CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

1383257 Verordening Fysieke Leefomgeving Baarn, eerste wijziging bijlage 2 Geactualiseerde Verordening fysieke leefomgeving Baarn MET WIJZIGINGEN (2)

Raadsvergadering 25 februari 2026, gemeente BaarnBij agendapunt: Verordening Fysieke Leefomgeving Baarn, eerste wijziging33.640 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Verordening fysieke leefomgeving Baarn, eerste wijziging Intitulé Verordening fysieke leefomgeving Baarn, eerste wijziging

RAADSBESLUIT Openbaar

Zaaknummer 173434 1383257 Onderwerp: Verordening fysieke leefomgeving Baarn, eerste wijziging

De raad van de gemeente Baarn - gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 15 september 2020 13 januari 2026 - behandeld in het debat in de raad d.d. 18 november 2020 11 februari 2026 - gelet op artikel 147 en 149 van de Gemeentewet

besluit: 1. De Verordening fysieke leefomgeving Baarn, eerste wijziging vast te stellen. Vastgesteld in de vergadering, op 25 november 2020 25 februari 2026

N.C. Both griffier C.B.H. Heusingveld griffier M.A. Röell voorzitter

Inhoudsopgave Verordening fysieke leefomgeving Hoofdstuk I: Algemene bepalingen Hoofdstuk II: Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Hoofdstuk III: Voorkomen of beperken geluidhinder Hoofdstuk IV: Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Hoofdstuk V: standplaatsen Standplaatsen Hoofdstuk VI: openbaar water en waterstaatswerken Openbaar water en waterstaatswerken Hoofdstuk VII: Ondergrondse infrastructuren

Hoofdstuk VIII: Bomen Hoofdstuk IX: bodem Bodem (bouwverordening) Hoofdstuk X: Erfgoed Hoofdstuk XI: Markt Hoofdstuk XII: Afvoer hemelwater en grondwater Hoofdstuk XIII: Slotbepalingen

Toelichting Hoofdstuk 1: Algemene toelichting 1:1 Inleiding 1:2 Doel en aanpak inventarisatie verordeningen 1:3 Opzet Verordening fysieke leefomgeving Baarn Hoofdstuk 2: Toelichting per artikel Hoofdstuk I: Algemene bepalingen Hoofdstuk II: Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Hoofdstuk III: Voorkomen of beperken geluidhinder Hoofdstuk IV: Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Hoofdstuk V: standplaatsen Standplaatsen Hoofdstuk VI: openbaar water en waterstaatswerken Openbaar water en waterstaatswerken Hoofdstuk VII: Ondergrondse infrastructuren Hoofdstuk VIII: Bomen Hoofdstuk IX: bodem Bodem (bouwverordening) Hoofdstuk X: Erfgoed Hoofdstuk XI: Markt Hoofdstuk XII: Afvoer hemelwater en grondwater Hoofdstuk XIII: Slotbepalingen

BIJLAGEN Bijlage 1: Begripsbepalingen Bijlage 1 2: Kaart Bebouwde kom Boswet behorende bij raadsbesluit 15RV000112

Verordening De raad van de gemeente Baarn; heeft het voorstel van het college van burgemeester en wethouders gelezen van 15 september 2020, Team Ontwikkeling ruimte/ omgeving (nr. 173434), vindt het nodig dat de regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving voor Baarn worden gebundeld, heeft artikel 121, 147, 149, 154, 156 en 229 van de Gemeentewet, artikel 1 Belemmeringenwet Privaatrecht, artikel 5.2 en 5.4 lid 4 Telecommunicatiewet, artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, in samenhang met de artikelen 12, 15 en 38 Monumentenwet 1988, artikel 2.1 en 2.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 10.32a Wet Milieubeheer gelezen, besluit vast te stellen:

Verordening fysieke leefomgeving Baarn

HOOFDSTUK I: ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: ALGEMEEN APV: Algemene Plaatselijke Verordening Baarn; Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verder: Wabo); bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; burgemeester en wethouders: Het college van burgemeester en wethouders gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994.

BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN (HOOFDSTUK II) openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie – al dan niet ter plaatse - worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant,

pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis, fastfood- en maaltijd- afhaalpunten of bezorging; terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van de openbare inrichting waar zitgelegenheid wordt geboden en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid, verstrekt of genuttigd; VOORKOMEN OF BEPERKEN GELUIDHINDER (HOOFDSTUK III) collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat artikel 3:1 uitsluitend van toepassing is op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE (HOOFDSTUK IV) kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Houtsprokkelen: het verzamelen en verwijderen van staand of losliggend, vermolmd dan wel uitdrogend, dood hout. STANDPLAATSEN (HOOFDSTUK V) standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de APV OPENBAAR WATER EN WATERSTAATSWERKEN (HOOFDSTUK VI) openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUREN (HOOFDSTUK VII)

a. aansluiting het gedeelte van de kabel en/of leiding dat een netwerk verbindt met een fysiek punt waarop een klant de toegang tot een openbaar netwerk wordt geboden; b. belanghebbenden: de omwonenden en bedrijfsmatige gebruikers van alle percelen, grenzend aan het tracé van kabels en/of leidingen; c. breekverbod: verbod voor het uitvoeren van werkzaamheden in de grond; d. gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht, artikel 5.2, eerste lid van de Telecommunicatiewet, een publiekrechtelijke vergunning of een privaatrechtelijke overeenkomst; e. instemmingsbesluit besluit van burgemeester en wethouders: op een aanvraag tot instemming van de voorgenomen werkzaamheden, zoals hierna genoemd in onderdeel n; f. kabels en/of leidingen: een of meer kabels en/of leidingen die onderdeel zijn van een openbaar (elektronisch communicatie-)netwerk, daaronder mede begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations, distributie- en/of mutatiepunten, en tevens omvattende lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie; g. marktconforme kosten: kosten zoals deze onder normale omstandigheden in een markteconomie op de desbetreffende markt worden gemaakt; h.

netbeheerder: degene die als natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon acteert als beheerder van een al dan niet openbaar netwerk; i. netwerk: samenstel van kabels of leidingen; j. niet-openbare kabels en/of leidingen: kabels en/of leidingen, dan wel het netwerk waartoe deze behoren, die niet gebruikt worden om openbare, zijnde voor het publiek beschikbare, diensten aan te bieden; k. openbare gronden: openbare gronden, als genoemd in artikel 1.1, onderdeel aa, van de Telecommunicatiewet; l. registratiesysteem: digitaal systeem dat de gemeente gebruikt om meldingen en instemmingen van werkzaamheden, zoals hierna genoemd in onderdeel n, en alles wat daarmee samenhangt te verwerken; m. spoedeisende werkzaamheden, zoals hierna genoemd in onderdeel n: werkzaamheden voor reparatie of onderhoud waarvan uitstel niet mogelijk is als een ernstige belemmering of storing van de dienstverlening in het betreffende netwerk is opgetreden; n. werkzaamheden handmatige en/of mechanische (graaf)werkzaamheden, waaronder ook begrepen het opbreken en herstellen van de sleufbedekking en sleufloze technieken, in of op openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen; o.

werkzaamheden van werkzaamheden, zoals hiervoor genoemd in onderdeel m, van niet ingrijpende aard met een gezamenlijke tracélengte tot vijfentwintig (25) meter en waarbij geen wegen, watergangen of groenvoorzieningen volledig worden gekruist en/of bovengrondse voorzieningen worden geplaatst; het aanbrengen of verwijderen van kabels en/of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen; het maken van maximaal twee opbrekingen met elk een afmeting van maximaal 2 m². BOMEN (HOOFDSTUK VIII)

bebouwde kom: -bij raadsbesluit in het kader van artikel 4.1 onderdeel a juncto 9.9 eerste lid van de Wet natuurbescherming vastgestelde bebouwde kom; bomeneffect-analyse: -een beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een houtopstand; bomenfonds: -gemeentelijke voorziening ter financiering van herplant van houtopstand. Herplant vindt plaats binnen een termijn van vijf jaar na ontvangst van de geldelijke bijdrage in het kader van een compensatieverplichting; boom: -een houtig opgaand en in beginsel overblijvend gewas met een stamomtrek van minimaal 78 cm gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamomtrek van de dikste stam.

In afwijking van deze minimale stamomtrek van 78 cm geldt geen minimale stamomtrek indien het bomen zijn als in artikel 8:6, 8:7, 8:9, 8:10 en 8:11 van deze verordening; compensatieplan: -overzicht waarin opgenomen: aantal en soort te plaatsen nieuwe houtopstand in het plangebied als vervanging van aantal en soort te kappen houtopstand in hetzelfde plangebied; houtachtige: -een houtig opgaand en in beginsel overblijvend gewas; houtopstand: -één of meer bomen of hakhout; kandelaberen: -het tot op de hoofdtakken snoeien van de houtopstand; knotten: -het afzagen van de kroon van de houtopstand; noodkap: -kap van houtopstand binnen 48 uur, die nodig is in verband met grote gevaarzetting voor de directe omgeving.; perceel: -een bebouwd perceel dat met erf en/of tuin een eenheid vormt. Als meerdere zelfstandige woonadressen binnen één kadastraal perceel vallen, wordt de omvang van het perceel bepaald op basis van het adres van de zelfstandige wooneenheid van de eengezinswoning waarop de houtopstand zich bevindt; vellen: -betreft vellen, doen vellen of laten vellen.

Dit is rooien, kappen, of verplanten of het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van voor de eerste keer kandelaberen of knotten; - betreft het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben. BODEM (HOOFDSTUK IX) Besluit indieningsvereisten: het Besluit indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 40a, eerste lid en 57, tweede en derde lid van de Woningwet; Besluit bouwwerken: het Besluit omgevingsvergunningvrije en lichtomgevingsvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 43, eerste lid onder c en artikel 44, tweede lid van de Woningwet; NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm. Onder bouwwerk wordt mede verstaan: een gedeelte van een bouwwerk; Onder gebouw wordt mede verstaan: een gedeelte van een gebouw. ERFGOED (HOOFDSTUK X)

gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; stads- of dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden. MARKT (HOOFDSTUK XI) markt: de door burgemeester en wethouders ingestelde warenmarkt; standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel; vaste standplaats: de standplaats die voor onbepaalde tijd ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder; dagplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen; standwerkersplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld om te standwerken; vergunninghouder: degene aan wie door burgemeester en wethouders vergunning is verleend voor het innemen van een standplaats; marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door burgemeester en wethouders.

AFVOER HEMELWATER EN GRONDWATER (HOOFDSTUK XII) aankoppelen: het aansluiten van de afvoer van op verhard oppervlak vallend hemelwater en de afvoer van grondwater op een openbaar vuilwaterriool; afkoppelen: het beëindigen van de afvoer van op verhard oppervlak vallend hemelwater en de afvoer van grondwater naar een openbaar vuilwaterriool, door dit afvalwater te benutten, te infiltreren in de bodem dan wel te brengen in oppervlaktewater; bestaande bouw: reeds gebouwd bouwwerk; hemelwater: regenwater, ijzel, sneeuw en hagel; nieuwbouw: geheel of gedeeltelijk nieuw te bouwen bouwwerk; openbaar vuilwaterriool: voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast. Artikel 1:1 Begripsbepalingen 1. Bijlage 1 van deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen. 2. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in aanwijzingsbesluiten, beleidsregels of andere op deze verordening gebaseerde regelingen, kunnen aanvullend van toepassing zijn, mits zij niet in strijd zijn met de begripsbepalingen van deze verordening en de reikwijdte daarvan niet beperken. In geval van strijdigheid prevaleren de begripsbepalingen van deze verordening.

Artikel 1:2 Werkingsgebied Deze verordening is van toepassing op het grondgebied van de gemeente Baarn. Artikel 1:3 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan bevoegd gezag beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, binnen acht weken na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. 2. Het bestuursorgaan bevoegd gezag kan de termijn beslistermijn voor ten hoogste acht weken verlengen, tenzij het de beslistermijn bij een aanvraag omgevingsvergunning betreft. 3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:2, 2:3, 8:1, 10:12 of artikel 10:18 van deze verordening. Op een aanvraag om een vergunning of ontheffing, die als omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, zijn de procedurele bepalingen van de Omgevingswet van toepassing. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.

Degene aan wie een vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Op een omgevingsvergunning zijn de bepalingen van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 1. Een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening geldt voor de vergunninghouder en/of degene die de vergunde activiteit verricht. 2. Indien de vergunning of ontheffing voor een ander gaat gelden dan de in het eerste lid bedoelde persoon of personen, wordt het bevoegd gezag daarover onverwijld geïnformeerd, met uitzondering van vergunningen die als omgevingsvergunning zijn verleend. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is op een vergunning of ontheffing die als omgevingsvergunning wordt verleend artikel 5.37 (normadressaat omgevingsvergunning en aanwijzing vergunninghouder) van de Omgevingswet van toepassing. Artikel 1:6 Intrekken of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b.

op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de vergunninghouder dit verzoekt. 2. Op het intrekken of wijzigen van een omgevingsvergunning zijn de bepalingen van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing. Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. 3. Op een vergunning of ontheffing die als omgevingsvergunning wordt verleend, zijn de bepalingen van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing. Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2.

Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 3. Op een omgevingsvergunning zijn de bepalingen van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing. HOOFDSTUK II: BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN Artikel 2:1 Voorwerpen op of aan openbare plaatsen; algemene regel met ontheffingsmogelijkheid 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang wordt gelaten van 1,5 3,5 strekkende meter wordt gelaten

op voetpaden en van 4 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer op de rijbaan ten behoeve van hulpdiensten, 2 strekkende meter op fietspaden en 1,2 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden. 3. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor uitstallingen, reclameborden en spandoeken. 4. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. 6. In afwijking van het vierde lid is geen ontheffing nodig: a. voor de bij uitvoeringsbesluit van het college aangewezen voorwerpen, onder de voorwaarden dat deze voorwerpen maximaal 6 maanden worden geplaatst en minimaal 4 weken voor de plaatsing melding is gedaan middels een door het college vastgesteld meldingsformulier en aan alle gestelde voorwaarden voor plaatsing van objecten wordt voldaan, en; b. indien op basis van de ‘Baarnse richtlijn voor tijdelijke verkeersmaatregelen’ toestemming is verleend door de wegbeheerder, ook de daarbij gestelde voorwaarden worden nageleefd. 7. 6.

Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 APV; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 1:1 van deze verordening; c. terrassen binnen openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1 van deze verordening 2:27 van APV; en d. door het bevoegd gezag aan te wijzen categorieën van voorwerpen voor zover voldaan wordt aan de door het bevoegd gezag vastgestelde nadere regels; e. uitstallingen van goederen of voorwerpen behorende bij winkels op door het bevoegd gezag aangewezen gedeelten van de weg, mits wordt voldaan aan de door het bevoegd gezag vastgestelde nadere regels; f.

kabels of snoeren ten behoeve van het opladen van elektrische voertuigen, uitsluitend voor zover deze zijn geplaatst in door de gemeente aangelegde kabelgoottegels. Het bevoegd gezag kan nadere regels vaststellen over de aanleg en ingebruikname van de kabelgoottegels; en

g. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 8. 7. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken Omgevingswet, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale wegenverordening omgevingsverordening.

Artikel 2:2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde bestuursorgaan bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit artikel 5.1 van de Omgevingswet. 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken Omgevingswet, de Wegenverordening provincie Utrecht 2010 omgevingsverordening, de waterschapskeur Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe, de Telecommunicatiewet of hoofdstuk 7 van deze verordening. 5. 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:3 Omgevingsvergunning voor het maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouder het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Het bevoegd gezag kan nadere regels vaststellen waarin onder andere nadere beoordelingscriteria worden vastgelegd. 3. In afwijking van het bepaalde in Onverminderd artikel 1:8 lid 1 wordt de vergunning slechts van deze verordening kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid van dit artikel worden geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg naar het oordeel van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg naar het oordeel van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, of d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen en de noodzaak van een tweede uitweg onvoldoende is gemotiveerd naar oordeel van het bevoegd gezag. 4. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan het maken of veranderen van de uitweg verbieden indien: a.

het gebruik van de uitweg tot gevolg kan hebben doel heeft dat zal of kan worden geparkeerd in een voortuin van een woonhuis op gronden voor de voorgevel van een hoofdgebouw, dit geldt niet voor naast en in het verlengde van de voorgevel;

b. de afmeting van de parkeerplaats niet zal of kan voldoen aan de minimale afmetingen van 2,5 meter breedte en 5 meter diepte volgens de richtlijnen van de CROW; c. b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente dat vereist. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken Omgevingswet, de waterschapskeur Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe of de provinciale wegenverordening omgevingsverordening. Artikel 2:4 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 2:5 Openen straatkolken en dergelijke Het is voor degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:6 Kelderingangen en dergelijke 1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:7 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het bevoegd gezag aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen ofte laten liggen. 2. De verboden uit het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:8 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht Omgevingswet. Artikel 2:9 Objecten onder hoogspanningslijn 1.

Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

2. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel 2:10 Veiligheid op het ijs 1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale vaarwegenverordening omgevingsverordening. Artikel 2:11 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak of roerende zaak, niet zijnde voertuigen als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2.

Het verbod is niet van toepassing indien een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2:12 van deze verordening, is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 2:12 Omgevingsvergunning voor (handels)reclame-uiting 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op, aan of in een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding, in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats. 2. Het verbod geldt niet voor onverlichte: a. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; b. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; c. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: - een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; - het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd; d.

opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het

bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; e. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd: a. indien de handelsreclame, op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de regels in het omgevingsplan over het uiterlijk van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak, tenzij in dit onderwerp wordt voorzien door de bepalingen bij of krachtens de Omgevingswet. 4. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid nadere regels stellen. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de omgevingsverordening of de Omgevingswet. Artikel 2:13 Bewegwijzering 1.

Het is verboden op of aan een de openbare plaats een verwijzingsbord naar openbare instellingen, hotels, pensions, restaurants, campings en overige bedrijven of instellingen te plaatsen of te doen plaatsen waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het verbod is niet van toepassing indien een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2:12 van deze verordening, is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving. HOOFDSTUK III: VOORKOMEN OF BEPERKEN VAN GELUIDHINDER Artikel 3:1 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen geluidswaarden als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan en artikel 3:3 gelden niet voor door burgemeester en wethouders van deze verordening zijn niet van toepassing op door het bevoegd gezag per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.

De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3:148 eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door burgemeester en wethouders 22.239, eerste lid, van het omgevingsplan, zijn niet van toepassing op door het bevoegd gezag per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen burgemeester en wethouders kan het bevoegd gezag bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer gedeelten van de gemeente.

4. Burgemeester en wethouders maken Het bevoegd gezag maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuwkalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kunnen burgemeester en wethouders kan het bevoegd gezag een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Bij de aangewezen collectieve festiviteiten mag (tussen 07:00 – 24:00 uur) het equivalent geluidniveau het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT, met een middelingstijd van 1 minuut gemeten in de meterstand Fast veroorzaakt door de inrichting een bedrijf/evenement organisatie, op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting de muziekinstallatie, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is, maximaal LAeq 80 dB(A), LCeq 93 dB(C) en LAmax 95 dB(A) 80 dB(A) en 93 dB(C) zijn. 7. Bij de beoordeling van muziekgeluiden wordt er geen straffactor (10 dB(A)) voor muziekgeluid en geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Stemgeluiden worden conform de milieuregelgeving buiten beschouwing gehouden. 8.

Op de dagen, als bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm geluidswaarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3:3 artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan, uiterlijk om 24.00 uur beëindigd. Artikel 3:2 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting bedrijf toegestaan: a. op maximaal drie dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnorm geluidswaarden als bedoeld in de artikelen 2.17,2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan en artikel 3:3 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting beheerder of eigenaar van het bedrijf ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders het bevoegd gezag;. b. Voor inrichtingen, geheel of gedeeltelijk gelegen in een strook van 400 meter aan de westzijde van de Amsterdamsestraatweg, geldt – in afwijking van de vorige zin – een maximum van twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar.

in afwijking van het bepaalde onder a, op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderhaar incidentele festiviteiten te houden, waarbij de geluidswaarden als bedoeld in artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan en artikel 3:3 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits: I.

de beheerder of eigenaar van het bedrijf ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het bevoegd gezag en;

II.

het gaat om bedrijven die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in een strook van 400 meter aan de westzijde van de Amsterdamsestraatweg.

2. Het is een inrichting bedrijf toegestaan om tijdens maximaal drie dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer 22.239, eerste lid, van het omgevingsplan niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting beheerder of eigenaar van het bedrijf ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders het bevoegd gezag.

3. Burgemeester en wethouders stellen Het bevoegd gezag stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer burgemeester en wethouders het bevoegd gezag op verzoek van de houder van een inrichting beheerder of eigenaar van een bedrijf een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Bij een incidentele festiviteit mag het equivalent geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting, op de gevels van geluidgevoelige gebouwen voor de dagperiode maximaal 20 dB(A), voor de avondperiode maximaal 25 dB(A) en voor de nachtperiode maximaal 30 dB(A) hoger zijn ten opzichte van de geluidvoorschriften van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De volgende geluidnormen gelden zijn de geluidswaarden, met de daarbij behorende bedrijfstijden voor het gebruik van elektronische verstrekte muziek in een bedrijfsgebouw of op het buitenterrein van een bedrijf, in tabel 1 en tabel 2 weergegeven.

Festiviteit binnen gebouw van een inrichting Geluidnormen respectievelijk 7.00 uur tot 19.00 uur /19.00 uur tot 23.00 uur / vrijdag & zaterdag tussen 23.00 uur en 1.00 uur / 23.00 uur tot 7.00 uur en vrijdag- & zaterdagnacht na 01.00 uur LAeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is. 70 dB(A) / 70 dB(A) / 70 dB(A) / 60 dB(A) LCeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is. 83 dB(C) / 83 dB(C) / 83 dB(C) / 73 dB(C) LAmax met muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is. 90 dB(A) / 90 dB(A) / 90 dB(A) / 80 dB(A) LAeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen.

55 dB(A) / 55 dB(A) / 55 dB(A) / 45 dB(A) LCeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen. 68 dB(C) / 68 dB(C) / 88 dB(C) / 58 dB(C) LAmax met muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen. 75 dB(A) / 75 dB(A) / 75 dB(A) / 65 dB(A) Festiviteit op het terrein van een inrichting Geluidnormen respectievelijk 7.00 uur – 19.00 uur / 19.00 uur – 23.00 uur / 23.00 uur – 7.00 uur

LAeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is. 70 dB(A) / 70 dB(A) / 40 dB(A) LCeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is. 83 dB(C) / 83 dB(C) / 53 dB(C) LAmax met muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is. 90 dB(A) / 90 dB(A) / 60 dB(A) Tabel 1. Geluidswaarden bij geluidgevoelige gebouwen, bij incidentele festiviteiten gehouden binnen in het bedrijfsgebouw. Geluidswaarden

Geluidswaarden

Van 07.00 tot 23.00 uur voor alle dagen,

23.00 uur tot 7.00 uur voor alle dagen en op vrijdag

in het weekend (vrijdag /zaterdag) toegestaan tot 01.00 uur

& zaterdagnacht na 01.00 uur

LAr,LT *1

LCeq *2

LAr,LT *1

LCeq *2

Op de gevel geluidgevoelige bestemming

70 dB(A)

83 dB(C)

40 dB(A)

53 dB(C)

in- aanpandig geluidgevoelige bestemming

55 dB(A)

68 dB(C)

25 dB(A)

38 dB(C)

Tabel 2. Geluidswaarden voor geluidgevoelige gebouwen, bij incidentele festiviteiten gehouden in de openlucht op het buitenterrein van een bedrijfslocatie. Geluidswaarden

Geluidswaarden Van 07.00 tot 23.00 uur!

LAr,LT *1

LCeq *2

23.00 uur tot 7.00 uur (de hieronder genoemde geluidswaarden zijn gelijk aan die van de reguliere geluidswaarden, hetgeen inhoudt dat er na 23:00 uur geen muzikale activiteiten buiten zijn toegestaan). LAr,LT *1

LCeq *2

Op de gevel geluidgevoelige bestemming

70 dB(A)

83 dB(C)

40 dB(A)

53 dB(C)

*1 Het toelaatbare geluidniveau LAr,LT op de gevel(s) van de dichtstbijzijnde en relevante woning(en) of op 50 meter afstand van de erfgrens van een bedrijf indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is, veroorzaakt door muziekgeluiden door een festiviteit vanuit het bedrijf. *2 Het toelaatbare geluidniveau LCeq (bastonen) op de gevel(s) van de dichtstbijzijnde en relevante woning(en) of op 50 meter afstand van de erfgrens van een bedrijf indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is, veroorzaakt door muziekgeluiden door een festiviteit vanuit het bedrijf. a. het LAr,LT en LCeq wordt met een middelingstijd van één minuut gemeten in de meterstand Fast. b. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen gelden niet als de gebruiker van deze geluidgevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; c. de in de tabel aangegeven geluidswaarden op de gevel ook gelden op de grens van geluidgevoelige terreinen

7. Bij de beoordeling van muziekgeluiden bedoeld in het zesde lid wordt er geen straffactor (10 dB(A)) voor muziekgeluid en geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Stemgeluiden worden conform de milieuregelgeving buiten beschouwing gehouden. 8. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in een gebouw blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 9. Met uitzondering van inrichtingen bedrijven buiten de bebouwde kom mogen in de buitenruimte van een inrichting bedrijf tijdens incidentele festiviteiten muzikale activiteiten worden gehouden, mits: a. de dichtstbijzijnde woningen ten opzichte van de erfgrens van de inrichting het bedrijf, of de opstelling van de muziekbron op het terrein van de inrichting het bedrijf, op minimaal 50 meter afstand liggen; en b. de incidentele festiviteit plaatsvindt in de dag- en/of avondperiode (tussen 7.00 en 23.00 uur). Artikel 3:3 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de onder lid 2 opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat gelden de geluidswaarden onder artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan, zie tabel 3: a.

de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige geluidgevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige geluidgevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige geluidgevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige geluidgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d van het Besluit geluidhinder;

d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. Tabel Geluidnormen conform het Activiteitenbesluit milieubeheer respectievelijk 7.00 uur - 19.00 uur / 19.00 uur – 23.00 uur / 23.00 uur – 7.00 uur LAeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is. 50 dB(A) / 45 dB(A) / 40 dB(A) LAmax met muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is. 70 dB(A) / 65 dB(A) / 60 dB(A) LAeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen. 35 dB(A) / 30 dB(A) / 25 dB(A) LAmax met muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen. 55 dB(A) / 50 dB(A) / 45 dB( Voor de duur van twintig uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziek gezelschappen, zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een gebouw gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidswaarden in het eerste lid.

Tabel 3. Geluidswaarden voor geluidgevoelige gebouwen, bij het gebruik van onversterkte muziek in en buiten een gebouw.

Locatie Binnen/buiten een gebouw

Geluidswaard en van 7:00 tot 19:00 uur

Geluidswaard en

Geluidswaard en

van 19:00 tot 23:00 uur

van 23:00 tot 07:00 uur

Op de gevel geluidgevoelige bestemming

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

in- aanpandig geluidgevoelige bestemming

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

2. Voor de duur van twintig uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen, zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting clubgebouw gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

3. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer omgevingsplan van toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 3:1 en 3:2 van deze verordening. Artikel 3:3a Geluidhinder in de openlucht 1. Het is verboden buiten een inrichting, met uitzondering bij bedrijven, in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod uit het eerste lid niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door burgemeester en wethouders het bevoegd gezag vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder. 4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: a. het maximale geluidsniveau; b. de situering van geluidsbronnen; c. de frequentie en tijden van gebruik. 5.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de provinciale milieuverordening het Besluit bouwwerken leefomgeving of de omgevingsverordening. Artikel 3:3b Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Het is verboden buiten een inrichting, met uitzondering van bedrijven (automobiel), zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Artikel 3:3c Geluidhinder door vrachtauto’s 1. Het is verboden buiten een inrichting, met uitzondering van bedrijven, een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 3:3d Routering 1.

Het is verboden buiten een inrichting, met uitzondering van bedrijven, met een vrachtauto vrachtauto(‘s) als bedoeld in artikel 3:3c, waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kilogram of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan twee meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door burgemeester en wethouders het bevoegd gezag aangewezen weg te rijden.

2. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 3:4 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting , met uitzondering van bedrijven, op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid. 3. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid nadere regels stellen. 4. Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de provinciale milieuverordening het Besluit Activiteiten Leefomgeving, Besluit kwaliteit leefomgeving, Besluit bouwwerken leefomgeving of de omgevingsverordening. Artikel 3:4a Mosquito 1. Onder een mosquito wordt verstaan een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken. 2.

In afwijking van artikel 3:5 kan de De burgemeester kan in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats. 3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht. 4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten. 5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste drie maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste een maand verlengen. HOOFDSTUK IV: BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE PARAGRAAF 1: MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST Artikel 4:1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1. Het is verboden op door burgemeester en wethouders het bevoegd gezag in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer bedrijf, in de openlucht of buiten op de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b.

bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 1:1 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017 omgevingsverordening of Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe. PARAGRAAF 2: KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN Artikel 4:2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende opeen terrein. 3. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a.

natuur en landschap; of b. een stadsgezicht. Artikel 4:3 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Artikel 4.2, eerste lid is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders het bevoegd gezag aangewezen plaatsen. 2. Burgemeester en wethouders kunnen Het bevoegd gezag kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangengenoemd artikel 4.2, vierde lid. Artikel 4:4 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats 1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden: a. tussen zonsondergang en zonsopgang op andere plaatsen dan de op grond van artikel 4:3 aangewezen plaatsen; b. in andere gevallen dan onder a voor zover: i. ii. iii.

sprake is van overlast of hinder voor de omgeving; er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of het woon- of leefklimaat wordt aangetast.

2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod geldt niet:

a. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op een plaats die bij of krachtens artikel 6:2 is aangewezen; b. voor woonwagens met een woonbestemming; c. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd; d. op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4:3 van deze verordening zijn aangewezen. PARAGRAAF 3: BESCHERMING VAN FLORA EN FAUNA Artikel 4:45 Bescherming gemeentegroen Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem- of heesterperk, dan wel aldaar bloemen te plukken. Het is verboden op een voor het publiek toegankelijke plaats enige schade toe te brengen aan bomen, heesters, planten of bloemen. Artikel 4:56 Beschermde planten;: hout sprokkelen en paddenstoelen plukken 1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd: a. plaatsen aan te wijzen waar het ter bescherming van het natuur-, landschaps- of dorpsschoon verboden is daarbij aangeduide bloemen, mossen, paddenstoelen of planten te plukken of bij zich te hebben; b. bosgebieden of gedeelten daarvan aan te wijzen, waar het om redenen van milieubeheer verboden is hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben. 1.

Het is ter bescherming van natuur en landschap verboden om in alle gemeentelijke bossen, plantsoenen, parken, (natuurlijke) bermen, het Baarns bos en het bosgebied tussen de Zandheuvelweg, Amsterdamsestraatweg, Biltseweg en de gemeentegrens paddenstoelen (fungi) te plukken, te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het is verboden op een, door burgemeester en wethouders, krachtens het eerste lid, aangewezen plaats: a. de daarbij aangeduide bloemen, paddenstoelen, mossen of planten te plukken, bij zich te hebben; dan wel b. hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben. 2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet: a. als de handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden door of in opdracht van het bevoegd gezag of; b. voor zover de bepalingen van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing zijn. 3. Het in dit artikel bepaalde geldt niet: a. ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen dan wel van elders afkomstige bloemen, paddenstoelen, mossen, planten, of hout; b. indien de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden; c. voor zover de Wet natuurbescherming van toepassing is.

4. Het in het tweede lid, aanhef en onder b, bepaalde geldt voorts niet ten aanzien van hout dat moet worden verwijderd krachtens een verordening van het Bosschap. 5. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel 4:7 Beschermde planten: bloemen, planten, hout, mos sprokkelen of meenemen 1. Het is ter bescherming van natuur en landschap verboden om in alle gemeentelijke bossen, plantsoenen, parken, (natuurlijke) bermen, het Baarns bos en het bosgebied tussen de Zandheuvelweg, Amsterdamsestraatweg, Biltseweg en de gemeentegrens daar van nature voorkomende bloemen, planten, hout en mos te plukken, sprokkelen, te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet: a. als de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden door of in opdracht van het bevoegd gezag of; b. voor zover de bepalingen van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing zijn en; c. voor zover de persoon beschikt over direct aantoonbare schriftelijke toestemming van de rechthebbende en er geen negatieve gevolgen kunnen ontstaan voor de natuur en het landschap. HOOFDSTUK V: STANDPLAATSEN Artikel 5:1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16505961/1