Verbeelding ontwerp bestemmingsplan Schootsenhoek 6 te Castelre
Tekst van het document
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 5 5.1
Relevante (milieu)aspecten
Algemeen
Op de locatie Schootsenhoek 6 is een voormalig winkelpand, café met een bedrijfswoning aanwezig. Het gaat om en cultuurhistorisch pand dat gesplitst worden in twee burgerwoningen, waarbij binnen een woning een meergeneratiewoning wordt gerealiseerd. Het voormalige café wordt in gebruik genomen als bijgebouw behorende bij de woningen. In de onderstaande paragraven zijn de ruimtelijke-milieuhygiënische aspecten verder uiteengezet. 5.2
Bodem
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Er vinden echter geen bodem werkzaamheden plaats, omdat het initiatief plaats vindt binnen de bestaande bebouwing. Een nader onderzoek naar de bodemkwaliteit is niet aan de orde. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief. 5.3
Water
Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de regio. Het gaat dan om het waterkwantiteits en - kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheersplan 2016-2021. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren.
De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’.
Bestemmingsplan toelichting 150870
Pagina 25 van 44
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 9: Uitsnede keurkaart Waterschap Brabantse Delta
Figuur 10: Uitsnede leggerkaart Waterschap Brabantse Delta
Grondwaterbeschermingsgebied De planlocatie is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied. Ten zuiden van de Schootsenhoek ligt een categorie B waterloop. Het initiatief heeft verder geen invloed op deze waterloop. Riolering en infiltratie Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekent. Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. De bestaande woning en het voormalige café is al aangesloten op het bestaande rioolstelsel er worden geen nieuwe aansluitingen gemaakt. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in het beleid aangegeven dat voor het toevoegen van maximaal 500 m², geen infiltratie dan wel retentie toegepast hoeft te worden.
Bestemmingsplan toelichting 150870
Pagina 26 van 44
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Aangezien de planlocatie buiten de beschermde gebieden van de Keur van het waterschap is gelegen en er geen toename van het verhard oppervlak is, maar door het saneren van een aantal bijgebouwen juist een afname is, is het niet nodig om te voorzien in een infiltratie of retentie. Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De watertoets zorgt er voor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoetsproces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. 5.4
Cultuurhistorie en archeologie
5.4.1
Cultuurhistorie
Sinds 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg hiervan is het Bro (artikel 3.6.1. lid 2) gewijzigd. Kort gezegd geldt nu voor cultuurhistorie, wat al sinds 2007 voor archeologie geldt. Ook voor cultuurhistorie moet nu in elk bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het gaat daarbij niet alleen om cultuurhistorische objecten, ook historische geografie hoort hierbij. Om te bepalen of binnen de planlocatie sprake is van cultuurhistorische elementen waarmee rekening dient te worden gehouden, is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Deze kaart is eveneens via de Verordening Ruimte een verplicht te raadplegen onderdeel.
Figuur 11: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (bron: brabant.nl)
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (figuur 11) is te zien dat de planlocatie in het cultuurhistorisch vlak ligt. Daarnaast is de planlocatie aangewezen als historisch groen en grenst het aan een historische geografische lijn met een redelijk hoge waarde (Schootsenhoek). Daarnaast wordt de voormalige bedrijfswoning en het voormalige winkelpand door de monumentencommissie aangemerkt als cultuurhistorische bebouwing mits er enkele aanpassingen aan het exterieur worden gedaan (advies monumentencommissie; Beschrijving Schootsenhoek 6, 30 december 2009 door E.M. Dolne kunsthistoricus, bijgevoegd in bijlage 3). De volgende aanpassingen zijn daarvoor nodig; • herstellen van de grote poort in de voorgevel; • kunstofkozijnen worden vervangen door geschikte houten vensters; • het aanbrengen van de houten deuren op de begane grond van het hoofdlichaam in de middelste poort.
Bestemmingsplan toelichting 150870
Pagina 27 van 44
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Deze aanpassingen zijn door middel van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan geborgd. De voorgenomen ontwikkeling tast de cultuurhistorische waarden niet aan en op advies van de monumentencommissie worden de omissies hersteld. De bebouwing wordt op passende wijze aangepast tot twee woningen. Het historische groen en de historische geografische lijn worden door de ontwikkeling niet aangetast. 5.4.2
Archeologie
Het is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologisch waarden. De archeologen van de Regio West Brabant adviseren de gemeenten hierin.
Figuur 12: Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau
In figuur 12 is ter plaatse van de planlocatie een uitsnede van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau weergeven, hieruit blijkt dat de planlocatie gelegen is in een zone met een middelhoge
Bestemmingsplan toelichting 150870
Pagina 28 van 44
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
archeologische verwachting. Dit betekent dat er bij ontwikkelingen die groter zijn dan 1.000 m² en dieper gaan dan 40 cm onder het maaiveld een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Het voorliggende plan heeft betrekking op het veranderen van de bestemming. Er vinden geen grondroerende activiteiten plaats. Het aspect archeologie staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Om eventuele archeologische vondsten voor de toekomst te beschermen wordt in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde-archeologie' opgenomen. Met deze dubbelbestemming wordt voor de hele planlocatie gewaarborgd dat bij ontwikkeling groter dan 1000 m² en dieper dan 40 cm, archeologisch onderzoek noodzakelijk is. 5.5
Ecologie
Door Buro Maerlant is een ecologische quickscan uitgevoerd in het kader van de Flora- en Faunawet. Voor de volledige onderzoeksresultaten wordt kortheidshalve verwezen naar de volledige rapportage, Ecologische Quickscan Schootsenhoek 6, Buro Maerlant d.d. 22 december 2015, bijgevoegd in bijlage 4. Uit het onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden: Binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, is de volgende potentiële beschermde natuurwaarde aangetroffen waar men rekening mee dient te houden: ▪
Kans op de aanwezigheid van algemene broedende vogels (niet jaarrond beschermd) nabij het te slopen deel van het zuidelijk gelegen gebouw.
De bedrijfswoning is beoordeeld als geschikt voor vleermuizen, de huismus en de gierzwaluw. Het betreft echter het dak. De huismus broedt vrij zeker in het plangebied. Doordat geen fysieke ingrepen aan het dak gaan plaatsvinden, zijn effecten op deze soorten redelijkerwijs uit te sluiten. Aanbevolen wordt tijdens de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Derhalve wordt aanbevolen de sloop buiten het broedseizoen uit te voeren, óf ruim voor het broedseizoen te starten. Vogels zullen als de werkzaamheden reeds zijn gestart, groenstroken in de directe nabijheid van de werkvakken mijden. De meeste vogels broeden in de periode half maart t/m augustus. Indien vaststaat, dat nabij het te slopen deel (binnen een straal van 10 meter) geen nesten aanwezig zijn van vogels, is sloop ook mogelijk binnen het broedseizoen. 5.6
Wegverkeerslawaai
Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en daarnaast in de Wet ruimtelijke ordening, op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is een woning een geluidsgevoelig object. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buitenstedelijke ligging. De planlocatie ligt aan de Schootsenhoek, de Schootsenhoek heeft een snelheidsregime van 60 km/h en er wordt een nieuwe woonbestemming mogelijk gemaakt. Hierdoor is een akoestisch onderzoek noodzakelijk Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is in bijlage 5 toegevoegd aan onderhavig. Voor de volledige rekenresultaten wordt verwezen naar het rapport (akoestisch onderzoek, Kraaij Akoestisch Adviesbureau, 16 december 2015) in de bijlage 5.
Uit het onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden: Toets aan Wet geluidhinder Vanwege de Schootsenhoek is de hoogst berekende geluidbelasting op de voorgevel van de woningen 59 dB. Hiermee wordt bij allebei de woningen niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De overschrijding bedraagt 4 tot 11 dB.
Bestemmingsplan toelichting 150870
Pagina 29 van 44
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Maatregelen De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt op de voorgevel van de woningen eveneens overschreden. Onderzoek naar maatregelen om de geluidbelasting te reduceren zijn dus noodzakelijk. Om de geluidbelasting vanwege de Schootsenhoek te reduceren zijn de volgende maatregelen denkbaar: ▪ bronmaatregelen ▪ maatregelen in de overdrachtssfeer Een bronmaatregel is het toepassen van een geluidarme asfaltsoort. Een dunne deklaag kan worden toegepast op rechte wegvakken zonder kruisend, afremmend en optrekkend verkeer. Een dergelijke maatregel, toe te passen voor twee woningen is te duur en daarom vanuit financieel oogpunt niet haalbaar. Daarnaast bedraagt de te behalen reductie met een dunne deklaag type B circa 3 dB ten opzichte van referentiewegdek, waarmee nog steeds de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde niet wordt behaald. Deze maatregel is daarmee tevens ook niet doelmatig. Overdrachtsmaatregelen zijn het plaatsen van een scherm of het zodanig positioneren van de woning op het perceel dat aan de voorkeursgrenswaarden wordt voldaan. Aangezien de voorkeursgrenswaarde ook op de verdiepingen wordt overschreden, zal een hoog scherm (minimaal 7 meter) moeten worden toegepast op korte afstand van de woning of op de perceelsgrens.
Een dergelijk scherm is praktisch en vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet mogelijk gezien de korte afstand van de woningen tot de weg en stuit daarmee op overwegende bezwaren. Onderzoek naar het veranderen van de positie van de woningen op het is niet relevant, aangezien het bestaande pand alleen inpandig wordt verbouwd tot twee woningen. Advies Omdat alle bovengenoemde maatregelen op problemen stuiten van doelmatige, praktische, stedenbouwkundige of financiële aard, zal een hogere grenswaarde aangevraagd moeten worden bij de gemeente Baarle‐Nassau voor de geluidbelasting vanwege de Schootsenhoek. Om een hogere waarde vast te stellen mag volgens de Wet geluidhinder de geluidbelasting niet hoger zijn dan 53 dB voor woningen in buitenstedelijk gebied. Aangezien de hoogst berekende geluidbelasting op de gevels ten hoogste 59 dB bedraagt vanwege de Schootsenhoek, wordt aan deze voorwaarde niet overal voldaan. Om die reden kan voor de oostelijke voorgevels van de beide woningen geen hogere waarde worden aangevraagd. Deze gevels zullen als ‘dove’ gevel moeten worden uitgevoerd indien er zich aangrenzend aan de gevel geluidgevoelige ruimtes bevinden.
Onder dove gevel wordt verstaan: ▪ een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede ▪ een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn of waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. In de regels van het bestemmingsplan is met een voorwaardelijke verplichting geborgd dat de voorgevels als dove gevel dienen te worden uitgevoerd. De berekende geluidbelastingen op de overige gevels bedraagt ten hoogste 53 dB vanwege de Schootsenhoek. Hierbij vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare grenswaarde (ontheffingswaarde) plaats en kan een hogere waarde worden aangevraagd. De vast te stellen hogere waarde bedraagt 52 dB voor de noordelijke woning en 53 dB voor de zuidelijke woning. Het hogere waarden besluit zal gelijktijdig met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage worden gelegd. De achtergevels van de beide woningen zijn geluidluw. Dit is een vereiste voor het aanvragen van een hogere waarde. Onder geluidluw wordt verstaan: Voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, getoetst per geluidbron. Dus 48 dB vanwege wegverkeerslawaai.
Bestemmingsplan toelichting 150870
Pagina 30 van 44
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Toets aan Bouwbesluit De minimumeis voor de karakteristieke geluidwering is op grond van het Bouwbesluit 20 dB. Daarnaast mag, indien er een hogere waarden besluit is vastgesteld, de karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied niet kleiner zijn dan het verschil tussen de in dat besluit opgenomen hoogst toelaatbare geluidbelasting en 33 dB. De geluidbelasting op de gevels waar mee gerekend moet worden is exclusief aftrek ingevolge art. 110g van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat vooralsnog getoetst moet worden aan een geluidbelasting van ten hoogste 58 dB (53 dB vastgestelde hogere waarde + 5 dB aftrek). De karakteristieke geluidwering moet dan minimaal 25 dB bedragen. Deze geluidwering kan bij bestaande woningen niet zondermeer worden behaald. Of te zijner tijd een berekening naar de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie noodzakelijk is, is ter beoordeling aan de vergunningverlenende instantie. Om een goed woon‐ en leefklimaat in de woningen te waarborgen, kan overwogen worden de karakteristieke geluidwering te dimensioneren op het verschil tussen de werkelijk optredende geluidbelasting en 33 dB in geluidgevoelige ruimtes. In dit geval moet de karakteristieke geluidwering dan 31 dB(A) bedragen. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen worden bovenstaande punten verwerkt.
Conclusie Om het voorliggend bestemmingsplan vast te kunnen stellen dient de voorgevel van de woningen als dove gevel uitgevoerd te worden. Dit is met voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd. Daarnaast dienen voor de zijgevels een hogere waarden te worden aangevraagd. De aanvraag zal gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd. 5.7
Bedrijven en milieuzonering
5.7.1 Algemeen Bij de ontwikkeling van woningen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. 5.7.2 Milieuzones De planlocatie ligt in het landelijk gebied. In de omgeving zijn een aantal agrarische bedrijven gevestigd. In onderstaande tabel zijn de afstanden weergegeven ten opzichte van de planlocatie. Bedrijfsomschrijving
Adres
Categorie
3.2
Maximale Milieuafstand aspect geur 100m
Afstand van grens bouwvlak tot planlocatie 120m
Melkveebedrijf W.A.M Mertens en L.M.J Snels Melkveebedrijf A.J. Meeuwesen, A.M. MeeuwesenVermeiren en F.M.J. Meeuwesen Melkveebedrijf H.A.A.C. Adams Tabel 2: Richtafstanden bedrijven
Schootsenhoek 7 Schootsenhoek 13
3.2
100m
150m
Schootsenhoek 9
3.2
100m
15m
Uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ blijkt dat de richtafstand voor geur maatgevend is. Uit tabel 2 blijkt dat voor het melkveebedrijf van de familie Adams, Schootsenhoek 9 de richtafstand niet kan worden behaald. Voor veehouderijen gelden met betrekking tot geur eisen die gesteld worden in de Wet geurhinder en veehouderij. In paragraaf 5.7.3 wordt hier nader op in gegaan.
Bestemmingsplan toelichting 150870
Pagina 31 van 44
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.7.3
Geurhinder en veehouderij
Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. In de Wet geurhinder en veehouderij zijn in artikel 3 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m³). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. De gemeente BaarleNassau is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen binnen een concentratiegebied. De planlocatie ligt buiten de bebouwde kom, waardoor conform artikel 3, lid 1b van de Wgv een geurbelasting van 14 odour units (ouE/m³) op een gevoelig object is toegestaan. De veehouderijbedrijven opgenomen in tabel 1 zijn, houden geen dieren waarvan een geuremissiefactor is vastgesteld. Waardoor eisen gesteld worden aan de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object in de Wet geurhinder en veehouderij.
Binnen In tabel 5 zijn de belangrijkste eisen opgenomen. minimale afstand tot veehouderij [m]
geurgevoelig object van andere of (voormalige veehouderij (art. 3 lid 2, Wgv) veehouderij met een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactor is vastgesteld (art. 4 lid 1, Wgv) buitenzijde van een dierenverblijf tot de buiten van een geurgevoelig object (art. 5 lid 1, Wgv)
geurgevoelig object binnen bebouwde kom 100
geurgevoelig object buiten bebouwde kom 50
100
50
50
25
Tabel 3: Afstandseisen uit de Wgv
De Wet geurhinder en veehouderij schrijft voor, dat geurgevoelige objecten niet binnen de geurcontouren van veehouderijen gebouwd mogen worden. Omdat daarmee de, eventuele, ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen kunnen worden geschaad. De Wet geurhinder en veehouderij schrijft buiten de bebouwde kom een richtafstand van 50 meter voor (artikel 4 lid 1 Wgv, tabel 3). De afstand als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de Wgv wordt gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt (volgens artikel 4 lid 1 Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)). In figuur 13 is vanaf de woning Schootsenhoek 6 een milieucontour van 50 meter ingetekend. Deze contour ligt over één gebouw van de inrichting Schootsenhoek 9. Uit foto’s blijkt dat dit gebouw aan de voorzijde geen emissiepunt kan hebben. Er is midden in het gebouw een deur aanwezig, wat als emissiepunt gezien kan worden. Uit de foto’s blijkt tevens dat dit gebouw niet gebruikt wordt voor stallen van vee en dit in de achterste gebouwen wordt gedaan, welke buiten de 50-meter contour zijn gelegen. De Wet geurhinder en veehouderij vormt geen belemmering voor het ontwikkelen van het voorgenomen initiatief binnen de planlocatie.
Bestemmingsplan toelichting 150870
Pagina 32 van 44
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 13: milieucontour 50 meter vanaf Schootsenhoek 6 en 6a
Figuur 14: foto's van de locatie Schootsenhoek 9
5.8
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van de infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten, waarbij het met name gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Om te bepalen of in de omgeving van de planlocatie risicovolle bedrijven of inrichtingen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Daaruit blijkt tot binnen een afstand van 250 meter van de planlocatie geen risicovolle bedrijven of inrichtingen aanwezig. Ook is er geen infrastructuur waarover of waardoor vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nader onderzoek alsmede een verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Er zijn geen beperkingen met betrekking tot de externe veiligheid.
Bestemmingsplan toelichting 150870
Pagina 33 van 44
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.9
Kabels en leidingen
Op of in de directe nabijheid van de planlocatie, zijn geen transportleidingen dan wel andere belangrijke kabels en leidingen gelegen, waarmee in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden. De KLIC-melding wordt uitgevoerd om eventuele kabels en leidingen in beeld te brengen, zodat bij de uitvoering van eventuele werkzaamheden hiermee rekening kan worden gehouden. 5.10
Luchtkwaliteit
Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijn stof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende: Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Er vindt in het plan een toevoeging plaats van maximaal één nieuwe woning (de andere woning is de vorm van een bedrijfswoning in het verleden al aanwezig). Een project, wat NIBM bijdraagt omvat maximaal een toevoeging van 1500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg plaats. Daarnaast nemen de verkeersbewegingen door de bestemmingswijziging van bedrijf (horeca) naar wonen op de planlocatie af. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling op de planlocaties een ‘niet in betekenende mate’ bijdrage levert die beschouwd kan worden als verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.11
Toetsing besluit milieueffecten rapportage
Bij besluit van 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer 'in lijn brengen' van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C‐ en D‐lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C‐lijst een m.e.r.‐plicht volgt en voor activiteiten op de D‐lijst volgt dan wel een m.e.r.‐ beoordelingsplicht dan wel een motivering dat geen m.e.r.(beoordeling) nodig is. De beoogde ontwikkeling binnen de planlocatie vallen niet binnen de C- of D-lijst, een m.e.r. - beoordeling of m.e.r – plicht is niet benodigd. m.e.r-plicht is niet van toepassing.
Bestemmingsplan toelichting 150870
Pagina 34 van 44
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische aspecten
Algemeen
Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader waarbinnen de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Dit bestemmingsplan is, in navolging van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’, een gedetailleerd bestemmingsplan. In de regels behorende bij de onderhavige herziening, is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de juridische regelgeving, zoals deze in dit plan is gehanteerd. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische regeling die daaraan ten grondslag ligt. 6.2
De bestemmingen
De regels in verband met de bestemmingen kennen allen een min of meer gelijke opbouw en bestaan in ieder geval uit bestemmingsregels en bouwregels. Voor enkele bestemmingen zijn daarbij bijzondere gebruiksregels en/ of een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. De bestemmingsregels betreffen de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan (=het gebruik). In een aantal gevallen is een specificering opgenomen van de toegestane functie, welk correspondeert met aanduidingen op de verbeelding. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsregels. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing aanvragen voor de activiteit bouwen. Voor de planlocatie gelden de volgende bestemmingen: Artikel 3 Groen - Landschappelijke inpassing De voor 'Groen – Landschappelijke inpassing' aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van het groen, de landschapselementen en de bijbehorende groeiplaats en behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden en natuurwaarden, zoals brede landschappelijke structuren. Bouwen is ter plaatse van deze bestemming niet toegestaan.
Artikel 4 Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, tuinen en erven, langzaamverkeersroutes, en bij deze bestemmingen behorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, water, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen. Daarnaast is binnen deze bestemming een afwijking opgenomen om een meergeneratiewoning te kunnen realiseren. Artikel 5 Waarde – Archeologie De voor 'Waarde - Archeologie ' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming van en onderzoek naar verwachte en onbekende archeologische waarden.
Bestemmingsplan toelichting 150870
Pagina 35 van 44
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 7 7.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in het wijzigen van de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming, waarbij het pand wordt gesplitst in twee woningen, volgens de Bro aan te merken als bouwplan. De gemeente Baarle-Nassau heeft ten behoeve van het voorgestane plan een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer van de gronden. Deze overeenkomst heeft onder andere de strekking dat de gemeente geen enkel risico loopt ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid van dit plan. 7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1
Vooroverleg en omgevingsdialoog
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan de gemeente overleg met de besturen van de bij het plan betrokken waterschap en de provincie plegen. Waar nodig pleegt de gemeente tevens overleg met besturen van andere gemeenten, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het plan is in het kader van het vooroverleg beschikbaar gesteld aan de volgende partners: ▪ Provincie Noord-Brabant. ▪ Waterschap Brabantse Delta. De vooroverlegreactie van het Waterschap Brabantse Delta heeft niet geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan. De Provincie Noord-Brabant had opmerkingen met betrekking tot de landschappelijke inpassing: ▪ meerwaardeberekening dient een ander bedrag per m² te worden gehanteerd, ▪ meer duidelijkheid over de sloopsubsidie die in het verleden is verkregen ▪ enkel de bestaande beplanting is in het bestemmingsplan vastgelegd Daarnaast dient in paragraaf 5.7 de Wet geurhinder en veehouderij apart behandeld en gemotiveerd te worden. In de planregels dient in artikel 4.2.1 een verbod voor het slopen van cultuurhistorische bebouwing te worden opgenomen. Artikel 9.2 sloopverbod dient verwijderd te worden. De meerwaardeberekening is aangepast en er is een ander bedrag per m² gehanteerd.
De verrekening van de sloopsubsidie is achterwegen gelaten omdat het verschil uiteindelijk, dusdanig klein was dat deze niet relevant was om mee te nemen. Het beplantingsplan is naar aanleiding van de aangepaste berekening uitgebreid. Paragraaf 5.7 is onderverdeeld in meerdere paragraven zodat de milieuzonering en de Wet geurhinder en veehouderij apart van elkaar behandeld en gemotiveerd worden. In de regels is in artikel 4.2.1 onder i een verbod voor het slopen van cultuurhistorische bebouwing opgenomen en artikel 9.2 is verwijderd. Na aanpassing en aanvulling van het plan is deze nogmaals voorgelegd aan de provincie in het kader van het vooroverleg. Op 27 januari 2022 heeft de provincie Noord-Brabant aangegeven dat het plan is aangepast/ aangevuld in overeenstemming met de provinciale belangen. De volledige vooroverlegreacties zijn als bijlage 6 toegevoegd aan onderhavig bestemmingsplan. De initiatiefnemer heeft met de direct omwonenden van de locatie een omgevingsdialoog gevoerd. Een kort verslag van deze gesprekken is toegevoegd in bijlage 7. 7.2.2
Ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan zal voor een periode van 6 weken ter inzage worden gelegd.
Bestemmingsplan toelichting 150870
Pagina 36 van 44
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Bijlagen Bestemmingsplan toelichting 150870
Pagina 37 van 44
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Bijlage 1: Brief positief besluit principeverzoek, gemeente Baarle-Nassau, 16 augustus 2012
Bestemmingsplan toelichting 150870
Pagina 38 van 44
V
dl
Baarle-Nassau 0
*
Provincie N o o r d - B r a b a n t (NL)
30 enclaves, 2 gemeenten, 2 landen
12uit02258
liiiiiiniiiiiii
Dhr. P.A. Timmerman Schootsenhoek 6 5114 A C Castelré
uw bericht van
uw kenmerk
ons kenmerk
verzonden d.d.
jkl/
16 AUG, 2012
Onderwerp: Bestemmingswijziging en woningsplitsing Schootsenhoek 6
Geachte heer Timmerman, Uw principeverzoek tot wijziging van de bestemming en toepassing van woningsplitsing voor het adres Schootsenhoek 6 te Castelré is op 14 augustus 2012 door het college behandeld. Middels deze brief wordt u op de hoogte gesteld van het principebesluit op uw verzoek. Het college heeft besloten in principe medewerking te willen verlenen aan het initiatief. Het bestemmingsplan Buitengebied 2008 bevat een wijzigingsbevoegdheid voor het college ten behoeve van het omzetten van de (huidige) bestemming 'Bedrijf naar de bestemming 'Wonen'. Binnen deze wijzigingsbevoegdheid is het tevens mogelijk om woningsplitsing toe te passen. Hierbij dient sprake te zijn van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, in een eerder stadium heeft u aangegeven te willen voldoen aan de aanpassingseisen zoals deze door de monumentencommissie zijn aangegeven. Dit betekent dat het initiatief in essentie passend is binnen het gemeentelijk beleid. De wijzigingsbevoegdheid is echter niet toepasbaar op uw verzoek aangezien u aanvullend heeft verzocht om 300 m2 aan bijgebouw te mogen laten staan. Daarmee wordt afgeweken van de maximaal toegestane oppervlakte voor bijgebouwen van 200 m2. Het plan is daarom enkel te realiseren middels een partiële herziening van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan dient te worden vastgesteld door de gemeenteraad.
Het college heeft ingestemd met uw verzoek op enkele voorwaarden. Deze worden hieronder nogmaals uiteengezet. Cultuurhistorisch waardevolle Zoals u bekend is woningsplitsing enkel mogelijk indien sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Hieronder worden nogmaals de drie aanpassingspunten opgesomd die de monumentencommissie heeft aangegeven: 1. het herstellen van de grote poort in de frontgevel; 2. het vervangen van de kunststof kozijnen door geschikte nieuwe vensters; 3. het aanbrengen van de houten deuren op de begane grond van het hoofdlichaam in de middelste deurpoort Zoals afgesproken zullen de verplichtingen vanuit de monumentencommissie in een overeenkomst worden vastgelegd ter zekerstelling van het behoud van het cultuurhistorisch waardevolle pand.
Bezoekadres, Singel 1 Baarle-Nassau www.baarle-nassau.nl
Correspondentieadres Postbus 105 5110 AC Baarle-Nassau
Tel. 013-5075200 BNG Den Haag Fax 013-5078145 rek nr. 28.50.00.586 e-mail gemeente@baarle-Nassau.nl ING 1067350
Bladnummer
2
Oppervlakte bijgebouw Ten aanzien van de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen overweegt het college het volgende. De gevraagde oppervlakte van 300 m2 overschrijdt de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen bij woningen. Uitgaande van twee woningen na toepassing woningsplitsing, mag 160 m2 (2 x 80 m2) blijven staan. Algemene stelregel bij sloop van voormalige bedrijfsbebouwing is dat 20 7o van het gesloopte bij deze oppervlakte mag worden opgeteld. Uitgaande van 365 m2 sloop (reeds gesloopte schutterij en dubbele garage van 290 m2 en het nog te slopen deel van 75 m2 van het voormalig winkelpand) kan in dat geval 233 m2 worden toegestaan (20 7o van 365 = 73 m2; 160 m2 + 75 m2 = 233 m2). In het bestemmingsplan Buitengebied 2008 is deze regel echter gemaximaliseerd op 200 m2, maar daarbij wordt uitgegaan van één woning. In casus gaat het om twee woningen. Al met al betekent de gewenste 300 m2 een overschrijding van in ieder geval 67 m2. Het college is bereid met deze geringe overschrijding in te stemmen, onder voorbehoud van goedkeuring vanuit de provincie. De regels met betrekking tot de sloop van overtollige bebouwing worden in de praktijk vaak soepel gehanteerd, waarbij de praktische situatie en het doel van het initiatief, i.e. behoud van een cultuurhistorisch waardevol pand, in ogenschouw worden genomen.
De provincie kan formeel gezien echter ten aanzien van de overschrijding een zienswijze indienen. Gezien de geringe overschrijding is dit niet de verwachting. Mocht deze eis echter voor de provincie toch dusdanig zwaarwegend zijn dan dient u alsnog de totale oppervlakte van het bijgebouw terug te brengen het vereiste oppervlakte. Het vooroverleg met de provincie in het kader van de bestemmingsplanprocedure dient hierover uitsluitsel te bieden. 0
o
Kwaliteits verbetering van het landschap Er dient bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied een inspanning te worden geleverd ten behoeve van kwaliteitsverbetering van het landschap, conform artikel 2.2 van de Verordening ruimte. De provinciale handreiking ' Kwa I ite its verbete r i n g van het landschap' en de notitie 'Regionale toepassing kwa I ite its ve rbeteri n g van het landschap' van de regio Hart van Brabant schrijven bij een wijziging van een niet-agrarische bedrijfsbestemming naar de bestemming wonen een bijdrage van 20 Zo van de waardevermeerdering voor. Voor de waardevermeerdering wordt een bedrag van C 10,- per m2 gehanteerd. Het huidige bouwvlak is ongeveer 2.285 m2. Indien het gehele bouwvlak zou worden omgezet naar 'Wonen' komt dit neer op een basisinspanning à C 4.570,-. Bij voorkeur dient deze inspanning fysiek te worden voldaan. Er zijn een aantal redenen die de waardevermeerdering echter weer 'afwaarderen', zoals sloop van de overtollige bedrijfsbebouwing. Hiervoor wordt een bedrag van C 25,- per m2 gerekend. Uitgaande van 365 m2 sloop betekent dit dat in onderhavige situatie 365 x 25 = C 9.125,- reeds is geïnvesteerd in verbetering van het landschap. Het college is daarom van mening dat voor onderhavig initiatief kan worden volstaan met een goede landschappelijke inpassing.
Een belastingplan bij het bestemmingsplan dient de goede landschappelijke inpassing te onderbouwen. Tot slot dient nog te worden opgemerkt dat voor woningsplitsing in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing geen (extra) kwaliteitsverbetering is vereist op basis van de provinciale handreiking en de notitie van Hart van Brabant, aangezien hier behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing voorop staat. 0
Vervolg U wordt verzocht om een bestemmingsplan op te laten stellen. Uit het bestemmingsplan dient duidelijk te worden of het initiatief haalbaar is. Alle afstemmingsaspecten op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu e.d. dienen daarbij te worden behandeld. Het voorontwerpbestemmingsplan zal aan de provincie en het waterschap worden toegezonden in het kader van het vooroverleg. Op dat moment dienen ook omwonenden en andere belanghebbenden door uzelf te worden geïnformeerd conform de Nota burgerparticipatie bij ruimtelijke projecten. Het
Bladnummer 3
voorontwerpbestemmingsplan hoeft niet ter inzage te worden gelegd. Aan de hand van de reacties op de inspraak en het vooroverleg zal een ontwerpbestemmingsplan moeten worden opgesteld welke de formele procedure zal doorlopen (6 weken ter inzage). Vervolgens kan de raad besluiten over vaststelling van het plan. Tegelijkertijd zal met u als initiatiefnemer een anterieure overeenkomst worden gesloten. Naast de eerder genoemde bepalingen omtrent de aanpassingen aan het pand ter zekerstelling van de cultuurhistorische waarde bevat de overeenkomst regelingen inzake het kosten- en planschadeverhaal. Conform de gemeentelijke legesverordening dienen leges à C 5.000,- te worden geheven voor het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure. Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Mocht u nog vragen hebben dan kunt u contact opnemen met dhr. Klei, tel.: 013-5075200 of jklei@baarle-nassau.nl. Met vriendelijke groet,
B U R G E M E E S T E R EN WETHOUDERS VAN BAARLE-NASSAU Namens dezen,
ŵ Ä . ^ L į ^ a T ĩ den Wijngaard Afdelingshoofd Ruimtelijke Zaken
i.a.a.: gemeenteraad
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Bijlage 2: Landschappelijke inpassing
Bestemmingsplan toelichting 150870
Pagina 39 van 44
Landschappelijke inpassing Schootsenhoek 6 - Castelre
Nieuwmoerseweg 3a 4885 KJ ACHTMAAL info@plangroen.nl
www.plangroen.nl
Colofon Opdrachtgever
Schoenmakers Advies BV Molenzicht 2 4881 BW Zundert
Datum
6 december 2021
Contactpersoon
Martijn Aarts info@plangroen.nl
PLANgroen Nieuwmoersweg 3a 4885 KJ ACHTMAAL info@plangroen.nl www.plangroen.nl
-2-
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - SCHOOTSENHOEK 6 - CASTELRE
Inhoud Inleiding
4
Beleidskader Kwaliteitsverbetering van het landschap
5
Huidige analyse
6
Landschapsinventarisatie
7
Landschappelijke inpassing
8-9
Beheer landschappelijke elementen
10
Referentiebeelden
11
Verantwoording kwaliteitsverbetering van het landschap
12
Bijlagen -3-
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - SCHOOTSENHOEK 6 - CASTELRE
Inleiding Op de locatie Schootsenhoek 6 te Castelre is het voornemen is om de voormalige bedrijfbestemming (Horecabedrijf ) om te zetten naar een woonbestemming. In het voorliggend plan is de landschappelijke inpassing voor de ontwikkeling opgenomen en daarnaast onderbouwd hoe deze ontwikkeling zich verhoudt tot de regeling kwaliteitsverbetering van het landschap van de provincie Noord-Brabant. Het landschapsplan is als volgt opgebouwd: • • • • • • •
Beleidskader Kwaliteitsverbetering van het landschap Huidige analyse Landschapsinventarisatie Landschappelijke inpassing Beheer landschappelijke elementen Referentiebeelden Verantwoording kwaliteitsverbetering van het landschap
Planlocatie
-4-
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - SCHOOTSENHOEK 6 - CASTELRE
Beleidskader Kwaliteitsverbetering van het landschap Om de kwaliteit van het landschap te versterken heeft de provincie Noord- Brabant in haar ‘Structuurvisie ruimtelijke ordening’ en de ‘Verordening ruimte 2014’ het principe van kwaliteitsverbetering van het landschap geïntroduceerd. Voor ruimtelijke plannen buiten bestaand stedelijk gebied is in de Verordening ruimte 2014 bepaald dat de ontwikkeling gepaard dient te gaan met zorgvuldig ruimte gebruik (artikel 3.8) en kwaliteitsverbetering van het landschap (artikel 3.9). Om invulling te geven aan de kwaliteitsverbetering van het landschap heeft de provincie Noord-Brabant de handreiking ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap: de rood-met-groen koppeling’ opgesteld. Deze handreiking geeft een aanzet, hoe invulling kan worden gegeven aan de omvang van de basisinspanning, die vanuit het ruimtelijk kwaliteitsbeleid gevraagd wordt. Voor de regio West-Brabant zijn nadere afspraken gemaakt in de notitie ‘Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’. In deze notitie zijn drietal categorieën opgesteld om te bepalen onder welke methodiek de omvang bepaald wordt van de investering die gedaan moet worden ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van het landschap.
De categorieën zijn als volgt onderverdeeld: Categorie 1 Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. Categorie 2 Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief. Categorie 3 Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. De beoogde ontwikkeling op de locatie Schootsenhoek 6 valt onder categorie 3.
-5-
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - SCHOOTSENHOEK 6 - CASTELRE
Huidige analyse Huidig karakter en gebiedsbeschrijving: De planlocatie ligt in het deelgebied Oude landschappen. In dit deelgebied zijn vrijwel alle ‘landschapseenheden’ van het Brabantse dekzandlandschap terug te vinden: het dorp met een driehoekige wegenstructuur (plaatse) en oorspronkelijke gebouwen, akker, beekdal (Merkske en Mark), kampontginningen (Schootsenhoek) en jonge heideontginningen Castelreesche Heide (bos en landbouw). De beekdalen en de bossen van de jonge heideontginning zorgen voor duidelijke begrenzingen. Het is letterlijk een afgerond gebied. De planlocatie ligt in een gebied waar de cultuurgronden met vergezichten domineert en bestaat uit agrarische percelen met summiere beplanting. De meeste beplanting is terug te vinden rondom de erven. Vrijstaande woningen en boerderijen wisselen elkaar af, waarbij de erf- en bedrijfsbebouwing vaak geclusterd staat.
-6-
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - SCHOOTSENHOEK 6 - CASTELRE
1920
1950
1985
2017
Landschapsinventarisatie Quercus robur Acer pseudoplatanus Fagus sylvatica Betula pendula Taxus baccata Populus tremula Prunuspadus
-7-
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - SCHOOTSENHOEK 6 - CASTELRE
Landschappelijke inpassing
nr.6
ek
tsenho
Schoo
Bestaande ‘Landschapsbomen ’ in bomenrij
Bestaande ‘Landschapsbomen ’ in bomengroep
Bestaande ‘Landschapsbomen ’ in bomenrij
-8-
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - SCHOOTSENHOEK 6 - CASTELRE
Te realiseren dubbele ‘Knip- scheerheg’ 26m
Landschappelijke inpassing Beeldkwaliteit: De landschappelijke inpassing moet een kwaliteitsverbetering zijn voor het landschap. Gemeente Baarle-Nassau heeft hiervoor landschapspakketten opgesteld die het landschap versterken. Op planlocatie Schootsenhoek 6 is het bestaande landschappelijk element ‘ Landschapsboom in bomenrij’ aanwezig maar wordt uitgebreid met het landschappelijk element ‘Knip- Scheerheg’ . Aan de zuidelijke perceelsgrens wordt de bestaande versleten coniferenhaag (Chamaecyparis lawsoniana) vervangen door een dubbele inheemse ‘Knip - scheerheg’ . Dit landschapselement biedt niet alleen privacy maar geeft ook de perceelsgrens aan. Landschapspakket: Aangegeven bij ieder landschapspakket wordt: Normen en eisen van het pakket bepaald door provincie Noord-Brabant. Oppervlakten, plantafstanden, aantallen en soorten. Beplanting: Om de beeldkwaliteit te verhogen is er gekozen voor inheemse boom en struiksoorten. Gezien de bestaande landschapselementen en de structuurvisie van de gemeente Baarle-Nassau wordt hierop de keuze van de beplanting aangepast. Per landschappakket wordt aangegeven welke soorten worden gebruikt Knip- Scheerheg 26 m (dubbele haag): Het landschapselement ‘Knip-Scheerheg’ valt onder het landschapspakket L7 (STIKA).
Het is een vrijliggende lijnvormig landschapselement, met aaneengesloten begroeiing van inheemse bomen- en struiken, dat regelmatig wordt geknipt of geschoren. Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer: Het element is tenminste 25 meter lang en is ten minste 1 meter en ten hoogste 3 meter breed; Het element wordt minimaal eenmaal per 2 jaar en maximaal eenmaal per jaar geknipt of geschoren en de haag heeft in geschoren toestand een hoogte van minimaal 1 meter; Bij verbranden van het takhout (indien dit mogelijk is in kader van APV) geen vuur maken in of binnen 5 meter vanaf het element; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop en van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en Robinia) middels een stobbenbehandeling; Bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig waardoor schade door vraat stammen en hakhoutstobben en betreding van het element wordt voorkomen. Het raster mag niet bevestigt zijn aan stammen van het element zelf; Grondbewerking van de aanliggende gronden wordt zodanig uitgevoerd dat schade aan het element wordt voorkomen; Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 juni en 15 maart.
Fagus sylvatica (Gewone beuk): Deze bladverliezende boom leent zich uitstekend voor knip-scheerhaag. In het vroege voorjaar verliest de beuk zijn blad, snel gevolgd door een fris groen blad. In de zomer heeft de beukenhaag een dichte structuur, najaar een transparante uitstraling.
-9-
Soort Latijnse naam
Nederlandse naam
Fagus sylvatica
gewone beuk
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - SCHOOTSENHOEK 6 - CASTELRE
maat
Aantal
150/175 1+2
216
Beheer Landschappelijke elementen: Knip- scheerhaag: In de periode 1 juni tot en met 15 maart, wordt de knip-scheerhaag ieder jaar geschoren. Daarbij wordt gelet op de volgende punten: -
Strakke lijnen snoeien op gewenste hoogte en breedte van het element. Toppen om een dichte structuur van de haag te creëren.
Solitaire boom: Na het broedseizoen tussen 1 aug en 15 maart wordt dit element gesnoeid om de gewenste vorm te bereiken. Daarbij wordt gelet op de volgende punten. -
Het verwijderen van waterloten, zuigers, plakoksels en kruisende(schurende) takken. Begeleidingssnoei Kronen tot gewenste stamhoogte.
-10-
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - SCHOOTSENHOEK 6 - CASTELRE
Referentiebeelden Winter
Beukenhaag
-11-
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - SCHOOTSENHOEK 6 - CASTELRE
Zomer
Verantwoording kwaliteitsverbetering van het landschap Elk landschapspakket heeft zijn eigen normbedrag voor het aanleggen en beheersbijdrage voor onderhoud van het landschapspakket. Op de Locatie Schootsenhoek 6 is één landschapselement aanwezig en wordt één landschapspakket ingepast, daar staat wat het normbedrag per eenheid is, dat geeft de totale vergoeding van de aanleg. De beheers bijdrage per eenheid en het aantal, lengte of oppervlakte de totale vergoeding onderhoud. Deze twee bedragen plus de waardevermindering geeft de compensatie vergoeding totaal aan. Zie tabel hieronder:
Berekening kwaliteitsverbetering van het landschap Schootsehoek 6 - Castelré Waardevermeerdering Bestaand Waarde Bedrijf Waarde Agrarisch
27-sep-21
hoeveelheid
eenheid
2292 1177 3469
m² m² m²
€ €
80,00 7,50
€ € €
183.360,00 8.827,50 192.187,50
1000 500 649 1320 3469
m² m² m² m² m²
€ € € €
200,00 100,00 25,00 1,00
€ € € € €
200.000,00 50.000,00 16.225,00 1.320,00 267.545,00
Waardevermeerdering
€
75.357,50
Minimale basisinspanning 20%
€
15.071,50 = €
€ € € € €
831,00 2.328,00 657,18 1.398,51 1.500,00
€
6.714,69 = €
Nieuw Waarde Wonen tot 1.000 m² Waarde Wonen 1.000 - 1500 m² Waarde Wonen boven 1500 m² Waarde Groen-Landschapselement
Aanleg Landschapspakketten
L9B: Landschapsboom 30-60 bestaand L9C: Landschapsboom >60 bestaand L7: Knip- scheerheg Aankoop beplanting Opstellen landschapsplan
per stuk
€ € € 1,58 zie offerte
aantal m
0 27
€/m²
aantal
15 24 216
basisinspanning
onderhoud
vergoeding aanleg € € €
341,28
lengte m
€ 5,54 € 9,70 € 1,17
per bm per jr per bm per jr per mtr perjr
vergoeding onderhoud (10 jr) € € €
831,00 2.328,00 315,90
Benodigde investering inverstering en waardedaling Te betalen aan groenfonds
-12-
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - SCHOOTSENHOEK 6 - CASTELRE
15.071,50 +
€ € €
6.714,69 15.071,50 6.714,69 8.356,81
Bijlagen Offerte beplanting
Offerte Schoenmakers advies bv Molenzicht 2 4881 BW Zundert 23-9-2021 Offertedatum: 27-4-2012 Hierbij de vrijblijvende offerte voor de leveren van de beplanting voor het perceel aan de Schootsenhoek 6 Castelre. stuks Omschrijving prijs Knip- Scheerheg Aankoop 216 Fagus sylvatica 150/175 1+2 blw
€
Totaal
5,94 €
1.283,04
Subtotaal BTW Hoog 21% BTW Laag 9%
€ € €
1.283,04 115,47
Totaal incl.
€
1.398,51
Ik hoop u hiermee een passende aanbieding te hebben gedaan. Mochten er nog vragen of onduidelijkheden zijn, dan kunt u natuurlijk altijd contact opnemen Akkoord opdrachtgever, Schoenmakers advies bv
Akkoord, Martijn Aarts PLANgroen
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Bijlage 3: Advies monumentencommissie; Beschrijving Schootsenhoek 6, 30 december 2009 door E.M. Dolne kunsthistoricus
Bestemmingsplan toelichting 150870
Pagina 40 van 44
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Bijlage 4: Ecologisch Quickscan Castelré Schootsenhoek 6, Buro Maerlant, 22 december 2015
Bestemmingsplan toelichting 150870
Pagina 41 van 44
erl Buro Ma L a n
d s c
h a p
,
l o E c o
g i e
&
ant
t e R u i m
l i j k e
O rd
e n i n
g
B M- NOTI TI E 2015
Castelre Schootsenhoek 6 Ecologische quickscan in het kader van de Flora- en faunawet J. va n Suijle kom, 22 d e c e mb e r 2015
Inhoud Blz 1
Inleiding
3
1.1
Algemeen
3
1.2
Methode / doel
3
1.3
Beschrijving van het plangebied en de toekomstige ingrepen
3
2
Wet- en regelgeving
4
2.1
Flora- en faunawet
4
2.2
Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB)
4
2.3
Gebiedsbescherming in het kader van de EHS en natura 2000
6
3
Resultaten van het veldonderzoek
7
3.1
Algemeen
7
3.2
Beschermde soorten: resultaten en verwachting
7
4
Conclusies en aanbevelingen
9
Conclusies
9
Aanbevelingen
9
Literatuur
10
Impre s s i e v a n h e t plangebied. F oto’s : B u ro M a e r l a n t 25-11-2015
Castelre Schootsenhoek 6 Quickscan flora en fauna
2
1 Inleiding 1.1 Algemeen In opdracht van Schoenmakers Advies Achtmaal BV heeft Buro Maerlant een ecologische quickscan uitgevoerd in het plangebied Castelre Schootsenhoek 6 in de gemeente Baarle-Nassau. Het veldonderzoek werd uitgevoerd op 25 november 2015. Aanleiding van het onderzoek is de voorgenomen herbestemming van het plangebied van bedrijf naar wonen. Van een gebouw wordt een klein gedeelte gesloopt.
1.2 Methode / doel De ecologische quickscan bestaat uit een gerichte veldinspectie naar de eventuele aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Tijdens een éénmalig veldonderzoek is het plangebied zelf en de directe omgeving onderzocht op de aanwezigheid van diersporen zoals uitwerpselen, krap- en graafsporen, en is de vegetatie bekeken. Tevens zijn waarnemingen van aanwezige diersoorten gedaan. Op basis van expert-judgement is een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten. Dit is afgewogen tegen de toekomstige ontwikkelingen. Doel van het onderzoek is een goed onderbouwde inschatting te geven, zodat kan worden gehandeld conform de Flora- en faunawet.
1.3 Beschrijving van het plangebied en de toekomstige ingrepen Het plangebied Schootsenhoek 6 ligt in het buitengebied van Castelre in de gemeente Baarle-Nassau. Het huidige plangebied omvat een bedrijfswoning met een bijgebouw en omringend erf met beplantingen en verhardingen (figuur 1). Men is voornemens het plangebied te herbestemmen naar wonen. Van het zuidelijk gelegen bijgebouw wordt aan de zuidzijde een Fi guur 1 Gl obal e begrenz i ng v an het pl angebi ed (rood),. Groen = deel , t e behouden, dat wordt opge-nomen i n het ni eu we pl an. B l auw = t e s l open aanbouw. B ron ondergrond: Googl e E art h.
strook van 70 m ² gesloopt. De noordelijk gelegen bedrijfswoning wordt opgesplitst in twee woningen. Ingrepen aan de bedrijfswoning vinden grotendeels inpandig plaats. Er vinden geen ingrepen plaats aan zolders en/of het dak.
Castelre Schootsenhoek 6 Quickscan flora en fauna
3
2 Wet- en regelgeving 2.1 Flora- en faunawet De Flora- en faunawet heeft betrekking op de bescherming van in het wild voorkomende plant- en diersoorten. Deze bescherming heeft als doel het voortbestaan van soorten (géén individuen) te waarborgen. Het veroorzaken van schade aan planten en dieren is in principe verboden, tenzij men hier uitdrukkelijke toestemming voor heeft (nee, tenzij principe). De verbodsbepalingen gelden voor circa 500 plant- en diersoorten. Verbodsbepalingen De volgende verbodsbepalingen (tabel 1) in de Flora - en faunawet zijn voor dit onderzoek relevant: Artikel 8
Verbodsbepaling Het verbod om planten behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei wijze van hun groeiplaats te verwijderen.
9
Het verbod om dieren te doden, te verwonden, te vangen, te
Ta b e l 1 Be knop te w eerga ve ve rb odsb e p a linge n ui t a rtike l 8 t/m 13 uit d e Flora- en Fa una we t
bemachtigen of met het oog daarop op te sporen. 10
Het verbod om dieren opzettelijk te verontrusten.
11
Het verbod om nesten, holen, of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.
12
Het verbod om eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te beschadigen of te vernielen.
13
Het verbod planten, producten van planten of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot beschermde inheems of uitheemse dier- of plantensoorten te vervoeren, ten vervoer aan te bieden of af te leveren.
Zorgplicht In artikel 2 van de Flora- en faunawet wordt verwacht, dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor alle (dus ook niet beschermde) planten en dieren en de leefomgeving. Het kan worden gezien als een fatsoenseis.
2.2 Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) In 2005 heeft de minister van LNV door middel van een AMvB de regels vereenvoudigd door wijziging van artikel 75 van de Flora- en faunawet. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, bestendig
Castelre Schootsenhoek 6 Quickscan flora en fauna
4
behoud of beheer geldt in een aantal gevallen een vrijstelling op de verbodsbepalingen. De zorgplicht blijft echter van kracht. Er zijn drie categorieën of tabellen van beschermde soorten opgesteld (zie tabel 2). Categorie Ta b e l 2 B e sc h e r m i n g sregimes 1 t/m 3 AMvB artikel 75 van de Flora- en faunawet
1
Omschrijving In deze categorie zijn algemeen voorkomende beschermde soorten opgenomen. Bij ruimtelijke ontwikkeling, bestendig beheer en onderhoud of bestendig gebruik, geldt voor deze soorten geldt op voorhand een vrijstelling van artikel 8 t/m 12. Dit is zonder verdere eisen (lichte toets). Voor andere activiteiten dient een ontheffing te worden aangevraagd.
2
Hier onder vallen minder algemene, niet bedreigde soorten. Indien men werkt volgens een goedgekeurde gedragscode is geen ontheffing nodig. In de andere gevallen is een ontheffing nodig. Voor het verkrijgen van een ontheffing dient men aan te tonen, dat er geen inbreuk wordt gedaan op de gunstige instandhouding van de soort.
3
Tabel 3-soorten zijn strikt beschermd. Dit zijn soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn en bedreigde soorten die bij Algemene Maatregel van Bestuur zijn aangewezen. Alle vogelsoorten vallen hier ook onder. Voor broedende vogels wordt in principe nooit ontheffing verleend, omdat werkzaamheden buiten het broedseizoen kunnen worden uitgevoerd. Voor ruimtelijke ontwikkeling is een ontheffing nodig. Deze wordt alleen verkregen als wordt aangetoond, dat geen alternatieven voor handen zijn en wezenlijk negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Van de initiatiefnemer wordt gevraagd schade zoveel mogelijk te beperken(mitigatie) en dienen veelal alternatieven te worden geboden(compensatie). Door een effectbeoordeling via een uitgebreide toets en een compensatieplan kan onder voorwaarden een ontheffing worden verkregen. Indien sprake is van bestendig beheer en onderhoud of bestendig gebruik dient men te werken met een goedgekeurde gedragscode. Indien men deze niet zelf op heeft gesteld, is het mogelijk gebruik te maken van reeds bestaande gedragscodes. Als geen gedragscode voor handen is dient een ontheffing te worden aangevraagd. Voor overige activiteiten is altijd een ontheffing nodig, waarbij bovengenoemde criteria gelden.