CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

1383257 Verordening Fysieke Leefomgeving Baarn, eerste wijziging bijlage 3 Was-wordt tabel

Raadsvergadering 25 februari 2026, gemeente BaarnBij agendapunt: Verordening Fysieke Leefomgeving Baarn, eerste wijziging20.734 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening fysieke leefomgeving Baarn, eerste wijzigiging Was-Wordt tabel

Algemene wijzigingen Was Burgemeester en wethouders

Wordt Bevoegd gezag

Toelichting Technische wijziging: Onder de Omgevingswet systematiek wordt gerefereerd naar ‘bevoegd gezag’

Hoofdstuk I: Algemene bepalingen Was

Wordt

Toelichting

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

1. Bijlage 1 van deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen.

Begrippen zijn naar de bijlage verplaatst. ‘Bijlage 1: Begripsbepalingen’

2. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in aanwijzingsbesluiten, beleidsregels of andere op deze verordening gebaseerde regelingen, kunnen aanvullend van toepassing zijn, mits zij niet in strijd zijn met de begripsbepalingen van deze verordening en de reikwijdte daarvan niet beperken. In geval van strijdigheid prevaleren de begripsbepalingen van deze verordening. Artikel 1:3 Beslistermijn

Artikel 1:3 Beslistermijn

1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.

1. Het bevoegd gezag beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

Omgevingsvergunningen op basis van overgangsrecht (OPA's zoals kappen van bomen, uitweg, monument, archeologie, enz.): reguliere procedure 8 weken, eenmalig verlengen met max. 6 weken (art. 16.64 Ow). Dit betreft de vergunningplichten uit de VFLOB die via art. 22.8 Ow en art. 2.1a Omgevingsbesluit 1

Was

Wordt

Toelichting

2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.

2. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn voor ten hoogste acht weken verlengen, tenzij het de beslistermijn bij een aanvraag omgevingsvergunning betreft.

als omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit gelden (o.a. uitweg, alarminstallatie, vellen houtopstand, handelsreclame, opslaan roerende zaken, gemeentelijk monument/ beschermd gezicht).

3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:2, 2:3, 8:1, 10:12 of artikel 10:18 van deze verordening.

3. Op een aanvraag om een vergunning of ontheffing, die als omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, zijn de procedurele bepalingen van de Omgevingswet van toepassing.

Procedure bij een aanvraag om een omgevingsvergunning waarvoor de reguliere procedure geldt. Overige vergunningen of ontheffingen vallen onder Afdeling 4.1.3 Awb: Voor overige VFLOBvergunningen/ontheffingen (niet-OPA): beslistermijn 8 weken, verlenging met een redelijke termijn op grond van de Awb (Titel 4.1, Afdeling 4.1.3). Er geldt géén vaste verlengtermijn zoals bij de Omgevingswet. Technische wijziging: In alle algemene bepalingen over termijnen, voorschriften, weigeringsgronden, enz. is nu rekening gehouden met de regels die op omgevingsvergunningen van toepassing zijn. Deze kunnen in de plaats van de verordening komen of aanvullend op de verordening gelden. Dit is per artikel als zodanig verwoord.

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband

1. Aan een vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot

Technische wijziging idem opmerking artikel 1:3.

2

Was waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Wordt

Toelichting

bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Op een omgevingsvergunning zijn de bepalingen van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

1. Een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening geldt voor de vergunninghouder en/of degene die de vergunde activiteit verricht. 2. Indien de vergunning of ontheffing voor een ander gaat gelden dan de in het eerste lid bedelde personen, wordt het bevoegd gezag daarover onverwijld geïnformeerd, met uitzondering van vergunningen die als omgevingsvergunning zijn verleend. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is op een vergunning of ontheffing die als omgevingsvergunning wordt verleend artikel 5.37 (normadressaat omgevingsvergunning en aanwijzing vergunninghouder) van de Omgevingswet van toepassing.

Inhoudelijke wijziging: Onder de Omgevingswet geldt als uitgangspunt dat vergunningen voor activiteiten in de fysieke leefomgeving in beginsel zaak- of locatiegebonden zijn. Artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt dat een omgevingsvergunning geldt voor degene die de activiteit verricht waarop de vergunning betrekking heeft. Deze persoon is daarmee vergunninghouder en verantwoordelijk voor de naleving van de vergunningvoorschriften. Wanneer een andere persoon de activiteit voortzet, is geen nieuwe vergunning vereist, maar geldt op grond van artikel 5.37, tweede lid, Ow wél een informatieplicht richting het bevoegd gezag. Er is daarmee sprake van een functioneel persoonskarakter, in die zin dat de vergunning de persoon volgt die de activiteit uitvoert, maar dit is niet hetzelfde als een klassiek persoonsgebonden 3

Was

Wordt

Toelichting vergunning zoals bedoeld in de APV.

Artikel 1:6 Intrekken of wijziging van vergunning of ontheffing

Artikel 1:6 Intrekken of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

1. De vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

e. de vergunninghouder dit verzoekt.

e. de vergunninghouder dit verzoekt.

Technische wijziging idem opmerking artikel 1:3.

2. Op het intrekken of wijzigen van een omgevingsvergunning zijn de bepalingen van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing. Artikel 1:7 Termijnen

Artikel 1:7 Termijnen

Technische wijziging idem opmerking artikel 1:3. 4

Was

Wordt

1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

1. De vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Toelichting

2. De aard van de vergunning verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen overtreft. 3. Op een vergunning of ontheffing die als omgevingsvergunning wordt verleend, zijn de bepalingen van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

a. de openbare orde;

b. de openbare veiligheid;

b. de openbare veiligheid;

c. de volksgezondheid;

c. de volksgezondheid;

d. de bescherming van het milieu.

d. de bescherming van het milieu.

2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Technische wijziging idem opmerking artikel 1:3.

5

Was

Wordt

Toelichting

3. Op een omgevingsvergunning zijn de bepalingen van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk II: Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Was

Wordt

Toelichting

Artikel 2:1 Voorwerpen op of aan openbare plaatsen; algemene regel met ontheffingsmogelijkheid

Artikel 2:1 Voorwerpen op of aan openbare plaatsen; algemene regel met ontheffingsmogelijkheid

1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:

1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:

a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of

a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of

Er is behoefte aan meer sturing op het gebruik van de openbare ruimte door het plaatsen van tijdelijke objecten zoals containers, uitstallingen en andere voorwerpen. Op dit moment is er alleen sprake van een verbod met ontheffingsmogelijkheid (al dan niet als omgevingsvergunning), maar ontbreekt een duidelijke juridische grondslag voor een meldingsplicht. In de praktijk lijkt echter al een meldingssystematiek te worden toegepast, bijvoorbeeld bij tijdelijke plaatsing voor kortere duur of voor beperkte objectomvang.

b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,5 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 4 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor

b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang wordt gelaten van 3,5 strekkende meter op de rijbaan ten behoeve van hulpdiensten, 2 strekkende meter op fietspaden en 1,2 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden.

Dit leidt tot onduidelijkheid en onvoldoende juridische houvast, met als risico dat maatregelen rond handhaving, precariobelasting of ruimtelijke afweging onvoldoende afdwingbaar zijn. Daarnaast zijn er zorgen over zichtbelemmering, verkeersveiligheid en de impact op het straatbeeld, vooral bij grote objecten zoals zeecontainers.

3. Het bevoegd gezag kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels

Bestuurlijke wens: ⦁ Een duidelijke meldingsplicht opnemen in de APV;

6

Was uitstallingen, reclameborden en spandoeken. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6.Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 APV; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 1:1 van deze verordening; c. terrassen binnen openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1 van deze verordening; en d. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 7. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale wegenverordening.

Wordt stellen voor uitstallingen, reclameborden en spandoeken. 4. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. 6. In afwijking van het vierde lid is geen ontheffing nodig: a. voor de bij uitvoeringsbesluit van het college aangewezen voorwerpen, onder de voorwaarden dat deze voorwerpen maximaal 6 maanden worden geplaatst en minimaal 4 weken voor de plaatsing melding is gedaan middels een door het college vastgesteld meldingsformulier en aan alle gestelde voorwaarden voor plaatsing van objecten wordt voldaan, en; b. indien op basis van de ‘Baarnse richtlijn voor tijdelijke verkeersmaatregelen’ toestemming is verleend door de wegbeheerder, ook de daarbij gestelde voorwaarden worden nageleefd. 7. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 APV; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 1:1 van deze verordening;

Toelichting ⦁ Categorieën objecten en locaties aanwijzen waarvoor melding of vergunning vereist is; ⦁ De koppeling met precariobelasting formaliseren; ⦁ En uitzonderingen uitsluiten of juist scherp definiëren (bijv. blauwe zones. Inhoudelijke wijzigingen: lid 2 en lid 6 (toevoeging; oude lid 6 is nu huidige lid 7). Technische wijziging: lid 5, 7 (huidige lid 7 was oude lid 6) en 8. Om de nieuwe wijzigingen in lid 5 te kunnen uitvoeren zijn er ook aanpassingen gedan aan het ‘Uitvoeringsbesluit voorwerpen op de weg’. Nieuwe lid 6: Met het onderscheid dat is gemaakt tussen onderdeel a en b, is geborgd dat zowel de melding als de toestemming op basis van de ‘Baarnse richtlijn voor tijdelijke verkeersmaatregelen’ van toepassing zijn op het plaatsen van voorwerpen en alle voorwaarden moeten worden nageleefd. Er kunnen geen opeenvolgende meldingen worden gedaan voor het langdurig plaatsen van hetzelfde voorwerp op dezelfde locatie. Een melding is uitsluitend bedoeld voor plaatsingen met een maximale duur van zes maanden. Als er een tweede melding volgt voor hetzelfde voorwerp op dezelfde plek, wordt de maximale termijn overschreden. In dat geval is een ontheffing vereist. Het 7

Was

Wordt

Toelichting

c. terrassen binnen openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27 van APV;

opnemen van aanvullende bepalingen hierover is niet nodig.

d. door het bevoegd gezag aan te wijzen categorieën van voorwerpen voor zover voldaan wordt aan de door het bevoegd gezag vastgestelde nadere regels;

Nieuwe lid 7: Technische wijziging lid c: omdat de term ‘openbare inrichting’ verder in deze verordening niet wordt gebruikt, is de verwijzing aangepast naar de APV in plaats van de term apart op te nemen in de begripsbepaling.

e. uitstallingen van goederen of voorwerpen behorende bij winkels op door het bevoegd gezag aangewezen gedeelten van de weg, mits wordt voldaan aan de door het bevoegd gezag vastgestelde nadere regels; f. kabels of snoeren ten behoeve van het opladen van elektrische voertuigen, uitsluitend voor zover deze zijn geplaatst in door de gemeente aangelegde kabelgoottegels. Het bevoegd gezag kan nadere regels vaststellen over de aanleg en ingebruikname van de kabelgoottegels; en

Inhoudelijke wijziging lid d: Algemene toevoeging, handig voor de toekomst als er iets onverwachts is. Inhoudelijke wijziging lid e: Om aan te sluiten bij oude uitvoeringsbesluit. Inhoudelijke wijziging lid f: Beheer is nu bezig om dit te realiseren. Nieuwe lid 8: Technische wijziging: Wet beheer rijkswaterstaatwerken verwijderd.

g. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 8. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de omgevingsverordening.

Artikel 2:2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Artikel 2:2 Omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Technische wijzigingen: lid 1, 2, 4 en 5.

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een

Was lid 5: Voormalige lid 5 met een verwijzing naar de 8

Was

Wordt

Toelichting

vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

lex silencio positivo systematiek verwijderd. Dit is veranderd voor de omgevingsvergunning.

2. De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

2. De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij artikel 5.1 van de Omgevingswet.

3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening provincie Utrecht 2010, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of hoofdstuk 7 van deze verordening.

3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

Huidige lid 4: Technische wijziging: - de Wet beheer rijkswaterstaatswerken verwijderd. Regeling is vervallen per 1-1-2024. - de Wegenverordening provincie Utrecht 2010 aangepast tot ‘omgevingsverordening’: Ingetrokken visies en verordeningen. - de waterschapskeur aangepast tot ‘Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe’

4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Omgevingswet, de omgevingsverordening, Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe, de Telecommunicatiewet of hoofdstuk 7 van deze verordening.

5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:3 Maken of veranderen van een uitweg

Artikel 2:3 Omgevingsvergunning voor

Inhoudelijke wijziging nieuwe lid 2:

9

Was

Wordt

Toelichting

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouder een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

het maken of veranderen van een uitweg

Toevoeging mogelijkheid tot nadere regels.

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

In de oude bepaling ontbrak een expliciete grondslag om beleidsregels of nadere regels vast te stellen voor de beoordeling van uitwegvergunningen. Door deze toevoeging krijgt het college de juridische basis om beoordelingscriteria in beleidsregels vast te leggen.

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg naar het oordeel van burgemeester en wethouders zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg naar het oordeel van burgemeester en wethouders het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, of d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Burgemeester en wethouders kunnen het maken of veranderen van de uitweg verbieden indien a. het gebruik van de uitweg tot gevolg kan hebben dat kan worden geparkeerd in een voortuin van een woonhuis, of b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente dat vereist. 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer

2. Het bevoegd gezag kan nadere regels vaststellen waarin onder andere nadere beoordelingscriteria worden vastgelegd. 3. Onverminderd artikel 1:8 lid 1 van deze verordening kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid van dit artikel worden geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg naar het oordeel van het bevoegd gezag het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, of d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en de noodzaak van een tweede uitweg onvoldoende is gemotiveerd naar oordeel van het bevoegd gezag. 4. Het bevoegd gezag kan het maken of veranderen van de uitweg verbieden indien: a. het gebruik van de uitweg tot doel heeft dat zal of kan worden geparkeerd op gronden voor de voorgevel van een hoofdgebouw, dit

Inhoudelijke wijziging nieuwe lid 3: Actualisering van de weigeringsgronden om problematiek parkeren in tuin op te vangen. In de huidige praktijk komen situaties voor waarin een perceel al via één uitweg wordt ontsloten, maar de initiatiefnemer daarnaast een tweede uitweg wil realiseren, bijvoorbeeld voor een tweede oprit of garage. Dit leidt vaak tot onnodige verharding, verlies van openbaar groen of parkeerplaatsen en aantasting van het straatbeeld, terwijl er feitelijk al sprake is van een goede ontsluiting. De toevoeging van onderdeel d (motivatie noodzaak tweede uitweg) maakt het mogelijk om dergelijke aanvragen te toetsen op noodzaak en proportionaliteit, zodat alleen een tweede uitweg kan worden toegestaan wanneer daarvoor voldoende motivering bestaat. Hiermee wordt aangesloten bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat een perceeleigenaar in beginsel recht heeft op één uitweg (ABRS 19 januari 2001, Gst. 10

Was rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening.

Wordt

Toelichting

geldt niet voor naast en in het verlengde van de voorgevel;

2001, 7139, m.nt. HH – zaak over een uitwegvergunning voor een garage).

b. de afmeting van de parkeerplaats niet zal of kan voldoen aan de minimale afmetingen van 2,5 meter breedte en 5 meter diepte volgens de richtlijnen van de CROW; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente dat vereist. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, de Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe of de omgevingsverordening.

De aanpassing zorgt er bovendien voor dat de weigeringsgrond in lijn blijft met de omgevingsplanregels over verharding en inrichting van erven, en biedt het bevoegd gezag beleidsruimte om onnodige ruimtelijke en verkeerskundige effecten te voorkomen. Inhoudelijke wijziging nieuwe lid 4: Herziening "parkeren in voortuin" en verduidelijking toetsingscriteria. De oude bepaling verbood elke uitweg die leidde tot parkeren in de voortuin, maar dat botste met veel omgevingsplannen waarin parkeren op "tuin-gronden" juist onder voorwaarden is toegestaan. De nieuwe formulering in onderdeel a maakt onderscheid tussen parkeren direct voor de gevel en parkeren naast of in het verlengde van de gevel. Door te verwijzen naar CROWafmetingen in onderdeel b ontstaat een objectieve maatstaf voor bruikbare parkeervoorzieningen. Onderdeel c blijft hetzelfde. Deze herziening sluit direct aan op de geconstateerde tegenstrijdigheid met het omgevingsplan. Daarnaast wordt in de begripsbepalingen de begrippen ‘hoofdgebouw’ en ‘uitweg’ nader gedefinieerd. Nieuwe lid 5 technische wijzigingen:

11

Was

Wordt

Toelichting -Wet beheer rijkswaterstaatswerken verwijderd. Regeling vervallen per 1-1-2024. - de waterschapskeur aangepast tot ‘Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe’. - de provinciale wegenverordening aangepast tot ‘omgevingsverordening’: Ingetrokken visies en verordeningen

Artikel 2:8 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

Artikel 2:8 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Omgevingswet.

Artikel 2:10 Veiligheid op het ijs

Artikel 2:10 Veiligheid op het ijs

1. Het is verboden:

1. Het is verboden:

a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten

b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten

Lid 2 technische wijziging: Belemmeringenwet Privaatrecht verwijderd, regeling vervallen per 1-12024.

Technische wijziging lid 2: de provinciale vaarwegenverordening aangepast tot ‘omgevingsverordening’.

12

Was

Wordt

te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale vaarwegenverordening.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de omgevingsverordening.

Toelichting

Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet geldt dat het verrichten van een omgevingsplanactiviteit vergunningplichtig kan worden gesteld. Het plaatsen of voeren van handelsreclame is een dergelijke activiteit, voor zover het gaat om een uiting die zichtbaar is vanaf een voor publiek toegankelijke plaats. Onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) was deze vergunningplicht geregeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdelen h en i. De gemeente Baarn had destijds uitvoering gegeven aan deze bepaling in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), waarin artikel 4:15 zag op hinderlijke of gevaarlijke reclame en artikel 4:16 op vergunningplichtige lichtreclame. Bij de herziening van de APV in 2018 is artikel 4:16 komen te vervallen, vanuit het oogpunt van deregulering en vermindering van administratieve lasten. Daarbij werd aangenomen dat grote reclameobjecten reeds aan de bouwregelgeving en welstandstoets zouden worden onderworpen, en dat de resterende gevallen beperkt in aantal waren. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de grondslag voor gemeentelijke regels over handelsreclame verschoven naar het omgevingsplan (en voor dit opgave de VFL).

De gemeente Baarn kiest er daarom voor om de vergunningplicht opnieuw te verankeren in de VFL, zodat toetsing aan ruimtelijke en veiligheidsaspecten kan plaatsvinden en een grondslag bestaat voor legesheffing. De hierna volgende artikelen voorzien in: • Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame (artikel 2:11); • Omgevingsvergunning voor (handels)reclame-uiting (artikel 2:12); • Bewegwijzering (artikel 2:13). Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

Artikel 2:11 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak of roerende zaak, niet zijnde voertuigen als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt

1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak of roerende zaak, niet zijnde voertuigen als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt

Inhoudelijke wijziging: toevoegen van artikel bij VFL vanuit de APV (artikel 4:15) Inhoudelijke wijziging lid 2: Uitzondering bij verleende omgevingsvergunning. Nieuw toegevoegd is een tweede lid dat bepaalt dat het verbod niet geldt wanneer er een omgevingsvergunning voor handelsreclame is verleend (artikel 2:12 VFL). Hiermee ontstaat een 13

Was

Wordt

Toelichting

gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.

2. Het verbod is niet van toepassing indien een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2:12 van deze verordening, is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

duidelijke koppeling tussen de algemene regel (verbod bij hinder of gevaar) en de vergunningplichtige activiteit. Het voorkomt dubbele toetsing of handhaving: als een vergunning is verleend waarin deze aspecten zijn beoordeeld, is geen aparte overtreding meer mogelijk van lid 1.

3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving.

Technische wijziging lid 3: Aanpassing verwijzing naar "Besluit activiteiten leefomgeving". De verwijzing naar het Activiteitenbesluit milieubeheer is vervangen door het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), dat sinds 1 januari 2024 het oude besluit vervangt. Het Bal regelt milieubelastende activiteiten, waaronder bepaalde vormen van verlichting of reclame bij bedrijven. Door deze uitzondering blijft de VFL subsidiair ten opzichte van hogere regelgeving: als het Bal al voorziet in de activiteit, geldt de gemeentelijke bepaling niet. Dit voorkomt dubbeltelling van regels en is in lijn met de verdeling van bevoegdheden onder de Omgevingswet.

Artikel 2:12 Omgevingsvergunning voor (handels)reclame-uiting 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op, aan of in een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding, in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf

Inhoudelijke wijziging: nieuwe artikel opgenomen Eerder was de reclamevergunning afkomstig uit de APV (artikel 4:16) verwijderd om administratieve lasten te verminderen en omdat hinderlijke reclame destijds al via algemene regels kon worden aangepakt. De herintroductie van de vergunningplicht voor handelsreclame is bedoeld 14

Was

Wordt een voor het publiek toegankelijke plaats. 2. Het verbod geldt niet voor onverlichte: a. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; b. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; c. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: - een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; - het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd; d. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

Toelichting om meer regie te voeren over de kwaliteit van de visuele leefomgeving. Handelsreclame heeft een directe invloed op de uitstraling van straten, pleinen en bedrijventerreinen en kan, wanneer deze ongecoördineerd wordt toegepast, leiden tot verrommeling van het straatbeeld of aantasting van cultuurhistorische waarden. Door opnieuw een vergunningplicht op te nemen, krijgt het bevoegd gezag de mogelijkheid om vooraf te toetsen aan aspecten zoals beeldkwaliteit, verkeersveiligheid en hinderbeperking. Dit past binnen de doelstellingen van de Omgevingswet om een veilige, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving te waarborgen (artikel 1.3). Daarnaast maakt de regeling onderscheid tussen kleine, onverlichte en feitelijk beperkte uitingen – waarvoor een vergunning niet nodig is – en de grotere of opvallendere reclameobjecten waarvoor toetsing proportioneel en noodzakelijk is. Daarmee blijft de administratieve last beperkt tot situaties met ruimtelijke relevantie. De bepaling biedt bovendien ruimte om via nadere regels uniforme kwaliteitseisen te stellen, zodat de gemeente flexibel kan inspelen op ontwikkelingen in vormgeving en technologie. Tot slot creëert de vergunningplicht een duidelijke juridische basis voor legesheffing, en sluit de systematiek aan op het bredere vergunningenstelsel van de Omgevingswet, waarin ook niet15

Was

Wordt

Toelichting

e. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.

bouwgebonden activiteiten kunnen worden gereguleerd ter bescherming van de fysieke leefomgeving.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd: a. indien de handelsreclame, op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de regels in het omgevingsplan over het uiterlijk van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak, tenzij in dit onderwerp wordt voorzien door de bepalingen bij of krachtens de Omgevingswet. 4. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid nadere regels stellen. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de omgevingsverordening of de Omgevingswet. Artikel 2:13 Bewegwijzering 1. Het is verboden op of aan een de openbare plaats een verwijzingsbord naar openbare instellingen, hotels, pensions, restaurants, campings en overige bedrijven of instellingen te

Inhoudelijke wijziging: nieuwe artikel opgenomen. Het opnemen van dit artikel heeft tot doel om ook bewegwijzering en verwijzingsborden onder de reikwijdte van de VFL te brengen. 16

Was

Wordt

Toelichting

plaatsen of te doen plaatsen waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

Bewegwijzering naar bedrijven, voorzieningen of instellingen is in de praktijk vaak nauw verweven met handelsreclame. Een verwijzingsbord kan immers niet alleen een functioneel doel hebben (het wijzen van de weg), maar ook een commercieel karakter dragen doordat het de aandacht vestigt op een bedrijf of activiteit. Om deze reden wordt bewegwijzering binnen deze verordening beschouwd als een bijzondere vorm van reclame-uiting, waarvoor dezelfde afwegingskaders gelden als bij artikel 2:12 over handelsreclame (lid 2).

2. Het verbod is niet van toepassing indien een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2:12 van deze verordening, is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving.

Met dit artikel wordt daarom een duidelijk juridisch kader gecreëerd waarin het bevoegd gezag de plaatsing van bewegwijzering kan toetsen of reguleren. Dit gebeurt via de vergunningplicht van artikel 2:12, waarbij onder meer wordt gekeken naar verkeersveiligheid, hinder en beeldkwaliteit. Net als bij de handelsreclamebepalingen geldt dat het verbod niet van toepassing is op situaties waarin reeds wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), om dubbele regelgeving te voorkomen en de bevoegdheidsverdeling tussen Rijk en gemeente te respecteren. Met deze bepaling kan de gemeente gericht sturen op de kwaliteit en veiligheid van bewegwijzering, terwijl tegelijkertijd wordt erkend dat bewegwijzering in veel gevallen een commerciële component bevat en daarom 17

Was

Wordt

Toelichting binnen hetzelfde beoordelingskader als reclame-uitingen valt.

Hoofdstuk III: Voorkomen of beperken geluidhinder Geluidhinder is een thema dat onder de Omgevingswet op meerdere punten is gewijzigd. De regelgeving is niet langer gebaseerd op het begrip ‘inrichting’ uit de Wet milieubeheer, maar sluit nu aan op het nieuwe systeem van milieubelastende activiteiten. Dit betekent dat niet alleen bedrijven, maar ook andere bronnen van geluid zoals muziekinstallaties en installaties in de openbare ruimte als milieubelastende activiteit gereguleerd kunnen zijn. Hierdoor is het nodig om de bestaande regels juridisch en inhoudelijk aan te passen aan de nieuwe systematiek. Daarnaast is het Activiteitenbesluit milieubeheer vervallen. Veel van de normen en voorwaarden uit dat besluit zijn nu opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het omgevingsplan. In het hoofdstuk zijn daarom verwijzingen opgenomen naar het omgevingsplan, waar regels uit het Bal zijn overgenomen. De eerder gebruikte term ‘inrichting’ is in dit kader vervallen en vervangen door een benadering die uitgaat van concrete activiteiten. Deze verschuiving vraagt niet alleen om een technische actualisatie van terminologie, maar ook om herijking van inhoudelijke begrippen zoals doelgroepen, toepassingsbereik en uitzonderingen.

De aangepaste hoofdstuktekst is hierop afgestemd en bevat de noodzakelijke wijzigingen om aan te sluiten bij het nieuwe wettelijke kader, inclusief het correct doorverwijzen naar het omgevingsplan voor de actuele normstelling. Algemene technische wijziging door hoofdstuk: -Regels uit het Activiteitenbesluitmilieubeheer zijn opgenomen in het omgevingsplan en wordt nu daar naar toe verwezen. -De term ‘inrichting’ die voorkomt uit de Wet milieubeheer bestaat niet meer onder de systematiek van de Omgevingswet. Het is vervangen door een regulering per ‘milieubelastende activiteit’, dit kan een muziekinstallatie, bedrijf, ect. zijn. Milieubelastende activiteit: dit is veranderd Was

Wordt

Artikel 3:1 Aanwijzing collectieve festiviteiten

Artikel 3:1 Aanwijzing collectieve festiviteiten

1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3:3 gelden niet voor door burgemeester en wethouders per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de

1. De geluidswaarden als bedoeld artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan en artikel 3:3 van deze verordening zijn niet van toepassing op door het bevoegd gezag per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten

Toelichting

18

daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3:148 eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door burgemeester en wethouders per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 22.239, eerste lid, van het omgevingsplan, zijn niet van toepassing op door het bevoegd gezag per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer gedeelten van de gemeente. 4. Burgemeester en wethouders maken de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kunnen burgemeester en wethouders een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Bij de aangewezen collectieve festiviteiten mag (tussen 07:00 – 24:00 uur) het equivalent geluidniveau, met een middelingstijd van 1 minuut gemeten in de meterstand Fast veroorzaakt door de inrichting, op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is,

3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het bevoegd gezag bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer gedeelten van de gemeente. 4. Het bevoegd gezag maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuwkalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het bevoegd gezag een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Bij de aangewezen collectieve festiviteiten mag (tussen 07:00 – 24:00 uur) het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT, met een middelingstijd van 1 minuut gemeten in de meterstand Fast veroorzaakt door een bedrijf/evenement organisatie, op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van de muziekinstallatie, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is, 80 dB(A) en 93 dB(C) zijn.

19

maximaal LAeq 80 dB(A), LCeq 93 dB(C) en LAmax 95 dB(A) zijn. 7. Bij de beoordeling van muziekgeluiden wordt er geen straffactor (10 dB(A)) voor muziekgeluid en geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Stemgeluiden worden conform de milieuregelgeving buiten beschouwing gehouden. 8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3:3, uiterlijk om 24.00 uur beëindigd. Artikel 3:2 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. a. Het is een inrichting toegestaan op maximaal drie dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17,2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3:3 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders. b. Voor inrichtingen, geheel of gedeeltelijk gelegen in een strook van 400 meter aan de westzijde van de Amsterdamsestraatweg, geldt – in afwijking van de vorige zin – een maximum

7. Bij de beoordeling van muziekgeluiden wordt er geen straffactor (10 dB(A)) voor muziekgeluid en geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Stemgeluiden worden conform de milieuregelgeving buiten beschouwing gehouden. 8. Op de dagen, als bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidswaarden, bedoeld in artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan, uiterlijk om 24.00 uur beëindigd.

Artikel 3:2 Kennisgeving incidentele festiviteiten

Technische wijziging: lid 1 en lid 6.

1. Het is een bedrijf toegestaan:

Lid 1: Dit onderdeel is technisch aangepast met onderdelen a en b, zodat duidelijker is voor welke bedrijven de 3 of 12 incidentele festiviteiten gelden.

a. op maximaal drie dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidswaarden als bedoeld in de artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan en artikel 3:3 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de beheerder of eigenaar van het bedrijf ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het bevoegd gezag;.

Lid 6: De geluidswaarden zijn nu weergegeven in een tabel die voortvloeien uit het omgevingsplan. Check VFL voor tabel 1 en 2.

b. in afwijking van het bepaalde onder a, op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderhaar incidentele festiviteiten te houden, waarbij de geluidswaarden als bedoeld in artikel 22.63, eerste en derde 20

van twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal drie dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders. 3. Burgemeester en wethouders stellen een formulier vast voor het doen van de melding. 4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer burgemeester en wethouders op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Bij een incidentele festiviteit mag het equivalent geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting, op de gevels van geluidgevoelige gebouwen voor de dagperiode maximaal 20 dB(A), voor de avondperiode maximaal 25 dB(A) en voor de nachtperiode maximaal 30 dB(A) hoger zijn ten opzichte van de geluidvoorschriften van het

lid, van het omgevingsplan en artikel 3:3 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits: i.

ii.

de beheerder of eigenaar van het bedrijf ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het bevoegd gezag en; het gaat om bedrijven die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in een strook van 400 meter aan de westzijde van de Amsterdamsestraatweg.

2. Het is een bedrijf toegestaan om tijdens maximaal drie dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 22.239, eerste lid, van het omgevingsplan niet van toepassing is, mits beheerder of eigenaar van het bedrijf ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het bevoegd gezag. 3. Het bevoegd gezag stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het bevoegd gezag op verzoek van de beheerder of eigenaar van een bedrijf een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet

21

Activiteitenbesluit milieubeheer. De volgende geluidnormen gelden. Festiviteit binnen gebouw van een inrichting Geluidnormen respectievelijk 7.00 uur tot 19.00 uur /19.00 uur tot 23.00 uur / vrijdag & zaterdag tussen 23.00 uur en 1.00 uur / 23.00 uur tot 7.00 uur en vrijdag- & zaterdagnacht na 01.00 uur LAeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is. 70 dB(A) / 70 dB(A) / 70 dB(A) / 60 dB(A) LCeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is. 83 dB(C) / 83 dB(C) / 83 dB(C) / 73 dB(C) LAmax met muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is.

te voorzien was, terstond toestaat. 6. Bij een incidentele festiviteit zijn de geluidswaarden, met de daarbij behorende bedrijfstijden voor het gebruik van elektronische verstrekte muziek in een bedrijfsgebouw of op het buitenterrein van een bedrijf, in tabel 1 en tabel 2 weergegeven. 7. Bij de beoordeling van muziekgeluiden bedoeld in het zesde lid wordt er geen straffactor (10 dB(A)) voor muziekgeluid en geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Stemgeluiden worden conform de milieuregelgeving buiten beschouwing gehouden. 8. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in een gebouw blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 9. Met uitzondering van bedrijven buiten de bebouwde kom mogen in de buitenruimte van een bedrijf tijdens incidentele festiviteiten muzikale activiteiten worden gehouden, mits: a. de dichtstbijzijnde woningen ten opzichte van de erfgrens van het bedrijf, of de opstelling van de muziekbron op het terrein van het bedrijf, op minimaal 50 meter afstand liggen; en b. de incidentele festiviteit plaatsvindt in de dag- en/of avondperiode (tussen 7.00 en 23.00 uur).

90 dB(A) / 90 dB(A) / 90 dB(A) / 80 dB(A) 22

LAeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen. 55 dB(A) / 55 dB(A) / 55 dB(A) / 45 dB(A) LCeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen. 68 dB(C) / 68 dB(C) / 88 dB(C) / 58 dB(C) LAmax met muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen. 75 dB(A) / 75 dB(A) / 75 dB(A) / 65 dB(A) Festiviteit op het terrein van een inrichting Geluidnormen respectievelijk 7.00 uur – 19.00 uur / 19.00 uur – 23.00 uur / 23.00 uur – 7.00 uur LAeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is. 70 dB(A) / 70 dB(A) / 40 dB(A) LCeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt 23

door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is. 83 dB(C) / 83 dB(C) / 53 dB(C) LAmax met muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is. 90 dB(A) / 90 dB(A) / 60 dB(A) 7. Bij de beoordeling van muziekgeluiden bedoeld in het zesde lid wordt er geen straffactor (10 dB(A)) voor muziekgeluid en geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Stemgeluiden worden conform de milieuregelgeving buiten beschouwing gehouden. 8. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in een gebouw blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 9. Met uitzondering van inrichtingen buiten de bebouwde kom mogen in de buitenruimte van de inrichting tijdens incidentele festiviteiten muzikale activiteiten worden gehouden, mits: • de dichtstbijzijnde woningen ten opzichte van de erfgrens van de inrichting, of de opstelling van de muziekbron op het terrein 24

van de inrichting, op minimaal 50 meter afstand liggen; en • de incidentele festiviteit plaatsvindt in de dag- en/of avondperiode (tussen 7.00 en 23.00 uur). Artikel 3:3 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de onder lid 2 opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d van het Besluit geluidhinder; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

Artikel 3:3 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek gelden de geluidswaarden onder artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan, zie tabel 3: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze geluidgevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij geluidgevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. Voor de duur van twintig uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen, zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een clubgebouw gedurende de dagen avondperiode uitgezonderd 25

2. Tabel Geluidnormen conform het Activiteitenbesluit milieubeheer respectievelijk 7.00 uur - 19.00 uur / 19.00 uur – 23.00 uur / 23.00 uur – 7.00 uur LAeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is.

van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 3. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het omgevingsplan van toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 3:1 en 3:2 van deze verordening.

50 dB(A) / 45 dB(A) / 40 dB(A) LAmax met muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is. 70 dB(A) / 65 dB(A) / 60 dB(A) LAeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen. 35 dB(A) / 30 dB(A) / 25 dB(A) LAmax met muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen. 55 dB(A) / 50 dB(A) / 45 dB(A)

26

3. Voor de duur van twintig uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen, zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 3:1 en 3:2 van deze verordening. Artikel 3:3a Geluidhinder in de openlucht

Artikel 3:3a Geluidhinder in de openlucht

1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

1. Het is verboden, met uitzondering bij bedrijven, in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod. 3. Burgemeester en wethouders kunnen terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod uit het eerste lid niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing

Lid 5 technische wijziging: - Het bouwbesluit 2012 is per 1-1-2024 vervallen en die regels zijn nu te vinden in het Besluit bouwwerken leefomgeving - De provinciale milieuverordening aangepast tot omgevingsverordening.

2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het bevoegd gezag kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod uit het eerste lid niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het bevoegd gezag vast te stellen 27

aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door burgemeester en wethouders vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:

4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:

c. de frequentie en tijden van gebruik.

a. het maximale geluidsniveau; b. de situering van geluidsbronnen; c. de frequentie en tijden van gebruik.

voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

a. het maximale geluidsniveau; b. de situering van geluidsbronnen;

5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de, Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Besluit bouwwerken leefomgeving of de omgevingsverordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16505960/1