Toelichting
Tekst van het document
Meerwaardecreatie (artikel 3.8) en kwaliteitsverbetering landschap (artikel 3.9)
Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 3.9 van de Iov kan deel uit maken van de meerwaardecreatie. In artikel 3.77 van de Iov ligt echter vast dat wanneer toepassing wordt gegeven aan de voorwaarden voor het ontwikkelen van een landgoed rechtstreeks is voldaan aan de verplichting als bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap. Middels dit bestemmingsplan wordt immers al meerwaarde gecreëerd door de aanleg en instandhouding van (nieuwe) natuur, die bovendien ook is opengesteld voor het publiek. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 3.8 en 3.9 van de Iov. Landgoederen (artikel 3.79) In artikel 3.79 van de Io zijn de voorwaarden opgenomen voor realisatie van landgoederen in het landelijk gebied. Dit is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de ontwikkeling van een landgoed onder de volgende voorwaarden: a. de omvang bedraagt ten minste 10 hectare;
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
33
Het landgoed heeft, zoals in Tabel 1 (zie paragraaf 1.2) is aangegeven, een totale oppervlakte van ruim 14,5 hectare en voldoet daarmee aan de minimale oppervlakte eis zoals aangegeven in deze voorwaarde.
b. het landgoed kan mede bestaande agrarische bedrijven, bestaande woningen en gronden binnen het Natuur Netwerk Brabant omvatten; Het landgoed omvat geen bestaande agrarische bedrijven, bestaande woningen en/of gronden binnen het Natuur Netwerk Brabant.
c. de nieuwvestiging van één of meer woongebouwen is toegestaan als: i. de woongebouwen een karakteristieke verschijningsvorm van allure hebben en de situering en omvang daarvan passen bij de aard en het karakter van het landgoed;
In het landgoed is plek voor maximaal twee woongebouwen. Deze woongebouwen moeten zich verhouden naar het landgoed en de omgeving. Op basis daarvan wordt de verschijningsvorm bepaald en de uiteindelijke beeldkwaliteit. Deze voorwaarde zal opgenomen worden in de regels van het bestemmingsplan. In paragraaf 2.3 is een beschrijving opgenomen van de woningen, maar de uitwerking volgt later bij vergunningverlening.
ii.
per 1500 m3 woongebouw ten minste 5 hectare landgoed wordt aangewezen, waarop ten minste 2,5 hectare nieuwe natuur wordt gerealiseerd; In totaal wordt ruim 14,5 hectare landgoed gerealiseerd. Van deze ruim 14,5 hectare wordt 8,1 hectare als natuur ingericht. In dit geval is het mogelijk om in totaal 4.440 m² aan woongebouwen mogen worden opgericht. De nieuwe natuur sluit aan op het bestaande Natuurnetwerk Brabant (NNB) dat de grenslijn van de Belgisch-Nederlandse grens volgt. Aan dezer voorwaarde wordt voldaan.
iii. per 750 m3 woongebouw maximaal één woonfunctie wordt toegelaten.
Deze voorwaarde zal geborgd worden in de regels van het bestemmingsplan.
d. de bebouwing op het landgoed wordt zoveel als mogelijk geconcentreerd, waarbij het oprichten van nieuwe bebouwing in het Natuur Netwerk Brabant is uitgesloten; Bij de inrichting van het landgoed is gekozen voor een goede weerspiegeling van de landschappelijke kenmerken van het gebied; met Oud en Nieuw Strumpt als voorbeelden van lokale nederzettingen. Binnen het ontwerp zijn zowel de dichte als de open kamers die kenmerkend waren omstreeks 1880-1900 vertegenwoordigd, evenals de groene lijnelementen die deze met elkaar verbonden. De kamers dienden de trapeziumvorm van de percelen te accentueren middels hun ligging en de daardoor ontstane zichtlijnen die uit één punt lijken te komen. De éénheid tussen de bebouwing en het landgoed dient daardoor bereikt te worden middels enerzijds het clusteren van nieuwe bebouwing aan bestaande oudere bebouwing zoals kenmerkend was omstreeks 1880-1900 en anderzijds middels de verankering van de nieuwe bebouwing in het landgoed door deze in open kamers omringd door bospercelen te situeren.
De clustering kon op drie locaties plaatsvinden; bij Postel 4 & 8, bij Postel 2 en bij Postel 6 & 10. Deze locaties zijn respectievelijk ontstaan omstreeks 1850, 1940 en 1980. De keuze is gevallen op de twee laatstgenoemden. Redenen hiervoor zijn de ligging van Postel 4 & 8 ten opzichte van de weg en binnen het gebied, maar ook de wens om de bebouwing in een open kamer, omringd door bospercelen te plaatsen. Deze omstreeks 1880 kenmerkende ligging voor de bebouwing vormt één van de uitgangspunten voor de verankering van de bebouwing in het landgoed en het landschap. De locatie bij Postel 4 & 8 zorgt ervoor dat er géén mogelijkheid is om zowel de kamerstructuur als de verankering van de bebouwing toe te passen. Als de verankering zou worden toegepast dan zou er niet genoeg ruimte zijn voor de realisatie van meer dan één kamer van formaat. Tevens zou de nieuwe bebouwing zeer slecht zichtbaar zijn
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
34
vanuit de weg, wat het doel van toevoegen van kwaliteit en allure middels de bebouwing tegen zou spreken. Daarentegen zijn bij de andere twee locaties wél mogelijkheden om zowel de landschappelijke kenmerken als de verankering van de bebouwing te garanderen. Een meerwaarde van de keuze voor deze twee locaties vormt ook de ligging binnen het landgoed. Door één cluster tussen de dichte bospercelen te plaatsen en de ander nabij de open percelen worden de gronden van het landgoed, niet slechts door de groene lijnelementen, maar tevens middels de bebouwing met elkaar verbonden; als ware het twee polen. De clusters aan bebouwing zijn zo gesitueerd dat ze aan de weg liggen en daardoor een maximale uitstraling hebben vanuit de weg en de omgeving. De nieuwe bebouwing zal een uitstraling van allure zijn en het gezicht van het landgoed bepalen; een visitekaartje.
e. in afwijking van het bepaalde onder c is binnen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing de vestiging van een woonfunctie of splitsing in meerdere woonfuncties toegestaan als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing; Op het landgoed bevindt zich in de huidige situatie geen bebouwing, dus ook geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Deze voorwaarde/mogelijkheid is daarom niet van toepassing op de voorgestane ontwikkeling.
f.
het bestemmingsplan kan voorzien in de vestiging van een (vollegronds)teeltbedrijf of een veehouderij die blijvend beschikt over voldoende grond voor een veebezetting van 2 GVE per hectare of minder;
Hiervan is geen sprake bij dit initiatief. Deze voorwaarde/mogelijkheid is daarom niet van toepassing op de voorgestane ontwikkeling.
g. de nodige voorzieningen worden getroffen voor extensieve recreatie, waarbij feitelijk en juridisch is verzekerd dat deze voorzieningen openbaar toegankelijk zijn;
Met het landgoed wordt meer dan 2 kilometer recreatief pad (wandelen en fietsen) toegevoegd aan het recreatief netwerk. Het recreatief medegebruik wordt geborgd in de regels van het bestemmingsplan.
h. de aanleg en duurzame instandhouding van het landgoed zijn verzekerd.
In de regels zal een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen waarmee inrichting, aanleg, beheer en onderhoud worden gekoppeld aan het gebruik van de woningen. Door deze voorwaarde heeft de gemeente een instrument om de duurzame instandhouding te waarborgen. Naast deze publiekrechterlijke afspraken zijn ook privaatrechterlijk afspraken worden gemaakt over de duurzame instandhouding van het landgoed. Op die manier is de instandhouding dubbel geborgd.
2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording waaruit blijkt dat de op grond van het tweede lid toegelaten ontwikkeling leidt tot een duurzame verrijking van de aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke, ecologische en waterhuishoudkundige waarden en kenmerken.
In paragraaf 2.3 is een uitgebreide beschrijving opgenomen van het landgoed. De inrichtging en het ontwerp van het landgoed is gebaseerd op de cultuurhistorische, landschappelijke, ecologische en waterhuishoudkundige kenmerken van de omgeving. In die hoedanigheid is ook bekeken hoe het landgoed een meerwaarde kan hebben voor de omgeving. Het ontwerp en de beschrijving daarvan (opgenomen in hoofdstuk 2) zijn daarvan het resultaat. Aan deze voorwaarde wordt dan ook voldaan.
3. In geval er gronden binnen het landgoed liggen die behoren tot het werkingsgebied waarop paragraaf 3.2.3 Natuur Netwerk Brabant van toepassing is, is de verplichte realisering van nieuwe natuur, bedoeld in het eerste lid, mede mogelijk binnen nog niet gerealiseerde delen van het Natuur Netwerk Brabant.
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
35
Deze voorwaarde is niet van toepassing op het plangebied.
4. Een bestemmingsplan kan een andere gebruiksactiviteit dan wonen toelaten binnen de in het tweede lid toegelaten bebouwing, als dit: a. ondergeschikt blijft aan de woonfunctie van het landgoed; b. past binnen de overige voorwaarden die elders in dit hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten zijn opgenomen.
Deze mogelijkheden zijn geen onderdeel van het plan, maar zullen als afwijkingsbevoegdheid worden opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Wanneer later blijkt dat hiertoe een wens bestaat of nieuwe functies kunnen bijdragen aan het behoud van het landgoed, kan via een redelijk eenvoudige en snelle procedure deze functies worden toegestaan.
5. Een Complex van Cultuurhistorisch Belang, als bedoeld in artikel 3.31, kan niet worden aangewezen als landgoed bedoeld in dit artikel. Hiervan is bij dit landgoed geen sprake. Aan deze voorwaarde wordt dan ook voldaan.
Grenswaarde externe werking stiltegebied (artikel 2.42) In dit artikel zijn grenswaarden voor een aanvaardbare geluidbelasting voor een locatiegebonden milieubelastende activiteit in de Attentiezone stiltegebied vastgelegd. Met het initiatief wordt de ontwikkeling van een landgoed mogelijk gemaakt. Ten behoeve van het landgoed wordt nieuwe natuur aangelegd en er worden twee woongebouwen mogelijk gemaakt. Dit betreffen geen locatiegebonden milieubelastende activiteiten. Er kan derhalve worden aangenomen dat er voldaan kan blijven worden aan de gestelde grenswaarden. Conclusie In deze paragraaf is het voornemen om een landgoed te realiseren aan Postel in Ulicoten, getoetst aan de provinciale regelgeving. Met name de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is daarvoor van belang. In artikel 3.79 van de Iov zijn specifieke voorwaarden opgenomen ten aanzien van de realisatie van landgoederen. Aangetoond is dat het initiatief voldoet aan de voorwaarden en daardoor in overeenstemming is met het provinciale beleid. 3.3 Gemeentelijk beleid Het relevante gemeentelijke beleid van de gemeente Baarle-Nassau is vervat in de Woonvisie 20182023 en de Omgevingsvisie Baarle-Nassau. Hier zal achtereenvolgens aan worden getoetst.
3.3.1
Woonvisie 2018-2023
Op 19 september 2018 is door de gemeenteraad van Baarle-Nassau de Woonvisie ‘Baarle BRUIST, in Baarle kom je thuis’ 2018-2023 vastgesteld. In deze Woonvisie wordt de balans gezocht tussen demografische ontwikkelingen in combinatie met de ontwikkelingen in de woningvoorraad. Onderstaande ambities zijn opgenomen in de Woonvisie en van belang op het initiatief: - Volgens de cijfers van de provincie leidt de toenemende huishoudensomvang tot een extra woningbehoefte van plus 85 tot plus 155 woningen in de gemeente Baarle-Nassau, met als gros in de periode tot 2023. In de laatste jaren heeft Baarle-Nassau een inhaalslag gemaakt in de vraag naar woningen, desondanks blijft er een aanhoudende vraag naar nieuwbouwwoningen. - Gemeente Baarle-Nassau zal zich inspannen om ruimere bouwmogelijkheden te krijgen, dan op basis van eerdere regionale afspraken over aantallen mogelijk was. Het toevoegen van kwaliteit boven kwantiteit staat voorop, de gemeente zal een continue bouwstroom passend bij de behoefte plannen en uitvoeren. Wat betreft kleinschalige toevoegingen moet dit mogelijk blijven, dit vraagt echter wel maatwerk. - Kleinschalige innovatieve initiatieven worden toegejuicht. Uitgangspunt is het oplossen van lokale knelpunten en dat het initiatief komt vanuit initiatiefnemers met lokale binding. Er blijft ruimte voor zelfbouwkavels.
Deze kleinschalige initiatieven worden waar mogelijk gefaciliteerd, op voorwaarde dat het initiatief ligt bij de bewoners zelf. Het realiseren van Landgoed Postel is een kleinschalig initiatief. Er worden slechts twee woongebouwen mogelijk gemaakt. De overige gronden van het plangebied worden ingericht als natuur of ten behoeve van agrarisch gebruik. Het initiatief komt vanuit lokale bewoners, die de
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
36
gronden in particulier bezit hebben. Om de landgoedontwikkeling mogelijk te maken is maatwerk nodig. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het initiatief aansluit bij de ambities uit de Woonvisie 2018-2023.
3.3.2
Omgevingsvisie Baarle-Nassau
Op 26 juni 2019 is de ‘Omgevingsvisie Baarle-Nassau’ vastgesteld. Hierin is de visie van de gemeente op de ruimtelijke toekomst van de dorpen en het buitengebied vervat. De toekomstige leefomgeving komt namelijk anders tot stand dan in het verleden. Transformatie en hergebruik hebben de plaats van uitbreiding en groei ingenomen. De gemeente nodigt initiatiefnemers dan ook uit om zelf met nieuwe ontwikkelingen te komen. Om initiatieven voor elkaar te krijgen wordt vervolgens een ‘ja mits’ beleid aangehouden in plaats van een ‘nee tenzij’ beleid. Om de gemeentelijke visie te bereiken zijn 11 deelgebieden aangewezen waarvoor afzonderlijke doelen zijn opgesteld. Wanneer een nieuw initiatief zich aandient worden de volgende vragen gesteld: 1. In hoeverre draagt het initiatief bij aan de gestelde doelen? 2. Wat vindt de samenleving van het initiatief (is er draagvlak)? 3. Wat draagt het initiatief bij aan ruimtelijke kwaliteit? 4. Hoe kan het initiatief voldoen aan andere wet- en regelgeving? Als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen is het versterken van de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied van belang. Duurzaamheid en de gevolgen voor het milieu dienen in acht te worden genomen. Het aantrekkelijke buitengebied wordt gezien als een kans voor toerisme en recreatie.
Er moet daarbij een afweging gemaakt worden wat voor niet-agrarische functies passen op welke plekken in het buitengebied. Één van de manieren om de algemene doelen voor het buitengebied te bereiken is landschapsherstel in de vorm van landgoederen die gepaard gaan met woningbouw. Voorwaarde voor de inrichting van een landgoed is dan uiteraard wel dat de landschappelijke karakteristieken versterkt worden. Bij de inrichtging en het ontwerp van het landgoed rekening gehouden met de cultuurhistorische, landschappelijke, ecologische en waterhuishoudkundige kenmerken van de omgeving. Dit is in paragraaf 2.3 uitgebreid uiteengezet. Hiermee is het initiatief passend in de omgevingsvisie van de gemeente Baarle-Nassau.
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
37
4. Milieuaspecten Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuwe ontwikkeling ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijke beleid van de hogere overheden en de gemeente, milieuaspecten als geluid, bodem en hinder van bedrijven, archeologie en economische haalbaarheid. Ook dit plan is getoetst voor wat betreft de uitvoerbaarheid ervan op onder meer bovengenoemde aspecten. In dit hoofdstuk is aangegeven wat de resultaten zijn van de toets aan de milieu-hygiënische aspecten. 4.1 m.e.r.-plicht Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. De milieueffectrapportage is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit zijn de gevallen opgenomen waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Alle andere vormen van ontwikkeling zijn in principe niet m.e.r.(beoordelings)plichtig, maar er kan hiervoor wel een nadere motivering vereist zijn. Onderliggend plan voorziet in de realisatie van twee woningen. Woningbouwontwikkelingen zijn opgenomen onder de categorie D.11.2. In geval van woningbouw is een (indicatieve) drempelwaarde opgenomen van >2000 woningen. Dit bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van slechts twee woningen.
Daarmee ligt de woningbouwontwikkeling ver beneden de genoemde drempelwaarde. Uit de (overige) relevante milieuparagrafen van deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het bij dit plan niet gaat om ‘belangrijke nadelige gevolgen’ waarbij een m.e.r.- beoordeling uitgevoerd dient te worden. Uit de (overige) relevante milieuparagrafen van deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het bij dit plan niet gaat om ‘belangrijke nadelige gevolgen’ waarbij een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd dient te worden. Conclusie Het project is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het project heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen. 4.2 Bodem In het kader van de bestemmingsplanprocedure vormt de bodemkwaliteit bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. Aangetoond moet worden dat op het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Wanneer een nieuwe gevoeligere functie wordt gerealiseerd, dient aangetoond te worden of de kwaliteit van de bodem acceptabel is voor deze nieuwe functie. In dit geval wordt op twee delen van het landgoed een woonbestemming gerealiseerd. De bestemming wordt daardoor gevoeliger (verblijf is 2 uur of langer per dag), waardoor aangetoond dient te worden dat de bodekwaliteit acceptabel is. In dat kader heeft een bodemonderzoek plaatsgevonden, welke is uitgevoerd door Aeres Milieu B.V..
Het rapport (opgesteld op 19 juli 2018) onderzoek is als Bijlage 4 bijgevoegd. In deze paragraaf is na een korte inleiding uitsluitend de conclusie overgenomen uit dat rapport. Het onderzoek heeft op twee locaties, de twee woonbestemmingen, plaatsgevonden, welke door Aeres Milieu B.V. zijn gespecificeerd in deelgebied A en Deelgebied B. Op de luchtfoto in Afbeelding 27 zijn beide deelgebieden weergegeven.
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
38
Afbeelding 27: Onderzoeksgebied verdeeld in twee deelgebieden Conclusie
Deelgebied A
Uit de analyseresultaten blijkt dat in zowel de bovengrond (MMA1 en MMA2) en in de ondergrond (MMA3) geen gehalten zijn gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden. Het freatisch grondwater is matig verhoogd is met kobalt en licht verhoogd is met barium, nikkel en zink. De resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem ter plaatse van deelgebied A vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (woningbouw).
Deelgebied B
Uit de analyseresultaten blijkt dat in zowel de bovengrond (MMB1) en in de ondergrond (MMB2) geen gehalten zijn gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden. In het freatisch grondwater zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de streefwaarden. De resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem ter plaatse van deelgebied B vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (woningbouw). 4.3 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
39
van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Dit wordt hierna aan de hand van de aspecten cultuurhistorie, aardkunde en archeologie uiteengezet.
4.3.1
Cultuurhistorie
Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.
Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven, zie Afbeelding 28. De Postelsestraat is aangewezen als historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. Ook de laanbeplanting aan het noordelijke deel van de Postel heeft een redelijke hoge waarde. Deze bomen dateren namelijk overwegend uit de periode 1894-1920 en begrenzen de landbouwgronden rondom het gehucht ‘Oude Strumpt’.
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
40
Conclusie Met het vormgeven van het initiatief is nadrukkelijk gekeken naar het aspect cultuurhistorie in relatie tot de ontwikkeling van het omliggende landschap. Het resultaat daarvan is een zorgvuldig vormgegeven landgoed dat in hoofdstuk 2 en Bijlage 1 is verantwoord. De inrichting, aanleg, beheer en onderhoud (de duurzame instandhouding) van het landgoed is als voorwaardelijke verplichting aan de ontwikkeling gekoppeld en zodoende ook publiekrechtelijk geborgd. Daarmee is niet alleen rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied, maar zijn deze zelfs als uitgangspunt gehanteerd voor de ontwikkeling.
Afbeelding 28: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant 4.3.2
Aardkunde
Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap. De provincie wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar structuurvisie ruimtelijke ordening. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld. De Provincie heeft de 'Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant’ ontwikkeld, welke is opgenomen in de kaart ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ van de Iov. De kaart geeft aan op welke gebieden de bestaande beleidsregels betrekking hebben en welke voorwaarden er gelden. Conclusie Het plangebied is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied, zie Afbeelding 29. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk worden gedaan aan het aardkundig waardevol gebied.
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
41
Afbeelding 29: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' Iov 4.3.3
Archeologie
Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.
Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Derhalve heeft de gemeente Baarle-Nassau de 'Nota Archeologie' vastgesteld. In combinatie met de archeologische beleidskaart vormt deze het beleidsinstrumentarium voor de gemeente om haar wettelijke taak als bevoegde overheid voor archeologie uit te kunnen voeren. De gemeente heeft in haar beleidskaart een 6-tal categorieën met bijbehorende verwachtingen opgenomen. Deze variëren van een zeer hoge tot een verwaarloosbare archeologische verwachting. Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek.
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
42
Uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau is op te maken dat op het plangebied verschillende archeologische kaarteenheden van toepassing zijn, te weten archeologische verwachting hoog (categorie 2) en archeologische verwachting laag (categorie 6), zie Afbeelding 30. In de gebieden met een hoge archeologische verwachting dienen bij voorkeur geen werkzaamheden te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische resten leiden. Het beleid is dus gericht op het behoud van de bestaande situatie in situ. Voor gronden met archeologische kaarteenheid 2 geldt derhalve dat maximaal 100 m 2 geroerd mag worden. Voor gronden met een lage archeologische verwachting gelden geen verdere restricties ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. In de huidige situatie is er binnen het plangebied geen bebouwing aanwezig. Er zullen dus geen sloopwerkzaamheden plaatsvinden, die de gronden kunnen roeren. Met het initiatief kan er uitsluitend nieuwe bebouwing worden opgericht ter plaatse van de woonbestemmingen. Het noordelijke woonbestemmingsvlak is gelegen ter plaatse van gronden met een lage archeologische verwachtingswaarde. Hier is de kans op aanwezigheid van archeologische waarden nihil. Bodemingrepen kunnen hier zonder problemen plaatsvinden.
Ook het grootste gedeelte van het zuidelijke bouwvlak is gelegen ter plaatse van gronden met een lage archeologische verwachtingswaarde. Van het bouwvlak is zelfs slechts 6 m 2 op gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde gelegen. Hier kan dus met zekerheid niet meer dan 100 m2 van de gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde geroerd worden.
Afbeelding 30: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau Om de bescherming van de (verwachte) archeologische resten binnen het plangebied te borgen is besloten om deze vast te leggen middels de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie 1’. Wanneer ter plaatse van deze zone een bodemingreep van dieper dan 40 centimeter en een groter oppervlak dan 100 m² plaatsvindt dient vooraf aangetoond te worden dat er geen archeologische waarden worden geschaad. Ter plaatse geldt daarmee een onderzoeksplicht. Wanneer uit onderzoek blijkt dat er geen archeologische vondsten worden gedaan, of wanneer deze (al dan niet na het nemen van maatregelen), niet worden beschadigd, kan de bodemingreep plaatsvinden.
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
43
Conclusie Het aspect archeologie zorgt dan ook niet voor een belemmering van de voorgestane ontwikkeling. 4.4 Water In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Ten aanzien van dit bestemmingsplan heeft Aeres Milieu B.V. een beknopte waterparagraaf opgesteld. Deze is als Bijlage 5 aan dit bestemmingsplan toegevoegd. In deze paragraaf zijn enkel de conclusie en de aandachtspunten overgenomen. Conclusie Voor het planvoornemen is een concepttekening opgesteld. Op basis hiervan is bekeken of er bijkomend verhard oppervlak gerealiseerd wordt.
In Tabel 2 zijn de veranderingen betreffende toe en/of afname van verharde oppervlakken binnen het plangebied aangegeven. De bestaande verharding is hierin buiten beschouwing gelaten omdat hieraan geen wijzigingen plaatsvinden. Voor de toekomstige verharding is een ruime aanname gedaan rekening houdend bij een terras en bijgebouw.
Tabel 2: Toe- en afname verhard oppervlak binnen het plangebied Bruto (verharde) vloeroppervlakten Totale oppervlakte perceel Totale oppervlak bebouwing Verhard overig oppervlak bebouwing Totale verharding, circa
Huidige situatie [m2]
Toekomstige situatie [m2] Ca. 146.000
bij
0 0
2x350 2x450
0
±1.600 m²
Uit de tabel is af te leiden dat bij het huidig stedenbouwkundig schetsontwerp het verhard oppervlak binnen het plangebied naar verwachting met maximaal 1.600 m 2 toeneemt. Het bevoegd gezag stelt dat ontwikkelingen hydrologisch neutraal ontwikkeld dienen te worden. Afkoppeling van het hemelwater van de verharde oppervlakken is gewenst en eenvoudig realiseerbaar bij nieuwbouw. Aan de (milieuhygiënische) randvoorwaarden kan en zal worden voldaan. Hergebruik is ter plaatse niet toepasbaar. Wel kan geopteerd worden voor de aanleg van een groendak/daktuin op de woning of de bijgebouwen. Dit draagt bij aan een duurzamere ontwikkeling. Aanvullend kan de overige verharding beperkt worden of als waterpasserend aangelegd worden. Hierdoor wordt hemelwater ter plaatse aanvullend geïnfiltreerd. Gezien de ligging en bodemopbouw is infiltratie ter plaatse toepasbaar. Omdat de zandlaag op de verwachte kleilaag niet zo groot is, wordt de retentie/infiltratie bij voorkeur bovengronds aangelegd. Op de woonpercelen is voldoende ruimte aanwezig om het afgekoppelde hemelwater te verwerken. De benodigde berging om hemelwaterneutraal te ontwikkelen bedraagt volgens de rekenregel (30 mm retentie i.v.m. reductiefactor van ½) ca. 24 m 3 per woning. Middels een greppeltje of vijver op eigen terrein kan de retentie ter plaatse eenvoudig ingepast worden.
Als een kleinere of afwijkende retentie aangelegd wordt, is het uitvoeren van een infiltratie onderzoek ter plaatse van de voorziening geadviseerd.
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
44
Het afvalwater dient separaat aangesloten te worden op het gemeentelijk drukrioolstelsel. Hiervoor dient een aansluitingsvergunning bij de gemeente Baarle-Nassau aangevraagd te worden. Ter plaatse van de zuidelijke woning is door reeds de hogere ligging geen grondwateroverlast aanwezig. Om instroom te voorkomen is een bouwpeil van 10-20 cm boven het huidige maaiveld geadviseerd. Het noordelijke woonperceel dient fors opgehoogd te worden en ter plaatse is een kruipruimte niet wenselijk geacht. Gezien de huidige hoogteligging is een bouwpeil op ca. 16,7 meter +NAP (ca. +1 meter t.o.v. huidig maaiveld) geadviseerd. Hierbij is dan geen grondwateroverlast te verwachten. Om te werken met een gesloten grondbalans kan hiervoor mogelijk de vrijkomende grond uit de geplande vijver gebruikt worden. Aandachtspunt is of de grond hiervoor geschikt is (samenstelling/bodemtype). Als de geplande vijver watervoerend dient te zijn in de droge periodes, dient deze ter plaatse minimaal 3 tot 3,5 meter diep te zijn in verband met de verwachte gemiddeld laagste grondwaterstand. Aanvullend onderzoek naar de grondwaterstanden is geadviseerd als permanent water in de vijver gewenst is. Door rekening te houden met de aandachtspunten en de aanleg van een waterretentie vind de planontwikkeling hydrologisch neutraal plaats.
Op de afgekoppelde ‘buitenverhardingen’ mogen geen handelingen worden uitgevoerd die vervuiling van het oppervlak veroorzaken. Het is onwenselijk chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de verharde oppervlakken. Een overloopconstructie (bij voorkeur bovengronds) dient aangelegd te worden zodat overtollig water op gecontroleerde wijze kan wegstromen bij extreme omstandigheden (naar een lager gelegen plek of het openbaar gebied). Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat de systemen blijven functioneren. Ook moet de (nood)overloop regelmatig worden onderhouden. Bij de definitieve uitwerking dient een definitieve combinatie/uitwerking van een hemelwatervoorziening berekend te worden voor de uiteindelijk aanwezige verharde oppervlakken. Aan de hand van de aan te leggen afvoerstelsels, lokale voorkeuren, een kostenberekening etc. kan een definitieve beslissing hierover worden genomen. Ook de landschappelijke invulling, het in stand houden, het onderhoud van de voorzieningen en de veiligheid vervullen een belangrijke rol. 4.5 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving.
Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.5.1
Natuurnetwerk Nederland
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
45
ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Verordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Interim omgevingsverordening. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de 'Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden' van de Iov is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 31.
De beoogde ontwikkelingen hebben derhalve geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarnaast zal door de zorgvuldige landschappelijke inpassing van het landgoed de ecologische waarde in de omgeving versterkt worden.
Afbeelding 31: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden' Iov 4.5.2
Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
46
2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Dit kan schadelijk zijn voor de natuur. Het belemmert ook vergunningverlening voor economische activiteiten. Om de stikstofproblemen aan te pakken is de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) opgesteld. Op 1 juli 2015 is de PAS in werking getreden. Gedurende de looptijd van de PAS hebben overheden en maatschappelijke partners samengewerkt om de stikstofuitstoot te verminderen en daarmee ook economische ontwikkelingen mogelijk te maken. Rijk, provincies en natuurorganisaties hebben maatregelen genomen om de natuur te herstellen, door bijvoorbeeld stikstofrijke grondlagen te verwijderen. Agrarische ondernemers hebben maatregelen genomen in hun bedrijfsvoering, zoals mest aanwenden met weinig stikstofverliezen en het gebruik van aangepast voer. Door deze combinatie van maatregelen ontstond er ontwikkelingsruimte voor nieuwe economische activiteiten. Middels het rekenprogramma AERIUS Calculator kon de stikstofdepositie van een ruimtelijke ontwikkeling op omliggende Natura-2000 gebieden worden berekend.
Voor een initiatief kon op basis van deze berekening een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming worden afgegeven wanneer: - de ontwikkeling een afname of in ieders geval geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg had; - de ontwikkeling een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg had er voor die gebieden ontwikkelingsruimte beschikbaar was. Op 29 mei 2019 is door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan inzake vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming op basis van de PAS. De uitspraak stelde dat de voorgestelde bron- en herstelmaatregelen en het autonoom gebruik van de PAS onvoldoende was onderbouwd. Hierdoor was niet verzekerd dat de maatregelen leidden tot een daling van de depositie en een verbetering van de beschermde gebieden. Ook de AERIUS Calculator is daarbij buiten werking gesteld. De veronderstelde ontwikkelingsruimte kon daardoor niet meer worden uitgegeven. In september en oktober 2019 zijn actualisaties van de AERIUS Calculator beschikbaar gesteld. Deze nieuwe versies hebben niet meer de specifieke functionaliteiten van de PAS. Daarnaast zijn in de nieuwe versies onderliggende gegevens, rekenmodellen en emissiefactoren geactualiseerd.
Wanneer middels de geactualiseerde AERIUS Calculator kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden.
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
47
Binnen het plangebied vinden geen ontwikkelingen plaats die een toename in stikstofdepositie tot gevolg kunnen hebben. De nieuwe woningen zullen in lijn met de landelijke wetgeving namelijk niet meer worden voorzien van een gasaansluiting, waardoor er ook geen sprake zal zijn van uitstoot van stikstof vanuit de stookinstallatie. Dit betekent dat alleen de realisatiefase van de woningen en de verkeersgeneratie die de nieuwe woningen teweeg brengen mogelijk stikstofdepositie kan opleveren. Middels de vernieuwde AERIUS-calculator is aangetoond dat dit niet het geval is, zie Bijlage 6. Aangezien de realisatiefase en de gebruiksfase van de woning separaat van elkaar plaatsvinden kan worden geconcludeerd dat het initiatief met zekerheid geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de omgeving zal hebben.
Overige storingsfactoren
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ten opzichte van het plangebied betreft ‘Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop’ wat is gelegen op een afstand van circa 4,9 kilometer in België. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in Nederland betreft het ‘Ulvenhouts bos’, wat is gelegen op een afstand van circa 12,4 kilometer. Gezien de grote afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zal de beoogde ontwikkeling van het landgoed niet leiden tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er met het initiatief geen sprake is van een negatief effect voor Natura 2000-gebieden. Er is derhalve geen omgevingsvergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verplicht. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief, de ontwikkeling van Landgoed Postel, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuwe bebouwing beschermde natuurwaarden voorkomen, die
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
48
verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek is een beoordeling gemaakt van de effecten die het plan zal hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. In deze paragraaf wordt alleen de conclusie en aanbevelingen vermeld. De complete quickscan is toegevoegd als Bijlage 7.
Conclusie
In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren, die tijdens het werk worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Om verstoring te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van de laan met zomereiken die ten westen van perceel 1 ligt, alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af en omlaag gerichte verlichting of amberkleurige UV-vrije led armaturen. In de opgaande vegetaties komen in het broedseizoen mogelijk beschermde vogelnesten voor. Voor potentieel aanwezige niet jaar rond beschermde nesten geldt dat broedplaatsen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van de wet vallen.
Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 juli). Met in acht neming van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er met het initiatief geen schadelijke effecten op beschermde natuurwaarden te verwachten zijn. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. 4.6 Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG (editie 2009). Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief.
Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Wanneer aan de afstanden worden voldaan is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. In de ruimtelijke ordening wordt onderscheidt gemaakt tussen milieuzoneringen met betrekking tot het aspect geur afkomstig van veehouderijbedrijven en alle andere aspecten. Het aspect geur wordt daarom in deze paragraaf buiten beschouwing gelaten en separaat behandeld in paragraaf 4.8.
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
49
Conclusie De dichtstbijzijnde bedrijfslocatie ten opzichte van beide beoogde nieuwe woningen is gelegen aan Postel 4/4a. Ter plaatse zijn de gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijfsdoeleinden. Hiervoor geldt op basis van de VNG publicatie een richtafstand van maximaal 30 meter (met uitzondering van het aspect geur). De afstand tussen het zuidelijke bouwvlak en dit bedrijf is 151 meter. De afstand tussen het noordelijke bouwvlak en dit bedrijf is 187 meter. Er kan dus met zekerheid voldaan worden aan de richtafstanden ten opzichte van dit bedrijf. Op grotere afstand zijn enkele veehouderijbedrijven gelegen. De afstanden tot die veehouderijen zijn zodanig groot dat er geen effecten te verwachten zijn, of dat milieuhindercontouren van toepassing zijn. Het aspect bedrijven en milieuzonering zorgt niet voor een belemmering van de voorgestane ontwikkeling. 4.7 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: - wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; - wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
Het initiatief voorziet in de ontwikkeling van een geluidgevoelig object (woningen). Het plangebied ligt in binnen de geluidzone van de Postel. Een akoestisch onderzoek is daarom noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek is als bijlage aan dit plan toegevoegd (Bijlage 8). In deze paragraaf is alleen de doorwerking of conclusie voor dit plan beschreven. Conclusie Het onderzoek is uitgevoerd om de geluidbelasting op het perceel te bepalen ten gevolge van de gezoneerde Postel/Postelsestraat. Gezien de exacte locatie van de te ontwikkelen woningen nog niet bekend is, is de ligging van de contour van de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde bepaald. Op een deel van het perceel van zowel ontwikkeling 1 als ontwikkeling 2 wordt de voorkeursgrenswaarde (incl. aftrek art. 110g Wgh) maar niet de maximale ontheffingswaarde overschreden. Het gaat voor ontwikkeling 1 om de eerste 6 meter vanaf de Postelsestraat en voor ontwikkeling 2 om de eerste 6 meter vanaf de Postel. Hier is in de situering van de bouwvlakken voor de beoogde woningen rekening mee gehouden. Het is ten behoeve van het initiatief dus niet noodzakelijk om hogere grenswaarden vast te stellen. 4.8 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan.
De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: - Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? - Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen?
4.8.1
Woon- en leefklimaat
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van geurgevoelige objecten. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied te kunnen beoordelen wordt eerst getoetst aan de richtafstanden gesteld in de VNG-handreiking. De dichtstbijzijnde locaties ten opzichte van het plangebied waar conform Web-BVB vee wordt gehouden zijn gelegen aan de Haldijk 11 en de Postelsestraat 3. Web-BVB is een online bestand van
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
50
provincie Noord-Brabant met de gegevens die de diverse gemeenten invoeren van de in hun gemeente gelegen veehouderijen. Voor het gebruik van de gegevens op individueel bedrijfsniveau is de correctheid van het gemeentelijke dossier leidend voor de actualiteit en juistheid van de gegevens. Uit Web-BVB blijkt dat aan de Haldijk 11 melkrundvee en paarden worden gehouden. Voor rundveehouderijen geldt op grond van de VNG-handreiking een richtafstand van 100 meter. Voor paardenhouderijen geldt op grond van de VNG-handreiking een richtafstand van 50 meter. De kortste afstand tussen een gevoelig object binnen het plangebied, het zuidelijke bouwvlak, en deze locatie bedraagt circa 210 meter. Er kan dus aan beide richtafstanden worden voldaan. Aan de Postelsestraat 3 wordt blijkens Web-BVB melkrundvee en pluimvee gehouden. Voor pluimveehouderijen geldt op grond van de VNG-handreiking een richtafstand van 200 meter. De kortste afstand tussen een gevoelig object binnen het plangebied, het noordelijke bouwvlak, en deze locatie bedraagt circa 210 meter. Ook hier kan dus ruimschoots aan worden voldaan. Op basis hiervan kan dus worden geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied acceptabel is.
Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de kaart ‘Geurhinder door agrarische bedrijven en mest uitrijden’ uit de Atlas leefomgeving, zie Afbeelding 32. Hieruit blijkt het percentage mensen dat in 2016 aangaf ernstige geurhinder te hebben van landbouwbedrijven en het uitrijden van mest. Deze kaart is het laatst bijgewerkt op 15 maart 2019. Uit de kaart blijkt dat het percentage geurgehinderden ter plaatse 3-4% bedraagt. Om te bepalen of dit acceptabel is wordt aangesloten bij de beoordelingssystematiek van het RIVM. Het RIVM hanteert bij haar milieurapportages voor het aspect geurhinder de milieukwaliteitscriteria zoals opgenomen in Tabel 3. Hieruit is op te maken dat de milieukwaliteit ter plaatse, op basis van een percentage geurgehinderden van 3-4% zeer goed is.
Afbeelding 32: Uitsnede atlas leefomgeving kaart 'Geurhinder door agrarische bedrijven en mest uitrijden'
Bestemmingsplan ‘Landgoed Postel’
51
Tabel 3: Relatie percentage geurgehinderden en milieukwaliteit (bron: GGD-richtlijn geurhinder, 2002)
4.8.2
Omgekeerde werking
Zoals reeds uiteen is gezet zijn de dichtstbijzijnde locaties waar vee wordt gehouden ten opzichte van het plangebied gelegen aan de Haldijk 11 en de Postelsestraat 3. Voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee en paarden, geldt dat vaste afstanden in acht moeten worden genomen. De afstand tussen een geurgevoelig object en een dierenverblijf voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld dient op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) 50 meter te bedragen, wanneer het geurgevoelige object in het buitengebied is gelegen. De beoogde nieuwe woningen worden in het buitengebied gerealiseerd. Zoals reeds in voorgaande paragraaf uiteen is gezet bedraagt de afstand tussen een gevoelig object binnen het plangebied, het zuidelijke bouwvlak, en de veehouderij aan de Haldijk 11 circa 210 meter. Hiermee kan dus ruimschoots worden voldaan aan de vaste afstand uit de Wgv. Voor veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals aan de Postelsestraat 3, geldt een geurcontour die in acht moet worden genomen. In dit geval geldt dat de beoogde nieuwe woningen op grotere afstand tot deze veehouderij wordt opgericht dan reeds bestaande geurgevoelige objecten.