CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

1383257 Verordening Fysieke Leefomgeving Baarn, eerste wijziging bijlage 2 Geactualiseerde Verordening fysieke leefomgeving Baarn MET WIJZIGINGEN (2)

Raadsvergadering 25 februari 2026, gemeente BaarnBij agendapunt: Verordening Fysieke Leefomgeving Baarn, eerste wijziging33.640 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Burgemeester en wethouders weigeren Het bevoegd gezag weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit het omgevingsplan dan wel als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is geweigerd. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze verordening kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen ten aanzien van de dagen, aantallen en locaties van de standplaatsen. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken Omgevingswet of de provinciale wegenverordening omgevingsverordening. 6. De weigeringsgrond van het derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. 7.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:2 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag een standplaats wordt of is ingenomen. HOOFDSTUK VI: OPENBAAR WATER EN WATERSTAATSWERKEN Artikel 6:1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking. 5.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Provinciale vaarwegenverordening omgevingsverordening, het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of hoofdstuk 7 van deze verordening. Artikel 6:2 Ligplaats vaartuigen 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door burgemeester en wethouders het bevoegd gezag aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer Omgevingswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening of de provinciale verordening bescherming natuur en landschap omgevingsverordening. 4.

Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door burgemeester en wethouders het bevoegd gezag gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

HOOFDSTUK VII: ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUREN PARAGRAAF 1: INLEIDENDE BEPALING Artikel 7:1 Toepasselijkheid 1. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op werkzaamheden door of namens de netbeheerder in of op openbare gronden binnen de gemeente Baarn. 2. Het bepaalde in dit hoofdstuk geldt niet indien en voor zover hierin reeds is voorzien in de Telecommunicatiewet. Artikel 7:2 Nadere regels 1. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan ter uitvoering van het bepaalde in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. 2. Deze nadere regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op: a. openbare orde en veiligheid; b. het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering van werkzaamheden; c. het bevorderen van het medegebruik van voorzieningen; d. ondergrondse ordening, planning en coördinatie van werkzaamheden; e. de te verstrekken gegevens alsmede over de wijze waarop die dienen te worden verstrekt. PARAGRAAF 2: AANVRAGEN EN MELDEN VAN WERKZAAMHEDEN Artikel 7:3 Aanvragen en melden 1. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 7:4, bij burgemeester en wethouders het bevoegd gezag te worden aangevraagd. De aanvraag tot instemming van voorgenomen werkzaamheden ten behoeve van een openbaar elektronisch communicatienetwerk geldt als melding als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel a van de Telecommunicatiewet. 2.

In verband met de voorgenomen werkzaamheden kan vooroverleg plaatsvinden met burgemeester en wethouders het bevoegd gezag teneinde de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden. 3. Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op openbare gronden van een andere gedoogplichtige dan de gemeente en/of als er tevens een aanvraag voor een vergunning al dan niet bij een ander bestuursorgaan op grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de aanvrager burgemeester en wethouders het bevoegd gezag hiervan op de hoogte. 4. Werkzaamheden van niet ingrijpende aard dienen drie (3) werkdagen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden gemeld te worden bij burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. 5. Spoedeisende werkzaamheden dienen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden gemeld te worden bij de burgemeester van de gemeente Baarn of bij een daartoe door hem gemachtigd ambtenaar. Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de melding uiterlijk binnen één werkdag na de start van de uitvoering gemotiveerd worden gedaan bij burgemeester en wethouders het bevoegd gezag.

Artikel 7:4 Instemmingsvereiste 1. Het is verboden werkzaamheden te verrichten zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders het bevoegd gezag genomen instemmingsbesluit. 2. Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een melding vooraf aan burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. De gemeenteraad is bevoegd om redenen van veiligheid delen van het grondgebied aan te wijzen waarvoor het voorgaande niet van toepassing is. 3. De werkzaamheden dienen binnen één jaar na de datum waarop het instemmingsbesluit onherroepelijk is geworden te zijn voltooid. 4. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente. 5. Behoudens in geval van spoedeisende werkzaamheden is bij extreme weersomstandigheden en/of evenementen burgemeester en wethouders bevoegd kan een bevoegd gezag een breekverbod in te stellen. De vaststelling dat er sprake is van extreme weersomstandigheden is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders berust bij het bevoegd gezag. De termijn zoals bedoeld in het derde lid wordt automatisch verlengd met de periode van het breekverbod.

Uiterlijk één dag voor beëindiging van het breekverbod, zal burgemeester en wethouders het bevoegd gezag de betrokken uitvoerende partij(en) hierover informeren. Artikel 7:5 Gegevensverstrekking 1. Voor het aanvragen van een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 7:3, eerste lid, dient gebruik te worden gemaakt van de daartoe door burgemeester en wethouders het bevoegd gezag vastgestelde (digitale) formulieren of registratiesysteem. 2. Bij een aanvraag voor een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 7:3, eerste lid, dienen in ieder geval de volgende gegevens te worden verstrekt: a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder; b. als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegeven van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; c. een opgave van het aantal, de soort, de aard en het beoogde gebruik van de kabels en/of leidingen; d. de vereiste vergunning(en), ontheffing(en) of toestemming(en) op grond van overige wetgeving, als mede informatie over de afstemming met andere gedoogplichtigen; e. een digitale GBKN tekening (PDF-formaat) met legenda en eenduidige en volledige maatvoering (RD-coördinaten) met daarop aangegeven: 1. een opgave van het gewenste tracé; 2. een opgave van de tijdelijke en permanente voorzieningen; f.

overtuigende gegevens en inzicht van een ter zake deskundige omtrent de uitvoerbaarheid van de voorgenomen werkzaamheden binnen de beschikbare ruimte, waaruit ook blijkt dat de bereikbaarheid van de overige kabels en/of leidingen blijft gewaarborgd;

g. de tracélengte en de lengte en breedte van de te graven sleuf, alsmede de aard van de sleufbedekking;

h. de voorgenomen datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; i.

een opgave van het aantal kabels en/of leidingen dat direct in gebruik wordt genomen en het aantal kabels en/of leidingen dat niet direct in gebruik wordt genomen;.

3. Voor een melding, als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, dient gebruik te worden gemaakt van de daartoe door burgemeester en wethouders het bevoegd gezag vastgestelde (digitale) formulieren of registratiesysteem. De volgende gegevens dienen daarbij in ieder geval te worden verstrekt: a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder; b. als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegeven van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; c. de uitvoerende partij, het adres van de graaflocatie(s), inclusief een situatieschets; d. de lengte en breedte van de sleuf of montage gat(en), alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; e. de daadwerkelijke startdatum van de werkzaamheden. Artikel 7:6 Voorschriften bij instemmingsbesluit 1. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan in het instemmingsbesluit voorschriften opnemen in het belang van: a. de openbare orde; b. de veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid; c. het voorkomen of beperken van overlast, waaronder mede verstaan wordt het afstemmen met andere werkzaamheden, een goede doorstroming van het verkeer en de bescherming van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving; d.

de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik, beheer, en onderhoud van openbare gronden en gebouwen en het belang van evenementen; e. de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het beschermen van reeds in de grondaanwezige werken en eventuele in de grond aanwezige objecten zoals archeologische vondsten. 2. De voorschriften, genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op: a. het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering van werkzaamheden; b. het bevorderen van medegebruik van voorzieningen die door derden of de gemeente Baarn tegenmarktconforme kosten ter beschikking worden gesteld; c. afstemming met betrekking tot overige in de grond aanwezige werken. 3. De belanghebbenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden dienen schriftelijk te worden geïnformeerd over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden. 4. Het is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en beplanting terug te brengen in de oude staat, tenzij burgemeester en wethouders het bevoegd gezag vooraf hebben aangegeven hier (gedeeltelijk) zelf zorg voor te willen dragen.

Artikel 7:7 (Mede)gebruik van voorzieningen 1. Op verzoek van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag wordt bij de werkzaamheden zoveel mogelijk (mede)gebruikgemaakt van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag aangelegde, voorzieningen indien dit technisch en economisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid. 2. In het vooroverleg als bedoeld in artikel 7:3, tweede lid, wordt mede bepaald of en, zo ja, langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid. PARAGRAAF 3: OVERIGE BEPALINGEN Artikel 7:8 Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie 1. Het bepaalde in dit artikel geldt niet indien en voor zover hierin reeds is voorzien in (privaatrechtelijke) schriftelijke afspraken tussen partijen. 2. De netbeheerder is verplicht op aanwijzing van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag over te gaan tot het nemen van maatregelen met betrekking tot zijn netwerk, zoals het verplaatsen van kabels en/of leidingen. 3. Eventuele nadeelcompensatie in verband met het bepaalde in het tweede lid wordt verleend op basis vaneen publiekrechtelijke regeling. 4.

Burgemeester en wethouders Het bevoegd gezag en de netbeheerder zullen bij het nemen van maatregelen als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, elkaars schade zoveel mogelijk beperken. Artikel 7:9 Overleg 1. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan organiseren periodiek een overleg, waarvoor in elk geval de bij de gemeente Baarn bekende netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden worden uitgenodigd. 2. In dit overleg worden de plannen van de gemeente Baarn en van de diverse netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden besproken en eventueel afgestemd in het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk. Artikel 7:10 Niet-openbare kabels en/of leidingen 1. Bij werkzaamheden aan niet-openbare kabels en/of leidingen is het bepaalde in dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing. 2. Het eerste lid van dit artikel in dit hoofdstuk houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente Baarn met betrekking tot niet-openbare kabels en/of leidingen. Artikel 7:11 Informatieplicht 1. De netbeheerder stelt burgemeester en wethouders het bevoegd gezag onverwijld en schriftelijk in kennis van het in of uitgebruik nemen van een kabel en/of leiding dan wel dat een kabel en/of leiding niet langer ten dienste staat van een netwerk in of op openbare gronden.

Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan hiervoor een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen verlangen. 2. De netbeheerder stelt burgemeester en wethouders het bevoegd gezag in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert.

Artikel 7:12 Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan op grond van afweging van de te behartigen belangen en met in acht name van de redelijkheid en billijkheid in incidentele en te motiveren gevallen af te wijken van de bepalingen van dit hoofdstuk. Artikel 7:13 Termijnen 1. Een beslissing op een aanvraag voor een instemmingsbesluit wordt genomen uiterlijk acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag. 2. Indien een beschikking niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden gegeven, deelt burgemeester en wethouders het bevoegd gezag dit aan de aanvrager mede en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. HOOFDSTUK VIII: BOMEN Artikel 8:1 Kapverbod 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, houtopstanden te vellen of doen vellen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet Plantengezondheidswet of krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag; b. het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; c.

het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan een houtopstand. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden als bedoeld in artikel 15 Boswet, namelijk: a. wegbeplanting en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot; b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden; c. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bedoeld om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bedoelde terreinen; d. kweekgoed; e. een houtopstand niet staande in een erf of tuin en gelegen buiten de bebouwde kom, mits deze houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die: - ofwel een grotere oppervlakte beslaat dan 10 are; - ofwel bestaat uit rijbeplanting van meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen. a. schubconiferen behorend tot de soort: -

Chamaecyparis (schijncypres);

-

xCupressocyparis (leylandcypres);

-

Platycladus (Japanse levensboom);

-

Thuja (levensboom);

-

Thujopsis (Hiba cypres).

b. 5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden die staan op percelen kleiner dan 350 200 m2, mits het perceel niet is gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35 Monumentenwet 1988 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. c. De stam van de boom, gemeten op 1,30 m hoogte vanaf de grond, heeft een omtrek kleiner dan 78 cm (= kleiner dan 25 cm diameter). d. Wegbeplanting en eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden, bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot. 4. De in het derde lid gestelde uitzonderingen gelden niet voor een beschermd stads- of dorpsgezicht. 5. In afwijking van het tweede en derde lid kan het bevoegd gezag bepalen dat voor bij of krachtens deze verordening aangewezen categorieën houtopstanden de daarin genoemde uitzonderingen geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn. 6. Het bevoegd gezag kan indien een houtopstand direct gevaar oplevert die noodkap noodzakelijk maakt, besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Het besluit wordt daarna zo spoedig mogelijk schriftelijk bekend gemaakt. Artikel 8:2 Criteria omgevingsvergunning 1. Het bevoegd gezag kan schriftelijk de omgevingsvergunning om te vellen als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid, weigeren, verlenen of onder voorschriften of beperkingen verlenen. 2.

De omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 8:1 eerste lid, kan worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand. 3. Burgemeester en wethouders stellen Het bevoegd gezag stelt beleid vast voor de vaststelling van de in het tweede lid genoemde waarden en voor de beoordeling van een aanvraag als bedoeld in artikel 8:3 nadere regels of beleidsregels vast voor: a. de aanvulling van de in het tweede lid genoemde waarden; en b. de aanwijzing van categorieën houtopstanden waarvoor een verhoogd beschermingsniveau geldt. Artikel 8:3 Aanvraag 1. De omgevingsvergunning moet schriftelijk en gemotiveerd worden aangevraagd, door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

2. Het bevoegd gezag kan bepalen dat een compensatieplan en een overzicht van de overige vergunningen, ontheffingen of toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van een project worden overgelegd. 3. In geval van een bouwwerk of technische ingrepen in het terrein binnen de invloedssfeer van de houtopstand kan het bevoegd gezag bepalen dat een Bomeneffect-analyse van alle houtopstand die staat binnen de invloedssfeer van de te vellen houtopstand wordt overgelegd. Artikel 8:4 Intrekking of wijziging De ontheffing, vergunning of de omgevingsvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is verleend, is vereist; c. indien de aan de ontheffing, of vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet worden nagekomen; d. indien de houder dit verzoekt. Artikel 8:5 Beperking geldigheidsduur 1. De omgevingsvergunning tot vellen als bedoeld in dit hoofdstuk vervalt kan worden ingetrokken, indien daarvan niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden daarvan gebruik is gemaakt. 2.

In het geval het Het eerste lid is ook van toepassing op een omgevingsvergunning voor het vellen van meer dan één houtopstand betreft, is de omgevingsvergunning voor alle te vellen houtopstanden slechts drie jaar geldig, ook als in fasen geveld wordt of één of meerdere houtopstanden al geveld zijn. Artikel 8:6 Bijzondere voorschriften 1. Aan de omgevingsvergunning kan het voorschrift worden verbonden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. 2. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 3. Indien waarden genoemd in artikel 8:2, tweede lid van toepassing zijn, kan aan de omgevingsvergunning tot vellen het voorschrift behoren dat pas tot vellen van de beschermde houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is. 4. Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan aan de omgevingsvergunning het voorschrift worden verbonden dat een geldelijke bijdrage gestort dient te worden in het Bomenfonds. 5.

De verplichting als bedoeld in het vierde lid, betreft een geldelijke bijdrage van € 350,00 per gevelde houtopstand voor particuliere eigenaren. 6. De verplichting als bedoeld in het vierde lid, betreft een geldelijke bijdrage tussen € 1000,00 en € 1500,00 per gevelde houtopstand voor niet particuliere eigenaren.

7. Burgemeester en wethouders stellen Het bevoegd gezag stelt beleid vast, voor vaststelling van de in het vierde lid genoemde verplichting. 8. Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. 9. Bij het verbinden van voorschriften als bedoeld in dit artikel kan het bevoegd gezag onderscheid maken naar categorie houtopstand en beschermingsniveau. Artikel 8:7 Herplant-/instandhoudingsplicht bij illegale velling 1. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. 2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 3. Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan de verplichting worden opgelegd dat een geldelijke bijdrage dient te worden gestort, in het Bomenfonds. 4.

De verplichting als bedoeld in het derde lid, betreft een geldelijke bijdrage van € 350,00 per gevelde houtopstand. 5. Burgemeester en wethouders stellen Het bevoegd gezag stelt beleid vast, voor oplegging van de in het derde lid genoemde verplichting. 6. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om: a. overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen en binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen; b. een bomeneffect-analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag. 7. Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het vierde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. Artikel 8:8 Schadevergoeding Burgemeester en wethouders beslissen op een verzoek om schadevergoeding bij weigering van een omgevingsvergunning tot vellen op grond van artikel 17 van de Boswet.

[vervallen] Artikel 8:9 Afstand tot de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek is vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en nihil voor heggen en heesters, voor zover het bomen heesters en heggen betreffen die eigendom zijn van de gemeente.

Artikel 8:10 Bestrijding van boomziekten 1. Indien zich op een terrein één of meer houtachtigen bevinden die naar het oordeel van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door burgemeester en wethouders het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: a. de houtachtige te vellen; b. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtachtige direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. 2. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag gevelde houtachtige of delen daarvan voor handen of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. 3. Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht. Artikel 8:11 Bescherming publieke houtachtigen 1.

Het is verboden om houtachtigen, die eigendom van de gemeente Baarn zijn te beschadigen, te bekladden of te beplakken of daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door ambtenaren of anderen ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak. 2. Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een houtachtige als in het eerste lid aan te brengen of anderszins te bevestigen. 3. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan van het verbod van het tweede lid, ontheffing verlenen. HOOFDSTUK IX: BODEM Artikel 9:1 Bodemonderzoek 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: a. de resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993); b.

de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), in het geval dat de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van deze verontreiniging een nader onderzoek, als bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is. c. indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit bouwwerken.

3. Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk ontheffing van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien voor de toepassing van artikel 9:2 bij de gemeente reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. [vervallen] Artikel 9:2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem “Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een reguliere omgevingsvergunning is vereist; en c. 1. dat de grond raakt, of 2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd”.

[vervallen] Artikel 9:3 Voorwaarden omgevingsvergunning In afwijking van het bepaalde in artikel 9:2 en onverminderd het bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter e van paragraaf 1.2.5 van de bij dit besluit behorende bijlage, kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. [vervallen] Artikel 9:4 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in dit hoofdstuk wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. [vervallen] HOOFDSTUK X: ERFGOED PARAGRAAF 1: ERFGOEDREGISTER Artikel 10:1 Gemeentelijk erfgoedregister 1.

Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens de bepalingen in dit hoofdstuk onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed (verder: het gemeentelijk erfgoedregister).

2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed. [vervallen; opgenomen in Erfgoedverordening gemeente Baarn 2026] PARAGRAAF 2: AANWIJZING VAN BESCHERMDE GEMEENTELIJKE CULTUURGOEDEREN EN VERZAMELINGEN Artikel 10:2 Aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoeder of beschermde gemeentelijke verzameling 1. Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als beschermd gemeentelijk cultuurgoed. 2. Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als beschermde gemeentelijk verzameling. 3.

Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist. 4. Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. 5. Dit artikel is niet van toepassing op: a. beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en b. cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. [vervallen; opgenomen in Erfgoed verordening gemeente Baarn 2026] Artikel 10:3 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling 1. Burgemeester en wethouders kunnen een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 10:2, eerste of tweede lid, ambtshalve wijzigen of intrekken. Artikel 10:2, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft, als zodanig is tenietgegaan. 2.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of b. beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. [vervallen; opgenomen in Erfgoedverordening gemeente Baarn 2026] PARAGRAAF 3: AANWIJZING GEMEENTELIJK MONUMENT Artikel 10:4 Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Indien een deel van een onroerende zaak beschermingswaardig is, beperkt de bescherming zich tot dat specifieke deel. In het aanwijzingsbesluit dient dit tot uitdrukking te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening. Artikel 10:5 Voornemen tot aanwijzing 1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 10.4 wordt door burgemeester en wethouders het bevoegd gezag schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.

Voordat een kerkelijk monument, als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders voert het bevoegd gezag overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel 10:6 Voorbescherming 1. De bescherming van paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 10.5 is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel 10:7 Advies gemeentelijke adviescommissie 1. Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 10:4 advies aan een gemeentelijke adviescommissie waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Van de adviescommissie maken geen deel uit leden van het gemeentebestuur. 2. De voorzitter en de leden van de adviescommissie kunnen ten hoogste voor een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar. 3. De burgerleden en hun plaatsvervangers worden op voorstel van burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad.

4. De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 5. De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen vier weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Het bevoegd gezag vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 10:4 advies aan een gemeentelijke commissie ruimtelijke kwaliteit. Artikel 10:8 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 10:9 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 10:10 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.

Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingenaanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. PARAGRAAF 4: BESCHERMING GEMEENTELIJK MONUMENT Artikel 10:11 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 10:12 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b.

te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of b. alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is geen waarde heeft. 3. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. Artikel 10:13 Intrekken van de omgevingsvergunning De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 10:12, eerste lid, kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken: a. als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten. [vervallen] Artikel 10:14 Weigeringsgronden 1.

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. PARAGRAAF 5: RIJKSMONUMENTEN Artikel 10:15 Advies omgevingsvergunning rijksmonumentenactiviteit Burgemeester en wethouders zenden Het bevoegd gezag zendt onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 10:7, eerste lid. Artikel 10:7, vierde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing voor advies aan de gemeentelijke commissie ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsbesluit. PARAGRAAF 6: AANWIJZING GEMEENTELIJKE STADS- OF DORPSGEZICHTEN Artikel 10:16 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijke beschermd stads- of dorpsgezicht. 2.

Burgemeester en wethouders zenden Het bevoegd gezag zendt het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 10:7, eerste lid gemeentelijke commissie ruimtelijk kwaliteit. Artikel 10:7, vierde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening regels vast in het omgevingsplan. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen bestaande regels uit het omgevingsplan als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan nieuwe beschermde regels kunnen worden vastgesteld. 7. Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vijfde of zesde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen. 7. 8.

Dit artikel is niet van toepassing op een beschermde stads- of dorpsgezicht die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van een omgevingsverordening. Artikel 10.17 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 10:16, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 10:16, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft, als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als a. beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of b. beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. 3. Zodra Het bevoegd gezag verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt dat onverwijld bijgehouden direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 10:18 Verbodsbepaling en aanvraag vergunning 1. Het is in een beschermd gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, een bouwwerk te slopen.

2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. De artikelen 10:14 is van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet of zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. PARAGRAAF 7: VANGNET ARCHEOLOGIE Artikel 10:19 Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij: a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wabo is verleend; b.

het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of d. met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek. HOOFDSTUK XI: MARKT Artikel 11:1 Grenzen van de markt 1. Burgemeester en wethouders bepalen Het bevoegd gezag bepaalt ten aanzien van de markt: a. het aantal standplaatsen; b. de afmetingen van de standplaatsen; c. de opstelling en indeling van de markt; d. welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerkersplaats. a. een kaart van de markt. 2. Burgemeester en wethouders kunnen voor de markt vaststellen: a. een lijst met artikelengroepen of branches; b. een maximumaantal standplaatsen per branche. 2.

Op de kaart van de markt zijn aangegeven:

a. de grenzen van de markt; b. de vaste standplaatsen. Artikel 11:2 Nadere regels Burgemeester en wethouders zijn Het bevoegd gezag is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in dit hoofdstuk. Artikel 11:3 Standplaatsvergunning Het is verboden een standplaats op de markt in te nemen zonder vergunning van Burgemeester en wethouders. [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024] Artikel 11:4 Vereisten Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij burgemeester en wethouders. [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024] Artikel 11:5 Intrekking vaste standplaatsvergunning 1. Burgemeester en wethouders trekken een vaste standplaatsvergunning in: a. op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder; b. bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 7 van het Marktreglement Baarn 2011 de vergunning wordt overgeschreven. 2. Burgemeester en wethouders kunnen een vaste standplaatsvergunning intrekken: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 11:5 genoemde vereisten. 3.

Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 7 van het Marktreglement Baarn 2011 is overgeschreven, reeds vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken. [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024] Artikel 11:6 Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 11:5 kunnen burgemeester en wethouders een vergunning voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of c. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024]

Artikel 11:7 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker Burgemeester en wethouders kunnen een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats; d. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024] Artikel 11:8 Onmiddellijke verwijdering Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kunnen burgemeester en wethouders een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien hij: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; b. zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats. [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024] HOOFDSTUK XII: AFVOER HEMELWATER EN GRONDWATER Artikel 12:1 Verbod op aankoppelen in geval van nieuwbouw 1.

Het is verboden om bij nieuwbouw in een gebied, aangewezen door middel van een besluit van burgemeester en wethouders en vastgelegd in een gebiedsaanwijzing, op een openbaar vuilwaterriool hemelwater aan te koppelen of grondwater aan te koppelen dat vrijkomt bij drainage, oppompen of andere vormen van onttrekkingen. 2. De gebiedsaanwijzing treedt in werking een dag na de bekendmaking ervan. 3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod bedoeld in het eerste lid, indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater en grondwater kan worden gevergd, omdat het tot onredelijke hoge kosten voor de perceeleigenaar leidt. Een ontheffing wordt aangevraagd middels een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. 4. Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Artikel 12:2 Plicht tot afkoppelen in geval van bestaande bouw 1. Het is verboden om bij bestaande bouw in een gebied, aangewezen door middel van een besluit van burgemeester en wethouders en vastgelegd in een gebiedsaanwijzing, in een openbaar vuilwaterriool hemelwater te lozen of grondwater te lozen dat vrijkomt bij drainage, oppompen of andere vormen van onttrekkingen. 2. Burgemeester en wethouders kunnen de wijze bepalen waarop het afkoppelen moet plaatsvinden. Dit kan:

a. op initiatief van de gemeente, waarbij het hemelwater van het openbaar vuilwaterriool wordt afgekoppeld op het terrein van de eigenaar op kosten van de gemeente. b. op initiatief van de gemeente, waarbij de eigenaar van het terrein zelf op eigen kosten het hemelwater van het openbaar vuilwaterriool afkoppelt. 3. De gebiedsaanwijzing treedt in werking een dag na de bekendmaking ervan. Binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van het besluit dient de afkoppeling te zijn gerealiseerd. Burgemeester en wethouders kunnen deze termijn met ten hoogte twaalf maanden verlengen. 4. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van de verplichting tot afkoppelen als bedoeld in het eerste lid, indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater en grondwater kan worden gevergd, omdat het tot onredelijke hoge kosten voor de perceeleigenaar leidt. Een ontheffing wordt aangevraagd middels een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. 5. Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. HOOFDSTUK XIII: SLOTBEPALINGEN Artikel 13:1 Strafbepaling 1.

Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:1, vijfde juncto eerste lid, 2:2, tweede lid, 2:3, eerste lid en 2:13, eerste lid. 3. In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van artikel 8:10, tweede lid en artikel 8:11 eerste en tweede lid gestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. 4. In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van artikel 12:1 en 12.2 gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 3. In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van artikel 8:10, tweede lid en artikel 8:11 eerste en tweede lid gestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. 4.

In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van artikel 12:1 en 12.2 gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

5. Dit artikel is niet van toepassing op de hoofdstukken VII en IX. Artikel 13:2 Toezicht en handhaving 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de ambtenaren als bedoeld in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering. 2. Het college van burgemeester en wethouders Het bevoegd gezag dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk VII de bij besluit van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag aangewezen personen. 4. Indien burgemeester en wethouders vaststellen dat de verplichtingen van hoofdstuk VII niet zijn nagekomen, kunnen burgemeester en wethouders besluiten handhavend op te treden danwel legalisatie achteraf van de ontstane

situatie verlangen met inachtneming van de bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Indien blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden zijn gemeld maar dat hiervoor een instemmingsbesluit is vereist, is dit artikel van overeenkomstige toepassing. 5. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid en haar overige wettelijke bevoegdheden is het college bevoegd het instemmingsbesluit in te trekken, danwel de werkzaamheden stil te leggen indien er wordt gewerkt: a. zonder instemmingsbesluit of zonder melding; b. in afwijking van de voorschriften van het instemmingsbesluit; c. in afwijking van de nadere regels; d. in strijd met het geldende breekverbod. 4. Indien burgemeester en wethouders vaststellen het bevoegd gezag vaststelt dat de verplichtingen van hoofdstuk VII niet zijn nagekomen, kunnen burgemeester en wethouders kan het bevoegd gezag besluiten handhavend op te treden dan wel legalisatie achteraf van de ontstane situatie verlangen met inachtneming van de bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Indien blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden zijn gemeld maar dat hiervoor een instemmingsbesluit is vereist, is dit artikel van overeenkomstige toepassing. 5.

Onverminderd het bepaalde in het vierde lid en haar overige wettelijke bevoegdheden is het college bevoegd het instemmingsbesluit in te trekken, dan wel de werkzaamheden stil te leggen indien er wordt gewerkt: a. zonder instemmingsbesluit of zonder melding; b. in afwijking van de voorschriften van het instemmingsbesluit; c. in afwijking van de nadere regels; d. in strijd met het geldende breekverbod. 6. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk X is de door burgemeester en wethouders het bevoegd gezag aan te wijzen personen belast. 7. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk XI is de marktmeester belast. 8. Dit artikel is niet van toepassing op hoofdstuk IX. 7. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk XI is de marktmeester belast. 8. Dit artikel is niet van toepassing op hoofdstuk IX. Artikel 13:3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens de hoofdstukken II, III, IV, V en VI gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 13:4 Inwerkingtreding en intrekking 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16505961/1