1383257 Verordening Fysieke Leefomgeving Baarn, eerste wijziging bijlage 3 Was-wordt tabel
Tekst van het document
Het bevoegd gezag zendt onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit voor advies aan de gemeentelijke commissie ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsbesluit.
Artikel 10:16 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht
Artikel 10:16 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.
1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het bevoegd gezag, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijke beschermd stads- of dorpsgezicht.
2. Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 10:7, eerste lid. Artikel 10:7, vierde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Het bevoegd gezag zendt het voorstel voor advies aan de gemeentelijke commissie ruimtelijk kwaliteit.
3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid.
3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld
Technische wijziging: Onder artikel 5.1, lid 1, onder b, van de Omgevingswet wordt er gesproken van een “rijksmonumentenactiviteit”.
Voormalige (was) lid 7 technische wijziging: Voormalige lid 7 ‘Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vijfde of zesde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen.’ is verwijderd. Het omgevingsplan vervangt het (geheel aan) bestemmingsplan(nen) voor het gehele grondgebied van een gemeente. Zie voor het overgangsrecht dat de bestaande bestemmingsplannen bundelt 55
Was
Wordt
Toelichting
4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
tot een tijdelijk deel van het omgevingsplan, artikel 4.6. Anders dan de Wro voorziet de Omgevingswet niet in een actualiseringsplicht (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, pag. 147- 148). Het voornemen bestaat om de huidige actualiseringsplicht met bijbehorende legessanctie voor bestemmingsplannen tijdig vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet te schrappen (zie wetsvoorstel afschaffing actualiseringsplicht bestemmingsplannen en beheersverordeningen, Kamerstukken II, 34 666).
5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld. 7. Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vijfde of zesde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen.
5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht regels vast in het omgevingsplan. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre bestaande regels uit het omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of nieuwe beschermde regels kunnen worden vastgesteld. 7. Dit artikel is niet van toepassing op een beschermde stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functieaanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stadsof dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van een omgevingsverordening.
Huidige lid 7, voormalige lid 8, technische wijziging: - rijksbeschermd stads- of dorpsgezichten gaan nu via een instructieregels. Beschermen cultureel erfgoed in het omgevingsplan. - verwijzing naar de Wabo verwijderd.
8. Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- of dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, 56
Was
Wordt
Toelichting
Artikel 10.17 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- of dorpsgezicht
Artikel 10.17 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 10:16, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 10:16, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft, als zodanig is tenietgegaan.
1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het bevoegd gezag, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 10:16, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 10:16, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft, als zodanig is tenietgegaan.
Inhoudelijk wijziging lid 2: Aanwijzing van een beschermd rijks dorps- en stadsgezicht is nu achterhaald. Het gaat via een instructie.
eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als: a. beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of b. beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
Technische wijziging: Wabo verwijzing naar Omgevingswet.
2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. 3. Het bevoegd gezag verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
57
Was
Wordt
Toelichting
Artikel 10:18 Verbodsbepaling en aanvraag vergunning
Artikel 10:18 Verbodsbepaling en aanvraag vergunning
1. Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, een bouwwerk te slopen.
1. Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen.
Technische wijziging: Wabo verwijzing naar Omgevingswet.
2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. De artikelen 10:13 en 10:14 zijn van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.
Artikel 10:19 Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij: a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste
2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. De artikelen 10:14 is van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet of zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Is van rechtswege opgenomen in het omgevingsplan als per artikel 4.6, eerste lid, onder d, van de Invoeringswet Omgevingswet. Die bepaalt dat een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, van rechtswege een onderdeel is van het tijdelijk omgevingsplan. Deze regels mogen daarom niet meer aangepast worden. Als de gemeente dat wel wilt 58
Was
Wordt
of tweede lid, van de Wabo is verleend;
Toelichting doen, dan moet dat via wijziging van het omgevingsplan.
b. het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of d. met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.
Hoofdstuk XI: Markt Was
Wordt
Toelichting
Artikel 2.1, tweede lid, van het Omgevingsbesluit stelt grenzen aan wat in het omgevingsplan geregeld mag worden. In dat lid wordt verwezen naar bepalingen in de Gemeentewet, waarvoor het niet is toegestaan om de daarin bedoelde regels op te nemen in het omgevingsplan. Volgens artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit moeten gemeenten regels opnemen in het omgevingsplan die activiteiten betreffen die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen. Het gaat daarbij om directe, blijvende en tastbare ingrepen, niet om 59
Was
Wordt
Toelichting
kortdurende omstandigheden of neveneffecten zoals emissies of hinder. Het onderscheid tussen gebruik en wijziging van de fysieke leefomgeving is hierbij bepalend. Activiteiten zoals het periodiek organiseren van een markt kunnen planologisch relevant zijn voor een locatie en moeten daarom in het omgevingsplan worden geregeld. Artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet verplicht dat regels die nodig zijn voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan worden opgenomen. Dat geldt voor activiteiten die invloed hebben op het gebruik van een locatie in relatie tot andere functies. Een terugkerende markt heeft ruimtelijke impact. Daarom moet de locatie en begrenzing van de markt in het omgevingsplan staan. De precieze indeling van standplaatsen of looppaden wordt gezien als huishoudelijke regels en hoeft niet in het omgevingsplan te worden opgenomen. Regels die geen betrekking hebben op de fysieke leefomgeving horen niet in het omgevingsplan. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepalingen die alleen zien op de verdeling van standplaatsen, dagplaatsen of standwerkplaatsen tussen aanbieders. Deze regels hebben geen ruimtelijke effecten en dienen niet de belangen van artikel 1.3 van de Omgevingswet. Ze zijn bedoeld voor de transparante verdeling van schaarse plekken en de regulering van de markt als economische activiteit.
Dergelijke regels moeten daarom buiten het omgevingsplan blijven. Reparatie: artikelen 11:3, 11:4, 11:5, 11:6, 11:7 en 11:8 zijn vervallen. Inhoudelijk wijzigingen: artikelen 11:1 en 11:2. Overwegingen gebaseerd op de Marktverordening gemeente Baarn 2024. Artikel 11:1 Inrichting van de markt; branche-indeling
Artikel 11:1 Grenzen van de markt
1. Burgemeester en wethouders bepalen ten aanzien van de markt:
1. Het bevoegd gezag bepaalt ten aanzien van de markt:
a. het aantal standplaatsen;
a. een kaart van de markt.
b. de afmetingen van de standplaatsen;
2. Op de kaart van de markt zijn aangegeven:
c. de opstelling en indeling van de markt;
a. de grenzen van de markt;
d. welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerkersplaats. 2. Burgemeester en wethouders kunnen voor de markt vaststellen: a. een lijst met artikelengroepen of branches;
b. de vaste standplaatsen.
De regels over de grenzen van de marktlocatie zijn relevant voor de ruimtelijke toedeling van functies, en dus passend binnen het juridische karakter van het omgevingsplan. De overige regels over de organisatie, toewijzing van standplaatsen, vergunningverlening en toezicht behoren tot het organisatorische domein en horen thuis in de marktverordening. Door deze scheiding te hanteren blijft het omgevingsplan beperkt tot fysieke en planologische aspecten, terwijl het bestuursrechtelijk beheer via de verordening wordt geregeld. Dit voorkomt dubbele regelgeving en houdt beide instrumenten overzichtelijk
b. een maximumaantal standplaatsen per branche. 60
HOOFDSTUK XIII: SLOTBEPALINGEN Was
Wordt
Toelichting
Artikel 13:4 Inwerkingtreding en intrekking
Artikel 13:4 Inwerkingtreding en intrekking
1. Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is bekendgemaakt.
1. Deze verordening treedt in werking een dag na die waarop zij is bekendgemaakt.
Alleen de actuele wijzigingen die samenhangen met het vaststellen van de gewijzigde VFLOB zijn hier opgenomen.
2. De volgende (delen van) verordeningen en delen uit de APV (vastgesteld in de openbare vergadering van 19 februari 2020) worden ingetrokken:
2. Overeenkomstig het eerste lid treden in werking op hetzelfde moment als deze verordening: a. de Erfgoedverordening gemeente Baarn 2026;
a. Hoofdstuk 2, afdeling 2 met uitzondering van artikel 2:14 van APV Baarn; b. Hoofdstuk 4, afdeling 1 APV Baarn; c. Hoofdstuk 4, afdeling 4, 5 en 6 van APV Baarn met uitzondering van artikel 4:13, 4:18, 4:19, 4:20 en 4:21; d. Hoofdstuk 5, afdeling 4 van APV Baarn; e. Hoofdstuk 5, afdeling 6 van APV Baarn; f. Algemene verordening ondergrondse infrastructuren 2015 gemeente Baarn; h. Bomenverordening gemeente Baarn 2016; i. Bouwverordening Baarn 2012, artikel 9.1, 2.4.1, 2.4.2 en 10.6;
61
Was
Wordt
Toelichting
j. Erfgoedverordening 2010 gemeente Baarn; k. Marktverordening gemeente Baarn 2011;
l. Verordening afvoer hemelwater en grondwater gemeente Baarn. Artikel 13:5 Overgangsbepaling
Artikel 13:5 Overgangsbepaling
1. Besluiten, genomen krachtens de verordening, genoemd in artikel 13:4, tweede lid, die golden op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
1. Hoofdstuk VII is van toepassing op de kabels en leidingen die aanwezig zijn op het moment dat deze verordening in werking treedt, ongeacht op welke grondslag deze zijn aangelegd.
2. De intrekking bedoeld in artikel 13:4, tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordeningen genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop die nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.
2. Op aanvragen en meldingen waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen.
Het oude lid 1 en 2 gaat over intrekking van oude verordeningen, maar daarvan is nu geen sprake. Dit lid is daarom vervallen. Het nieuwe lid 3 is bedoeld om lopende bezwaarprocedures niet te doorkruisen met nieuwe of gewijzigde regels. Het oude recht blijft dan van toepassing. Dit is vooral van belang i.v.m. lopende bezwaarprocedures tegen aanwijzing van gemeentelijke monumenten.
3. Bezwaarprocedures tegen besluiten die zijn gebaseerd op de Verordening fysieke leefomgeving Baarn, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog niet onherroepelijk is beslist, worden afgehandeld volgens de regels zoals deze golden voor inwerkingtreding van deze verordening.
3. Hoofdstuk VII is van toepassing op de kabels en leidingen die aanwezig zijn op het moment dat deze verordening in werking treedt, ongeacht
62
Was
Wordt
Toelichting
op welke grondslag deze zijn aangelegd. 4. Op aanvragen en meldingen waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen.
63