Bijlage 2 - Ontwerpbestemmingsplan Lanen van Baerle
Tekst van het document
Wordt er een onevenredige inbreuk gedaan op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen; Is ter plaats een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.
Op basis van de kaartbank van de provincie Noord-Brabant is gekeken of en zo ja wat voor agrarische bedrijven in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Hieruit is gebleken dat in de nabijheid van het plangebied geen veehouderijen aanwezig zijn. Van geurhinder is geen sprake.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
27
Uitsnede uit de kaartbank veehouderijbedrijven; bron: provincie Noord-Brabant Spuitzones open teelten In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied zijn geen agrarische bedrijvigheden waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Het aspect “milieuzonering, geur en spuitzones” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.7
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r. beoordeling
Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder wijzigingsplannen en bestemmingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.
28
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ uit te voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Deze zaken zijn uitgebreid onderzocht in het kader van onderhavige toelichting, tezamen met alle andere milieuhygiënische en planologische aspecten. Hieruit zijn geen bezwaren gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Voorafgaand aan de terinzagelegging van onderhavig bestemmingsplan, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd om na te gaan of het planvoornemen mogelijk tot significant negatieve milieueffecten zou kunnen leiden. De beoordeling, d.d. 12-11-2021, is als bijlage toegevoegd. Gelet op de kenmerken van de bestemmingsplanwijzigingen en de hiermee samenhangende (potentiële) milieueffecten, is geconcludeerd dat het planvoornemen van dusdanig beperkte invloed op het milieu is dat allerminst sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’.
Er is dan ook geen aanleiding of noodzaak is voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure dan wel een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure.
5.8
Geluid
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, maar ook van een wijziging van bouwmogelijkheden nabij geluidbronnen, moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, vliegtuigverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wgh is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: • Woningen; • Andere geluidsgevoelige gebouwen; • Geluidsgevoelige terreinen Omdat door met de beoogde ontwikkeling nieuw woningen worden bestemd, is aandacht nodig voor het aspect geluid; Wegverkeerslawaai Normen met betrekking tot verkeerslawaai worden thans in Nederland gebaseerd op de “regels op het gebied van het voorkomen of beperken van geluidhinder” (Wet geluidhinder). Krachtens deze wet worden zones aangegeven aan weerszijden van wegen.
Binnen de zones wordt geëist, dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de betreffende weg ter plaatse van de gevels van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen een zekere maximale waarde niet overschrijdt. Buiten de zones worden geen geluidseisen gesteld met betrekking tot wegverkeerslawaai. De projectlocatie is gelegen binnen de zone van de Chaamseweg. Een geluidsonderzoek is daarom verplicht. Er is een onderzoek uitgevoerd. Akoestisch onderzoek optredende gevelbelastingen, dd 13 oktober 2020, K+ Adviesgroep. In dit rapport is in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook Leliestraat, Sint Janstraat en Boschovenseweg meegenomen in de beoordeling. Het rapport is in zijn geheel als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt; Chaamseweg BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
29
De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 44 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Voor de Leliestraat, Sint Jansstraat en Boschovenseweg wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden. Er is sprake van een goed woon,- en leefklimaat. Het aspect “Geluid” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
5.9
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de Wet Luchtkwaliteit in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 5.16 Wm staat een limitatieve opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen. Het gaat om ruimtelijke besluiten en milieuvergunningen die direct gevolgen voor de luchtkwaliteit hebben en daardoor kunnen bijdragen aan overschrijding van een grenswaarde. Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitvoering van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16 van de Wm. Vaststelling van een bestemminsplan is mogelijk als: • De concentratie stoffen in de lucht door de voorgenomen ontwikkeling verbetert of gelijk blijft; • Bij beperkte toename van de concentratie, door een met de activiteit samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbeterd; • De toename, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt. Dit is het geval als een project of activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties PM10 of NO2 (max1,2 μg/m3).
Toetsing initiatief aan “niet in betekenende mate” begrip Projecten die “niet in betekenende mate” bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van “niet in betekenende mate” ligt volgens de gelijknamige AMvB bij 3% van de grenswaarde van een stof. Hiervan is volgens de ministeriële regeling van “niet in betekenende mate” sprake bij de realisatie van minder dan 1500 woningen op één ontsluitingsweg of minder dan 3000 woningen op twee ontsluitingswegen. Dit bestemmingsplan betreft het bestemmen van 51 nieuwe woningen. Deze herziening is daarom een ontwikkeling die kleiner is dan 1500 woningen met één ontsluitingsweg. De ontwikkeling zal dan ook 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Toetsing initiatief aan “goede ruimtelijke ordening” Naast de toetsing of het bouwplan een bijdrage levert aan de luchtkwaliteit dient beoordeeld te worden of sprake is van een goed woon-, en leefklimaat en daarmee of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De GGD geeft op lokaal niveau advies over luchtkwaliteit in relatie tot gezondheid en ruimtelijke ordening.
Juist bij gevoelige bestemmingen nabij drukke wegen is het wenselijk dat de gemeente om advies vraagt aan de GGD. De ontwikkeling is niet gelegen in de nabijheid van en drukke weg. Toch is inzicht gezocht in de luchtkwaliteit. Dit is onderzocht door middel van de actuele kaartgegevens met betrekking tot de aspecten stikstofdioxide, fijnstof, zeer fijnstof en roet. (atlasleefomgeving.nl). Hieruit blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden (stikstofdioxode: 40 μg/m3 en fijn stof: 40 μg/m3). Voor stikstofdioxide en PM10 is de achtergrondwaarde gelegen tussen 0 en 35 μg/m3 en voor zeer fijn stof (PM2,5) is de waarde gelegen lager 20 μg/m3. Omdat het plangebied op basis van de kaartbeelden niet is gelegen in een gebied met 30
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
een slechte luchtkwaliteit (in de buurt van de grenswaarden), niet is gelegen in de nabijheid van een drukke weg kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Uitsnede kaart Fijnstof 2019 (pm2,5) met in rood het plangebied; bron: atlasleefomgeving.nl Het aspect “Luchtkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
5.10 Bodemkwaliteit Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dient inzicht te bestaan in de bodemkwaliteit teneinde de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor een beoogde (nieuwe) bestemming te kunnen aantonen. Bij een bestemmingswijziging is het van belang dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Voor inzicht in de actuele bodemkwaliteit op het perceel is onderzoek gedaan. Het onderzoek, ‘Verkennend bodemonderzoek, dd 14 mei 2020, Lankelma’ is in zijn geheel aan deze toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt; De in het onderhavige bodemonderzoek aangetoonde streefwaardeoverschrijdingen zijn dermate licht dat deze wat betreft de volksgezondheid en de functionaliteit van de bodem geen gevolgen zal hebben. Het instellen van vervolgmaatregelen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Op basis van de resultaten van het onderhavige bodemonderzoek wordt de aangetroffen bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie aanvaardbaar geacht. Er zijn, ons inziens, uit milieuhygiënisch oogpunt dan ook geen belemmeringen met betrekking tot de voorgenomen nieuwbouw. Definitief oordeel hieromtrent is aan het bevoegd gezag. Het aspect “Bodemkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.11 Externe Veiligheid De externe veiligheidsregelgeving is gericht op het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit externe BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
31
veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), de Structuurvisie buisleidingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet. Om voldoende ruimte aan te houden tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid rondom een risicobron kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon, die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit. Het groepsrisico (GR) bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen.
Ten behoeve van het bouwplan, is er op basis van de Risicokaart geïnventariseerd in hoeverre er sprake is van veiligheidsgevaren vanuit de omgeving. Op basis van de risicokaart zijn er geen risicobronnen (inrichtingen en transportroutes) gevonden. De projectlocatie is niet gelegen binnen een invloedsgebied. Het aspect “externe veiligheid” is daarom geen belemmering.
5.12 Technische infrastructuur Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het wijzigingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig.
5.13 Niet gesprongen explosieven (NGE) In 2018 is voor de gemeente Baarle-Nassau een historisch vooronderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van niet gesprongen explosieven (NGE) in de bodem. Het gehele grondgebied is daarbij aangemerkt als primair verdacht op de aanwezigheid van geschutmunitie (vanaf kaliber 2 cm), klein kaliber munitie, hand/ geweergranaten en munitie voor granaatwerpers. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden is het belangrijk om inzicht te krijgen in de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten en op welke wijze de werkzaamheden veilig en verantwoord kunnen worden uitgevoerd. Hiervoor is een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Het rapport, ‘Aanvullend onderzoek, dd 21 december 2020, EXPLOAD’ is in zijn geheel als bijlage aan de toelichting gevoegd. De conclusie luidt als volgt; Expload is van mening dat het projectgebed niet langer beschouwd dient te worden als verdacht van geschutmunitie, klein kaliber munitie, hand/ geweergranaten en munitie voor granaatwerpers. Binnen de grenzen van het projectgebied komt het verdacht gebied daarmee te vervallen. Er zijn geen veiligheidsrisico’s voor nge’s
32
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
33
Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving 6.1
Verantwoording planvorm
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Wat betreft systematiek van de integrale herziening is aangesloten bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). Er is sprake van een specifiek bestemmingsplan voor meerdere aaneengesloten kadastrale percelen, een postzegelplan. Het perceel ligt in het recente bestemmingsplannen; Dorpen en Dorpen, 1e herziening. Dit postzegelplan sluit qua systematiek en bestemming zo veel mogelijk aan op dit bestemmingsplan.
6.2
Systematiek bestemmingen
De systematiek van de regels kan worden samengevat aan de hand van de hoofdstukindeling. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. 1. Hoofdstuk 1 'Inleidende Regels' gaat in op de begripsomschrijvingen en de wijze van meten. 2. In hoofdstuk 2 van de regels - 'Bestemmingsregels’- wordt een regeling gegeven voor de bestaande functies in het plangebied die positief zijn bestemd. Bepaald is welke vormen van gebruik en bouwwerken rechtstreeks (dus zonder voorafgaande wijziging of afwijking) zijn toegestaan. Indien een bepaalde vorm van bebouwing past binnen de doeleinden van de bestemming en voldaan is aan de bouwregels, dan kan hiervoor in de regel zonder meer een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden verleend. 3. In hoofdstuk 3 zijn de algemene regels weergegeven (anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels etc.). 4. In hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en slotbepalingen opgenomen.
6.3
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel is omschreven wat in onderhavig plan onder een aantal van de in de regels gebruikte begrippen wordt verstaan. Wijze van meten In dit artikel is vastgelegd hoe bij de toepassing van de bouwregels van onderhavig plan moet worden gemeten. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Het bestemmingsplan kent de bestemmingen Groen, Verkeer – Verblijfsgebied, Wonen en Waarde Archeologie. Hierna volgt een korte toelichting op deze bestemmingen. Groen Het gebied van de openbare ruimte dat als structureel groen zal worden ingericht is bestemd als Groen. Gebouwen zijn uitgesloten met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van algemeen en openbaar nut. Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming Verkeer - Verblijfsgebied heeft betrekking op de openbare ruimte. Binnen de bestemming mogen uitsluitend gebouwen in de vorm van nutsvoorzieningen worden gebouwd. Wonen De voor wonen bestemde gronden zijn bedoeld voor de bouw van woningen. Vrijstaande, half vrijstaande en aaneen gebouwde woningen zijn toegestaan. Gestapelde woningen zijn op een tweetal 34
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
plaatsen specifiek aangeduid. Maximum goot- en bouwhoogten zijn vermeld op de verbeelding. De afstand tot de perceelgrenzen is in de regels aangeduid. Voor drie vrijstaande woningen is in afwijking van de regels bepaald dat slechts aan één zijde 3 meter afstand tot de zijdelingsperceelgrens hoeft te worden aangehouden. Waarde – Archeologie Ter bescherming van het archeologisch bodemarchief is de dubbelbestemming opgenomen. Bouwen is slechts toegestaan op het moment dat middels een rapport is aangetoond dat geen sprake is van een archeologisch bodemarchief. Hoofdstuk 3: Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een bepaling opgenomen ten aanzien van ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn bepaalde specifieke gebruiksregels opgenomen voor het gebruik van de gronden en bouwwerken binnen het gehele plangebied. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om afwijking te verlenen van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen.
Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen te wijzigen. Overige regels In deze bepaling wordt onder andere geregeld dat voldaan moet worden aan het parkeerbeleid van de gemeente. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In deze bepaling wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Deze regeling is op grond van de Wro verplicht. Slotregel Als laatste wordt de slotbepaling opgenomen. Deze bepaling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsbepaling.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
35
36
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling betreft een particulier initiatief. Het grootste deel van de grond is in eigendom van een ontwikkelaar (initiatiefnemer). Ook voor de wijziging van de bestemming ter plaatse van gemeentelijk grondgebied worden de kosten voor de wijziging van de bestemming door de ontwikkelaar gedragen. Hierdoor zijn er geen kosten zijn voor de gemeente als gevolg van de wijziging van de bestemming. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt ook de procedurele kosten en eventuele kosten als gevolg van planschade. Eventuele kosten voor de gemeente zijn hiermee afgedekt en de ontwikkeling wordt daardoor financieel uitvoerbaar geacht. Als met een bestemmingsplan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In deze procedure zijn de procedurele kosten en eventuele kosten als gevolg van planschade gewaarborgd door een privaatrechtelijke -met de initiatiefnemer te sluiten- overeenkomst.
Voorgaand aan het besluit omtrent vaststelling van het bestemmingsplan zal daarom worden besloten dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
37
Hoofdstuk 8 Procedure 8.1
Omgevingsdialoog
Voor de beoogde ontwikkeling is door de ontwikkelaar een omgevingsdialoog met omwonenden gevoerd. Een geanonimiseerde versie van het verslag is als bijlage aan de toelichting gevoegd.
8.2
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt het bestemmingsplan aan de Provincie Noord-Brabant en Waterschap de Dommel voorgelegd. Op deze wijze worden de Provincie en het Waterschap in de gelegenheid gesteld een reactie op het plan te geven.
8.3
Vervolg van de procedure
Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening dient de kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12 van de Awb in de Staatscourant en een huis-aan-huis blad te worden geplaatst en via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan de wettelijke overlegpartners. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. Vervolgens kan het bestemmingsplan worden vastgesteld. Tegen het besluit tot vaststelling staat direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt het plan in werking, tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt ingediend. In dat laatste geval wordt de werking van het vaststellingsbesluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist.
38
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
39
Separate bijlagen 1. Beeldkwaliteitplan ‘Lanen van Baerle’; geWOON architecten 2. Parkeerbalans 8 april 2021 3. Ladder voor Duurzame Verstedelijking Lanen van Baerle, dd 4 december 2020, BRO 4. Waterhuishoudkundig plan, dd 17 november 2021, TBInfra 5. Quick scan flora en fauna, dd 12 april 2021, IJzerman advies. 6. Voortoets Stikstofdepositie, dd 20 april 2021, Van Empel Milieuadvies 7. Archeologisch bureauonderzoek Schoolstraat, dd 15 januari 2021, Econsultancy 8. Akoestisch onderzoek optredende gevelbelastingen, dd 13 oktober 2020, K+Adviesgroep 9. Verkennend bodemonderzoek, dd 14 mei 2020, Lankelma 10. Aanvullen onderzoek NGE, dd 21 december 2020, EXPLOAD. 11. Geanonimiseerd verslag omgevingsdialoog, 4 juni 2021. 12. Aanmeldnotitie mer, uitgevoerd door BuroGkracht, dd 12 november 2021
40
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
INHOUD REGELS
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
3
Artikel 1 Artikel 2
3 12
Begrippen Wijze van meten
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
13
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 6 Artikel 7
13 15 17 22
Groen Verkeer – Verblijfsgebied Wonen Waarde – Archeologie
Hoofdstuk 3 Algemene regels
26
Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13
26 26 28 29 30 31
Anti-dubbeltelbepaling Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
33
Artikel 14 Artikel 15
33 34
Overgangsrecht Slotregel
Bijlagen. 1. Lijst van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1) 2. Archeologische beleidskaart (bijlage 2) 3. Nota Parkeernormen 2011 (bijlage 3)
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1
Begrippen In deze regels wordt verstaan onder:
1.1
bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
1.2
plan: het bestemmingsplan ‘naam' met identificatienummer NLIMRO.0744.BPSchoolstraatong-ON01 van de gemeente Baarle-Nassau.
1.3
aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.4
Aaneengebouwde woning Een woning die onderdeel uitmaakt van minimaal drie aaneengebouwde woningen.
1.5
Appartementen Afzonderlijke woning in een groter gebouw.
1.6
Archeologische monumentenzorg Zorg die zich richt op het optimaal beheer van de bodem als unieke bron van informatie over de geschiedenis van Nederland.
1.7
Archeologisch onderzoek In een schriftelijke rapportage vastgelegd bureau- en/of veldonderzoek naar de materiële neerslag van menselijke aanwezigheid en menselijk handelen in het verleden.
1.8
Bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
1.9
Bebouwingspercentage Een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het bestemmingsvlak/bouwperceel/bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.
3
1.10
Bed and breakfast Recreatief nachtverblijf in de vorm van logies met ontbijt binnen de bestaande (bedrijfs)woning dat door de beperkte omvang in een woning, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend.
1.11
Bedrijf Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.
1.12
Bedrijf aan huis Het door een bewoner van een woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een klompenmakerij of een cateringbedrijf. Hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel.
1.13
Bedrijfsvloeroppervlak Alle inpandige ruimte(n) die voor de individuele bedrijfsuitvoering benodigd is. Met andere woorden betreft dit de totale bedrijfsruimte, inclusief de niet direct met de hoofdactiviteit verband houdende ruimten zoals kantines, toiletten, kantoor, magazijn, etc.
1.14
Bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak.
1.15
Beroep aan huis Een beroep aan huis is het door een bewoner van een woning beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebieden, schoonheidssalons, hondentrimsalons en pedicures, die door hun beperkte omvang in de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend. Hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel. In Baarle-Nassau dient hieronder niet te worden begrepen kappers. In Ulicoten worden kappers hieronder wel begrepen.
1.16
Bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.17
Bevoegd gezag Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.
4
1.18
Bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
1.19
Bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
1.20
Bouwgrens De grens van een bouwvlak.
1.21
Bouwlaag Een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.
1.22
Bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
1.23
Bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
1.24
Bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
1.25
Bouwperceelgrens De grens van een bouwperceel.
1.26
Cultuurhistorische waarden Waarden die samenhangen met de nalatenschap die de mens, door zijn aanwezigheid en activiteiten in het verleden, heeft achtergelaten in het huidige landschap; daarbij gaat het om archeologisch, historisch-landschappelijk, historisch geografisch en/of historisch-bouwkundig waardevolle zaken, zoals die tot uitdrukking
5
kunnen komen in archeologische elementen, bodemprofiel en reliëf (m.n. van oude akkers), beplanting, verkaveling, slotenpatroon en bebouwing.
1.27
Detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
1.28
Dienstverlening Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder een belwinkel en internetcafé.
1.29
Eerste bouwlaag De eerste volledige bouwlaag boven het peil.
1.30
Ecologische verbindingszone Zone die dienst doet als migratieroute voor planten en dieren tussen verschillende natuurgebieden. Aanleg van verbindingszones heeft als doel barrières tussen deze gebieden op te heffen. De zone moet zowel in kwalitatief als in kwantitatief opzicht zijn ingericht en beheerd volgens de eisen van de doelsoorten.
1.31
Erkers Een ondergeschikt uitgebouwd gedeelte (uitbouw) van een woning aan een gevel, in één bouwlaag. Dit is een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in bijlage II, artikel 1.1 van het Besluit omgevingsrecht.
1.32
Erotisch getinte horeca Een horecabedrijf dat tot doel heeft het daarbinnen doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard en tevens bedrijfsmatig ten behoeve van verbruik ter plaatse verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken. Hoewel niet horeca in strikte zin betreffend, vallen onder dit begrip tevens een seksbioscoop een seksclub en een seksautomatenhal.
1.33
Escortbureau De natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersonen die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte kan worden uitgeoefend.
1.34
Evenement Een één of meerdaagse voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak.
6
1.35
Extensief recreatief medegebruik Extensieve vormen van dagrecreatie, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën of boerengolf, die plaatsvinden in gebieden waar de hoofdfunctie een andere is.
1.36
Gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.37
Geluidgevoelige functie Bewoning of andere geluidgevoelige functies zoals bedoeld in de Wet geluidhinder c.q. het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of het Besluit geluidhinder spoorwegen;
1.38
Geluidgevoelige gebouwen Gebouwen welke dienen ter bewoning of ten behoeve van een andere geluidgevoelige functie als bedoeld in de Wet geluidhinder, c.q. het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of het Besluit geluidhinder spoorwegen;
1.39
Geschakelde woning Woningen waarvan de hoofdgebouwen door middel van bijbehorende bouwwerken met elkaar zijn verbonden.
1.40
Gevellijn De als zodanig aangegeven lijn, waar de voorgevel van een hoofdgebouw op moet zijn georiënteerd.
1.41
Handel Elke vorm van handel dat wil zeggen het bedrijfsmatig ten verkoop uitstallen, te koop aanbieden, verkopen of leveren van goederen.
1.42
Intramurale zorgwoning Door een maatschappelijke instelling geëxploiteerde afzonderlijke woning die niet over een eigen huisnummeraanduiding beschikt en waarvan de bewoning in combinatie met zorg en welzijn geschiedt.
1.43
Kantoor Het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.
1.44
Kunstwerken Bouwwerken geen gebouwen zijnde van weg- en waterbouwkundige aard, zoals bruggen, viaducten, duikers, keerwanden, beschoeiingen, kademuren en dergelijke.
1.45
Landschappelijke waarden De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied.
7
1.46
Lijst van bedrijfsactiviteiten De lijst van bedrijven bevattende basisinformatie voor milieuzonering zoals die lijst is opgenomen in de bijlage behorende bij deze regels.
1.47
Maatschappelijke voorzieningen Educatieve, (para)medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, religieuze, onderwijsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsmede detailhandel en horeca in combinatie met en ondergeschikt aan deze voorzieningen.
1.48
Mantelzorg Het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband.
1.49
Natuurwaarden Waarden in verband met de aanwezigheid van bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid/zeldzaamheid, natuurlijkheid / ongestoordheid en kenmerkendheid voor het gebied.
1.50
Normaal onderhoud, gebruik en beheer Een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op tenminste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt.
1.51
Ondergeschikte functie Een activiteit van beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang zodat de functie waaraan zij wordt toegevoegd, qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie duidelijk herkenbaar blijft.
1.52
Ondergronds bouwwerk Een (gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 meter beneden peil.
1.53
Onderkomen Voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen kampeermiddelen, alsook woonschepen, al dan niet ingericht ten behoeve van een recreatief buitenverblijf, voor zover deze niet als bouwwerk zijn aan te merken.
1.54
Overkapping Een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bestaande uit een slechts van boven afgesloten ruimte van lichte constructie (zijnde een plat dak). Indien een overkapping aangebouwd is aan een gebouw mag een overkapping maximaal 2 niet eigen wanden hebben. Eigen wanden zijn dan niet toegestaan. Indien een
8
overkapping niet is aangebouwd aan een gebouw mag een overkapping maximaal 1 eigen wand hebben.
1.55
Patiowoningen Woningen met een kleine binnentuin die omsloten is door bouwwerken.
1.56
Peil a Voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: het hoogste punt van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang. b Voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
1.57
Pension Een accommodatie waar men logies verstrekt tegen betaling.
1.58
Productiegebonden detailhandel Detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.
1.59
Prostitutie Het zich beschikbaar stellen tot het tegen betaling verlenen van seksuele diensten aan anderen, zoals het exploiteren van een seksclub, privéhuis, raamprostitutie, escortservice, thuisprostitutie, en bemiddelingsbureau dat bemiddelt tussen prostituee en klant.
1.60
Raamprostitutie Een seksinrichting bestemd voor of in gebruik voor het zich vanaf de openbare weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats, zichtbaar ter beschikking stellen tot het tegen betaling verlenen van seksuele diensten aan anderen (prostitutie).
1.61
Seksinrichting De voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
1.62
Sekswinkel De voor het publiek toegankelijke, (besloten) ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd.
1.63
Sociale veiligheid Het voorkomen van het ontstaan van een ruimtelijke situatie die onoverzichtelijk, onherkenbaar en niet sociaal controleerbaar is;
9
1.64
Straatmeubilair De op of bij de weg behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals, verkeerstekens, wegbebakeningen, bewegwijzeringen, verlichting, halteaanduidingen, parkeer-regulerende constructies, brandkranen informatie- en reclameconstructies, rijwielstandaards, papierbakken, zitbanken, plantenbakken, communicatievoorzieningen, gedenktekens, speelvoorzieningen, telefooncellen en abri's.
1.65
Straatprostitutie Het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken tot prostitutie.
1.66
Stedenbouwkundige waarde/kwaliteit De aan een gebied toegekende waarde in verband met stedenbouwkundige elementen, zoals situatie en infrastructuur, alsmede de ligging van bouwwerken in dat gebied.
1.67
Twee- aaneen gebouwde woning Een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van twee aaneengebouwde woningen.
1.68
Voorgevel Een naar de openbare weg en/of fiets- en voetpad toegekeerde gevel van een hoofdgebouw.
1.69
Voorgevellijn Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.
1.70
Voorkeursgrenswaarde De maximale waarde voor de geluidbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder c.q. het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of het Besluit geluidhinder spoorwegen;
1.71
Voorzieningen van algemeen nut Voorziening ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.
1.72
Water en waterhuishoudkundige voorzieningen Al het oppervlakte water zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.
10
1.73
Wet/wettelijke regelingen Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, tenzij anders bepaald.
1.74
Winkelvloeroppervlak De voor het publiek toegankelijke, zichtbare, overdekte en ommuurde winkelruimte(n), exclusief magazijn, kantoor, e.d.
1.75
Woning Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
1.76
Zelfstandig kantoor Een kantoor waarbij de kantoorruimte meer dan 50% deel uitmaakt van de bedrijfsvloeroppervlakte.
11
Artikel 2
Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
2.1 De dakhelling Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2
De goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
2.3
De inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
2.4
De bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
2.5
De oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
2.6
Afstand tot de bouwperceelsgrens Tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
2.7
Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk Vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
12
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 3.1
Groen Bestemmingsomschrijving De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a groenvoorzieningen; b bermen en beplanting; c ontsluitingswegen en -paden; d parkeervoorzieningen; e water en waterhuishoudkundige voorzieningen; f straatmeubilair; g voorzieningen van algemeen nut; h kunstwerken; i speelvoorzieningen;
3.2 3.2.1
Bouwregels Algemeen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a Er zijn geen gebouwen binnen de bestemming toegestaan, uitgezonderd gebouwen zoals opgenomen in artikel 3.2.2 t/m 3.2.3.
3.2.2
Voorzieningen van algemeen nut Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut gelden de volgende regels: a De oppervlakte van een gebouw voor voorzieningen van algemeen nut bedraagt maximaal 15 m². b De bouwhoogte van een gebouw voor voorzieningen van algemeen nut bedraagt maximaal 3 meter.
3.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a De bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 8 meter. b De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter.
3.3
Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; b het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; c recreatief nachtverblijf. d andere evenementen (niet sport- en spelgerelateerd), zowel binnen als buiten; e tijdelijke of permanente bewoning;
13
f g h i 3.4 3.4.1
het gebruik als standplaats voor woonwagens; het gebruik als kampeerterrein; seks- en/of pornobedrijf en prostitutie; overig ander gebruik dan dat in artikel 3.1 is toegestaan.
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden Verbod Het is op of in de gronden ter plaatse van de aanduiding 'ecologische verbindingszone' verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten: a afgraven, vergraven, ophogen; b aanleg dammen, aanleg stuwen, graven sloten, dempen sloten, dempen poelen; c opplanten, omzetten van grasland en/of bouwland naar boomteelt boven 1,5 meter; d aanleg leidingen.
3.4.2
Normaal onderhoud Het verbod als bedoeld in artikel 3.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b welke van zodanig geringe omvang en ondergeschikte betekenis zijn dat daardoor geen aantasting van de aanwezige waarden plaatsvindt; c reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; d mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
3.4.3
Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien: a deze verband houden met de omschrijving, die aan de desbetreffende bestemming is toegekend; b door de werken of werkzaamheden hetzij direct hetzij indirect de bestaande waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; c door de werken of werkzaamheden hetzij direct hetzij indirect de gewenste waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; d het waterschap is gehoord voor wat betreft waarden die te maken hebben met het watersysteem.
14
Artikel 4 4.1
Verkeer – Verblijfsgebied Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie; b parkeervoorzieningen; c groenvoorzieningen waaronder bermen en beplanting; d voorzieningen van algemeen nut e straatmeubilair; f kunstwerken; g water en waterhuishoudkundige voorzieningen; h evenementen;
4.2 4.2.1
Bouwregels Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a De oppervlakte van een gebouw voor voorzieningen van algemeen nut bedraagt maximaal 15 m². b De maximale bouwhoogte van een gebouw voor voorzieningen van algemeen nut bedraagt 3 meter.
4.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a De bouwhoogte van lichtmasten, bewegwijzering en verkeersregulering mag niet meer bedragen dan 8 meter. b De bouwhoogte van kunstwerken mag niet meer bedragen dan 5 meter. c De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter.
4.3
Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; b ter waarborging van de verkeersveiligheid; c ter waarborging van de sociale veiligheid; d ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken.
4.4
Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a het gebruik van de gronden als staanplaats voor onderkomens, alsmede voor wagens en kramen, geschikt en bestemd voor de uitoefening van detailhandel, met uitzondering van een niet permanent gebruik als zodanig; b het gebruik van de gronden als terrein voor het al dan niet voor de verkoop opslaan of opstellen van ongebruikte en/of gebruikte, danwel geheel of gedeeltelijk uit gebruikte onderdelen samengestelde machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, c.q.
15
onderdelen daarvan, welke bruikbaar en niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken zijn, behoudens parkeren ten dienste van de toegelaten functies; c het gebruik van de gronden als opslag-, stort-, lozing- of bergplaats van onbruikbare, althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en producten. d wonen; e de grond en bouwwerken ten behoeve van enige vorm van handel en/of bedrijf, uitgezonderd (week)markten en het bepaalde in artikel 4.1 sub h; f straatprostitutie.
16
Artikel 6
6.1
Wonen
Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis in hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van het beroep aan huis, met een maximum van 45 m²; met de daarbijbehorende: b tuinen en erven; c parkeervoorzieningen; d groenvoorzieningen; e voorzieningen van algemeen nut; f water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
6.2 6.2.1
Bouwregels Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a Hoofdgebouwen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. b Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. c Binnen het bouwvlak zijn de woningtypen 'aaneengebouwd', 'twee-aaneen gebouwd', 'vrijstaand', en 'patiowoningen' toegestaan. Het woningtype 'gestapeld' is toegestaan, maar enkel ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’. d Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', mag het aantal wooneenheden niet meer bedragen dan is aangegeven. e De afstand tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt: 1 bij vrijstaande woningen minimaal 3 meter aan beide zijden met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijking afstand zijdelingse perceelsgrens' de minimale afstand tot één van de zijdelingse perceelsgrens minimaal 3 meter bedraagt. 2 bij tweeaaneen gebouwde en geschakelde woningen 3 meter aan één zijde; f De minimale afstand tot de achterste perceelsgrens bedraagt 5 meter. g De goothoogte bedraagt niet meer dan de maximale toegestane goothoogte zoals aangeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’, uitgezonderd het bepaalde in sub i.
h De bouwhoogte bedraagt niet meer dan de maximale toegestane bouwhoogte zoals aangeven ter plaatse van de aanduiding ‘‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’, uitgezonderd het bepaalde in sub i. i Hoofdgebouwen mogen worden afgedekt met zowel een kap als een platte afdekking, met dien verstande dat de afdekking van het hoofdgebouw gelegen moet zijn binnen de denkbeeldige lijn van de maximum goothoogte en maximum bouwhoogte. In uitzondering op het voorgaande is het ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende hoogte' toegestaan om
17
hoofdgebouwen te voorzien van een plat dakvlak met daarop een dakopbouw, onder de volgende voorwaarden: 1 de hoogte van de dakopbouw mag maximaal 12 meter bedragen, de hoogte van het hoofdgebouw, exclusief opbouw bedraagt maximaal 7 meter; 2 het is toegestaan om rond het resterende dakvlak een vloerafscheiding aan te brengen tot een hoogte van maximaal 7 meter. 6.2.2
6.2.3
Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a Bijbehorende bouwwerken zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan. b De goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk mag niet meer bedragen dan de bovenkant van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw. c De bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk mag niet meer bedragen dan 5,5 meter, met dien verstande dat de minimale afstand tot de bouwhoogte van het hoofdgebouw 1,5 meter dient te bedragen. Doortrekken van het schuine dak van het hoofdgebouw over het aangebouwde bijgehorende bouwwerk met eenzelfde dakhelling is toegestaan. Dan geldt de feitelijke goothoogte van het hoofdgebouw als de maximale bouwhoogte van het aangebouwde bijbehorende bouwwerk. d De goothoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag niet meer bedragen dan 3,5 meter. e De bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag niet meer bedragen dan 5,5 meter. f De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak op percelen tot en met 500 m² mag niet meer bedragen dan 60 m², mits de gronden gelegen buiten het bouwvlak voor niet meer dan 50% is dan wel wordt bebouwd.
g De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak op percelen met een oppervlakte van meer dan 500 m², mag niet meer bedragen dan 60 m², vermeerderd met 10% van de oppervlakte van het bouwperceel boven de 500 m² tot een maximum van 120 m², mits de gronden gelegen buiten het bouwvlak voor niet meer dan 50% is dan wel wordt bebouwd. h De minimale afstand van bijbehorende bouwwerken tot de voorgevellijn van de woning bedraagt 3 meter. i In afwijking van het bepaalde onder lid h is het toegestaan bijbehorende bouwwerken in de vorm van erkers, entreeportalen en dergelijke voor de voorgevel danwel binnen een afstand van 3 meter tot de voorgevel van het hoofdgebouw te bouwen, mits: 1 de diepte maximaal 1,5 meter bedraagt; 2 de afstand tot een bouwperceelsgrens minimaal 3 meter bedraagt; 3 de breedte maximaal 50% van de gevel bedraagt; 4 de goothoogte niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw. Voorzieningen van algemeen nut Voor het bouwen van voorzieningen van algemeen nut gelden de volgende regels: a De oppervlakte van een gebouw voor voorzieningen van algemeen nut bedraagt maximaal 15 m². b De bouwhoogte van een gebouw voor voorzieningen van algemeen nut bedraagt maximaal 3 meter.
18
6.2.4
6.2.5
6.3
6.4 6.4.1
Overkappingen Overkappingen zijn toegestaan binnen de regels voor bijbehorende bouwwerken. Daar bovenop geldt dat overkappingen ook zijn toegestaan als deze niet (meer) vallen binnen de regels van artikel 6.2.2, waarbij dan de volgende regels gelden: a De oppervlakte van een overkapping bedraagt maximaal 20 m². b De bouwhoogte van een overkapping bedraagt maximaal 3 meter. c Er mag slechts 1 overkapping per bouwperceel gerealiseerd worden. d De oppervlakte van overkappingen overeenkomstig lid a telt niet mee bij bepaling van de maximale oppervlakte zoals vervat in artikel 6.2.2 lid f en lid g. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a de bouwhoogte van erf-/terreinafscheidingen mag vóór de op verbeelding weergegeven gevellijn maximaal 1 m bedragen en voor zover gelegen achter de op de verbeelding weergegeven gevellijn maximaal 2 m bedragen; b De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter.
Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a het straat- en bebouwingsbeeld; b de woonsituatie (wooncomfort, kwaliteit woongenot van de directe omgeving); c de gebruiksmogelijkheden (op eigen terrein en op aangrenzende gronden); d de milieusituatie; e de verkeersveiligheid; f de parkeerruimte op eigen terrein; g de sociale veiligheid; h de brandveiligheid. Specifieke gebruiksregels Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a het gebruik van de grond en bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van enige vorm van handel en/of bedrijf anders dan onder 6.1 omschreven; b permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijbehorende bouwwerken betreft; c bewoning als afhankelijke woonruimte; d kamerbewoning; e recreatief nachtverblijf; f seksinrichtingen; g het bedrijfsmatig houden van paarden; h het bedrijfsmatig exploiteren van een paardenbak; i het oprichten van een of meer lichtmasten en/of tredmolens; j de opslag van vuurwerk
19
6.5 6.5.1
Afwijken van de specifieke gebruiksregels Beroep aan huis Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.1 voor de uitoefening van een beroep aan huis in het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk, met dien verstande dat: a per bouwperceel het oppervlak aan bebouwing dat hiervoor gebruikt wordt niet meer dan 100 m² bedraagt; b de woonfunctie op het bouwperceel primair blijft; c het gebruik geen ernstige c.q. onevenredige hinder oplevert voor het woonmilieu en geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de buurt; d de activiteit niet vergunningplichtig is op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer; e het gebruik geen nadelige invloed heeft op de afwikkeling van het verkeer; f op eigen terrein wordt voorzien in de nodige parkeergelegenheid.
6.5.2
Bedrijf aan huis Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.1 voor de uitoefening van een bedrijf aan huis in het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk, met dien verstande dat: a de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft. Dit wil zeggen dat maximaal 40 % van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij bijbehorende bouwwerken mag worden aangewend ten behoeve van het bedrijf aan huis, zulks met een absoluut maximum van 45 m²; b een afwijking mag alleen verleend worden voor het uitoefenen van bedrijvigheid, die valt in categorie 1 of 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten. Deze lijst is als bijlage 1 opgenomen bij de regels; c bedoeld gebruik geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt; dit betekent onder meer dat: 1 geen omgevingsvergunning wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid, dat onder de werking van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit Milieubeheer (Stb.
1993, 50) valt, tenzij het desbetreffende gebruik door middel van het stellen van voorwaarden verantwoord is; 2 het gebruik naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn; 3 het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is; d het niet betreft zodanig verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten; e geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop in het klein in verband met bedrijfsmatige activiteiten in of bij het hoofdgebouw; f seksinrichtingen niet zijn toegestaan. Mantelzorg Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.5.1 en toestaan dat een deel van de woning en/of een al dan niet vrijstaand bijbehorend bouwwerk gebruikt wordt als afhankelijke woonruimte. Hierbij dient aan het volgende te worden voldaan:
6.5.3
20
a een dergelijke bewoning dient noodzakelijk te zijn vanuit een oogpunt van mantelzorg en op grond van een medische indicatie te worden aangetoond. Het bevoegd gezag vraagt voorafgaand aan het te nemen besluit advies aan een ter zake deskundige instantie; b er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven; c indien de afhankelijke woonruimte geheel wordt gesitueerd binnen een vrijstaand bijbehorend bouwwerk dient de afhankelijke woonruimte binnen de vigerende regeling inzake vrijstaande bijbehorende bouwwerken te worden ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m²; d indien de bij het verlenen van de afwijking van het bestemmingsplan bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is, trekt het bevoegd gezag de vergunning in. 6.6 6.6.1