Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan ‘Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau’
Tekst van het document
Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|30
De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Quickscan natuurwetgeving In het kader van de Wet natuurbescherming moet worden onderzocht of de beoogde ruimtelijke ingreep kan leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Hiertoe is een quick scan flora en fauna uitgevoerd. De memo, welke is opgenomen als bijlage bij de toelichting, beschrijft de mogelijke aanwezigheid van strikt beschermde soorten en of er met de uitvoering van het project, vervolgwerkzaamheden noodzakelijk zijn in het kader van de Wnb. De conclusie en aanbevelingen luiden als volgt: Het plangebied ligt in de kern van Baarle-Nassau. Gezien het intensieve gebruik en karakter van het plangebied en directe omgeving én het ontbreken van een directe groene verbinding met omliggende bosgebieden, is de aanwezigheid van strikt beschermde soorten niet te verwachten.
Met de beoogde werkzaamheden is het onwaarschijnlijk dat vaste rust- en verblijfplaatsen van strikt beschermde soorten verloren gaan. Een nader onderzoek of een ontheffing Wnb wordt niet noodzakelijk geacht. Verder geldt te allen tijde de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat men rekening moet houden met de werkzaamheden, zodat opzettelijk doden en verwonden wordt voorkomen. Denk daarbij aan het werken in één richting en het slopen van de aanwezige schuur buiten het kwetsbare voortplantingsseizoen. Stikstof Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en het daarbij behorende toetsingskader is in werking getreden op 1 juli 2015. Te veel stikstof is slecht voor de natuur, waardoor een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig is voor activiteiten waar stikstof bij vrij komt (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw of de industrie). Tot 29 mei 2019 was toestemming voor dergelijke activiteiten gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het PAS ongeldig verklaard. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) biedt niet genoeg bescherming aan zogenoemde Natura 2000-gebieden. Een nieuwe stikstofrekentoepassing maakt sommige bouwprojecten toch mogelijk. Het kabinet heeft een nieuwe rekenmethode naar buiten gebracht (de ‘AERIUS Calculator 2020’) welke het verlenen van vergunning voor projecten mogelijk moet maken.
Projecten waarvan (met behulp van deze rekenmethode) kan worden bewezen dat ze de natuur niet raken, komen in aanmerking voor een vergunning. De natuur wordt niet geraakt zolang de depositie van stikstof op beschermde natuurgebieden niet hoger bedraagt dan 0,00 mol/ha/j. In het geval de depositie wél hoger is dan 0,00 mol/ha/j, zijn er enkele mogelijkheden zoals het (intern of extern) salderen of de ADC-toets. Deze toets is echter enkel bruikbaar bij zeer grote dwingende projecten zonder alternatief, waarbij tevens gecompenseerd wordt.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|31
Het salderen is een manier om uiteindelijk de natuurvergunning te verkrijgen door binnen of buiten het project aan te tonen dat er minder of geen extra stikstof neerslaat op Natura 2000-gebieden. Door intreding van de wet Stikstofreductie op 1 juli 2021 is het niet langer nodig een activiteit met tijdelijke emissies op de lokale effecten te toetsen. Het gaat hierbij om de bouw, sloop en eenmalige aanleg van bebouwing. Voor het planvoornemen moet bekeken worden wat de invloed is van de stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden. Het plangebied ligt op circa 7,7 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Regte Heide & Riels Laag’. Met behulp van een stikstofdepositieonderzoek met de AERIUS-calculator is inzichtelijk gemaakt of het planvoornemen van invloed is op de Natura 2000gebieden. Het betreft hier een berekening voor de gebruiksfase. Uit de berekeningen blijkt dat gedurende de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op de omliggende Nederlandse Natura 2000-gebieden zijn berekend. Een vergunning inzake de Wet natuurbescherming is dus niet vereist. Vanwege de aard en omvang van het voornemen en de afstand tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied wordt geen significant effect op het Natura 2000-gebied ‘Regte Heide & Riels Laag’ verwacht. Geconcludeerd kan worden dat stikstof ook geen problemen oplevert voor voorgenomen ontwikkeling.
Conclusie Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.10
Water
Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|32
De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: • • • • •
Heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; Beheersbaar programma voor de waterkeringen; Doelmatig beheer van de waterketen; Werkzaamheden slim combineren; Het waterschapsbestuur.
De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. Regionaal Water- en Bodem Programma (RWP) 2022 – 2027 Op 22 december 2021 is het nieuwe Regionaal Water- en Bodem Programma in werking getreden. Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP kent vijf beleidsopgaven met bijbehorende doelen: • Voldoende water - voldoende water betekent: niet te weinig diep en ondiep grondwater en oppervlaktewater met optimale zoetwaterbeschikbaarheid en waterverdeling in geval van extreme droogte, en niet te veel oppervlaktewater om ernstige regionale wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen. • Schoon water - schoon grond- en oppervlaktewater voor onze volksgezondheid en natuur, conform de normen van de KRW; voorkomen van verontreiniging en het beschermen van diepe grondwatervoorraden. • Veilig water - veiligheid tegen hoogwater in het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem. • Vitale bodem - vergroten van de vitaliteit, sponswerking, resistentie tegen ziekten en natuurlijk productievermogen van de bodem voor duurzame landbouw en biodiversiteit.
• Klimaatadaptatie - aanpassen aan klimaatverandering in alle domeinen van het provinciale waterbeleid Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 (Waterschap Brabantse Delta) In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in de periode 2022 – 2027 uitvoert. Er staan doelstellingen en ambities in. Het waterbeheerprogramma komt voort uit afspraken in de Omgevingswet. Bij het opstellen van het Waterbeheerprogramma hebben we aan organisaties en andere belanghebbenden om hun inbreng gevraagd. Maar ook met trends en maatschappelijke ontwikkelingen, zoals klimaat, de inrichting van de ruimte en economische activiteiten is rekening gehouden in het Waterbeheerprogramma.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|33
Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en de Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlakte. Hieromtrent is bij de Algemene regelgeving van de Keur (gewijzigd per 1 april 2021) het volgende opgenomen: •
•
Bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 500 m2 stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijk beleid. Bij een toename van het verharde oppervlakte van meer dan 500 m2 maar minder dan 10.000 m2 moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m 2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m2).
vGRP 2021-2025 Op 4 november 2020 heeft de gemeenteraad van Baarle-Nassau het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) 2021-2025 vastgesteld. In het vGRP verwoordt de gemeente hoe zij invulling geeft aan de gemeentelijke taken rondom afval-, hemel- en grondwater. De gemeente wil zich nadrukkelijk profileren als groene gemeente met een veerkrachtig watersysteem, een goede waterkwaliteit, waarvan duurzaam gebruik wordt gemaakt en waarbij natuurwaarden worden hersteld. In de vGRP wordt het watersysteem in het stedelijk gebied in grofweg drie delen verdeeld: • Het stedelijk watersysteem: hemelwater, de vijvers, grachten en sloten; • Het grondwatersysteem dat zich in het hele stedelijk gebied onder de wegen, woningen en groenvoorzieningen bevindt; • Het afvalwater systeem: afvoer van het overschot van water (afval-, hemel- en grondwater) naar zuivering of oppervlaktewater. De drie systemen staan onlosmakelijk met elkaar in verbinding en worden gevoed door neerslag ofwel hemelwater (regen, hagel en sneeuw). Hemelwater komt in de grond en/of wordt opgevangen door de verschillende systemen om wateroverlast in woningen en straten te voorkomen.
De loop van het hemel- en grondwater geschiedt op verschillende wijze: • Het hemelwater wordt apart van het afvalwater ingezameld (gescheiden stelsel); • Het hemelwater wordt gezamenlijk met afvalwater ingezameld (gemengd stelsel); • Het apart ingezamelde hemelwater wordt direct getransporteerd naar het oppervlaktewater; • Het hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem; • Het grondwater stroomt in de regel naar het oppervlaktewater; • Het grondwater inzamelen en transporteren naar het RWA-riool in een gescheiden stelsel); • Het grondwater inzamelen en afvoeren naar het gemengd stelsel; • Het grondwater inzamelen ten behoeve van drinkwaterproductie. Conform het gemeentelijk beleid dient bij nieuwbouw een retentie van 60 mm over het totale oppervlak gerealiseerd te worden.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|34
Watertoets Door Avallo Advies is een watertoets uitgevoerd voor de projectlocatie. Het doel van de watertoets is de negatieve effecten van plannen en besluiten op de waterhuishouding te voorkomen en mogelijke kansen voor het watersysteem te benutten. De complete rapportage is opgenomen als bijlage bij de toelichting. Bestaande situatie Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap Brabantse Delta en valt binnen de kern van Baarle-Nassau. In de bestaande situatie kan de schuur en aangrenzende verharding als verhard oppervlak worden bestempeld. De bestaande schuur heeft een oppervlakte 45 m2. De aangrenzende verharding heeft een oppervlakte van circa 50 m2. Zowel het water van de schuur als verharding infiltreert in de huidige situatie op natuurlijke wijze in de ondergrond. Op het perceel is een tijdelijk zwembad opgebouwd met een houten vlonder, ook hier is geen hemelwaterafvoer gerealiseerd. Nabij het perceel zijn geen watergangen en/of greppels aanwezig. De naastgelegen Molenbaan watert niet af op het perceel maar is voorzien van straatkolken. De afwatering van naastgelegen percelen heeft geen relatie met het projectgebied. De oppervlakte van het volledige plangebied bedraagt circa 780 m2. Toekomstige situatie Het planvoornemen betreft de bouw van een tweekapper.
Wanneer wordt uitgegaan van de maximale planologische situatie bedraagt de inhoud van de twee woningen maximaal 1300 m 3. De gezamenlijke oppervlakte van de woningen zal maximaal 250 m2 bedragen. Parkeergelegenheid en verharding zal per kavel maximaal 125 m2 bedragen. In totaal zal van het gehele kavel maximaal 500 m2 verhard worden. Dit is een toename van circa 400 m2. Er resteert dan circa 280 vierkante meter niet verhard oppervlakte. Het totaal aan verhard oppervlak neemt toe met circa 400 m2. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee van invloed op het watersysteem in en rondom de locatie. Zonder compenserende maatregelen heeft de voorgenomen ontwikkeling de volgende negatieve effecten op het watersysteem: • Verminderde hemelwaterinfiltratie; • De afvoer van hemelwater vindt versneld plaats (mogelijk wateroverlast); • Een mogelijke lozing van hemelwater op het oppervlaktewater via de overstort van het gemengde riool door het overschrijden van de buffercapaciteit van het riool bij hevige neerslag. Aanvulling grondwatervoorraad In de huidige situatie is de locatie ter plaatse van de te realiseren nieuwbouw en verhardingen grotendeels onverhard en kan hemelwater in de bodem infiltreren. In de toekomst wordt de locatie deels verhard. Het deel van het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak kan in de toekomstige situatie zonder maatregelen niet infiltreren.
Omvang compenserende maatregelen Binnen het ruimtelijke ontwerp van het nieuwbouwplan past de aanleg van een infiltratie-/ bergingsvoorziening op eigen terrein. Het hemelwater kan eventueel via een buffer op het riool worden afgevoerd. Gelet op het feit dat er nabij het plangebied een gemengd riool ligt, dient het hemelwater gescheiden van het huishoudelijk afvalwater aangeboden te worden.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|35
Ten behoeve van de berekening van de omvang van de compenserende maatregelen is door Waterschap de Brabantse Delta een handig instrument ontwikkeld; het is “de watertoets Viewer” deze is ten tijde van schrijven niet beschikbaar. Op basis van de onderstaande invoerparameters is een modelberekening uitgevoerd: een maaiveldhoogte van 26,20 m +NAP; een GHG van 22.20 m +NAP (4,10 m -mv); een k-waarde van >2.5 m/dag; een totaal verhard oppervlak van 500 m2. Uit de modelberekening volgt dat de totaal benodigde berging in het gebied 15 m 3 bedraagt voor de buffering van respectievelijk een maatgevende bui van T=10 en een maatgevende bui van T=100. Conform het gemeentelijk beleid (vGRP 2021-2025) dient bij nieuwbouw echter een retentie van 60 mm over het totale oppervlak gerealiseerd te worden, ofwel 500 m2 x 0,06 = 30 m3. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden door het plaatsen van infiltratiekratten, de aanleg van grindkoffers of het realiseren van een retentiepoeltje in een deel van de tuin. Het hemelwater zal in elk geval niet op aanliggende percelen terechtkomen. Alle voorzieningen dienen boven de hoogste grondwaterstand te worden aangelegd om als infiltratiecapaciteit te kunnen dienen voor opslag van het hemelwater.
De berging mag een overloopleiding hebben naar het gemeentelijke rioolstelsel, maar deze overloop mag pas inwerkingtreden als de voorziening in dit geval met 30 m 3 gevuld is. Conclusie Mits de benodigde waterberging van 30 m3 wordt gerealiseerd, vormt het aspect water geen belemmering voor het planvoornemen.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|36
6.
JURIDISCHE REGELGEVING
6.1
Inleiding
In dit hoofdstuk is uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe de juridische regeling is vormgegeven.
6.2
Systematiek van de regels
Voor wat betreft de regels wordt voor het onderhavige bestemmingsplan “Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau” aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan “Dorpen, 1e herziening” van de gemeente Baarle-Nassau. Hier is voor gekozen, omdat het plangebied gelegen is binnen de plangrenzen van dit bestemmingsplan. De opzet van de regels is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). Uiteraard is de mogelijkheid tot het leveren van maatwerk opgenomen, om de specifieke eisen die een gebied stelt aan de bestemmingsregeling te kunnen verwerken. Daarnaast is in landelijke standaarden (SVBP 2012 en IMRO 2012) vastgesteld welke kleuren, lijnen, symbolen, e.d. toegepast worden bij het opstellen van de verbeelding. In de volgende paragraaf worden de gebruikte bestemmingen nader toegelicht. Hieronder wordt een toelichting gegeven op welke wijze een en ander in de regels is vastgelegd. De regels zijn als volgt ingedeeld: Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begripsomschrijvingen opgenomen, het tweede artikel bevat de wijze van meten. Hoofdstuk 2: Regels met betrekking tot de bestemmingen Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemmingen.
Deze kennen per bestemming globaal de volgende opzet: • Bestemmingsomschrijving; • Bouwregels voor gebouwen; • Bouwregels voor aan-, uit- en bijgebouwen; • Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde; • Eventuele nadere eisen; • Eventuele afwijkingen van de bouwregels; • Eventuele specifieke gebruiksregels; • Eventuele afwijking van de gebruiksregels. In dit hoofdstuk worden de bestemmingen van de gronden als eerste beschreven, gevolgd door de eventuele dubbelbestemmingen voor leidingen, waarden en waterstaatsdoelen.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|37
Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: • Anti-dubbelteregel • Algemene bouwregels; • Algemene gebruiksregels; • Algemene afwijkingsregels; • Algemene wijzigingsregels; • Overige regels. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: • Overgangsregeling: bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan aanwezig zijn, mogen blijven staan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en het opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd blijven; • Titel: in deze regel wordt aangegeven onder welke naam de regels aangehaald kunnen worden.
6.3
Beschrijving van de bestemmingen
Artikel 3 Tuin De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, behorende bij de aangrenzende gelegen hoofdgebouwen, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en het aanleggen en in stand houden van gebiedseigen beplanting overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan. Uitsluitend bijbehorende bouwwerken in de vorm van erkers, entreeportalen en dergelijke mogen binnen de bestemming worden gebouwd. Voor de beukenhaag aan de voorzijde is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Artikel 4 Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis, met de daarbij behorende tuinen en erven, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, voorzieningen van algemeen nut, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. Het aantal woningen mag daarbij niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ en ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' dienen de woningen aaneengebouwd te worden. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dient minimaal 3 meter te bedragen aan één zijde en 5 meter tot de achterste perceelsgrens. De maximale goot- en bouwhoogte is vastgelegd op respectievelijk 6 en 10 meter.
Artikel 5 Waarde – Archeologie 3 De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|38
waarden, waarbij de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en).
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|39
7.
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische haalbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Besluit ruimtelijke ordening dient de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen te worden aangetoond. De ontwikkelingen betreffen een particulier initiatief en bevinden zich op particulier terrein. Investeringen vanuit de gemeente zijn derhalve niet noodzakelijk. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure overeenkomst gesloten, waarmee wordt vastgelegd dat eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische haalbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Omgevingsdialoog In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid is een omgevingsdialoog gevoerd. Het verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Vooroverleg In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan voorgelegd aan de vooroverlegpartners: de Provincie Noord-Brabant, het Waterschap Brabantse Delta en de Veiligheidsregio. Alle vooroverlegpartners zijn akkoord gegaan met het plan. Ontwerp Dit ontwerpbestemmingsplan wordt 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode heeft eenieder de mogelijkheid gehad zienswijze in te dienen bij het college van burgemeester en wethouders. Zienswijzen. PM. Vaststelling Na vaststelling wordt het plan, samen met het besluit tot vaststelling hiervan, opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen dit besluit beroep aantekenen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
REGELS
|1
1 Inleidende regels
2
Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten
2 6
2 Bestemmingsregels
7
Artikel 3 Tuin Artikel 4 Wonen Artikel 5 Waarde - Archeologie 3
7 9 13
3 Algemene regels
17
Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Artikel 7 Algemene bouwregels Artikel 8 Algemene gebruiksregels Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Artikel 11 Overige regels
17 18 19 20 21 22
4 Overgangs- en slotregels
23
Artikel 12 Overgangsrecht Artikel 13 Slotregel
23 24
Bijlagen: Bijlage 1 Landschappelijke inpassing Bijlage 2 Lijst van bedrijfsactiviteiten
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|2
1 INLEIDENDE REGELS
Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 Plan Het bestemmingsplan "Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau" van de Gemeente Baarle-Nassau. 1.2 Aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.3 Archeologische deskundige Een door het college van Burgemeester en Wethouders aangewezen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de geldende kwaliteitscriteria VTH en adviseert en beoordeelt conform de ten tijde van het advies of beoordeling geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). 1.4 Archeologisch onderzoek Onderzoek naar de (aanwezigheid en/of waarde van) archeologische relicten door een gecertificeerde instantie werkend volgens de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Plan van Aanpak (PvA) (bij booronderzoek) of Programma van Eisen (PvE) (bij gravend onderzoek). 1.5 Archeologisch rapport Rapport waarin de resultaten van archeologisch onderzoek zijn vastgelegd en dat is opgesteld conform de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).
1.6 Archeologische verwachting De aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische sporen en relicten. 1.7 Archeologische waarde De aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische sporen en relicten. 1.8 Bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.9 Bedrijf Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen. 1.10 Bedrijf aan huis Het door een bewoner van een woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een klompenmakerij of een cateringbedrijf. Hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel. 1.11 Behoudsmaatregelenplan Document waarin maatregelen zijn geformuleerd die getroffen worden om archeologische resten in de bodem te behouden en te beschermen tijdens de uitvoering van werkzaamheden en het gebruik van de gronden nadien.
1.12 Bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|3 1.13 Beroep aan huis Een beroep aan huis is het door een bewoner van een woning beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebieden, schoonheidssalons, hondentrimsalons en pedicures, die door hun beperkte omvang in de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend. Hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel. In Baarle-Nassau dient hieronder niet te worden begrepen kappers. 1.14 Bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.15 Bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen). 1.16 Bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.17 Bevoegd gezag Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. 1.18 Bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
1.19 Bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.20 Bouwgrens De grens van een bouwvlak. 1.21 Bouwlaag Een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder. 1.22 Bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.23 Bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.24 Bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.25 Bouwperceelsgrens De grens van een bouwperceel. 1.26 Detailhandel Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
1.27 Eerste bouwlaag De eerste volledige bouwlaag boven het peil.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|4 1.28 Erkers Een ondergeschikt uitgebouwd gedeelte (uitbouw) van een woning aan een gevel, in één bouwlaag. Dit is een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in bijlage II, artikel 1.1 van het Besluit omgevingsrecht. 1.29 Gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.30 Gecertificeerde instantie Instantie die beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet. 1.31 Gevellijn De als zodanig aangegeven lijn, waar de voorgevel van een hoofdgebouw op moet zijn georiënteerd. 1.32 Handel Elke vorm van handel dat wil zeggen het bedrijfsmatig ten verkoop uitstallen, te koop aanbieden, verkopen of leveren van goederen. 1.33 Kunstwerken Bouwwerken geen gebouwen zijnde van weg- en waterbouwkundige aard, zoals bruggen, viaducten, duikers, keerwanden, beschoeiing, kademuren en dergelijke. 1.34 Lijst van bedrijfsactiviteiten De lijst van bedrijven bevattende basisinformatie voor milieuzonering zoals de lijst is opgenomen in de bijlage behorende bij deze regels. 1.35 Mantelzorg Het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillig basis en buiten organisatorisch verband. 1.36 Ondergronds bouwwerk Een (gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 meter beneden het peil.
1.37 Overkapping Een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bestaande uit een slechts van boven afgesloten ruimte van lichte constructie (zijnde een plat dak). Indien een overkapping aangebouwd is aan een gebouw mag een overkapping maximaal 2 niet eigen wanden hebben. Eigen wanden zijn dan niet toegestaan. Indien een overkapping niet is aangebouwd aan een gebouw mag een overkapping maximaal 1 eigen wand hebben. 1.38 Peil a. b.
voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: het hoogste punt van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
1.39 Plangebied Het gebied waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft. 1.40 Plan van Aanpak (PvA) Document waarin onderzoeksvragen en uitvoeringseisen voor het uit te voeren archeologisch onderzoek in de vorm van booronderzoek (verkennende of karterende boringen) staan geformuleerd conform de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Voor aanvang van het onderzoek dient het PvA door het bevoegd gezag te zijn goedgekeurd. 1.41 Programma van Eisen (PvE) Document waarin onderzoeksvragen en uitvoeringseisen voor het uit te voeren archeologisch onderzoek in de vorm van gravend onderzoek (proefsleuven, opgraving of archeologische begeleiding) staan geformuleerd conform de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|5 Nederlandse Archeologie (KNA). Voor aanvang van het onderzoek dient het PvE door het bevoegd gezag te zijn goedgekeurd. 1.42 Ruimtelijke plannen Alle bestemmingsplannen, inpassingsplannen, uitwerkingsplannen en wijzigingsplannen binnen het plangebied die vastgesteld zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan. 1.43 Seksinrichting De voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.44 Sociale veiligheid Het voorkomen van het ontstaan van een ruimtelijke situatie die onoverzichtelijk, onherkenbaar en niet sociaal controleerbaar is. 1.45 Twee-aaneen gebouwde woning Een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van twee aaneengebouwde woningen. 1.46 Voorgevel Een naar de openbare weg en/of fiets- en voetpad toegekeerde gevel van een hoofdgebouw. 1.47 Voorgevellijn Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.
1.48 Voorzieningen van algemeen nut Voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorzieningen, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer. 1.49 Water en waterhuishoudkundige voorzieningen Al het oppervlakte water zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc. 1.50 Wet/wettelijke regeling Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerpplan, tenzij anders bepaald. 1.51 Woning Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|6
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 De dakhelling Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2 De goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3 De inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4 De bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5 De oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.6 Afstand tot de bouwperceelsgrens Tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2.7 Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk Vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|7
2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Tuin 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
tuinen behorende bij de op de aangrenzende gelegen hoofdgebouwen; parkeervoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; het aanleggen en in stand houden van gebiedseigen beplanting overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan;
3.2 Bouwregels 3.2.1 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a.
b.
c.
uitsluitend bijbehorende bouwwerken in de vorm van erkers, entreeportalen en dergelijke mogen binnen de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat: 1. de maximale diepte van een erker 25% bedraagt van de diepte van de voortuin, zulks tot een maximum van 1,5 meter; 2. de maximale breedte van een erker tweederde bedraagt van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw, waaraan/-in de erker wordt gesitueerd; 3. op één hoek van het hoofdgebouw is een hoekerker toegestaan, mits de maximale diepte van een erker 25% bedraagt van diepte van de zijtuin, zulks tot een maximum van 1,5 meter; de maximale bouwhoogte van een erker bedraagt 3 meter. Doortrekken van het schuine dak van het hoofdgebouw over de erker, het entreeportaal e.d. met eenzelfde dakhelling is toegestaan; de maximale afstand tot de entree van de voorgevel van het nabijgelegen hoofdgebouw bedraagt 3 meter.
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. b. c. d.
de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 1 meter, uitgezonderd het bepaalde in sub b; de maximale bouwhoogte van pergola's bedraagt 2,5 meter; de maximale bouwhoogte van vlaggenmasten e.d. bedraagt 5 meter; de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt 3 meter.
3.3 Specifieke gebruiksregels 3.3.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a.
het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|8 b.
c.
het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; overkappingen.
3.3.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing Het (doen/laten) gebruik(en) van de bestemming 'Wonen' is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing, zoals bedoeld in artikel lid 3.1 sub d, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 1 van deze regels, maximaal na 1 jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|9
Artikel 4 Wonen 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis in hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van het beroep aan huis, met een maximum van 45 m2;
met de daarbij behorende: b. c. d. e. f.
tuinen en erven; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; voorzieningen van algemeen nut; water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
4.2 Bouwregels 4.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. b. c. d. e. f. g. h. i.
hoofdgebouwen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan; het bouwvlak mag volledig worden bebouwd; ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', mag het aantal wooneenheden niet meer bedragen dan is aangegeven; ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' dienen de woningen aaneengebouwd te worden; de afstand tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt minimaal 3 meter aan één zijde; de minimale afstand tot de achterste perceelgrens bedraagt 5 meter; de maximale goothoogte bedraagt 6 meter; de maximale bouwhoogte bedraagt 10 meter; hoofdgebouwen mogen worden afgedekt met zowel een kap als een platte afdekking, met dien verstande dat de afdekking van het hoofdgebouw gelegen moet zijn binnen de denkbeeldige lijn van de maximale goothoogte en maximale bouwhoogte.
4.2.2 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. b. c.
d. e.
bijbehorende bouwwerken zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan; de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk mag niet meer bedragen dan de bovenkant van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk mag niet meer bedragen dan 5,5 meter, met dien verstande dat de minimale afstand tot de bouwhoogte van het hoofdgebouw 1,5 meter dient te bedragen. Doortrekken van het schade dak van het hoofdgebouw over het aangebouwde bijbehorende bouwwerk met eenzelfde dakhelling is toegestaan. Dan geldt de feitelijke goothoogte van het hoofdgebouw als de maximale bouwhoogte van het aangebouwde bijbehorende bouwwerk; de goothoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag niet meer bedragen dan 3,5 meter; de bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag niet meer bedragen dan 5,5 meter;
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|10 f.
g. h.
de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 60 m2, mits de gronden gelegen buiten het bouwvlak voor niet meer dan 50% is dan wel wordt bebouwd; de minimale afstand van bijbehorende bouwwerken tot de voorgevellijn van de woning bedraagt 3 meter; in afwijking van het bepaalde onder lid g is het toegestaan bijbehorende bouwwerken in de vorm van erkers, entreeportalen en dergelijke voor de voorgevel dan wel binnen een afstand van 3 meter tot de voorgevel van het hoofdgebouw te bouwen, mits: 1. de diepte maximaal 1,5 meter bedraagt; 2. de afstand tot een bouwperceelsgrens minimaal 3 meter bedraagt; 3. de breedte maximaal 50% van de gevel bedraagt; 4. de goothoogte niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw.
4.2.3 Voorzieningen van algemeen nut Voor het bouwen van voorzieningen van algemeen nut gelden de volgende regels: a. b.
de oppervlakte van een gebouw voor voorzieningen van algemeen nut bedraagt maximaal 15 m2; de bouwhoogte van een gebouw voor voorzieningen van algemeen nut bedraagt maximaal 3 meter.
4.2.4 Overkappingen Overkappingen zijn toegestaan binnen de regels voor bijbehorende bouwwerken. Daar bovenop geldt dat overkappingen ook zijn toegestaan als deze niet (meer) vallen binnen de regels van lid 4.2.2, waarbij dan de volgende regels gelden: a. b. c. d.
de oppervlakte van een overkapping bedraagt maximaal 20 m2; de bouwhoogte van een overkapping bedraagt maximaal 3 meter; er mag slechts 1 overkapping per bouwperceel gerealiseerd worden; de oppervlakte van overkappingen overeenkomstig lid a telt niet mee bij de bepaling van de maximale oppervlakte zoals vervat in lid 4.2.2 sub f.
4.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijde, mag niet meer bedragen dan 3 meter.
4.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. b. c. d. e. f. g. h.
het straat- en bebouwingsbeeld; de woonsituatie (wooncomfort, kwaliteit woongenot van de directe omgeving); de gebruiksmogelijkheden (op eigen terrein en op aangrenzende gronden); de milieusituatie; de verkeersveiligheid; de parkeerruimte op eigen terrein; de sociale veiligheid; de brandveiligheid.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|11 4.4 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.1 sub e en f ten behoeve van het bouwen van hoofdgebouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse en/of achterste perceelsgrens onder de voorwaarden dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. b. c. d. e. f. g.
het straat- en bebouwingsbeeld; de woonsituatie; de verkeersveiligheid; de sociale veiligheid; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; de brandveiligheid.
4.5 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.
het gebruik van de grond en bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van enige vorm van handel en/of bedrijf anders dan onder lid 4.1 omschreven; permanente of tijdelijke bebouwing, voor zover het vrijstaande bijbehorende bouwwerken betreft; bewoning als afhankelijke woonruimte; kamerbewoning; recreatief nachtverblijf; seksinrichtingen; het bedrijfsmatig houden van paarden; het bedrijfsmatige exploiteren van een paardenbak; het oprichten van een of meer lichtmasten en/of tredmolens; de opslag van vuurwerk.
4.6 Afwijken van de gebruiksregels 4.6.1 Beroep aan huis Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1 voor de uitoefening van een beroep aan huis in het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk, met dien verstand dat: a. b. c. d. e. f.
per bouwperceel het oppervlakte aan bebouwing dat hiervoor gebruikt wordt niet meer dan 100 m2 bedraagt; de woonfunctie op het bouwperceel primair blijft; het gebruik geen ernstige c.q. onevenredige hinder oplevert voor het woonmilieu en geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de buurt; de activiteit niet vergunningplichtig is op grond van het inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer; het gebruik geen nadelige invloed heeft op de afwikkeling van het verkeer; op eigen terrein wordt voorzien in de nodige parkeergelegenheid.
4.6.2 Bedrijf aan huis Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1 voor de uitoefening van een bedrijf aan huis in het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk, met dien verstande dat: a.
de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft. Dit wil zeggen dat maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bouwwerken mag worden
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|12
b.
c.
d.
e. f.
aangewend ten behoeve van het bedrijf aan huis, zulks met een absoluut maximum van 45 m2; een afwijking mag alleen verleend worden voor het uitoefenen van bedrijvigheid, die valt in categorie 1 of 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten. Deze lijst wordt als bijlage 2 opgenomen bij de regels; bedoeld gebruik geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt; dit betekent onder meer dat: 1. geen omgevingsvergunning wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid, dat onder de werking van de Wet milieubeheer valt, tenzij het desbetreffende gebruik door middel van het stellen van voorwaarden verantwoord is; 2. het gebruik naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn; 3.
het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerken uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is; het niet betreft zodanig verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten; geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop in het klein in verband met bedrijfsmatige activiteiten in of bij het hoofdgebouw; seksinrichtingen niet zijn toegestaan.
4.6.3 Mantelzorg Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.5 en toestaan dat een deel van de woning en/of een al dan niet vrijstaand bijbehorende bouwwerk gebruikt wordt als afhankelijk woonruimte. Hierbij dient aan het volgende te worden voldaan: a.
b. c.
d.
een dergelijke bewoning dient noodzakelijk te zijn vanuit een oogpunt van mantelzorg en op grond van een medische indicatie te worden aangetoond. het bevoegd gezag vraagt voorafgaand aan het te nemen besluit advies aan een ter zake deskundige instantie; er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonende en bedrijven; indien de afhankelijke woonruimte geheel wordt gesitueerd binnen een vrijstaand bijbehorend bouwwerk dient de afhankelijke woonruimte binnen de vigerende regeling inzake vrijstaande bijbehorende bouwwerken te worden ingepast, met een maximale oppervlakte van 80 m2; indien de bij het verlenen van de afwijking van het bestemmingsplan bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is, trekt het bevoegd gezag de vergunning in.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|13
Artikel 5 Waarde - Archeologie 3 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden, waarbij de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en). 5.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: 5.2.1 Verbod Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de voor 'Waarde - Archeologie 3' mede bestemde gronden. 5.2.2 Uitzonderingen Het in lid 5.2.1 is niet van toepassing op: a.
b.
c.
d.
bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 500 m2 en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemmingen, of; bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 40 centimeter onder het bestaande maaiveld en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of; de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: 1. de bestaande fundering wordt gebruikt; 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid; de gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologische deskundige.
5.3 Afwijken van de bouwregels 5.3.1 Afwijken voor het bouwen ten diensten van andere bestemming Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2.1, voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere daar geldende bestemming(en), mits: a.
b.
c.
op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of op basis van archeologische onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurde archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; of één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologische onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologische rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudensmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE); of 3. een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|14 5.3.2 Archeologische rapport Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsgunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 5.3.3 Advies Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in lid 5.3.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologische deskundige. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Verbod Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag: a.
b. c. d. e. f.
het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen; het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen; het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het verlagen van het waterpeil; het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd
5.4.2 Uitzonderingen Het in lid 5.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien:
a. b. c.
d. e. f.
g.
het werken of werkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 500 m², of; het werken of werkzaamheden betreft die niet dieper reiken dan 40 centimeter onder het bestaande maaiveld,of; de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of; de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werkingtreding van het bestemmingsplan, of; de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|15 5.4.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.4.1 wordt slechts verleend indien: a.
b.
c.
op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; of één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE); of 3. een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
5.4.4 Archeologisch rapport Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 5.4.5 Advies Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.4.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 5.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk 5.5.1 Verbod Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden bouwwerken te slopen of te laten slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag. 5.5.2 Uitzonderingen Het in lid 5.5.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. b. c. d. e.
het sloopwerkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 500 m², of; het sloopwerkzaamheden betreft die niet dieper reiken dan 40 centimeter onder het bestaande maaiveld, of; de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werkingtreding van het bestemmingsplan, of; de sloopwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; het sloopwerkzaamheden betreft op gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01
bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau
|16 5.5.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.5.1 wordt slechts verleend indien: a.
b.
c.
op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; of één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE); of 3. een verplichting de uitvoering van de sloopwerkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).