Bijlage 16 - Ruimtelijke onderbouwing Weitje Bruurs mei26
Tekst van het document
7.1.1. Cultuurhistorie en landschap
Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoordde verankering van de integrale cultuurhistorie. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. In de onderbouwing van de aanvraag dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en verlener van de omgevingsvergunning zijn daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Uit de cultuurhistoriekaart van de Omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet in een gebied met landschappelijke of cultuurhistorische waarden ligt, zie Afbeelding 11. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of landschappelijk waardevol gebied.
Afbeelding 11: Uitsnede Ov ‘aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden’
Pagina 36 van 49
De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande weten regelgeving is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) 2016 bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Hieruit blijkt dat de locatie is gelegen aan een lijn met aanduiding ‘Redelijk hoog’ en binnen een stuk dat is aangemerkt als historische stedenbouw, zie Afbeelding 12.
Het verder invullen van het lint langs de Alphenseweg en verdichten van de bebouwingsstructuur door het toevoegen van de woningen zorgt ervoor dat de historische geografie geaccentueerd wordt en het ensemble van de historische stedenbouw versterkt wordt. De beoogde woningen zorgen ervoor dat cultuurhistorische waarden behouden worden en doen geen afbreuk aan de aanwezige waarden.
Afbeelding 12: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart CHW 2016
De ruimtelijke structuur van Baarle-Nassau wordt gekenmerkt door een historisch gegroeid dorpscentrum rondom het Sint Annaplein, met van oudsher lintbebouwing langs de invalswegen naar omliggende buurtschappen. Deze linten vormen de basis van de stedenbouwkundige opbouw van het dorp en zijn nog steeds goed herkenbaar in de huidige ruimtelijke structuur. De bijzondere enclavesituatie van BaarleNassau, met verspreide enclaves van Baarle-Hertog binnen het dorpsgebied, geeft het gebied bovendien een uniek historisch-geografisch karakter. De projectlocatie ligt direct aan de Alphenseweg, een van de hoofdstructuren van het dorpslint, en maakt daarmee deel uit van deze historische verkaveling. Op basis van historische luchtfoto’s blijkt dat het perceel tot circa 2010 aan de straatzijde bebouwd is geweest met een boerderij met erf. Deze situatie is nog duidelijk herkenbaar op de luchtfoto uit 2007 (zie Afbeelding 13). Het huidige plan voorziet daarmee niet in een eerste bebouwing, maar in het opnieuw invullen van een locatie waar historisch gezien bebouwing aanwezig was. Door de open plek aan te vullen met nieuwe woningen wordt aangesloten bij de historische lintstructuur, en wordt de ruimtelijke samenhang en continuïteit van het dorpsbeeld versterkt. Pagina 37 van 49
Afbeelding 13: Luchtfoto projectlocatie 2007 (topotijdreis.nl)
7.1.2. Landschapswaarden
Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap. De provincie wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar Omgevingsvisie. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld. De provincie heeft de aardkundig waardevolle gebieden opgenomen in de verbeelding van de omgevingsverordening. Hierop is aangegeven op welke gebieden de bestaande beleidsregels betrekking hebben en welke waarden gelden. Zoals te zien in Afbeelding 11 is de locatie niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied.
7.1.3. Archeologie
Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: ‘Verdrag van Malta’) regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) en regels in het Bkl. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Derhalve heeft de gemeente Baarle-Nassau de “Nota Archeologie” vastgesteld. In combinatie met de archeologische beleidskaart vormt deze het beleidsinstrumentarium voor de gemeente om haar wettelijke taak als bevoegde overheid voor archeologie uit te kunnen voeren. De gemeente heeft in haar beleidskaart een 6-tal categorieën met bijbehorende verwachtingen opgenomen. Deze variëren van een zeer hoge tot een verwaarloosbare archeologische verwachting.
Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek. Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau, behorende bij de Nota Archeologie, zijn de gronden binnen het gebied onderdeel van de zone ‘historische kern - randzone’. Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart te zien, waarop de projectlocatie is weergegeven.
Pagina 38 van 49
Afbeelding 14: Uitsnede Archeologische Beleidskaart, locatie met rood omkaderd
Het archeologisch beleid is hier gericht op het behoud van de bestaande situatie in situ. Ter plaatse geldt een archeologische onderzoeksplicht bij een bodemverstoring groter dan 500 m2 en dieper dan 40 centimeter. Aangezien met onderhavig voornemen een groter oppervlak wordt verstoord is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Door Arcure is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, dit is terug te vinden in Bijlage 5. Hieruit blijkt dat er op de planlocatie een hoge verwachting is voor de aanwezigheid van resten van kampementen uit de (vroege) steentijd en boerderijerven uit de nieuwe steentijd tot de volle middeleeuwen. Op basis van dit bureauonderzoek is geadviseerd om een verkennend archeologisch booronderzoek uit te laten voeren, om daarmee te toetsen of en in welke mate de natuurlijke bodemopbouw nog intact is. Ook kan hiermee het onderliggende oorspronkelijke, natuurlijke reliëf gedetailleerd in beeld gebracht worden, zodat de archeologische verwachting nader gespecificeerd kan worden. Derhalve is een archeologisch booronderzoek uitgevoerd door Archol, dit is terug te vinden in Bijlage 6. Uit het verkennend booronderzoek volgt dat voor smalle sleuven ten behoeve van kabels en leidingen geen aanvullend proefsleuvenonderzoek noodzakelijk wordt geacht.
Voor grotere bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld en met een omvang van meer dan 25 m², zoals bijvoorbeeld funderingen, parkeerplaatsen, waterbergende voorzieningen en mogelijk bredere funderingsontgravingen, adviseert het rapport wel aanvullend archeologisch onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Enkel ter plaatse van een voormalige woning aan de Alphenseweg zijn deze proefsleuven niet nodig. Op basis van het selectiebesluit (Bijlage 13) op het archeologisch booronderzoek is vastgesteld dat, voorafgaand aan de uitvoering van de bodemingrepen, een aanvullend proefsleuvenonderzoek noodzakelijk is voor die werkzaamheden die voldoen aan de in het onderzoek genoemde drempels (met name grotere bodemingrepen). Bij de verdere planuitwerking en uitvoering wordt hiermee rekening gehouden en vindt afstemming plaats met het bevoegd gezag over de exacte scope en fasering. 7.2. Ladder voor duurzame verstedelijking In geval van een stedelijke ontwikkeling moet de Ladder voor duurzame verstedelijking worden toegepast. Deze is wettelijk vastgelegd in artikel 5.129g, Bkl. Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken. Het eerste lid van artikel 5.129g is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd.
Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: ‘ontwikkeling of uitbreiding van een
bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Pagina 39 van 49
De toelichting bij een aanvraag welk een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien de aanvraag buiten het bestaand stedelijk gebied is gelegen, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Met onderhavige ontwikkeling worden 14 woningen toegevoegd aan bestaand stedelijk gebied van de kern van Baarle-Nassau. Op basis van vaste jurisprudentie is het toevoegen van 12 woningen of meer aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor onderhavige ontwikkeling is derhalve getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. In Bijlage 7 bij onderhavige aanvraag is de toetsing terug te vinden. Hierin is de behoefte naar de 14 woningen aangetoond. 7.3. Welstand Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In het omgevingsplan zijn ook regels opgenomen met betrekking tot de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29).
Artikel 22.29, eerste lid onder b, bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. In de gemeente Baarle-Nassau is de ‘Welstandsnota Baarle-Nassau’ van toepassing. Het welstandsbeleid levert een bijdrage aan het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van bebouwing binnen de gemeente. In navolging van de kaarten bij deze welstandsnota is de locatie gelegen in gebied H4 voor gemengde bebouwing, welk een soepel welstandsniveau heeft. In deel B van de nota zijn de relevante criteria voor dit gebied opgenomen. In het kader van bebouwing en omgeving is aangegeven dat de bebouwing dient te passen binnen het dynamische karakter van de linten, hierbij is een grote diversiteit aan functies langs de linten mogelijk, zolang deze ondergeschikt blijft aan de algemene woonkarakteristiek. Bij nieuwbouw dient de individuele expressie per perceel voorop te staan. Uitgaande van een gemiddelde perceelbreedte van 6 –12 meter, levert dit een divers en gevarieerd beeld op. De bebouwing dient zich te oriënteren op de linten. Er dient ingespeeld te worden op de overgang van agrarisch gebied naar stedelijk gebied.
Dit betekent hoe verder van het centrum af de ontwikkeling plaatsvindt, des te groter zijn voortuinen en hoe dichter naar het centrum toe, hoe dichter de rooilijn op de weg ligt. De beoogde woningen op de locatie zullen aan deze criteria voldoen, er wordt toevoeging geboden aan de woonkarakteristiek en de woningen langs de Alphenseweg krijgen een divers beeld, waarbij deze zich oriënteren op de linten. Zoals te zien in de situatietekening en exterieurimpressies in Bijlage 1 volgen de beoogde woningen deze criteria. In het kader van de massa en vorm is aangegeven dat woningen van 1 of 2 lagen met kap karakteristiek zijn, met een duidelijk onderscheid tussen hoofdgebouw en bijgebouw. De daken van de woningen dienen te voldoen aan de sneltoetscriteria voor de omvang, in de vorm mogen ze afwijken. Er is verder opgenomen dat de individualiteit van de panden als uitgangspunt voor de architectuur genomen dient te worden en dat materiaal en kleurgebruik bij voorkeur traditioneel zijn. Voor de detaillering, kleur en materiaal is aangegeven dat de keus hierin vrij is, er hoeft niet aan criteria voldaan te worden. De beoogde woningen worden ontworpen als bebouwing van 2 lagen met een kap, waarbij de woningen die zijn bedoeld voor senioren worden ontworpen als bebouwing van 1 laag met kap.
Deze kappen voldoen aan de sneltoetscriteria, ze zijn namelijk in vorm en richting afgestemd op de omgeving. Door de grote variatie aan bebouwing in het lint langs de Alphenseweg zal de detaillering van de woningen ook een eigen invulling krijgen, deze zal wel passen binnen het algehele ensemble van het lint. De beoogde woningen in het hofje zullen qua stijl meer aansluiten bij de woningen in dit deel van de kern. Voorliggend plan is aan de commissie ruimtelijke kwaliteit (CRK) voorgelegd. Uit de welstandsbeoordeling van 1 april 2026 (Bijlage 14) blijkt dat het ontwerp “voldoet op hoofdlijnen”. De in het advies opgenomen aandachtspunten zijn inmiddels verwerkt in het ontwerp. Bij de indiening van de omgevingsvergunning wordt het plan door/namens de welstandscommissie (CRK) nog getoetst op detailniveau, waaronder de uitwerking van materialisatie en detaillering (zoals kleur- en materiaalstaat) en de definitieve bouwkundige uitwerking. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het uiterlijk en de plaatsing van de beoogde woningen passen binnen de voor het gebied geldende welstandscriteria en dat het initiatief niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het onderdeel welstand. Pagina 40 van 49
8. Natuurbescherming 8.1. Natuur De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
8.1.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Bkl vastgelegd. Op grond van artikel 7.6 van het Bkl moeten de NNN-gebieden aangewezen en nauwkeurig begrensd. Op grond van artikel 7.7 moeten ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden worden vastgelegd. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.
Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Omgevingsverordening (Ov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Ov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Zoals te zien in Afbeelding 6 en aangekaart in paragraaf 3.2.2 is binnen de locatie geen NNB aanwezig. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.
8.1.2. Gebiedsbescherming
De Omgevingswet voorziet met het oog op behoud van biodiversiteit, in regels ter bescherming van Natura 2000-gebieden zoals de aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden. Daarnaast verplicht de wet dat voor bepaalde projecten, plannen en handelingen die invloed hebben op Natura 2000-gebieden sprake is van een vergunningsplicht op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is beschermd middels regel in de Bkl. In paragraaf 7.3.1 van het Bkl zijn regels opgenomen dat provincies deze beschermingsregels in de Omgevingsverordening dienen op te nemen. Het gaat hier met name om Pagina 41 van 49
het aanwijzen en de geometrische begrenzing vastleggen van de Natuur gebieden. Daarnaast worden in de Omgevingsverordening regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Hierbij worden de doelstellingen van het gebied in acht genomen. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Regte Heide & Riels laag, Kempenland-West, Kampina & Oisterwijkse Vennen en Ulvenhoutse bos. De provincie Noord-Brabant heeft verder geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een omgevingsvergunning voor de activiteit natuur wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.
Het dichtstbij liggende Nederlandse Natura 2000-gebied betreft Regte Heide & Riels Laag, dat op een afstand van circa 6,8 kilometer ligt. In Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Middels het rekenprogramma AERIUS wordt de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. In het kader van de uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2024:4923 en ECLI:NL:RVS:2024:4909), mag een toegestane activiteit, al dan niet vergund, niet langer worden betrokken in de voortoets om te bepalen of een natuurvergunning nodig is. De stikstofuitstoot van het nieuwe project op zichzelf moet worden beschouwd, zonder vergelijking met de vergunde situatie. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een ontwikkeling op zichzelf geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, is er geen vergunningsplicht. Als significante gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, is een natuurvergunning vereist. Om het effect van de beoogde ontwikkeling op de Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken zijn berekeningen van de bouw- en de gebruiksfase gemaakt.
Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de activiteiten in de aanleg- en gebruiksfase geen netto depositieresultaten hebben boven de 0,00 mol N/ha/jaar. De berekeningen en een toelichting op de invoergegevens zijn toegevoegd in Bijlage 8Bijlage 9Bijlage 10. Er zijn derhalve geen negatieve effecten op stikstofgevoelige habitats- en leefgebieden van soorten in Natura 2000 gebieden en er geldt geen vergunningsplicht. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. Vanwege de ruime afstand van de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied, Regte Heide & Riels Laag en het Belgische Natura 2000-gebied Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels & Turnhout, leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk.
8.1.3. Soortenbescherming
De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in het Bal. In afdeling 11.2 van het Bal zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Pagina 42 van 49
3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IX onder A en B bij het Bal. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. Het Bal regelt de bescherming van alle in Nederland in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In het Bal is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.
Gelet op de aard van het initiatief aan de Alphenseweg, dient met name bepaald te worden of, ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen, beschermde natuurwaarden voorkomen die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Om te bepalen of de beoogde activiteiten kunnen zorgen voor een verstoring van beschermde natuurwaarden is een ecologische quickscan uitgevoerd door BrabantEco. Het volledige rapport is terug te vinden in Bijlage 11. Uit het rapport blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling aan de Alphenseweg te Baarle-Nassau niet in strijd is met de geldende natuurwetgeving. Er zijn binnen de projectlocatie geen beschermde natuurgebieden of houtopstanden aanwezig. Binnen de projectlocatie zijn geen verblijfplaatsen van beschermde soorten aangetroffen. De aanwezige bebouwing en vegetatie bieden geen geschikte structuren voor vleermuizen of marterachtigen. Ook zijn er geen beschermde plantensoorten of geschikte biotopen voor amfibieën, vissen, reptielen of ongewervelden aangetroffen. De aanwezige bomen en struiken kunnen mogelijk broedgelegenheid bieden aan algemene vogelsoorten.
Negatieve effecten hierop kunnen worden voorkomen door werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Er zijn geen belemmeringen geconstateerd die aanleiding geven tot nader soortgericht onderzoek. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is derhalve niet noodzakelijk. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen.
Pagina 43 van 49
9. Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen 9.1. Technische infrastructuur Technische infrastructuur betreft een relevant planologisch aspect waarbij rekening moet worden gehouden bij het verlenen van een omgevingsvergunning. Onder andere ondergrondse leidingen, hoogspanningsleidingen en radarverstoringsgebieden hebben betrekking op technische infrastructuur.
9.1.1. Ondergrondse leidingen
Op de PAV-kaart en in het omgevingsplan dient gecontroleerd te worden of er aanduidingen zijn opgenomen voor riooltransportleidingen en/of watertransportleidingen. Dergelijke leidingen betreffen leidingen die geen betrekking hebben op omgevingsveiligheid maar op technische infrastructuur. Binnen of nabij de projectlocatie zijn geen relevante leidingen aanwezig. In hoofdstuk 6 is reeds getoetst aan buisleidingen in het kader van externe veiligheid. Met de beoogde ontwikkeling worden er wel nieuwe leidingen aangelegd voor riool en elektriciteit. Derhalve zijn in het omgevingsplan geen beperkingen opgenomen binnen de bouwregels. Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen binnen en nabij de projectlocatie in beeld te brengen. Derhalve zal de beoogde ontwikkeling geen gevaar opleveren voor aanwezige ondergrondse buisleidingen.
9.1.2. Hoogspanningslijnen
Elektriciteit wordt in Nederland vanuit een energiecentrale d.m.v. (bovengrondse) hoogspanningslijnen verplaatst. Bij het transport van elektriciteit door (bovengrondse) hoogspanningslijnen ontstaan magnetische velden, welke mogelijk effect kunnen hebben op de gezondheid van mensen. In het kader van onderhavige procedure zal gemotiveerd moeten worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met de beoogde ontwikkeling. Conform de RIVM-netkaart zijn geen hoogspanningslijnen in het gebied aanwezig, deze lopen ten noorden van Rijen en Tilburg. De beoogde ontwikkeling zal niet zorgen voor een nieuw gevoelig object binnen een magneetveld, derhalve zullen de hoogspanningslijnen geen negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat.
9.1.3. Radarverstoringsgebied
In Nederland staan verschillende radarposten die dienen voor de vliegveiligheid en de nationale veiligheid. Om zeker te stellen dat de defensieradars niet in onaanvaardbare mate worden verstoord door hoge objecten, zijn in het Bkl bepalingen opgenomen om de defensieradars te beschermen. In artikel 5.155 en 5.161a van het Bkl zijn regels opgenomen met betrekking tot een maximale bouwhoogte van bouwwerken binnen 15 km, dan wel 75 km van een radarverstoringsgebied. In bijlage XIV, onder e van het Bkl zijn de maximale bouwhoogtes opgenomen binnen radarverstoringsgebieden. De laagste maximale bouwhoogte zoals opgenomen in deze bijlage bedraagt 24 meter. Er wordt geen bebouwing van hoger dan 24 meter gerealiseerd. Derhalve voldoet het initiatief aan eisen zoals opgenomen in het Bkl.
9.1.4. Vliegbasis Gilze Rijen
Op de kaart worden enkel defensie-inrichtingen getoond waar buiten het hek beperkingen gelden aan het ruimtegebruik. Deze beperkingen gelden binnen bepaalde veiligheidszones. Daarbinnen mogen bijvoorbeeld geen woningen en andere kwetsbare objecten worden gebouwd en mogen ook geen wegen aangelegd worden. Om elk militair terrein zijn drie zones (A, B en C) vastgesteld. Hoe dichter bij een militair terrein, hoe strenger de regels. De projectlocatie is niet gelegen binnen één van deze drie zones.
Pagina 44 van 49
10. Milieueffectrapportage 10.1. M.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over projecten. Het gaat hierbij enkel om projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan, omgevingsvergunning of voorkeursbeslissing. Voor dergelijke projecten moet worden beoordeeld of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Indien een project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, dient bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport te worden opgesteld. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn de projecten zoals bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet, opgenomen. Voor deze projecten moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.
Een project is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien het project is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Indien de waarden in kolom 2 van de Bijlage V van het Omgevingsbesluit worden overschreden dient er een milieueffectrapport te worden opgesteld. Indien de waarden in kolom 2 niet overschreden worden dient er een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Categorie J11 is van toepassing bij onderhavig initiatief. Deze categorie betreft namelijk stedelijke ontwikkelingsprojecten met inbegrip va de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Wanneer er een aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling plaatsvindt is een mer-beoordelingsplicht van toepassing. Echter aangezien in de beoogde ontwikkeling slechts 14 woningen worden gerealiseerd is er naar aard en omvang geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een m.e.r.-(beoordeling) en het doorlopen van de bijbehorende procedure.
Pagina 45 van 49
11. Uitvoerbaarheid 11.1. Economische uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling op de percelen tussen de Alphenseweg 19 en 23 betreft een project van een ontwikkelaar. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende aanvrager. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de aanvrager. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 11.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voorafgaand aan het indienen van onderhavige ruimtelijke onderbouwing is overleg gevoerd met de gemeente Baarle-Nassau. Onderhavig initiatief is in eerste instantie beknopt beschreven waarna de gemeente een positief standpunt heeft ingenomen op onderhavige ontwikkeling.
11.2.1. Bestuurlijk overleg
Er is overleg gevoerd over de beoogde ontwikkeling met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap Brabantse Delta, provincie Noord-Brabant en de Veiligheidsregio. Naar aanleiding van dit overleg hebben de overlegpartners verschillende opmerkingen gemaakt die in de stukken zijn verwerkt.
11.2.2. Participatie omgeving
In de Omgevingswet is opgenomen dat participatie een belangrijk onderdeel is van projecten in de fysieke woon- en leefomgeving. De gemeente Baarle-Nassau vindt het belangrijk dat inwoners optimaal betrokken worden bij plannen en projecten. Het is namelijk de taak van de gemeente om bij initiatieven te beoordelen hoe de omgeving is betrokken. Door participatie wordt ervoor gezorgd dat alle belangen, meningen, kennis en creativiteit direct op tafel komen. Door bezwaren, maar juist ook goede ideeën met elkaar te bespreken, kan het initiatief beter worden gemaakt en is er meer kans op betrokkenheid. Voor de beoogde ontwikkeling is een omgevingsdialoog gevoerd met omwonenden. Op 24 april 2025 heeft een informatie- en dialoogbijeenkomst plaatsgevonden, waarna omwonenden tevens tot 9 mei 2025 de gelegenheid hebben gekregen om aanvullend schriftelijk te reageren. Tijdens deze omgevingsdialoog is het plan toegelicht en zijn diverse aandachtspunten vanuit de omgeving ingebracht. De reacties hadden met name betrekking op de inrichting van de langzaamverkeersroute door het plangebied, de parkeerdruk in de omgeving, de situering van openbare parkeerplaatsen aan de Alphenseweg, de afwikkeling van toekomstig bouwverkeer en de wens om de nieuwe bebouwing qua schaal en uitstraling goed te laten aansluiten op de bestaande woonomgeving.
Daarnaast zijn vragen gesteld over het woningprogramma, de grootte van de kavels en de uitwerking van de seniorenwoningen. Uit de gevoerde dialoog blijkt dat omwonenden overwegend begrip hebben voor de woningbouwontwikkeling, maar dat met name de mogelijke doorsteek voor langzaam verkeer als aandachtspunt wordt gezien. Deze opmerkingen zijn door initiatiefnemer in ontvangst genomen en worden, voor zover relevant, betrokken bij de verdere planuitwerking en de afstemming met de gemeente. Het volledige verslag van de omgevingsdialoog in Bijlage 12 bij deze onderbouwing opgenomen.
Pagina 46 van 49
12. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Deze ruimtelijke onderbouwing betreft de planologische verantwoording voor de bouw van 14 woningen op de projectlocatie ‘Weitje Bruurs’, tussen de Alphenseweg 19 en 23. De ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan volgens het omgevingsplan. Door het aanvragen van een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is de ontwikkeling toch mogelijk (artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet). Door middel van deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat de beoogde ontwikkeling leid tot een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. Het initiatief is getoetst aan alle relevante beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Het beleid op geen van deze niveaus vormt een belemmering voor het initiatief. In deze onderbouwing is getoetst aan de Omgevingsverordening Noord-Brabant en de gemeentelijke Omgevingsvisie. Tevens is het initiatief getoetst aan alle relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. Hieruit is gebleken dat met het initiatief geen nadelige effecten ontstaan voor de omgeving. De onderzoeken naar geluid, bodem, geur en luchtkwaliteit tonen aan dat het initiatief milieu-hygiënisch aanvaardbaar is. Door de onderzoeken van natuur, archeologie, externe veiligheid en de waterparagraaf wordt aangetoond dat het initiatief planologisch aanvaardbaar is.
Daarnaast wordt geïnvesteerd in de kwaliteitsverbetering van het landschap door het integreren van verschillende landschappelijke elementen in het projectgebied. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het initiatief leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan de locaties. Daarom kunnen de voorgenomen ontwikkelingen op de projectlocatie op het veld tussen de Alphenseweg 19 en 23 doorgang vinden.
Pagina 47 van 49
13. Bijlagen Bijlage 1: Situatietekening en exterieurimpressies Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Bodemonderzoek Bijlage 4: Bergingsberekening en plattegronden waterhuishouding Bijlage 5: Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 6: Archeologisch booronderzoek Bijlage 7: Laddertoets Bijlage 8: Toelichting invoergegevens AERIUS Bijlage 9: AERIUS-berekening gebruiksfase Bijlage 10: AERIUS-berekening aanlegfase Bijlage 11: Quickscan Flora Fauna Bijlage 12: Omgevingsdialoog Bijlage 13: Selectiebesluit Bijlage 14: Welstandsadvies/CRK-advies
Pagina 48 van 49
Pagina 49 van 49