de technische dienst. Om bos ten noordoosten van deze gronden te sparen, wordt een nieuwe invulling aan dit deel van het woon-/zorgpark gegeven. Van de compensatiegebieden is een deel weliswaar reeds in gebruik als (snipper) groen, maar is ook sprake van het wegnemen van verharding ten behoeve van natuur en krijgt een deel van de kinderboerderij een natuurbestemming. Het doel is dat de compensatiegebieden een robuuste groene (natuur) schakel vormen met de natuur rondom het woon-/zorgpark van Amerpoort. Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 35 van 54

Uit de verkenning blijkt dat door de aanpassingen in het NNN geen belangrijke verbindende functies verloren gaan. Ook vermindert de samenhang tussen de bosgebieden in de NNN niet. Om dit te kunnen borgen, zijn wel maatregelen nodig. De beoogde ontwikkellocaties hebben wel lokaal hoge waarden. Ecologisch gezien kunnen de te realiseren NNN-gebieden met een juist beheer op termijn eenzelfde vergelijkbare natuurwaarde krijgen. De aan het NNN toe te voegen of te verbeteren gebieden hebben allen potenties om meer ecologische waarde te krijgen dan ze in de huidige situatie kennen en zijn zo gelegen dat ze bijdragen aan de robuustheid van het NNN. Zo is ten zuiden van de kinderboerderij op het woon-/zorgpark Amerpoort een strook bestemd als Natuur die potentieel een goed leefgebied kan vormen voor de ringslang. Voorts is ten zuiden van ontwikkelgebied A2 een poel met houtopstanden vrijgehouden van ontwikkeling, zodat zich hier bijzondere soorten (zoals bijvoorbeeld de Kamsalamander) kunnen vestigen. Ook deze poel en omringende bospartij hebben een bestemming Natuur gekregen. Soortenbescherming Uit de onderzoeken blijkt dat er (mogelijk) verschillende beschermde soorten aanwezig zijn in of in de nabijheid van het plangebied.

Dit betreffen vleermuizen, das, boommarter, eekhoorn, huismus, gierzwaluw, sperwer, ransuil, buizerd, havik, overige broedvogels, hazelworm, ringslang en een (individuele) kamsalamander. Ontwikkelingen op de woon-/zorgparken hebben mogelijk effect op enkele beschermde soorten. Dit betreft de vleermuizen, huismus en gierzwaluw. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze laatstgenoemde soorten is uitgevoerd om inzicht te krijgen in de noodzaak en verleenbaarheid van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming. In het plangebied is de aanwezigheid van verblijfsfuncties van vleermuizen en huismussen vastgesteld. Aanwezigheid van de gierzwaluw in het plangebied is niet vastgesteld. Het verkrijgen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor deze soorten wordt mogelijk geacht. Er zijn op de woon-/zorgparken en in de uitvoering van de toekomstige werkzaamheden op de woon-/zorgparken, ruime mogelijkheden om effectieve maatregelen te nemen ter bescherming van de genoemde soorten. Zo kan bijvoorbeeld worden overgegaan op het gestuurd ongeschikt maken van huidige verblijfslocaties. 5.2.3

Conclusie en vertaling in het bestemmingsplan

Het bestemmingsplan wordt ecologisch uitvoerbaar geacht. De in het plangebied en de (directe) omgeving daarvan aanwezige ecologische waarden worden niet geschaad door de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Indien bij een concrete ontwikkeling een ontheffing nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming, wordt deze verleenbaar geacht. Dit vanwege de ruime mogelijkheden op de woon-/zorgparken om effectieve maatregelen te nemen ter bescherming van beschermde soorten. Beschermde Natura 2000-gebieden worden niet geschaad als gevolg van het bestemmingsplan. De ontwikkeling binnen NNN-gebieden op het woon-/zorgpark Amerpoort, wordt één-op-één gecompenseerd op alternatieve locaties op het woon-/zorgpark. Van zowel de ontwikkelingslocaties, als de compensatielocaties wordt ten tijde van terinzagelegging van dit plan onderzocht in hoeverre sprake is van aantasting van wezenlijke kenmerken en -waarden en de wijze waarop deze kunnen worden teruggebracht en kunnen worden ontwikkeld binnen de compensatiegebieden. Deze compensatiegebieden worden in het bestemmingsplan planologisch mogelijk gemaakt en beschermd met de bestemming 'Natuur'.

Voorts is in de regels van onderhavig plan voor verschillende bestemmingen ter bescherming van aanwezig groen of aanwezige natuurwaarden een vergunningstelsel opgenomen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden, waaronder het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen. Tevens is het niet mogelijk om zonder omgevingsvergunning bomen te rooien en gronden tot meer dan 60 cm diep te ontginnen, te verlagen, af te graven, op te hogen of te egaliseren. Op grond van de Wet natuurbescherming geldt een meldplicht en een herplantplicht in geval er meer dan 10 are of een rijbeplanting van 20 bomen of meer gekapt wordt. Hiermee is geborgd dat Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 36 van 54

de plaatselijke natuurwaarden beschermd worden en het groene karakter van beide woon-/zorgparken in stand gehouden wordt.

5.3

Geluid

5.3.1

Toetsingskader

In een bestemmingsplan dat geluidsgevoelige functies zoals zorg en wonen mogelijk maakt, moet aandacht worden besteed aan het aspect geluid. Er dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de bewoners van de woon-/zorgparken. De Wet geluidhinder vormt hiervoor het toetsingskader. Vanuit de Wet geluidhinder is er aandacht voor wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Vanwege de ligging van het plangebied zijn enkel wegverkeerslawaai en spoorweglawaai relevant. Artikel 74 van de Wet geluidhinder stelt dat alle wegen zoneplichtig zijn, met uitzondering van woonerven en wegen die zijn opgenomen in een 30 km/zone. Iedere zoneplichtige weg heeft, afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied, een geluidszone. Indien geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen binnen de zone conform de Wet geluidhinder, moet de optredende geluidsbelasting ter plaatse van deze bestemmingen worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Aantal rijstroken

Geluidszone binnenstedelijk

Geluidszone buitenstedelijk

1 of 2

200 meter

250 meter

3 of 4

350 meter

400 meter

5 of meer

350 meter

600 meter

Geluidzones wegen Wet geluidhinder Voor woningen gelegen binnen een zone is in de Wet geluidhinder een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege de weg, van de gevel bepaald van 48 dB (Lden). Het college van Burgemeester en Wethouders (B&W) kunnen onder voorwaarden een toelaatbare geluidsbelasting van de gevel toelaten, tot maximaal 63 dB voor binnenstedelijke situaties en tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke locaties. De Wet geluidhinder stelt tevens eisen aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in de geluidzone rondom spoorwegen. De zone is afhankelijk van het geluidproductieplafond, zoals dat is opgenomen in het Geluidregister voor hoofdspoorwegen. Voor de spoorlijn nabij het plangebied geldt een geluidsproductieplafond van 65,5 dB. Daarbij hoort een zonebreedte van 300 meter. De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting railverkeerslawaai is gesteld op 55 dB. Deze waarde geldt ter plaatse van gevels van geluidgevoelige bestemmingen, die gelegen zijn binnen de zone. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde verlenen tot maximaal 68 dB. 5.3.2

Onderzoek

Voor de woon-/zorgparken Amerpoort en Sherpa is afzonderlijk akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportages van deze onderzoeken zijn opgenomen in Bijlage 5 (Amerpoort) en Bijlage 6 (Sherpa). Amerpoort Uit de berekeningen blijkt dat ten gevolge van het wegverkeer op de A27 op het woon-/zorgpark Amerpoort deels sprake is van een geluidsbelasting van meer dan 48 dB. Op het woon-/zorgpark is deels sprake van een geluidbelasting van meer dan 48 dB als gevolg van de Zandheuvelweg. Op een deel van het woon-/zorgpark Amerpoort wordt de maximale toegestane geluidbelasting van 55 dB als gevolg van railverkeer overschreden. Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 37 van 54

Sherpa Uit de berekeningen blijkt dat ten gevolge van het wegverkeer op de A27 op woon-/zorgpark Sherpa deels sprake is van een geluidsbelasting van meer dan 48 dB. Op het woon-/zorgpark is deels sprake van een geluidbelasting van meer dan 48 dB als gevolg van de Zandheuvelweg. Woon-/zorgpark Sherpa ligt buiten de zone van de spoorlijn. 5.3.3

Conclusie en vertaling in het bestemmingsplan

De maximaal toegestane geluidbelasting van 48 dB als gevolg van de A27 en Zandheuvelweg wordt op beide woon-/zorgparken overschreden. Het treffen van maatregelen om de geluidbelasting te verlagen naar maximaal 48 dB is niet haalbaar vanwege de kosten en complexiteit van maatregelen Dit geldt ook voor de maximaal toegestane geluidbelasting van 55 dB als gevolg van railverkeer op woon-/zorgpark Amerpoort. Om de geluidgevoelige functies te kunnen realiseren, is een besluit hogere waarden voor beide woon-/zorgparken noodzakelijk. Dit kan conform de Beleidsregel Wet geluidhinder van de gemeente Baarn. Er is sprake van bestaand stedelijk gebied, waardoor sprake is van een ten hoogst toelaatbare gevelbelasting van 63 dB voor woningen op de woon-/zorgparken Sherpa en Amerpoort als gevolg van wegverkeer en 68 dB als gevolg van railverkeer. Het planologisch mogelijk maken van nieuwe woningen ter plaatse is noodzakelijk vanwege gronden bedrijfsgebondenheid. Zorgorganisaties Sherpa en Amerpoort zijn al vele jaren gevestigd op de locaties. Het betreft vervangende nieuwbouw en de toevoeging van nieuwe woningen om een gezonde bedrijfsvoering te kunnen blijven voeren. Bij realisatie van de woningen wordt zoveel mogelijk gewerkt met een geluidsluwe gevel, voor zover dat stedenbouwkundig inpasbaar is.

Er is namelijk sprake van bestaande woon-/zorgparken waarvan het bestaande karakter leidend is in de opzet van de woon-/zorgparken . Voor een aantal woningen op de woon-/zorgparken worden hogere waarden aangevraagd als gevolg van wegverkeerslawaai. Daarnaast wordt voor een aantal woningen hogere waarden aangevraagd als gevolg van railverkeer. Welke woningen dit betreft en wat het Besluit Hogere Waarden inhoudt, volgt uit een nog te actualiseren akoestisch onderzoek. Tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan wordt het hogere waardenbesluit ter inzage gelegd.

5.4

Bodem

5.4.1

Toetsingskader

Conform artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat de toelichting van het bestemmingsplan altijd een paragraaf over de bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit van het plangebied dient geschikt te zijn voor de functies die met het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Uitgangspunt hierbij is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. 5.4.2

Onderzoek

Om aan te tonen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde uitbreiding van de zorg- en woonfunctie is een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd. Deze is gebaseerd op de onderzoeksnorm: NEN 5725:2017 nl – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek (Bijlage 12). Uit voorgaande bodemonderzoeken in het plangebied zijn enkele lichte bodemverontreinigingen met PAK en PCB in de bovengrond aangetroffen. In de ondergrond is geen verhoogde gehalten aangetroffen. In het grondwater zijn tevens licht verhoogde concentraties gemeten. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium en licht tot plaatselijk matig verhoogde concentraties zink aangetroffen. Van de bariumverontreiniging wordt aangenomen dat dit een

Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 38 van 54

natuurlijke oorsprong betreft. Op de woon-/zorgparken is met name woningbouw aanwezig in combinatie met dagbesteding en kantoren. Daarnaast zijn er ook gebouwen met een recreatief gebruik aanwezig, zoals een zwembad en een sportzaal. Op zowel het terrein van woon-/zorgpark Sherpa als het terrein van woon-/zorgpark Amerpoort waren in het verleden ondergrondse brandstoftanks aanwezig. Deze zijn inmiddels verwijderd. Op het zuidelijk deel van het terrein van woon-/zorgpark Amerpoort was een verzamelplaats voor afval aanwezig. Er vinden momenteel voor zover bekend geen bodembedreigende activiteiten plaats op de beide woon-/zorgparken . In voorgaand onderzoek zijn er geen gevallen van ernstige bodemverontreiniging aangetroffen. De woon-/zorgparken kunnen dan ook als onverdachte locaties beschouwd worden. 5.4.3

Conclusie en vertaling in het bestemmingsplan

Op basis van de bevindingen van het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat beide woon-/zorgparken niet verdacht zijn op het voorkomen van een ernstige bodemverontreiniging. De oorspronkelijk aanwezige brandstoftanks zijn verwijderd en de verontreiniging is gesaneerd. Voor de beoogde verruiming van de zorgfunctie kan het vooronderzoek als leidraad voor de bodemkwaliteit worden gebruikt. Aangezien er maximaal licht verhoogde gehalten in de grond en licht tot plaatselijk matig verhoogde concentraties in het grondwater zijn aangetroffen, is er geen noodzaak om een aanvullend bodemonderzoek uit te voeren. De bodemkwaliteitskaart ter plekke geeft de kwaliteit van de grond dan ook representatief weer. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde verruiming van de zorgfunctie.

5.5

Archeologie

5.5.1

Toetsingskader

Rijksbeleid Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet vormt het kader voor de bescherming van het cultureel erfgoed. Voor onderdelen die de fysieke leefomgeving betreffen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen die geldt tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet (verwacht in januari 2022). Een belangrijk onderdeel van de Erfgoedwet is dat niets aan een monument mag worden veranderd zonder voorafgaande vergunning. Ook het opgraven van archeologische resten is aan regels gebonden. De bescherming van de archeologische waarden is onder andere vertaald in een Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) op zowel nationaal als provinciaal niveau. Deze IKAW laat zien hoe groot de 'trefkans' is om iets archeologisch waardevols aan te treffen. Op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) staan terreinen waarvan bekend is dat ze daadwerkelijk een archeologische waarde hebben. 5.5.2

Onderzoek

In 2010 is in opdracht van de gemeente Baarn door Vestigia een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, waarbij onder andere het gehele woon-/zorgpark Amerpoort en het gehele woon-/zorgpark Sherpa tot het onderzoeksgebied behoorden. Dit onderzoek is te raadplegen via de website van de gemeente Baarn (zie Bijlage 13). Dit onderzoek voldoet ook voor het voorliggende bestemmingsplan. Voor vrijwel het gehele plangebied van het bestemmingsplan Drakenburgergracht – Zorg wordt in het onderzoek de archeologische verwachting naar beneden bijgesteld tot 'laag'. Voor twee kleine gebieden op woon-/zorgpark Amerpoort is op basis van het onderzoek de verwachtingswaarde bijgesteld naar 'middelhoog'. Voor een kleine zone aan de westzijde van woon-/zorgpark Sherpa is een hoge verwachtingswaarde van toepassing. Dit geldt ook voor een klein bosperceel aan de oostzijde van woon-/zorgpark Amerpoort. Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 39 van 54

In het onderzoek wordt ter plaatse van de hoge archeologische verwachtingswaarde een nadere onderzoekseis voorgesteld in geval van bodemroerende werkzaamheden dieper dan 50 cm en groter dan 100 m2. Ter plaatse van de middelhoge archeologische verwachtingswaarde wordt een archeologische begeleidingsplicht voorgesteld bij bodemroerende werkzaamheden dieper dan 50 cm en groter dan 100 m2. 5.5.3

Conclusie en vertaling in het bestemmingsplan

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Op het grootste gedeelte van de woon-/zorgparken is op basis van het onderzoek weinig tot geen aanleiding voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Voor deze delen van de woon-/zorgparken is dan ook geen dubbelbestemming Waarde-Archeologie opgenomen. Ontwikkelingen zijn op de locaties met een hoge archeologische verwachtingswaarde niet op voorhand uitgesloten. Indien er een concreet plan is voor een ontwikkeling op een locatie met een hoge archeologische verwachtingswaarde, is aanvullend onderzoek nodig. Op locaties met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde kan worden ontwikkeld met archeologische begeleiding van de werkzaamheden. Om voorgaande te kunnen borgen, voorziet het bestemmingsplan in één dubbelbestemming: Waarde - Archeologie. Deze geldt voor de hoge archeologische verwachtingswaarde. Voor de middelhoge verwachtingswaarde geldt een aanduiding 'specifieke vorm van archeologie middelhoog'.

5.6

Externe veiligheid

5.6.1

Toetsingskader

Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor kwetsbare objecten moet gekeken worden naar het aspect externe veiligheid. Gevoelige functies in het kader van externe veiligheid zijn de zogenaamde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet binnen de risicocontour van bestaande risicobronnen liggen. Beperkt kwetsbare objecten mogen wel binnen de risicocontour liggen, maar bij voorkeur niet. Er is dan een goede motivatie nodig. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld inrichtingen, transport gevaarlijke stoffen en luchthavens. 5.6.2

Onderzoek

Uit onderzoek (Bijlage 15) blijkt dat de volgende risicobronnen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn: 1. Transport van aardgas door een aardgastransportleiding W-500-01; 2. Transport van aardgas door een aardgastransportleiding A-510-01; 3. Transport van aardgas door een aardgastransportleiding W-533-01; 4. Transport van aardgas door een aardgastransportleiding W-533-07; 5. Transport van gevaarlijke stoffen over het spoortraject Hilversum - Baarn; 6. Transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A27; 7. Transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A1; 8. LPG-tankstation BP-tankstation ‘De Witte Bergen’; 9. LPG-tankstation Esso-tankstation ‘t' Groeneveld; 10. Consumentenvuurwerk ‘Witte tentenverhuur’. Risicobronnen 1,2,3,4,5 en 6 zijn relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid voor het bestemmingsplan. De overige risicobronnen bevinden zich op een te grote afstand van het plangebied om relevant te zijn. De woon-/zorgparken Amerpoort en Sherpa zijn gelegen binnen het invloedsgebied van de

Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 40 van 54

aardgastransportleidingen. Het plangebied ligt op zeer kleine afstand van de spoorlijn Hilversum Baarn. Over deze spoorlijn worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het invloedsgebied van de spoorlijn wordt bepaald door het vervoer van zeer toxische vloeistoffen (D4) over de spoorlijn. De grens van het invloedsgebied van de stof D4 ligt op meer dan 4000 meter. Aangezien het plangebied zich hierbinnen bevindt, is deze bron relevant voor de planontwikkeling vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Het plangebied ligt op ongeveer 60 meter van de rijksweg A27. Over de A27 worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het invloedsgebied van de A27 wordt bepaald door het vervoer van brandbare gassen vloeistoffen (GF3) over de A27. De grens van het invloedsgebied van de stof GF3 ligt op 355 meter. Aangezien het plangebied zich hierbinnen bevindt, is deze bron relevant voor de planontwikkeling vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Het plaatsgebonden risico van de genoemde risicobronnen vormt geen belemmering voor het plangebied. Door het voorliggende bestemmingsplan neemt het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleidingen W-500-1, A-510-01, W-533-01 en W-533-07 beperkt toe en blijft in alle situaties onder de 0,1 van de oriëntatiewaarde.

Het groepsrisico van het transport voor gevaarlijke stoffen over het spoortraject Hilversum – Baarn neemt beperkt toe en blijft in alle situaties onder 0,1 van de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van het transport voor gevaarlijke stoffen over de rijksweg A27 neemt toe. Het groepsrisico ligt echter beneden 1,0 van de oriëntatiewaarde en de toename van het groepsrisico is minder dan 10%. De mogelijkheden om een incident te bestrijden verschillen per scenario. De volgende voorzieningen hebben een positieve invloed op de rampenbestrijding: voldoende bereikbaar voor hulpdiensten; voldoende bluswatervoorzieningen, opstelplaatsen en (blus)middelen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid verschillen per scenario. De volgende voorzieningen hebben een positieve invloed op de zelfredzaamheid: Voldoende vluchtroutes van de risicobronnen af; (Nieuwe) gebouwen in het plangebied voorzien van afsluitbare ventilatie; Opstellen van een calamiteitenplan voor de aanwezigen in het plangebied; Inzetten van risicocommunicatie ter bevordering van handelingen naar zelfredzaamheid; Het toepassen van zo min mogelijk glas, geen grote glas oppervlakten of openslaande ramen aan de risicobronzijde; Het afsluiten van de toevoer van een buisleiding door de beheerder. 5.6.3

Conclusie en vertaling in het bestemmingsplan

De beschouwde risicobronnen kunnen leiden tot ongevallen die onbeheersbaar kunnen blijken. De genoemde mogelijkheden voor incidentenbestrijding en zelfredzaamheid kunnen de effecten van ongevallen reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Ondanks de reductie van het risico, is er altijd sprake van een restrisico.

5.7

Waterparagraaf

5.7.1

Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen, een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin staat de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding (waaronder grondwater en waterveiligheid). Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'. In deze 'waterparagraaf' wordt verslag gedaan van het watertoetsproces.

Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 41 van 54

5.7.2

Beleidsuitgangspunten

Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen gelden de volgende algemene beleidsuitgangspunten: 5.7.2.1 De Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. 5.7.2.2 Nationaal Waterplan In het Nationaal Waterplan (NWP) zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS).

Het Nationaal Waterplan is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening en is opgesteld voor de planperiode 2016-2021. 5.7.2.3 Waterbeleid in de 21e eeuw (2000) De hoge waterstanden in de rivieren in 1995 en 1996 en de klimaatscenario's waarin naast de zeespiegelstijging ook meer en heviger buien worden voorspeld hebben geleid tot vernieuwde aandacht voor water. Nederland is met zijn lage ligging en hoge verstedelijkingsgraad kwetsbaar voor wateroverlast en de veiligheid is in de toekomst in het geding. Maar ook door de drogere zomers is er het risico van watertekorten en verdroging. De commissie "Waterbeheer 21e eeuw" heeft in opdracht van de regering duidelijk gemaakt dat we anders moeten omgaan met water en ruimte. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast, moet ten minste behouden blijven. De aanwezige ruimte mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Daarbij zijn de trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' en 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' belangrijke uitgangspunten. De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms in een stroomgebied wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater.

Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. 5.7.2.4 Waterbeheer 21e eeuw (WB21) Het thema "water als ordenend principe" loopt als een rode draad door het gehele plan. Dit houdt in dat, voordat beslissingen worden genomen op ruimtelijk gebied, nagegaan wordt welke gevolgen die hebben voor watersystemen. Het rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven, hebben besloten maatregelen voor een doelmatiger waterbeheer overeen te komen. Het waterschap Vallei en Veluwe zet zich in voor een mooi, veilig, schoon, gezond en duurzaam beheer van het watersysteem en de waterketen. Het doel is om de kwaliteit van het beheer te vergroten tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. De burger laten zien wat wordt bereikt en transparant zijn over de kosten. Dat doen de partijen vanuit eigen verantwoordelijkheden waarbij de expertise en deskundigheid met elkaar gedeeld wordt.

Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 42 van 54

5.7.2.5 Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021van de provincie Utrecht In het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 van de provincie Utrecht staat wat de provincie de komende jaren samen met haar partners wil bereiken op het gebied van Bodem, Water en Milieu. De provincie Utrecht richt zich op het behouden en verbeteren van een aantrekkelijk woon-, werken leefklimaat. Dit betekent dat de provincie werkt aan: een robuust bodem- en watersysteem; bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied, zoals landbouw, recreatie of natuur; een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving; een gezonde leefomgeving die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio. 5.7.2.6 WaterbeheerprogrammaWaterschap Vallei en Veluwe In het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 heeft waterschap Vallei en Veluwe tactische doelen geformuleerd. Per jaarplan geeft het waterschap concreet invulling aan de daadwerkelijke realisatie van deze doelen. 5.7.2.7 Blauwe Omgevingsvisie2050 De Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) is de langetermijnvisie tot 2050 van het Waterschap Vallei en Veluwe. De BOVI is onze input voor omgevingsvisies en -plannen in het kader van de Omgevingswet. Het vormt tevens een uitnodiging voor dialoog aan de maatschappelijke partners en is de basis voor het nieuwe waterbeheerprogramma.

Met de BOVI zet het waterschap koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving, op een manier die aansluit bij de Omgevingswet. In de BOVI staat het nieuwe waterdenken centraal. In het kader van de Omgevingswet is er sprake van een nieuwe manier van denken over waterbeheer, dat uitgaat van een integrale, duurzame benadering van het watersysteem. Waterschap Vallei en Veluwe staat voor behoud en verbetering van duurzame omgevingswaarde(n). Het waterschap streeft ernaar om bij te dragen aan oplossingsrichtingen voor grote uitdagingen op het gebied van klimaatverandering, circulaire economie, energie en de leefomgeving. 5.7.2.8 Keur Waterschap Vallei en Veluwe Op 1 januari 2014 is de nieuwe Keur met de Algemene – en Beleidsregels van Waterschap Vallei en Veluwe in werking getreden. Het waterschap stelt deze regels vast ter behartiging van de waterschapstaak en het bereiken van de doelstelling zoals genoemd in artikel 2.1 van de Waterwet. Alle handelingen in of nabij een waterstaatswerk worden hieraan getoetst. 5.7.2.9 Gemeentelijk Water en Rioleringsplan Soest-Baarn2018-2022, versie Baarn Gemeente Soest en Baarn hebben gezamenlijk een rioleringsplan opgesteld. Ontwikkelingen die met onderhavig plan mogelijk gemaakt worden, mogen niet in strijd zijn met dit rioleringsplan. Nieuwe ontwikkelingen op beide woon-/zorgparken worden getoetst aan dit plan.

5.7.2.10

Conclusie

Het bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met het hierboven beschreven beleid.

Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 43 van 54

5.7.3

Waterbelangen

In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde A-wateren), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Vanwege de forse omvang van de ontwikkelingen, is aandacht besteed aan de waterbelangen in relatie tot de beoogde plannen voor woon-/zorgparken Sherpa en Amerpoort. Hierbij is rekening gehouden met de kwetsbare doelgroep die op de woon-/zorgparken verblijft, waardoor het toevoegen van oppervlaktewater vanwege veiligheidsaspecten niet de voorkeur heeft. Vanwege de mate van flexibiliteit die het bestemmingsplan biedt in combinatie met een verre planhorizon, is geen sprake van een volledig uitgewerkt plan voor de waterhuishouding in het plangebied. Wel wordt een aantal uitgangspunten meegegeven, waarmee de waterbelangen bij concrete ontwikkelingen in het plangebied kunnen worden geborgd. Hemelwater wordt in het plangebied op basis van de trits 'vasthouden-bergen-afvoeren' zoveel mogelijk ter plaatse vastgehouden. Vanwege het natuurlijke en groene karakter van het plangebied worden hiervoor kansen gezien, bijvoorbeeld in de bosbodem, middels groene daken of door toepassing van infiltratiesystemen. Wanneer dit redelijkerwijs niet mogelijk is, kan worden geloosd op oppervlaktewater.

Deze watergangen en het oppervlaktewater zijn, ter bescherming van de kwetsbare doelgroep, vooral aan de randen van de woon-/zorgparken gesitueerd. Vanwege de aanwezigheid van een drukriool kan hemelwater niet via het riool worden afgevoerd. Vanwege de omvang van de ontwikkelingen geldt dat de hoeveelheid te lozen water vanaf verhard oppervlak in oppervlaktewater geen nadelig effect mag hebben op het ontvangend waterlichaam. Dit houdt in dat er conform de Keur van het waterschap nadelige effecten op het watersysteem worden gecompenseerd, er niet meer dan de plaatselijk geldende landelijke afvoer vanuit het plangebied wordt geloosd, er een waterberging van 60 mm per toegenomen m2 verhard oppervlak wordt gerealiseerd in de vorm van een statische berging met een capaciteit 600 m3 per hectare verhard oppervlak of een dynamische berging waarbij rekening wordt gehouden met infiltratie. Waterberging kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door het creëren van overcapaciteit in het ontvangende watersysteem, waarbij moet worden gedacht aan het ophogen/aanpassen van stuwconstructies naar knijpconstructies in de watergangen rond de woon-/zorgparken. Door het realiseren van voldoende waterbergende capaciteit wordt wateroverlast als gevolg van zware regenbuien zoveel mogelijk voorkomen. Er is geen sprake van een overstromingsgevoelig gebied.

Bij nieuwbouw op de woon-/zorgparken wordt wel rekening gehouden met de grondwaterstand. Bebouwing wordt aangepast aan het grondwaterregime, niet andersom. Dit betekent dat wordt ontworpen ten opzichte van de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand). De ontwateringsnorm voor wegen (kruin van de weg) is 70 cm boven GHG en voor woningen 90 cm (tov. Onderkant vloer). Ook zal er sprake zijn van een grondwater neutrale situatie in de gebruiksfase: structurele drainage of andere middelen om grondwater af te voeren zijn in principe niet toegestaan. Ook worden bij nieuwbouw geen uitlogende materialen gebruikt op plaatsen die in contact kunnen komen met (grond)water. Bij nieuwbouw zal, zoals gebruikelijk in het plangebied, voor de afvoer van afvalwater, niet zijnde 'schoon' hemelwater, worden aangesloten op het riool. Er vinden geen lozingen van afvalwater, niet zijnde 'schoon' hemelwater, plaats op oppervlaktewater of in het grondwater. 5.7.4

Klimaatadaptatie

Het plangebied komt in de klimaateffectatlas (www.klimaatvalleienveluwe.nl) niet naar voren als een potentiële overlastlocatie. Om deze reden hoeven er geen extra maatregelen te worden genomen om woningen en infrastructuur op de woon-/zorgparken aan te passen aan eventuele wateroverlast. Het plangebied is gelegen in de bovenloop van watergangen. Gezien de klimaatveranderingen, waarin steeds vaker en ernstiger verdroging optreedt, is het van belang om water zo lang mogelijk hoog in het systeem vast te houden. Infiltratie van regenwater en het opzetten van stuwpeilen in de watergangen kan hieraan bijdragen.

Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 44 van 54

De zorgorganisaties Sherpa en Amerpoort bieden onderdak aan kwetsbare groepen. Vanuit het oogpunt van klimaatverandering en de daardoor toenemende perioden van hittestress (in duur en ernst) is het van belang de nieuwbouwontwikkelingen zo te ontwerpen dat hittestress wordt geminimaliseerd. Dit kan door maatregelen te treffen aan zowel bebouwing als omgeving. Ten aanzien van de omgeving is het van belang zoveel mogelijk schaduw te creëren en de omgeving zo min mogelijk te verharden. De groene daken die eerder genoemd zijn ten aanzien van waterberging, dragen ook bij aan een beter leefklimaat door isolatie van de onderliggende ruimte en verdamping en (dus) verkoeling van de buitenruimte. Er kan ook worden gedacht aan het creëren van verticaal groen om hittestress in het plangebied te minimaliseren. 5.7.5

Conclusie

In verschillende overleggen tussen initiatiefnemer, gemeente en waterschap is de planvorming voor de ruimtelijke ontwikkelingen besproken. De gezamenlijke conclusie is dat de waterbelangen in relatie tot de ruimtelijke ontwikkelingen in voldoende mate zijn geborgd, en dat er wat betreft het aspect water sprake is van een uitvoerbaar bestemmingsplan. De gevolgen van het bestemmingsplan op de waterbelangen zijn, met inachtneming van wat is afgestemd met de initiatiefnemers en wat in deze paragraaf is beschreven, beperkt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Indien voor ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt een watervergunning of melding nodig is, wordt deze aangevraagd door de initiatiefnemers. Een watervergunning van het waterschap is bijvoorbeeld nodig voor het dempen en/of vergraven van watergangen, het lozen van water op oppervlaktewater en het onttrekken van grondwater. Hiermee worden bepaalde waterbelangen in het plangebied nogmaals geborgd.

5.8

Verkeer & parkeren

Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen gevolgen hebben voor de verkeersafwikkeling op het wegennet aansluitend op het plangebied. Ontwikkelingen kunnen namelijk leiden tot extra verkeersbewegingen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet aandacht aan verkeer en parkeren worden besteed in een bestemmingsplan. 5.8.1

Onderzoek

Aan de hand van capaciteitsberekeningen (Bijlage 14) is onderzocht in hoeverre de plannen van Amerpoort en Sherpa gevolgen hebben voor de verkeersafwikkeling van beide zorgorganisaties via het kruispunt met de Zandheuvelweg. De basis voor de capaciteitsberekeningen vormt een verkeerstelling uit 2017, die in opdracht van de gemeente Baarn is uitgevoerd. Op basis van de verkeerstelling en het jaarpercentage autonome groei (0,85 procent per jaar) zijn berekeningen uitgevoerd voor het toetsjaar 2030. Dit is 10 jaar na vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij is uitgegaan van een groei van Sherpa met 100 cliënten voor dagbesteding en met 100 cliënten voor wonen en een gelijkblijvend aantal cliënten voor Amerpoort. Uit de berekeningen blijkt dat in 2030 in de avondspits de wachttijd op de Eemeroordlaan relatief hoog is. Met de groei van Sherpa komt de wachttijd, voor verkeer dat linksaf de Zandheuvelweg wil opdraaien in 2030 boven de grenswaarde van 20 seconden uit. Een grenswaarde van 20 seconden wordt over het algemeen aangehouden als aanvaarbare wachttijd bij dit type kruising en weg. Echter, ook zonder de groei van Sherpa, met alleen de autonome verkeerstoename zal de wachttijd in 2030 al de grenswaarde van 20 seconden bedragen. De groei in de wachttijd is dus niet in zijn geheel toe te schrijven aan ontwikkelingen binnen het plangebied.

Gemeente Baarn, Sherpa en Amerpoort werken in overleg met elkaar aan een oplossing voor de verkeersafwikkeling op de Zandheuvelweg. Gemeente Baarn laat een ontwerp opstellen voor het aanpassen van de kruising, met als doel een verbeterde doorstroming.

Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 45 van 54

5.8.2

Conclusie en vertaling in het bestemmingsplan

Autonome groei, zal er samen met de groei van Sherpa in het aantal cliënten, voor zorgen dat de wachttijd op de Eemeroordlaan, op woon-/zorgpark Sherpa, toeneemt tot boven de grenswaarde van 20 seconden. De wachttijden buiten het plangebied nemen niet toe tot boven de grenswaarde. Er zijn geen negatieve effecten op de doorstroming voor verkeer buiten het plangebied. Parallel aan het bestemmingsplantraject voeren de gemeente Baarn en de zorgorganisaties Amerpoort en Sherpa overleg over optimalisering van de ontsluiting op de Zandheuvelweg. Een eventuele aanpassing van de kruising in een later stadium vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan. Aanpassing van de kruising vindt plaats buiten het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan, maar zal wel leiden tot een gunstigere situatie binnen het plangebied. Parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het maximale aantal cliënten bij Amerpoort wordt niet uitgebreid, waardoor er geen extra parkeerbehoefte ontstaat, omdat het aantal medewerkers en bezoekers door het gelijkblijvende aantal cliënten niet noemenswaardig zal toenemen. Voor Sherpa geldt dat een groei van het aantal cliënten ook een groei van het aantal medewerkers en bezoekers met zich meebrengt.

De bijbehorende parkeervraag wordt volledig opgevangen op eigen terrein, binnen het plangebied. Op het eigen terrein is namelijk voldoende ruimte beschikbaar voor het realiseren van parkeerplaatsen. Door de flexibele kaders die het bestemmingsplan biedt is op dit moment niet exact duidelijk wat, waar en wanneer er wordt ontwikkeld op woon-/zorgpark Sherpa. Hierdoor is dus ook nog niet bekend wat de exacte parkeerbehoefte zal zijn. Bij concrete ontwikkelingen die zien op een uitbreiding van het aantal cliënten (bijvoorbeeld nieuwe woningen waardoor het aantal cliënten en dus het aantal personeelsleden en bezoekers toeneemt) zal een aantal parkeerplaatsen worden gerealiseerd conform de parkeernormen in de Nota Parkeernormen 2014-2019 van de gemeente Baarn, of diens wettelijke opvolger. Op dit moment is een zorgorganisatie niet opgenomen in de parkeernormen van de gemeente Baarn, en wordt in de hiervoor genoemde nota verwezen naar publicatie 317 van CROW (‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’). Parallel aan het bestemmingsplan is Sherpa op dit moment bezig met het realiseren van een nieuw parkeerterrein.

5.9

Luchtkwaliteit

5.9.1

Toetsingskader

In de Wet milieubeheer (hierna: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierin is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waarin in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Voor andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. Kern van het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en op welke wijze overschrijdingen van de luchtkwaliteit dienen te worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen, zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit, hoeven niet meer te worden getoetst aan de hiervoor geldende grenswaarden. De beoordelingscriteria of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in het "Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)".

In dit Besluit is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma, een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 46 van 54

In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. Op grond van artikel 5.16 Wm wordt een bestemmingsplan enkel vastgesteld wanneer aannemelijk is gemaakt dat: Het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden; of De luchtkwaliteit als gevolg van het vergunde plan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert; of Het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen; of De ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. 5.9.2

Onderzoek

De in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' opgenomen categorieën zijn niet van toepassing. Daarom is met behulp van de NIBM-tool berekend of er sprake is van een project dat NIBM bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Uit de NIBM-tool volgt dat hier inderdaad sprake van is. Het project draagt NIBM bij aan de luchtverontreiniging. Uit Bijlage 14 volgt dat er richting Sherpa op termijn sprake zal zijn van 21 procent toename van de verkeersbewegingen als gevolg van de groei van het aantal personeelsleden ten behoeve van de extra 100 cliënten. Volgens de NIBM-tool is er zelfs bij een onrealistisch hoog aantal extra voertuigbewegingen (1000 per weekdaggemidelde) en een aandeel vrachtverkeer van 5,0 procent sprake van een bijdrage die NIBM is. Op basis hiervan kan met zekerheid worden gesteld dat dit ook geldt voor de veel lagere groei van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van een toenemend cliëntaantal bij Sherpa.

NIBM-tool

Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 47 van 54

5.9.3

Conclusie en vertaling in het bestemmingsplan

De ontwikkelingen die met het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Er is enkel bij Sherpa op termijn sprake van een groei in het aantal cliënten en de bijbehorende verkeersbewegingen. Verder zal het plan niet leiden tot een groei van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van wat nu in het vigerende bestemmingsplan al mogelijk is. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan.

5.10

M.e.r.-beoordeling

In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen (activiteit D11.2). Ook het wijzigen van twee woon-/zorgparken wordt gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject. Het Besluit m.e.r. geeft onder ‘gevallen’ per activiteit aan wat de relevante drempel is voor een m.e.r.-(beoordelings)plicht. De relevante gevallen voor een stedelijk ontwikkelingsproject zijn: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.- beoordeling'. Als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Met voorliggend bestemmingsplan wordt een ontwikkeling mogelijk gemaakt die ruim onder drempelwaarden ligt voor activiteit D11.2. Er is een aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.

opgesteld waarin aandacht is besteed aan de kenmerken van het project en de locatie en de potentiële milieueffecten als gevolg van het project. De aanmeldingsnotitie (concept) is opgenomen in Bijlage 16. Op basis van de aanmeldingsnotitie kan worden gesteld dat er geen noodzaak is voor het doorlopen van een verdere m.e.r.-beoordelingsprocedure. Het college van Burgemeester en Wethouders dient hierover een besluit te nemen voordat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd.

Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 48 van 54

Hoofdstuk 6

6.1

Juridische planopzet

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de juridische regeling van het bestemmingsplan toegelicht. Allereerst volgt een algemene toelichting op de opzet van het bestemmingsplan. Vervolgens wordt de planvorm toegelicht en ingegaan op de relatie met andere bestemmingsplannen en inpassingsplannen. Vervolgens wordt een artikelsgewijze toelichting op de regels gegeven.

6.2

Opzet bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), zoals die gelden sinds 1 juli 2008. Naast deze toelichting bestaat het bestemmingsplan uit planregels en een verbeelding. Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP) De regels van dit bestemmingsplan zijn opgezet conform de Wro en het Bro, zoals die gelden sinds 1 juli 2008. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (hierna: SVBP 2012). De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn conform deze standaarden opgesteld.

6.3

Planvorm

Dit bestemmingsplan komt in de plaats van de andere bestemmingsplannen ter plaatse van het plangebied. De bestemmingen van dit plan vervangen de bestemmingen uit de andere plannen.

6.4

Artikelsgewijze toelichting

6.4.1

Hoofdstuk1 Inleidende regels

In het eerste hoofdstuk van de regels zijn de inleidende regels opgenomen. Deze bestaan uit definities van begrippen in artikel 1 en de wijze van meten in artikel 2. 6.4.2

Hoofdstuk2 Bestemmingsregels

In hoofdstuk twee van de regels zijn per bestemming de bestemmingsregels opgenomen. Het bestemmingsplan kent bestemmingen:

Artikel 3 Bedrijf - Nutsvoorziening Met deze bestemming wordt de aanwezigheid van een antenne op woon-/zorgpark Sherpa juridisch geregeld.

Artikel 4 Cultuur en Ontspanning - Kinderboerderij Met deze bestemming wordt de aanwezigheid van een kinderboerderij en dagbesteding op

Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 49 van 54

woon-/zorgpark Amerpoort juridisch geregeld. Artikel 5 Groen Met deze bestemming wordt de kenmerkende groenstructuur op beide woon-/zorgparken juridisch geregeld. Ook voorzieningen ten behoeve van de ontsluiting van de woon-/zorgparken zijn mogelijk binnen deze bestemming, indien daar vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid in relatie tot de kwetsbare bewoners van de woon-/zorgparken behoefte aan blijkt te zijn. Voor werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor het aanwezige groen op de woon-/zorgparken, is een vergunningenstelsel opgenomen.

Artikel 6 Maatschappelijk - Zorg Dit is de hoofdbestemming voor beide woon-/zorgparken. Met deze bestemming is de aanwezigheid van de bestaande zorgfuncties plus de verruiming van de bebouwingsmogelijkheden op beide woon-/zorgparken juridisch geregeld. De bouwvlakken vallen samen met de bestemming. Daarnaast wordt voorzien in een tweetal aanduidingen, waarmee per zorgorganisatie de bebouwingsmogelijkheden in m2 BVO, m2 footprint en m2 bijgebouwen worden geregeld.

Artikel 7 Natuur Met deze bestemming wordt het Natuur Netwerk Nederland binnen het plangebied juridisch geregeld. De gronden zijn aangewezen voor instandhouding, aanleg en ontwikkeling van natuurwaarden, waarbij het gaat om het NNN. (De aanleg van) voorzieningen ten behoeve van de ontsluiting van de woon-/zorgparken en parkeervoorzieningen zijn mogelijk binnen deze bestemming, mits hierdoor de natuurwaarden niet onevenredig aangetast worden en de mogelijkheden voor herstel, versterking of ontwikkeling van natuurwaarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 8 Water Het belangrijkste oppervlaktewater binnen het plangebied van het bestemmingsplan is als ‘Water’ bestemd. Deze gronden zijn bestemd voor vijvers, kaden, oevers en de waterhuishouding, met de daarbij behorende andere bouwwerken.

Artikel 9 Leiding - Gas Deze bestemming ligt op een strook waarin leidingen (hoofd)gastransportleidingen gelegen zijn. Ter weerszijden van de gastransportleidingen is een zogenaamde belemmeringenstrook opgenomen. De breedte van deze belemmeringenstrook hangt af van de druk van de desbetreffende leiding en bedraagt vier of vijf meter ter weerszijden van de hartlijn van de leiding. Binnen de aangegeven strook mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de leidingen. De bestemming moet voorkomen dat bebouwing te dicht op leidingen wordt gesitueerd, wat het doelmatig gebruik van de leidingen zou kunnen aantasten. Voor werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor de gastransportleidingen is een vergunningenstelsel opgenomen.

Artikel 10 Leiding - Water In het plangebied bevindt zich een 700 mm hoofdtransportleiding voor water. Deze leidingstrook is onder de bestemming ‘Leiding - Water’ gebracht. De breedte van de strook is gebaseerd op de doorsnede van de leidingen, met aan weerszijden een belemmeringenstrook van vijf meter die onbebouwd, onbeplant en onverhard moeten blijven.

Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 50 van 54

Artikel 11 Waarde - Archeologie De bestemming is gericht op het behoud van de mogelijk te verwachten archeologische waarden. De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ is gekoppeld aan bouwregels alsmede aan een omgevingsvergunningstelsel. 6.4.3

Hoofdstuk3 Algemene regels

In hoofdstuk drie van de regels zijn de algemene regels opgenomen. In artikel 4 is de Anti-dubbeltelregel opgenomen. Het Bro stelt de verplichting de antidubbeltelregel over te nemen in bestemmingsplannen. Deze standaardbepaling heeft als doel te voorkomen dat van ruimte, die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie is mogelijk gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw ten tweede male zou kunnen worden gebruikgemaakt. In artikel 5 zijn de overige regels opgenomen. In de overige regels wordt de verhouding met de onderliggende bestemmingsplannen en inpassingsplannen geregeld. 6.4.4

Hoofdstuk4 Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels zijn de overgangs- en slotregels opgenomen. In Artikel 16 zijn de overgangsregels opgenomen. De overgangsregels zijn voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Hiermee worden de bestaande rechten op de gronden beschermd. In Artikel 17 zijn de slotregels opgenomen. Hier wordt de titel van het bestemmingsplan gegeven. De titel waarmee het bestemmingsplan kan worden aangehaald is bestemmingsplan 'Drakenburgergracht Zorg 2020'.

Drakenburgergracht Zorg 2020 Pagina 51 van 54

Hoofdstuk 7

7.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. De ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt met het bestemmingsplan dienen te zijn besproken met belanghebbenden. Dit kunnen zowel (overheids)instanties als burgers en private partijen zijn. Vooroverleg Het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan pleegt daarbij conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het wettelijk vooroverleg is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de vooroverlegpartners: Waterschap Vallei & Eem In samenspraak met de ambtenaar van gemeente Baarn is invulling gegeven aan de waterparagraaf. Deze is integraal overgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan. Provincie Utrecht Reactie In het geldende bestemmingsplan “Drakenburgergracht Zorg” zijn de woon-/zorgparken grotendeels bestemd voor maatschappelijke doeleinden. Dit is een aaneengesloten bestemmingsvlak waarbinnen ook de natuurwaarden vallen. Deze worden beschermd door de bepaling dat er uitsluitend binnen de op de kaart aangegeven bouwvlakken gebouwd mag worden.

NNN en bos In het nu opgestelde concept is deze benadering losgelaten. Het gebruik van aaneengesloten bestemmingsvlakken is gehandhaafd. Daarbinnen is aangegeven tot welke oppervlakte BVO er gebouwd mag worden. Er zijn geen restricties opgenomen om de vanuit natuur (NNN) en bosbescherming aangeduide gebieden te vrijwaren van bebouwing of anderszins aantasting ten behoeve van de maatschappelijke bestemming. De mogelijkheid om binnen die plandelen te bouwen, asfalteren of anderszins activiteiten te ontwikkelen die daarmee in strijd zijn maakt het plan in zijn huidige vorm in strijd met de PRV aangaande de regels betreffende het NNN en die van de VNL aangaande de bescherming van bosopstanden. Verwerking in het bestemmingsplan In het voorliggende bestemmingsplan zijn delen van het NNN, zoals opgenomen in de PRV van de provincie, op het woon-/zorgpark Amerpoort bestemd als Maatschappelijk-Zorg. Het areaal NNN, zoals opgenomen in de PRV, dat hiermee verloren gaat, wordt elders binnen het woon-/zorgpark één-op-één gecompenseerd. Deze gronden hebben de bestemming Natuur gekregen. Onderzoek moet nog uitwijzen in hoeverre wezenlijke kenmerken of -waarden verloren gaan binnen de ontwikkellocaties en in hoeverre deze tot wasdom kunnen komen binnen de ontwikkellocaties.

Voor de bestemmingen Groen en Natuur is een vergunningenstelsel opgenomen dat moet voorkomen dat bestaande waarden aangetast worden door voorgenomen ontwikkelingen. Tevens is binnen bestemming Natuur slechts ruimte voor bestaande wegen en parkeervoorzieningen. Deze reactie van de provincie heeft geleid tot aanpassingen aan regels en verbeelding. Bouwen Een tweede punt is de regeling om de maximale bouwoppervlakte te bepalen. De systematiek van

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9558877/1