Bijlage 1. Toelichting Boschoven 24
Tekst van het document
Crijns Rentmeesters bv
28
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
4.
MILIEU- EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN
4.1
Bodemkwaliteit
4.1.1
Beleidskader
4.1.1.1
Inleiding
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient te zijn aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. 4.1.1.2
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
In de wet staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat:
er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging;
het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan;
er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren.
4.1.1.3
Wet bodembescherming
Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming. In de Wet bodembescherming is een saneringsdoelstelling bepaald zijnde het saneren naar de functie en een saneringscriterium, waarin in bepaald wanneer er gesaneerd moet worden. 4.1.1.4
Besluit bodemkwaliteit
Het Besluit bodemkwaliteit geeft het lokale bevoegd gezag de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie.
4.1.2
Toets
Binnen het plangebied wordt een voormalige agrarische bedrijfslocatie herbestemd naar een woonbestemming. Hierbij wordt bestaande bebouwing hergebruikt en alle overtollige bebouwing gesaneerd. Aangetoond dient te worden dat na sanering geen verontreinigingen aanwezig zijn en dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Het bodemonderzoek voor deze locaties is aanbesteed. De conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek worden opgenomen in deze paragraaf. Het onderzoek wordt bij deze toelichting gevoegd.
Crijns Rentmeesters bv
29
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
4.2
Water
4.2.1
Beleidskader
4.2.1.1
Inleiding
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap Brabantse Delta. De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van afvalwater dat afkomstig is van huizen en bedrijven. Huiseigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor de aansluiting op het riool. Vanaf dit aansluitpunt neemt de gemeente de verantwoordelijkheid over. De gemeente is ook verantwoordelijk voor de zorg voor het overtollige regenwater en grondwater. 4.2.1.2
Kaderrichtlijn Water
De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn met als doel de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de richtlijn vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. 4.2.1.3
Nationaal Waterplan 2016-2021
Het nationaal waterbeleid voor de komende jaren is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om te investeren in de bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn. 4.2.1.4
Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021
Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het hoofddoel is samenwerken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. De geformuleerde doelen van het Provinciaal Milieu en Waterplan zijn:
voldoende water voor mens, plant en dier;
een schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht);
de bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico's;
verduurzaming van grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.
De provincie wil deze doelen realiseren in samenwerking met de partners op basis van gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Crijns Rentmeesters bv
30
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
4.2.1.5
Waterbeheerplan 2022-2027
In het Waterbeheerplan van waterschap de Brabantse Delta is beschreven welke doelstellingen door het waterschap worden nagestreefd. Het waterschap is verantwoordelijk voor de het waterkwantiteits en - kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen dit waterbeheerplan. 4.2.1.6
Keur
De Keur van het waterschap bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger bij deze keur geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. 4.2.1.7
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen
De drie Brabantse waterschappen hanteren dezelfde uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Op basis van de Keur en deze beleidsregel wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. 4.2.1.8
vGRP Baarle-Nassau
Inleiding De gemeenteraad van Baarle-Nassau heeft op 4 november 2020 het nieuw verbreed gemeentelijke rioleringsplan (vGRP) 2021-2025 vastgesteld. Hierin staat hoe de gemeenten Baarle-Nassau en Baarle-Hertog de watertaken uitvoeren. Doelen Op basis van de voorgeschreven wettelijke taken, de regionale en gemeentelijke visie in de afvalwaterketen en de gemeentelijke ambitie zijn voor dit vGRP drie hoofddoelen omschreven.
het duurzaam beschermen van de volksgezondheid;
Het op peil houden van de kwaliteit van de leefomgeving;
Het duurzaam beschermen van natuur en milieu (bodem, grond- en oppervlaktewater).
Crijns Rentmeesters bv
31
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
Binnen deze doelen worden ook de activiteiten voor het beheer en onderhoud van de hemelwatervoorzieningen en het opvangen van regenwater in bergingsvijvers opgepakt en gefinancierd. Daarnaast valt ook het onderhouden van sloten achter de overstort tot de werkzaamheden. De overige activiteiten voor oppervlaktewater, ecologische verbindingszones, sloten en bermen vallen niet binnen het vGRP, maar worden wel onderling afgestemd om een integrale benadering te behouden. De drie algemene hoofddoelen zijn verder uitgewerkt in zeven thematische doelen: 1.
Doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater;
2.
Doelmatig inzamelen en verwerken van hemelwater(daar waar de perceelseigenaar redelijkerwijs niet in staat is dit zelf te doen);
3.
Voorkomen dat grondwater de bestemming van een gebied structureel nadelig beïnvloedt;
4.
Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken (in de breedste zin van het woord);
5.
Doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering;
6.
Zo mogelijk infiltratie van regenwater in de bodem.;
7.
Ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem en grondwater zoveel mogelijk voorkomen.
Hemelwaterinfiltratie De woningen in de omgeving van het plangebied zijn aangesloten op drukriolering en de perceeleigenaar moet zelf zorgen voor het afvoeren van het hemelwater. Bij nieuwe uitbreidingen en inbreidingen wordt hemelwater bij voorkeur niet meer afgevoerd naar de RWZI maar lokaal verwerkt. Beoogd wordt van zoveel mogelijk verhard oppervlak regenwater te infiltreren dan wel vertraagd af te voeren naar oppervlaktewater, zonder dat dit leidt tot wateroverlast of aantasting van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater. Het gebied, de kwaliteit en kwantiteit van afvloeiend hemelwater is bepalend voor de mogelijkheden. Voor de retentiebehoefte is de voorkeursvolgorde infiltreren, retentie binnen het plangebied, retentie buiten het plangebied of berging in het bestaand watersysteem. Bij de afweging spelen de kenmerken van het ontvangende watersysteem een belangrijke rol. Het beleid is erop gericht een versnelde of vergrote afvoer van hemelwater zoveel mogelijk te voorkomen door infiltratie of retentie. Het beleid richt zich vooral op de perceeleigenaar of ontwikkelaar. Voor nieuwbouw is het uitgangspunt hydrologisch neutraal ontwikkelen tot t=100 (een bui die eens in de 100 jaar voorkomt). Dat komt overeen met retentie van 78 mm. Het uitgangspunt is dat perceeleigenaren redelijkerwijs trachten te voldoen aan de retentienormen voor hemelwater.
Als dat niet eenvoudig lukt wordt in samenspraak met het waterschap gezocht naar geschikte oplossing, conform de voorkeursvolgorde. Navolgende tabel geeft een beeld van de omgang met hemelwater bij ontwikkelingen.
Tabel 1: omgang met hemelwater bij ontwikkelingen
Crijns Rentmeesters bv
32
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
4.2.2
Toets
4.2.2.1
Europees-, Rijks en provinciaal beleid
De waterdoelen zoals gesteld in het Europees, Rijks en provinciaal beleid zijn in concrete doelen vertaald in het waterschaps- en gemeentelijk beleid. Deze herbestemming wordt hierna aan deze concrete beleidskaders getoetst. 4.2.2.2
Keur
Het plangebied is op de kaart behorende bij de Keur niet aangewezen als gelegen in beschermd gebied of attentiegebied. Er volgen geen voorwaarden voor deze herbestemming uit de Keur. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de keurkaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.
Plangebied
Figuur 18: Ligging plangebied op keurkaart van het waterschap
4.2.2.3
Beleid hemelwaterzorgplicht en regels watertoetsproces
Binnen het plangebied worden alle stallen die in gebruik waren voor het houden van dieren gesloopt. Dit heeft een afname van het verhard oppervlak met een omvang van tenminste 880 m² tot gevolg. Hiermee is sprake van een forse afname van bebouwing. De resterende bebouwing wordt hergebruikt. Er is geen sprake van een toename van bebouwing. Het hemelwater dat valt op daken en verhardingen van deze bebouwing vloeit via de daken af op het erf en infiltreert hier in de bodem. Dit blijft ongewijzigd. 4.2.2.4
Hemelwateraspecten binnen het plangebied
Het plangebied is gelegen op een hoge zwarte enkeerdgrond bestaande uit lemig fijn zand (zEZ23), gelegen op een hoogte van circa 25 meter boven NAP en er sprake van een GHG van circa 80-120 cm-mv. Navolgende figuur geeft een uitsneden van de GHG waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.
Crijns Rentmeesters bv
33
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
Plangebied
Figuur 19: uitsnede kaart met GHG voor de omgeving van het plangebied
De bodem is geschikt voor infiltratie van hemelwater en het terrein is groot ten opzichte van de verharding. De omvang aan verhard oppervlak neemt substantieel af. Er is binnen het plangebied ook voldoende ruimte voor hemelwaterinfiltratie. 4.2.2.5
Milieuvriendelijke bouwmaterialen
Bij verbouw dient aandacht geschonken te worden aan het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en dient zorg gedragen te worden voor het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. 4.2.2.6
Afvalwateraspecten
Er wijzigt niets aan de wijze van omgang met afvalwater binnen het plangebied. De twee toe te voegen woningen worden aangesloten op het bestaande afvalwaterafvoersysteem.
4.3
Cultuurhistorie
4.3.1
Beleidskader
4.3.1.1
Rijksbeleid
Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van
Crijns Rentmeesters bv
34
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet.
Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. 4.3.1.2
Provinciaal beleid
In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Aardkundig waardevolle gebieden Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap. De provincie Noord-Brabant wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar structuurvisie ruimtelijke ordening. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ruimte is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld. De Provincie heeft de 'Aardkundig waardevolle gebiedenkaart NoordBrabant’ ontwikkeld, welke is opgenomen in de verbeelding van de Interim omgevingsvisie NoordBrabant. De kaart geeft aan op welke gebieden de bestaande beleidsregels betrekking hebben en welke waarden gelden.
Crijns Rentmeesters bv
35
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
4.3.2
Toets
4.3.2.1
Aardkundig waardevolle gebieden
Het plangebied is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied. 4.3.2.2
Omgeving
Het plangebied is ten noorden van Baarle-Nassau gelegen binnen de bebouwingsconcentratie ‘Boschoven’. Het buurtschap Boschoven is op de cultuurhistorische waardenkaart aangeduid als een bebouwingsconcentratie met een redelijk hoge cultuurhistorische waarde. De bebouwingsconcentratie betreft een akkergehucht dat is gelegen te midden van een uitgestrekt akkercomplex op een steile verhoging gelegen. Van dit gehucht is in 1311 voor het eerst melding gemaakt. Het noordelijk deel van deze bebouwingsconcentratie betreft een in tracé V-vormige, thans geasfalteerde weg, die overgaat in zandpaden. Rondom dit wegenpatroon is een onregelmatige, incidenteel gewijzigde bebouwing uit de periode 1850-1925 aanwezig in een aansluitend plaatse-achtig patroon. Aan de oostkant van de Boshovense Weg bevindt zich het zuidelijke bebouwingscluster. De bebouwingstructuur is de omschrijven als vrij los, willekeurige zwermbebouwing tussen verschillende oude akkers. Het bestaat uit overwegend agrarische bebouwing die ondanks wat moderniseringen het historisch karakter en structuur uitstralen. Het plangebied is niet gelegen in dit historische buurtschap, maar direct aansluitend hieraan. Binnen het plangebied is naast historische bebouwing, zijnde de cultuurhistorisch waardevolle schuur, ook nieuwe(re) bebouwing aanwezig die ten dienste van de veehouderij is gebouwd. Deze bebouwing wordt gesloopt.
Navolgende figuur betreft een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.
Plangebied
Crijns Rentmeesters bv
36
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
Figuur 20: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
4.3.2.3
Plangebied
De Boschoven betreft een oud wegtracé met redelijk hoge cultuurhistorische waarde. Het plangebied is gelegen binnen het buurtschap Boschoven (voorheen bekend als Baarle Boshoven). De structuur en verkaveling van het huidige landschap binnen deze bebouwingsconcentratie vertoont een nog relatief grote verwantschap met de historische situatie rond het jaar 1900. Navolgende figuur geeft een beeld van het kadastrale minuutplan uit de periode 1811-1832 en een kadastrale hulpkaart. Het perceel is ongewijzigd gebleven. De bebouwing binnen het plangebied is gebouwd tussen november 1936 en het jaar 1942.
Figuur 21: Kadastraal minuutplan uit de periode 1811-1832 (links) en de kadastrale hulpkaart waarop de bebouwing is ingetekend uit 1941 (rechts)
Binnen het plangebied vindt slechts sloop van niet cultuurhistorisch waardevolle veehouderijstallen plaats. De binnen het plangebied aanwezige cultuurhistorisch waardevolle schuur wordt behouden en verbouwd met in acht name van de te behouden cultuurhistorische waarden. Behoud van de schuur is van belang vanwege de relatief hoge gaafheid van het pand, zowel met betrekking tot de hoofvorm als detaillering. Het metselwerk en ook het voegwerk is nog voor een zeer groot deel authentiek. Navolgende foto’s uit de Redengevende omschrijving voor het pand geven hier een goed beeld van.
Crijns Rentmeesters bv
37
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
Figuur 22: Voorbeeld van behouden gebleven cultuurhistorisch waardevolle elementen aan de schuur, uit de Redengevende omschrijving, opgesteld door het Monumentenhuis
In de cultuurhistorische waardenstelling die als bijlage bij deze toelichting behoort zijn de cultuurhistorische waarden van deze schuur omschreven. Dit is eveneens beschreven in paragraaf 2.4.3 van deze toelichting. Met deze herbestemming wordt geborgd dat deze schuur in de toekomst behouden blijft. Dit is op de verbeelding en in de regels van dit bestemmingsplan geborgd door het opnemen van de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ ter plaatse van de woonbestemming. Deze herbestemming leidt niet tot aantasting van cultuurhistorische waarden in de omgeving, maar juist versterking hiervan.
4.4
Archeologie
4.4.1
Beleidskader
4.4.1.1
Inleiding
Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Crijns Rentmeesters bv
38
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. 4.4.1.2
Gemeentelijk beleidskader
De gemeenteraad van de gemeente Baarle-Nassau heeft het archeologiebeleid vastgesteld in de Nota Archeologie Baarle-Nassau. Onderdeel van deze beleidsnota is de archeologische verwachtingswaardenkaart. Deze kaart vormt de basis voor archeologische maatregelen. De aangegeven archeologische verwachtingswaarden zijn vertaald beleidscategorieën waaraan een planologisch beschermingsregime wordt gekoppeld. De insteek van het gemeentelijke beleid is om te beschermen wat archeologisch waardevol is. Voor de categorieën is opgenomen voor welke werkzaamheden (verstoringsoppervlak en diepte) in welke gebieden wel of geen archeologische onderzoekplicht geldt. Navolgende figuur geeft een uitsnede van deze kaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.
Plangebied
Crijns Rentmeesters bv
39
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
Figuur 23: Uitsnede van de ‘Archeologische Beleidsadvieskaart’ waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
4.4.2
Toets
Het plangebied aangeduid als gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Binnen deze gebieden geldt een onderzoeksplicht naar eventueel aanwezige archeologische waarden bij een verstoringsdiepte van dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld over een oppervlakte van meer dan 500 m². Binnen het plangebied vindt sloop van stallen plaats die in gebruik waren voor de intensieve veehouderij. Deze gronden zijn reeds geroerd en deze sloop leidt niet tot aantasting van archeologische waarden. Er vinden geen verstoring van ongeroerde gronden plaats binnen het plangebied. In de regels van dit plangebied is een archeologische dubbelbestemming opgenomen zodat zeker gesteld is dat ook in de toekomst geen nieuwe bodemverstoringen boven de drempelwaarden plaatsvinden zonder dat archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd voor aanvang van deze werkzaamheden. Deze dubbelbestemming is opgenomen op basis van de archeologische beleidskaarten. De vondst van archeologische waarden kan nooit geheel worden uitgesloten. In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11.
4.5
Natuur
4.5.1
Beleidskader
4.5.1.1
Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000 gebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren
Crijns Rentmeesters bv
40
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Navolgende figuur geeft een beeld van ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden in de omgeving.
Plangebied
Figuur 24: Uitsnede kaart met ligging Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied
4.5.1.2
Stikstofdepositie
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient vastgesteld te zijn of een ontwikkeling leidt tot een effect op een Natura 2000-gebied. Voor stikstofdepositie zijn de Wet stikstofreductie en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van toepassing. Deze wet en dit besluit zijn van kracht sinds 1 juli 2021. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. Met Aerius Calculator kan de stikstofdepositie bij een ontwikkeling worden bepaald. 4.5.1.3
Soortenbescherming
Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient vooraf een beoordeling plaats te vinden.
4.5.2
Toets
4.5.2.1
Gebiedsbescherming
Het plangebied is gelegen ten noorden van Baarle-Nassau. In de omgeving van het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden gelegen. Op een afstand van 5,7 kilometer ten noordoosten van het plangebied is het Natura 2000-gebied ‘Regte Heide & Riels Laag’ gelegen. De sanering van de veehouderij binnen het plangebied in samenhang met het minder intensieve hergebruik heeft per saldo een positief effect op natuurgebieden 4.5.2.2
Stikstofdepositie
Binnen het plangebied worden twee woningen binnen een bestaande cultuurhistorisch waardevolle schuur gerealiseerd en wordt een voormalige mantelzorgwoning hergebruikt voor kleinschalig logeren.
Crijns Rentmeesters bv
41
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
In samenhang hiermee wordt een veehouderij gesaneerd. Door Aelmans is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek met nummer M222689 en datum 20 december 2022 is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat deze ontwikkeling geen effect op een Natura2000 gebied heeft. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna samengevat opgenomen. Op grond van de resultaten uit de berekeningen kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebieden, ten gevolge van NOx- en NH3-emissies tijdens de sloop van de stallen, de aanleg van het groen en de realisatie- en de gebruiksfase van de B&B en de twee nieuwe woningen, uitgesloten kunnen worden. De uitkomsten geven derhalve geen aanleiding tot het aanvragen van een Wnb-vergunning of een verklaring van geen bedenkingen vanwege mogelijke effecten door NOx- en NH3-emissies op Natura2000-gebieden. 4.5.2.3
Soortenbescherming
Door Brabant Eco is een flora en fauna onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek met rapportnummer 2021-BE-0867 behoort als bijlage bij deze toelichting. De conclusies en aanbevelingen uit dit rapport zijn hierna samengevat opgenomen. Voorkomende diersoorten Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er algemeen beschermde broedvogels in het plangebied voorkomen. Voor de overige soortgroepen, waaronder vleermuizen uilen, huismus en gierzwaluw zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. De soorten worden niet verstoord. De biotopen blijven behouden. Resultaten Het erf functioneert aantoonbaar als leefgebied voor diverse soorten dieren, waarvoor verbeteringen zullen ontstaan. De intensieve varkenshouderij houdt volgens beoogd plan op te bestaan. De aangetroffen en potentieel voorkomende soorten zijn merendeels algemene cultuur volgende soorten, juridisch vallend onder het lichte beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Met de herontwikkeling worden meer groenstructuren aangeplant waardoor foerageermogelijkheden voor onder andere de aanwezige huismussen worden verbeterd. Advies en aanbevelingen
Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Mede hierdoor en aan de hand van de geplande functieverandering van het plangebied wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren.
De ingreep zal naar verwachting leiden tot een zeer beperkt en tijdelijk verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat het erf geschikt blijft als leefgebied en het relatief algemene soorten betreft. Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk.
Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfsplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende
Crijns Rentmeesters bv
42
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden. In het kader van de vogelrichtlijn wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het om de periode 15 maart tot 15 juli. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen. Deze maatregelen dienen ervoor om negatieve gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen of te verzachten. Resultaten en advies
De directe omgeving is potentieel geschikt als leefgebied voor verschillende vogelsoorten. Diverse soorten staan onder druk door steeds verder afnemende broedgelegenheid. Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw.
Vleermuizen kunnen zelf geen nest bouwen, maar maken gebruik maken van al bestaande holtes. Ze verblijven op verschillende plekken, afhankelijk van de periode van het jaar en de functie (zoals winter- of kraamverblijfplaats). Door het plaatsen van inmetselstenen worden vleermuizen enorm geholpen bij het bieden van een verblijfplaats.
Bij de landschappelijke inpassing met groenstructuren worden bij voorkeur inheems (streekeigen) groen aangeplant. De voorkeur gaat uit naar en bes- en nootdragende struiken zoals sporkehout (vuilboom), Gelderse roos, wilde kardinaalsmuts, lijsterbes, hondsroos, sleedoorn of hazelaar. Deze ten gunste van foerageerfuncties voor vogels, maar ook kleine knaagdieren, insecten en insecteneters zoals vleermuizen zullen hiervan profiteren. Huismussen zullen schuilgelegenheid vinden in stekelige struiken. Lindebomen trekken tijdens hun relatief lange bloeitijd grote aantallen insecten aan, en dus ook eerdergenoemde insecteneters.
De zorgplicht is altijd van toepassing, op basis waarvan door iedereen voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen) te starten met werkzaamheden en het gefaseerd werken om dieren de kans te geven om te vluchten.
Uit flora en fauna onderzoek blijkt dat met deze herbestemming geen sprake is van de aantasting van flora en fauna waarden. De zorgplicht is altijd van toepassing.
4.6
Geluid
4.6.1
Beleidskader
4.6.1.1
Wegverkeerslawaai
De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen.
Crijns Rentmeesters bv
43
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
4.7.1.2
Industrielawaai
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen.
4.6.2
Toets
4.6.2.1
Wegverkeerslawaai
De bestaande bedrijfswoning aan Boschhoven 24 blijft in de huidige aard en omvang behouden. De recreatieve verblijfsrecreatie is niet voor geluid gevoelig. Deze woning en aanpandige voormalige mantelzorgwoning kunnen voor de nieuwe functie in gebruik genomen worden. Binnen de cultuurhistorisch waardevolle schuur worden twee nieuwe woningen gerealiseerd. Door Tritium Advies is een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd. Dit onderzoek d.d. 17 september met rapportnummer 2107/142/SH-01 behoort als bijlage bij deze toelichting. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna samengevat opgenomen. ‘Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de wegen Boshoven (N260), Alphenseweg (N260), Boschoven, Boshovenring (N639) en Venweg. De wegen Boshoven (N260) en Alphenseweg (N260) zijn als één juridische geluidbron beschouwd. Voor de wegen Boshoven/Aphenseweg (N260), Boshovenring (N639) en Venweg geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de woningen overschrijdt. Voor de weg Boschoven geldt dat de geluidbelasting op de meest zuidelijk gelegen woning aan Boschoven 24 de voorkeursgrenswaarde niet overschrijdt. Derhalve is voor deze woning geen sprake van een procedure hogere waarde.
Voor de meest noordelijk gelegen woning aan Boschoven 24 geldt dat de geluidbelasting de voorkeursgrenswaarde met 4 dB overschrijdt ter plaatse van de voorgevel. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Voor de woning aan Boschoven 24 is het vergroten van deze afstand niet mogelijk. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde nog altijd wordt overschreden ter plaatse van de meest noordelijk gelegen woning aan Boschoven 24. Deze geluidreducerende maatregel is voor deze woning derhalve niet doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet bovendien overwegende bezwaren van financiële aard.
Crijns Rentmeesters bv
44
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met het document ‘Ontheffingenbeleid Wet geluidhinder: Wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai’ d.d. 10 februari 1998 van de provincie Noord-Brabant, welke is overgenomen door de ABGgemeenten. In onderhavige situatie is sprake van vervanging van bestaande bebouwing. Derhalve wordt voldaan aan één van de gestelde subcriteria uit het geluidbeleid. Er geldt dat geen sprake is van een geluidbelasting van meer dan 53 dB (incl. aftrek artikel 110g Wgh). Er worden hierdoor geen aanvullende voorwaarden gesteld met betrekking tot een geluidluwe zijde. Derhalve wordt voldaan aan de eisen uit het geluidbeleiden wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Voor de meest noordelijk gelegen woning aan Boschoven 24 is sprake van het gedeeltelijk vernieuwen en veranderen van een bouwwerk. Overeenkomstig afdeling 3.1 van Bouwbesluit 2012 mag bij het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk uitgegaan worden van het rechtens verkregen niveau. Voor de onderhavige situatie betekent dit dat er geen eisen zijn voor de geluidwering van de gevels. Echter mag de geluidwering in de beoogde situatie niet slechter zijn dan in de huidige situatie, met als bovengrens de nieuwbouweisen.
Aangezien er voor deze woning eveneens sprake is van een procedure hogere waarde, wordt in het kader van een akoestisch goed woon- en leefklimaat, een aanvullend onderzoek geadviseerd, waarbij wordt uitgegaan van een maximaal geluidbinnenniveau van 33 dB.’ In samenhang met deze bestemmingsplanprocedure wordt een hogere waarde procedure doorlopen. Een voorwaarde uit het gemeentelijke hogere waardenbeleid is dat er sprake is van een geluidluwe gevel indien er sprake is van een geluidbelasting van 53 dB of meer. Er is geen sprake van een geluidbelasting van 53dB of meer, maar er is wel sprake van een geluidluw gevel. Dit levert een bijdrage aan een goed woon- en leefklimaat. Middels akoestisch onderzoek is aangetoond dat er bij realisatie van deze woning een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig is. 4.6.2.2
Industrielawaai
Binnen het plangebied is in de huidige situatie een veehouderij aanwezig. Deze veehouderij wordt gesaneerd. Er is binnen het plangebied na sanering van het agrarisch bedrijf geen sprake van industrielawaai. Tevens is geen sprake van een lawaaimaker, gelegen in de omgeving van het plangebied. Dit aspect is niet van toepassing.
4.7
Geur
4.7.1
Beleidskader
4.7.1.1
Inleiding
In het kader van een goede ruimtelijke ordening bestaat de toets in het kader van geur uit twee aspecten. Ten eerste dient te worden aangetoond dat binnen het plangebied sprake is van een goed woonen leefklimaat. Ten tweede dient te worden aangetoond dat veehouderijbedrijven door de ontwikkeling niet onevenredig in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad.
Crijns Rentmeesters bv
45
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
4.7.1.2
Activiteitenbesluit
Veel veehouderijen vallen in hun geheel onder het Activiteitenbesluit. De Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij zijn voor deze bedrijven niet van toepassing. De eisen uit de wetten zijn wel als voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit. 4.7.1.3
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder. De wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 ouE/m³ binnen de bebouwde kom en een norm van 14 ouE/m³ buiten de bebouwde kom. Het is mogelijk om middels een verordening maatwerk per gebied te bieden. Ten opzichte van dieren van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (bijvoorbeeld rundvee en paarden), dienen op grond van de wet vaste afstanden aangehouden te worden. De afstand tussen een geurgevoelig object en een dergelijke veehouderij dient, indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom gelegen is, minimaal 50 meter te bedragen en indien het binnen de bebouwde kom is gelegen minimaal 100 meter. Binnen het plangebied is sprake van een agrarische bedrijfswoning. Op deze woning is artikel 3, tweede lid van de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. Dit artikel luidt: ‘In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij: a.
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.’ 4.7.1.4
Voorgrondbelasting
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. De voorgrondbelasting is maatgevend bij een ontwikkeling indien deze tenminste de helft van de waarde van de achtergrondbelasting bedraagt. 4.7.1.5
Achtergrondbelasting
Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is een maat voor het leefklimaat. Er dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te zijn.
4.7.2
Toets
4.7.2.1
Voorgrondbelasting
Binnen het plangebied wordt de veehouderij gesaneerd. Hierbij is artikel 3 lid 2 uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing met betrekking tot de geurhinder vanuit omliggende veehouderijen voor de woning die in samenhang hiermee wordt opgericht. Het plangebied is gelegen in het buiten-
Crijns Rentmeesters bv
46
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
gebied, waardoor ten opzichte van omliggende veehouderijen een aan te houden vaste afstand van 50 meter geldt. Binnen de afstand van 50 meter zijn geen veehouderijen gelegen. In het kader van het woon- en leefklimaat kan de voorgrondbelasting bepalend zijn. De veehouderij aan Boshoven 37 is eveneens in eigendom van de initiatiefnemer. Deze veehouderij wordt in samenhang met dit plan eveneens gesaneerd. Hiervoor is een separate bestemmingsplanprocedure gestart in de gemeente waarin deze veehouderij gelegen is, de gemeente Alphen-Chaam. De vergunning voor het houden van dieren wordt gedurende deze bestemmingsplanprocedure ingetrokken. In de omgeving van het plangebied zijn nog twee veehouderijen gelegen. Navolgende tabel geeft een beeld van de veehouderijen in de omgeving van het plangebied en de grootte deze veehouderijen en de afstand van deze veehouderijen tot het plangebied. Adres
Dieren
Geuremissie
Afstand tot het plangebied
Venweg 1
100 paarden
0
262 meter
Venweg 2a
198 vleesstieren
7049 OuE
204 meter
Tabel 2: Tabel voor beoordeling dominante veehouderij voor de voorgrondbelasting
De veehouderij aan Ven 2a is de dominante veehouderijen. Hierna is de voorgrondbelasting van deze veehouderij bepaald.
Tabel 3: Voorgrondbelastingberekening veehouderij Venweg 2a ten opzichte van het plangebied
De voorgrondbelasting bedraagt binnen het plangebied maximaal 1,4 ouE/m³. Hiermee is sprake van een zeer goed woon- en leefklimaat. 4.7.2.2
Achtergrondbelasting
De achtergrondbelasting is voor het plangebied doorgerekend met behulp van het programma VStacks gebied. Ten behoeve van de berekening van de achtergrondbelasting zijn de veehouderijen binnen een straal van 4 kilometer rondom het plangebied beoordeeld. Hiertoe zijn alle bedrijven binnen de gemeenten Alphen-Chaam en Baarle-Nassau ingevoerd. De invoergegevens van de veehouderijbedrijven zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven van de provincie Noord-Brabant (uitvoerdatum 17 juni 2021). Het bronnenbestand voor deze berekening behoort als bijlage bij deze toelichting. Navolgende tabel geeft de invoergegevens en berekende achtergrondbelasting voor het plangebied weer. Meteo Station
Crijns Rentmeesters bv
: Eindhoven
47
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
Percentage rekenuren
: 25%
Rasterpunt linksonder
x: 121978
Rasterpunt linksonder
y: 383442
Rasterlengte
4000 meter
Gebied lengte
(x): 2000 m , aantal gridpunten: 50
Gebied breedte
(y): 2000 m , aantal gridpunten: 50
Berekende ruwheid
0,32
Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID
X-coor
Y-coor
Geurbelasting [OU/m³]
NW chw
123978
385442
2,573
ZW chw
123973
385424
2,463
ZO w
124016
385416
2,366
NO w
124020
385430
2,432
Tabel 4: Achtergrondbelasting binnen het plangebied, na sanering van de intensieve veehouderij binnen het plangebied en de sanering van de tweede locatie van de initiatiefnemer aan Boshoven 37 te Alphen
Plangebied
Figuur 25: Achtergrondbelasting voor het plangebied en omgeving na sanering van de intensieve veehouderijen aan Boschoven 24 en aan Boshoven 37
Binnen het plangebied bedraagt de achtergrondbelasting maximaal 2,57 ouE/m³. Hiermee is sprake van een zeer goed woon- en leefklimaat. Met deze waarden is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. 4.7.2.3
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven
De huidige agrarische bedrijfswoning aan Boschoven 24 wordt herbestemd naar een burgerwoning met ondergeschikt recreatief nachtverblijf binnen het bestaande woonvolume. Binnen het plangebied worden binnen een bestaande cultuurhistorisch waardevolle schuur twee woningen toegevoegd.
Crijns Rentmeesters bv
48
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
Het plangebied wordt bestemd in samenhang met het buiten werken stellen van de veehouderij binnen het plangebied en de veehouderij gelegen direct tegenover het plangebied aan Boshoven 35-37 in de gemeente Alphen-Chaam. Op grond van artikel 3 Wet geurhinder en veehouderij dient derhalve een afstand aangehouden te worden van ten minste 50 meter tot een veehouderij. Er zijn geen veehouderijen gelegen binnen deze afstand. Daarnaast is het plangebied niet de eerste voor geur gevoelige bestemming ten opzichte van een veehouderij in de omgeving. Met deze herbestemming is geen sprake van belemmeringen van ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.
4.8
Gezondheid
4.8.1
Beleidskader
4.8.1.1
Endotoxinen
De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof in Nederland, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. In de handreiking zijn de zeven te doorlopen te toetsen stappen opgenomen. 4.8.1.2
Geitenhouderijen
Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico. 4.8.1.3
Gewasbeschermingsmiddelen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.
Crijns Rentmeesters bv
49
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
4.8.2
Toets
4.8.2.1
Toets van de ontwikkeling aan Handreiking aan endotoxinen en geitenbedrijven
Stap 1 In stap 1 van de handreiking wordt getoetst aan endotoxine. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Binnen een afstand van 250 meter tot het plangebied zijn geen varkensbedrijven gelegen. Direct tegenover de locatie is het varkensbedrijf aan Boshoven 35 gelegen. Dit bedrijf wordt in samenhang met deze herbestemming gesaneerd. Daarvoor is een bestemmingsplan in de gemeente Alphen-Chaam in procedure. Binnen een afstand van 1 kilometer tot het plangebied is één locatie aanwezig waar pluimvee gehouden wordt. Dit betreft de pluimveehouderij gelegen aan Boshoven 21. Voor deze locatie is een vergunning verleend voor het houden van vleeskuikens. Hierbij is sprake van een fijnstofuitstoot van 2.520 kg per jaar. De endotoxine-contour van dit bedrijf bedraagt hiermee 306 meter. Het plangebied is buiten deze contour gelegen. Stap 2 Toets aan toename van emissies. Dit is niet van toepassing omdat het plan geen uitbreiding van een veehouderij betreft. Stap 3 In stap 3 wordt getoetst aan geur. Bij 3b wordt voor geur getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarden. Deze zijn maatgevend ten opzichte van stap 3a. Voor het buitengebied zijn deze waarden:
5 ouE/m3 voor de voorgrondbelasting. Deze norm wordt niet overschreden;
10 ouE/m3 voor de achtergrondbelasting. Deze norm wordt niet overschreden;
100 meter voor de afstand tussen de rand van een bedrijf en de gevel van het geurgevoelige object. Er wordt voldaan aan de vaste afstand.
Voldaan wordt aan de geurnormen en aan te houden vaste afstanden. Stap 4 Er zijn geen bedrijven in de omgeving waar bedrijfsmatig een combinatie van de volgende dieren worden gehouden:
Varkens en pluimvee;
Rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten);
Kleine herkauwers onderling.
Aan stap 4 wordt voldaan. Stap 5 In stap 5 wordt getoetst aan de afstand tot een geitenhouderij of een pluimveebedrijf. Binnen één kilometer tot het plangebied is één pluimveebedrijf gelegen. Dit is nader toegelicht in stap 1. Er wordt voldaan aan de aan te houden endotoxinen-contour. De woningen binnen het plangebied zijn niet de dichtstbij het pluimveebedrijf gelegen woningen en hiermee niet maatgevend bij eventuele uitbreidingen in de toekomst. Er wordt gemotiveerd afgeweken van de aan te houden richtlijnafstand van 1 kilometer.
Crijns Rentmeesters bv
50
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
Binnen de gemeenten Baarle-Nassau en Alphen-Chaam zijn diverse geitenhouderijen gelegen. Eén geitenbedrijf is gelegen op korte(re) afstand tot het plangebied. Dit betreft het bedrijf aan OordeelHeikant 1 te Baarle-Nassau. Dit bedrijf heeft een vergunning voor het houden van 1.589 geiten. Dit bedrijf is gelegen op een afstand van circa 1.120 meter tot het plangebied. Deze herbestemming ziet toe op herbestemming van een bedrijfswoning met bijbehorende bestaande bebouwing bij een veehouderij in samenhang met sanering van deze veehouderij. Tussen deze bedrijfswoning met de bestaande bijbehorende bebouwing en de geitenhouderij zijn andere gevoelige objecten gelegen. Het belang van herbestemming van het plangebied en de ligging van het plangebied tot de geitenhouderij is afgewogen en beoordeeld. Bij uitbreiding van geitenhouderij zijn andere, reeds bestaande burgerwoningen maatgevend. De herbestemming van het plangebied leidt niet tot een onacceptabel gezondheidsrisico. Stap 6 Er bevindt zich geen zelfstandige mestbewerking of verwerking plaats. Aan stap 6 wordt voldaan Stap 7 Er is er geen ongerustheid bij omwonenden over de volksgezondheid. Aan 7 wordt daarmee voldaan. 4.8.2.2
Gewasbeschermingsmiddelen
Het plangebied is gelegen direct aan Boschoven. Ten oosten van het plangebied is aan Boschoven 26 een wijngaard gelegen. Tussen de woningen binnen het plangebied en de wijngaard zijn de bedrijfswoning aan Boschoven 26 gelegen en het terras behorende bij deze wijngaard. Hiermee zijn de woningen binnen het plangebied niet gelegen direct nabij de teelt van de druiven. Er is geen sprake van drift vanuit de wijngaard richting het plangebied. Indien er gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, worden deze niet toegepast middels opwaartse druk, maar gericht op de plant. De toe te voegen woningen binnen het plangebied zijn aan de westzijde van het plangebied gelegen en niet nabij de wijngaard op het buurperceel. Direct ten westen van de cultuurhistorisch waardevolle schuur zijn de gronden van de initiatiefnemer gelegen. Er is geen sprake van teelt van gewassen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast in de omgeving van het plangebied.
4.9
Bedrijven en milieuzonering
4.9.1
Beleidskader
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Deze lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In deze lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Deze richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van een bedrijfsbestemming en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.
Crijns Rentmeesters bv
51
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
4.9.2
Toets
4.9.2.1
Inleiding
Het plangebied is gelegen in een van oorsprong historische bebouwingsconcentratie waarbij de agrarische bedrijvigheid de boventoon voerde. Inmiddels zijn de agrarische bedrijfsbestemmingen nagenoeg geheel gesaneerd en is sprake van een gemengd gebied met woningen en bedrijven. Het plangebied is daarbij gelegen nabij de rondweg van Baarle-Nassau. Er is hier dus reeds sprake van verhoogde milieubelasting door onder andere het aspect geluid. Het plangebied kan getypeerd worden als gelegen in een ‘gemengd gebied’. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in een gemengd gebied, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. 4.9.2.2
Bedrijven in de omgeving
Boschoven 26 Aan Boschoven 26, gelegen direct ten oosten van het plangebied, is het bedrijf ‘Hof van Baarle’ gelegen. Dit betreft een wijngaard met wijnmakerij en bijbehorende ondergeschikte nevenactiviteiten als een terras. Dit bedrijf is niet als zodanig bestemd maar wel in gebruik. Direct aansluitend aan het plangebied is de bedrijfswoning aan Boschoven 26 gelegen, ten oosten daarvan is de wijnmakerij gelegen met ten oosten daarvan het terras. De locatie aan Boschoven 26 betreft een ambachtelijk bedrijf met ondergeschikt recreatieve nevenactiviteiten. De afstand van de bestaande woning aan Boschoven 24 tot de wijnmakerij bedraagt tenminste 15 meter. Binnen een gemengd gebied dient een afstand van tenminste 10 meter gehanteerd te worden. Daaraan wordt voldaan. De ondergeschikte verblijfsrecreatieve nevenactiviteit is niet milieugevoelig en is gelegen aansluitend aan de bedrijfswoning aan Boschoven 24. De twee toe te voegen woningen binnen de cultuurhistorisch waardevolle schuur zijn gelegen op een afstand van 39 meter tot de wijnmakerij. Hiermee is voldoende afstand tussen de bedrijfsactiviteit en de beoogde woningen aanwezig. Er wordt voldaan aan de richtlijnafstanden voor bedrijven en milieuzonering. Boschoven 18 Aan Boschoven 18 is een klusbedrijf gelegen. Het betreft een aannemersbedrijf met werkplaats.
Dit is een aannemersbedrijf met een bedrijfsvloeroppervlakte kleiner dan 1.000 m². Dit betreft een bedrijf in de milieucategorie 2. Uitsluitend de op deze locatie aanwezige Vlaamse schuur is in gebruik voor het klusbedrijf. De bedrijfsvloeroppervlakte bedraagt slechts 260 m² . Ook gezien de vervoersbewegingen en milieubelasting, is het klusbedrijf niet te vergelijken met een gemiddeld aannemersbedrijf met een bedrijfsvloeroppervlakte kleiner dan 1.000 m² . Daar vinden voortdurend aan- en afvoerbewegingen plaats en worden allerlei activiteiten ondernomen binnen de inrichting. De eigenaar van de locatie aan Boschoven 18 is locatie van derden werkzaam. Er is maximaal sprake van een milieucategorie 2 bedrijf. Voor deze milieucategorie geldt een richtafstand van 10 meter wanneer gelegen in gemengd gebied. Aan deze richtlijnafstand wordt ruimschoots voldaan. 4.9.2.3
Bedrijf binnen het plangebied
Binnen het plangebied wordt recreatief nachtverblijf bestemd als ondergeschikte nevenactiviteit bij de woonbestemming. Recreatieve functies in de vorm van een bed & breakfast behoren conform de VNG-handreiking tot milieucategorie 1. Wanneer gelegen in gemengd gebied geldt voor deze milieucategorie een afstand van 0 meter. De beoogde recreatieve functie is dus tevens op gepaste afstand
Crijns Rentmeesters bv
52
Boschoven 24 Baarle-Nassau - Toelichting
van gevoelige objecten in de omgeving gelegen. De activiteit is niet milieugevoelig dan wel milieubelastend.
4.10 Externe veiligheid 4.10.1
Beleidskader
4.10.1.1 Inleiding Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst: