CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Ontwerpbestemmingsplan Lanen van Baerle

Gemeenteraad (openbaar) 18 mei 2022, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Voorstel tot Vaststellen bestemmingsplan Lanen van Baerle31.679 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Creatief met leefomgeving Sterk in omgevingsrecht

Ontwerp

Bestemmingsplan “Lanen van Baerle” Gemeente Baarle Nassau

Almystraat 14 | 5061 PA Oisterwijk | 06 232 74 307 | info@burogkracht.nl | burogkracht.nl

Datum: 18 november 2021 Status: Ontwerp plancode: NL.IMRO.Code

2

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Toelichting

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

3

4

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING ............................................................................................................. 7 1.1 AANLEIDING ............................................................................................................................. 7 1.2 PLANGEBIED ............................................................................................................................ 7 1.3 DOEL ....................................................................................................................................... 8 1.4 GELDEND BESTEMMINGSPLAN ................................................................................................... 8 1.5 LEESWIJZER............................................................................................................................. 9 HOOFDSTUK 2 BESTAANDE SITUATIE ..................................................................................... 10 2.1 RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE STRUCTUUR ............................................................................. 10 HOOFDSTUK 3 PLANBESCHRIJVING ........................................................................................ 11 3.1 NIEUWE ONTWIKKELING ..........................................................................................................

11 3.2 ARCHITECTUUR/ BEELDKWALITEIT ........................................................................................... 12 HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER ................................................................................................. 14 4.1 RIJKSBELEID .......................................................................................................................... 14 4.2 PROVINCIAAL BELEID .............................................................................................................. 16 4.3 GEMEENTELIJK BELEID............................................................................................................ 17 HOOFDSTUK 5 MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN ............................. 19 5.1 INLEIDING .............................................................................................................................. 19 5.2 PARKEREN EN ONTSLUITING .................................................................................................... 19 5.3 WATER .................................................................................................................................. 20 5.4 NATUUR.................................................................................................................................

22 5.5 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE ...................................................................................... 24 5.6 MILIEUZONERING, GEUR EN SPUITZONES.................................................................................. 26 5.7 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE EN VORMVRIJE M.E.R. BEOORDELING ............................................. 28 5.8 GELUID .................................................................................................................................. 29 5.9 LUCHTKWALITEIT .................................................................................................................... 30 5.10 BODEMKWALITEIT ................................................................................................................... 31 5.11 EXTERNE VEILIGHEID.............................................................................................................. 31 5.12 TECHNISCHE INFRASTRUCTUUR............................................................................................... 32 5.13 NIET GESPRONGEN EXPLOSIEVEN (NGE)................................................................................. 32 HOOFDSTUK 6 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING..................................................................

34 6.1 VERANTWOORDING PLANVORM ............................................................................................... 34 6.2 SYSTEMATIEK BESTEMMINGEN ................................................................................................ 34 6.3 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING .............................................................................................. 34 HOOFDSTUK 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .............................................................. 37

HOOFDSTUK 8 PROCEDURE ...................................................................................................... 38 8.1 OMGEVINGSDIALOOG .............................................................................................................. 38 8.2 VOOROVERLEG ...................................................................................................................... 38 8.3 VERVOLG VAN DE PROCEDURE ................................................................................................ 38 SEPARATE BIJLAGEN ...................................................................................................................... 40

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

5

6

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Voor een agrarisch terrein westelijk van de Schoolstraat in Baarle-Nassau is de bouw van 51 nieuwe woningen gepland. Het woningbouwplan heeft een veelzijdig woningaanbod. 29 Koopwoningen worden gebouwd in de vrije sector. Dit aanbod bestaat uit vrijstaande, rijwoningen en half vrijstaande woningen. 8 Woningen zijn goedkope koopwoningen en 7 woningen zijn bedoeld voor sociale huur. Deze worden verhuurd door de woonstichting. 7 Woningen zijn levensloopbestendig. Dit wil zeggen dat voor deze woningen een volledig woonprogramma op de begane grond zal worden gerealiseerd. Op grond van het bestemmingsplan “Dorpen” van de gemeente Baarle-Nassau is deze ontwikkeling niet mogelijk aangezien het plangebied de bestemming ‘Agrarisch’ heeft. Daarom dient het bestemmingsplan te worden herzien.

1.2

Plangebied

Het plangebied ligt in de gemeente Baarle-Nassau, direct westelijk van de Schoolstraat. Onderstaande luchtfoto geeft zicht op het noordelijk deel van Baarle-Nassau en de ligging van de locatie.

Luchtfoto met daarop de ligging van de locatie in rood aangeduid. Bron: ruimtelijkeplannen.nl Het plangebied bestaat uit de gronden die op dit de bestemming Agrarisch hebben. Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit het kadastrale perceel met nummer C 453 (16.370 m2). Daarnaast zullen ook delen van de percelen C 4894 en C 4895 tot het plangebied gaan behoren. Deze laatste twee percelen zullen worden ingericht ten behoeve van ontsluiting en openbaar terrein. De volgende afbeelding toont de ligging van het plangebied.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

7

Luchtfoto met daarop de ligging van het plangebied in rood aangeduid. Bron: kadastralekaart.com

1.3

Doel

Het doel van dit nieuwe bestemmingsplan is het tot stand brengen van een juridische regeling om de gronden binnen het plangebied te ontwikkelen als woongebied.

1.4

Geldend bestemmingsplan

Het vigerende bestemmingsplan is het bestemmingsplan “Dorpen”. De bestemming van het plangebied is “Agrarisch”. Binnen deze bestemming is de bouw van woningen en het gebruik ervan niet toegestaan. Op het gehele perceel is de dubbelbestemming Waarde- Archeologie opgenomen. Deze dubbelbestemming voorziet in een regeling ter bescherming van eventueel in de bodem aanwezige archeologische waarden.

Uitsnede bestemmingsplankaart ruimtelijkeplannen.nl 8

‘Dorpen’

met

in

rood

het

plangebied

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

aangeduid.

Bron:

1.5

Leeswijzer

Het bestemmingsplan “Lanen van Baerle” bestaat uit een set regels en verbeelding en een toelichting daarop. Voorliggende toelichting bevat bovendien de onderbouwing om de haalbaarheid aan te tonen van het beoogde nieuwe bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie beschreven en komen de functionele en ruimtelijke structuur aan bod. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens de beoogde ontwikkeling beschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op de beleidskaders. Er zal onder andere getoetst worden of de ontwikkeling past binnen de beleidskaders op diverse niveaus. In het daaropvolgende hoofdstuk 5 komen de milieuhygiënische en planologische aspecten aan bod. Beoordeeld wordt of de ontwikkeling negatieve effecten heeft op de aanwezige waarden in het gebied dan wel of er mogelijk nog belemmeringen in de omgeving aanwezig zijn die mogelijk beperkend zijn voor de ontwikkeling. Hoofdstuk 6 bevat een juridische planbeschrijving. In hoofdstuk 7 komt de financiële haalbaarheid van het plan aan de orde. Tenslotte wordt in hoofdstuk 8 ingegaan op de maatschappelijke haalbaarheid van het plan.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

9

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie 2.1

Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied is gelegen in een omgeving die sterk transformeert. Direct noordelijk en zuidelijk zijn jonge woningbouwontwikkelingen gerealiseerd. Oostelijk is een aantal jaren geleden een nieuwe basisschool gebouwd. Westelijk en zuidelijk is Belgisch grondgebied gelegen. Ook voor deze gebieden is een nieuw woningbouwplan gerealiseerd (Limfa-terrein). Vanuit ruimtelijk perspectief is het plangebied een restant onbebouwd terrein. Het ontwikkelen van het terrein voor woningbouwbouw past binnen de ruimtelijke en functionele structuur van de directe omgeving.

Foto van de bestaande situatie van het plangebied

10

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1

Nieuwe ontwikkeling

Dit bestemmingsplan voorziet in een regeling op basis waarvan de bouw van 51 grondgebonden woningen kan worden vergund. Tevens voorziet dit bestemmingsplan in het bestemmen van delen van het plangebied voor de aanleg van openbaar gebied ten behoeve de ontsluiting van de woningen en de aanleg van groen, waterhuishoudkundige voorzieningen en wandelpaden. Onderstaande afbeelding toont het stedenbouwkundig plan. De tekening is noordelijk gericht. Westelijk wordt aangesloten op de bestaande weg; Beugelflesstraat. Het nieuwe woongebied krijgt een interne verkeersstructuur. Aan het einde van deze woonstraat wordt een keerlus gerealiseerd. In de noordoostelijke bocht zal een tijdelijke ontsluiting worden gerealiseerd. Deze zal blijven bestaan totdat de gemeente de definitieve ontsluiting op de Chaamseweg of Leliestraat heeft gerealiseerd. In verband met de schoolgaande kinderen zal hierbij alleen uitgaand verkeer (eenrichting) worden toegestaan. Er komen verbodsborden om op werkdagen tussen 8-9 en 14-15 het gebied niet uit te rijden. Op deze tijdstippen moet het woonverkeer via de Limfalaan ontsloten worden. In het zuiden wordt een nieuw openbaar groengebied aangelegd. De woningen die gelegen zijn aan dit groengebied worden aan de noordzijde ontsloten.

In dit groengebied worden natuurlijke laagten aangelegd die gaan dienen voor de buffering van hemelwater afkomstig van de daken en terreinverhardingen. Deze laagten zullen worden gecombineerd met speelaanleidingen. Er is een werkgroep opgericht, bestaande uit een afvaardiging van de school, een natuurgroep, de gemeente en omwonenden. Deze werkgroep maakt plannen voor de inrichting. In de onderstaande afbeelding is de ontsluitingsstructuur met blauw aangeduid, het groengebied is groen omlijnd en de tijdelijke ontsluiting is oranje aangeduid.

Illustratie van het stedenbouwkundig plan. Bron: geWOON architecten. Het woonprogramma bestaat uit 29 koopwoningen in de vrije sector. Deze bestaan uit vrijstaande woningen, half vrijstaande woningen en rijwoningen. Het betreft een bouwplan met een sterk gevarieerd aanbod. Tevens bestaat het bouwplan uit 8 goedkope koopwoningen, waarvan er 2 op de hoeken (donkergroen in de volgende afbeelding) op de verdieping zijn gelegen en 7 sociale BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

11

huurwoningen. 7 woningen beschikken over een volledig woonprogramma op de begane grond en zijn daarmee levensloopbestendig. De volgende afbeelding toont het bouwprogramma.

Illustratie van het woonprogramma. Bron: Van Gisbergen

Illustratie van het groengebied. Bron: Buro Hofsteden

3.2

Architectuur/ beeldkwaliteit

Het plangebied bestaat uit rijwoningen, tweekappers, vrije kavels en seniorenwoningen. Hiervoor is een aantal architectonische uitgangspunten gekozen. Deze zijn beschreven in de bijlage bij deze toelichting (Beeldkwaliteitplan ‘Lanen van Baerle’; geWOON architecten) en gelden voor alle 12

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

woningtypes.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

13

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten het de komende jaren wil investeren. Provincies en gemeentes krijgen meer bevoegdheden bij ruimtelijke ordening. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals verbetering van de bereikbaarheid. Op 13 maart 2012 is de SVIR in werking getreden. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; • •

de bereikbaarheid verbeteren; zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is tot nu toe gedeeltelijk vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuur Netwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen. In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: - Rijksvaarwegen; - Mainportontwikkeling Rotterdam; - Kustfundament; - Grote rivieren; - Waddenzee en waddengebied; - Defensie - Hoofdwegen en landelijke spoorwegen - Elektriciteitsvoorziening; - Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; - Natuur Netwerk Nederland; - Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; - IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); - Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Geen van de nationale belangen heeft betrekking op het project.

Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen die nieuwe woningen mogelijk maken, de treden 14

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

van deze ladder doorlopen moeten worden. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro gaat in op duurzame verstedelijking en luidt als volgt: Lid 2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt in het Bro de de daarop berustende bepalingen onder stedelijke ontwikkeling verstaan: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaven, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk 51 nieuwe woningen binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren. Er is sprake van een woningbouwlocatie en dus van een stedelijke ontwikkeling zoals op grond van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt verstaan. Toepassing van de Ladder is daarom aan de orde.

De onderbouwing voor de behoefte en de regionale afstemming is opgenomen in de ‘Ladder voor Duurzame Verstedelijking Lanen van Baerle, dd 4 december 2020, opgesteld door BRO. Dit rapport is als bijlage toegevoegd aan de toelichting. De conclusie luidt als volgt; Het initiatief Lanen van Baerle, met een gemixt programma van betaalbare koop- en huurwoningen, levensloopbestendige/levensloopgeschikte woningen, middeldure gezinswoningen en dure koopwoningen, voorziet in een kwalitatieve behoefte. • Binnen de subregio Breda is het voor de kernen rondom het stedelijk concentratiegebied (o.a. Baarle) aantrekkelijk om het landelijk dorpse karakter te koesteren en verder te versterken. Dorpse en landelijke woonmilieus, met stedelijke kenmerken, zijn veelgevraagd in de gemeente Baarle-Nassau. Het initiatief Lanen van Baerle speelt hierop in door woningen te realiseren in een dorpswoonmilieu met een landelijke Kempische architectuurstijl. • De gemeente Baarle-Nassau streeft naar een divers woonprogramma en gemixte wijken. De ambitie van de gemeente is om een woningvoorraad te bieden met een passend aanbod voor gezinnen (ruimere, dure koopwoningen), maar ook voldoende aanbod voor huishoudens met lagere en middeninkomens (onder andere jongeren en starters). Ook oudere inwoners worden niet vergeten.

De gemeente heeft de ambitie om passend woningaanbod voor deze doelgroep uit te breiden door levensloop-geschikte woningen te realiseren. Het initiatief Lanen van Baerle zet in op een gemixt programma dat voor het merendeel bestaat uit woningen geschikt voor gezinnen, namelijk middeldure gezinswoningen (30-35%) en dure koopwoningen (35-40%). Daarnaast worden betaalbare koop- en huurwoningen gerealiseerd (20-25%) voor huishoudens met een lager inkomen, waaronder jongeren en starters. Het initiatief zet bovendien in op de realisatie van levensloopbestendige dan wel levensloopgeschikte woningen (10-15%). Met dit woningbouwprogramma sluit Lanen van Baerle aan op de wens om een woningvoorraad te realiseren die gedurende een lange periode inspeelt op de woonwensen van verschillende doelgroepen. • In de gemeente Baarle-Nassau is enerzijds behoefte aan duurdere gezinswoningen in de koopsector (vanaf 275.000 à 300.000 euro). Anderzijds is er vraag naar goedkopere eengezinswoningen en appartementen. Binnen het initiatief Lanen van Baerle worden beide type woningen gerealiseerd met de nadruk op gezinswoningen in de koopsector (30-35% middeldure gezinswoningen, 35-40% dure koopwoningen), gevolgd door betaalbare koop- en huurwoningen (20-25%). Daarmee voorziet het initiatief in een kwalitatieve behoefte binnen de gemeente.

Conclusie Er is sprake van een behoefte aan de stedelijke ontwikkeling. Hiermee is sprake van duurzame verstedelijking. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

15

4.2

Provinciaal beleid

Brabantse Omgevingsvisie Vooruitlopend op de Omgevingswet heeft de Provincie Noord-Brabant reeds haar Omgevingsvisie opgesteld. De Omgevingswet heeft onder ander als doel om de overzichtelijkheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht te verbeteren. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. In de Brabantse Omgevingsvisie staat de fysieke wereld centraal. Deze fysieke wereld manifesteert zich in vier elementen: water, aarde, lucht en vuur (energie). De basis is dat deze elementen in balans zijn en blijven bij ruimtelijke transities. Draagvlak en draagkracht zijn hierbij belangrijke aspecten. De Brabantse Omgevingsvisie bestaat uit zeven hoofdstukken. In hoofdstuk 5 staat beschreven wat de kernwaarden zijn voor het handelen van de Provincie. Hierin wordt onder andere verwoord dat de Provincie gaat voor meerwaarde-creatie. Dit betekent dat uitdrukkelijk gekeken wordt naar de effecten van ontwikkelingen op sociale inclusiviteit, veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. De beoogde ontwikkeling betreft een goede bijdrage aan de verbetering van de omgevingskwaliteit doordat met het woningbouwplan sprake is van een inpassing in en afronding van de stedenbouwkundige structuur is sprake van een versterking van de omgevingskwaliteit.

Omdat het bouwplan voorziet in verschillende woningtypen is sprake van een bouwplan voor verschillende doelgroepen. Er is sprake van een grote mate van sociale inclusiviteit. De beoogde ontwikkeling past binnen de kernwaarden voor het handelen van de Provincie. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening (IOV) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 januari 2022 in werking. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de omgevingsvisie.

Er heeft voor de Interim verordening geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moeten worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. De Interim omgevingsverordening is digitaal. Dit betekent dat alle regels gekoppeld zijn aan een op een digitale kaart weergegeven werkingsgebied. Door op een willekeurig punt in de kaart te klikken, kan iemand zien welke regels op die plek gelden. In hoofdstuk 3 zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen bij de uitvoering van hun bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. De instructieregels uit hoofdstuk 3 gelden niet alleen voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen en uitvoeringsbesluiten. Instructieregels voor het plangebied Op basis van kaart 3 voor gemeenten – stedelijke ontwikkeling en erfgoed is duidelijk dat het plangebied is gelegen in het “Landelijke kern” en dat sprake moet zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

Hiervoor geldt dat de ontwikkeling moet passen in regionale afspraken en dat invulling 16

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

moet worden gegeven aan de doelen op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie en veilige, gezonde woonomgeving. Artikel 3.42, lid 2 van de IOV beschrijft de voorwaarden voor een duurzame ontwikkeling voor wonen, werken en voorzieningen. Deze luiden als volgt: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Met de beoogde ontwikkeling wordt het bestaand stedelijk gebied beter benut waardoor sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. De woonfunctie is passend binnen de omgeving die gedomineerd wordt door woningen. Hierdoor wordt er aangesloten op de bestaande lagen (ondergrond- netwerk- en bovenste laag). Er is dus sprake van een bevordering van de omgevingskwaliteit. De woningen zullen gebouwd worden naar de huidige maatstaven voor wat betreft duurzaamheid. In de openbare ruimte wordt een grote wadi gepland voor de opvang van hemelwater. Dit gaat hittestress tegen.

Voorwaarden e en f hebben geen betrekking op de bouw van woningen en zijn daarom niet van toepassing. Met de bouw van verschillende woningtypen wordt een sociale meerwaarde gecreëerd doordat woningen voor verschillende doelgroepen worden gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw van 51 woningen met een gevarieerd woningaanbod. Een dergelijke ontwikkeling past binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma en is sprake van een duurzame verstelijking zoals beschreven in paragraaf 4.1 (ladder voor duurzame verstelijking). Bevordering ruimtelijke kwaliteit Voor het plangebied gelden ook de instructieregels aan gemeente die overeenkomen met de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. In artikel 3.5 uit de omgevingsverordening is beschreven dat voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving rekening moet worden gehouden met: a. Zorgvuldig ruimtegebruik b. De waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering c. Meerwaardecreatie Hierbij ligt het provinciaal belang vooral in het landelijk gebied. De ontwikkeling vindt plaats in een bestaand woongebied. Het bestaand bebouwingspatroon wordt aangevuld. De bouwhoogten zijn afgestemd op de hoogten van de bestaande panden.

De ontwikkeling past binnen de omgeving en er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik door het beter benutten van gronden in bestaand stedelijk gebied. Conclusie De ontwikkeling voldoet aan het beleid van de Provincie Noord-Brabant.

4.3

Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau (2019) In de Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau (2019) wordt richting gegeven aan ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente met een visie op thema’s en op deelgebieden. De gemeente kent op dit moment al grotere woningbouwlocaties die op korte termijn gerealiseerd worden en die al grotendeels vastliggen in plannen. Gelet op de bevolkingsontwikkeling lijken nieuwe grote BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

17

woningbouwplannen niet meer nodig. Dit betekent niet dat er geen nieuwbouw meer nodig is, maar de focus wordt meer gelegd op de bestaande woningvoorraad. Doelen: • Een toekomstbestendige woningvoorraad die duurzaam is en aansluit op de behoefte van inwoners, ook op langere termijn. • Een geschikte (levensloopbestendige) woning voor iedereen. Het plangebied is opgenomen als ‘nieuw woongebied/ reservering’. Voor deze gebieden gelden enkele aandachtspunten: • Zorgvuldig ruimtegebruik door de focus op het bestaand stedelijk gebied. • Benutten van nieuwe woningbouwlocaties voor toevoeging van (vanzelfsprekend duurzame) woningen in aanvulling op het bestaande woningaanbod. • Faciliteren van verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. • Nieuwe woningbouwprojecten bij laten dragen aan verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. • Inzetten op ruimtelijke kwaliteit. De geplande ontwikkeling voorziet in de bouw van woningen die voldoen aan de tegenwoordige eisen ten aanzien van duurzaamheid en duurzaam bouwen. Het plangebied is gelegen in bestaand stedelijk gebied. Er bouwplan past binnen de beleidsuitgangspunten zoals beschreven in de Omgevingsvisie. Woonvisie 2018-2023 In de Woonvisie 2018-2023 krijgen vijf thema’s de komende jaren prioriteit in de gemeente Baarle-Nassau: • Identiteit van het wonen in Baarle-Nassau.

Inzetten op het behoud en waar mogelijk versterken van de bruisende identiteit van de gemeente en de kernen. Bij woningbouwinitiatieven wordt aangesloten bij de kernwaar-den van de gemeente: dorps karakter en een groene landschappelijke uitstraling. Bovendien wordt rekening gehouden met de schaal en het karakter van de kernen. Vooral in de kern Baarle onderzoeken in hoeverre de regionale aantrekkingskracht van de gemeente kan worden benut. • Demografie en de woningbehoefte. De provinciale prognoses worden als richtinggevend beschouwd, nadrukkelijk niet als maximum. De gemeente streeft naar een woningvoorraad die kwantitatief en kwalitatief aansluit op de woonbehoeften van huidige en toekomstige inwoners. De focus ligt op de bestaande woningvoorraad, nieuwbouw is aanvullend. Desalniettemin wordt gestreefd naar een continue nieuwbouwproductie. o Met de focus op het bieden van een passend aanbod voor gezinnen (ruimere, dure koopwoningen). o Voldoende aanbod voor huishoudens met lagere en middeninkomens blijft een aandachtspunt, waaronder voor jongeren en/of starters. o Bij nieuwbouw op centrumlocaties wordt ingezet op toevoeging van levensloopgeschikte woningen, geschikt voor meerdere doelgroepen. o De gemeente zet in op het op peil houden van het bouwtempo en richt zich de komende jaren op ontwikkeling van de rest van Limfa en de locatie Maaijkant (Ulicoten). • Betaalbaar wonen.

Hierbij zet de gemeente in op voldoende beschikbaar woningaanbod in de sociale huursector en een toereikend aanbod betaalbare koopwoningen. • Kwaliteit van de woningvoorraad. In de bestaande voorraad is structureel aandacht voor woningverduurzaming, zowel in de sociale huursector als in de particuliere huur en de koopsector. Nieuwbouw is in principe gasloos en gaat waar mogelijk verder dan het Bouwbesluit. • Wonen met zorg en welzijn. Met als ambitie dat er voor ouderen die willen verhuizen voldoende geschikte woningen beschikbaar zijn. Het geplande bouwplan voorziet in een gevarieerd aanbod voor verschillende doelgroepen en past binnen de uitgangspunten genoemd in de Woonvisie. Conclusie De ontwikkeling voldoet aan het beleid van de gemeente Baarle-Nassau 18

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 5 Milieuhygiënische aspecten 5.1

en

planologische

Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid, landschap en ruimtelijke ordening. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de beoogde ontwikkeling. De milieukwaliteit vormt dan ook een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de milieuhygiënische en overige planologische aspecten. Indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De eventuele onderzoeksrapportages zijn separate bijlagen bij de toelichting. In deze toelichting zijn de samenvattingen en conclusies opgenomen.

5.2

Parkeren en ontsluiting

De gemeente Baarle-Nassau streeft naar een evenwichtige balans tussen parkeervraag en -aanbod waarbij aan de parkeerbehoefte van diverse doelgroepen (bewoners, bezoekers en bedrijven) zoveel mogelijk wordt voldaan, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Parkeerbehoefte Voor de beoogde ontwikkeling speelt ook de vraag wat de nieuwe functies aan parkeerbehoefte met zich meebrengen en op welke wijze deze parkeervraag kan worden ingepast. Uitgangspunt daarbij is dat deze ruimtebehoefte in principe op het eigen terrein, dus niet in de openbare ruimte wordt opgevangen. Voor het bepalen van de parkeervraag hanteert de gemeente Baarle-Nassau parkeernormen en heeft deze vastgelegd in de “Nota Parkeernormen 2011”. Op basis van deze normen wordt het aantal benodigde parkeerplaatsen als gevolg van de ontwikkeling bepaald. Berekening benodigd aantal parkeerplaatsen De nota hanteert een norm per woning. Er wordt onderscheid gemaakt naar omvang van de woningen. Woningtype Woningen groter dan 100 m2 Woningen tussen 60 m2 en 100 m2 Woningen kleiner dan 60 m2

norm 2,0 1,8 1,5

aantal woningen 7 9 35

Aantal plaatsen 14 16,2 52,5

Dit betekent dat voor de beoogde ontwikkeling in totaal 82,7 parkeerplaatsen nodig zijn. Deze kunnen in het nieuw aan te leggen openbaar gebied en op de woonpercelen worden gerealiseerd. De nota hanteert voor het parkeren op de woonpercelen een theoretisch aantal dat meegenomen mag worden in de parkeeroplossing. Zo heeft telt een lange oprit van minimaal 12 meter met garage voor een groter aantal plaatsen mee dan een garage zonder oprit. In het bouwplan is hier rekening mee gehouden. In totaal zal er binnen het plan, rekening houdend met de theoretische aantallen op de woonpercelen 83 parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Inzicht in de parkeerbalans en de wijze waarop de plaatsen ingepast zijn is zichtbaar in de bijlage (parkeerbalans dd 8 april 2021) bij deze toelichting. Daarbij speelt ook nog dat aan de oostzijde van de Schoolstraat nog eens 16 parkeerplaatsen worden aangelegd. Deze liggen buiten het plangebied en bieden extra parkeergelegenheid. Conclusie Op basis van de parkeernormen is berekend dat er 82,7 parkeerplaatsen benodigd zijn. Er is voldoende parkeergelegenheid aanwezig. Ontsluiting De woningen worden middels een interne ontsluitingsweg direct ontsloten op de zuidelijk gelegen Beugelflesstraat. Met de aanleg van deze wijkontsluitingsweg is reeds rekening gehouden met de BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

19

ontwikkeling van het plangebied. Daarom moet geconcludeerd worden dat de capaciteit van de omliggende wegen voldoende is om de verkeersgeneratie van de nieuwe woningen op te kunnen vangen. Het aspect “parkeren” en “ontsluiting” is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.3

Water

In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond, middels een hydrologisch onderzoek, dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Sinds juli 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de Ruimtelijke Ordening. Het besluit verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van alle ruimtelijke plannen. Ten aanzien van het beleid rond- en om water is het met name van belang of de wijzigingen een effect kunnen hebben op de hydrologische situatie. Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hun keuren geharmoniseerd. De grenswaarde waaraan getoetst wordt is een verhardingstoename van 500 m2 of meer. In da geval dient er rekening gehouden te worden met een wateropgave van 60 mm per m2 aan verhardingstoename. Met de beoogde ontwikkeling is sprake van een verhardingstoename van meer dan 500 m². Verderop in deze paragraaf wordt hier inzicht in gegeven. Daarmee wordt voldaan aan de actuele grenswaarde van een toename van 500 m2. Vanuit de Algemene Regel van Waterschap Brabantse Delta is er verplichting tot aanleg van een retentievoorziening of infiltratievoorziening.

Aanvullend op de beleidsregels is het stuk “Hydrologische uitgangspunten bij de keurregel voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. Het bovenstaande resulteert in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik 2. Vasthouden 3. Bergen en afvoeren 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. Afvoeren naar de riolering Gemeentelijk waterbeleid Op 4 november 2020 heeft de gemeenteraad van Baarle-Nassau het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) 2021-2025 vastgesteld. In het vGRP verwoordt de gemeente hoe zij invulling geeft aan de gemeentelijke taken rondom afval-, hemel- en grondwater. De gemeente wil zich nadrukkelijk profileren als groene gemeente met een veerkrachtig watersysteem, een goede waterkwaliteit, waarvan duurzaam gebruik wordt gemaakt en waarbij natuurwaarden worden hersteld. In de vGRP wordt het watersysteem in het stedelijk gebied in grofweg drie delen verdeeld;

• •

Het stedelijk watersysteem: hemelwater, de vijvers, grachten en sloten; Het grondwatersysteem dat zich in het hele stedelijk gebied onder de wegen, woningen en groenvoorzieningen bevindt; • Het afvalwater systeem: afvoer van het overschot van water (afval-, hemel- en grondwater) naar zuivering of oppervlaktewater. De drie systemen staan onlosmakelijk met elkaar in verbinding en worden gevoed door neerslag ofwel hemelwater (regen, hagel en sneeuw). Hemelwater komt in de grond en/of wordt opgevangen door de verschillende systemen om wateroverlast in woningen en straten te voorkomen. De loop van het hemel- en grondwater geschiedt op verschillende wijze:

20

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

• • • • • • • •

Het hemelwater wordt apart van het afvalwater ingezameld (gescheiden stelsel); Het hemelwater wordt gezamenlijk met afvalwater ingezameld (gemengd stelsel); Het apart ingezamelde hemelwater wordt direct getransporteerd naar het oppervlaktewater; Het hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem; Het grondwater stroomt in de regel naar het oppervlaktewater; Het grondwater inzamelen en transporteren naar het RWA-riool in een gescheiden stelsel); Het grondwater inzamelen en afvoeren naar het gemengd stelsel; Het grondwater inzamelen ten behoeve van drinkwaterproductie.

Waterhuishoudkundig plan Voor onderhavige ontwikkeling is een passend watersysteem ontwikkeld, rekening houdend met bovengenoemde wijze waarop met water moet worden omgegaan. Dit watersyteem is beschreven in het waterhuishoudkundig plan (TBInfra dd 17 november 2021) en is in zijn geheel als bijlage aan de toelichting toegevoegd. Hierbij is rekening gehouden met een verhardingstoename en met het beschikbaar watersysteem zoals dat in 2014 voor het Limfa-terrein is opgesteld. De belangrijkste zaken van het waterhuishoudkundig plan luiden als volgt; Wateropgave hemelwater Conform de nieuwbouwplannen wordt 9.385 m2 van het plangebied verhard. Met een bergingseis van 60 mm resulteert dit in een bergingsopgave van 564 m3 (563,10 m3). Voor de uitwerking is ervoor gekozen deze bergingsopgave volledig in een bovengrondse waterberging te realiseren. Hierbij is de vormgeving van de waterberging achter de kavels 34 t/m 38 als uitgangspunt aangehouden. Deze waterberging heeft een maximale diepte van 1,20 m en een taludverhouding van 1:3. Voor het plangebied is daarmee een maximale waterpeil van 1,20 m vastgesteld. De lediging van het stelsel vindt plaats via infiltratie. Enerzijds via het infiltratieriool en anderzijds via de bovengrondse waterberging. Dit onderscheid is noodzakelijk i.v.m. een verschil in k-waarde.

Voor de riolering kan een kwaarde van 2,7 m/dag worden aangehouden, maar voor de bovengrondse waterberging dient i.v.m. de grasmat gerekend te worden met een k-waarde van 0,5 m/dag. Middels deze gegevens wordt de ledigingstijd van het stelsel bepaald. Doordat het waterpeil van de waterberging gedurende de lediging afneemt is het infiltratieoppervlak van het talud voor de helft meegenomen. De volgende infiltratieoppervlakten zijn meegenomen. • Riolering: 273 m2 • Bodem bovengrondse waterberging: 374 m2 • Taludoppervlak bovengrondse waterberging: 126 m2 Het riool heeft daarmee een infiltratiecapaciteit van 738 m3/dag en de bovengrondse waterberging een infiltratiecapaciteit van 250 m3/dag. De totale infiltratiecapaciteit ligt daarmee op 988 m3/dag. De benodigde bergingsopgave is daarmee in ca 13 uur weer volledig beschikbaar. Beschermingsgebied Op basis van de Watertoetskaart is bepaald dat de projectlocatie niet is gelegen in een “beschermde zone”. De ontwikkeling zal geen negatieve effecten hebben op een Natura 2000 gebied.

Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De stedelijke ontwikkeling heeft geen rechtstreekse invloed op het oppervlaktewater. Afvalwater Ook voor de verwerking van het afvalwater is in het waterhuishoudkundig plan aandacht besteed. Het afvalwater zal gescheiden van het hemelwater worden aangeboden. Hiervoor is onder andere het BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

21

volgende bepaald. Voor een volledige behandeling van het waterhuishoudkundig plan, wordt verwezen naar de genoemde bijlage van TBInfra; De 51 nieuwbouwwoningen dienen te worden aangesloten op een vuilwaterstelsel. Zoals aangegeven wordt voor dit plangebied gerekend met een bezettingsgraad van 3 inwoners per woning. De gemeente dient dan ook rekening te houden met een extra belasting van 2,29 m3/uur. Lettend op deze belasting kan in het plangebied een riolering worden aangelegd met de minimale diameter van 250 mm. Het aspect “water” is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.4

Natuur

Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Vanaf 1 januari 2017 is er de Wet natuurbescherming in. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. De uitvoering van de Wet natuurbescherming ligt bij de Provincie. Ten behoeve van de ontwikkeling is een natuuronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is in zijn geheel toegevoegd aan dit bestemmingsplan. De conclusie luidt als volgt; Beschermde natuurwaarden Het plangebied is niet gelegen in of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden zullen geen negatieve effecten ondervinden van de geplande ontwikkelingen, ten opzicht van het huidige gebruik. Er vinden geen verhoogde emissies van licht, geluid of stoffen plaats die van negatieve invloed zouden kunnen zijn op Natura 2000 gebieden. Een vergunning Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Flora Bij de veldinspectie is het plangebied onderzocht door een ervaren vegetatiekundige, op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. De locatie laat zich omschrijven als voedselrijke gebruiksgrond. Op en langs de randen van de percelen zijn enkel vrijgestelde soorten en zijn er geen beschermde soorten aangetroffen.

Het plangebied is met nadruk geïnspecteerd op potentiële groeiplaatsen voor beschermde soorten. Deze soorten of hun groeiplaatsen zijn niet aangetroffen in het plangebied. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie. Ongewervelden Beschermde ongewervelden, zoals bepaalde vlinders, libellen en kevers, zijn niet aangetroffen op de planlocatie. De locatie bevatten geen natuurlijk ontwikkelde oevervegetaties of arme- of matig-voedselrijke vegetaties. Beschermde soorten zijn vaak zeer specifiek in hun biotoopkeuze en afhankelijk van de aanwezigheid van (vaak zeldzame en kwetsbare) waardplanten of vegetaties. Op de planlocatie ontbreken deze omstandigheden, waardoor ook geschikte biotopen voor deze beschermde ongewervelden ontbreken. Op basis van de aangetroffen omstandigheden kan worden geconcludeerd dat er geen beschermde soorten voorkomen. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie. Amfibieën, vissen en reptielen Potentiële geschikte water- en oeverstructuren voor beschermde soorten ontbreken op de ontwikkellocatie zelf. Beschermde amfibieën- of vissoorten zullen hierdoor geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied.

In theorie is het mogelijk dat er in het plangebied enkele algemene amfibieënsoorten, zoals bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn (artikel 3.10), worden zij niet bedreigd in hun voorkomen en staan vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant. Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaat-sen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (hier van toepassing). Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op de planlocatie zijn geen overig beschermde soorten aangetroffen. Op basis van de 22

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie. Broedvogels Ten tijde van de veldinspectie zijn er geen broedgevallen waargenomen op de planlocatie. Langs de oostgrens is in een dode boom een spechtengat aangetroffen. Met een endoscoopcamera is vastgesteld dat het hier niet om een gebruikte nestlocatie gaat. De aanwezige groenstructuren kunnen potentiële broedlocaties voor algemene vogelsoorten omvatten. Jaarrond beschermde nesten komen niet voor in de aanwezige groenstructuren. Alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van de nieuwe Wet natuurbescherming. U dient daarom gedurende eventuele kapwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Er wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. Ter voorkoming van het verstoren van broedende vogels wordt aangeraden eventuele kapwerkzaamheden tussen half juli en half maart (buiten het broedseizoen) te verrichten.

Het verstoren van broedende vogels is verboden conform de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van broedende vogels wordt geen ontheffing verleend. Kap in deze periode verkleint de kans op verstoring van broedende vogels. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie. Zoogdieren Het is mogelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort op de locatie kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, konijn, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Brabant tot de vrijgestelde soorten. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen hoeft voor deze soorten geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober. In de provincie Noord-Brabant zijn de bunzing, hermelijn en wezel eveneens beschermd. De locatie is uitvoerig geïnspecteerd op sporen die duiden op de aanwezigheid van deze soorten. Ook is gekeken of er op de locatie potentieel geschikt habitat aanwezig is.

Er zijn geen sporen zoals prooiresten, pootafdrukken, wissels, uitwerpselen of nestmateriaal aangetroffen. De open gronden maken dat de planlocatie geen essentiële onderdelen van marter-biotoop bevat. Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep beschermde soorten. Geschikte verblijfslocaties voor vleermuizen ontbreken op de locatie. In de omgeving kunnen in theorie algemene soorten zoals gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en laatvlieger (Eptesicus serotinus) voorkomen. Deze dieren zijn cultuurvolgers en maken vaak gebruik van lijnvormige groen- en bebouwingsstructuren en straatverlichting. In de bebouwde kern die de planlocatie omsluit zijn meerdere van deze structuren aanwezig, waardoor migratie- of foerageerroutes van vleermuizen niet worden aangetast door de voorgenomen plannen. De geplande ontwikkeling heeft door gebrek aan geschikte verblijfslocaties of het ontbreken van een gebruiksfunctie (foerageergebied of vliegroute) geen negatieve effecten op lokale populaties vleermuizen. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie. Stikstofdepositie Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur.

Daarom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw, wegenbouw of de industrie) waar stikstof bij vrij komt. Ook voor de bouw van de nieuwe woning is het nodig inzicht te krijgen in de stikstofdepositie op in de omgeving van het plangebied gelegen Natura-2000 gebieden. Om een zorgvuldige afweging te maken bij nieuwe activiteiten wordt AERIUS Calculator ingezet. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

23

Hiermee kan berekend worden welke depositie een project veroorzaakt en op welke natuurgebieden die depositie neerslaat. Met het gebruik van AERIUS Calculator kunnen projecten doorgang vinden waar kan worden aangetoond dat een activiteit niet tot een toename, (groter dan 0,00 mol/ha/jaar) van depositie leidt. Er is dan namelijk geen toestemming vereist voor het aspect stikstofdepositie. Daarnaast is het met AERIUS Calculator mogelijk om vergunningen aan te vragen op grond van intern salderen. Voor het project is daarom een AERIUS berekening opgesteld. De uitgangspunten, resultaten en conclusie van deze berekening is als bijlage aan deze toelichting gevoegd. De conclusie luidt als volgt: Uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in zowel de aanlegfase en de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. In beide situaties bedraagt de stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jr. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie in de aanlegfase en de gebruiksfase, geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura-2000 gebieden veroorzaakt. Conform de “Handreiking Voortoets Stikstof van BIJ12 is geen passende beoordeling noodzakelijk. Nadelige gevolgen voor natuurwaarden worden daarom niet verwacht.

5.5

Archeologie en cultuurhistorie

De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Archeologie Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Bij ingrepen waarbij de ondergrond ernstig wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De gemeente Baarle-Nassau heeft haar archeologiebeleid vastgelegd in de Archeologische beleidskaart en deze middels bestemmingsplannen verankerd in haar ruimtelijk beleid. Op grond van de Archeologische beleidskaart blijkt dat het plangebied een hoge verwachtingswaarde heeft. De beoogde ontwikkeling voorziet in activiteiten waarvoor een onderzoek verplicht is.

24

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Uitsnede Archeologische beleidskaart en uitsnede legenda. In zwart is het plangebied omlijnd. Voor de projectlocatie is een bureauonderzoek gedaan naar de archeologische waarden in het gebied. Het rapport is in zijn geheel als bijlage toegevoegd aan deze toelichting. De conclusie luidt als volgt; Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting kunnen in het hele plangebied archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De gespecificeerde archeologische verwachting is middelhoog voor archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum tot het Mesolithicum en hoog voor archeologische resten uit alle periodes vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, karterend en waarderend proefsleuven-onderzoek. Voor de uitvoering van de werkzaamheden zal het nader onderzoek worden uitgevoerd. Ter verzekering van eventueel in de bodem voorkomende archeologische waarden is de vigerende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ overgenomen. Als tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

25

hiervan terstond melding worden gemaakt bij het bevoegd gezag. Als blijkt dat de aangetroffen resten of sporen gedocumenteerd dienen te worden, zal overleg plaatsvinden tussen de initiatiefnemer en de bevoegde overheid waarin besproken wordt welke tijd en ruimte beschikbaar is om op een gedegen manier waarnemingen te verrichten. Op deze manier zijn toevalsvondsten ook tijdens de bouw op een goede manier verzekerd. Cultuurhistorie Binnen of in de nabijheid van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen of gebouwen aanwezig. De provincie ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft ze haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Prominent op de CHW is het provinciaal cultuurhistorisch belang. Het gaat hierbij om erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. Dit belang hangt nauw samen met het provinciaal ruimtelijk belang, zoals benoemd in de Interim Omgevingsverordening. Het provinciaal belang is beperkt tot het landelijk gebied, waar de provincie haar belangrijkste taak heeft. Op grond van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is het plangebied opgenomen in het vlak ‘Brabant in het zand’. Het plangebied behoort niet tot de in de waardenkaart genoemde essentiële aspecten.

Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Het aspect “archeologie en cultuurhistorie” is na het doen van zorgvuldig veldonderzoek voor archeologie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.6

Milieuzonering, geur en spuitzones

Bij elk ruimtelijk besluit zal er sprake moeten zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat gevoelige functies (zoals wonen) geen overlast mogen hebben van in de omgeving aanwezige en toegestane bedrijven. Aan de andere kant moet ook gemotiveerd zijn dat de rechten van bestaande bedrijven in de omgeving niet geschaad worden door een besluit dat een nieuw gevoelig object mogelijk maakt. Omdat hier sprake is van de toevoeging van woningen (gevoelig object) verdient het aspect “milieuzonering” aandacht. Bedrijvigheid en richtafstanden Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijfsvestigingen en/of inrichtingen mogelijk kunnen worden gemaakt. Dit houdt in dat er een voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig dient te zijn tussen milieubelastende bedrijven en/of inrichtingen en woongebieden of woningen. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Zonering of functiemenging Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 (VNG-brochure). In deze brochure worden onder meer richtafstanden aangegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt dat de in de brochure genoemde richtafstand met één stap kan worden verlaagd.

Ook beschrijft de brochure gebieden waarbinnen functiemenging juist gewenst is bijvoorbeeld in stadscentra. Voor dit soort gebieden kent de brochure de systematiek van functiemenging. De projectlocatie is niet gelegen in een omgeving waar functiemenging wordt nagestreefd. Een beoordeling op basis van zonering is nodig. Zonering In de nabijheid van het plangebied overheerst de woonfunctie. Oostelijk van het plangebied is een basisschool gelegen. Op basis van de VNG-brochure behoort een basisschool tot milieucategorie 2 (SBI-852). De richtafstand bedraagt 30 meter. Door de ligging van de Schoolstraat en de planning van 26

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

de interne wegenstructuur van het bouwplan aan de oostzijde wordt aan deze richtafstand voldaan en moet geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon-, en leefklimaat ter plaatse van de woningen in het plangebied. Noordelijk van het plangebied is een bestaande woonwijk gelegen. Ten westen van de locatie, op Belgisch grondgebied is een slijter (Prik en Tik) gelegen. Detailhandel tbv particulieren kent op basis van de VNG-brochure de milieucategorie 1. De richtafstand is 10 meter. De afstand tussen de bedrijfsactiviteiten en het plangebied bedraagt circa 25 meter. Bovendien is het groengebied in het plangebied gelegen tussen de bedrijfsactiviteiten en de nieuwe woningen waardoor de afstand tot de nieuwe woningen nog groter is. Geconcludeerd moet worden dat sprake is van een goed woon-, en leefklimaat en dat de belangen van de slijter niet worden geschaad. Ten zuiden van het plangebied op een afstand van 60 meter tot de dichtstbij gelegen nieuwe woning is een handelsbedrijf in metalen producten gelegen (Leo van Tilburg). De bedrijfsactiviteiten komen op basis van de VNG-brochure overeen met die van een bouwmarkt. De milieucategorie voor een bouwmarkt is 2. De richtafstand is 30 meter. Hieraan wordt voldaan. Geconcludeerd moet worden dat sprake is van een goed woon-, en leefklimaat en dat de belangen van het handelsbedrijf in metalen producten niet worden geschaad.

Ten aanzien van het belang van het bedrijf moet nog worden gesteld dat de nieuwe woningen niet maatgevend zijn voor het bedrijf aangezien er reeds bestaande woningen op kortere afstand tot het bedrijf aanwezig zijn. Conclusie Hiermee is gemotiveerd dat er met de beoogde ontwikkeling geen sprake is van nadelige gevolgen voor de belangen van de omliggende bedrijven en dat er geen milieuhinder te verwachten is voor de beoogde woningen. Het aspect “Milieuzonering” is daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Geurhinder agrarische bedrijvigheid De wetgeving rondom geur heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen en vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekeningen gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: • •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11445491/1