CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Motivering

Commissie Ruimte en Economie 29 april 2026, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Raadsvoorstel - Vaststelling TAM-IMRO Omgevingsplan verplaatsing Aldi31.409 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Nee, het projectgebied is gelegen binnen de bebouwingscontour voor houtkap waardoor in dit geval geen wettelijke bepalingen voor kappen en herplant gelden. Bezonning / schaduwhinder In het kader van ETFAL in de Nee, gezien de aard en omvang van het (niet zijnde slagschaduw belangenafweging betrokken. project is onacceptabele schaduwhinder windturbines) niet te verwachten. Windhinder In het kader van ETFAL in de Nee, gezien de aard en omvang van het belangenafweging betrokken. project is windhinder of windgevaar niet te verwachten.

54/93

Lichthinder

In het kader van ETFAL wel in de belangenafweging betrokken.

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.

55/93

Nee, binnen de projectlocatie worden geen activiteiten of bouwwerken mogelijk gemaakt met enige vorm van lichtuitstraling (bijvoorbeeld bedrijfsterrein, sportveld of glastuinbouw met assimilatieverlichting), anders dan reguliere straat- en erfverlichting en reclame-uitingen (waar regels voor gelden op basis van het tijdelijk omgevingsplan). Hinder van dergelijke activiteiten is niet te verwachten omdat deze niet in de omgeving voorkomen. Ja, zie paragraaf 3.5.4

Hoofdstuk 4

4.1

Bescherming van gezondheid en milieu

Geluid door wegen en spoorwegen

4.1.1 Inleiding De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de instructieregels, waarden voor geluid

56/93

(immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.1.2 Beoordeling/onderzoek Een supermarkt betreft conform het Bkl geen geluidsgevoelig gebouw. Er hoeft daarom niet aan de geluidnormen getoetst te worden. Wel dient te worden beoordeeld of de beoogde ontwikkelingen zorgen voor een hoorbare toename van de geluidbelasting op de gevel van woningen langs omliggende wegen. Daarvan is sprake indien de geluidbelasting met 2dB toeneemt. Een dergelijke toename zal zich pas voor kunnen doen indien de verkeersintensiteiten op deze wegen met 25% of meer toenemen. In dat geval is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai (uitstralingseffecten) noodzakelijk. In paragraaf 3.5.3.3 zijn de huidige en toekomstige intensiteiten ter plaatse van de ontsluitingsweg met tabel 3.1 inzichtelijk gemaakt. Gezien de intensiteiten en de toevoeging daarvan als gevolg van het planvoornemen, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een toevoeging van meer dan 25% van de verkeersintensiteit. Er is dan ook geen sprake van hoorbare uitstralingseffecten vanwege de toename van de verkeersintensiteiten. 4.1.3 Conclusie Vanwege het voorgaande is het ten aanzien van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen verantwoord om de beoogde functie aan de projectlocatie toe te delen.

4.2

Geluid door activiteiten

4.2.1 Inleiding In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 4.1. Tabel 4.1 Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) LAmax door aandrijfgeluid van -70 dB(A) transportmiddelen LAmax door andere piekgeluiden -65 dB(A) Tabel 4.2 Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten 07.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) LAmax door aandrijfgeluid van -55 dB(A) transportmiddelen LAmax door andere piekgeluiden -45 dB(A)

23.00-07.00 uur 40 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A)

23.00-07.00 uur 25 dB(A) 55 dB(A) 45 dB(A)

Voor een activiteit op een in het omgevingsplan aangewezen bedrijventerrein, kunnen de waarden uit tabel 4.1 met 5 dB worden verhoogd voor geluidgevoelige gebouwen op datzelfde bedrijventerrein. In een omgevingsplan kunnen andere waarden (ook hogere) worden opgenomen als in ieder geval wordt voldaan aan

57/93

de binnenwaarden volgens tabel 4.2. Voor activiteiten buiten het plangebied (zie ook paragraaf 4.7.1) gelden vanuit het omgevingsplan de regels van de Bruidsschat. 4.2.2 Beoordeling/onderzoek Op de projectlocatie wordt geen geluidsgevoelig gebouw gerealiseerd. Daarnaast is de locatie niet gelegen op een gezoneerd bedrijventerrein of industrieterrein met geluidproductieplafond. Zoals ook in paragraaf 4.7 is toegelicht, is geen hinder te verwachten van de activiteiten binnen het projectgebied op de meeste omliggende woningen. Activiteiten waar geluid van afkomstig is zijn het parkeren, installaties bij de supermarkt en het laden en lossen van goederen. Gezien de aard en de omvang van de activiteiten zullen deze niet voor dermate veel geluid zorgen. Omliggende woningen zijn bovendien op meer dan 20 meter gelegen. Enkel de woning aan de Oordeelsestraat 7c is direct naast de locatie gelegen. Aan deze zijde van het plangebied wordt ook de laad- en losplaats voor vrachtwagens gerealiseerd. Om deze reden is een akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd, dat is toegevoegd als bijlage 3.

Uit het onderzoek blijkt voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en de maximale geluidniveaus dat ter plaatse van de woning aan de Oordeelsestraat 7c aan de geluidwaarden volgend uit het Omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau én de standaardwaarden volgend uit het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voldaan. Om dit te bereiken dienen wel enkele maatregelen te worden genomen. Om deze reden is besloten dat geen laden en lossen plaats zal vinden in de nachtperiode. In de regels is dit geborgd in paragraaf 5.2.2. Hier is vastgelegd: a. Het laden en lossen van vrachtwagens is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de laad- en loszone die op de verbeelding van het TAM-omgevingsplan als zodanig is aangeduid; b. Het laden en lossen van vrachtwagens vindt uitsluitend in de dagperiode (07:00 tot 19:00 uur) plaats; c. Het afschermen van de laad- en loslocatie met een muur van 5,8 meter hoog bestaande uit gesloten metselwerk. d. Het realiseren van een geluidscherm bestaande uit een Kokowall van 2 meter hoog. Daarmee is geborgd dat aan de geluidwaarden uit het Omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau en/of de standaard en grenswaarden uit het Bkl zal worden voldaan. 4.2.3 Conclusie Er is geen sprake van ontwikkeling van een gevoelige functie. Daarnaast wordt geen geluidhinder veroorzaakt op omliggende woningen.

Het aspect 'geluid door activiteiten' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3

Bodemkwaliteit

4.3.1 Toetsingskader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

58/93

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico's voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. 4.3.2 Onderzoek Het planvoornemen voorziet in het mogelijk maken van een detailhandelsfunctie in de vorm van een supermarkt. Een supermarkt is niet per definitie een gevoeligere functie dan de huidige bedrijfsvorm.

Aangezien voor de omgevingsvergunning voor het bouwen alsnog een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd, zijn verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd voor zowel de Industrieweg 3/5 als de Oordeelsestraat 7a. Industrieweg 3/5 De resultaten van het bodemonderzoek voor de Industrieweg 3/5 zijn opgenomen in de rapportage die als bijlage 4 bij dit TAM-omgevingsplan is gevoegd. Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is het bepalen van de aard van de heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming. Tevens wordt vastgesteld of de vermoede verontreinigende stof de achtergrondwaarde of het geldend achtergrondgehalte overschrijdt. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk sterk gleyhoudend. De bovengrond is plaatselijk sterk puinhoudend. Verder is de bovengrond plaatselijk zwak baksteenhoudend. Bij de boring 1, 2, 3, 6 en 9 tot en met 15 is een laag volledig puin aangetroffen in de toplaag. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met zink en PCB.

De lichte zinkverontreiniging houdt mogelijk verband met de resten puin, die in de bovengrond aangetroffen zijn. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. Gezien het feit dat het grondwater zich dieper dan 5,0 m -mv bevindt, heeft er conform de NEN 5740 geen grondwateronderzoek plaatsgevonden. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt,

59/93

op basis van de lichte verontreinigingen, bevestigd. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. Het puin is omstreeks 1999 toegepast en kan derhalve als onverdacht (<100 mg/kg d.s.) op het voorkomen van asbest worden beschouwd (conform NEN 5897, kans op aantreffen asbest: nihil, asbest concentratie: <10 mg/kg d.s.). Het uitvoeren van een onderzoek naar asbest in bodem/puin wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De uiteindelijke beslissing hierover ligt bij het bevoegd gezag. Oordeelsestraat 7a De resultaten van het bodemonderzoek voor de Oordeelsestraat 7a zijn opgenomen in de rapportage die als bijlage 5 bij dit TAM-omgevingsplan is gevoegd. Op basis van het onderzoek wordt de vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd, op basis van de lichte verontreinigingen in het grondwater, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. Asbest De eerder aangetroffen puinlaag in het noorden is niet asbest verdacht (rapport 11172.001 d.d. 2 december 2019). Deze puinlaag is niet aangetroffen op de rest van het terrein van de onderzoekslocatie.

Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 is dan ook niet noodzakelijk. Aangezien de houdbaarheid van de verkennende bodemonderzoeken aan de Industrieweg 3-5 is verlopen, is er een nieuw milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd (bijlage 6). Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek wordt geconcludeerd dat op de onderzoekslocatie géén potentiele bron van bodembelasting aanwezig is die in potentie geleid zou kunnen hebben tot een sterke verontreiniging (> Interventiewaarde). 4.3.3 Conclusie De kwaliteit van de bodem staat de bestemmingswijziging niet in de weg. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.

60/93

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Voor NO2 en PM10 geldt als hoogste toelaatbare concentratie 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde. Voor PM2,5 geldt als hoogste toelaatbare concentratie 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats.

Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit' bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter

61/93

toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. 4.4.2 Onderzoek In paragraaf 3.5.3 is berekend dat voor de nieuwe locatie de verkeersgeneratie op een werkdag met koopavond of een weekeinde circa 2.566 mvt/etm bedraagt (excl. saldering met huidige bestemming, dus worst-case). Er vindt bevoorrading plaats door maximaal 3 vrachtwagens per dag, wat daarmee maximaal 6 mvt/etmaal bedraagt. Om eenvoudig en snel te bepalen of het plan in betekende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht, is voor de grootste verkeerstoename de NIBM-rekentool toegepast. Daaruit blijkt het volgende:

Figuur 4.1: Berekening bijdrage planvoornemen m.b.t. NIBM-rekentool (bron: NIBM-tool 14-04-2025) Uit de ingevulde NIBM-rekentool blijkt dat de extra verkeersgeneratie niet in betekende mate bijdraagt (zie conclusie in groen gedeelte van figuur 4.1). Dat betekent dat aanvullend onderzoek in principe niet nodig is. Voor de volledigheid heeft toch aanvullend onderzoek plaatsgevonden aan de hand van de CIMLK viewer. Uit de gegevens van de CIMLK viewer blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden momenteel niet overschrijden. Met de bijdrage van het planvoornemen aan de concentraties stikstofdioxide (0,73 µg/m³) en fijnstof (0,19 µg/m³) zoals weergegeven in figuur 4.2 komt de maximale bijdrage op: Stikstofdioxide: 12,52 + 0,73 = 13,25 µg/m³; Fijnstof: 15,11 + 0,19 = 15,30 µg/m³.

62/93

Figuur 4.2: Uitsnede CIMLK viewer, met het projectgebied rood omcirkeld en links de toetspunten aan het wegdeel 'Alphenseweg' (Bron: CIMLK viewer) Tabel 4.3: Waarden CIMLK Toetspunt: Naamloos (locatie Alphenseweg, Baarle-Nassau: x: 123651.545233164 y: 384329.820467553) Monitoringsronde: 2023 Monitoringsjaar NO2-concentrati PM10-concentrat PM10-overschrijdingsdage PM2,5-concentratie e ie n 2025 12,52 µg/m³ 15,11 µg/m³ 6 8,54 µg/m³ 2030 10,39 µg/m³ 14,05 µg/m³ 6 7,53 µg/m³ Ten hoogst toelaatbaar 40 µg/m³ 40 µg/m³ 35 25 µg/m³ (art. 2.4 en 2.5 Bkl) kalenderjaargem kalenderjaargem dagen per kalenderjaar kalenderjaargemiddel iddelde iddelde de Geconcludeerd wordt dat de bijdrage dermate gering is dat nog ruimschoots aan de normen van 40 µg/m³ en 25 µg/m³ zoals weergegeven in tabel 4.3 wordt voldaan. 4.4.3 Conclusie Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat de functiewijziging niet in de weg.

4.5

Geur

4.5.1 Wettelijk kader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de

63/93

aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor.

De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandeisen Randvoorwaarden 4.5.2 Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Ook wordt niet voorzien in een geurgevoelig object. 4.5.3 Conclusie Vanwege het voorgaande is het ten aanzien van het aspect geur verantwoord om de beoogde functie aan de projectlocatie toe te delen.

4.6

Trillingen

4.6.1 Wettelijk kader Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

64/93

4.6.2 Toetsing In de nabije omgeving van het projectgebied liggen geen grote wegen, spoorwegen of industrie waar trillingen voor hinder kunnen zorgen binnen het projectgebied. 4.6.3 Conclusie Vanwege het voorgaande is het ten aanzien van het aspect trillingen verantwoord om de beoogde functies aan de projectlocatie toe te delen.

4.7

Milieubelastende activiteiten

4.7.1 Toetsingskader Binnen het omgevingsplan en bij het wijzigen of afwijken van het omgevingsplan moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Hierbij is milieuzonering één van de te beschouwen aspecten. Bedrijventerreinen zijn in het tijdelijke deel van het omgevingsplan veelal gereguleerd volgens de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering (2009); het ruimtelijke spoor. Op basis van een SBI-code kan worden bepaald welke milieucategorie een bedrijf heeft. Als de bij deze milieucategorie behorende richtafstand in acht wordt genomen, geeft dit een goede indicatie of het bedrijf geen onaanvaardbare hinder veroorzaakt bij een woning. Daarnaast gelden de geluidnormen uit de bruidsschat, voorheen het Activiteitenbesluit milieubeheer (het milieuspoor). De Omgevingswet brengt het ruimtelijke en milieuspoor bijeen. Dit is voor de VNG aanleiding geweest om de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering (2009) te herzien. De nieuwe VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering is het resultaat van deze herziening. Bij toepassing van de nieuwe handreiking krijgen bedrijven een beperkte milieugebruiksruimte toebedeeld. De nieuwe handreiking is nadrukkelijk bedoeld voor het reguleren van bedrijfsmatige activiteiten op een nieuw bedrijventerrein of het omzetten van een bedrijventerrein naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.

Voor overige situaties kan de nieuwe handreiking niet worden gebruikt. Net als de oude handreiking is de nieuwe handreiking geen wettelijk verplicht document. Toepassing ervan is een keuze. Aangezien de ontwikkeling wordt gerealiseerd op een bestaand bedrijventerrein dat is gereguleerd volgende de oude handreiking, heeft de nieuwe handreiking geen functie. Om een eerste indicatie te krijgen van de passendheid van een functie kunnen de richtafstanden gebruikt worden uit de oude handreiking. Indien niet afdoende een beeld kan worden gekregen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat en of functies niet worden gehinderd, dient nader onderzoek plaats te vinden.

65/93

4.7.2 Onderzoek Op de locatie aan de Industrieweg/Oordeelsestraat wordt een supermarkt mogelijk gemaakt. De omgeving van de locatie kan worden gekenmerkt als omgevingstype 'gemengd gebied met wonen' door de aanwezigheid van zowel woonfuncties als bedrijfsfuncties. In de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009) wordt voor een supermarkt het volgende aangegeven:

Figuur 4.3: Lijst met richtafstanden VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009) Onder de Omgevingswet zijn voornamelijk de aspecten 'geluid' en 'geur' van belang in het kader van milieuzonering. Voor een supermarkt, die als bedrijfsactiviteit valt onder categorie 1, geldt voor geluid als richtafstand 10 meter en voor geur 0 meter. Aangezien het omgevingstype als 'gemengd gebied met wonen' getypeerd kan worden, kan de richtafstand met één stap worden verlaagd ten opzichte van een rustige woonwijk, omdat er al sprake is van een hogere milieubelasting door een matige tot sterke functiemenging. Daardoor is de grootste richtafstand 0 meter. Daarmee kan verondersteld worden dat de activiteit in veel gevallen geschikt zal zijn om zich te vestigen in het gebiedstype 'gemengd gebied met wonen'. Daardoor kan ervan uitgegaan worden dat de activiteiten geen hinder veroorzaken op het gebied van geur en geluid op de gevoelige functies in de omgeving, de woningen aan de Industrieweg en de bedrijfswoning aan de Oordeelsestraat 7c. Ook omdat in de huidige situatie conform het vigerende bestemmingsplan bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan behorende tot categorie 2. Deze activiteiten hebben als grootste richtafstand 30 meter. Voor de volledigheid is het aspect geluid nog nader beschouwd.

In de toekomstige situatie liggen de parkeerplaatsen op een afstand van minimaal 20 meter van geluidgevoelige objecten. Ook de ontsluiting van het parkeerterrein van de nieuwe supermarkt ligt op deze afstand. Van een onaanvaardbare geluidbelasting als gevolg van het parkeren (rijden, slaan van portieren en menselijk stemgeluid) is geen sprake. De op- en afrit van het parkeerterrein is gelegen tegenover de autogarage A. de Jong. Hier is momenteel ook de op- en afrit van het voormalige bedrijf LION gesitueerd. De situering van de op- en afrit zal dan ook geen nadelige gevolgen hebben voor de woningen aan de Industrieweg 4 en 6. De uitrit van het laad- en losperron is gesitueerd aan de oostzijde van de supermarkt. De laad- en losplaats is aan de noordzijde gepositioneerd en wordt ontsloten via de bestaande inrit aan de Industrieweg. Daarmee wordt zo veel mogelijk afstand tot de woning aan de Oordeelsestraat 7c aangehouden. De bebouwing zorgt daarbij voor een afschermende werking. Omdat sprake is van een relatief korte afstand tussen de laad- en losplaats en de woning (minder dan 10 meter) is aanvullend een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd om te verzekeren dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Hieruit blijkt dat, met het nemen van enkele maatregelen, de waarden op de woning zullen voldoen aan de maximaal toegestane geluidniveaus (zie paragraaf 4.2.2).

66/93

De nieuwe supermarkt is geen milieugevoelige functie en wordt derhalve niet belemmerd door de aanwezigheid van de overige bedrijven op het bedrijventerrein. Andersom worden de bedrijven ook niet beperkt in hun bedrijfsvoering aangezien er geen milieugevoelig object wordt gerealiseerd. 4.7.3 Conclusie In de omgeving van het plangebied zijn geen milieugevoelige functies aanwezig die een belemmering kunnen zijn voor de beoogde vestiging van de supermarkt. Omgekeerd is een goed woon- en leefmilieu ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen geborgd. Aan de geldende richtafstanden kan worden voldaan. Vanwege de korte afstand tot de woning aan de Oordeelsestraat 7c is aanvullend ene akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat, met het nemen van enkele maatregelen die zijn verankerd in de regels van dit TAM-omgevingsplan, de waarden op de woning aan de Oordeelsestraat 7c zullen voldoen aan de maximaal toegestane geluidniveaus. Daarmee is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Bestaande bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Het aspect milieuhinder vormt hierdoor geen belemmering voor de vaststelling van het TAM-omgevingsplan.

4.8

Gezondheid

4.8.1

Wettelijk kader

Eén van de doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Gezondheidsbescherming Een deel van de in dit hoofdstuk beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Dit betreffen onder andere bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder en geurhinder. Gezondheidsbevordering Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. In het Bkl zijn ook nog andere onderwerpen opgenomen die een relatie hebben met gezondheid, zoals de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een handicap (artikel 5.162 Bkl). 4.8.2 Toetsing Gezondheidsbescherming Een deel van de omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Gelet op de gestelde normen zijn er voor geen enkel omgevingsaspect (bijv.

bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, geurhinder, omgevingsveiligheid) belemmeringen voor ontwikkeling van een supermarkt op de projectlocatie.

67/93

Gezondheidsbevordering Met de ontwikkeling van de Aldi op de nieuwe locatie, wordt het mogelijk een nieuwe winkel te realiseren passend bij het toekomstgerichte concept van Aldi. Er is meer ruimte voor de winkel en een goed georganiseerde logistiek en parkeren met minder/geen overlast naar de omgeving. Gezondheid is bij Aldi belangrijk. Het bedrijf ziet het als haar verantwoordelijkheid om betaalbare, verantwoorde en gezonde voeding voor iedereen toegankelijk te maken. Hierbij richten ze zich in het bijzonder op gezinnen met (jonge) kinderen. Bij Aldi zijn ze ervan overtuigd dat gezond eten mogelijk moet zijn voor iedereen. Daarom hebben ze doelen gesteld om het assortiment te verbeteren en het duidelijker te maken voor haar klanten wat gezond en ongezond is. Hierbij hanteren ze in Nederland als definitie van ‘gezond’ de Schijf van Vijf. De ontwikkeling maakt het mogelijk om met meer ruimte en een beter in te delen supermarkt, om meer in te zetten op het aanbieden van gezonde producten. Aan de westzijde van het nieuwe pand is ruimte gereserveerd voor de nieuwe ANIKo 2.0 formule. In deze nieuwste formule wordt vooraan in de winkel een versafdeling gerealiseerd. ALDI heeft een uitgebreide en overzichtelijke versafdeling met verse groenten en fruit en panklare, voorgesneden groenten. Ook de verse vleeswaren liggen vooraan in de winkel.

In de open bakkerij wordt het verse brood vanuit de bakkerij gepresenteerd. 4.8.3 Conclusie Met de planontwikkeling gezondheidsbevordering.

68/93

wordt

een

bijdrage

geleverd

aan

gezondheidsbescherming

en

Hoofdstuk 5

5.1

Bescherming van de waterbelangen

Water

5.1.1 Beleidskader Een omgevingsplan moet ook worden getoetst aan de instructies van de omgevingsverordening van het waterschap en de provincie. De waterbeheerder voor deze locatie is waterschap Brabantse Delta. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Voor dit omgevingsplan geldt: Bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; Waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Aanvullende instructieregels: Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels.

Deze zijn: Bescherming van primaire waterkeringen, artikel 5.38 Bkl; Behoud waterveiligheid grote rivieren, artikel 5.46 van het Bkl; Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwantiteits en -kwaliteitsbeheer) in het projectgebied. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. In dit waterbeheerprogramma richt het waterschap die koers vooral op duurzaamheid en het beperken van de gevolgen van de klimaatverandering. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'Hydrologische uitgangspunten bij Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen, 2015'.

69/93

De gemeente heeft haar beleid vastgelegd in het 'Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025'. Hierin wordt de lijn van het waterschap gevolgd. Kern van het beleid is dat voor alle ruimtelijke ontwikkelingen (zowel nieuwbouwinitiatieven als inbreidingen) niet mogen leiden tot een versnelde afvoer op het oppervlaktewatersysteem (“hydrologisch neutraal”). Het effect van de toename van het afvoerend verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk worden gecompenseerd via infiltratie- en/of retentievoorzieningen. De voorkeursvolgorde voor het omgaan met hemelwater is 'vasthouden, bergen, afvoeren'. Het beleid richt zich vooral op de perceeleigenaar of ontwikkelaar, daar ligt immers de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater. Voor toename in verhard oppervlak geldt een bergingseis van 78 mm per m2. Bij verbouwing zonder vergroting van verhard oppervlak geldt een bergingsnorm van minimaal 7mm per m2. 5.1.2 Huidige situatie In de huidige situatie is het perceel waar de nieuwe supermarkt wordt gevestigd, 100% verhard met uitzondering van de tuin bij de bedrijfswoning aan de Oordeelsestraat 7a. In totaal omvat het verhard oppervlak (bebouwing en verharding) in de huidige situatie circa 5.056 m2. In de huidige situatie is geen sprake is van (regelmatige) wateroverlast. Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op een gescheiden rioolstelsel.

Het vuilwater en regenwater moet dan ook gescheiden worden aangeleverd in de nieuwe situatie. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied of in de nabijheid van een natte ecologische verbindingszone. 5.1.3

Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie worden binnen het plangebied de nodige groenvoorzieningen aangelegd. Het gaat hierbij voornamelijk om groenstroken aan de randen van het perceel en rondom de parkeerplaatsen. In de nieuwe situatie zal daardoor sprake zijn van een vermindering van het verhard oppervlak ten opzichte van de bestaande situatie. In totaal omvat het verhard oppervlak (bebouwing en verharding) in de nieuwe situatie circa 5.040 m2. Echter, in het kader van de klimaatverandering en de duurzaamheidsprincipes waar het nieuwe gebouw aan zal voldoen, is het zeer wenselijk om op een duurzame en klimaatbestendige wijze om te gaan met het hemelwater. Conform de huidige wet- en regelgeving wordt de nieuw aan te leggen verharding (terreinverharding en bebouwing) voorzien van een hemelwaterafvoer. De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse een hemelwaterberging te realiseren. Dit om de waterhuishouding ter plaatse te ontlasten en tegemoet te komen aan de duurzaamheidsprincipes. Voor het aanpassen van verhard oppervlak geldt een bergingseis van minimaal 7 mm voor het vervangende oppervlak en 78 mm bij toename van het verhard oppervlak. Dat laatste, toename van verhard oppervlak, is binnen het plangebied niet van toepassing. Om er zeker van te zijn dat voldaan wordt aan de bergingseisen, is dit geborgd in de regels (zie artikel 5.2.2).

Om een idee te geven wat de omvang van de waterberging zal worden: Er is enkel sprake van circa 5.040 m2 vervangend verhard oppervlak (verhard oppervlak neemt niet toe). Daarmee dient op basis van deze opzet minimaal 5.040 x 0,007 = 35,28 m3 aan waterbergingscapaciteit gerealiseerd te worden. Binnen het plangebied zijn ruim voldoende mogelijkheden om deze omvang aan bergingsvoorziening aan te leggen (bijvoorbeeld onder de parkeerplaatsen). Hier wordt nader invulling aan gegeven bij de verdere uitwerking van het bouwplan. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van het oppervlakte- en grondwater worden duurzame, niet-uitloogbare materialen gebruikt, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

70/93

Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Hoogteligging Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN), bevindt het maaiveld zich gemiddeld op een hoogte van 27,0 m +NAP. Bodem De originele bodem bestaat, volgens de bodemkaart van Nederland, uit een hoge zwarte enkeerdgrond (zEZ23), die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit lemig fijn zand. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Stramproy. Op basis van een op locatie uitgevoerde bodemonderzoeken (bijlage 4 en bijlage 5) blijkt de bodem overwegend te bestaan uit matig tot sterk siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is tot maximaal 1,0 meter beneden maaiveld bovendien zwak humeus. In de diepere ondergrond kunnen leemlaagjes voorkomen. Lokaal is tussen 2,5 tot 3,5 meter beneden maaiveld een zwak zandige kleilaag aangetroffen. Waterdoorlatendheid Ondanks de aangetroffen bodemopbouw en textuur wordt verwacht dat maatregelen genomen moeten worden om de grond doorlatend te maken, ook op grotere diepte. Het grondwater is wel diep genoeg gelegen. Om meer inzicht te krijgen in de lokale geohydrologische omstandigheden en watervoerendheid van voorkomende bodemlagen zal nog een in-situ infiltratieonderzoek worden uitgevoerd.

Grondwater Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand). De gemeente Baarle-Nassau heeft zelf geen informatie beschikbaar over de lokale grondwaterstand(en) of - fluctuatie. Ook binnen de beschikbare literatuur zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen bruikbare grondwaterpeilbuizen beschikbaar. Voor de bepaling van de locatie specifieke grondwaterkarakteristieken (GHG en GLG) is gebruik gemaakt van standaard viewers. Op basis van gegevens uit de KlimaatEffectAtlas (KEA) is de GHG dieper gelegen dan 2,5 meter beneden maaiveld. Vooralsnog wordt ingeschat dat de GHG kan worden verwacht op een diept van 24,0 m +NAP. Hiermee zou de GHG op ca. 3,0 meter beneden maaiveld kunnen liggen. Zeer waarschijnlijk zal de GHG ten opzichte van bestaand maaiveldniveau dieper liggen. Ten tijde van de uitgevoerde bodemonderzoek ter plaatse van de locatie gelegen aan de Industrieweg 3-5 is op 19 november 2019 tot op een diepte van 5,0 meter beneden maaiveld geen grondwater aangetroffen. Bij de uitvoering van het bodemonderzoek op de Oordeelsestraat 7a is op 11 juni 2021 een grondwaterstand gemeten op 4,50 meter beneden maaiveld.

Oppervlaktewater Er is in de directe nabijheid van het plangebied geen oppervlaktewater gelegen. Veiligheid (waterkering)

71/93

Het plangebied ligt niet in een kern- of beschermingszone van een waterkering. 5.1.4 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

72/93

Hoofdstuk 6

6.1

Waarborgen van de veiligheid

Omgevingsveiligheid

6.1.1 Toetsingskader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

73/93

6.1.2 Onderzoek Met dit project wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Wel wordt een kwetsbaar gebouw (winkelfunctie) mogelijk gemaakt. Daarom is het van belang om af te wegen of ten aanzien van de winkel een voldoende veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico's. Met behulp van de kaart 'Externe veiligheid' (figuur 6.1) kan in beeld worden gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van het projectgebied bevinden. Daarbij wordt gekeken naar risicovolle inrichtingen, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Figuur 6.1: Uitsnede kaart veilige omgeving (Bron: Atlas leefomgeving) Uit de kaart blijkt dat binnen het plangebied een risicobron aanwezig is aan de Industrieweg 5 in de vorm van een propaantank van 13 m³. Deze risicobron wordt ter plaatse echter weggenomen door de herontwikkeling van de locatie ten behoeve van de nieuwe supermarkt. Daarmee komen de risicocontour en het plaatsgebonden risico te vervallen. Ten zuiden van deze locatie, op ruim 120 meter afstand van het plangebied, is nog een risicovolle inrichting aanwezig aan de Smederijstraat 5. Dit is een risicovol bedrijf gezien de ethanoltank van 35 m³ binnen de inrichting. De risicocontour is hier echter gelegen op de inrichtingsgrens. De risicocontour van de betreffende tank heeft een diameter van 15 meter en ligt binnen de inrichtingsgrens. De plaatsgebonden risicocontour voor dit bedrijf is generiek. Het plangebied valt buiten alle risicozones van dit bedrijf.

74/93

In de nabijheid van de locatie zijn geen ondergrondse leidingen aanwezig die een risicobron op het gebied van externe veiligheid vormen. Ook zijn er geen transportroutes aanwezig die vallen onder het basisnet. Tot slot zijn er verder geen overige externe bronnen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor het planvoornemen. Het planvoornemen voorziet ook niet in de realisatie van een bijzonder of zeer kwetsbaar object. Daarom kan worden volstaan met de standaard verantwoording groepsrisico van de gemeente Baarle-Nassau waarin ook het standaard advies 2019 van de Brandweer Midden- en West-Brabant en van de veiligheidsregio is verwerkt. Zowel het standaard advies Externe Veiligheid 2019 als de standaard Verantwoording groepsrisico 2018 zijn van toepassing. Een onderdeel van het standaard advies van de brandweer betreft de opkomsttijd. De opkomsttijd voor een winkelfunctie is vastgesteld op 12 minuten. De beoogde locatie van de Aldi bevindt zich op een goed bereikbare locatie. Extra maatregelen zijn dan ook niet nodig. Tevens is het plangebied vanuit vier richtingen goed bereikbaar. Daarnaast voldoen de wegen rondom de beoogde locatie van de Aldi aan de CROW 165. Nabij de locatie is een Waarschuwings- en alarmeringsinstallatie (hierna: WAS) gesitueerd. Er is dan ook voldoende dekking en daarnaast is NL Alert ter plaatse operationeel.

Op het bedrijventerrein zijn tot slot voldoende adequate bluswatervoorzieningen aanwezig die voldoen aan de richtlijnen van de brandweer. 6.1.3

Conclusie

De beoogde locatie van de Aldi is niet gelegen binnen plaatsgebonden risicocontouren of aandachtsgebieden. Gelet op de ruime afstand zal de beoogde ontwikkeling niet van relevante invloed zijn op de hoogte van het groepsrisico. Daarnaast worden de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van de beoogde locatie van de Aldi als voldoende beschouwd.

75/93

Hoofdstuk 7 Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

7.1

Cultureel erfgoed

Cultureel erfgoed omvat archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap en dergelijke. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van een rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Ow opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart.

Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. 7.1.1 Cultuurhistorie Om de eventueel aanwezige cultuurhistorische elementen in en nabij het plangebied te inventariseren is de Cultuurhistorische Waardenkaart (hierna: CHW) van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Op basis van deze kaarten wordt geconcludeerd dat binnen het plangebied enkele cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn: Historische stedenbouw; Indicatieve Archeologische waarden; Regio (provinciaal cultuurhistorisch belang). Het planvoornemen heeft geen invloed op de historische stedenbouw, de huidige bebouwing ter plaatse van de beoogde locatie is ook binnen deze aanduiding gelegen en heeft geen (cultuur)historische waarde. De aanduiding 'Historische Stedenbouw' heeft met name betrekking op de nederzetting met Belgische en Nederlandse enclaves. Het planvoornemen heeft hier indirect invloed op omdat met de ontwikkeling een bijdrage wordt geleverd aan het instandhouden van (de leefbaarheid binnen) de kern Baarle-Nassau. Hetzelfde geldt voor de regio waarbinnen het plangebied hier is gelegen.

Ten aanzien van de ligging in een gebied met indicatieve archeologische waarden wordt verwezen naar de

76/93

volgende paragraaf.

Figuur 7.1: uitsnede CHW provincie Noord-Brabant (met plangebied blauw omlijnd) Het plangebied is daarnaast gelegen binnen een molenbiotoop. Het gaat om de bestaande romp van de korenmolen 'De Wachter' aan de Alphenseweg 6. Het is geen werkende molen meer, maar de romp is wel planologisch beschermd als gemeentelijk monument. De molenbiotoop is niet planologisch verankerd. Wel is het wenselijk rekening te houden met de belevingswaarde van een open gebied met lage bebouwing rondom de molen. De bebouwing wordt gerealiseerd op een afstand circa 90 meter en krijgt een maximale hoogte van 6,5 meter. Gezien de afstand tot de overblijfselen van de molen, de tussenliggende bebouwing en het gegeven dat het nieuwe gebouw een maximale hoogte heeft van 6,5 meter, worden cultuurhistorische waarden van de molen niet aangetast. De Alphenseweg en de Oordeelsestraat zijn twee oude wegen (van voor 1832). Deze wegen zijn historische wegen van redelijke hoge waarde. De wegen zijn niet binnen het projectgebied gelegen. Het nieuwe gebouw wordt op voldoende afstand van de wegen gerealiseerd. Daardoor vindt geen aantasting van de waarden plaats. 7.1.2 Archeologie De gemeente Baarle-Nassau heeft de 'Nota Archeologie' vastgesteld.

In combinatie met de archeologische beleidskaart vormt deze het beleidsinstrumentarium voor de gemeente om haar wettelijke taak als bevoegde overheid voor archeologie uit te kunnen voeren. De gemeente heeft in haar beleidskaart een 6-tal categorieën met bijbehorende verwachtingen opgenomen. Deze variëren van een zeer hoge tot een verwaarloosbare archeologische verwachting. Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek zijn. Industrieweg 3-5 en Oordeelsestraat

77/93

Figuur 7.2: Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau, plangebied Industrieweg 3-5 en Oordeelsestraat 7a Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau is het plangebied ter plaatse van de Industrieweg 3-5 en de Oordeelsestraat 7a onderdeel van de randzone van de historische kern. Binnen deze gebieden geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m². De gronden zijn echter grotendeels verstoord tijdens de bouw van de huidige bebouwing. Het is echter niet mogelijk om door middel van historische informatie aan te tonen dat de gronden inderdaad geroerd zijn. Ten behoeve van het planvoornemen is dan ook een Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor de percelen aan de Industrieweg 3 en 5. De rapportage van het archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek is opgenomen in bijlage 7. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Het vooronderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft voor, met name, grondsporen uit de periode Neolithicum – Middeleeuwen.

Deze sporen worden onder een plaggendek verwacht, op een diepte van 70 tot 150 cm –mv. Daarnaast worden onder een subrecent ophoogpakket van 30 tot 60 cm dik sporen van landgebruik (m.n. greppels/sloten) uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd verwacht. Deze sporenniveaus worden bedreigd door de voorgenomen nieuwbouw. Omdat bij de voorgenomen nieuwbouw mogelijk aanwezige archeologische waarden worden bedreigd, is vervolgonderzoek noodzakelijk om vast te stellen of er daadwerkelijk archeologische waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft dan ook besloten om een inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase verplicht te stellen. Dit onderzoek heeft tot doel vindplaatsen op te sporen, te begrenzen en te waarderen.

78/93

Omdat voornamelijk grondsporen worden verwacht, kan dit onderzoek het best worden uitgevoerd als een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Er zal dan ook eerst een proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd voordat werkzaamheden in de bodem plaatsvinden. Bovengronds is het reeds toegestaan om te slopen. Het perceel aan de Oordeelsestraat 7a zal ook worden meegenomen in het proefsleuvenonderzoek. Tot die tijd blijft, conform het "Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023", de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' ter plaatse gelden. Het proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd op basis van het door de bevoegde overheid, de gemeente Baarle-Nassau, goedgekeurde Programma van Eisen (zie bijlage 8). Stationsstraat 29

Figuur 7.3: Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau, plangebied Stationsstraat 29 Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau is het plangebied ter plaatse van de Stationsstraat 29 onderdeel van het gebied dat is aangewezen als 'Archeologisch monument, niet beschermd'. Binnen deze gebieden geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 50 m² en dieper dan 40 centimeter t.o.v. het maaiveld. Het planvoornemen voorziet ter plaatse uitsluitend in een functiewijziging. Het gebruik van het betreffende pand als supermarkt wordt namelijk uitgesloten. Er zijn geen bouwkundige wijzigingen voorzien en ook geen grondwerkzaamheden. Wel zal, conform "Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023", ter plaatse de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' worden opgenomen om de eventueel aanwezige archeologische waarden voor de toekomst te beschermen. Conclusie Het plangebied aan de Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a kan nog niet archeologisch worden vrijgegeven. Er dient een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd, voordat werkzaamheden in de bodem plaatsvinden. In dat kader blijft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' ter plaatse gehandhaafd. Ook de locatie aan de Stationsstraat kan archeologisch niet worden vrijgegeven. Hier is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'

79/93

opgenomen.

7.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

7.2.1 Wettelijk kader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.

Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving. Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 7.2.2 Toetsing Aangezien onderhavig planvoornemen is voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied dient uitsluitend aangetoond te worden of er behoefte bestaat. In het Ruimtelijke Economisch Onderzoek (REO) zoals opgenomen in bijlage 2 (en paragraaf 2.2.2) bij deze toelichting is aangetoond dat er behoefte bestaat aan de betreffende verplaatsing en vergroting van de supermarkt.

Daarnaast is een uitgebreide locatieafweging (bijlage 4 van het REO) gemaakt waaruit deze locatie in Baarle-Nassau het meest geschikt is gebleken. In het REO is tevens ingegaan op de regionale effecten bij verplaatsing van de Aldi, met name op het aanbod in de naastgelegen kernen Alphen en Chaam. In paragraaf 2.2.3 is de conclusie opgenomen. Geconcludeerd wordt dat de uitbreiding van Aldi geen onevenredige effecten heeft op het dagelijks winkelaanbod in Baarle-Nassau, Alphen en Chaam. 7.2.3 Conclusie De ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

80/93

7.3

Bezonning en privacy

7.3.1 Wettelijk kader Nieuwbouw kan zorgen voor toename van schaduw op omliggende panden, wat kan zorgen voor een negatieve impact op het woongenot. Het Bkl bevat geen instructieregels voor bezonning dan wel schaduwhinder. Gemeenten kunnen hier beleid voor vaststellen. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden onderbouwd dat er bij een nieuwe ontwikkeling geen sprake is van onevenredige gevolgen voor de bezonningssituatie ter plaatse van omliggende woningen. 7.3.2 Toetsing Bezonning De realisatie van de nieuwbouw van de Aldi aan de Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a is voorzien ter plaatse van het bestaande bedrijventerrein Baarle-Nassau. Aangrenzend is een bedrijfswoning gesitueerd op de locatie Oordeelsestraat 7c. Allereerst voorziet het huidige omgevingsplan in de mogelijkheid om ter plaatse gebouwen te realiseren met een bouwhoogte van 10 meter. Daarbij geldt op basis van het geldende bestemmingsplan dat de afstand van gebouwen tot de erfgrens minimaal 3 meter moet bedragen. Ter plaatse van de Industrieweg 5 is daar echter op basis van de verleende vergunning eerder al van afgeweken en is bebouwing op de erfgrens toegestaan. Het nieuwe gebouw wordt slechts maximaal 6,5 meter hoog en wordt gerealiseerd aan de noord- en westzijde van de bestaande bedrijfswoning aan de Oordeelsestraat 7c.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16805972/1