1383257 Verordening Fysieke Leefomgeving Baarn, eerste wijziging bijlage 2 Geactualiseerde Verordening fysieke leefomgeving Baarn MET WIJZIGINGEN (2)
Tekst van het document
Deze verordening treedt in werking een dag na die waarop zij is bekendgemaakt. 2. De volgende (delen van) verordeningen en delen uit de APV (vastgesteld in de openbare vergadering van 19 februari 2020) worden ingetrokken: a. Hoofdstuk 2, afdeling 2 met uitzondering van artikel 2:14 van APV Baarn; b. Hoofdstuk 4, afdeling 1 APV Baarn; c. Hoofdstuk 4, afdeling 4, 5 en 6 van APV Baarn met uitzondering van artikel 4:13, 4:18, 4:19, 4:20 en 4:21;
d. Hoofdstuk 5, afdeling 4 van APV Baarn; e. Hoofdstuk 5, afdeling 6 van APV Baarn; f. Algemene verordening ondergrondse infrastructuren 2015 gemeente Baarn; h. Bomenverordening gemeente Baarn 2016; i. Bouwverordening Baarn 2012, artikel 9.1, 2.4.1, 2.4.2 en 10.6; j. Erfgoedverordening 2010 gemeente Baarn; k. Marktverordening gemeente Baarn 2011; l. Verordening afvoer hemelwater en grondwater gemeente Baarn. 2. Overeenkomstig het eerste lid treden in werking op hetzelfde moment als deze verordening: a
de Erfgoedverordening gemeente Baarn 2026;
Artikel 13:5 Overgangsbepaling 1. Besluiten, genomen krachtens de verordening, genoemd in artikel 13:4, tweede lid, die golden op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2. De intrekking bedoeld in artikel 13:4, tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordeningen genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop die nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken. 3. Hoofdstuk VII is van toepassing op de kabels en leidingen die aanwezig zijn op het moment dat deze verordening in werking treedt, ongeacht op welke grondslag deze zijn aangelegd. 4. Op aanvragen en meldingen waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen. 1. Hoofdstuk VII is van toepassing op de kabels en leidingen die aanwezig zijn op het moment dat deze verordening in werking treedt, ongeacht op welke grondslag deze zijn aangelegd. 2.
Op aanvragen en meldingen waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen. 3. Bezwaarprocedures tegen besluiten die zijn gebaseerd op de Verordening fysieke leefomgeving Baarn, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog niet onherroepelijk is beslist, worden afgehandeld volgens de regels zoals deze golden voor inwerkingtreding van deze verordening. Artikel 13:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving gemeente Baarn, eerste wijziging.
BIJLAGEN Bijlage 1: Begripsbepalingen ALGEMEEN APV: Algemene Plaatselijke Verordening Baarn; bestuursorgaan: een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld of een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een vergunning of ontheffing of omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verder: Wabo) Omgevingswet; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet; burgemeester en wethouders: Het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet; omgevingsplan: het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet, dan wel het tijdelijk deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet; omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vergunning als bedoeld in
artikel 5.1 van de Omgevingswet; omgevingsverordening: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; vergunning of ontheffing: een besluit van het bevoegd gezag om toestemming te verlenen of te weigeren gebaseerd op deze verordening; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994. BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN (HOOFDSTUK II) hoofdgebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij artikel 1.1, onderdeel A van het Besluit bouwwerken leefomgeving; openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie – al dan niet ter plaatse - worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis, fastfood- en maaltijd- afhaalpunten of bezorging;
terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van de openbare inrichting waar zitgelegenheid wordt geboden en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid, verstrekt of genuttigd; uitweg: een ingang of uitgang van een perceel voor motorrijtuigen, als bedoeld in artikel 1, lid c van de Wegenverkeerswet, met uitzondering van motorrijtuigen op 2 wielen, om de openbare weg te bereiken, gelegen op gemeentegrond (ook wel inrit, uitrit en oprit genoemd). VOORKOMEN OF BEPERKEN GELUIDHINDER (HOOFDSTUK III) bedrijf: natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inrichting, milieubelastende activiteit of andere bedrijfsmatige activiteit uitvoert als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Omgevingsbesluit; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal voorzieningen is verbonden; gevoelige geluidgevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer woningen en gebouwen die op grond van de Omgevingswet worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende activiteit; gevoelige geluidgevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer terreinen die op grond van de Omgevingswet worden aangemerkt
als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende activiteit; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal voorzieningen; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat artikel 3:1 uitsluitend van toepassing is op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE (HOOFDSTUK IV) kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 5.1, tweede lid onder a van de Omgevingswet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; Houtsprokkelen sprokkelen: het verzamelen en verwijderen van staand of losliggend, vermolmd dan wel uitdrogend, dood hout.
STANDPLAATSEN (HOOFDSTUK V) buitenplanse omgevingsplanactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij artikel 1.1 van de Omgevingswet; standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan:
a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de APV. OPENBAAR WATER EN WATERSTAATSWERKEN (HOOFDSTUK VI) openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn. ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUREN (HOOFDSTUK VII) a. aansluiting: het gedeelte van de kabel en/of leiding dat een netwerk verbindt met een fysiek punt waarop een klant de toegang tot een openbaar netwerk wordt geboden; b. belanghebbenden: de omwonenden en bedrijfsmatige gebruikers van alle percelen, grenzend aan het tracé van kabels en/of leidingen; c. breekverbod: verbod voor het uitvoeren van werkzaamheden in de grond; d. gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 10.11 van de Omgevingswet, artikel 5.2, eerste lid van de Telecommunicatiewet, een publiekrechtelijke vergunning of een privaatrechtelijke overeenkomst; e. instemmingsbesluit: besluit van burgemeester en wethouders: het bevoegd gezag op een aanvraag tot instemming van de voorgenomen werkzaamheden, zoals hierna genoemd in onderdeel n; f.
kabels en/of leidingen: een of meer kabels en/of leidingen die onderdeel zijn van een openbaar (elektronisch communicatie-)netwerk, daaronder mede begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel en onderstations, distributie- en/of mutatiepunten, en tevens omvattende lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie;
g. marktconforme kosten: kosten zoals deze onder normale omstandigheden in een markteconomie op de desbetreffende markt worden gemaakt; h. netbeheerder: degene die als natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon acteert als beheerder van een al dan niet openbaar netwerk; i.
netwerk: samenstel van kabels of leidingen;
j.
niet-openbare kabels en/of leidingen: kabels en/of leidingen, dan wel het netwerk waartoe deze behoren, die niet gebruikt worden om openbare, zijnde voor het publiek beschikbare, diensten aan te bieden;
k. openbare gronden: openbare gronden, als genoemd in artikel 1.1, onderdeel aa, van de Telecommunicatiewet; l.
registratiesysteem: digitaal systeem dat de gemeente gebruikt om meldingen en instemmingen van werkzaamheden, zoals hierna genoemd in onderdeel n, en alles wat daarmee samenhangt te verwerken;
m. spoedeisende werkzaamheden, zoals hierna genoemd in onderdeel n: werkzaamheden voor reparatie of onderhoud waarvan uitstel niet mogelijk is als een ernstige belemmering of storing van de dienstverlening in het betreffende netwerk is opgetreden; n. werkzaamheden handmatige en/of mechanische (graaf)werkzaamheden, waaronder ook begrepen het opbreken en herstellen van de sleufbedekking en sleuf loze technieken, in of op openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen; o. werkzaamheden van werkzaamheden van niet ingrijpende aard met een gezamenlijke tracélengte tot vijfentwintig (25) meter en waarbij geen wegen, watergangen of groenvoorzieningen volledig worden gekruist en/of bovengrondse voorzieningen worden geplaatst; het aanbrengen of verwijderen van kabels en/of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen; het maken van maximaal twee op brekingen met elk een afmeting van maximaal 2 m². BOMEN (HOOFDSTUK VIII) bebouwde kom: bij raadsbesluit in het kader van artikel 4.1 onderdeel a juncto 9.9 eerste lid van de Wet natuurbescherming vastgestelde bebouwde kom; bomeneffect-analyse: een beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een houtopstand; bomenfonds: gemeentelijke voorziening ter financiering van herplant van houtopstand.
Herplant vindt plaats binnen een termijn van vijf jaar na ontvangst van de geldelijke bijdrage in het kader van een compensatieverplichting; boom: -een houtig opgaand en in beginsel overblijvend gewas met een stamomtrek van minimaal 78 cm gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamomtrek van de dikste stam. In afwijking van deze minimale stamomtrek van 78 cm geldt geen minimale stamomtrek indien het bomen zijn als in artikel 8:6, 8:7, 8:8, 8:9 en 8:10 van deze verordening; compensatieplan: -overzicht waarin opgenomen: aantal en soort te plaatsen nieuwe houtopstand in het plangebied als vervanging van aantal en soort te kappen houtopstand in hetzelfde plangebied; houtachtige: -een houtig opgaand en in beginsel overblijvend gewas; houtopstand: -één of meer bomen of hakhout hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet; kandelaberen: -het tot op de hoofdtakken snoeien van de houtopstand; knotten: -het afzagen van de kroon van de houtopstand; noodkap: -kap van houtopstand binnen 48 uur, die nodig is in verband met grote gevaarzetting voor de directe omgeving; perceel: -een bebouwd perceel dat met erf en/of tuin een eenheid vormt.
Als meerdere zelfstandige woonadressen binnen één kadastraal perceel vallen, wordt de omvang van het perceel bepaald op basis van het adres van de zelfstandige wooneenheid van de eengezinswoning waarop de houtopstand zich bevindt; vellen: -betreft vellen, doen vellen of laten vellen. Dit is rooien, kappen, of verplanten of het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van voor de eerste keer kandelaberen of knotten; - betreft het verrichten van handelingen, zowel boven- als
ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben. hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. BODEM (HOOFDSTUK IX) Besluit indieningsvereisten: het Besluit indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 40a, eerste lid en 57, tweede en derde lid van de Woningwet; Besluit bouwwerken: het Besluit omgevingsvergunningvrije en lichtomgevingsvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 43, eerste lid onder c en artikel 44, tweede lid van de Woningwet; NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm. Onder bouwwerk wordt mede verstaan: een gedeelte van een bouwwerk; Onder gebouw wordt mede verstaan: een gedeelte van een gebouw. [vervallen] ERFGOED (HOOFDSTUK X) gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; stads- of dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden; MARKT (HOOFDSTUK XI) markt: de door burgemeester en wethouders het bevoegd gezag ingestelde warenmarkt.
standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel; vaste standplaats: de standplaats die voor onbepaalde tijd ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder; dagplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen; standwerkersplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld om te standwerken; vergunninghouder: degene aan wie door burgemeester en wethouders vergunning is verleend voor het innemen van een standplaats; marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door burgemeester en wethouders. AFVOER HEMELWATER EN GRONDWATER (HOOFDSTUK XII) aankoppelen: het aansluiten van de afvoer van op verhard oppervlak vallend hemelwater en de afvoer van grondwater op een openbaar vuilwaterriool;
afkoppelen: het beëindigen van de afvoer van op verhard oppervlak vallend hemelwater en de afvoer van grondwater naar een openbaar vuilwaterriool, door dit afvalwater te benutten, te infiltreren in de bodem dan wel te brengen in oppervlaktewater; bestaande bouw: reeds gebouwd bouwwerk; hemelwater: regenwater, ijzel, sneeuw en hagel; nieuwbouw: geheel of gedeeltelijk nieuw te bouwen bouwwerk; openbaar vuilwaterriool: voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast.
Bijlage 1 2: Kaart Bebouwde kom Boswet behorende bij raadsbesluit 15RV000112
TOELICHTING Hoofdstuk 1: Algemene toelichting 1:1 Aanleiding Met het oog op de invoering van de Omgevingswet zijn de regels uit diverse gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving gebundeld in de Verordening
fysieke leefomgeving van de gemeente Baarn, vastgesteld op 25 november 2020 en in werking getreden op 1 januari 2021. Deze verordening was opgesteld in de verwachting dat de Omgevingswet per 1 januari 2022 zou gaan gelden. De Omgevingswet is uiteindelijk op 1 januari 2024 in werking getreden. Sindsdien hebben zich zowel in wet- en regelgeving als in de toepassing van de Omgevingswet nieuwe inzichten en ontwikkelingen voorgedaan. Tegen deze achtergrond heeft de gemeente Baarn in 2025 de behoefte geconstateerd om de Verordening fysieke leefomgeving inhoudelijk te actualiseren. De aangepaste Verordening fysieke leefomgeving die hier voorligt, betreft een actualisatie van de bestaande verordening uit 2021. Met deze actualisatie wordt de verordening beter in lijn gebracht met de geldende systematiek van de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving. De verordening vormt daarmee een actuele en juridisch consistente basis voor de verdere uitwerking en uiteindelijke opname van gemeentelijke regels in het toekomstige omgevingsplan van de gemeente Baarn. Met deze actualisatie wordt geen nieuw inhoudelijk beleid vastgesteld, maar bestaande regels worden geactualiseerd en, waar nodig, opnieuw afzonderlijk vastgesteld, waaronder de regels inzake erfgoed. 1:1 2 Inleiding Op 1 januari 2022 wordt de Omgevingswet ingevoerd.
In het kader van de invoering van deze wet zijn regels uit verordeningen, die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, gebundeld in de Verordening fysieke leefomgeving. Door het bundelen van regels in een nieuwe verordening en deze vast te stellen, zal het na 1 januari 2022 eenvoudiger zijn om regels uit verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in te voeren in het Omgevingsplan van Baarn. Onder de fysieke leefomgeving wordt verstaan: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. De gemeente Baarn gaat de invoering van de Omgevingswet – in navolging van de meeste gemeenten – vormgeven langs vier (samenhangende) sporen: 1. Organisatievisie en participatie; 2. kerninstrumenten; 3. veranderopgave; 4. informatievoorziening en processen. Het spoor kerninstrumenten, heeft betrekking op de zes instrumenten uit de Omgevingswet, waarmee de gemeente de fysieke leefomgeving kan benutten en beschermen. Een van die instrumenten is het omgevingsplan. Het omgevingsplan bevat straks zal alle regels over de fysieke leefomgeving bevatten die de gemeente stelt binnen haar grondgebied stelt, zo ook waaronder de regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving die nu verspreid staan in diverse die voorheen waren opgenomen in afzonderlijke verordeningen.
Gemeenten hebben tot 2029 2032 de tijd om verordeningen deze regels om te zetten in een het omgevingsplan op te nemen. Bij de vaststelling van de Verordening fysieke leefomgeving in 2021 zijn, vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet, regels uit bestaande gemeentelijke verordeningen en uit delen van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) samengebracht in één integrale verordening voor de fysieke leefomgeving. In dat kader zijn de onderstaande (delen van) verordeningen en delen van de APV ingetrokken en per december 2020 van inwerkingtreding opgenomen in deze verordening: a. Hoofdstuk 2, afdeling 2 met uitzondering van artikel 2:14 van APV Baarn; b. Hoofdstuk 4, afdeling 1 APV Baarn;
c. Hoofdstuk 4, afdeling 4, 5 en 6 van APV Baarn met uitzondering van artikel 4:13, 4:18, 4:19, 4:20 en 4:21; d. Hoofdstuk 5, afdeling 4 van APV Baarn; e. Hoofdstuk 5, afdeling 6 van APV Baarn; f. Algemene verordening ondergrondse infrastructuren 2015 gemeente Baarn; g. Bomenverordening gemeente Baarn 2016; h. Bouwverordening Baarn 2012, artikel 9.1, 2.4.1, 2.4.2 en 10.6; i. Erfgoedverordening 2010 gemeente Baarn; j. Marktverordening gemeente Baarn 2011; k. Verordening afvoer hemelwater en grondwater gemeente Baarn. 1:2 3 Doel en aanpak inventarisatie verordeningen De Verordening fysieke leefomgeving is een belangrijke bouwsteen voor het omgevingsplan. Als de Omgevingswet in 2022 in werking treedt heeft de gemeente Baarn alvast een goede voorbereiding voor het maken van een omgevingsplan. Bij de voorbereiding op de Verordening fysieke leefomgeving heeft de gemeente Baarn gezocht naar onderwerpen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Hieruit is vervolgens een driedeling ontstaan: De Verordening fysieke leefomgeving vormde bij de eerste vaststelling een belangrijke bouwsteen voor het toekomstige omgevingsplan. Met het oog op de toen beoogde inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2022 had de gemeente Baarn hiermee een eerste inhoudelijke voorbereiding getroffen voor het opstellen van een omgevingsplan.
Bij die voorbereiding heeft de gemeente geïnventariseerd welke onderwerpen betrekking hadden op de fysieke leefomgeving. Op basis daarvan is destijds een driedeling aangebracht: -
Onderwerpen over de fysieke leefomgeving die plaatsgebonden activiteiten betreffen, moeten worden opgenomen. Dit zijn bijvoorbeeld onderwerpen zoals welstand, bouwverordening, Erfgoedverordening, Bomenverordening en nog een aantal onderdelen uit de APV.
-
Regels over onderwerpen die de (fysieke) leefomgeving betreffen, maar ook een ander motief kennen, kunnen worden opgenomen, maar dat is niet verplicht en waar dit inbreuk zou maken op de taken en bevoegdheden van de burgemeester zelfs niet toegestaan. Andere regels over de (fysieke) leefomgeving die geen plaatsgebonden karakter hebben of regels met een persoonsgebonden of (persoonlijk) gedrag gerelateerd karakter worden evenmin verplicht opgenomen. Voorbeeld is een hondenuitlaatplek: de plek is een onderwerp dat de fysieke leefomgeving betreft en zou opgenomen kunnen worden maar het opruimen van het achtergebleven rommel en het aanlijnen van de honden zijn gedragsregels en zijn niet gericht op de fysieke leegomgeving.
-
verordeningen die niet mogen worden opgenomen: Dit zijn regels waar de beoogde fysieke leefomgeving niet het motief is. Bijvoorbeeld omdat er sprake is van openbare orde (burgemeestersbevoegdheid), feitelijke handelingen, persoonsgebonden regels, gedragsregels en legesbepalingen.
De gemeente Baarn heeft uit de driedeling gekozen om de minimale omzetting te hanteren. Dit betekent dat de onderwerpen die moeten worden meegenomen daadwerkelijk zijn meegenomen.
Uiteindelijk is de gemeente Baarn tot het volgende resultaat gekomen. De volgende onderdelen zullen terechtkomen in de Verordening fysieke leefomgeving: -
Vijf onderdelen uit de APV, te weten: 1. bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen; 2. geluidhinder; 3. bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; 4. standplaatsen; en 5. openbaar water en waterstaatswerken.
-
Verordening ondergrondse infrastructuren 2015 gemeente Baarn;
-
Bomenverordening gemeente Baarn 2016;
-
Onderdeel bodem uit de Bouwverordening Baarn 2012;
-
Erfgoedverordening;
-
Marktverordening gemeente Baarn 2011;
-
Verordening afvoer hemelwater en grondwater gemeente Baarn.
In het kader van de actualisatie is beoordeeld of de bestaande regels in de Verordening fysieke leefomgeving inhoudelijk nog in lijn zijn met de Omgevingswet. Daarbij is tevens gekeken naar de noodzaak van technische aanpassingen, onder meer in verband met verwijzingen naar vervallen verordeningen en gewijzigde wet- en regelgeving. Daarnaast zijn documenten betrokken die samenhangen met onderwerpen waarop de verordening betrekking heeft, zoals uitvoeringsbeleid, uitvoeringsplannen en beleidsplannen. Op basis van deze beoordeling is de Verordening fysieke leefomgeving geactualiseerd. 1:3 Opzet Verordening fysieke leefomgeving Baarn De Verordening fysieke leefomgeving Baarn is ingedeeld in 13 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat inleidende bepalingen. Hoofdstuk 2 tot en met 12 bevatten regelingen voor diverse onderwerpen, die eerder in de toelichting zijn genoemd. Hoofdstuk 13 is een slotbepaling met onder andere procedureregels als straf-, overgangs- en slotregels. Hierbij is rekening gehouden met uitzonderingen uit de geïntegreerde regels. Hoofdstuk 2: Toelichting per artikel Hoofdstuk I: Algemene bepalingen Algemeen De gebruikte begrippen zijn ongewijzigd geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving of aangepast om aan te sluiten bij de Omgevingswet.
Beslistermijn Omgevingsvergunningen op basis van overgangsrecht (OPA's zoals kappen van bomen, uitweg, monument, archeologie, enz.): reguliere procedure 8 weken, eenmalig verlengen met max. 6 weken (art. 16.64 Ow). Dit betreft de vergunningplichten uit de VFLOB die via art. 22.8 Ow en art. 2.1a Omgevingsbesluit als omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit gelden (o.a. uitweg, alarminstallatie, vellen houtopstand, handelsreclame, opslaan roerende zaken, gemeentelijk monument/ beschermd gezicht).
Overige vergunningen of ontheffingen vallen onder Afdeling 4.1.3 Awb: Voor overige VFLOBvergunningen/ontheffingen (niet-OPA): beslistermijn 8 weken, verlenging met een redelijke termijn op grond van de Awb (Titel 4.1, Afdeling 4.1.3). Er geldt géén vaste verlengtermijn zoals bij de Omgevingswet. Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Inhoudelijke wijziging: Onder de Omgevingswet geldt als uitgangspunt dat vergunningen voor activiteiten in de fysieke leefomgeving in beginsel zaak- of locatiegebonden zijn. Artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt dat een omgevingsvergunning geldt voor degene die de activiteit verricht waarop de vergunning betrekking heeft. Deze persoon is daarmee vergunninghouder en verantwoordelijk voor de naleving van de vergunningvoorschriften. Wanneer een andere persoon de activiteit voortzet, is geen nieuwe vergunning vereist, maar geldt op grond van artikel 5.37, tweede lid, Ow wél een informatieplicht richting het bevoegd gezag. Er is daarmee sprake van een functioneel persoonskarakter, in die zin dat de vergunning de persoon volgt die de activiteit uitvoert, maar dit is niet hetzelfde als een klassiek persoonsgebonden vergunning zoals bedoeld in de APV.
Begripsbepalingen behorende tot de ondergrondse infrastructuren (hoofdstuk VII) Aansluiting Aansluitingen worden door de relatief beperkte omvang van de werkzaamheden uitgezonderd van een aantal algemene regels van hoofdstuk 7 van deze verordening. Daarvoor is een lichter formeel regime van toepassing waarvoor nadere kaders zijn gesteld. Een fysiek punt zoals bedoeld in de definitie is bijvoorbeeld een netwerkaansluitpunt, gasmeter, watermeter of ISRApunt. Dit betekent dat onder andere huisaansluitingen, zoals bedoeld in de WIBON, aansluitingen voor bedrijfspanden of windmolens ook onder deze definitie vallen. Breekverbod In dit hoofdstuk zijn bepalingen over het breekverbod opgenomen die burgemeester en wethouders het bevoegd gezag de bevoegdheid geeft een verbod op te leggen tot uitvoering van werkzaamheden bij extreme weersomstandigheden (bijvoorbeeld wateroverlast, zware sneeuwval of ijzel, strenge vorst) of tijdens evenementen. Dat wil zeggen dat er niet in de grond gegraven mag worden zolang het breekverbod geldt. Een nadere omschrijving van het breekverbod is opgenomen in het Handboek Kabels & Leidingen. Gedoogplichtige De gemeentelijke betrokkenheid is vooral gericht op haar rol als beheerder van de openbare gronden. In deze hoedanigheid is de gemeente in het kader van de Telecommunicatiewet gedoogplichtige als het gaat om openbare elektronische communicatienetwerken.
Het begrip gedoogplichtige ziet in deze verordening ook op de gemeente indien zij gedoogplichtig is krachtens de Omgevingswet dan wel anderszins leidingen (impliciet) moet gedogen. Te denken valt aan privaatrechtelijk afspraken tussen gemeente en een kabel- en/of leidingeigenaar of indien voor deze een aansluitplicht geldt. Gedoogplichtigen moeten de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen toestaan in en op hun gronden. Onder instandhouding van de kabels en/of leidingen wordt verstaan het hebben, houden en onderhouden van de kabels en/of leidingen. Het gaat daarbij dus niet alleen om het verrichten van onderhouds- en exploitatiewerkzaamheden. Ook het enkel hebben en houden van de kabels en/of leidingen, zonder dat daaraan werkzaamheden worden verricht, geldt als instandhouding. Instemmingsbesluit Werkzaamheden als bedoeld in hoofdstuk 7 van deze verordening moeten vooraf (digitaal) gemeld worden, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen:
-
reguliere werkzaamheden;
-
werkzaamheden van niet ingrijpende aard;
-
spoedeisende werkzaamheden ten gevolge van een ernstige belemmering of storing.
Voor de reguliere werkzaamheden geldt dat pas gestart mag worden met die werkzaamheden als op basis van een aanvraag een instemmingsbesluit is verleend. De gemeente hanteert in het algemeen een doorlooptijd van acht weken voor het geven van een besluit op aanvragen voor reguliere werkzaamheden. Voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit noodzakelijk maar kan worden volstaan met een (digitale) melding vooraf. Na melding kan in het algemeen binnen een termijn van enkele werkdagen met de werkzaamheden gestart worden. Voor spoedeisende werkzaamheden kan het zijn dat schriftelijk of digitaal melden vooraf onmogelijk is. Alleen in dit uitzonderingsgeval is het toegestaan het werk achteraf te melden. In de praktijk dient altijd in ieder geval telefonisch vooraf gemeld te worden. Indien blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden omvangrijk zijn geweest of bijvoorbeeld een waterweg hebben gekruist, dient alsnog een instemmingsbesluit te worden aangevraagd volgens de gebruikelijke procedure. Zo kan de gemeente alsnog de aan haar verstrekte relevante informatie verwerken. Kabels en/of leidingen Kabels en/of leidingen zijn onderdeel van een openbaar netwerk, daaronder ook begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations, distributie- en/of mutatiepunten.
Voorbeelden van kabels en leidingen zijn telecommunicatie- en omroepkabels, elektriciteitskabels (koppel-, transport- en distributiekabels), gasleidingen, waterleidingen en leidingen ten behoeve van stadsverwarming (transport-, distributie- en dienstleidingen) en kabels en leidingen voor industriële netwerken. Voorbeelden van distributie of mutatiepunten zijn handholes, afsluiters, brandkranen, lassen, enzovoort. Het begrip kabels en/of leidingen omvat ook lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken (zoals mantelbuizen, kabelgoten, duikers) en beschermingswerken. Het gaat om kabels en/of leidingen die onderdeel uitmaken van openbare netwerken, dus niet om verbindingen die liggen binnen de installatie c.q. het domein van een (eind)gebruiker (producent of een afnemer), of uit gebruik genomen kabels en/of leidingen. Marktconforme kosten De gemeente streeft ernaar om het medegebruik van bestaande voorzieningen (van de gemeente zelf of van andere betrokken partijen) te stimuleren. Partijen kunnen worden verplicht daarvan gebruik te maken, met dien verstande dat de te betalen vergoeding marktconform dient te zijn. Hierbij is aansluiting gezocht bij de definitie zoals die in de Telecommunicatiewet wordt gebruikt.
Netwerk De omschrijving maakt met name duidelijk dat het gaat om het geheel van kabels of leidingen die bestemd zijn voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, bijvoorbeeld de distributie- en transportnetten voor energie (gas, water, elektriciteit) en de elektronische communicatienetwerken (zoals geregeld in en krachtens de Telecommunicatiewet, artikel 1.1. onderdelen e en h). Netbeheerder Netbeheerders zijn de beheerders van (niet-)openbare netwerken bestemd voor het transport van water, energie en informatie. Dat zijn dus ook de aanbieders van (niet-) openbare elektronische communicatienetwerken. Vaak zal de netbeheerder in het geval van voorgenomen
werkzaamheden de rol van opdrachtgever op zich nemen. Onder een netbeheerder wordt tevens verstaan degene die in eigen naam en voor eigen rekening kabels en/of leidingen ten dienste van een dergelijk netwerk aanlegt, in stand houdt en opruimt, ook indien hij niet zelf dit netwerk of de diensten via dit netwerk dan wel de bijbehorende faciliteiten aanbiedt. Openbare gronden Hiertoe worden, conform het in de begripsbepalingen genoemde wetsartikel, gerekend de openbare wegen inclusief trottoirs/voetpaden, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, duikers, tunnels, beschoeiingen en andere werken, evenals wateren inclusief bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen die voor eenieder toegankelijk zijn (ook wel openbare ruimte genoemd). Spoedeisende werkzaamheden Hiervoor geldt een lichter procedureel regime. De netbeheerder moet duidelijk maken dat dit werk redelijkerwijs geen uitstel kan dulden op grond van de aangegeven belangen. Werkzaamheden (Graaf)werkzaamheden in de openbare grond, inclusief het opbreken en herstel van de sleufverharding en sleufloze technieken in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen.
Onder instandhouding in de zin van hoofdstuk 7 van deze verordening wordt mede begrepen het nemen van maatregelen, waaronder verplaatsen van de kabels en/of leidingen zoals bedoeld in artikel 7:8 van hoofdstuk 7 van deze verordening en in de Telecommunicatiewet. Onder sleufloze technieken wordt verstaan het maken van een holle ruimte in de grond, met behulp van een (gestuurde) boring of persing, zonder daarbij de omringende grondslag te verwijderen. De regels van hoofdstuk 7 van deze verordening hebben betrekking op mechanische werkzaamheden en handmatige werkzaamheden. Deze laatste zijn vooral van toepassing op werken nabij bomen en andere groenvoorzieningen en bij spoedeisende werkzaamheden of niet ingrijpende werkzaamheden. Hoofdstuk 7 van deze verordening ziet voorts op werkzaamheden in verband met het bevorderen van medegebruik van voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten of geleidingen. Werkzaamheden van niet ingrijpende aard Het onderscheid tussen werkzaamheden van al dan niet ingrijpende aard vloeit voort uit artikel 5.4, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet. De definitie geeft op hoofdlijnen aan voor welke situaties deze lichtere procedure van toepassing kan zijn. Vaak gaat het om werkzaamheden aan reeds bestaande kabels en/of leidingen en betreft het een beperkte lengte of oppervlakte die niet of nauwelijks het normale gebruik van de openbare gronden beperkt.
Daarbij wordt ook mede in de beoordeling betrokken of er rijbanen en andere verhardingen, wateren of groenvoorzieningen gekruist worden of dat boringen noodzakelijk zijn. Naast aansluitingen tot een bepaalde lengte worden andere niet ingrijpende werkzaamheden aan een lichter regime onderworpen. Te denken valt aan werkzaamheden die slechts gedurende relatief korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerk worden verricht en waarvan de impact relatief beperkt en kortstondig is. Voor deze niet ingrijpende werkzaamheden geldt een verkorte procedure. Onder deze werkzaamheden vallen ook: -
het aanbrengen of verwijderen van kabels en/of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen, zoals buizen ten behoeve van glasvezelkabels (bijvoorbeeld HDPE-buizen) en mantelbuizen;
-
het maken van maximaal twee opbrekingen met elk een afmeting van maximaal 2 m².
Een opbreking kan zijn het maken van een montagegat c.q. lasgat ten behoeve van de toegang tot een distributie- of mutatiepunt, het plaatsen van afsluiters, het opgraven van een kabelrol ten behoeve van aansluitingen, het herstellen van kabel- c.q. leidingstoringen of voor inspectiedoeleinden. Het maken van twee montagegaten c.q. lasgaten tegelijk kan onder andere aan de orde zijn bij het inblazen van glasvezelkabels in bestaande HDPE-buizen. Begripsbepalingen die behoren bij erfgoed (hoofdstuk X)
De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. Artikel 1:1 van deze verordening bevat daarom uitsluitend de begrippen “gemeentelijk monument” en “stads- of dorpsgezichten” waarvan de definitie moet worden omschreven of die kortheidshalve zijn gegeven en die niet reeds (in deze vorm) in artikel 1.1 van de Erfgoedwet zijn gegeven. De voor deze verordening relevante begrippen uit de Erfgoedwet zijn: - archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen; - archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument; - beschermd cultuurgoed: cultuurgoed dat: a. als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste lid, van de Erfgoedwet; b. voorkomt in een opsomming als bedoeld in artikel 3.7, derde lid, van de Erfgoedwet; of c.
in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van artikel 3.8, eerste lid, van de Erfgoedwet, zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld, redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt; - beschermde verzameling: verzameling die is aangewezen op grond van artikel 3.7, tweede lid, van de Erfgoedwet; - cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden; - cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; - kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging; - monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; - normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van
monumentale waarde; - rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister;
- rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3, van de Erfgoedwet; - verzameling: cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen. Hoofdstuk II: Bruikbaarheid en aanzien van de weg Hoofdstuk 2, afdeling 2 ´bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen´, artikel 2:10, 2:11, 2:12, 2:15, 2:16, 2:17, 2:18, 2:21, 2:22 en 2:23 uit de APV Baarn is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting. Artikelen 2:11, 2:12 en 2:13 van deze verordening Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet geldt dat het verrichten van een omgevingsplanactiviteit vergunningplichtig kan worden gesteld. Het plaatsen of voeren van handelsreclame is een dergelijke activiteit, voor zover het gaat om een uiting die zichtbaar is vanaf een voor publiek toegankelijke plaats. Onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was deze vergunningplicht geregeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdelen h en i. De gemeente Baarn had destijds uitvoering gegeven aan deze bepaling in APV waarin artikel 4:15 zag op hinderlijke of gevaarlijke reclame en artikel 4:16 op vergunningplichtige lichtreclame. Bij de herziening van de APV in 2018 is artikel 4:16 komen te vervallen, vanuit het oogpunt van deregulering en vermindering van administratieve lasten.
Daarbij werd aangenomen dat grote reclameobjecten reeds aan de bouwregelgeving en welstandstoets zouden worden onderworpen, en dat de resterende gevallen beperkt in aantal waren. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de grondslag voor gemeentelijke regels over handelsreclame verschoven naar het omgevingsplan (en voor dit opgave de VFL). De gemeente Baarn kiest er daarom voor om de vergunningplicht opnieuw te verankeren in de VFL, zodat toetsing aan ruimtelijke en veiligheidsaspecten kan plaatsvinden en een grondslag bestaat voor legesheffing. De hierna volgende artikelen voorzien in: • Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame (artikel 2:11); • Omgevingsvergunning voor (handels)reclame-uiting (artikel 2:12); • Bewegwijzering (artikel 2:13). Hoofdstuk III: Geluidhinder Hoofdstuk 4, afdeling 1, ‘voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting’ uit de APV Baarn is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting. Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn deze regels herzien. Geluidhinder is een thema dat onder de Omgevingswet op meerdere punten is gewijzigd. De regelgeving is niet langer gebaseerd op het begrip ‘inrichting’ uit de Wet milieubeheer, maar sluit nu aan op het nieuwe systeem van milieubelastende activiteiten.
Dit betekent dat niet alleen bedrijven, maar ook andere bronnen van geluid zoals muziekinstallaties en installaties in de openbare ruimte als milieubelastende activiteit gereguleerd kunnen zijn. Hierdoor is het nodig om de bestaande regels juridisch en inhoudelijk aan te passen aan de nieuwe systematiek. Daarnaast is het Activiteitenbesluit milieubeheer vervallen. Veel van de normen en voorwaarden uit dat besluit zijn nu opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het omgevingsplan. In het hoofdstuk zijn daarom verwijzingen opgenomen naar het omgevingsplan, waar regels uit het Bal zijn overgenomen.
De eerder gebruikte term ‘inrichting’ is in dit kader vervallen en vervangen door een benadering die uitgaat van concrete activiteiten. Deze verschuiving vraagt niet alleen om een technische actualisatie van terminologie, maar ook om herijking van inhoudelijke begrippen zoals doelgroepen, toepassingsbereik en uitzonderingen. Hierdoor is er een nieuwe begrip opgenomen voor bedrijf: ‘natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inrichting, milieubelastende activiteit of andere bedrijfsmatige activiteit uitvoert als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Omgevingsbesluit’. Onder “bedrijven” worden uitsluitend professionele of commerciële partijen verstaan die activiteiten verrichten niet primair ten behoeve van eigen huishoudelijk gebruik, maar in het kader van een onderneming of organisatie. Particulieren die uitsluitend handelen ten behoeve van hun privégebruik worden niet als bedrijf aangemerkt. De aangepaste hoofdstuktekst is hierop afgestemd en bevat de noodzakelijke wijzigingen om aan te sluiten bij het nieuwe wettelijke kader, inclusief het correct doorverwijzen naar het omgevingsplan voor de actuele normstelling.
Hoofdstuk IV: Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Hoofdstuk 4, afdeling 4, 5 en 6, artikel 4:13, 4:18, 4:19, 4:20 en 4:21 uit de APV Baarn is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Wel is er een splitsing in enerzijds een verbod op paddenstoelenpluk (artikel 4:5 VFL) en anderzijds een verbod op sprokkelen of meenemen van andere van nature voorkomende bloemen, planten, hout en mos (artikel 4:6 VFL). In de artikelen zijn duidelijke locatieaanduidingen opgenomen. Daarmee is geen apart aanwijzingsbesluit meer nodig en wordt het toezicht en de handhaving vereenvoudigd. Hoofdstuk V: Standplaatsen Hoofdstuk 5, afdeling 4 ‘Standplaatsen’ uit de APV Baarn is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Het toepassingsbereik van de regels voor standplaatsen blijft ongewijzigd ten opzichte van de geldende regelgeving. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting. Hoofdstuk VI: Openbaar water en waterstaatswerken Hoofdstuk 5, afdeling 6 ‘openbaar water en waterstaatswerken,’ artikel 5:24 en 5:25 zijn geheel geïntegreerd uit de APV Baarn. Het toepassingsbereik van de regels voor openbaar water en waterstaatswerken blijft ongewijzigd ten opzichte van de geldende regelgeving. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting.
Hoofdstuk VII: Ondergrondse infrastructuren Algemeen De Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren (AVOI) is in zijn geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving. Het doel van deze toelichting is om informatie, aanvulling en nadere uitleg te verstrekken met betrekking tot hoofdstuk 7 van deze verordening, zowel voor gebruik binnen de gemeente als voor de netbeheerders. De actuele versie van de toelichting is steeds bepalend. Hoofdstuk 7 van deze verordening heeft als doel de regie en coördinatie uniform te regelen met betrekking tot werkzaamheden die nodig zijn voor de aanleg, instandhouding en opruiming van alle kabels en/of leidingen in openbare gronden binnen de gemeentegrenzen. Hoofdstuk 7 van deze verordening reguleert de werkzaamheden in de openbare ruimte, waarbij onder andere de (weg)verharding, maar ook bermen en andere groenvoorzieningen worden opgebroken.
Hoofdstuk 7 van deze verordening is ook gericht op minimalisatie van overlast en maatschappelijke kosten ten gevolge van werkzaamheden in de openbare ruimte: proactieve regie, meer grip en sturing op werkzaamheden, het waarborgen van bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie tijdens werkzaamheden; uniforme regels en sanctiemogelijkheden en een efficiënt gebruik van de openbare ruimte. Volgens hoofdstuk 7 van deze verordening wordt iedere aanvraag van elke netbeheerder eenduidig behandeld. Het verschil in wettelijke grondslag voor de diverse kabel- en leidingeigenaren (Telecommunicatiewet e.a.) is geen reden om de aanvragen verschillend te behandelen. Immers, in de praktijk gaat het om dezelfde werkzaamheden. Belangrijk uitgangspunt is dat werkzaamheden alleen in en op de openbare ondergrond mogen worden uitgevoerd na voorafgaande instemming van de gemeente. Voor de aanvraag van een instemmingsbesluit zijn aan de gemeente leges verschuldigd, aangezien de instemming als een dienst van de gemeente aan de netbeheerder is te beschouwen. Voor meldingen in het kader van in en uit gebruik nemen van kabels, niet ingrijpende en spoedeisende werkzaamheden kunnen eveneens leges worden geheven. Aangezien in deze gevallen in de praktijk ook een dienst door de gemeente wordt geleverd, maar een lichtere procedure geldt, zal dit invloed hebben op de hoogte van de legestarieven.
Dit leidt op dit punt tot minder leges voor de netbeheerder. Via nadere regels of beleidsregels (bijvoorbeeld een Handboek Kabels & Leidingen, regeling voor de te hanteren tarieven voor onder andere herstel-, beheer- en degeneratiekosten en een Nadeelcompensatieregeling) kunnen aanvullende voorwaarden, eisen en regels voor de werkzaamheden van de netbeheerder door en burgemeester en wethouders het bevoegd gezag worden vastgesteld. Kaders voor de gemeentelijke bevoegdheden en rollen De gemeentelijke bevoegdheden vloeien voort uit de Gemeentewet, de Omgevingswet, de Awb, de APV, de WIBON, de Telecommunicatiewet en uit contractuele afspraken met netbeheerders. De gemeente is in vele rollen betrokken bij werkzaamheden in de openbare ruimte, onder andere als grondeigenaar, ruimtelijk planner, aanlegger van infrastructuur, verkeersregelaar, bodembeschermer, enzovoorts. In het belang van de gemeente, burgers, bedrijven en netbeheerders moet een zorgvuldig, uniform en integraal beleid gevoerd worden bij voorbereiding, uitvoering en nazorg van werkzaamheden in openbare gronden. De gemeente heeft hierin een coördinerende rol voor een goed verloop van het integrale proces met betrekking tot de werkzaamheden van alle netbeheerders. Mede doordat de fysieke ondergrond vol raakt met een groot aantal kabels en leidingen, is goede afstemming van werkzaamheden en belangen noodzakelijk.
De coördinerende rol van de gemeente is bijvoorbeeld terug te vinden in de artikelen 7:3, 7:4 en 7:5 van deze verordening. Ondanks de verschillende uitgangsposities van partijen wordt door de gemeente efficiëntie, harmonisering en uniformering van de uitvoering van werkzaamheden nagestreefd. Het opbreken van de openbare ruimte dient tot zo min mogelijk overlast te leiden, met waarborging van veiligheid en bereikbaarheid en voorkoming van verstoring van openbare orde en ondergrondse ordening. Ten aanzien van het ontwerp, voorbereiding, uitvoering en beheer van de werkzaamheden dient voldaan te worden aan de uniforme (uitvoerings-)eisen die door de gemeente zijn vastgelegd in het Handboek Kabels & Leidingen. Voor de te hanteren tarieven voor onder andere herstel-, beheer- en degeneratiekosten kan burgemeester en wethouders het bevoegd gezag tevens beleidsregels vaststellen. Artikel 7:2 Nadere regels
Burgemeester en wethouders Het bevoegd gezag krijgt de mogelijkheid toegekend door de raad om in voorkomende gevallen nadere regels ter uitvoering van deze verordening vast te stellen. Deze nadere regels kunnen worden opgenomen in onder meer een Nadeelcompensatieregeling, regeling voor de te hanteren tarieven voor onder andere herstel-,beheer- en degeneratiekosten en Handboek Kabels & Leidingen. In bijvoorbeeld het Handboek Kabels & Leidingen kunnen voorwaarden worden opgenomen in verband met onder andere: -
feest- of gedenkdagen en/of beperking van overlast voor belanghebbenden, bijvoorbeeld een winkelier;
-
het opstellen van voorschriften op het gebied van markering en afzetting;
-
het maken van proefsleuven;
-
opruimen van buiten gebruik zijnde kabels en/of leidingen.
Artikel 7:3 Aanvragen en melden In het artikel wordt aangegeven dat de aanvraag van de voorgenomen werkzaamheden bij burgemeester en wethouders het bevoegd gezag moet worden gedaan. Dat kan bij het bevoegd gezag of bij de daarvoor gemandateerde ambtenaren. Voor spoedeisende werkzaamheden, zoals ingeval van storingen, wordt een uitzondering gemaakt. Deze moeten zoveel mogelijk voor aanvang van de werkzaamheden gemeld worden, als dit niet mogelijk is moet dit in ieder geval binnen één werkdag na uitvoering van de werkzaamheden zijn gedaan. Spoedeisende werkzaamheden dienen bij de burgemeester te worden gemeld dan wel bij een daartoe door hem gemachtigd ambtenaar. In de praktijk zal de melding veelal plaatsvinden bij de calamiteiten- of piketdienst. De burgemeester kan besluiten dat de werkzaamheden op een ander dan het voorgenomen tijdstip plaatsvinden als de openbare orde zich verzet tegen de uitvoering van bovengenoemde werkzaamheden. Dit geldt ook als er gevaar dan wel de vrees voor het ontstaan van gevaar is. In dit artikel wordt beschreven dat de voorgenomen werkzaamheden ook betrekking kunnen hebben op openbare gronden van andere gedoogplichtigen dan de gemeente.
Omdat de gemeente een coördinerende rol heeft over alle openbare gronden binnen de gemeentelijke grenzen moet voor alle voorgenomen werkzaamheden in openbare grond een aanvraag voor een instemmingsbesluit worden gedaan. Dit geldt dus ook in het geval dat voorgenomen werkzaamheden zich beperken tot bijvoorbeeld openbare gronden van de provincie of het waterschap. Wellicht ten overvloede wordt erop gewezen dat naast het instemmingsbesluit mogelijk ook vergunningen aangevraagd moeten worden voor de voorgenomen werkzaamheden. In het geval zowel een instemmingsbesluit als een vergunning van een al dan niet ander bestuursorgaan dan de gemeente nodig is, heeft de gemeente hierin een coördinerende rol om afstemming te bevorderen. Als de aanvrager daar om verzoekt kan de gemeente inhoudelijke afstemming van de beoordeling van de aanvragen bij andere bestuursorganen nastreven. De aanvrager blijft echter zelf verantwoordelijk voor de afstemming en toestemming van alle betrokken gedoogplichtigen en het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunningen. Het is belangrijk dat aanvragers zelf bij het aanvragen van een instemmingsbesluit rekening houden met een eventueel vergunning traject waarop de aanvraag voor het instemmingsbesluit betrekking heeft. Dit kan onnodige vertraging voorkomen bij het afgeven van het
instemmingsbesluit omdat het verlenen van een benodigde vergunning eerst afgewacht dient te worden voordat er instemming kan worden verleend. Artikel 7:4 Instemmingsvereiste Uitgangspunt is dat werkzaamheden in de openbare ruimte verboden zijn, tenzij men beschikt over een instemmingsbesluit. De in de Telecommunicatiewet neergelegde verplichting dat instemming van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag is vereist, is opgenomen in hoofdstuk 7 van deze verordening en is van toepassing op de werkzaamheden van alle netbeheerders. Daarmee wordt ook voorzien in de toestemming of vergunning die andere kabelen leidingeigenaren voorheen dienden te hebben voor voorgenomen werkzaamheden in gemeentegrond. Conform het bepaalde in de Telecommunicatiewet geldt dat die instemming betrekking heeft op de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. In dit artikel wordt voor de instemmingsprocedure onderscheid gemaakt tussen reguliere werkzaamheden, werkzaamheden van niet ingrijpende aard en spoedeisende werkzaamheden. Niet ingrijpende werkzaamheden zijn werkzaamheden waarvoor gedurende niet meer dan een korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerk werkzaamheden worden verricht en waarvan de impact voor de omgeving relatief beperkt en kortstondig is.
Er wordt als norm een lengte van de kabels en/of leidingen korter of gelijk aan 25 meter gehanteerd en daarbij mogen geen verhardingen of groenvoorzieningen worden gekruist. Bij spoedeisende werkzaamheden kan het voorkomen dat, juist vanwege de urgentie, schriftelijk of digitaal melden vooraf onmogelijk is. De uitzonderingsbepaling voor spoedeisende werkzaamheden geldt niet als werkzaamheden moeten worden verricht in gebieden die door de gemeenteraad op een vooraf bekend gemaakte kaart zijn aangegeven. Dit betekent dat in gebieden die op deze kaart staan geen spoedeisende werkzaamheden uitgevoerd mogen worden zonder voorafgaand instemmingsbesluit. Voorbeelden van dergelijke gebieden die op de kaart kunnen staan zijn: -
Risicogebieden als industriegebieden met buisleidingen voor transport met gevaarlijke stoffen;
-
Historische stadskernen of historische straten of natuurgebieden;
-
Toegangswegen van en naar gebouwen van hulpdiensten, brandweerkazernes, politie, en gemeentelijke gebouwen. De gemeente kan voor toegangswegen naar zulke gebouwen de doorgang altijd vereisen.
In bovenstaande gevallen is het niet aanvaardbaar dat zonder specifiek toezicht van de gemeente wordt gegraven. Voor werkzaamheden rond de kabels en/of leidingen van de gemeente zelf, zoals de riolering, is om praktische redenen de verordening (en het daarin opgenomen graafverbod) niet van toepassing. Om redenen van effectiviteit en kwaliteit is het wel zeer wenselijk dat waar mogelijk binnen de gemeente afspraken en procedures worden gemaakt om de doelen van deze verordening ook intern zoveel mogelijk na te leven. Burgemeester en wethouders Het bevoegd gezag is bevoegd een breekverbod in te stellen tijdens door de gemeente vergunde evenementen of als er naar haar oordeel sprake is van extreme weersomstandigheden. Een afweging die hierbij gemaakt wordt is de kans op schade en de omvang hiervan aan de openbare gronden als er gegraven wordt. Het breekverbod wordt op de dag dat dit ingaat, gecommuniceerd naar de betrokken uitvoerende partijen. In ieder geval één dag voor het beëindigen van het breekverbod wordt dit meegedeeld aan de betrokken uitvoerende partijen. Gedurende het breekverbod mogen er op geen enkele wijze werkzaamheden plaatsvinden in de openbare grond en/of bestrating. In het geval van spoedeisende werkzaamheden is het
breekverbod niet van toepassing. Overtreding van het breekverbod leidt tot geheel of gedeeltelijke stillegging van het werk. Een nadere omschrijving van het breekverbod is opgenomen in het Handboek Kabels & Leidingen. Artikel 7:5 Gegevensverstrekking In dit artikel is verduidelijkt op welke wijze een aanvraag moet worden gedaan en welke gegevens daarbij verstrekt moeten worden. Het betreft informatie die de gemeente als beheerder van de openbare gronden nodig heeft om een juiste beoordeling te maken en inzicht te krijgen in de belangen die door de voorgenomen werkzaamheden worden geraakt. Zo dienen in het geval dat een netbeheerder opdracht geeft om de werkzaamheden te laten verrichten en daartoe een externe uitvoerder machtigt, behalve de gegevens van de externe partij ook die van de netbeheerder te worden verstrekt. De aanvraag moet (digitaal) gebeuren door middel van de door burgemeester en wethouders het bevoegd gezag vastgestelde formulieren en/of registratiesysteem. Voor aanvragen voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard behoeft slechts een beperkt aantal gegevens verstrekt te worden. Voor reguliere aanvragen dienen meer gegevens verstrekt te worden. Het bevoegd gezag kan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4:5 lid 1 Awb.
Bij de aard van de kabels en/of leidingen gaat het erom of het openbare of niet-openbare kabels en/of leidingen betreft. Het waarborgen van de blijvende bereikbaarheid van de kabels en/of leidingen kan bijvoorbeeld worden aangetoond door een opgave van de doorsnede van de kabel- en/of leidingsleuf of -goot waarin het ruimtebeslag van de aanwezige en de aan te brengen kabels en/of leidingen gezamenlijk is aangegeven. Indien de aanleg van kabels en/of leidingen (mogelijk) hinderlijke ligging teweeg zal brengen moet aan de gemeente overlegd worden wat de uitkomst is van overleg met andere netbeheerders en welke afspraken inzake de hinderlijke ligging er zijn gemaakt tussen netbeheerders. Indien het beoogde tracé geen ruimte biedt voor de aanleg van nieuwe kabels en/of leidingen dient een alternatief tracé te worden gekozen. Op grond van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON) is er een elektronisch informatiesysteem waarmee informatie tussen beheerders enerzijds en opdrachtgevers, grondroerders en bestuursorganen anderzijds wordt uitgewisseld. Van de netbeheerders wordt verwacht dat zij hun kabels en/of leidingen zodanig registreren dat steeds inzicht daarin kan worden verkregen door de gemeente. Er is samenhang tussen de WIBON en hoofdstuk 7 van deze verordening van de gemeente.
De WIBON heeft betrekking op het voorkomen van graafschade via een plicht tot zorgvuldig graven én een plicht tot zorgvuldige en tijdige informatie-uitwisseling. De WIBON bepaalt in artikel 35 dat het onverlet laat dat de gemeente in het belang van openbare orde en veiligheid bij verordening voorschriften kan geven over werkzaamheden, waaronder het binden van graafwerkzaamheden aan het hebben van een vergunning (in de zin van hoofdstuk 7 van deze verordening een instemmingsbesluit). Artikel 7:6 Voorschriften bij instemmingsbesluit Op grond van hoofdstuk 7 van deze verordening gelden een aantal verplichtingen voor degene die werkzaamheden gaan verrichten. Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders kan het bevoegd gezag aan het instemmingsbesluit aanvullende voorschriften verbinden. In hoofdstuk 7 van deze verordening is geregeld onder welke voorwaarden dit kan en welke soort voorschriften dit zijn. De voorschriften hebben vooral te maken met de wijze van uitvoering en zijn gericht op de (deels wettelijk vastgelegde) belangen die de gemeente geacht wordt te behartigen. Daarnaast kunnen door burgemeester en wethouders kan door het bevoegd gezag lokaal