CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan ‘Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau’

Gemeenteraad (openbaar) 8 februari 2023, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan ‘Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau’27.184 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

ONTWERP

BESTEMMINGSPLAN MOLENBAAN NAAST NR. 2, BAARLE-NASSAU

ORDITO.NL

BESTEMMINGSPLAN MOLENBAAN NAAST NR. 2, BAARLE-NASSAU GEMEENTE BAARLE-NASSAU Planstatus

Ontwerp

Datum

04 - 08 - 2022

Plan identificatie

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Auteur(s)

Ivo van de Weijer & Zoe Zeegers

Ordito b.v.

E

info@ordito.nl

Postbus 94

T

0161 801 022

5126 ZH

I

www.ordito.nl

Gilze

KVK

54811554

TOELICHTING

1.

Inleiding

2

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging en begrenzing Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

2 2 3 5

2.

Bestaande situatie

6

3.

Toekomstige situatie

7

3.1 3.2

Planvoornemen Verkeer en parkeren

7 8

4.

Beleidskader

9

4.1 4.2 4.3

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

9 10 12

5.

Randvoorwaarden

15

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10

Archeologie Bedrijven en milieuzonering Bodemkwaliteit Cultuurhistorie Externe veiligheid Geluid Geurhinder Luchtkwaliteit Natuurwetgeving Water

15 17 20 20 23 25 27 27 28 31

6.

Juridische regelgeving

36

6.1 6.2 6.3

Inleiding Systematiek van de regels Beschrijving van de bestemmingen

36 36 37

7.

Uitvoerbaarheid

39

7.1 7.2

Economische haalbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

39 39

Bijlagen 1. Archeologische bureau- en booronderzoek 2. Akoestisch onderzoek industrielawaai 3. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 4. Quickscan flora en fauna 5. Stikstofdepositie berekening 6. Watertoets 7. Verslag omgevingsdialoog

|2

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding

De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is de wens om een tweekapper (2 woningen) te realiseren op de locatie Molenbaan naast huisnummer 2 te Baarle-Nassau. Op basis van het vigerende bestemmingsplan kent het perceel reeds de bestemming ‘Wonen’. Echter is ter plaatse van de beoogde woningen geen bouwvlak aanwezig. Daarmee is het planvoornemen in strijd met het vigerend bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. De gemeente Baarle-Nassau wil meewerken aan het ontwikkelen van maximaal twee woningen op de genoemde locatie, mits voldaan wordt aan de volgende randvoorwaarden: • Parkeren dient per woning opgelost te worden op eigen terrein en te voldoen aan de “Nota Parkeernormen 2011 Baarle-Nassau”; • Ten aanzien van de bouw van de nieuwe woning(en) dient qua maat, schaal goot- en bouwhoogte, afstand tot perceelgrenzen en bestemmingslegging aangesloten te worden bij de bouwregels van de bestemming ‘Wonen’ uit de bestemmingsplannen ‘Dorpen’ en ‘Dropen 1e herziening’; • De uitgangspunten en rooilijn van de woningen dienen afgestemd te worden; • De twee-onder-een-kap woning moet zo ontworpen worden waardoor het lijkt dat het een vrijstaande woning is; • Woning(en) hebben een directe relatie met de openbare ruimte; • Woning(en) worden grond gebonden uitgevoerd; • Woning(en) voldoen aan gestelde

duurzaamheidseisen; • Aangetoond dient te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat omliggende (bedrijfs)activiteiten niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en activiteiten; • Een omgevingsdialoog dient gevoerd te worden; • Een anterieure grondexploitatieovereenkomst moet gesloten worden zodat de gemeentelijke plankosten verzekerd zijn. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.

1.2

Ligging en begrenzing

Het plangebied is gelegen aan de Molenbaan, in het zuidwesten van de kern Baarle-Nassau. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Baarle-Nassau, sectie C, nummers 2048 (gedeeltelijk) en 4569 en kent een oppervlakte van circa 780 m2.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|3

Het plangebied grenst aan de zuidoostelijke zijde aan de Molenbaan. De Molenbaan is één van de historische bebouwingslinten van Baarle – Nassau en vormt de verbinding met Zondereigen (België). Aan de overzijde van de Molenbaan bevinden zich een hondenvereniging, een sportcomplex met tennisbanen, voetbalvelden en een groot parkeerterrein. Aan de overige drie zijden wordt het plangebied begrensd door de (zij)tuinen van woningen Molenbaan 2 en Pastoor de Katerstraat 9 t/m 23.

Ligging en begrenzing plangebied

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied vigeert het bestemmingsplan “Dorpen” (vastgesteld op 11 april 2012) in combinatie met het bestemmingsplannen “Dorpen, 1e herziening” (vastgesteld op 24 februari 2016). Op basis van deze bestemmingsplannen kent het plangebied de enkelbestemming ‘Wonen’, de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – herziening planregels’.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|4

Enkelbestemming ‘Wonen’ De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis in hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van het beroep aan huis, met een maximum van 45 m2. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor de daarbij behorende tuinen en erven, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, voorzieningen van algemeen nut, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Uitsnede bestemmingsplan "Dorpen" (plangebied rood omlijnd)

Voor het bouwen van hoofdgebouwen geldt dat hoofdgebouwen uitsluitend zijn toegestaan binnen het bouwvlak, daarbij mag het bouwvlak volledig worden bebouwd. De afstand tot de zijdelingse perceelgrens dient bij twee-aaneen gebouwde woningen minimaal 3 meter aan één zijde te bedragen. De maximale goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk 6 en 10 meter. Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|5

1.4

Leeswijzer

De toelichting is opgebouwd uit verschillende hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt allereerst ingegaan op de huidige situatie van het plangebied, waarna in hoofdstuk 3 de beoogde toekomstige situatie wordt weergegeven. Een beschrijving van het relevante beleidskader op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau staat in hoofdstuk 4. Vervolgens komen in hoofdstuk 5 de milieukundige randvoorwaarden en onderzoeken aan de orde. De juridische opzet van het plan staat in hoofdstuk 6. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden in hoofdstuk 7 beschreven.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|6

2.

BESTAANDE SITUATIE

De Molenbaan is één van de historische bebouwingslinten van Baarle – Nassau en vormt de verbinding met Zondereigen (België). Aan de overzijde van de Molenbaan wordt het beeld bepaald door een hondenvereniging, een sportcomplex met tennisbanen, voetbalvelden en een groot parkeerterrein. Aan de overige drie zijden wordt het plangebied begrensd door (zij)tuinen van woningen Molenbaan 2 en Pastoor de Katerstraat 9 t/m 23. Aan de noordwestzijde van de Molenbaan, de zijde van het plangebied, zijn diverse vrijstaande woningen gesitueerd in één tot twee bouwlagen met een kap. De nabijgelegen woningen zijn gesitueerd in een gelijke rooilijn, maar door de variërende kapvorm en het verschil in kleur- en materiaalgebruik is het straatbeeld vrij divers. De begrenzing van het plangebied aan de zijde langs de Molenbaan wordt gevormd door een dichte heg. Het totale plangebied heeft een oppervlakte van circa 780 m2. Het plangebied is momenteel in gebruik als tuin. Ter plaatse zijn een zwembad en een schuur van circa 45 m2 aanwezig.

Bovenaanzicht bestaande situatie

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|7

3.

TOEKOMSTIGE SITUATIE

3.1

Planvoornemen

Het planvoornemen betreft het realiseren van een tweekapper op de locatie Molenbaan naast huisnummer 2 in Baarle-Nassau. De beoogde woningen sluiten qua maat, schaal, goot- en bouwhoogte en afstand tot perceelsgrenzen aan op de bestaande woningen langs de Molenbaan. Het plan zorgt ervoor dat de bebouwing in deze straat doorloopt tot aan de Pastoor de Katerstraat. De onderbreking van de huidige heg zal hierdoor verdwijnen. Dit sluit aan bij het huidige bebouwingsbeeld aan de Molenbaan. De beoogde woningen worden uitgevoerd in één hoofdvolume; twee woningen onder één kap (bouwaanduiding ‘twee-aaneen’), en zal bestaan uit twee verdiepingen plus kap. Het hoofdvolume zal gerealiseerd worden op minimaal 3 meter uit de zijdelingse perceelsgrenzen, waardoor de tweeonder-een-kap woning de uitstraling krijgt van één vrijstaande woning. De goot- en bouwhoogte bedragen respectievelijk 6 en 10 meter en de voorgevellijn komt op 5,5 meter van de openbare ruimte te liggen. De rooilijn is daarbij afgestemd op de woningen Molenbaan 4 t/m 12. De voortuin die hiermee ontstaat, krijgt de bestemming ‘Tuin’.

3

2

Beoogde juridisch-planologisch situatie

1

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|8

3.2

Verkeer en parkeren

Verkeer De beoogde woning wordt ontsloten via de Molenbaan, wat zorgt voor extra verkeerstromen. De verkeersgeneratie van de toekomstige situatie is in onderstaande tabel weergegeven. Hiervoor is gebruik gemaakt van de CROW uitgave ‘Toekomstbestendig parkeren 2018’. Daarbij is uitgegaan van de ligging in ‘schil centrum – weinig stedelijk’. Verkeersgeneratie nieuwe situatie Functie Verkeersgeneratie volgens CROW Twee-onder-eenMax: 8,1 mvt/etmaal kapwoning Schil centrum Totaal

Maximale verkeersgeneratie 8,1 mvt x 2 woning = 16,2 mvt/etmaal 16,2 motorvoertuigen

Dit betekent dat naar aanleiding van het planvoornemen het aantal verkeersbewegingen met maximaal 16,2 motorvoertuigen per etmaal toeneemt. De Molenbaan beschikt over voldoende capaciteit om de extra voertuigbewegingen af te kunnen wikkelen. Parkeren Ruimtelijke functies trekken een bepaalde hoeveelheid autoverkeer aan en daarmee ook een bepaalde parkeerbehoefte. Het aantal aan te leggen parkeerplaatsen is afhankelijk van de voorzieningen en de parkeernormen die bij de betreffende ontwikkeling hoort. Hiervoor is gebruik gemaakt van de ‘Nota Parkeernormen 2011’. Voor de parkeernorm is uitgegaan van het gebied ‘Overig gemeente Baarle-Nassau’; het gebied buiten het centrum van Baarle-Nassau. Parkeerbehoefte nieuwe situatie Functie Parkeernorm Woning > 100 m2 2,00 pp/woning Totaal (afgerond)

Parkeerbehoefte 2,00 pp x 2 woning = 4,00 parkeerplaatsen 4 parkeerplaatsen

De parkeerbehoefte van de beoogde woningen bedraagt afgerond 4 parkeerplaatsen. Het parkeren zal op eigen terrein plaatsvinden. Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|9

4.

BELEIDSKADER

4.1

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is geheel opgenomen in deze nieuwe visie. De Nationale Omgevingsvisie biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.

Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. Door het nationale karakter van de NOVI en de kleine schaal van onderhavig plan, heeft het voornemen nauwelijks raakvlak met dit nationale kader. Met onderhavig planvoornemen zijn geen nationale belangen in het geding. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale ruimtelijke beleid. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Het Barro is op 1 oktober 2012 in werking getreden. Door het nationale karakter van het Barro en de kleine schaal van onderhavig plan, heeft dit voornemen nauwelijks raakvlak met dit nationaal juridisch kader. Het Barro bevat geen voor het plan relevante bepalingen.

Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een beschrijving op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' zoals beschreven in, het per 1 juli 2017 gewijzigde, artikel 3.1.6 Bro.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|10

Nieuwe ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking mits er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Het begrip ‘stedelijke ontwikkeling' is in artikel 1.1.1, lid 1, sub i van de Bro gedefinieerd als: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Uit jurisprudentie blijkt dat vanaf 12 nieuwe woningen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dat deze Ladderplichtig is. Toetsing Ladder voor duurzame verstedelijking Om te bepalen of een planvoornemen Ladderplichtig is, dient getoetst te worden of de voorziene ontwikkeling wel of geen stedelijke ontwikkeling is. Onderliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een tweekapper; twee woningen. Het planvoornemen ligt daarmee onder de drempelwaarde van 12 woningen. Zodoende is deze woningbouwlocatie niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Verdere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk.

4.2

Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Noord-Brabant Met het oog op de nieuwe Omgevingswet heeft de provincie Noord-Brabant de Brabantse Omgevingsvisie opgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie geeft in hoofdlijnen het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving tot 2050. De visie is bindend voor het handelen van de provincie. De Omgevingsvisie is vastgesteld door de Provinciale Staten op 14 december 2018. De Brabantse Omgevingsvisie geeft antwoord op de vraag hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien en waar Noord-Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De visie benoemt één basisopgaven en vier hoofdopgaven: • De basisopgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit; • Werken aan Brabantse energietransitie; • Werken aan een klimaatproef Brabant; • Werken aan de slimme netwerkstad; • Werken aan een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen, voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit, staan nu nog in de bestaande plannen van de provincie (PMWP, SVRO, PVVP). Grote delen van die beleidsplannen horen vanuit het systeem van de Omgevingswet straks thuis in programma’s.

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is de vervanger van verschillende provinciale verordeningen, waaronder ook de Verordening ruimte. De Omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld als eerste stap voordat de Omgevingswet in werking treedt. De laatste wijziging/actualisatie is van 15 april 2022. De Interim Omgevingsverordening bestaat uit de samenvoeging van bestaande regels uit verschillende verordeningen. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve Omgevingsverordening vastgesteld. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|11

De verordening is één van de uitvoeringsinstrumenten van de provincie om haar doelen te realiseren. In de Omgevingsverordening vertaalt de provincie kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Stedelijk gebied – Landelijke kern Voor het onderwerp duurzame stedelijke ontwikkeling zijn instructieregels voor gemeenten opgenomen. Hierin is opgenomen dat een ruimtelijk plan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen binnen ‘Stedelijk gebied’ een onderbouwing bevat dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken en het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Het plangebied behoort bij de regio Midden-Brabant. Binnen deze regio wordt voornamelijk gestuurd op woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied en bestaand (leegstaand of leegkomend) vastgoed. Het plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied. Gesteld kan worden dat het planvoornemen aansluit bij het regionaal beleid. Daarnaast moet onderbouwd worden dat het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Dit is reeds nader onderbouwd in de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ in paragraaf 4.1 Rijksbeleid. Aanduidingen Verder is het plangebied gelegen binnen de aanduidingen ‘Bescherming Natura 2000’, ‘Verbod uitbreiding veehouderij’, ‘Normen wateroverlast’ en ‘Norm wateroverlast Stedelijk gebied’.

De regels met betrekking tot deze aanduidingen vormen geen belemmering voor het planvoornemen. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies, die zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2, artikelen 3.6 t/m 3.8 van de Interim Omgevingsverordening. Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiertoe dient rekening gehouden te worden met: a. Zorgvuldig ruimtegebruik; b. De waarde in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. Meerwaardecreatie. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Een bestaand ruimtebeslag is gelegen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

In de beoogde situatie is sprake van een bestaand ruimtebeslag, aangezien het plangebied gelegen is binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’. Het initiatief betreft een ontwikkeling van slechts twee woningen; toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet nodig (zie ook paragraaf 4.1). Hiermee wordt voldaan aan de zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit zoals staat beschreven in artikel 3.6 van de Interim Omgevingsverordening.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|12

Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: De ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; De netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen, waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; De bovenste laag, zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Door actief de factor tijd te benutten, wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van de optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op de bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in deze toelichting.

Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling betrokken zijn, waaronder: De mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; De bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Met onderhavig planvoornemen wordt meerwaarde gecreëerd door de toevoeging van duurzame woningen aan de woningvoorraad van Baarle-Nassau.

4.3

Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau De gemeente Baarle-Nassau heeft op 26 juni 2019 de Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau vastgesteld. In deze Omgevingsvisie van de gemeente Baarle-Nassau komen de hoofdlijnen van al hun plannen samen, hierdoor ontstaat een integraal totaalbeeld van de ruimtelijke keuzes. Volgens de Visiekaart Omgevingsvisie ligt het plangebied in een gebied dat is aangeduid als ‘kernen’.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|13

Uitsnede Visiekaart Omgevingsvisie (plangebied rood omcirkeld)

De Omgevingsvisie van Baarle-Nassau zet in op een aantal elementen. Allereerst is een goede ruimtelijke kwaliteit een uitgangspunt. Het is belangrijk dat de eigenheid van de kernen blijft behouden. Hierbij blijft het dorpse karakter van de kern behouden en dragen nieuwe woningbouwprojecten bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Op dit moment loopt de bebouwing op de Molenbaan niet door, deze wordt onderbroken door een hoge heg. Door op deze locatie twee woningen te realiseren, ontstaat er een doorlopende bebouwing aan deze straat. Dit komt daarmee de ruimtelijke kwaliteit ten goede. Op het gebied van wonen ligt de focus op het bestaand stedelijk gebied. Hierbij is het doel de woningvoorraad zo aan te passen dat deze past bij de toekomstige woningbehoefte en duurzaamheidsambities. De toekomstige woningbehoefte bestaat onder andere uit het langer thuis kunnen blijven wonen van ouderen en een aantrekkelijk woningaanbod voor jongeren en jonge gezinnen. Onderhavige ontwikkeling sluit hierop aan. Het toevoegen van twee woningen in het stedelijk gebied, (rekening houdend met de duurzaamheidsambitie), leidt tot uitbreiding van het bestaande woningaanbod. Hiermee kan gesteld worden dat onderhavige ontwikkeling passend is binnen de Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|14

Woonvisie 2018-2023 Meer dan in eerder woonvisies is gekeken naar de bestaande woonvoorraad. Nieuwbouw blijft nodig en wenselijk en de gemeente spant zich in voor extra bouwmogelijkheden. De woonvisie is onderverdeeld in 5 pijlers die in de komende jaren prioriteit krijgen, dit zijn: • Identiteit van het wonen in Baarle-Nassau; • Demografie en de woningbehoefte; • Betaalbaar wonen; • Kwaliteit van de woningvoorraad; • Wonen met zorg en welzijn. Zo wordt in de tweede pijler beschreven dat er ten tijde van de crisis te weinig is gebouwd waardoor er een achterstand in woningbouw is. In de afgelopen jaren is behoorlijk bijgebouwd in de gemeente, waardoor die inhaalvraag al voor een belangrijk deel is ingelopen. Desondanks is er op dit moment een aanhoudende vraag naar nieuwbouwwoningen. Onderhavige ontwikkeling, het toevoegen van twee woningen, draag bij om in de woningbehoefte van de inwoners van Baarle-Nassau te voorzien.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|15

5.

RANDVOORWAARDEN

5.1

Archeologie

Verdrag van Malta Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Erfgoedwet/Omgevingswet Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het betreft daarbij zowel het roerend als het onroerend erfgoed. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 ingaat, maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Voor het onroerend cultureel erfgoed zijn deze wetten van grote betekenis. Het deel van de Monumentenwet 1988 dat direct raakt aan de fysieke leefomgeving, gaat namelijk op in de Omgevingswet.

Het resterende deel van de Monumentenwet gaat op in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet voorziet ook in het nodige overgangsrecht, zodat artikelen uit de Monumentenwet tussen 2016 en 2022 niet zomaar komen te vervallen. De Erfgoedwet en de Omgevingswet regelen de zorg voor ons bodemarchief en zijn de vertaling van het Verdrag van Malta, dat Nederland in 1992 ondertekende. De essentie van deze wetgeving is dat waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven. Gemeentelijke archeologiebeleid Op grond van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) is het verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Derhalve heeft de gemeente Baarle-Nassau de ‘Nota Archeologie’ vastgesteld. In combinatie met de archeologische beleidskaart vormt deze het beleidsinstrumentarium voor de gemeente om haar wettelijke taak als bevoegde overheid voor archeologie uit te kunnen voeren.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|16

Uitsnede Nota Archeologie (plangebied rood omlijnd)

Onderzoek Het plangebied is gedeeltelijk aangewezen als ‘archeologisch monument (niet beschermd)’, waarbij bij bodemingrepen van dieper dan 0,4 meter onder maaiveld en met een oppervlakte van meer dan 50 m2 een archeologisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Verder is het plangebied gedeeltelijk als ‘archeologische verwachting hoog’ aangewezen. Voor dergelijke gronden geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen van dieper dan 0,4 meter onder maaiveld en met een oppervlakte van meer dan 100 m2. In het vigerende bestemmingsplan is het gemeentelijk archeologiebeleid opgenomen en doorvertaald naar een archeologische dubbelbestemming met de bijbehorende regels. Het plangebied kent op basis van het vigerend bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Met het planvoornemen worden de gestelde onderzoeksgrenzen overschreden. Derhalve is een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd. De rapportage behorende bij dit onderzoek is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Op basis van het bureauonderzoek wordt aan het plangebied een middelhoge verwachting op resten uit het laat paleolithicum en mesolithicum toegekend. Voor de periode neolithicum tot en met nieuwe tijd geldt een hoge verwachting. Het booronderzoek heeft uitgewezen dat de natuurlijke bodemopbouw niet meer intact aanwezig is.

De top van natuurlijke ondergrond is dus afgetopt. De mate waarin dit is gebeurd verschilt sterk. Aan de westkant van het terrein is sprake van een diepere verstoring van de ondergrond dan in de rest van het plangebied. In het oostelijk deel van het terrein zit de top van de natuurlijke ondergrond op ongeveer 25,00 tot 25,30 m NAP: aanzienlijk hoger dan in het westen waar de C-horizont pas op circa 24,40 wordt aangetroffen. Dit wijst erop dat de aftopping in het oosten waarschijnlijk relatief gering is. In dit deel van het terrein is de kans op archeologische resten (grondsporen) nog aanwezig. Aanwijzingen voor resten van de historische kern zijn tijdens het onderzoek niet aangetroffen.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|17

Op basis van de bevinden van het bureau- en booronderzoek geldt met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’: • Westelijk deel van het terrein (zie afbeelding): geen dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’; • Oostelijk deel van het terrein (zie afbeelding: dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Het betreft een zone met hoge archeologische verwachting; laag voor jagers/verzamelaars, hoog voor landbouwsamenlevingen. De vrijstellingsgrenzen die hierbij horen zijn een diepte van maximaal 40 cm – mv en een omvang van maximaal 500 m2.

Bevindingen n.a.v. bureau- en booronderzoek

Conclusie Archeologisch vervolgonderzoek (proefsleuvenonderzoek) zal bij de sloop plaatsvinden. Om de mogelijk aanwezige archeologische resten in het oostelijke deel te beschermen (tot dat archeologische vervolgonderzoek heeft plaatsgevonden) is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen.

5.2

Bedrijven en milieuzonering

De Wet milieubeheer (Wm) zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken moeten daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer. In de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|18

De lijst geeft richtlijnen voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De benodigde afstand tussen bedrijven en gevoelige functies is afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf en de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere eisen dan voor drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. In een gemengd gebied komen naast wonen ook ander functies voor, zoals winkels en horeca en kleine bedrijven. Daarmee vergelijkbare gebieden zijn lintbebouwing in het buitengebied waarin functiemenging voorkomt en gebieden gelegen direct langs een hoofdinfrastructuur. Kenmerkend voor het omgevingstype gemengd gebied is dat sprake is van een zekere verstoring en dus van een relevant andere omgevingskwaliteit dan in een woongebied. Alle bedrijven die in de buurt van het plangebied liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

t.o.v. rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

t.o.v. gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ biedt een handreiking voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven. De afstanden in de tabel geven echter slechts indicatieve informatie en zijn als standaard-norm bedoeld. De informatie heeft geen betrekking op individuele bedrijven of situaties. Immers kunnen zich binnen bedrijfstypen grote verschillen voordoen. Specifieke maatregelen of omstandigheden kunnen leiden tot kleinere of grotere afstanden. Een vaste afstand is zodoende niet te bepalen. Onderzoek Gezien de ligging van het plangebied aan de Molenbaan, waarlangs diverse (bedrijfs)bestemmingen voorkomen, wordt aangesloten bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de onderstaande tabel zijn de bestaande bedrijven en openbare parkeerterreinen rondom het plangebied weergegeven met bijbehorende richtafstanden, gemeten vanaf de grens van het toekomstige bouwvlak tot aan de bestemmingsgrens van de desbetreffende bedrijfsbestemming.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|19

Locatie

Aard bedrijvigheid

Milieu categorie

Molenbaan 1b Molenbaan 2b

Hondenvereniging Sportveldencomplex met verlichting (excl. openbaar parkeerterrein) Openbaar parkeerterrein

Molenbaan naast nr. 2b Molenbaan bus 1 Parallelweg 2 Parallelweg 1 Pastoor de Katerstraat 1e Pastoor de Katerstraat, achter nummer 4 Pastoor de Katerstraat 5 Pastoor de Katerstraat 26 Pastoor de Katerstraat 30a Pastoor de Katerstraat 31a

Afstand

3.1 3.1

Richtafstand gemengd gebied 30 meter 30 meter

2

10 meter

15 meter

Basisschool Dierenwinkel Gemeentehuis Basisschool

2 1 1 2

10 meter 0 meter 0 meter 10 meter

80 meter 170 meter 185 meter 150 meter

Openbaar parkeerterrein

2

10 meter

20 meter

Cultureel centrum

1

0 meter

140 meter

Fietsenwinkel

1

0 meter

100 meter

Hardloopwinkel

1

0 meter

125 meter

Tuincentrum

2

10 meter

120 meter

15 meter 60 meter

Aan de richtafstanden van de meeste nabijgelegen bedrijven en openbare parkeerterreinen wordt voldaan, met uitzondering van de hondenvereniging aan de Molenbaan 1b. Voor hondendressuurterreinen geldt een milieucategorie 3.1 met een maximale richtafstand van 30 meter voor een ‘gemengd gebied’ voor het aspect ‘geluid’. Aan deze richtafstand wordt niet voldaan. Derhalve dient door middel van een akoestisch onderzoek industrielawaai aangetoond te worden of het planvoornemen haalbaar is. Door K+ Adviesgroep is een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidimmissie vanwege de tegenovergelegen hondenvereniging. De rapportage behorende bij dit onderzoek is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Het hoogste langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de dagperiode bedraagt 33 dB(A). Hiermee wordt voor de dagperiode voldaan aan de geluideisen conform stap 2 van de VNG handreiking en het Activiteitenbesluit. Het hoogste langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de avondperiode bedraagt 42 dB(A).Hiermee wordt voor de avondperiode voldaan aan de geluideisen conform stap 2 van de VNG handreiking en het Activiteitenbesluit. Maximale geluidniveaus De maximale geluidniveaus bedragen in de dagperiode ten hoogste 61 dB(A). Hiermee wordt voor de dagperiode voldaan aan de geluideisen conform stap 2 van de VNG handreiking en het Activiteitenbesluit.

De maximale geluidniveaus bedragen in de avondperiode ten hoogste 64 dB(A).

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|20

Hiermee wordt voor de avondperiode voldaan aan de geluideisen conform stap 2 van de VNG handreiking en het Activiteitenbesluit. De nieuwe woningen beperken de hondenvereniging niet in haar activiteiten. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.3

Bodemkwaliteit

Om te zorgen voor een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkeling zoals woningbouw of de aanleg van wegen, is in 2008 het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden. Het doel van het Bbk is duurzaam bodembeheer. Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een bodemonderzoek worden verricht om de realiseerbaarheid van een bestemmingswijziging te beoordelen. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting mogelijk is, moet ten minste een verkennend bodemonderzoek verricht worden. Onderzoek Voor de herziening van het bestemmingsplan hoeft geen bodemonderzoek plaats te vinden, het plangebied heeft tenslotte al een woonbestemming. Voor de omgevingsvergunning zal te zijner tijd wel (een actualisatie van) een bodemonderzoek moeten plaatsvinden. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de bestemmingsplanprocedure.

5.4

Cultuurhistorie

Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.

Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|21

In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen.

Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2023 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven, zie onderstaande afbeelding.

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (plangebied zwart omlijnd)

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|22

Toetsing Cultuurhistorische Waardenkaart Historische geografie (lijn) - Redelijk hoog De Molenbaan is in de Cultuurhistorische waardenkaart aangeduid als een lijn van redelijk hoge waarde, omdat het deel uitmaakt van de historische wegenstructuur van Baarle-Nassau. De Molenbaan wordt gekenmerkt door bebouwing in een halfopen structuur. Het voorgenomen initiatief betreft het invullen van de straatwand van de Molenbaan met tweeaaneen gebouwde woningen. De woningen kennen een beperkte hoogte en de nieuwbouw zal qua aard en uitstraling aansluiten bij de bestaande woningen. De positionering van de woningen sluit eveneens aan bij de voorgevelrooilijn van de omliggende woningen. Hierdoor doet het planvoornemen geen afbreuk aan de ter plaatse toegekende cultuurhistorische waarden. Historische zichtrelaties vlak – molenbiotoop Het plangebied is gelegen in het historisch zichtrelatievlak ‘Molenbiotoop’. Dit betreft de molenbiotoop rondom de industrie- en poldermolen aan de Molenstraat 75 in Baarle-Hertog. Het is in dit vlak niet wenselijk om hoge bebouwing op te richten, omdat dit het zicht op de molen ontneemt. Binnen het plangebied wordt geen hoge bebouwing mogelijk gemaakt. Hiertoe worden maximale bouw- en goothoogtes opgenomen, die overeenkomen met de bestaande maximale bouwhoogtes. Hierdoor vindt er geen onevenredige verstoring van het zicht op de molen plaats.

Daarnaast was in het verleden een korenmolen aanwezig aan het einden van de Molenbaan (op de hoek met de Tommel). De molen is gebouwd in 1731, en is afgebrand in 1907. De Molenbaan dankt zijn naam aan deze molen. Archeologisch monument – terrein van hoge archeologische waarden Op de AMK-Noord Brabant zijn historische stads- en dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Het plangebied is gedeeltelijk aangewezen als ‘archeologisch monument’. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. In paragraaf 5.1 is het aspect archeologie reeds nader beoordeeld. Het aspect archeologie vormt geen belemmering. Aardkundig waardevolle gebieden Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants Landschap. De provincie wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis.

Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (inmiddels vervangen door de Omgevingsvisie Noord-Brabant). In de Verordening ruimte (inmiddels vervangen door de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant) is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld. De provincie heeft daarnaast de ‘Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant’ ontwikkeld, welke worden beschermd met regels in de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|23

De kern Baarle-Nassau, en daarmee het plangebied, is niet aangeduid als aardkundig waardevol gebied.

Uitsnede Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant

Conclusie Gezien het bovenstaande kan gesteld worden dat het planvoornemen geen afbreuk doet aan de ter plaatse toegekende cultuurhistorische waarden. Het aspect aardkundig waardevolle gebieden vormt daarnaast eveneens geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op het beheersen van risico’s die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Het gaat hierbij om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en water en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".

Het groepsrisico (GR) is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|24

Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m 2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10 -6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties (PR-contour). Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wgvs). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer (Wm). Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd.

Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. Inventarisatie risicobronnen Voor de inventarisatie van de risicobronnen is gebruik gemaakt van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant.

Uitsnede risicokaart Noord-Brabant (plangebied zwart omcirkeld)

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|25

Inrichtingen Binnen of direct grenzend aan het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Vervoer gevaarlijke stoffen Conform het gestelde Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen, paragraaf 5.2.3, hoeven er geen beperkingen aan het ruimtegebruik te worden opgesteld in een gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. De dichtstbijzijnde route voor gevaarlijke stoffen bevindt zich hemelsbreed op circa 5,5 km. Het betreft hier een gasleiding. De gasleiding vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.6

Geluid

Wet geluidhinder Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. In de Wet geluidhinder wordt onderscheid gemaakt tussen verkeers-, industrie- en spoorweglawaai. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van de wet iedere weg in beschouwing te worden genomen, met uitzondering van woonerven en 30 km/uur wegen. De te beschouwen wegen hebben een onderzoekszone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats vinden. De grootte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (binnenstedelijk of buitenstedelijk). Op grond van de Wet geluidhinder bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevels van geluidsgevoelige bestemmingen. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal type objecten aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit zijn: woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen. Onderzoek Vanwege de ligging van het plangebied binnen de geluidzone van de Pastoor de Katerstraat (50 km/uur) is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk.

Door K+ Adviesgroep is een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van de Wet geluidhinder. De rapportage behorende bij dit onderzoek is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Pater de Katerstraat De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 46 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde, waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|26

Molenbaan Ter plaatse van de Molenbaan is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel beschouwd en is ook het toetsingskader van de Wet geluidhinder gehanteerd. In een aantal waarneempunten zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de ‘voorkeursgrenswaard’. De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 53 dB, incl. aftrek artikel 110g, waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde zou liggen wanneer getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze weg worden aangevraagd. Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel. Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Wel wordt geadviseerd maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen.

NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|27

5.7

Geurhinder

Wet geurhinder en veehouderij In het kader van de ruimtelijke procedure dient enerzijds nagegaan te worden of er ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (milieu hygiënische toets) en anderzijds of het planvoornemen leidt tot een belemmering van vergunden rechten van bedrijven in de omgeving. Voor veehouderijen is het geurbeleid vastgesteld in de op 1 januari 2007 inwerking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag maken op een geurgevoelig object (zoals een woning). Daarbij wordt onderscheidt gemaakt tussen de ligging binnen en buiten de bebouwde kom. De Wgv bevat afstandsnormen die in acht moeten worden genomen. In artikel 3 van de wet zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald. Locatie geurgevoelig object Concentratiegebied, binnen bebouwde kom Concentratiegebied, buiten bebouwde kom Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom

Ten hoogste toegestane geurbelasting 3,0 OUe/m3 14,0 OUe/m3 2,0 OUe/m3 8,0 OUe/m3

Op basis van artikel 3.2 Wgv geldt dat de minimumafstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom tenminste 100 meter dient te zijn. Wanneer het geurgevoelig object buitende bebouwde kom is gelegen, dient deze afstand minimaal 50 meter te zijn. Onderzoek Voor de inventarisatie van de veehouderijen is gebruik gemaakt van de kaart ‘Veehouderijbedrijf’ van de provincie Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde actieve veehouderij (Loveren 21) ligt op circa 500 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde richtafstand van minimaal 100 meter binnen de bebouwde kom. Deze veehouderij heeft derhalve geen negatieve invloed op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woning. Andersom vormt de beoogde woning geen belemmering voor de bedrijfsactiviteiten van de veehouderij. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.8

Luchtkwaliteit

De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. De Wet luchtkwaliteit bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|28

Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 μg/m3 40 μg/m3 25 μg/m3

Daarnaast voorziet de Wet luchtkwaliteit in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)’. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate (Besluit NIBM)’ en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De definitie NIBM is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Op grond van de regeling NIBM zijn onder andere woningenbouwprojecten met minder dan 1.500 woning vrijgesteld van toetsing. Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2025 (gegevens 2021) minder dan 10 μg/m³, is de concentratie PM10 in 2025 (gegevens 2021) minder dan 18 μg/m³ en de concentratie NO2 in 2025 (gegevens 2021) gelegen tussen de 10 en 15 μg/m³. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende.

Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. Luchtkwaliteit t.g.v. het planvoornemen Het onderhavige planvoornemen betreft de realisatie van twee woningen. Daarmee ligt het planvoornemen ver onder de gestelde grens van 1.500 woningen. De realisatie van één woning draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een aanvullend onderzoek luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.9

Natuurwetgeving

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn opgegaan in deze wet. Deze nieuwe wet bestaat uit minder regels en is overzichtelijker dan de drie voorgaande wetten. De uitvoering van de Wet natuurbescherming komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. NL.IMRO.0744.BPMolenbnaast2-ON01

Bestemmingsplan Molenbaan naast nr. 2, Baarle-Nassau

|29

Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings-)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van Beschermde Natuurmonumenten uit de Natuurbeschermingswet vervallen. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Nederland en worden dus indirect beschermd. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de minister worden toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving die met ingang van de Wnb niet is veranderd.

In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk. In het natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten PanEuropees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Beschermde planten en dieren De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes: 1. Soorten vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; 3. Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage A van de Wnb.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12300365/1