Bijlage 16 - Ruimtelijke onderbouwing Weitje Bruurs mei26
Tekst van het document
Dit omvat een goede ventilatie, het gebruik van materialen met lage emissies van schadelijke stoffen en het ontwerpen van voldoende groen- en recreatievoorzieningen. De wijkopzet houdt rekening met een veilige en toegankelijke inrichting voor langzaam verkeer. Het plan biedt ruimte voor voetgangers en fietsers en maakt het mogelijk om elektrische voertuigen op eigen terrein op te laden. Daarmee sluit de ontwikkeling aan op het streven naar duurzame mobiliteit en een gezonde leefomgeving. Door deze integrale benadering van duurzaamheid en toekomstbestendigheid wordt met de ontwikkeling een woonomgeving gerealiseerd die niet alleen aansluit bij de huidige behoeften van bewoners, maar ook voorbereid is op toekomstige uitdagingen, met respect voor mens en milieu.
Pagina 20 van 49
4. Bescherming van gezondheid en milieu Op grond van het bepaalde in het Bkl dient te worden aangetoond of met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten wordt in dit hoofdstuk beschreven of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.1. Geluid Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Ook zijn er regels in het (tijdelijk) omgevingsplan opgenomen voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit.
4.1.1. Toetsing normen
In het kader van de planologische procedure dient aangetoond te worden dat wordt voldaan aan de normen voor wat betreft geluid. De handreiking Activiteiten en milieuzonering kan worden gebruikt bij het bepalen van de toelaatbaarheid en inpassing van milieuhinderlijke activiteiten. Uitgangspunt voor de zonering van geluid bij industrie activiteiten is de basiswaarde voor een milieuhinderlijke activiteit van 50 dB(A) etmaalwaarde op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. Deze basis geluidruimte sluit aan bij de in de praktijk bekende ‘standaard’, die ook is opgenomen in artikel 22.71 van het omgevingsplan. Voor veel activiteiten zal deze waarde toereikend zal zijn. Deze basiswaarde geldt voor alle activiteiten tezamen die op de locatie van de milieuhinderlijke activiteit worden verricht. De waarden voor het geluid door een activiteit gelden, als het gaat om een geluidgevoelig gebouw, op de gevel. Een locatie ligt ten alle tijden in het gemengde gebied met wonen, tenzij er duidelijk sprake is van een rustige woonwijk. Voor een gemengd gebied met wonen geldt geen functiescheiding met inwaartse zonering. Hierdoor zijn er geen aanvullende planregels nodig die inwaartse zonering vormgeven. Wanneer er sprake is van een bestaande functie op een locatie, dient deze al te voldoen aan de regels uit het omgevingsplan.
De locatie is gelegen in de kern van Baarle-Nassau en wordt omringd door andere woningen. Ten oosten van de locatie zijn op afstand enkele bedrijven aanwezig zoals een machinehandel kringloop en verhuurbedrijven, echter zijn er woningen die dichter bij deze bedrijven zijn gelegen dan de beoogde woningen, waardoor deze bedrijven reeds aan de normen moeten voldoen. Er kan derhalve met zekerheid gesteld worden dat de beoogde woningen voldoen aan de normen zoals opgenomen in de handreiking Activiteiten en milieuzonering.
4.1.2. Toetsing woon- en leefklimaat
Naast dat er aan de normen uit het omgevingsplan voldaan dient te worden, dient er op de locatie ook sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van geluid. In de directe omgeving van de projectlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen, de locatie ten westen van BaarleNassau is een bedrijventerrein en bevat geen industrie. De projectlocatie ligt wel binnen de geluidszone van de Alphenseweg. Binnen de geluidszone van deze weg is aandacht vereist voor de geluidsbelasting op de gevel van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Met het initiatief worden nieuwe geluidsgevoelig object opgericht in de vorm van een woning. Met betrekking tot wegverkeerslawaai dient de gevelbelasting op dit object derhalve in beeld gebracht te worden. Er dient getoetst te worden aan de normstelling van artikel 5.1.4.2a.4 van het Bkl. De standaardwaarde voor een Rijks- of provinciale weg bedraagt 50 Lden, wanneer het een gemeentelijke of waterschapsweg betreft is de standaardwaarde 53 Lden. Indien de standaardwaarde wordt overschreden is de ontwikkeling toch mogelijk indien er maatregelen worden getroffen. De maximale grenswaarde voor de wegen bedraagt 60 Lden afkomstig van Rijks- of provinciale wegen en 70 Lden afkomstig van gemeentelijke of waterschapswegen.
Er is daarom een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai uitgevoerd door GBS milieuadvies, zie Bijlage 2. Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de waarde van geluid vanwege het wegverkeer op de gemeentelijke en waterschapswegen ten hoogste 62 dB Lden bedraagt. De standaardwaarde van 53 dB Lden conform art. 5.87t uit het Bkl wordt alleen overschreden ter plaatse van de woningen aan de Alphenseweg. Aan de grenswaarde van 70 dB Lden conform art. 5.87u uit het Bkl wordt wel voldaan. Uit het rapport blijkt dat het treffen van maatregelen niet zal leiden tot het bereiken van een lagere geluidswaarde dan de standaardwaarde en dat de extra kosten niet realistisch Pagina 21 van 49
zijn in het bouwplan als geheel, er zou een investering van 15.000 euro per woning plaats moeten vinden om een reductie van 2 dB te krijgen voor de beoogde woningen aan de Alphenseweg. Met voorliggende aanvraag wordt derhalve aanvullend verzocht om voor de woningen aan de Alphenseweg een hogere geluidswaarde vast te stellen. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.2. Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde in art. 5.89i van het Bkl is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art.
5.89K Bkl) Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in de Omgevingswet en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering.
Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Met de beoogde ontwikkeling worden er 14 woningen mogelijk gemaakt op de locatie. Wanneer er een ruimtelijke onderbouwing wordt opgesteld om een (agrarische) locatie in gebruik te gaan nemen voor woningen, is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. Een verkennend bodemonderzoek is noodzakelijk omdat de gronden een nieuwe functie krijgen, er is nog niet eerder op deze locatie een woning aanwezig geweest. Uit dit verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er een nader bodemonderzoek noodzakelijk wanneer er schadelijke stoffen gevonden worden. Uit dit nader bodemonderzoek kan komen dat er grond gesaneerd moet worden. Er is daarom door Silt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse. Uit het rapport blijkt dat de bodem geschikt is voor de beoogde woonfunctie. In de analyse van zowel de bovengrond als de ondergrond zijn geen verhoogde concentraties aan metalen, PAK’s, EOX, minerale olie of overige stoffen aangetroffen. Ook in het grondwater zijn geen overschrijdingen van de geldende achtergrond- of interventiewaarden vastgesteld.
De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering voor het initiatief. Een nader onderzoek of nadere maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Het volledige bodemonderzoek is opgenomen in Bijlage 3. Hiermee is een gezonde en veilige bodemkwaliteit gewaarborgd voor het realiseren van de 14 nieuwe woningen op de locatie. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling. 4.3. Luchtkwaliteit In het Bkl is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de Pagina 22 van 49
buitenlucht zijn in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl omgevingswaarden voor de buitenlucht opgenomen. Deze waarden betreffen grenswaarden van concentraties voor onder andere zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Om een evenwichtige toedeling van de nieuwe functie op de locatie te waarborgen dient voor het aspect luchtkwaliteit enerzijds onderzocht te worden of de ontwikkeling voldoet aan de wettelijke grenswaarden. Anderzijds moet worden beoordeeld of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.3.1. Toetsing normen luchtkwaliteit
Op grond van het Bkl (paragraaf 2.2.1.1) zijn omgevingswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de gemiddelde jaarconcentratie van NO2 geldt een grenswaarde van 40 μg/m3. In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan het Bkl in beeld te worden gebracht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Indien ontwikkelingen binnen de projectlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht.
Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen die, als genoemd in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl, niet in betekenende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Voor de volgende categorieën kan getoetst worden of een plan NIBM bijdraagt: Categorie woningbouwlocaties; Categorie kantoorlocaties; Combinatie van woningbouw en kantoren; Categorie inrichtingen. Het initiatief betreft het creëren van 14 nieuwe woningen. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (artikel 5.54, onder b, onder 1, Bkl). Aangezien met het initiatief slechts 14 nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens.
De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.
4.3.2. Woon- en leefklimaat
Indien aan de grenswaarden zoals beschreven in voorgaande alinea wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Jaarlijks wordt door RIVM onderzocht wat de achtergrondconcentratie is van verschillende stoffen. Het ruimtelijke patroon van de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 toont in het noorden van Nederland en in Zeeland lagere waarden dan in de rest van Nederland. De hogere bijdrage van buurlanden, de bijdrage van lokale bronnen (zoals industrie en intensieve veehouderij) en de hogere aandelen van secundair fijnstof zorgen voor hogere fijnstof concentraties in zuiden en oosten van Nederland. Secundair fijnstof is fijnstof dat in de lucht wordt gevormd uit bijvoorbeeld ammoniak en stikstofoxiden. Pagina 23 van 49
De waarden van de verschillende stoffen worden door het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit gebruikt om Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN) te maken. Volgens deze kaarten wordt in Nederland bijna overal aan de wettelijke grenswaarden voldaan. Lokaal kan de grenswaarde voor fijnstof wel overschreden worden op grote industrieterreinen zoals de Maasvlakte en TataSteel. Ook bij gebieden met een hoge concentratie aan pluimveehouderijen kan lokaal sprake zijn van een overschrijding van de wettelijke grenswaarden. In de omgeving van de projectlocatie zijn geen pluimveehouderijen of zware industrie te vinden. De dichtstbijzijnde pluimveehouderij is gelegen op 1,3 km en de locatie ligt ingenesteld tussen andere woningen. Hierdoor kan met zekerheid gesteld worden dat de grenswaarden voor de jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de projectlocatie niet worden overschreden. Ten aanzien van de luchtkwaliteit is er ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.4. Geur In het Omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau zijn regels opgenomen met betrekking tot geurhinder van dierenverblijven. Deze regels zijn gericht op het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, zowel door het stellen van geurnormen als het hanteren van vaste afstanden tussen dierenverblijven en geurgevoelige gebouwen.
De regels zijn gebaseerd op de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en gelden in aanvulling op de landelijke bruidsschatregels. De gemeenteraad van Baarle-Nassau heeft gebruikgemaakt van haar bevoegdheid om, via het Omgevingsplan en aanvullende verordeningen, eigen geurnormen vast te stellen. De beoordeling van het aspect geur richt zich, mede gelet op de ligging van de planlocatie binnen het bestaand stedelijk gebied van de kern Baarle-Nassau, primair op het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij wordt tevens beoordeeld of de realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten binnen het stedelijk gebied leidt tot een onevenredige belemmering van veehouderijen in de omgeving. Hoewel in stedelijk gebied doorgaans minder direct rekening hoeft te worden gehouden met agrarische activiteiten, blijft het van belang te toetsen of omliggende veehouderijen niet onevenredig in hun bedrijfsvoering of uitbreidingsmogelijkheden worden beperkt door de toevoeging van nieuwe woningen. Daarnaast is vanuit de afweging van een goede ruimtelijke ordening van belang dat ter plaatse van de ontwikkeling sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van geurbelasting.
4.4.1. Belemmering bedrijvigheid
In het stedelijk gebied geldt dat nieuwe geurgevoelige objecten, zoals woningen, in beginsel niet leiden tot extra beperkingen voor omliggende agrarische bedrijven, omdat bestaande geurgevoelige objecten reeds bepalend zijn voor de omvang van de geurcontouren en de ontwikkelingsruimte van die bedrijven. Binnen de omgeving van het plangebied bevinden zich reeds diverse bestaande woningen die dichter bij de betreffende agrarische bedrijven zijn gelegen dan de nu beoogde ontwikkeling. Deze bestaande woningen zijn maatgevend voor de toetsing van uitbreidingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen. De nieuw te realiseren woningen op de locatie Weitje Bruurs liggen binnen de bestaande woonstructuur van Baarle-Nassau en voegen in dat opzicht geen nieuwe beperkende factoren toe voor agrarische bedrijven. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat de ontwikkeling van deze woningen geen onevenredige belemmering vormt voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving. De toevoeging van deze woningen verandert de bestaande situatie ten aanzien van geurcontouren en afstandseisen niet. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.
4.4.2. Woon- en leefklimaat
Vanuit het principe van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het noodzakelijk te beoordelen of ter plaatse van de projectlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in relatie tot geur. In de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Baarle-Nassau’ en de ‘Beleidsregel Ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Baarle-Nassau 2022’ zijn normen opgenomen voor de beoordeling van zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting van geur. De locatie ligt in deelgebied A, zoals vastgelegd in de geurverordening van de gemeente Baarle-Nassau. Voor dit gebied geldt een maximaal toegestane voorgrondbelasting van 3 OUE. Gezien de ligging van de dichtstbijzijnde veehouderij op circa 900 meter afstand van de planlocatie, speelt voorgrondbelasting op deze locatie geen rol van betekenis.
Pagina 24 van 49
Om te bepalen of er in het kader van de achtergrondbelasting sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gebruik gemaakt van de Achtergrondkaart geurbelasting van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant (ODZOB), zie Afbeelding 8. Hieruit blijkt de kwaliteit van de leefomgeving 3 – 7 OUE bedraagt. Dit ligt ruim binnen de beleidsmatig vastgestelde aanvaardbare waarde van maximaal 10 OUE, waardoor kan worden gesteld dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in relatie tot geur.
Afbeelding 8: Uitsnede achtergrondkaart geur ODZOB, projectlocatie rood omkaderd
Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.5. Volksgezondheid In deze paragraaf wordt ingegaan op de gezondheidsrisico’s. De locatie is gelegen in de bebouwde kom van Baarle-Nassau, effecten op de volksgezondheid kunnen hier afkomstig zijn van veehouderijen in de omgeving. Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten.
Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. Uit de vervolgonderzoeken is o.a. gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de projectlocatie ligt aan de Kapelstraat 36, op een afstand van circa 750 meter. Dit betreft een melkveehouderij. Voor rundveehouderijen geldt dat de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt zijn vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bovendien moet iedere veehouderij voldoen aan Pagina 25 van 49
wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden, zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevant component gebleken voor luchtwegklachten.
Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties. De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO-onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m3 werd overschreden.
De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. Op 16 juni 2017 is het eerste vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd. Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd. Er zijn sterke aanwijzingen dat (componenten van) fijnstof van geitenhouderijen mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet uitgesloten worden. Deze associatie is ook voor pluimveehouderijen gevonden, hetzij aanzienlijk zwakker. Uit luchtwegmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een intensieve veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. Wat betreft fijnstof is de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden van de bijdrage van vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie. In de eerste twee onderzoeken zijn de gezondheidsrisico’s onderzocht aan de hand van gegevens uit huisartsenpraktijken over de periode 2007 t/m 2013. Op 1 september 2018 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III’ gepubliceerd.
Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd. Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen. De associatie tussen het voorkomen van longontsteking en het wonen in de nabijheid van pluimveehouderijen zou namelijk mogelijk verklaard kunnen worden door de uitstoot van fijnstof en endotoxinen door deze bedrijven, al dan niet in combinatie met de al aanwezige achtergrondblootstelling. Deze veronderstelling lijkt voor geitenhouderijen echter minder voor de hand liggend, omdat de emissie van fijnstof en endotoxinen beperkt is. Uit de onderzoeksresultaten van deze tweede vervolgstudie blijft dezelfde verhoging voor het aantal longontstekingen bij omwonenden binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen zichtbaar als in de jaren daarvoor. Voor legpluimveehouderijen kan deze verhoging niet (meer) statistisch significant worden aangetoond. Voor vleeskuikenbedrijven alleen in 2014, ondanks dat de emissie van fijnstof hier Pagina 26 van 49
relatief gezien hoger is dan van legpluimveehouderijen. Conclusie uit deze vervolgstudie is dan ook dat er meer onderzoek zal moeten plaats vinden naar de oorzaak van de associatie tussen longontsteking en het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen. Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid Naar aanleiding van het eerste VGO-onderzoek wordt momenteel door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, een landelijk toetsingskader ontwikkeld voor endotoxine. In afwachting hierop is door het ondersteuningsteam van bestuurders van gemeenten in Brabant in 2016 de notitie ‘Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Aan de hand van deze notitie kan het risico van de verspreiding van endotoxinen van uitbreidende veehouderijen beoordeeld worden. Gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Daar waar de advieswaarde al wordt overschreden willen ze voorkomen dat de overschrijding toeneemt. Een standstil van de emissie fijnstof-endotoxine is dus gewenst. Bij voorkeur wordt er een reductie van de emissie bereikt.
Omdat endotoxinen zich met (fijn)stofdeeltjes naar de omgeving verspreiden zijn in het Toetsingskader endotoxinen op basis van de fijnstofemissie afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld. Het dichtstbijzijnde intensieve veehouderijbedrijf heeft een fijnstofemissie (PM10) van 130 kg PM10 per jaar. Dit betreft een varkenshouderij en is gelegen aan de Oordeelsestraat 62. Met behulp van het Endotoxine toetsingskader 1.0 is de minimale afstand berekend van de veehouderij tot aan het projectlocatie. Deze richtafstand bedraagt 61 meter. Het bouwvlak van de varkenshouderij ligt op circa 1 kilometer van de projectlocatie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de projectlocatie voldaan kan worden aan de adviesgrenswaarde voor endotoxinen van 30 EU/m3. Geitenhouderijen Naar aanleiding van het VGO-onderzoek heeft de provincie Noord-Brabant op 7 juli 2018 een tijdelijk geitenmoratorium ingesteld om te voorkomen dat rond geitenhouderijen de gezondheidslast toeneemt en (nieuwe) knelpunten ontstaan. Hieruit reist in het kader van een goede ruimtelijke ordening de vraag of er bij het ontwikkelen van nieuwe gevoelige functies, zoals woningen, dan ook rekening gehouden moet worden met de omgekeerde werking.
Hoe kan immers een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor (toekomstige) bewoners geborgd worden en is het vanwege de risico’s voor de volksgezondheid wel wenselijk om nieuwe gevoelige functies op te richten nabij geitenhouderijen? Om die reden is er door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant een memo opgesteld voor de gemeente Bergeijk waarin is in gegaan op de omgekeerde werking van het geitenmoratorium. In de omgeving van Baarle-Nassau zijn verschillende geitenhouderijen aanwezig, ten opzichte van de projectlocatie is de dichtstbijzijnde geitenhouderij gelegen aan de Oordeel-Heikant 1, op circa 1,6 km van de locatie. Ten behoeve van het initiatief wordt de omgekeerde werking van het geitenmoratorium derhalve getoetst aan de hand van de memo van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. De eerste reactie is doorgaans dat het (gemeente)beleid consequent moet zijn. Een stop op de uitbreiding van geitenhouderijen moet andersom ook doorwerken voor woningbouwprojecten. Dit zou betekenen dat het (uit voorzorg) niet wenselijk is om nieuwe gevoelige functies op te richten binnen 2 km van geitenhouderijen. Het is echter aan het gemeentebestuur om bij de besluitvorming over ruimtelijke plannen een afweging te maken. Hierbij kan in ogenschouw worden genomen dat: In Nederland 3,5% van de ziektelast gerelateerd is aan milieufactoren.
Van deze milieufactoren veroorzaakt blootstelling aan luchtverontreiniging veruit de meeste ziektelast. De in de VGOonderzoeken geconstateerde ziektelast valt in principe onder de bestaande ziektelast door milieufactoren. Er is dus geen verhoging van de ziektelast. Wel zullen er door het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij meer mensen blootgesteld worden aan stoffen uit de geitenhouderij die de longontsteking mogelijk veroorzaken. Vanwege het moratorium kan het woon- en leefklimaat als gevolg van stoffen uit de geitenhouderij die de longontsteking mogelijk veroorzaken niet verslechteren en in de toekomst wellicht verbeteren. Het moratorium houdt namelijk in dat de bestaande geitenhouderijen mogen blijven en daarmee de huidige gezondheidslast voorlopig aanvaard wordt. Tegelijk wordt onderzoek uitgevoerd naar de oorzaak om over enkele jaren de risico’s te kunnen verminderen of voorkomen. Welke stoffen (bron/emissie) de oorzaak zijn van de verhoogde kans op longontsteking rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers nog niet worden aangegeven. Er worden ook geen Pagina 27 van 49
uitspraken gedaan over de aanvaarbaarheid van het verhoogde risico op longontsteking. Het gevolg hiervan is dat er nog geen verband kan worden gelegd tussen een maximale blootstelling en de al dan niet aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat. Er is dus geen wettelijk toetsingskader met normen die beschermen tegen het risico op longontsteking vanwege de geitenhouderij en daarom is formeel geen normoverschrijding in het geding. Dit concludeert ook de Raad van State in de uitspraak ABRvS 200906655/1/R3 (2 maart 2011): ondanks dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er gezondheidsschade kan optreden, hoeft een gemeente daar niet aan te toetsen als dat niet in de regelgeving is verwerkt. Hieruit kan nog een parallel worden getrokken met het landelijk beleid. Deze kent de regel ‘nietin-betekenende-mate (nibm)’, welke een kleine toename van de concentratie fijnstof in de buitenlucht toelaatbaar acht. Er is wel sprake van een kleine verslechtering van het woon- en leefklimaat, maar deze wordt acceptabel geacht in de wetenschap dat de beperkte verhoging van concentraties fijnstof in de buitenlucht door nationaal generieke maatregelen op termijn worden gecompenseerd.
Gebruikmakend van voorgaande overwegingen kan een gemeente de afweging maken om toch medewerking te verlenen aan de ontwikkeling van enkele woningen of een kleine woonwijk in de nabijheid van een geitenhouderij. Deze woningen mogen dan niet dichter bij de geitenhouderij gebouwd worden dan de al bestaande woningen (alleen inbreiding toestaan). De huidige gezondheidsrisico’s voor bestaande woningen worden immers vooralsnog aanvaard. Door niet dichterbij te bouwen wordt voorkomen dat eventuele toekomstige maatregelen om de gezondheidseffecten van geitenhouderijen te verminderen minder effectief worden of dat een grotere inspanning moet worden gedaan om te voldoen aan toekomstige eisen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De kortste afstand tussen het bouwvlak van de geitenhouderij aan de Oordeel-Heikant 1 en de projectlocatie bedraagt circa 1,6 kilometer. Hiertussen liggen echter reeds bestaande woningen gezien de ontwikkeling een inbreidingslocatie in de kern van Baarle-Nassau betreft. Op basis hiervan kan de gemeente overwegen om medewerking te verlenen aan het initiatief. GGD portaal In het GGD-portaal zijn adviezen opgenomen waar rekening mee gehouden dient te worden bij nieuwe ontwikkelingen van gevoelige bestemmingen. Met de beoogde ontwikkeling worden verschillende woningen gerealiseerd, overwegend voor starters.
Dit zijn niet mensen die gezondheid technisch kwetsbaar zijn. In de omgeving zijn voornamelijk woningen gelegen, de projectlocatie ligt ook langs een vrij drukke weg, de Alphenseweg. De adviezen en potentiële maatregelen die aangegeven zijn hebben een rol gespeeld in de benadering van de toetsing van de verschillende milieuhygiënische aspecten. Voor een nadere uitleg hoe de beoogde ontwikkeling rekening houdt met de adviezen uit het GGD-portaal wordt derhalve verwezen naar de toetsing aan de aspecten in hoofdstuk 4. Voor onderhavige ontwikkeling is derhalve rekening gehouden met de gezondheidskundige onderwerpen uit het GGD-portaal. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect gezondheid. 4.6. Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening is beoordeeld of de ontwikkeling van de veertien woningen op de locatie Weitje Bruurs voldoet aan de eisen die gesteld worden aan een veilige afstand tussen geurgevoelige objecten en gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast, de zogenoemde spuitzones. De projectlocatie bevindt zich binnen het bestaand stedelijk gebied van de kern Baarle-Nassau. In stedelijk gebied wordt doorgaans geen agrarisch gebruik van gronden verwacht dat gepaard gaat met de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.
Binnen de directe omgeving van de planlocatie zijn geen agrarische percelen gelegen waarop teelten plaatsvinden waarvoor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen noodzakelijk is. Het omliggende gebruik bestaat hoofdzakelijk uit woonbebouwing en stedelijke functies. Gelet op de ligging van de locatie binnen een woonkern en het ontbreken van agrarische gronden in de nabijheid, kan worden geconcludeerd dat het aspect spuitzones geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. Het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt in dit opzicht als aanvaardbaar beoordeeld.
Pagina 28 van 49
5. Bescherming van de waterbelangen 5.1. Weging van waterbelang In een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplan activiteit dient rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Voor de beoogde ontwikkeling is het daarom van belang om te toetsen aan een evenwichtige toedeling van functies met betrekking tot het watersysteem. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: Beschrijving waterrelevant beleid; Bestaande waterhuishoudkundige situatie; Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
5.1.1. Waterrelevant beleid
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit het (tijdelijke) omgevingsplan van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen.
In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van robuuste watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Hierbij wordt gestreefd naar een evenwicht tussen economische en ecologische belangen, waarbij waterveiligheid en een toekomstbestendige inrichting van de leefomgeving randvoorwaarden zijn. Dit beleid is uitgewerkt in zowel de Omgevingsvisie Noord-Brabant als de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De provincie zet daarbij in op het versterken van het water- en bodemsysteem als leidend principe in de inrichting van gebieden, zowel in het landelijk als in het stedelijk gebied. Voor binnenstedelijke ontwikkelingen, zoals de onderhavige ontwikkeling Weitje Bruurs, betekent dit dat rekening wordt gehouden met thema’s als waterveiligheid, klimaatadaptatie, voldoende ruimte voor waterberging en het duurzaam omgaan met de bodem. Dit is conform de uitgangspunten van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Brabantse beleidslijnen zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie.
Ook voor binnenstedelijk gebied wordt gestreefd naar een inrichting die bestand is tegen droogte en piekbuien, en waarbij het watersysteem bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn daarnaast instructieregels opgenomen voor waterschappen. Zoals reeds uiteengezet in paragraaf 3.2.2, ligt de projectlocatie niet binnen het werkingsgebied van een van deze instructieregels. Er gelden daarmee geen aanvullende provinciale instructieregels specifiek voor deze locatie. De wijze waarop de provincie invulling geeft aan haar waterbeleid is nader uitgewerkt in het Regionaal Water- en Bodemprogramma (RWP) 2022-2027. Het programma richt zich op het realiseren van een klimaatbestendig en waterrobuust systeem in 2050. De speerpunten van het beleid zijn: Voldoende water Schoon water Veilig water Vitale bodem Klimaatadaptatie
Pagina 29 van 49
Het RWP vormt het kader voor zowel gemeenten als waterschappen bij het opstellen en uitvoeren van hun eigen beleid. Hoewel het RWP in juridische zin alleen bindend is voor de provincie zelf, wordt van gemeenten verwacht dat zij bij nieuwe ontwikkelingen handelen volgens de uitgangspunten uit het programma. Dit geldt nadrukkelijk ook voor binnenstedelijke ontwikkelingen, waar wordt gestreefd naar het integreren van klimaatadaptieve maatregelen en het reserveren van ruimte voor water en bodem, conform het principe 'water en bodem sturend'. In het kader van de ontwikkeling Weitje Bruurs is met deze beleidsuitgangspunten rekening gehouden. Het plan voorziet in de aanleg van voorzieningen voor regenwaterinfiltratie op eigen terrein en een inrichting die bijdraagt aan het vasthouden en verwerken van hemelwater. Hiermee wordt aangesloten bij de provinciale ambitie om wateroverlast en verdroging tegen te gaan, en bij te dragen aan een klimaatbestendige inrichting van het stedelijk gebied. Waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027.
De doelstelling van het waterprogramma luidt als volgt; Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. In 2050 is Nederland aangepast om de negatieve gevolgen van klimaatverandering op te vangen. De ambitie van het waterschap is samen met de omgeving te werken aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de regio Midden- en West-Brabant. Het realiseren van deze ambitie wordt bereikt aan de had van zes beleidskeuzes; 1. Water als drager voor een vitale regio 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem 3. We werken samen 4. We werken duurzaam 5. We werken veerkrachtig en vernieuwend 6. We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren.
De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Door middel van de Waterschapsverordening van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 januari 2024, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het realiseren van een retentievoorziening. De Waterschapsverordening van Waterschap Brabantse Delta schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m2 verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2021 – 2025 (vGRP) In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 (vGRP) geeft de gemeente aan op welke wijze zij de komende jaren, met een doorkijk naar de toekomst, invulling geven aan de zorgtaken rondom afval-, hemel- en grondwater. Vanuit de Wet Milieubeheer is de gemeente verplicht een vGRP voor deze zorgtaken op te stellen. Het vGRP geeft antwoord op de wijze waarop de aankomende jaren omgegaan moet worden met het beheer en onderhoud van de rioleringsvoorzieningen en welke investeringen gedaan zullen worden in het kader van de zorgplichten. In het waterbeleid zijn de zorgplichten uit de Waterwet verder ingevuld.
Het gemeentelijke waterbeleid schrijft onder meer voor dat stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater op een deugdelijke manier moeten worden ingezameld, geborgen, getransporteerd en/of lokaal gezuiverd. Alle nieuwe nieuwbouwen herstructureringsprojecten dienen in principe hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd waarbij de wettelijke voorkeursvolgorden gehanteerd worden. Hemelwater wordt daarom, ook als er geen toename Pagina 30 van 49
is van het verhard oppervlak, bij voorkeur in de bodem geïnfiltreerd en schoon gehouden. Voor het realiseren van nieuwbouw is een bergingseis voor hemelwater van minimaal 78 mm (78 liter/m2) voor de toekomstige nieuwe verhard oppervlak (daken en bestrating) vastgesteld, zonder gevoeligheidsfactor. Voor het aanpassen van verhard oppervlak geldt een bergingseis van minimaal 7 mm voor het vervangende oppervlak en minimaal 60 mm voor een eventuele toename van verhard oppervlak. Verhard oppervlak wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden.
5.1.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de kern van Baarle-Nassau zijn geen watergangen aanwezig. In de bestaande waterhuishoudkundige situatie is er geen sprake van lozing. De locatie wordt nu gebruikt als weide voor enkele dieren waarbij er geen lozingsactiviteiten plaatsvinden. Het hemelwater dat op de projectlocatie valt infiltreert in de grond. Op de projectlocatie vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen infiltreren in de gronden.
5.1.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Door de realisatie van 14 extra woningen zal er meer afvalwater worden aangesloten op de gemeentelijke drukriolering. Het bestaande drukriool heeft naar verwachting voldoende capaciteit om deze extra druk te verwerken. Omdat de gemeente het beste inzicht heeft in het gemeentelijke rioleringssysteem wordt aan de gemeente verzocht te onderzoeken of de riolering voldoende capaciteit heeft. Met de beoogde ontwikkeling worden er 14 woningen mogelijk gemaakt inclusief ontsluiting. In het beoogde waterhuishoudkundige systeem is voor een deel ook bestaande verharding meegenomen zoals de stoep aan de Alphenseweg en het laatste stukje van de De la Sallestraat. Zoals aangegeven is waterschap Brabantse Delta de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen de projectlocatie. Door middel van de Waterschapsverordening (afdeling 2.6), die in werking is getreden op 1 januari 2024, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Dit om versnelde afvoer van hemelwater op het watersysteem te voorkomen.
Bij voorkeur wordt er voor gezorgd dat het hemelwater alsnog kan infiltreren in de bodem, eventueel via mitigerende maatregelen zoals een retentievoorziening. De verordening schrijft voor dat mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2. De grootte van de retentievoorziening moet in dat gevel worden berekend conform de rekenregel zoals opgenomen artikel 2.31, lid 4, onder b. Deze rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m) De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de gevoeligheidsfactorkaart. Hierbij is het grondgebied van het waterschap verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit Afbeelding 9 blijkt is er voor de locatie aan de Alphenseweg een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog) van toepassing. In het vGRP is niet aangegeven dat er ook rekening gehouden dient te worden met een gevoeligheidsfactor. De gevoeligheidsfactor van 1 zorgt er derhalve voor dat de berekening voor de benodigde compensatie ook in lijn is met het vGRP.
De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. In navolging van de gemeentelijke eis dient deze echter verhoogd te worden naar 0,078 (78 liter/m2).
Pagina 31 van 49
Afbeelding 9: Uitsnede gevoeligheidskaart, projectgebied rood omkaderd
Door Grasveld Civiele techniek is voor de beoogde ontwikkeling een berekening gemaakt waarmee de benodigde waterberging berekend is voor de projectlocatie. In de berekening is onderscheid gemaakt tussen waterberging die in het openbaar gebied wordt gerealiseerd en waterberging bij inritten van de woningen. Gezien de rijwoningen, op één na, geen inritten hebben waar waterberging plaats kan vinden zal de benodigde compensatie voor deze woningen en hun tuinen plaatsvinden in het openbaar gebied. Bij het oppervlak aan verhardingen voor de rijbaan, parkeervlakken en loopstroken in het openbaar gebied is voor een deel ook bestaande verharding meegenomen. Hierdoor zal de te realiseren compensatie met zekerheid de piekbuien op kunnen vangen. De waterberging in de inritten wordt gerealiseerd voor iedere woning individueel, waarbij de berging gemiddeld is per woning. In Bijlage 4 is de bergingsberekening opgenomen tezamen met plattegrondtekeningen van de bovengrondse en ondergrondse situatie en doorsneden van de weg en bergingsprofielen. De water compenserende berging bestaat uit infiltratiekratten onder de parkeerplaatsen. Voor het openbaar gebied worden de kratten geplaatst onder de parkeerplaats ten zuidwesten van de rijwoningen. In dit krattenveld wordt derhalve 119 m3 water geborgen.
Voor het overige wordt onder de opritten van de 2-onder-1-kap woningen, seniorenwoningen en de meest noordelijke rijwoning ook waterberging gerealiseerd. De kratten onder de parkeerplaatsen bij deze woningen zullen circa 15,3 m3 water bergen per stuk. Zoals te zien in de bergingsberekening zal er derhalve in het openbaar gebied en in de parkeerplaatsen voldoende waterberging worden gerealiseerd voor de beoogde toename in verhard oppervlak. In de plattegrondtekening van de ondergrondse situatie is te zien hoe het water van de verhardingen in de infiltratiekratten terecht kan komen. Wanneer het regenwater hier opgeslagen wordt zal het na afloop langzaam opgenomen worden in de bodem waarbij er sprake is van vertraagde infiltratie. Het water wordt niet nogmaals afgevoerd naar een watergang. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
Pagina 32 van 49
6. Waarborgen van de veiligheid 6.1. Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging gemaakt worden of de beoogde ontwikkeling passend dan wel gewenst is binnen de locatie. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag de BOPA ook verlenen. Er is op dit moment wel een goede motivering nodig om van het beleid af te wijken. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit op een locatie. In bijlage VII zijn de milieubelastende activiteiten die relevant zijn voor het aspect veiligheid omschreven. Met de beoogde ontwikkeling worden (beperkt of zeer) kwetsbare objecten opgericht in de vorm van woningen.
6.1.1. Beleid
Binnen het aspect omgevingsveiligheid zijn verschillende begrippen relevant. Onderstaand worden de belangrijkste begrippen toegelicht. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze persoon bevindt zich onafgebroken (24 uur per dag) en onbeschermd op één bepaalde plaats. Het plaatsgebonden risicocontour geld niet voor werknemers of bezoekers van de milieubelastende activiteit. De grens- en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze waarden worden ruimtelijk vertaald in afstanden die tot gebouwen en locaties in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties zijn (artikel 5.7 in het Bkl) grenswaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). Deze grenswaarden (harde norm) moeten in acht genomen worden. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Kwetsbare gebouwen en locaties kunnen hier tijdelijk afwijken gedurende een periode van ten hoogste drie jaar (artikel 5.10 van het Bkl.) Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde.
In basis moet aan de norm van PR-10-6-contour voldaan worden, tenzij er (goede) redenen zijn om af te wijken. De redenen en de afweging van de risico’s moeten nader gemotiveerd worden. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting door een ongeluk met gevaarlijke stoffen. Door te kijken naar het gebied waar dan een groep van ≥10 personen tegelijk kan overlijden als er iets fout gaat. Het groepsrisico is geen harde norm, het bevoegd gezag moet er rekening mee houden bij het toestaan van bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen. In het omgevingsplan en bij de vergunningverlening. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig bepaald conform bijlage VII van het Bkl.
Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Voorschriftengebied De gemeente kan binnen aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan (art. 5.14 Bkl). In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze Pagina 33 van 49
aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Locaties voor nieuwe zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Register Externe Veiligheidsrisico’s In het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) zijn de risico’s met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De afstanden met betrekking tot het plaatsgebonden risico, brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied vuurwerk, civiele of militaire explosieaandachtsgebied wordt visueel weergegeven via geografische kaarten zoals de kaart van Atlas Leefomgeving en EV signaleringskaart. Op deze kaart zijn onder andere de PR-10-6-contour en aandachtsgebieden visueel weergegeven. Transportroutes De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor transportroutes als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, over het basisnet zijn opgenomen in Bijlage VII, onder C, van BKL. Bijlage VII, onder C verwijst naar bij ministeriële regeling aangewezen afstanden voor het plaatsgebonden risico.
Conform artikel 2.23 (aandachtsgebieden) van de Omgevingsregeling betreffen dit de afstanden zoals opgenomen in Bijlage 1 van de Regeling basisnet voor wegen en Bijlage 2 van de Regeling Basisnet voor spoorwegen. In Bijlage VII, onder C zijn voor brandaandachtsgebieden een afstand van 30 meter en voor een explosie aandachtgebied 200 meter opgenomen. Buisleidingen De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor buisleidingen (als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving) zijn berekend (zie Bijlage VII, onder D, onder 2 van BKL. Deze afstand is geregistreerd in het REV en weergegeven op de geografische kaarten.
6.1.2. Toetsing aan beleid
Nieuwe ontwikkelingen moeten worden getoetst aan de normen uit de regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leid tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de standaardwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de projectlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de PAVkaart, zie Afbeelding 10.
Afbeelding 10: Uitsnede PAV kaart register externe veiligheid, locatie rood omkaderd
Pagina 34 van 49
Uit de kaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen, transportroutes en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de projectlocatie. Op het bedrijventerrein ten oosten van de locatie vindt wel de opslag van propaan plaats, bij een bedrijf dat gespecialiseerd is in brandveiligheid. De tank ligt op meer dan 270 meter van de locatie en de locatie ligt ook buiten een van de aandachtsgebieden. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de projectlocatie. Het project voorziet wel in de realisatie van nieuwe (beperkte) kwetsbare objecten. Aangezien de projectlocatie niet binnen de plaatsgebonden risico contour of binnen een aandachtsgebied ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Het aspect omgevingsveiligheid leidt niet tot een belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Pagina 35 van 49
7. Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed In voorliggend hoofdstuk wordt ingegaan op de ruimtelijke impact van de ontwikkeling door te toetsen aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Door de toetsing aan welstand, archeologie, cultuurhistorie en landschap is uiteengezet hoe de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden worden beschermd in de beoogde ontwikkeling. 7.1. Cultuurhistorie, landschap en archeologie De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is het zoveel mogelijk behouden van archeologische resten in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.