CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

1383257 Verordening Fysieke Leefomgeving Baarn, eerste wijziging bijlage 2 Geactualiseerde Verordening fysieke leefomgeving Baarn MET WIJZIGINGEN (2)

Raadsvergadering 25 februari 2026, gemeente BaarnBij agendapunt: Verordening Fysieke Leefomgeving Baarn, eerste wijziging33.640 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

geldende regels van toepassing worden verklaard als die er ten aanzien van de aanleg van kabels en/of leidingen zijn. In het kader van de ondergrondse ordening kan gedacht worden aan bescherming van reeds in de grond aanwezige werken van bijvoorbeeld de riolering en de levering of het transport van elektronische informatie, gas, water en elektriciteit. Bescherming van deze werken betekent onder meer het niet in gevaar brengen of zonder noodzaak bemoeilijken van deze werken. Voorts kan dit (indirect) met zich meebrengen dat deze werken zo min mogelijk worden gehinderd in hun ligging. Dit artikel benadrukt dat alle belanghebbenden moeten worden geïnformeerd. Hieronder vallen onder andere bewoners van percelen langs het tracé, maar ook de bedrijfsmatige gebruikers, winkeliers en gebruikers van kantoorpanden. Als burgemeester en wethouders het bevoegd gezag vooraf heeft aangegeven zelf zorg te dragen voor het in oude staat terugbrengen van verhardingen en beplanting dient de netbeheerder de marktconforme kosten daarvan aan de gemeente te vergoeden. Artikel 7:7 (Mede)gebruik van voorzieningen Dit artikel heeft als doel om medegebruik zoveel als mogelijk te bevorderen. Op verzoek van een gedoogplichtige dient zoveel mogelijk gebruik gemaakt te worden van reeds aanwezige voorzieningen als deze tegen een marktconforme prijs worden aangeboden.

Het doel hiervan is te voorkomen dat onnodig gegraven wordt in gemeentegrond en dat er zo effectief mogelijk gebruik wordt gemaakt van de openbare ruimte bijvoorbeeld door middel van het delen van voorzieningen. Voorzieningen zijn bijvoorbeeld kabelgoten en geleidingen. Artikel 7:8 Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie Op het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk op verzoek van de gemeente, zijn de wettelijke regels conform artikel 5.8 van de Telecommunicatiewet van toepassing. Op het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen die ten dienste staan van een netwerk ten behoeve van water- of energievoorzieningen in of op openbare gronden gelden de geformuleerde bepalingen, in samenhang met eventuele geldende privaatrechtelijke overeenkomsten met de netbeheerder(s) die gerespecteerd worden voor zover deze regelingen niet aanvullend daarop zijn. Een netbeheerder is verplicht maatregelen, waaronder het verplaatsen, te nemen als dat noodzakelijk is voor werken door of vanwege de gemeente. De gemeente zal dus de noodzaak moeten aantonen.

De eventuele compensatie van kosten van het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, worden vooralsnog berekend aan de hand van de tussen partijen van toepassing zijnde afspraken, totdat er algemeen geldende regels zijn overeengekomen. Alle hierboven bedoelde kosten van het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen, op verzoek van de gemeente zijn onvermijdelijke maatschappelijke kosten die zo laag mogelijk gehouden dienen te worden. Dat is een van de redenen waarom op initiatief van de gemeente proactieve regie wordt gevoerd. Hierbij worden de plannen van de gemeente én van de netbeheerders vanuit een lange termijn planning (tot 5 jaar vooruit) zoveel als mogelijk inzichtelijk gemaakt en gemonitord teneinde werkzaamheden zoveel als mogelijk op elkaar af te stemmen en/of te combineren. Artikel 7:9 Overleg Ter afstemming van allerlei zaken en het voeren van proactieve regie wordt er regelmatig een periodiek (lange termijn) overleg gepland tussen de gemeente en netbeheerders en andere

betrokken of belanghebbende partijen. Dit gebeurt op initiatief van de gemeente. Het kan ook in samenwerking met andere gemeenten of overheden gebeuren. Artikel 7:10 Niet-openbare kabels en/of leidingen Met niet-openbare kabels en/of leidingen worden kabels en/of leidingen bedoeld die niet gebruikt worden om openbare diensten aan te bieden. Een voorbeeld hiervan is een point-to-point glasvezelverbinding tussen twee bankgebouwen als deze (gedeeltelijk) in openbare grond is aangelegd door de bankinstelling zelf. De gemeente gedoogt (onder voorwaarden) kabels en/of leidingen met een publieke of openbare functie in de openbare ruimte. De gemeente kan echter ook aanvragen krijgen van partijen die niet-openbare kabels en/of leidingen wensen aan te leggen. Vanwege het intensieve gebruik van de ondergrondse ruimte en de veiligheidsrisico’s is de tendens dat in het algemeen geen toestemming wordt verleend voor de aanleg van nietopenbare kabels en/of leidingen van particulieren en/of bedrijven. Particulieren die een eigen verbinding wensen, dienen bij voorkeur gebruik te maken van openbare netstructuren. Toch zijn er uitzonderingssituaties en indien de beschikbare (ondergrondse) ruimte het toestaat kan de gemeente onder strikte voorwaarden daarvoor toestemming geven.

Bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van niet-openbare kabels en/of leidingen in openbare wegen en wateren is het bepaalde in hoofdstuk 7 van deze verordening van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat waar wordt bedoeld openbare kabels en/of leidingen daar moet worden gelezen niet-openbare kabels en/of leidingen. Dat betekent echter niet dat de gemeente daarmee een gedoogplicht voor deze kabels en/of leidingen heeft. Artikel 7:11 Informatieplicht Ten aanzien van kabels (en bijbehorende voorzieningen) ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken is wettelijk voorzien in regels voor de duur van de gedoogplicht. Het is mede daarom van belang om inzichtelijk te hebben of kabels en/of leidingen nog deel uitmaken van een netwerk. Ook gezien de mogelijkheden tot medegebruik van al bestaande voorzieningen. Netbeheerders dienen burgemeester en wethouders het bevoegd gezag te informeren over het al dan niet in gebruik zijn van bepaalde voorzieningen. Op verzoek van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag moeten zij gegevens kunnen overleggen van alle al dan niet in gebruik zijnde kabels en/of leidingen.

Het gaat daarbij om gegevens over de status van de kabels en/of leidingen, bijvoorbeeld dat deze (tijdelijk) niet in gebruik zijn, maar op enig moment wel weer in gebruik kunnen worden genomen, of dat deze verlaten worden en op een geschikt moment kunnen worden opgeruimd. De bewijslast van ingebruikname en het in gebruik hebben, ligt bij de netbeheerder. Wijzigingen kunnen ook optreden door het vervallen van het openbare karakter van gronden. Dit heeft ook gevolgen voor het al dan niet mogen hebben en houden van kabels en/of leidingen in deze gronden. Burgemeester en wethouders Het bevoegd gezag moet op de hoogte gesteld worden van het feit dat het eigendom wordt overgedragen. Indien eigendom, exploitatie of beheer van de kabel en/of leiding wordt overgedragen aan een andere netbeheerder, gaan de rechten en plichten volgens deze verordening die betrekking hebben op de kabel en/of leiding van rechtswege over op de nieuwe netbeheerder. Op het eigendom van kabels en leidingen zijn de wettelijke bepalingen van toepassing. Hoofdstuk VIII: Bomen De regels in dit hoofdstuk gelden voor houtopstanden binnen de bebouwde kom, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 2.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn heeft op 17 februari 2016 de kaart “Bebouwde kom Boswet” vastgesteld in raadsbesluit 15RV000112. Deze kaart geeft aan binnen welke grenzen een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen is vereist op grond van artikel 1, lid 5, van de Boswet. De Boswet is per 1 januari 2017 vervallen en de bepalingen daarvan zijn opgenomen in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Sindsdien zijn er geen herziening vastgesteld van de grenzen van de bebouwde kom. Artikel 9.9, lid 1, Wnb bepaalt echter dat besluiten die zijn genomen op grond van artikel 1, lid 5, van de Boswet hun rechtskracht behouden onder de Wnb. Dit betekent dat de onder de Boswet vastgestelde kaart bebouwde kom zonder aanvullend besluit geldig bleef onder de Wnb. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is dit overgangsrecht opnieuw bevestigd in artikel IV, lid 4, van het Aanvullingsbesluit natuur. Daarin is vastgelegd dat een aanwijzing van een bebouwde kom als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a, van de Wnb, van rechtswege geldt als bebouwingscontour houtkap onder de Omgevingswet, zolang de gemeente geen nieuwe contour heeft vastgesteld. De kaart met de verwijzing tot de Boswet uit 2016 blijft hierdoor rechtsgeldig onder de Omgevingswet. De juridische geldigheid berust op het raadsbesluit van 17 februari 2016, niet op de naam van de kaart.

ARTIKEL 8:1: Kapverbod Lid 1. Het kapverbod betreft bomen met een minimale stamomtrek van minimaal 78 cm gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld. Houtachtigen die hakhout leveren komen vaak niet aan een minimale stamomtrek op deze 1,30 meter hoogte boven het maaiveld. De stam van hakhout wordt namelijk al op een mindere dikte geknot. Vandaar dat hakhout ook onder het kapverbod valt, zonder dat voldaan moet worden aan een minimale stamomtrek. Lid 2 onder c. Onder snoeiwerkzaamheden wordt verstaan het plegen van snoeionderhoud gericht op de instandhouding, waarbij niet meer dan 20% van de volume weggenomen wordt. Lid 3 onder c en d zijn toegevoegd om aan te sluiten bij de uitgangspunten van het nieuwe bomenbeleid. Lid 4. Uitzonderingen die in het derde lid gelden, zijn niet van toepassing op bomen die in een beschermd stads- of dorpsgezicht staan. Lid 5. Hierin is opgenomen dat het bevoegd gezag kan bepalen dat de uitzonderingen in het tweede of derde lid geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn op aangewezen categorieën houtopstanden. Lid 6. Indien een houtopstand direct gevaar oplevert kan het bevoegd gezag besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen op grond van noodkap, direct in werking treedt. Dit houdt in dat dan direct tot kap overgegaan kan worden. Belanghebbenden hebben dan wel (achteraf) nog steeds de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar.

Dit is van belang omdat aan de verleende omgevingsvergunning voorschriften kunnen zijn verbonden. ARTIKEL 8:2 Criteria omgevingsvergunning Lid 3. Burgemeester en wethouders zullen als bevoegd gezag, ter invulling van haar beoordelingsbevoegdheid, nadere regels of beleid opstellen. ARTIKEL 8:3 Aanvraag Lid 2. Burgemeester en wethouders Het bevoegd gezag kan bepalen dat een overzicht van de overige vergunningen, ontheffingen of toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van een project, wordt overlegd. Dat kan een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming Omgevingswet, ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming en dergelijke, t.a.v. natuur of een ander soort toestemming zijn.

ARTIKEL 8:5 Beperking geldigheidsduur Dit artikel geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een omgevingsvergunning in te trekken indien van die vergunning niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden gebruik is gemaakt. De grondslag voor deze bevoegdheid is artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet. Die bepaling bepaalt dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning mag intrekken indien daar gedurende een jaar geen gebruik van is gemaakt. De termijn van drie jaar die in deze verordening wordt gehanteerd, vormt een expliciete invulling van deze discretionaire bevoegdheid. Het gaat niet om een automatische vervaltermijn, maar om een beleidsmatig afwegingskader dat in de verordening is vastgelegd. ARTIKEL 8:7 Herplant-/instandhoudingsplicht De herplant-/instandhoudingsplicht is een bestuurlijke sanctie als in artikel 5:2 eerste lid Awb, maar geen bestraffende sanctie. In artikel 8:7 wordt de mogelijkheid gegeven een beschikking (herstelsanctie) op te leggen die daadwerkelijk landschapsherstel of instandhouding van landschap mogelijk maakt. ARTIKEL 8:8 Schadevergoeding Op grond van artikel 17 Boswet dient in de gemeentelijke verordening te staan welk bestuursorgaan is aangewezen, om te beslissen over een te bepalen schadevergoeding.

“Artikel 17 Boswet: Indien de gebruiker of eigenaar van een houtopstand tengevolge van een krachtens provinciale of gemeentelijke verordening genomen besluit, houdende een verbod tot vellen van een houtopstand of een weigering tot ontheffing van een verbod tot vellen van een houtopstand, schade lijdt, welke redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening behoort te blijven, kennen de in de provinciale, onderscheidenlijk de gemeentelijke verordening aangewezen organen hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding uit de provinciale, onderscheidenlijk de gemeentekas toe.” ARTIKEL 8:9 Afstand tot de erfgrenslijn Gemeentebomen mogen op een afstand van 0,5 meter tot aanliggende percelen staan. Zodoende kunnen ook in trottoirs gemeentebomen staan. ARTIKEL 8:10 Bestrijding van boomziekten Lid 2. Het is verboden zonder vergunning van Burgemeester en wethouders het bevoegd gezag gevelde houtachtige of delen daarvan voor handen of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die een boomziekte als in het eerste lid, kan verspreiden. Een vergunningstelsel is hier op zijn plaats, omdat de raad de situatie niet zozeer bedenkelijk of laakbaar vindt, maar op deze manier toezicht wil houden, op de aanwezigheid van zieke boomdelen. Hiermee wil de raad verspreiding van boomziekten voorkomen.

Hoofdstuk IX: Bodem Onderdeel bodem is meegenomen uit de Bouwverordening Baarn 2012. De wetswijzigingen die hebben plaatsgevonden zijn nog niet meegenomen in de huidige versie van de Bouwverordening Baarn. Als gevolg van die wetswijzigingen zullen veel onderdelen uit de Bouwverordening vervallen. Om die reden zijn deze onderdelen niet meegenomen in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Het gaat onder andere over de voor- en achtergevelrooilijn. Het onderdeel welstand blijft wel in de Bouwverordening staan. Deze onderwerpen vallen onder het nieuwe stelsel van de Omgevingswet en worden reeds afdoende gereguleerd via het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de bruidsschat. Gemeenten hoeven deze regels dus niet opnieuw op te nemen in hun eigen verordening. Zie o.a. artikel 4.118 e.v. Bal en de rijksregels over bodemkwaliteitsonderzoek bij bouwactiviteiten.

Hoofdstuk X: Erfgoed De Erfgoedverordening 2010 gemeente Baarn is geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving. De bepalingen van de Erfgoedverordening zijn aangepast naar een nieuwe versie Erfgoedverordening gebaseerd op de Erfgoedwet. Artikelen 10:1, 10:2 en 10:3 zijn opgenomen in de nieuwe Erfgoedverordening gemeente Baarn. Op grond van artikel 2.8 van de Invoeringswet Omgevingswet en de wijziging van artikel 3.16 van de Erfgoedwet is bepaald dat regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving niet langer in een verordening mogen blijven staan. Er zijn drie categorieën te onderscheiden: bepalingen die van rechtswege onderdeel zijn van het tijdelijk omgevingsplan, bepalingen die verplicht moeten worden opgenomen in het omgevingsplan (zoals regels over aanwijzing, bescherming en vergunningplichten), en bepalingen die niet in het omgevingsplan mogen worden opgenomen (zoals het erfgoedregister en regels over cultuurgoederen). Deze systematiek is juridisch noodzakelijk en voorkomt dat regels hun rechtskracht verliezen na 1 januari 2032. Artikel 10:1 Gemeentelijk erfgoedregister Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het (beschermd) gemeentelijk aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. Het gaat om door het gemeentebestuur zelf aangewezen monumenten, stads- of dorpsgezichten of cultuurgoederen.

Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting van artikel 3.16, derde lid, van de Erfgoedwet en is daarmee van toepassing op al het cultureel erfgoed, ongeacht of het om onroerende of roerende zaken gaat, dat is aangewezen op grond van deze verordening. Het woord “onherroepelijk” betekent hier dat tegen de aanwijzing geen beroep (of bezwaar) is ingesteld of dat het is afgewezen. Dit artikel heeft geen betrekking op de fysieke leefomgeving. Het erfgoedregister is een administratief hulpmiddel en kent geen juridische gevolgen. Het biedt overzicht van gemeentelijk erfgoed, inclusief roerend erfgoed, maar de registratie zelf leidt niet tot rechtsgevolgen zoals vergunningplichten of beperkingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving. Het register blijft dus onderdeel van de verordening, en kan niet over naar het omgevingsplan.

Artikel 10:2 Aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoeder of beschermde gemeentelijke verzameling Dit artikel maakt het mogelijk dat topstukken van het gemeentelijk cultuurbezit worden aangewezen als beschermde gemeentelijke cultuurgoederen of beschermde gemeentelijke verzamelingen, voor zover deze niet al voor het Nederlandse cultuurbezit als beschermde cultuurgoederen zijn aangewezen door de minister op grond van artikel 3.7 van de Erfgoedwet of door gedeputeerde staten op grond van de provinciale erfgoedverordening krachtens artikel 3.17 van de Erfgoedwet. De formele gevolgen van een aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling zijn beperkt: ingevolge artikel 10:1 van deze verordening zullen ze ingeschreven dienen te worden in het gemeentelijk erfgoedregister en er geldt op grond van het derde lid, in aanvulling op artikel 4.18 van de Erfgoedwet, een adviesverplichting bij een eventuele vervreemding daarvan door de gemeente of wanneer de gemeente afstand wil doen van het eigendom of de zorg voor het cultuurgoed dat of de verzameling die aan haar was toevertrouwd. De aanwijzing heeft daarnaast vooral een symbolische betekenis en geeft uitdrukking aan het belang dat de gemeente stelt in het betreffende cultuurgoed of de betreffende verzameling.

De aanwijzing van beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen kan uitsluitend betrekking hebben op cultuurgoederen en verzamelingen die in eigendom zijn van de gemeenten of cultuurgoederen en verzamelingen waarvan de zorg aan de gemeente is toevertrouwd. Dat

kan bijvoorbeeld het geval zijn bij cultuurgoederen die door de gemeente in bruikleen zijn verkregen uit collecties van derden. Voor aanwijzing van dergelijke cultuurgoederen is overeenstemming met de eigenaar een vereiste. Burgemeester en wethouders moeten voorts in het geval van een schenking, erfstelling, legaat of aankoop eventuele beperkende of andere juridische voorwaarden in acht nemen. Er kan op grond van deze verordening geen sprake zijn van de aanwijzing van cultuurgoederen van derden als beschermde gemeentelijke cultuurgoederen of verzamelingen, zonder toestemming van de eigenaar. Er bestaat onvoldoende wettelijke grondslag om bij verordening een juridisch beschermingsregime eenzijdig aan een andere eigenaar op te leggen, zoals dat geldt voor de op rijksniveau beschermde cultuurgoederen (zie Hoofdstuk 4 van de Erfgoedwet). Van een eventuele aanwijzing zou daardoor geen enkele beschermde werking uitgaan. Daarom is ervan afgezien een aanwijzingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders te creëren.

Dit artikel gaat over roerend cultureel erfgoed, zoals schilderijen of collecties, die niet onder de reikwijdte van de Omgevingswet vallen. Alleen erfgoed met directe ruimtelijke impact (zoals monumenten) hoort in het omgevingsplan thuis. Deze bepalingen zijn bovendien symbolisch van aard, hebben geen dwingend juridisch effect, en vereisen altijd instemming van de eigenaar. Omdat deze aanwijzingen geen fysieke leefomgeving betreffen, mogen ze niet worden opgenomen in het omgevingsplan. Artikel 10:3 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling dezelfde adviesprocedure geldt als bij onder meer de aanwijzing daarvan; over het voornemen daartoe vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan de plaatsaanduiding i.v.m. verhuizing van een cultuurgoed naar een andere locatie ter plekke of omdat het in tijdelijke bruikleen wordt gegeven aan een museum.

Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling. Net als artikel 10:2 betreft dit roerend erfgoed. Dit artikel regelt alleen administratieve wijzigingen van een aanwijzing zonder gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Omdat deze aanwijzingen niet onder het omgevingsplan vallen, horen wijzigingsprocedures daarop ook niet in het omgevingsplan. Ook dit artikel moet dus in de erfgoedverordening en gaat niet over naar het omgevingsplan. Artikel 10:4 Aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet.

Burgemeester en wethouders hebben Het bevoegd gezag heeft beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarden uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren

komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Artikel 2 van de oude Erfgoedverordening (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988) over het gebruik van het monument, keert echter niet terug in hoofdstuk 10 van deze verordening. Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd. Artikel 10:5 Voornemen tot aanwijzing Eerste lid Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw).

Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders het bevoegd gezag van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Tweede lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet).

Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 3.2a van de Wabo 16.58 van de Omgevingswet en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord. Artikel 10:6 Voorbescherming Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het bevoegd gezag het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. Het is vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeit uit artikel 16.58 de Omgevingswet. Artikel 10:7 Advies gemeentelijke adviescommissie Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Op grond van dat artikel dient ten minste in de onderhavige verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.” Hieraan

wordt in dit artikel uitvoering gegeven. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Hiertoe behoort ook de archeologische monumentenzorg. De Monumentenwet 1988 laat de ruimte om voor de adviestaak voor monumenten de inschakeling te regelen van een commissie waaraan in de praktijk meer taken in de fysieke leefomgeving zijn toegedicht. In de praktijk wordt de monumentencommissie bijvoorbeeld wel gecombineerd met een commissie voor ruimtelijke kwaliteit. Artikel 10:7 maakt daarvan gebruik om mogelijk te maken dat vooruitlopend op de Omgevingswet gewerkt kan worden met een bredere gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. Nu een voorwaarde van de Omgevingswet zal zijn dat geen leden van het gemeentebestuur deel uitmaken van deze commissie (onder de Monumentenwet 1988 geldt dat voor leden van burgemeester en wethouders), is deze voorwaarde daartoe overgenomen in deze verordening. Onder de Omgevingswet (artikel 17.9 van het wetsvoorstel zoals dat op 22 maart 2016 is aangenomen door de Eerste Kamer) zal een adviescommissie ingesteld moeten worden die tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologische monumenten betreft. Ook daarbinnen dienen enkele leden deskundig te zijn op het gebied van de monumentenzorg.

Het gaat (onder de Omgevingswet) om een adviescommissie met een bredere taak voor de omgevingskwaliteit, waarin de erkenning ligt van het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij (onder de Omgevingswet) zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten. De Omgevingswet maakt uitdrukkelijk een bredere taakstelling van deze commissie mogelijk. Op grond van artikel 17.9, lid 1, van de Omgevingswet heeft de gemeenteraad in ieder geval tot taak te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument, via een ingestelde adviescommissie. Onder de Omgevingswet gaat het om een adviescommissie met een bredere taak op het gebied van omgevingskwaliteit, waarin het belang wordt onderkend van aspecten zoals cultureel erfgoed, de architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en de kwaliteit van natuur en landschap. Het betreft daarbij zowel de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als de intrinsieke waarden die de samenleving toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten.

De Omgevingswet maakt nadrukkelijk een bredere taakstelling van deze commissie mogelijk. Dit is vastgelegd in de ‘Verordening op de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Baarn 2022’. Artikel 10:7 van deze verordening waarborgt die taak onder de Omgevingswet. Artikel 10:9 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving Eerste lid Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders het bevoegd gezag is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. Tweede lid De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het

gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Artikel 10:10 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister. Artikel 10:11 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 4.27 van de Omgevingswet met het oog op het behouden van cultureel erfgoed. Artikel 10:14 Weigeringsgronden In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo 16.57 van de Omgevingswet. Artikel 10:15 Advies omgevingsvergunning rijksmonumentenactiviteit Zie de toelichting bij artikel 10:7.

De term “rijksmonument” is gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wabo (op grond van artikel 10.9 van de Erfgoedwet) de bijlage behorende tot artikel 1.1 van de Omgevingswet. De procedure inzake deze omgevingsvergunning is geregeld in die wet. De gemeenteraad is verplicht om de inschakeling van een commissie die adviseert over omgevingsvergunningen bij rijksmonumenten te regelen bij verordening (artikel 15 van de Monumentenwet 1988). De advisering over omgevingsvergunningen bij rijksmonumenten wordt gedan via de adviescommissie vastgelegd in de ‘Verordening op de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Baarn 2022’. Artikel 10:16 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- of dorpsgezichten aan te wijzen, die vervolgens krachtens het bestemmingsplan moeten worden beschermd. Dit is vergelijkbaar met de thans nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988; echter zonder de plicht de minister te horen. Artikel 36 van de Monumentenwet 1988 zal vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna is het aanwijzen gemeentelijke van stads- of dorpsgezichten mogelijk via het omgevingsplan.

Voor de bescherming van rijksmonumenten binnen het gemeentelijke stads- of dorpsgezicht geldt artikel 11 van de Monumentenwet en van gemeentelijke monumenten artikel 10:11 van deze verordening. Ook het Rijk zal de bescherming van stads- of dorpsgezichten van landelijke betekenis dan op basis van de Omgevingswet regelen via een instructie aan de gemeenten, die zij moeten overnemen in hun omgevingsplan. Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- of dorpsgezichten aan te wijzen, die vervolgens krachtens het omgevingsplan moeten worden beschermd en aangewezen op grond van artikel 2.34, lid 4, van de Omgevingswet. Voor de bescherming van rijksmonumenten binnen het gemeentelijke stads- of dorpsgezicht geldt artikel 2.34, lid 4, van de Omgevingswet en van gemeentelijke monumenten artikel 10:11 van deze verordening. Artikel 10:17 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- of dorpsgezicht Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als beschermd gemeentelijke beschermd stads- of dorpsgezicht dezelfde

procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers. Artikel 10:18 Verbodsbepaling en aanvraag vergunning Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo Artikel 5.1, lid 1, van de Omgevingswet geeft de gemeente de mogelijkheid om op basis van hun verordening het slopen in een beschermd gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht aan een omgevingsvergunning te onderwerpen. Daaraan is hier uitvoering gegeven. Artikel 10:19 Vangnet archeologie Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting is de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Er zijn echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóór de invoering van deze eisen.

Gelet op de geldigheidstermijn van een bestemmingsplan van tien jaar, zal dit ook nog enige jaren mogelijk blijven. Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Malta, ook voor de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen. Bij eventuele nadere regels van burgemeester en wethouders over het verrichten van archeologisch onderzoek kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regels m.b.t. een programma van eisen of een plan van aanpak. Is van rechtswege opgenomen in het omgevingsplan als per artikel 4.6, eerste lid, onder d, van de Invoeringswet Omgevingswet. Die bepaalt dat een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, van rechtswege een onderdeel is van het tijdelijk omgevingsplan. Deze regels mogen daarom niet meer aangepast worden. Als de gemeente dat wel wilt doen, dan moet dat via wijziging van het omgevingsplan.

Hoofdstuk XI: Markten De marktverordening gemeente Baarn 2011 is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Er is om die reden geen verdere toelichting nodig. De regels over de grenzen van de marktlocatie zijn relevant voor de ruimtelijke toedeling van functies, en dus passend binnen het juridische karakter van het omgevingsplan. De overige regels over de organisatie, toewijzing van standplaatsen, vergunningverlening en toezicht behoren tot het organisatorische domein en horen thuis in de Marktverordening gemeente Baarn. Door deze scheiding te hanteren blijft de VFL (en hierna het omgevingsplan) beperkt tot fysieke en planologische aspecten, terwijl het bestuursrechtelijk beheer via de verordening wordt geregeld. Dit voorkomt dubbele regelgeving en houdt beide instrumenten overzichtelijk.

Hoofdstuk XII: Afvoer hemelwater en grondwater Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 maakt de Verordening Afvoer Hemelwater en Grondwater (en dus de regels in dit hoofdstuk) automatisch deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Dit betekent dat deze regels niet langer als aparte regels bestaan maar verwerkt moeten worden in het omgevingsplan. Regels over de afkoppelplicht, het aansluitverbod en de gebiedsaanwijzing (zoals vastgesteld door het college van B&W) zijn rechtstreeks onderdeel van het omgevingsplan. Deze regels mogen niet meer aangepast worden. Als de gemeente dat wel wilt doen, dan moet dat via wijziging van het omgevingsplan. Artikel 12:1 Verbod op aankoppelen in geval van nieuwbouw Lid 1. Het verbod op het aankoppelen van hemelwater geldt voor alle eigenaren van nieuw te bouwen bouwwerken, of nieuw aan te leggen open erven en terreinen met een verhard oppervlak, voor zover deze zijn gelegen binnen de gebiedsaanwijzing en het desbetreffende besluit geen uitzondering bevat. Eenzelfde situatie geldt voor het grondwater. De plicht tot niet aankoppelen is dus niet slechts beperkt tot het bouwwerk, maar betreft ook het open erf of andere terreinen.

Bedoeld is zowel het afvloeiend hemelwater dat afkomstig is van een bouwwerk en via een dakgoot, regenpijp, afvoerbuis enzovoort het openbaar vuilwaterriool bereikt als het afvloeiend hemelwater dat afkomstig is van een open erf of terrein en via goten, putten, afvoerbuis enzovoort het openbaar vuilwaterriool bereikt. Een open erf of terrein waarin goten en putten zijn aangebracht is onder meer een terras, een oprit, een parkeerterrein, een laad- en losperron. Ook de openbare weg binnen een aangewezen gebied valt binnen de reikwijdte van de afkoppelplicht. In het besluit tot gebiedsaanwijzing wordt beleidsmatig onderbouwd dat het gevraagde in beginsel redelijk is, waarbij concreet wordt aangegeven wat gevraagd wordt (gescheiden aanbieden of infiltreren) en wat daarvan de (financiële) consequenties zijn. Artikel 12:2 Plicht tot afkoppelen in geval van bestaande bouw Lid 1. Het eerste lid geeft de plicht tot afkoppelen van de hemelwaterafvoerleiding van het openbaar vuilwaterriool. Het gaat hier zowel om de afvoerleidingen die direct zijn aangesloten op het openbaar vuilwaterriool alsmede leidingen die op het perceel of binnen de woning/het gebouw zijn aangesloten op een gemengde leiding die op het openbaar vuilwaterriool is aangesloten.

De plicht tot afkoppelen geldt voor alle eigenaren van bouwwerken, open erven en terreinen, voor zover deze zijn gelegen binnen de gebiedsaanwijzing en het desbetreffende besluit geen uitzondering bevat. Eenzelfde situatie geldt voor het grondwater. De plicht tot afkoppelen is dus niet slechts beperkt tot het bouwwerk, maar betreft ook het open erf of andere terreinen. Bedoeld is zowel het afvloeiend hemelwater dat afkomstig is van een bouwwerk en via een dakgoot, regenpijp, afvoerbuis enzovoort het openbaar vuilwaterriool bereikt als het afvloeiend hemelwater dat afkomstig is van een open erf of terrein en via goten, putten, afvoerbuis enzovoort het openbaar vuilwaterriool bereikt. Een open erf of terrein waarin goten en putten zijn aangebracht is onder meer een terras, een oprit, een parkeerterrein, een laad- en losperron. Ook de openbare weg binnen een aangewezen gebied valt binnen de reikwijdte van de afkoppelplicht. In de gebiedsaanwijzing wordt rekening gehouden met de locatie van de hemel- en/of grondwaterafvoer. In eerste instantie wordt onderscheid gemaakt tussen aansluitingen die zich aan de voorkant (wegzijde) van het bouwwerk bevinden en de achterkant van het bouwwerk. Dit is een gevolg van het redelijkheidscriterium uit het tweede lid van art. 10.32a Wet milieubeheer. De voorkant van het bouwwerk kan in de meeste gevallen relatief gemakkelijk worden

afgekoppeld. De achterzijde van het bouwwerk is soms moeilijker af te koppelen en zal, indien afkoppeling in redelijkheid niet verlangd kan worden, buiten beschouwing worden gelaten. In het besluit tot gebiedsaanwijzing wordt een definitie uitgewerkt van de ‘voorkant’ en ‘achterkant’ van een bouwwerk. Daarnaast wordt beleidsmatig onderbouwd dat het gevraagde in beginsel redelijk is, waarbij concreet wordt aangegeven wat gevraagd wordt (gescheiden aanbieden of infiltreren) en wat daarvan de (financiële) consequenties zijn. Lid 2. Door het bevoegd gezag kan in de gebiedsaanwijzing worden aangegeven op welke wijze afkoppelen (technisch) moet gebeuren. Indien na het afkoppelen de hemelwater- en/of grondwaterafvoerleiding moet worden aangesloten aan het openbaar schoonwaterriool, biedt de bouwregelgeving de mogelijkheid aan te geven op welke wijze deze aansluiting (technisch) moet plaatsvinden. Lid 3. Artikel 10.32a Wet milieubeheer geeft aan dat de termijn waarbinnen de lozing van het hemelwater moet zijn beëindigd in de verordening wordt genoemd. De afkoppelplicht kan niet van de ene op de andere dag worden afgedwongen. In deze verordening is gekozen voor een termijn van 12 maanden. Lid 4.

Ontheffing van de afkoppelverplichting is mogelijk in uitzonderingssituaties waarin toepassing van gebiedsaanwijzing een bijzondere onbillijkheid met zich brengt die niet behoort tot de normaal beoogde gevolgen van het de gebiedsaanwijzing. Enig individueel nadeel is echter aanvaardbaar om een collectief doel te dienen (zoals het voorkomen van wateroverlast). In de aan te wijzen gebieden is het soms mogelijk om het hemelwater en/of grondwater aan te sluiten op het openbare schoonwaterriool. Waar er geen openbaar schoonwaterriool aanwezig is, zijn er in de regel voldoende mogelijkheden hemelwater te infiltreren in de bodem of te lozen in oppervlaktewater. Het verlenen van een ontheffing van de afkoppelverplichting is daarom alleen aan de orde indien het afkoppelen tot onredelijk hoge kosten voor de perceeleigenaar leidt. Dit kan bijvoorbeeld spelen bij het moeten uitvoeren van werkzaamheden aan leidingdoorvoeren door de fundering. Of de kosten onredelijk zijn wordt, bij de beoordeling van een verzoek om ontheffing, bepaald aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Als voor een individuele perceeleigenaar de te maken kosten onevenredig hoog zijn, in vergelijking met anderen in het aangewezen gebied, ligt ontheffing in de rede. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

Een voorschrift kan betrekking hebben op onder meer een uitstel van de plicht tot afkoppelen en op het treffen van een alternatieve (tijdelijke) voorziening. Een voorschrift dient vergezeld te gaan van een goede motivering. Lid 5. Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb), van toepassing. Belanghebbenden hebben hiermee de gelegenheid op het ontwerpbesluit zienswijzen in te brengen. Op deze manier wordt een zorgvuldige voorbereiding en vaststelling gewaarborgd. Hoofdstuk XIII: slotbepalingen In artikel 13:1 worden straffen gesteld op overtreding van regels van de verordening. Het is niet toegestaan om een hogere of andere straf op te nemen dan is beschreven in dit artikel. Dit artikel is ongewijzigd overgenomen uit de APV. De meeste hoofdstukken komen overeen met deze strafbepaling. Indien een andere straf is bepaald in verordeningen, is dit in het artikel vermeld. Dit geldt ook voor de overige artikelen uit dit hoofdstuk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16505961/1