CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan ‘Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau’

Gemeenteraad (openbaar) 8 februari 2023, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan ‘Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau’27.184 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

5.5.4 Archeologisch rapport Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 5.5.5 Advies Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.5.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 5.6 Wijzigingsbevoegdheid 5.6.1 Wijziging op basis van archeologisch onderzoek Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. 5.6.2 Advies Alvorens de in lid 5.6.1 bedoelde wijziging wordt toegepast, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologische deskundige.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|17

3 ALGEMENE REGELS Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|18

Artikel 7 Algemene bouwregels 7.1 Algemene bepalingen m.b.t. ondergronds bouwen 7.1.1 Ondergrondse werken Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen. 7.2 Ondergeschikte bouwdelen 7.2.1 Overige ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, trappenhuizen, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt. 7.2.2 Dakkapellen Voor dakkappelen geldt dat wanneer deze niet meer dan 2/3 van het dakvlak beslaan, de bouwhoogte van de dakkapel niet als goothoogte wordt aangemerkt.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|19

Artikel 8 Algemene gebruiksregels Het is verboden om de in artikel 3 en 4 bedoelde gronden en bouwwerken te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangeduid in de bestemmingsomschrijving.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|20

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels 9.1 Algemeen Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het volgende: a. b. c.

d.

e.

f.

de in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages; de bestemmingsbepalingen en toestaan dat bouwgrenzen, of bouwvlakken worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; de bestemmingsbepalingen en toestaan dat voorzieningen van algemeen nut, wachthuizen ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwen ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwen, worden gebouwd, mits de inhoud per gebouw maximaal 50 m 3 bedraagt; de bestemmingsbepalingen en toestaan dat een gebouw wordt gebouwd ten behoeve van het houden van dieren of het kweken van planten, zoals een volière of een groente-kas, mits: 1. de oppervlakte van een gebouw maximaal 10 m2 bedraagt; 2. de bouwhoogte van een gebouw maximaal 4,50 meter bedraagt; 3. achter de bebouwingsgrens wordt gebouwd; de bestemmingsbepalingen en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van communicatievoorzieningen, wordt vergroot tot niet meer dan 40 meter; de bestemmingsbepalingen en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot maximaal 6 meter, mits de gebruiksfunctie op de aanliggende percelen niet wordt beperkt en de belangen van derden niet worden geschaad.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|21

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van: a.

b.

het aanbrengen van wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen ten behoeve van de praktische uitvoering van het plan met dien verstande dat de afwijking ten hoogste 2 meter mag bedragen, mits het wijzigingen betreft waarbij geen belangen van derden worden geschaad, dan wel ter correctie van afwijkingen of onnauwkeurigheden op de verbeelding; het oprichten van transformatorgebouwen, gemaalgebouwen en andere gebouwen voor voorzieningen van algemeen nut met een inhoud van ten hoogste 35 m3 en een bouwhoogte van ten hoogste 3,5 meter, welke in het kader van de voorzieningen van algemeen nut nodig zijn en welke op grond van het bepaalde in de voorafgaande artikelen niet kunnen worden gebouwd.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|22

Artikel 11 Overige regels 11.1 Parkeren Tenzij in hoofdstuk 2 expliciet is voorzien in een andere regel ten aanzien van de aanwezigheid van voldoende parkeergelegenheid, geldt de volgende regeling: a.

bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van: 1. een omgevingsvergunning voor het bouwen ten behoeve van het bouwen van een gebouw; of 2. een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan;

dient tenminste voldaan te worden aan het gemeentelijke beleid ten aanzien van parkeernormen, zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Baarle-Nassau 2011' als vastgesteld op 4 januari 2011; b.

c.

d.

het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het gemeentelijke beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld onder a. indien: 1. het voldoen aan het gemeentelijke beleid ten aanzien van parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of 2. op andere wijze in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, met dien verstande dat wordt voldaan aan de regels voor maatwerk (ontheffing) zoals neergelegd in de onder a. bedoelde Nota Parkeernormen; indien het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld onder a. of de regels voor maatwerk (ontheffing) als bedoeld onder b. gedurende de planperiode van dit bestemmingsplan worden gewijzigd, wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning rekening gehouden met deze wijziging; parkeergelegenheid die is gerealiseerd om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid dient aldus in stand te worden gehouden.

11.2 Laden en lossen Tenzij in hoofdstuk 2 expliciet is voorzien in een andere regel ten aanzien van de aanwezigheid van voldoende laad- en losruimte, geldt de volgende regeling: a.

b.

c. d.

een omgevingsvergunning voor het bouwen ten behoeve van het bouwen van een gebouw of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan wordt uitsluitend verleend indien in een als gevolg van het beoogde gebruik van het gebouw te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen wordt voorzien op eigen terrein; het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a. indien: 1. het voldoen aan de bepaling ten aanzien van het laden en lossen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of 2. op andere wijze in de nodige laad- en losruimte wordt voorzien; het bepaalde onder a. is niet van toepassing op de herbouw van een gebouw zonder wijziging van het gebruik; voorzieningen die zijn gerealiseerd om te voorzien in de nodige laad- en losruimte dienen aldus in stand te worden gehouden.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|23

4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 12 Overgangsrecht 12.1 Overgangsrecht bouwwerken a.

b.

c.

een bouwwerken dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan; het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%; het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

12.2 Overgangsrecht gebruik a. b.

c.

d.

het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a. te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|24

Artikel 13 Slotregel De regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan "Molenbaan naast nr. 2, BaarleNassau".

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

VERBEELDING

(***)

W WR-A3 [tae]

2

T

LEGENDA plangebied

Enkelbestemmingen T

Tuin

W

Wonen

Bouwaanduidingen [tae]

Maatvoeringen

Dubbelbestemmingen WR-A3

twee-aaneen

2

maximum aantal wooneenheden

Waarde - Archeologie 3 ondergrond

Bouwvlakken bouwvlak

Verbeelding Bestemmingsplan "Molenbaan naast nr. 2 Baarle-Nassau"

Gemeente: IMRO-code: Tekening nr:

Baarle-Nassau NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

1-A

..-..-....

datum:

04-08-2022

ontwerp:

..-..-....

getekend:

FH

vastgesteld:

..-..-....

schaal:

1:1000

onherroepelijk:

..-..-....

formaat:

A4

voorontwerp:

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

BIJLAGE 1 ARCHEOLOGISCH BUREAU- EN BOORONDERZOEK

RAPPORT Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Molenbaan (naast nr. 2) te Baarle-Nassau (gemeente Baarle-Nassau)

AM21384

RAPPORT Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Molenbaan (naar nr. 2) te Baarle-Nassau (gemeente Baarle-Nassau) Aeres Milieu Projectnummer Status rapport ISSN Nummer Datum

: AM21384 : Definitief (versie 2) : 2214-5656 : 2 mei 2022

Opdrachtgever

: Ordito Postbus 94 5126 ZH Gilze

Opsteller rapport Paraaf

: L. Kruithof MSc. | F. van den Blink MA. | drs. ing. N.J.W. van der Feest :

Redactie Paraaf

: drs. ing. N.J.W. van der Feest :

Vrijgave Paraaf

: drs. ing. N.J.W. van der Feest :

Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl

4002 + 4003

Disclaimer Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform de geldende richtlijnen en protocollen). Aeres Milieu accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde onderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het bureau onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.

Pagina | 2

AM21384

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ..................................................................................................................................................................................................................... 4 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ......................................................................................................................................................................................... 6 1. INLEIDING ........................................................................................................................................................................................................................... 7 2. 2.1 2.2

WERKWIJZE ............................................................................................................................................................................................................ 10 Inleiding ............................................................................................................................................................................................................. 10 Verkennend veldonderzoek door middel van boringen ................................................................................................................... 11

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

BUREAU-ONDERZOEK ....................................................................................................................................................................................... 12 landschappelijke situatie - geomorfologie ........................................................................................................................................... 12 Landschappelijke situatie - bodem.......................................................................................................................................................... 13 Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht .................................................................................................................................. 14 Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden ........................................................................................................................ 15 Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal ....................................................................................................................... 16

3.

4.

VERWACHTINGSMODEL .................................................................................................................................................................................... 16

5. 5.1 5.2 5.3 5.4

VELDWERKZAAMHEDEN ................................................................................................................................................................................... 20 Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 20 Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw .............................................................................................................. 21 Interpretatie ..................................................................................................................................................................................................... 22 Archeologische indicatoren ........................................................................................................................................................................ 23

6. CONCLUSIE ....................................................................................................................................................................................................................... 24 6.1 Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 24 6.2 Beantwoording onderzoeksvragen .......................................................................................................................................................... 24 7.

AANBEVELINGEN ................................................................................................................................................................................................. 26

Bijlagen: 1 2 3 4 5 6 7 8

Topografische ligging onderzoeksgebied Boorpuntenkaart Archeologische gegevens cf. Archis 3 Archeologische Beleidskaart gemeente Baarle-Nassau Overzicht geomorfologische kaart Overzicht bodemkaart Reliëfkaart Boorkernbeschrijvingen

Pagina | 3

AM21384

SAMENVATTING Op 6 oktober 2021 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Molenbaan (naast nr. 2) te Baarle-Nassau (gemeente Baarle-Nassau). De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de voorgenomen (her)ontwikkeling van de locatie ten behoeve van woningbouw. De diepte van de toekomstige verstoring is ten tijde van dit onderzoek niet bekend, maar uitgaande van een standaard funderingsdiepte naar verwachting tot ten minste 0,8-1,0 meter beneden maaiveld reiken.

Het grootste deel van de onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidsadvieskaart van de gemeente Baarle-Nassau (2012) in een zone met een archeologische verwachting hoog: laag voor de periode jager-verzamelaars en middelhoog voor de landbouwende samenlevingen. Voor deze categorie geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van 40 centimeter onder maaiveld met een oppervlakte van 500 m2. Het noordwestelijk deel van de onderzoekslocatie ligt in archeologisch monument (niet bescherm). Hier geldt een onderzoeksplicht bij een oppervlakte van 50 m2 en een verstoringsdiepte van 40 centimeter onder maaiveld. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat de locatie onderzoeksplichtig is.

Het plangebied ligt op de overgang van het hoger gelegen dekzandplateau naar de lagergelegen terrasafzettingswelvingen in het westen. De hooggelegen dekzandplateaus in de directe nabijheid van waterlopen, zullen ideale bewoningslocaties voor jager-verzamelaars zijn geweest. Om deze redenen wordt een middelhoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum. De latere landbouwende samenleving zal het plangebied vanwege de relatief hoge ligging in het landschap een aantrekkelijke vestigingslocatie zijn geweest. De verwachte aanwezige enkeerdgronden in het plangebied zijn goede ontwaterde gronden (GWT VII). Deze gronden vormen geschikte akker- en graslanden. Voor het plangebied geldt daarom een hoge verwachting voor zowel nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de ijzertijd als voor nederzettingsresten uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Het plangebied ligt aan de Molenbaan, de voormalige Baan van Zonderreigen naar Baarle. Begin 19e eeuw was het plangebied onderdeel van de Loversche Akkers en in gebruik als bouwland. Het plangebied is tot de bouw van een schuur en aanleg van een zwembad onbebouwd geweest. Het bouwjaar van beide structuren is onbekend. Ondanks dat het plangebied onbebouwd was, ligt het wel ten zuiden van een de Katerstraat, een historisch bewoningslint.

Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd. Wat betreft de conservering en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Wegens de verwachte aanwezigheid van enkeerdgronden en daarmee een plaggendek zijn archeologische resten beschermd tegen latere invloeden. Bij enkeerdgronden zijn de omstandigheden voor het aantreffen van organische resten minder goed: door de lage grondwaterstand (GWT VII) kunnen organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. Advies Aeres Milieu Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de in het bureauonderzoek omschreven verwachte hoge zwarte enkeerdgronden in het plangebied niet zijn aangetroffen. De bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een AC-profiel. Op basis van de aangetroffen bodemopbouw is er circa 45 tot 125 centimeter opgebracht. Eventueel aanwezige sporen zijn afgetopt. In het westelijk deel van het plangebied is de C-horizont voor tenminste 53 centimeter afgetopt. Pagina | 4

AM21384

De oorzaak van de verstoring valt niet exact te achterhalen maar is mogelijk het gevolg van (sub)recente grondbewerking in de nieuwe tijd. De kans wordt klein geacht dat eventueel aanwezige sporen van bewoning uit ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen nog goed bewaard zijn. Op basis van deze gegevens is de archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten voor de perioden (laat-paleolithicum – nieuwe tijd) laag. Advies RWB1 “Het advies aan de gemeente Baarle-Nassau is om af te wijken van het advies van Aeres Milieu en wel vervolgonderzoek te laten uitvoeren. De ondergrond in het westelijk deel van het plangebied (rood gearceerd in onderstaande afbeelding) lijkt tot op behoorlijke diepte te zijn vergraven, maar dat is in het oostelijk deel aanzienlijk minder het geval. De kans dat hier nog archeologische resten aanwezig zijn, blijft onverminderd groot. Voor het oostelijk deel van het plangebied dient de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ (WR-a) dus gehandhaafd te blijven (zie Figuur 7 hieronder, de groen gearceerde zone). Ik adviseer daarom om door middel van een proefsleuvenonderzoek vast te stellen of archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. Centraal in het oostelijk deel van het plangebied kan dit door middel van een proefsleuf met een omvang van bijvoorbeeld 20 x 4 m worden vastgesteld.

Het heeft de sterke voorkeur om dit proefsleuvenonderzoek nog in het kader van de bestemmingsplanprocedure uit te voeren. Als blijkt dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, kan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ voor het plangebied komen te vervallen. Voor het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld. Dit PvE dient voorafgaand aan het onderzoek ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de bevoegde overheid. Zonder goedgekeurd PvE kan het onderzoek niet starten.” De resultaten van dit onderzoek zijn getoetst door de RWB, de extern adviseur van de bevoegde overheid (gemeente BaarleNassau), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen.

1 Regio West-Brabant (RWB), 02-03-2022: Beoordeling conceptrapport: Kruithof, L., F. van den Blink & N.J.W. van der Feest, 2021: Rapport

Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Molenbaan (naast nr. 2) te Baarle-Nassau (gemeente Baarle-Nassau), Roermond (Aeres project AM21384). Pagina | 5

AM21384

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Projectnummer

: AM21384

OM-nummer

: 5115996100

Soort onderzoek

: Bureau- en verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen

Adres onderzoekslocatie

: Molenbaan (naast nr. 2) te Baarle-Nassau

Toponiem

: Molenbaan (naast nr. 2)

Gemeente

: Baarle-Nassau

Provincie

: Noord-Brabant

Kadastrale registratie

: Baarle-Nassau, sectie C, nummers, 2048 (gedeeltelijk) en 4569

Coördinaten

: Centraal

122.813; 383.680

N:

122.810; 383.702

O:

122.834; 383.682

Z:

122.816; 383.663

W:

122.798; 383.676

Oppervlakte

: Circa 740 m2

Huidig locatie gebruik

: Bebouwd (schuur), verhard en tuin

Aanleiding onderzoek

: Omgevingsvergunning

Opdrachtgever

: Ordito

Bevoegde overheid

: Gemeente Baarle-Nassau

Archeologisch adviseur

: Mevr. L. Weterings, regioarcheoloog Regio West Brabant

Opslag documentatie en materiaal

: Noordhoven 4 te Roermond tot deponering bij provinciaal depot te ’s-Hertogenbosch/E-depot

Datum uitvoering

: 6 oktober 2021

Pagina | 6

AM21384

1. INLEIDING In opdracht van Ordito heeft Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, d.m.v. boringen uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie

: Molenbaan (naast nr. 2) te Baarle-Nassau

Gemeente

: Baarle-Nassau

Oppervlakte

: Circa 740 m2

Huidig gebruik van de locatie

: Bebouwd (schuur), verhard en tuin

Toekomstig gebruik

: Nieuwbouwwoningen

Dit archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de BRL SIKB 4000 (protocol 4002 en 4003), KNA 4.1. Het archeologische onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie. Aanvullend hierop is een verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen op het perceel uitgevoerd. De werkzaamheden in het veld zijn uitgevoerd onder leiding van een senior KNA-prospector.

Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de voorgenomen (her)ontwikkeling van de locatie ten behoeve van woningbouw (Figuur 1). De diepte van de toekomstige verstoring is ten tijde van dit onderzoek niet bekend, maar uitgaande van een standaard funderingsdiepte naar verwachting tot ten minste 0,8-1,0 meter beneden maaiveld reiken. Het grotendeel onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidsadvieskaart van de gemeente Baarle-Nassau (2012) in een zone met een archeologische verwachting hoog: laag voor de periode jager-verzamelaars en middelhoog voor de landbouwende samenlevingen. Voor deze categorie geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van 40 centimeter onder maaiveld met een oppervlakte van 500 m2. Het noordwestelijk deel van de onderzoekslocatie ligt in archeologisch monument (niet bescherm). Hier geldt een onderzoeksplicht bij een oppervlakte van 50 m2 en een verstoringsdiepte van 40 centimeter onder maaiveld. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat de locatie onderzoeksplichtig is (Bijlage 4).2

Doel Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel voor de locatie. Dit verwachtingsmodel wordt op basis van historische kaarten en bekende landschappelijke en archeologische gegevens gevormd. Dit verwachtingsmodel zal vervolgens leiden tot een aanbeveling over het behoud in-situ of eventueel vervolgonderzoek. Het doel van het aansluitende verkennend booronderzoek is het toetsen van het in het bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel.

2 Vestigia 2015, Kaartbijlage, Archeologische Maatregelenkaart gemeente Horst aan de Maas (Vestigia rapport V1188). Pagina | 7

AM21384

Specifiek voor de onderzoekslocatie Molenbaan (naast nr. 2) te Baarle-Nassau zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: •

Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten?

•

In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten?

•

Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen?

Plangebied Het plangebied ligt aan de Molenbaan, direct ten zuiden van de historische dorpskern van Baarle-Nassau. De ligging van het plangebied is weergegeven in Figuur 2. Momenteel is het plangebied in gebruik als tuin. In het noorden wordt het plangebied begrensd door bebouwing aan de Molenbaan en tuin, in het oosten door de Molenbaan, in het zuiden door bebouwing aan de Molenbaan (nummer 2) en in het westen door tuin.

Figuur 1. Impressie van de toekomstige situatie binnen het plangebied. Het plangebied is aangegeven met het rode kader. (Bron: Opdrachtgever). Pagina | 8

AM21384

Figuur 2. Topografische ligging van het plangebied. Het plangebied is aangegeven met het rode kader. (Bron: PDOK-viewer)

Pagina | 9

AM21384

2. WERKWIJZE 2.1

Inleiding

Bij het uitvoeren van het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van verschillende bronnen. Deze bronnen geven inzicht in bekende, of te verwachten archeologische resten binnen het onderzoeksgebied. Daarnaast zijn deze bronnen van belang voor het opstellen van de landschapsgenese.

Archeologische bronnen •

Archeologische Monumentenkaart (AMK)

•

Archeologisch Informatiesysteem (Archis3)

•

Archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau

•

Specifieke lokale informatie (heemkundekring, amateurarcheologen)

Bodem- en geomorfologische kaarten •

Bodemkaart (Alterra)

•

Geomorfologische kaart (Alterra, uit Archis3)

•

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3)

Historische kaarten •

Historisch kadastraal minuutplan (1800-1832)

•

Historische topografische en militaire kaarten (1830 tot 1978)

•

Moderne topografische kaart (tot 2020)

De bovenstaande bronnen worden aangevuld door mogelijke informatie afkomstig van lokale archeologische verenigingen en werkgroepen. De overige aanvullende informatie is terug te vinden in de literatuurlijst. De Heemkundekring Amalia van Solms, is op 6 september 2021 per e-mail gecontacteerd met de vraag om aanvullende informatie betreffende het plangebied. Op 21 augustus is een reactie ontvangen van dhr. Hay Mulders met aanvullende informatie. Deze informatie is verwerkt in het rapport.

Pagina | 10

AM21384

2.2

Verkennend veldonderzoek door middel van boringen

Aan de hand van het Plan van Aanpak (PvA) en de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek 3 wordt een verkennend booronderzoek met een boordichtheid van 6 boringen per hectare uitgevoerd. Het onderzoek is hiermee verkennend voor alle perioden. Het plangebied heeft een oppervlakte van 740 m2. Bij het verkennend veldonderzoek zal daarom uitgegaan worden van 6 boringen welke gelijkmatig over het plangebied worden verdeeld, zie Bijlage 2. De boorlocaties worden uitgezet ten opzichte van hoekpunten van de perceelsgrenzen, straten en bebouwing. De hoogte zal worden bepaald met het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). De boringen worden gezet met een Edelmanboor met een boorkop van 7 centimeter. De boorkernen worden conform de ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2) beschreven, zie Bijlage 8. Gelet zal worden op de aanwezigheid van archeologische indicatoren als fragmenten keramiek, fosfaatvlekken en brokjes houtskool en verbrande leem. Daartoe worden de opgeboorde monsters verbrokkeld waar nodig.

3 Tol et al. 2012. Pagina | 11

AM21384

3. BUREAUONDERZOEK 3.1

Landschappelijke situatie - geomorfologie

De omgeving van het plangebied ligt in het Kempisch zandgebied.4 Het plangebied ligt op het Kempisch Hoog5 ten zuidwesten van de breuk van Vessem en de Gilze-Rijenbreuk. Ten oosten van het Kempische Hoog ligt de Centrale Slenk, een dalingsgebied waar de oude afzettingen diep zijn weggezakt en in de loop van de tijd zijn afgedekt met dikke pakketten jongere afzettingen. In het Vroeg-Pleistoceen (circa 2.6 miljoen tot 850.000 jaar geleden) tot aan het begin van het Midden-Pleistoceen (circa 380.000 tot 130.000 jaar geleden) vond op het Kempisch Hoog slechts een beperkte depositie plaats van voornamelijk afzettingen van lokale oorsprong, onder andere als gevolg van verplaatsing door de wind en sneeuwsmeltwater, maar ook door rivieren en beken uit midden-België. Deze afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Stramproy. De Formatie van Stramproy bestaat in deze regio voornamelijk uit klei, leem met soms humeuze lagen. Deze afzettingen hebben vervolgens relatief langdurig aan het oppervlak gelegen, want er kunnen oude bodems in voorkomen. De afzettingen van Stramproy zijn later bedekt met een laag dekzand (Formatie van Boxtel). Die bodemvorming vond vooral plaats tijdens de warmere tussenijstijden, volgend op de ijstijden die zo kenmerkend waren voor het Pleistoceen.

Het dekzand is gevormd tijdens de laatste ijstijd (Weichselien; circa 115.000 – 11.700 jaar geleden) aan het eind van het Pleistoceen. Het huidige landschap is in die periode voor een groot deel gevormd. Er ontstond een steeds kouder en droger klimaat.6 In deze periode (circa 115.000 – 11.700 jaar geleden) breidde het landijs zich sterk uit in Europa. Gedurende het grootste deel van het Weichselien was de bodem bevroren. Tijdens perioden dat er sprake was van dooi, werd door sneeuwsmelten regenwater veel sediment verspoeld, waarbij fluvioperiglaciale afzettingen zijn gevormd en dalen ontstonden. De fluvioperiglaciale afzettingen zijn zeer divers in textuur. Ze bestaan uit fijn en grof zand, soms met grind, leemlagen en plantenresten en worden tot de Formatie van Boxtel gerekend.7 Deze afzettingen zijn in het plangebied in de diepere ondergrond aanwezig. De fluvioperiglaciale afzettingen zijn later bedekt geraakt met dekzand. In de koudste en droogste perioden van het Weichselien, met name tijdens het Laat-Pleniglaciaal (circa 26.000 – 14.700 jaar geleden) en in sommige perioden van het Laat-Glaciaal (circa 14.700 – 11.700 jaar geleden), is de vegetatie grotendeels verdwenen, waardoor op grote schaal verstuiving optrad. Hierbij werd dekzand afgezet. 8 Dit dekzand is kalkloos, fijnkorrelig (150 – 210 μm) en arm aan grind.

Het dekzand wordt tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend. Het reliëf dat tijdens de dekzandafzetting is ontstaan, wordt gekenmerkt door vlaktes met depressies en dekzandruggen of dekzandkoppen. Het klimaat werd tijdens het Holoceen warmer en vochtiger. Door het warmere klimaat smolten de in het Weichselien gevormde ijskappen en steeg de relatieve zeespiegel snel. Als gevolg van de snelle relatieve zeespiegelstijging in het Atlanticum (8.000 – 5.000 jaar geleden), vond er veenvorming plaats op het dekzand. Aanvankelijk vond veenvorming met name plaats in de lagere delen, zoals beekdalen. Omstreeks 600 voor Chr. raakten grote delen van West-Brabant bedekt met veen.9

4 Rensink et al., 2019, 72. 5 NAR 52 2016, 40. 6 Berendsen 2008, 183. 7 Berendsen 2008, 189. 8 Berendsen 2004, 190. 9 Leenders 2013, 14. Pagina | 12

AM21384

Volgens de Turfdatabank van de provincie Antwerpen heeft in de omgeving van Baarle-Nassau ook veenvorming plaatsgevonden.10 Het is niet bekend of er ook veenvorming in het plangebied heeft plaatsgevonden. Vanaf de late middeleeuwen (tussen 1250 – 1750 na Chr.) is het veen afgegraven ten behoeve van turfwinning. Hierdoor zijn de oudere dekzanden en terrasafzettingen weer aan het maaiveld komen te liggen. Of turfwinning ook daadwerkelijk in het plangebied plaatsvond is niet bekend. Volgens de geologische kaart komen ter plaatse van het plangebied in de bodem de afzettingen van de Formatie van Stramproy (Sy1)11 voor. Deze afzettingen worden bedekt door een fijn tot grof zand en leem met een zanddek onderdeel van de Formatie van Boxtel. Op de Geomorfologische kaart (Bijlage 5) is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom van BaarleNassau. Op circa 20 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt een dekzandplateau met of zonder bouwlanddek (code 4F51yc). Op circa 600 meter ten noordwesten ligt een dalvormige laagte (code 22R23). Op het kaartbeeld van het Actueel Hoogtebestand Nederland (Bijlage 7) is te zien dat het plangebied op de overgang van het hoger gelegen dekzandplateau, ten zuidoosten en oosten van het plangebied, naar de lagergelegen terrasafzettingswelvingen in het westen ligt.

De maaiveldhoogte binnen het plangebied varieert tussen circa 25,55 en 26,24 meter +NAP. Het plangebied ligt relatief hoog en loopt globaal gezien naar het westen af.

3.2

Landschappelijke situatie - bodem

Op de bodemkaart (Bijlage 6) is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging in bebouwd gebied. Deze bebouwde zone wordt omringd door hoge zwarte enkeerdgronden in lemig fijn zand (code zE23) verwacht. Het is aannemelijk dat er in het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden voor. Bij enkeerdgronden is sprake van een eerdlaag of plaggendek. Dit (plaggen)dek is ontstaan doordat in sommige gevallen al vanaf de late middeleeuwen op grote schaal het systeem van potstalbemesting werd toegepast. Om de grond vruchtbaarder te maken, werden plaggen met de mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid. In de loop der tijd is hierdoor een plaggendek op de oorspronkelijke bodem ontstaan. De totale dikte van het plaggendek is bij de enkeerdgronden meer dan 50 centimeter. De bouwvoor (Aap-horizont) is grijsbruin tot zwart van kleur. Hieronder liggen oudere niveaus/lagen van het plaggendek (Aa-horizont), die meestal wat lichter van kleur zijn. Dergelijke cultuurdekken kunnen een beschermende werking hebben voor de potentieel aanwezige archeologische lagen. De hoge enkeerdgronden betreffen de oudste opgehoogde gronden, die over het algemeen op de hogere dekzanden liggen. De lage enkeerdgronden werden pas later in gebruik genomen vanwege de lagere ligging in het beekdal.

Door de hogere grondwaterstand was de sterke ophoging met plaggen niet alleen noodzakelijk voor de bemesting maar ook om de nattere gronden toegankelijk te maken.

10 www.provincieantwerpen.be. 11 Geologische overzichtskaart van Nederland 2010. Pagina | 13

AM21384

De kans bestaat dat er onder het plaggendek nog een restant van het oorspronkelijke wordt bodemprofiel wordt aangetroffen. Dit hoeft echter niet zo te zijn zoals vaker blijkt bij archeologisch onderzoek in bijvoorbeeld het oosten van Brabant. Indien sprake is geweest van een snelle ophoging, dan zou men onder het plaggendek nog een intacte A-horizont kunnen vinden. Deze laag onderscheidt zich door een hoger humusgehalte en een meer donkere kleur. Echter, door verploeging zijn vaak de oorspronkelijke A- en E-horizont meestal reeds opgenomen in het plaggendek. Indien de oorspronkelijke bodem bestaat uit een podzolbodem kunnen op een dieper niveau nog (restanten van) een B- en/of BC- horizont voorkomen. Grondwatertrap De mogelijk aanwezige gronden worden gekenmerkt door een gemiddeld lage grondwaterstand, te weten grondwatertrap (GWT) VI en VII. Dit zijn de gemiddelde grondwaterstanden die op de bodemkaart staan aangegeven. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand bij GWT VI tussen de 40 en 80 centimeter beneden maaiveld ligt. De gemiddeld laagste grondwaterstand ligt dieper dan 120 centimeter beneden maaiveld. Bij GWT VII ligt de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 80 en 140 centimeter en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 120 centimeter. Deze lage grondwaterstand zorgt voor slechte bewaringsomstandigheden voor eventuele organische resten.

3.3

Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht

De bestudeerde en beschikbare bronnen hebben het volgende beeld kunnen schetsen over de geschiedenis van Baarle-Nassau. Het dorp Baarle wordt gekenmerkt door meerdere Nederlandse en Vlaamse enclaves. Eind 12 e eeuw ontstond er een conflict tussen de hertog van Brabant en de graaf van Holland over de grens tussen de twee grondgebieden. De hertog van Brabant sloot hierop een verbond met de heer van Breda. Deze kreeg een aantal grondgebieden, waaronder een aantal enclaves van de Abdij van Thorn, als belening. In 1403 trouwde te toenmalige dochter van de heer van Breda met de Duitse graaf Van Nassau-Siegen. Deze werd naar toenmalig recht de nieuwe heer van Breda. Hierop ontstonden de namen Baarle-Nassau voor de enclaves beleend door de heer van Breda en Baarle-Hertog voor de enclaves die onder het hertogdom vielen. Op meerdere plekken is de versplinterde grens tussen Vlaams-Brabant en Nederlands-Brabant gecorrigeerd, behalve in Baarle. Met de bepaling van de Spaanse en Staatse gebieden in 1648 en het tekenen van de Vrede van Münster bleven de enclaves bestaan. Op deze wijzen konden katholieken in Baarle binnen de Spaanse enclaves toch hun geloof uitoefenen. In 1667 werden de grenzen van 30 enclaves opgetekend: 22 van Baarle-Hertog en 8 van Baarle-Nassau. In 1995 zijn de grenzen rond de enclaves officieel Rijksgrenzen geworden.

Gedurende de Eerste Wereldoorlog was België grotendeels bezet door Duitsland. De Duitsers zouden echter neutraal Nederlands grondgebied moeten doorkruisen om de enclaves van Baarle-Hertog ook te kunnen bezetten. Deze bleven daarom vrij van bezetting. Gedurende de Tweede Wereldoorlog zijn enkele woningen binnen Baarle vernield.12 In 1942 en 1944 hebben rond Baarle-Nassau enkele vliegtuigcrashes plaatsgevonden.13

12 Blankenstein 2006 13 Verliesregister 1939-1945 Pagina | 14

AM21384

3.4

Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden

Op de leidende Archeologische Beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting: Categorie 3 (Bijlage 4). In de omgeving van het plangebied (binnen een straal van 500 meter) zijn volgens de gegevens uit Archis3 geen archeologisch monument en meerdere archeologische waarnemingen en onderzoeksmeldingen bekend (Bijlage 3). Zaakidentificatie 3295050100

Afstand Circa 235 meter

Soort onderzoek Opgraving door

Omschrijving Op basis van het vooronderzoek (Booronderzoek en proefsleuvenonderzoek)

ten oosten van

BAAC bv in 2015.14

zijn twee vindplaatsen geselecteerd voor de opgraving: vindplaats 1

het plangebied

(ijzertijd) en vindplaats 2 (late middeleeuwen/ nieuwe tijd). De opgraving wijst erop dat in het zuidelijk deel van het plangebied een deel van een ijzertijd nederzetting heeft gelegen. Er zijn voornamelijk bijgebouwen en erfstructuren als een waterput aangetroffen. In het centrale deel van het plangebied

is

een

vroegmiddeleeuwse

huisplattegrond

gevonden.

Vindplaats 2 bevat een greppelsysteem uit de late middeleeuwen/ nieuwe tijd. Het gaat om een enclave van rijksgrenzen en perceelgrenzen. 2480425100/

Circa 385 meter

Proefsleuven door

Verspreid over het plangebied zijn zeven proefsleuven gegraven. Vindplaats

2446568100

ten noorden van

ADC in 2015.

1 dateert vermoedelijk uit de ijzertijd, vindplaats 2 uit de middeleeuwen.

15

het plangebied

Vlaams Erfgoed Centrum heeft in 13 sleuven de twee vindplaatsen verder onderzocht. Het vondsmateriaal dateert voornamelijk uit de middeleeuwen. De oudste bewoning dateert uit de vroege middeleeuwen.

2457308100

Circa 260 meter

Proefsleuven door

Er zijn binnen het plangebied zijn geen archeologische waarden

ten noordoosten

Econsultancy in

aangetroffen. Het plangebied is verstoord door de aanleg van kelders in het

van het

2014.

begin van de 20e eeuw.

Circa 70 meter

Proefsleuven door

Er is binnen het plangebied één proefsleuf aangelegd. Hier is één

ten zuiden van

Econsultancy in

archeologisch spoor uit de nieuwe tijd aangetroffen.

het plangebied

2014.

2392573100/

Direct ten

Bureau- en

Op basis van het bureauonderzoek geldt een hoge verwachting voor het

2392565100

noordwesten van

booronderzoek

neolithicum tot de nieuwe tijd. Uit het veldonderzoek bleek de bodem tot

het plangebied

door Econsultancy

circa 1,60 meter beneden maaiveld te zijn verstoord.

16

plangebied 2431136100

17

in 2012.

18

2140410100/

Circa 220 meter

Proefsleuven door

Er zijn 6 proefsleuven aangelegd over twee deelgebieden. In het gehele

2140402100

ten zuidwesten

RAAP in 2007.

plangebied zijn (bewonings)sporen uit de midden en late ijzertijd

van het

19

aangetroffen.

plangebied/ Circa 340 meter ten zuidwesten van het plangebied

14 BAAC-rapport A-15.0020/A.15.0160 15 ADC-rapport 4657/ VEC Rapport 57 16 Econsultancy rapport 14081795 17 Econsultancy rapport 14011048 18 Econsultancy rapport 12033194 19 RAAP-rapport 1495 Pagina | 15

AM21384

Zaakidentificatie 3269260100

Afstand Circa 425 meter ten westen van

Soort onderzoek Vondstmelding

Omschrijving Vondstmelding van aardewerk uit het neolithicum en de late middeleeuwen (Pingsdorf en grijsbakkend).

het plangebied Tabel 1. Overzicht van relevante Archismeldingen binnen een straal van 500 meter rond het plangebied.

3.5

Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal

In het kader van het bureauonderzoek is historisch kaartmateriaal bestudeerd. Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (Figuur 3)20 is te zien dat het plangebied midden groter perceel valt. Ten noorden ligt het bewoningslint van de Katerstraat, ten oosten loopt de Baan van Zonderreigen naar Baarle. Volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT)21 behorende bij het minuutplan, het perceel in gebruik als bouwland en onderdeel van het akkercomplex de Loversche Akkers en valt als enige oostelijke perceel onder Nederlands grondgebied. Ten westen en zuiden liggen een aantal percelen op Vlaams grondgebied. Op de topografische kaarten uit 1880, 1920 en 1980 blijft het plangebied onbebouwd. Op de huidige luchtfoto zijn een schuur en zwembad te zien. Het bouwjaar van deze twee structuren dateren op basis van de gegevens uit bag Viewer uit of kort na 2018.22 Ze staan nog niet aangegeven op de meest recente topografische en kadastrale kaarten.

20 www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Gemeente Baarle Nassau, sectie C, blad 1. 21 OAT = Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel.. 22 www.bagviewer.kadaster.nl Pagina | 16

AM21384

Figuur 3: Uitsnede het kadastraal minuutplan (1811-1832) en de topografische kaarten uit 1880, 1920 en 1980. Het plangebied is rood omlijn. (Bron: beeldbank.cultureerlerfgoed.nl; www.topotijdreis.nl)

Pagina | 17

AM21384

4. VERWACHTINGSMODEL Jager-verzamelaars uit het paleolithicum en mesolithicum hebben als woon- en verblijfplaats vaak voor de flanken van hoger liggende terreingedeelten in het landschap gekozen. Bij voorkeur in de buurt van (open) water. Nabijgelegen watervoorzieningen waren belangrijk voor drinkwater en de aanwezige biodiversiteit. Dit vergemakkelijkt de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel. Het plangebied ligt op de overgang van het hoger gelegen dekzandplateau naar de lagergelegen terrasafzettingswelvingen in het westen. De hooggelegen dekzandplateaus in de directe nabijheid van waterlopen, zullen ideale bewoningslocaties voor jager-verzamelaars zijn geweest. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen waterlopen. Om deze redenen wordt een middelhoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum. Binnen het plangebied worden enkeerdgronden verwacht. Deze gronden hebben een opgebracht antropogeen dek (eerdlaag) dat een conserverende werking kan hebben op eventueel aanwezige archeologische resten. Eventueel aanwezige resten uit de periode laat-paleolithicum en mesolithicum worden onder de verwachte eerdlaag of in de oorspronkelijke bodem verwacht en kunnen onder andere bestaan uit tijdelijke bewoningssporen, haardkuilen, vuursteenstrooiingen.

Vanaf het (laat-)neolithicum ontstaan de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door meer sedentaire nederzettingen. De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die soms diep in de grond gefundeerd waren. Vanaf deze perioden heeft men nog steeds een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden. De latere landbouwende samenleving zal het plangebied vanwege de relatief hoge ligging in het landschap een aantrekkelijke vestigingslocatie zijn geweest. De verwachte aanwezige enkeerdgronden in het plangebied zijn goede ontwaterde gronden (GWT VII). Deze gronden vormen geschikte akker- en graslanden. In de directe omgeving zijn tot op heden in de omgeving alleen een aantal vondsten uit de ijzertijd gedaan. Mogelijk heeft dit ook te maken met de weinige archeologische onderzoeken die in de omgeving van het plangebied hebben plaats gevonden. Het kan zeker niet uitgesloten worden dat het plangebied als vestigingslocatie zijn gekozen. Voor het plangebied geldt daarom een hoge verwachting voor zowel nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de ijzertijd als voor nederzettingsresten uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Resten worden onder de verwachte eerdlaag of in de oorspronkelijke bodem verwacht en kunnen onder andere bestaan uit cultuurlagen, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, fragmenten aardewerk, natuursteen of gebruiksvoorwerpen.

Het plangebied ligt aan de Molenbaan, de voormalige Baan van Zonderreigen naar Baarle. Begin 19e eeuw was het plangebied onderdeel van de Loversche Akkers en in gebruik als bouwland. Het plangebied is tot de bouw van een schuur en aanleg van een zwembad onbebouwd geweest. Het bouwjaar van beide structuren is onbekend. Ondanks dat het plangebied onbebouwd was, ligt het wel ten zuiden van een de Katerstraat, een historisch bewoningslint. Nabij het plangebied zijn op dergelijke percelen achter bestaande bewoningslinten restanten gevonden van middeleeuwse bewoning. Daarom kan niet worden uitgesloten dat er geen historische bebouwing als (bij)gebouwen en/of waterputten aanwezig waren. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd. Archeologische resten worden vanaf het maaiveld verwacht en kunnen onder andere bestaan uit onder andere cultuurlagen, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, gebruiksvoorwerpen van bijvoorbeeld natuursteen, fragmenten aardewerk en sporen van agrarische activiteiten. Wat betreft de conservering en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Wegens de verwachte aanwezigheid van enkeerdgronden en daarmee een plaggendek zijn archeologische resten beschermd tegen latere invloeden.

Over het algemeen kunnen (anorganische) vondsten en sporen onder zo’n dek in goede toestand worden aangetroffen. Pagina | 18

AM21384

Mogelijke vuursteenvindplaatsen kunnen echter verstoord zijn geraakt bij de aanleg van het plaggendek en de eerste bewerking ervan. Hierdoor is vaak de top van de natuurlijk bodem opgenomen in het bovenliggende opgebrachte dek. Wat betreft eventueel aanwezige organische resten is het afhankelijk hoe diep het grondwater zit. Bij enkeerdgronden zijn de omstandigheden voor het aantreffen van organische resten minder goed: door de lage grondwaterstand (GWT VII) kunnen organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. Periode Laat-paleolithicum -

Verwachting Middelhoog

mesolithicum

(laat)-neolithicum –

Verwachte kenmerken vindplaats Nederzettingsresten, fragmenten aardewerk,

Diepteligging sporen In de oorspronkelijke bodem

natuursteen, gebruiksvoorwerpen

Hoog

vroege

Nederzettingsresten, fragmenten aardewerk,

Onder de bouwvoor, in de oorspronkelijke

natuursteen, gebruiksvoorwerpen

bodem

Cultuurlaag, funderingsresten, natuursteen,

Vanaf het maaiveld

middeleeuwen Volle middeleeuwen – nieuwe tijd

Hoog

fragmenten aardewerk, gebruiksvoorwerpen, sporen van agrarische activiteiten, restanten wegen/paden

Tabel 2. Archeologische verwachting per periode

Bodemverstoring Er zijn geen gegevens van bodemverstoringen binnen het plangebied bekend. Mogelijk is verstoring opgetreden als gevolg van het gebruik als akkerland (diepploegen). Daarnaast zal er verstoringen zijn opgetreden door de aanleg van het zwembad en de bouw van de schuur. Op basis van de KLIC-melding (uitgevoerd op 7 september 2021) zijn binnen het plangebied geen kabels/leidingen gegraven die voor een verstoring van de bodem kunnen hebben gezorgd.

Pagina | 19

AM21384

5. VELDWERKZAAMHEDEN 5.1

Algemeen

Het doel van het verkennend veldonderzoek door middel van boringen is het toetsen van de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied (Hoofdstuk 4). Hiertoe zijn op 6 oktober 2021 in totaal 6 boringen gezet (zie Bijlage 2 en 8). De boringen zijn uitgevoerd met een Edelmanboor met een diameter van 7 centimeter. De boordiepte varieerde van 120 tot 160 centimeter –maaiveld. De boorkernen zijn conform ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2) beschreven, zie Bijlage 8. De hoogteligging van de boorpunten ten opzichte van NAP is afgeleid van het AHN3 (www.ahn.nl). De maaiveldhoogte is nagenoeg gelijk binnen het plangebied en varieert tussen de 25,55 en 26,24 meter +NAP. Het plangebied ligt relatief hoog en loopt globaal gezien naar het westen af. Er is geen oppervlakte kartering uitgevoerd in verband met de aanwezige begroeiing en verharding.

Figuur 4. Foto van het oostelijke deel van het plangebied, kijkende in noordelijke richting. (Foto: 6 oktober 2021).

Pagina | 20

AM21384

Figuur 5. Foto van het westelijke deel van het plangebied, kijkende in zuidelijke richting. (Foto: 6 oktober 2021).

5.2

Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw

De top van de bodem wordt gevormd door een pakket matig tot zwak humeus zwak siltig zand. De kleur van dit pakket is licht tot donker bruingrijs en heeft een dikte van circa 70 tot 125 centimeter. De dikte van dit pakket wijkt sterk af in boring 5, ter plaatse van deze boring is het humeuze toppakket circa 45 centimeter. In boringen 2, 3 en 4 heeft het humeuze toppakket een zwak tot sterk vlekkerig karakter. Plaatslijk wordt dit pakket gekenmerkt door resten en spikkels baksten, grind en houtskool spikkels. De natuurlijke ondergrond bestaat uit zwak siltig matig fijn zand. De kleur van dit pakket is (licht) beigegeel. Het zand is goed gesorteerd. Het zandpakket wordt gekenmerkt door roest. In boringen 1 en 6 is de overgang van de het humeuze (top)pakket naar de natuurlijke ondergrond scherp. In boring 5 heeft de top van de natuurlijke ondergrond een zwak vlekkerig karakter (donker grijsbruine zandbrokken). De top van de natuurlijke ondergrond is aangetroffen op circa 70 tot 125 centimeter onder maaiveld. Dit komt overeen met circa 24,45 tot 25,39 meter +NAP. In het oostelijk deel (nummers 1-3) ligt de top van natuurlijke ondergrond beduidend hoger, gemiddeld op circa 25,19 meter +NAP, vergeleken met gemiddeld circa 24,66 meter +NAP in het westelijk deel (nummers 4-6) van het plangebied.

Pagina | 21

AM21384

C-hor Aa-hor

0 cm -mv

140 cm -mv Figuur 6. Foto boorprofiel van boring 1. De leesrichting is van linksboven naar rechtsonder (0 – 140 centimeter).

5.3

Interpretatie

Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de bodem in het gehele plangebied in min of mindere mate is verstoord. Dit is mogelijk het gevolg van diepploegen en/of (sub)recente grondbewerking in de nieuwe tijd. De top van de bodem wordt gevormd door een pakket zwak tot matig humeus zand. De kleur van dit pakket varieert van licht tot donker bruingrijs. De dikte van dit pakket varieert sterk van 25 (in boring 5) tot 125 centimeter (in boring 3). Dit pakket is geïnterpreteerd als een antropogeen opgebracht pakket (Aa-horizont). De natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzandafzettingen van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Het dekzand bestaat uit zwak siltig matig fijn, goed gesorteerd zand. De natuurlijke ondergrond bevindt zich op een diepte van circa 45 tot 125 centimeter onder maaiveld. Dit komt neer op een gemiddelde diepte van circa 24,45 tot 25,39 meter +NAP. Zoals reeds gemeld is de bodem ter plaatse van alle boringen tot in de natuurlijke ondergrond verstoord. De verstoring is ter plaatse van boringen 2, 3, 4 en 5 herkenbaar aan het licht tot sterk vlekkerig karakter van het sediment (brokken humeuze materiaal en natuurlijke ondergrond door elkaar). De scherpe overgang tussen het humeuze toppakket en natuurlijke ondergrond is ter plaatse van boringen 1 en 6 scherp, dit is ook een kenmerk van verstoring.

In hoeverre de top van de natuurlijke ondergrond is verstoord kan op basis van de boringen in beperkte mate beantwoord worden. In geen van de boringen zijn sporen van een podzolbodem (E-, B- of BC-horizont) waargenomen.

Pagina | 22

AM21384

Het is opvallend dat de top van de natuurlijke ondergrond beduidend hoger in het oostelijk deel (circa 25,19 meter +NAP) van het plangebied ligt vergeleken met het westelijk deel (circa 24,66 meter +NAP). Dit duidt dat het dekzand tot minimaal 53 centimeter in de natuurlijke ondergrond is verstoord. Een andere mogelijkheid is dat er sprake van een (micro)reliëf waarin boringen 4 t/m 6 in een lagergelegen zone lagen.

5.4

Archeologische indicatoren

Alhoewel geen doel van een verkennend veldonderzoek met boringen, is gelet op de aanwezigheid van archeologische indicatoren die kunnen wijzen op archeologische waarden in de ondergrond. Tijdens het onderzoek zijn dergelijke indicatoren echter niet aangetroffen.

Pagina | 23

AM21384

6. CONCLUSIE 6.1

Algemeen

Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden, zoals beschreven in het bureauonderzoek, aanwezig zijn. De natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzandafzettingen van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Het dekzand bestaat uit zwak siltig matig fijn, goed gesorteerd zand. De natuurlijke ondergrond bevindt zich op een diepte van circa 45 tot 125 centimeter onder maaiveld. Dit komt neer op een gemiddelde diepte van circa 24,45 tot 25,39 meter +NAP. Er is tijdens het veldonderzoek ook vastgesteld dat de bodem in meer of mindere mate verstoord is. Als gevolg van de verstoring van het bodemprofiel zullen eventueel aanwezige resten uit de periode vanaf de jagers-verzamelaars niet langer in situ aanwezig zijn. Het gaat om zeer kwetsbare vindplaatsen en deze zullen verloren zijn gegaan bij de activiteiten die de aftopping van de bodem tot gevolg hebben gehad. De verwachting voor deze perioden kan voor het gehele plangebied worden bijgesteld van middelhoog naar laag. Voor de daaropvolgende perioden van meer sedentaire bewoningsvormen met robuustere sporen kan worden gesteld dat deze naar verwachting nog goed aangetroffen kunnen worden. Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem in het gehele plangebied verstoord is.

De oorzaak en mate van verstoring zijn te achterhalen, maar reikt in het westelijk deel tot minstens 53 centimeter in de C-horizont. Dit heeft tot gevolg dat het archeologisch niveau en bijbehorende sporen zijn afgetopt als gevolg van moderne grondbewerking en verstoringen. Hierdoor zullen alleen diepere sporen zoals water- en beerputten, greppels en sloten bewaard zijn. Hoewel deze sporen mogelijk vondstrijk zijn ontbreekt een eventuele context. Hierdoor is de informatiewaarde van dergelijke sporen beperkt. Op basis hiervan wordt de verwachting voor deze periode neolithicum tot en met nieuwe tijd bijgesteld van hoog naar laag.

6.2

Beantwoording onderzoeksvragen •

Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? Ja, eventuele archeologische resten zouden aanwezig kunnen zijn op de overgang van het plaggendek naar de C-horizont. Echter het bodemprofiel in het plangebied is verstoord en de overgang van het humeuze pakket naar de C-horizont is veelal verrommeld. Op basis van de bodemopbouw is de C-horizont afgetopt, in het westelijk deel tot minimaal 53 centimeter in de C-horizont. Om deze redenen wordt de kans op behoudenswaardige archeologische resten klein geacht.

•

In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten? De afwezigheid van een oorspronkelijk (podzol)bodem in alle boringen kan duiden op bewerking van de bodem in het verleden. Eventuele archeologische resten van jagers-verzamelaars zullen daarom vermoedelijk niet meer in situ aanwezig zijn. Archeologische resten van latere perioden kunnen nog wel worden aangetroffen. Echter is de bodem afgetopt en de overgang van het plaggendek naar de C-horizont niet meer intact. De kans op het aantreffen van archeologische resten is daarom laag.

•

Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen? Pagina | 24

AM21384

De afwezigheid van een oorspronkelijk (podzol)bodem kan duiden op bewerking van de bodem in het verleden. Eventuele archeologische resten van jagers-verzamelaars zullen daarom vermoedelijk niet meer in situ aanwezig zijn. Archeologische resten van latere perioden kunnen nog wel worden aangetroffen. Echter is de bodem afgetopt en de overgang van het plaggendek naar de C-horizont niet meer intact. De kans op het aantreffen van archeologische resten is daarom laag.

Pagina | 25

AM21384

7. AANBEVELINGEN Advies Aeres Milieu Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de in het bureauonderzoek omschreven verwachte hoge zwarte enkeerdgronden in het plangebied niet zijn aangetroffen. De bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een AC-profiel. Op basis van de aangetroffen bodemopbouw is er circa 45 tot 125 centimeter opgebracht. Eventueel aanwezige sporen zijn afgetopt. In het westelijk deel van het plangebied is de C-horizont voor tenminste 53 centimeter afgetopt. De oorzaak van de verstoring valt niet exact te achterhalen maar is mogelijk het gevolg van (sub)recente grondbewerking in de nieuwe tijd. De kans wordt klein geacht dat eventueel aanwezige sporen van bewoning uit ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen nog goed bewaard zijn. Op basis van deze gegevens is de archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten voor de perioden (laat-paleolithicum – nieuwe tijd) laag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12300365/1