CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

1383257 Verordening Fysieke Leefomgeving Baarn, eerste wijziging bijlage 3 Was-wordt tabel

Raadsvergadering 25 februari 2026, gemeente BaarnBij agendapunt: Verordening Fysieke Leefomgeving Baarn, eerste wijziging20.734 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de provinciale milieuverordening. Artikel 3:3b Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.

Artikel 3:3b Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Het is verboden, met uitzondering van bedrijven (automobiel), zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.

Artikel 3:3c Geluidhinder door vrachtauto’s

Artikel 3:3c Geluidhinder door vrachtauto’s

1. Het is verboden buiten een inrichting een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement

1. Het is verboden, met uitzondering van bedrijven, een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement 28

verkeersregels en verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.

verkeersregels en verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 3:3d Routering

Artikel 3:3d Routering

1. Het is verboden buiten een inrichting met een vrachtauto als bedoeld in artikel 3:3c, waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kilogram of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan twee meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door burgemeester en wethouders aangewezen weg te rijden.

1. Het is verboden, met uitzondering van bedrijven, met een vrachtauto(‘s) als bedoeld in artikel 3:3c, waarvan het lediggewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kilogram of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan twee meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door het bevoegd gezag aangewezen weg te rijden.

2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 3:4 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid.

2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 3:4 Overige geluidhinder 1. Het is verboden, met uitzondering van bedrijven, op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid.

29

3. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid nadere regels stellen. 4. Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de provinciale milieuverordening.

3. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid nadere regels stellen. 4. Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Besluit Activiteiten Leefomgeving, Besluit kwaliteit leefomgeving, Besluit bouwwerken leefomgeving of de omgevingsverordening.

Artikel 3:4a Mosquito

Artikel 3:4a Mosquito

1. Onder een mosquito wordt verstaan een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

1. Onder een mosquito wordt verstaan een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

2. In afwijking van artikel 3:5 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

2. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht. 4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten. 5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste drie maanden. De burgemeester kan die periode telkens met

Inhoudelijke wijziging: verwijzing naar een niet bestaande artikel 3:5 verwijderd.

3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht. 4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten. 5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste drie maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste een maand verlengen.

30

een periode van ten hoogste een maand verlengen.

Hoofdstuk IV: Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Was

Wordt

Toelichting

Artikel 4:1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

Artikel 4:1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

Technische wijziging lid 3:

1. Het is verboden op door burgemeester en wethouders in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

1. Het is verboden op door het bevoegd gezag in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een bedrijf, in de openlucht of buiten op de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 1:1 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

- de wet Ruimtelijke ordening of de Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht is aangepast tot ‘omgevingsverordening of Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe’.

a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 1:1 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het bevoegd gezag kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien 31

Was 2. Burgemeester en wethouders kunnen bij de aanwijzing nadere regels stellen.

Wordt

Toelichting

door of krachtens de omgevingsverordening of Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe.

3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017. Artikel 4:2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

Artikel 4:2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

Lid 1 technische wijzigingen: De volgende stukken van de voormalige artikel ‘bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit’ zijn nu onderdeel van het omgevingsplan.

2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende opeen terrein. 3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht.

a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht. Artikel 4:4 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats 1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare

Artikel 4:4 is opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving om een samenhangend en consistent regelkader te bieden voor het 32

Was

Wordt

Toelichting

plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden:

reguleren van recreatief nachtverblijf en overnachtingen buiten kampeerterreinen. Dit artikel is afkomstig uit een eerdere wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en is bij de actualisatie opnieuw beoordeeld op de vraag of het inhoudelijk en systematisch beter past binnen de APV of binnen de Verordening fysieke leefomgeving.

a. tussen zonsondergang en zonsopgang op andere plaatsen dan de op grond van artikel 4:3 aangewezen plaatsen; b. in andere gevallen dan onder a voor zover: i. sprake is van overlast of hinder voor de omgeving; ii. er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of iii. het woon- of leefklimaat wordt aangetast. 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod geldt niet: a. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op een plaats die bij of krachtens artikel 6:2 is aangewezen; b. voor woonwagens met een woonbestemming; c. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd; d. op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4:3 van deze verordening zijn aangewezen.

Het verbod uit artikel 4:4 heeft betrekking op het gebruik van openbare plaatsen als slaapplaats en op het overnachten in voertuigen, vaartuigen, tenten of andere vormen van beschutting. Daarmee ziet het artikel primair op het gebruik van de fysieke leefomgeving en de bescherming van het woon- en leefklimaat, het voorkomen van overlast en hinder, en het waarborgen van veiligheid. Deze belangen sluiten aan bij de doelstellingen van de Omgevingswet en bij de systematiek van de Verordening fysieke leefomgeving.

Daarnaast bestaat een inhoudelijke en systematische samenhang met de artikelen 4:2 (Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen) en 4:3 (Aanwijzing kampeerplaatsen). 33

Was

Wordt

Toelichting Artikel 4:4 vormt een aanvulling op deze bepalingen door regels te stellen voor situaties waarin geen sprake is van aangewezen kampeerplaatsen of bestemmingen in het omgevingsplan, en door uitzonderingen te maken voor onder meer aangewezen kampeerplaatsen, woonwagens met een woonbestemming en vaartuigen en woonboten met een toegestane ligplaats.

Gelet op deze samenhang en het plaatsgebonden karakter van de regeling is ervoor gekozen artikel 4:4 onder te brengen in de Verordening fysieke leefomgeving. Daarmee zijn alle regels die betrekking hebben op recreatief nachtverblijf en overnachten in de openbare ruimte binnen één verordening samengebracht. Dit bevordert de overzichtelijkheid, de rechtszekerheid en de toekomstige opname van deze regels in het omgevingsplan. Artikel 4:4 Bescherming gemeentegroen

Artikel 4:5 Bescherming gemeentegroen

Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem- of

Het is verboden op een voor het publiek toegankelijke plaats enige schade toe te brengen aan bomen, heesters, planten of bloemen.

Technische wijziging: eenvoudiger omschrijving. Inhoudelijk niet gewijzigd.

34

Was

Wordt

Toelichting

heesterperk, dan wel aldaar bloemen te plukken. Artikel 4:5 Beschermde planten; hout sprokkelen en paddenstoelen plukken 1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd: a. plaatsen aan te wijzen waar het ter bescherming van het natuur-, landschaps- of dorpsschoon verboden is daarbij aangeduide bloemen, mossen, paddenstoelen of planten te plukken of bij zich te hebben; b. bosgebieden of gedeelten daarvan aan te wijzen, waar het om redenen van milieubeheer verboden is hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben. 2. Het is verboden op een, door burgemeester en wethouders, krachtens het eerste lid, aangewezen plaats:

Artikel 4:6 Beschermde planten: paddenstoelen plukken

Inhoudelijke wijziging artikel:

1. Het is ter bescherming van natuur en landschap verboden om in alle gemeentelijke bossen, plantsoenen, parken, (natuurlijke) bermen, het Baarns bos en het bosgebied tussen de Zandheuvelweg, Amsterdamsestraatweg, Biltseweg en de gemeentegrens paddenstoelen (fungi) te plukken, te vervoeren of bij zich te hebben.

Artikel 4:5 en 4:6 bevatten een splitsing in enerzijds een verbod op paddenstoelenpluk en anderzijds een verbod op sprokkelen of meenemen van andere van nature voorkomende bloemen, planten, hout en mos. In de artikelen zijn duidelijke locatieaanduidingen opgenomen. Daarmee is geen apart aanwijzingsbesluit meer nodig en wordt het toezicht en de handhaving vereenvoudigd.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet: a. als de handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden door of in opdracht van het bevoegd gezag of;

a. de daarbij aangeduide bloemen, paddenstoelen, mossen of planten te plukken, bij zich te hebben; dan wel

b. voor zover de bepalingen van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing zijn.

b. hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben.

Artikel 4:7 Beschermde planten: bloemen, planten, takken, mos sprokkelen of meenemen

3. Het in dit artikel bepaalde geldt niet:

1. Het is ter bescherming van natuur en landschap verboden om in alle gemeentelijke bossen, plantsoenen, parken, (natuurlijke) bermen, het Baarns bos en het bosgebied tussen de Zandheuvelweg, Amsterdamsestraatweg, Biltseweg en de gemeentegrens daar van nature voorkomende bloemen, planten, takken en mos te plukken, sprokkelen, te

a. ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen dan wel van elders afkomstige bloemen, paddenstoelen, mossen, planten, of hout; b. indien de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van

35

Was normale onderhoudswerkzaamheden; c. voor zover de Wet natuurbescherming van toepassing is. 4. Het in het tweede lid, aanhef en onder b, bepaalde geldt voorts niet ten aanzien van hout dat moet worden verwijderd krachtens een verordening van het Bosschap. 5. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

Wordt

Toelichting

vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet: a. als de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden door of in opdracht van het bevoegd gezag of; b. voor zover de bepalingen van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing zijn en; c. voor zover de persoon beschikt over direct aantoonbare schriftelijke toestemming van de rechthebbende en er geen negatieve gevolgen kunnen ontstaan voor de natuur en het landschap.

Hoofdstuk V: Standplaatsen Was

Wordt

Artikel 5:1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

Artikel 5:1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een standplaats in te nemen of te hebben.

1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een standplaats in te nemen of te hebben.

2. Burgemeester en wethouders weigeren de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van

2. Het bevoegd gezag weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan dan wel als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is geweigerd.

Toelichting Lid 2 technische en inhoudelijke wijziging: - De volgende stukken van de voormalige artikel ‘bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit’ zijn nu onderdeel van het omgevingsplan. - Weigering van een vergunning geldt voor aanvragen die passen binnen en buiten een omgevingsplan.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze verordening kan de 36

Was deze verordening kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de dagen, aantallen en locaties van de standplaatsen. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale wegenverordening. 6. De weigeringsgrond van het derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Wordt

Toelichting

vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of ineen deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen ten aanzien van de dagen, aantallen en locaties van de standplaatsen. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet of de omgevingsverordening. 6. De weigeringsgrond van het derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

37

Hoofdstuk VI: Openbaar water en waterstaatswerken Was

Wordt

Artikel 6:1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

Artikel 6:1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

1. Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

1.Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan burgemeester en wethouders.

2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het bevoegd gezag.

3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

4. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking.

4. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking.

5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Provinciale vaarwegenverordening, het bepaalde bij of krachtens de

5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de omgevingsverordening, het bepaalde bij of krachtens de

Toelichting Lid 5 technische wijziging: ‘Provinciale vaarwegenverordening’ aangepast tot ‘omgevingsverordening’.

38

Was

Wordt

Telecommunicatiewet of hoofdstuk 7 van deze verordening.

Telecommunicatiewet of hoofdstuk 7 van deze verordening.

Artikel 6:2 Ligplaats vaartuigen

Artikel 6:2 Ligplaats vaartuigen

1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door burgemeester en wethouders aangewezen gedeelten van openbaar water.

1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het bevoegd gezag aangewezen gedeelten van openbaar water.

2. Burgemeester en wethouders kunnen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

2. Het bevoegd gezag kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening of de provinciale verordening bescherming natuur en landschap. 4. Burgemeester en wethouders kunnen aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven

a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

Toelichting

Lid 3 technische wijzigingen: -de woningwet hier niet relevant en is verwijderd. -Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vervallen en is verwijderd. -de Wet milieubeheer hier niet relevant en is verwijderd. -provinciale vaarwegenverordening of de provinciale verordening bescherming natuur en landschap aangepast tot omgevingsverordening. Openstaande actie voor gemeente: Bijlage foto’s in ‘Definitief aanwijzingsbesluit artikel 6.2 Verordening Fysieke Leefomgeving Baarn (Ligplaats vaartuigen)’ die behoren tot de aanwijzing van ligplaatsen verwijzen nog steeds naar de oude APV artikel. Advies is om dit aan te passen.

3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de omgevingsverordening. 4. Het bevoegd gezag kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne

39

Was

Wordt

met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.

en het uiterlijk aanzien van de gemeente.

5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door burgemeester en wethouders gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Toelichting

5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het bevoegd gezag gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Hoofdstuk VIII: Bomen Document ‘Grenzen van de bebouwde kom Boswet’ is voor deze hoofdstuk relevant. Was

Wordt

Artikel 8:1 Kapverbod

Artikel 8:1 Kapverbod

1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, houtopstanden te vellen of doen vellen.

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, houtopstanden te vellen of doen vellen.

2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

a. een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag;

a. een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantengezondheidswet of krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag;

b. het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

b. het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

c. het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan een houtopstand.

c. het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan een houtopstand.

Toelichting Lid 2, onderdeel a technische wijziging: De Plantenziektenwet is per 1 maart 2021 vervallen en is vervangen door de Plantgezondsheidwet. De Plantgezondheidswet bevat een vergelijkbare bevoegdheid tot het opleggen van maatregelen, waaronder de verplichting om een boom te vellen bij besmetting met een quarantaine-organisme. Er bestaat dus nog steeds een wettelijke plicht tot velling in specifieke gevallen, opgelegd door de NVWA op grond van de Plantgezondheidswet en Europese regelgeving. Lid 3 inhoudelijke wijzigingen: Oude onderdelen a t/m e kwamen uit de Boswet en die is in 2017 vervallen en opgegaan in de Wet natuurbescherming, die inmiddels is vervangen door de Omgevingswet en het Bal. Die onderdelen waren gebaseerd op die artikel, maar 40

Was 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden als bedoeld in artikel 15 Boswet, namelijk:

Wordt 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

Toelichting die uitzonderingsgronden zijn niet langer geldig.

- Chamaecyparis (schijncypres);

De nieuwe regels geldende onder het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn hier van rechtswege geldig voor houtopstanden buiten de bebouwde kom.

- xCupressocyparis (leylandcypres);

Lid 3 inhoudelijke wijziging nieuwe onderdeel b:

b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;

- Platycladus (Japanse levensboom);

c. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bedoeld om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bedoelde terreinen;

- Thujopsis (Hiba cypres).

De perceelsgrootte van 350 m2 naar 200 m2. Bomen op kleine percelen dragen ook bij aan een prettige woon- en leefklimaat.

a. wegbeplanting en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;

d. kweekgoed; e. een houtopstand niet staande in een erf of tuin en gelegen buiten de bebouwde kom, mits deze houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die: - ofwel een grotere oppervlakte beslaat dan 10 are; - ofwel bestaat uit rijbeplanting van meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. schubconiferen behorend tot de soort: - Chamaecyparis (schijncypres); - xCupressocyparis (leylandcypres);

a. schubconiferen behorend tot de soort:

- Thuja (levensboom);

b. houtopstanden die staan op percelen kleiner dan 200 m2, mits het perceel niet is gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. c. De stam van de boom, gemeten op 1,30 m hoogte vanaf de grond, heeft een omtrek kleiner dan 78 cm (= kleiner dan 25 cm diameter). d. Wegbeplanting en eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden, bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot. 4. De in het derde lid gestelde uitzonderingen gelden niet voor een beschermd stads- of dorpsgezicht. 5. In afwijking van het tweede en derde lid kan het bevoegd gezag bepalen dat voor bij of krachtens deze verordening aangewezen categorieën houtopstanden de daarin genoemde uitzonderingen geheel of

Net als bomen op grote percelen, leveren bomen op kleine percelen positief bij aan de klimaatverandering en de biodiversiteit. Dit is bijvoorbeeld tijdens langdurige hitteperiodes goed te merken, waarbij de bomen door de natuurlijke schaduw de beste verkoeling geven. Door de vergunningsvrije oppervlaktemaat van percelen te verlagen van 350 m2 naar 200 m2 zijn bomen op deze percelen op dezelfde wijze beschermd als de grotere percelen. Een boom op een perceel vanaf 200m2 wordt dan op de volgende wijze beoordeeld bij een kapaanvraag: heeft de boom één of meerdere belangrijke waarden in de omgeving en dit wordt afgewogen tegen de verwijderingsbelangen (waarom wil men de boom kappen). Dit wordt gedaan aan de hand van het vastgestelde uitvoeringsbeleid. Voor de duidelijkheid wordt meegegeven dat de regeling voor bomen in beschermde dorpsgezichten niet wijzigt. Op elke perceelsgrootte is een 41

Was

Wordt

Toelichting

- Platycladus (Japanse levensboom);

gedeeltelijk niet van toepassing zijn.

vergunning voor het kappen van een boom nodig.

- Thuja (levensboom);

6. Het bevoegd gezag kan indien een houtopstand direct gevaar oplevert die noodkap noodzakelijk maakt, besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Het besluit wordt daarna zo spoedig mogelijk schriftelijk bekend gemaakt.

Lid 3 technische wijziging nieuwe onderdeel b: Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen en opgegaan in de Erfgoedwet en later de Omgevingswet. Artikel 35 van die wet regelde de aanwijzing van beschermde stads- of dorpsgezichten. Deze bevoegdheid is nu geregeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet, dat bepaalt dat het Rijk gemeenten kan instrueren om beschermende regels op te nemen in het omgevingsplan.

- Thujopsis (Hiba cypres). 5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden die staan op percelen kleiner dan 350 m2, mits het perceel niet is gelegen in een beschermd dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35 Monumentenwet 1988. 6. Het bevoegd gezag kan indien een houtopstand direct gevaar oplevert die noodkap noodzakelijk maakt, besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Het besluit wordt daarna zo spoedig mogelijk schriftelijk bekend gemaakt.

Verder is de VFLOB in overeenstemming gebracht met het nieuwe bomenbeleid.

Artikel 8:2 Criteria omgevingsvergunning

Artikel 8:2 Criteria omgevingsvergunning

1. Het bevoegd gezag kan schriftelijk de omgevingsvergunning om te vellen als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid, weigeren, verlenen of onder voorschriften of beperkingen verlenen.

1. Het bevoegd gezag kan schriftelijk de omgevingsvergunning om te vellen als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid, weigeren, verlenen of onder voorschriften of beperkingen verlenen.

2. De omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 8:1 eerste lid, kan worden geweigerd op grond van:

2. De omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 8:1 eerste lid, kan worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

Dit artikel is in het derde lid aangepast in verband met het nieuwe bomenbeleid dat is vastgesteld.

42

Was

Wordt

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand.

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand.

3. Burgemeester en wethouders stellen beleid vast voor de vaststelling van de in het tweede lid genoemde waarden en voor de beoordeling van een aanvraag als bedoeld in artikel 8:3.

3. Het bevoegd gezag stelt nadere regels of beleidsregels vast voor:

Artikel 8:5 Beperking geldigheidsduur

Artikel 8:5 Beperking geldigheidsduur

1. De omgevingsvergunning tot vellen als bedoeld in dit hoofdstuk vervalt, indien daarvan niet binnen drie jaar na het onherroepelijk zijn van de omgevingsvergunning gebruik is gemaakt.

1. De omgevingsvergunning tot vellen als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden ingetrokken, indien daarvan niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden daarvan gebruik is gemaakt.

2. In het geval het een omgevingsvergunning voor het vellen van meer dan één houtopstand betreft, is de omgevingsvergunning voor alle te vellen houtopstanden slechts drie jaar geldig, ook als in fasen geveld wordt of één of meerdere houtopstanden al geveld zijn.

Toelichting

a. de aanvulling van de in het tweede lid genoemde waarden b. de aanwijzing van categorieën houtopstanden waarvoor een verhoogd beschermingsniveau geldt. Reparatie: Intrekken en geldigheidsduur van een omgevingsvergunning gaat via de regels van de Omgevingswet.

2. Het eerste lid is ook van toepassing op een omgevingsvergunning voor het vellen van meer dan één houtopstand, ook als in fasen geveld wordt of één of meerdere houtopstanden al geveld zijn.

Artikel 8:6 Bijzondere voorschriften

Artikel 8:6 Bijzondere voorschriften

1. Aan de omgevingsvergunning kan het voorschrift worden verbonden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door

1. Aan de omgevingsvergunning kan het voorschrift worden verbonden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door

Dit artikel is aangepast aan het nieuwe bomenbeleid. Hierdoor is lid 5 aangepast, zijn lid 6 en 9 toegevoegd en zijn enkele leden vernummerd als gevolg van de toegevoegde leden. Daarnaast is een technische wijziging doorgevoerd in lid 7. 43

Was

Wordt

bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

2. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

2. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

3. Indien waarden genoemd in artikel 8:2, tweede lid van toepassing zijn, kan aan de omgevingsvergunning tot vellen het voorschrift behoren dat pas tot vellen van de beschermde houtopstand op en bij bouwen aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.

3. Indien waarden genoemd in artikel 8:2, tweede lid van toepassing zijn, kan aan de omgevingsvergunning tot vellen het voorschrift behoren dat pas tot vellen van de beschermde houtopstand op en bij bouwen aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.

4. Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan aan de omgevingsvergunning het voorschrift worden verbonden dat een geldelijke bijdrage gestort dient te worden in het Bomenfonds.

4. Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan aan de omgevingsvergunning het voorschrift worden verbonden dat een geldelijke bijdrage gestort dient te worden in het Bomenfonds.

5. De verplichting als bedoeld in het vierde lid, betreft een geldelijke bijdrage van € 350,00 per gevelde houtopstand. 6. Burgemeester en wethouders stellen beleid vast, voor vaststelling van de in het vierde lid genoemde verplichting. 7. Degene aan wie de verplichting als bedoeld in

Toelichting

5. De verplichting als bedoeld in het vierde lid, betreft een geldelijke bijdrage van € 350,00 per gevelde houtopstand voor particuliere eigenaren. 6. De verplichting als bedoeld in het vierde lid, betreft een geldelijke bijdrage tussen € 1000,00 en € 1500,00 per gevelde houtopstand voor niet particuliere eigenaren.

44

Was

Wordt

het eerste tot het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

7. Het bevoegd gezag stelt beleid vast, voor vaststelling van de in het vierde lid genoemde verplichting.

Toelichting

8. Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. 9. Bij het verbinden van voorschriften als bedoeld in dit artikel kan het bevoegd gezag onderscheid maken naar categorie houtopstand en beschermingsniveau. Artikel 8:8 Schadevergoeding

Artikel 8:8 Schadevergoeding

Burgemeester en wethouders beslissen op een verzoek om schadevergoeding bij weigering van een omgevingsvergunning tot vellen op grond van artikel 17 van de Boswet.

[vervallen]

Reparatie: Artikel 8:8 VFL verwijst naar artikel 17 van de Boswet voor schadevergoeding bij weigering van een kapvergunning. De Boswet is echter op 1 januari 2017 vervallen en vervangen door de Wet natuurbescherming, die inmiddels is geïntegreerd in de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet wordt schadevergoeding bij rechtmatig overheidshandelen geregeld via het stelsel van nadeelcompensatie, zoals neergelegd in artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht en verder uitgewerkt in hoofdstuk 15, afdeling 15.1, van de Omgevingswet, met name in artikel 15.1, eerste lid, onderdeel k, waarin het weigeren van een omgevingsvergunning expliciet wordt genoemd als schadeveroorzakende handeling. Een verzoek om vergoeding wordt ingediend bij het bestuursorgaan dat het schadeveroorzakende besluit nam. De regeling kent eigen voorwaarden, waaronder het bestaan van een ‘abnormale en speciale last’. Voor gemeenten 45

Was

Wordt

Toelichting geldt dat deze compensatieprocedure moet worden vastgelegd in een aparte nadeelcompensatieverordening, zoals vereist op grond van artikel 4:126 Awb.

Hoofdstuk IX: Bodem (bouwverordening) Was

Wordt

Reparatie: Deze onderwerpen vallen onder het nieuwe stelsel van de Omgevingswet en worden reeds afdoende gereguleerd via het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de bruidsschat. Gemeenten hoeven deze regels dus niet opnieuw op te nemen in hun eigen verordening. Zie o.a. artikel 4.118 e.v. Bal en de rijksregels over bodemkwaliteitsonderzoek bij bouwactiviteiten. Artikel 9:1 Bodemonderzoek

Artikel 9:1 Bodemonderzoek

1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:

[vervallen]

a. de resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993); b. de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), in het geval dat de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van deze verontreiniging een nader onderzoek, als bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is.

46

Was

Wordt

c. indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit bouwwerken. 3. Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk ontheffing van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien voor de toepassing van artikel 9:2 bij de gemeente reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel 9:2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem

Artikel 9:2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem

“Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:

[vervallen]

a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een reguliere omgevingsvergunning is vereist; en c. 1. dat de grond raakt, of 2. waarvan het bestaande, nietwederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd”.

47

Was

Wordt

Artikel 9:3 Voorwaarden omgevingsvergunning

Artikel 9:3 Voorwaarden omgevingsvergunning

In afwijking van het bepaalde in artikel 9:2 en onverminderd het bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter e van paragraaf 1.2.5 van de bij dit besluit behorende bijlage, kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.

[vervallen]

Artikel 9:4 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften

Artikel 9:4 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in dit hoofdstuk wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.

[vervallen]

Hoofdstuk X: Erfgoed Was

Wordt

Toelichting

REPARATIES De gemeente heeft in 2026 de Verordening Fysieke Leefomgeving geactualiseerd om aansluiting te vinden bij de inwerkingtreding van de omgevingswet per 1 januari 2024. De centrale doelstelling van deze verordening is het bundelen van regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, zodat deze op termijn eenvoudiger kunnen worden opgenomen in het omgevingsplan. In de toelichting bij de VFL is gekozen voor een minimale omzetting: uitsluitend regels die verplicht opgenomen moeten worden in het omgevingsplan zijn meegenomen. Hierbij zijn gedragsregels, persoonsgebonden regels en bepalingen met een ander motief, zoals openbare orde, buiten beschouwing gelaten. Op grond van artikel 2.8 van de invoeringswet omgevingswet en de wijziging van artikel 3.16 van de erfgoedwet is bepaald dat regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving 48

Was

Wordt

Toelichting

niet langer in een verordening mogen blijven staan. Er zijn drie categorieën te onderscheiden: bepalingen die van rechtswege onderdeel zijn van het tijdelijk omgevingsplan, bepalingen die verplicht moeten worden opgenomen in het omgevingsplan (zoals regels over aanwijzing, bescherming en vergunningplichten), en bepalingen die niet in het omgevingsplan mogen worden opgenomen (zoals het erfgoedregister en regels over cultuurgoederen). Deze systematiek is juridisch noodzakelijk en voorkomt dat regels hun rechtskracht verliezen na 1 januari 2032. Om die reden heeft is er een nieuwe analyse uitgevoerd van dit hoofdstuk en enkele reparaties doorgevoerd. De artikelen 10:1, 10:2 en 10:3 zijn daarom vervallen in deze verordening en opgenomen in een nieuw opgestelde erfgoedverordening van de gemeente Baarn. INHOUDELIJKE WIJZIGINGEN In de Verordening op de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Baarn 2022 wordt een adviescommissie gedefinieerd en zijn de relevante regels vastgelegd. In de artikelen van de VFL waarin een advies van een gemeentelijke adviescommissie wordt genoemd, wordt daarom het begrip "gemeentelijke commissie ruimtelijke kwaliteit" gebruikt. Dit wordt gedefinieerd als: "hetgeen daaronder wordt verstaan als commissie in artikel 1 de Verordening op de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Baarn 2022".

Door in de begripsbepalingen van de VFL naar deze verordening te verwijzen, waarborgen we een eenduidige systematiek. Dit maakt het mogelijk om bepalingen over de gemeentelijke adviescommissie zodanig op te nemen dat toekomstige wijzigingen in de aparte commissieverordening niet leiden tot aanpassingen of herziening van de VFL. Afzonderlijke procedureregels over de werkwijze van de commissie in de VFL zijn daardoor overbodig. Deze zijn immers reeds geregeld in de genoemde commissie-verordening. Om deze systematiek te waarborgen, adviseren wij om de betreffende procedurele bepalingen uit de VFL te schrappen. Verordening op de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Baarn 2022 Betrekking op: artikel 10:7, 10:14, 10:17 en 10:18. Artikel 10:1 Gemeentelijk erfgoedregister

Artikel 10:1 Gemeentelijk erfgoedregister

1. Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens de bepalingen in dit hoofdstuk onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed (verder: het gemeentelijk erfgoedregister).

[vervallen; opgenomen in Erfgoedverordening gemeente Baarn 2026]

2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed.

Reparatie: Dit artikel heeft geen betrekking op de fysieke leefomgeving. Het erfgoedregister is een administratief hulpmiddel en kent geen juridische gevolgen. Het biedt overzicht van gemeentelijk erfgoed, inclusief roerend erfgoed, maar de registratie zelf leidt niet tot rechtsgevolgen zoals vergunningplichten of beperkingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving. Het register blijft dus onderdeel van de verordening, en kan niet over naar het omgevingsplan.

49

Was

Wordt

Artikel 10:2 Aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoeder of beschermde gemeentelijke verzameling

Artikel 10:2 Aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoeder of beschermde gemeentelijke verzameling

1. Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als beschermd gemeentelijk cultuurgoed.

[vervallen; opgenomen in Erfgoed verordening gemeente Baarn]

Toelichting Reparatie: Dit artikel gaat over roerend cultureel erfgoed, zoals schilderijen of collecties, die niet onder de reikwijdte van de Omgevingswet vallen. Alleen erfgoed met directe ruimtelijke impact (zoals monumenten) hoort in het omgevingsplan thuis. Deze bepalingen zijn bovendien symbolisch van aard, hebben geen dwingend juridisch effect, en vereisen altijd instemming van de eigenaar. Omdat deze aanwijzingen geen fysieke leefomgeving betreffen, mogen ze niet worden opgenomen in het omgevingsplan.

2. Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als beschermde gemeentelijk verzameling. 3. Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist. 4. Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de 50

Was

Wordt

Toelichting

vervreemding van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. 5. Dit artikel is niet van toepassing op: a. beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en b. cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel 10:3 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling

Artikel 10:3 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling

1. Burgemeester en wethouders kunnen een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 10:2, eerste of tweede lid, ambtshalve wijzigen of intrekken. Artikel 10:2, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft, als zodanig is tenietgegaan.

[vervallen; opgenomen in Erfgoedverordening gemeente Baarn 2026]

Reparatie: Net als artikel 10:2 betreft dit roerend erfgoed. Dit artikel regelt alleen administratieve wijzigingen van een aanwijzing zonder gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Omdat deze aanwijzingen niet onder het omgevingsplan vallen, horen wijzigingsprocedures daarop ook niet in het omgevingsplan. Ook dit artikel moet dus in de erfgoedverordening en gaat niet over naar het omgevingsplan.

2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed of de verzameling waarop de

51

Was

Wordt

Toelichting

aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of b. beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 10:4 Aanwijzing als gemeentelijk monument

Artikel 10:4 Aanwijzing als gemeentelijk monument

1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.

1. Het bevoegd gezag kan besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.

2. Indien een deel van een onroerende zaak beschermingswaardig is, beperkt de bescherming zich tot dat specifieke deel. In het aanwijzingsbesluit dient dit tot uitdrukking te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als

2. Indien een deel van een onroerende zaak beschermingswaardig is, beperkt de bescherming zich tot dat specifieke deel. In het aanwijzingsbesluit dient dit tot uitdrukking te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op:

Technische wijziging lid 3: Toevoeging van ‘een omgevingsverordening’ en het niet verwijderen van de provinciale erfgoedverordening. Artikel 3.17, lid 3, van de Erfgoedverordening bepaalt dat de provinciale erfgoedverordening geen regels mag opnemen met betrekking tot de fysieke leefomgeving als bedoeld in een omgevingsverordening. De provinciale verordening kan echter wel regels bevatten, zoals het bijhouden van een erfgoedregister, die juridisch relevant zijn voor het aanwijzen van provinciaal erfgoed.

a. rijksmonumenten, en b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid,

52

Was

Wordt

bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening.

Artikel 10:7 Advies gemeentelijke adviescommissie

Artikel 10:7 Advies gemeentelijke adviescommissie

1. Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 10:4 advies aan een gemeentelijke adviescommissie waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Van de adviescommissie maken geen deel uit leden van het gemeentebestuur.

Het bevoegd gezag vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 10:4 advies aan een gemeentelijke commissie ruimtelijke kwaliteit.

Toelichting

-Lid 2 verwijderd: Wordt gewaarborgd in artikel 5 lid 1 van de Verordening op de gemeentelijke Commissie Ruimtelijk Kwaliteit Baarn 2022. Wel benoemt die artikel en termijn van ten hoogste vier jaar. Goed om te checken als men op hetzelfde lijn zijn over de benoeming termijn. -Lid 3 verwijderd: Wordt gewaarborgd in artikel 5 lid 3 van de Verordening op de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Baarn 2022.

2. De voorzitter en de leden van de adviescommissie kunnen ten hoogste voor een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.

- Lid 4 verwijderd: Wordt gewaarborgd in artikel 8 lid 3 van de Verordening op de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Baarn 2022. Lid 5 verwijderd: Wordt gewaarborgd in artikel 7 lid 2 van de Verordening op de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Baarn 2022.

3. De burgerleden en hun plaatsvervangers worden op voorstel van burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad. 4. De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 5. De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen vier weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Artikel 10:10 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister,

Artikel 10:10 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister,

Technische wijziging lid 3: Toevoeging van ‘een omgevingsverordening’ en 53

Was

Wordt

vervallen aanwijzing monument

vervallen aanwijzing monument

1. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

1. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingenaanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 10:13 Intrekken van de omgevingsvergunning

Artikel 10:13 Intrekken van de omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 10:12, eerste lid, kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken:

[vervallen]

Toelichting het niet verwijderen van de provinciale erfgoedverordening. Artikel 3.17, lid 3, van de Erfgoedverordening bepaalt dat de provinciale erfgoedverordening geen regels mag opnemen met betrekking tot de fysieke leefomgeving als bedoeld in een omgevingsverordening. De provinciale verordening kan echter wel regels bevatten, zoals het bijhouden van een erfgoedregister, die juridisch relevant zijn voor het aanwijzen van provinciaal erfgoed.

Reparatie: Intrekken van een omgevingsvergunning gaat via de regels van de Omgevingswet.

a. als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;

54

Was

Wordt

Toelichting

b. voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten. Artikel 10:15 Advies omgevingsvergunning rijksmonument

Artikel 10:15 Advies omgevingsvergunning rijksmonumentenactiviteit

Burgemeester en wethouders zenden onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 10:7, eerste lid. Artikel 10:7, vierde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16505960/1