CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Motivering

Commissie Ruimte en Economie 29 april 2026, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Raadsvoorstel - Vaststelling TAM-IMRO Omgevingsplan verplaatsing Aldi31.409 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

De afstand tussen de nieuwe bebouwing en de perceelsgrens bedraagt in de nieuwe situatie minimaal 2,5 meter. Gezien het feit dat de bouwhoogte lager wordt dan in de bestaande situatie is toegestaan en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2,5 meter is, heeft het planvoornemen geen gevolgen voor de privacy of bezonning op de naburige percelen. Er is zelfs sprake van een verbetering aangezien de toegestane (niet de feitelijke) bouwhoogte wordt verlaagd. Privacy Om de privacy ter plaatse van de aangrenzende percelen van de bedrijfswoning te waarborgen zijn in de nieuwe winkel geen ramen voorzien ter hoogte van de percelen die in gebruik zijn als tuin. 7.3.3 Conclusie Bezonning vormt geen belemmering voor het projectvoornemen.

81/93

7.4

Toegankelijkheid openbare buitenruimte

7.4.1 Wettelijk kader In artikel 5.162 van het Bkl is bepaald dat als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in dat omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. 7.4.2 Toetsing Dit project gaat gepaard met de aanleg van een parkeerterrein. Dit parkeerterrein is te bereiken vanaf de Industrieweg. Deze parkeerplaatsen zijn enkel bedoeld voor de bezoekers van de supermarkt. Er is voldoende ruimte om veilig te parkeren en naar de supermarkt te lopen. De locatie is ook goed te bereiken met de fiets en te voet. Vanaf de rotonde in het noordoosten kan een fietser direct het terrein op en de fiets stallen bij de supermarkt. In en naar het projectgebied zijn diverse voetpaden aanwezig. Voor mindervaliden zijn parkeerplaatsen gereserveerd direct naast de supermarkt. Binnen het projectgebied wordt rekening gehouden met personen met een functiebeperking door zo min mogelijk obstakels toe te voegen. 7.4.3 Conclusie Gelet op het voorgaande is het project niet in strijd met de instructieregels ten behoeve van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte.

82/93

Hoofdstuk 8 8.1

Natuurbescherming

Inleiding

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

8.2

Gebiedsbescherming

8.2.1 Beleid/toetsingskader Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.

De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Houtopstanden Mocht de activiteit gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld buiten stedelijk gebied), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen.

83/93

8.2.2 Toetsing Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Wel is in de omgeving van het plangebied een aantal Natura 2000-gebieden gesitueerd: Regte Heide & Riels laag op een afstand van 6,6 kilometer; Kempenland West op een afstand van 10,2 kilometer. Op grond van de Omgevingswet is het verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen uit te voeren die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De sloop van de bestaande panden aan de Industrieweg 3 en 5 en de Oordeelsestraat 7a alsmede de realisatie van de nieuwe Aldi supermarkt en daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie zouden kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in de omgeving. Met het programma AERIUS Calculator is een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Omgevingswet. De berekeningsresultaten zijn verwerkt in de memo in bijlage 9 van deze toelichting. De aanlegfase is weergegeven in bijlage 10 en de gebruiksfase is te vinden in bijlage 11.

Uit berekeningen voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000-gebied. Voor projecten die niet leiden tot een toename van depositie is geen Natuur-vergunning nodig. Het projectgebied is gelegen binnen de bebouwingscontour houtkap, waardoor de rijksregels vanuit het Bal niet van toepassing zijn. 8.2.3 Conclusie Uit onderhavige motivering moet blijken of het planvoornemen haalbaar is. De afstand tot stikstofgevoelige natuurgebieden is dermate groot dat deze ontwikkeling geen invloed heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van die gebieden. Dat is bevestigd door de uitgevoerde AERIUS-berekeningen.

8.3

Soortenbescherming

8.3.1 Beleid/toetsingskader Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

84/93

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 8.3.2 Toetsing In 2019 is verkennend onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van en negatieve effecten op beschermde planten- en diersoorten ter plaatse van en direct rond de Industrieweg 3, 3a, 5 te Baarle- Nassau (Meer, van der, 2019). Dit verkennend onderzoek is aangevuld in 2022 voor de Oordeelsestraat 7a te Baarle-Nassau (Adviesbureau Mertens, 2022). Vervolgens is in 2020 een aanvullend onderzoek naar het voorkomen van steenmarters en vleermuizen uitgevoerd (Bouwmans, 2020). Uit dit vervolgonderzoek kwam naar voren dat er verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis waren in dit gebied. Daarom is ontheffing van de voormalige Wet natuurbescherming aangevraagd en verkregen (besluit 7 oktober 2021 met kenmerk Z/143798). Op grond van deze ontheffing zijn vleermuiskasten geplaatst. Op basis van de uitgevoerde ecologisch onderzoeken, genomen mitigerende maatregelen en de verkregen ontheffing, kon de voorgenomen ontwikkeling plaatsvinden.

In de Omgevingsregeling (art 7.197j lid 2 b OR) is echter bepaald dat de jongste gegevens in een natuurwaardenonderzoek niet ouder mogen zijn dan drie jaar. De bovenstaande onderzoeken zijn derhalve gedateerd. Om die reden is nieuw ecologisch onderzoek opgestart. Er is een nieuwe quickscan voor beschermde planten- en diersoorten uitgevoerd voor het volledige plangebied (bijlage 12). Hieruit blijkt het volgende: In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels in het opgaand groen rond de opstallen is het noodzakelijk om de werkzaamheden zo vorm te geven dat broedende vogels niet negatief worden beïnvloedt (bijvoorbeeld vogelverschrikkers gebruiken, rooien opgaand groen buiten broedseizoen). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Omgevingswet worden overtreden. Er een kans op het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen (zomer- en winterverblijfplaatsen) in de opstallen in en rond het plangebied. In 2020 zijn verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis vastgesteld. Negatieve effecten op vleermuizen kunnen dan ook niet worden uitgesloten omdat er opstallen gesloopt gaan worden. Binnen het plangebied wordt de bestaande beplanting mogelijk geheel of gedeeltelijk verwijderd (hagen en enkele bomen) om de ontwikkeling te kunnen realiseren.

Deze beplanting betreft geen beschermde flora, zoals blijkt uit bijgevoegde quickscan flora- en fauna (bijlage 12). Gegevens over het voorkomen van beschermde diersoorten zijn maximaal drie jaar geldig. Het veldonderzoek is derhalve gedateerd en dient geactualiseerd te worden. Hierbij dient tevens het onderzoek naar de steenmarter geactualiseerd te worden omdat naar de steenmarter in 2020 ook gericht onderzoek is uitgevoerd. Inmiddels heeft een veldonderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van vleermuizen en de steenmarter. De rapportage van dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 13. Uit de resultaten van het onderzoek komt naar voren dat rond de opstallen gewone dwergvleermuizen vliegen en foerageren. De vleermuizen komen voor in lage dichtheid in de (ruime) omgeving van de panden. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn geen steenmarters

85/93

aangetroffen ter plaatse van en direct rond het plangebied. Er zijn daarnaast twee verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis (twee x drie dieren) vastgesteld. Als gevolg van de plannen kunnen negatieve effecten op verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis niet worden uitgesloten. Voor de ontwikkeling dient daarom een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor de gewone dwergvleermuis te worden verkregen. De omgevingsvergunning is inmiddels verleend (zie bijlage 14). Het plan is dan ook niet in strijd met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 8.3.3 Conclusie Uit onderhavige motivering moet blijken of het planvoornemen haalbaar is. Uit de quickscan flora en fauna en het aanvullend steenmarter- en vleermuizenonderzoek blijkt dat ter plaatse van de Industrieweg 3-5 en Oordeelsestraat 7a rond de opstallen gewone dwergvleermuizen vliegen en foerageren. Er zijn daarnaast twee verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis vastgesteld. Voor de gevolgen ten aanzien van de gewone dwergvleermuis vanwege de sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden, is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verleend. Verder zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Daarmee is het planvoornemen niet evident onuitvoerbaar en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De zorgplicht blijft onverkort van kracht.

Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats.

8.4

NNN (NNB)

8.4.1 Beleid/toetsingskader Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. 8.4.2 Toetsing Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Brabant en is op voldoende afstand van een dergelijk gebied gelegen. Het dichtstbijzijnd gelegen gebied is op een afstand van 360 meter gelegen ten opzichte van de huidige locatie aan de Stationsstraat en op een afstand van 680 meter ten opzichte van de beoogde locatie aan de Industrieweg. Daarmee heeft de ontwikkeling geen nadelige effecten op deze gebieden. 8.4.3 Conclusie Voorgenomen ontwikkeling heeft geen nadelige effecten op NNN-gebieden.

86/93

Hoofdstuk 9 voorzieningen

9.1

Behouden van de staat en werking van infrastructuur en

Planologisch relevante kabels en leidingen

9.1.1 Beleid / toetsingskader Planologische relevante kabels en leidingen Voor hoofdtransportleidingen en hoogspanningsverbindingen geldt dat deze in een omgevingsplan moeten worden geregeld. Deze leidingen hebben namelijk gevolgen voor het gebruik van gronden in de directe omgeving en zijn dus planologisch relevant. Ook niet-hoofdtransportleidingen met veiligheidscontour, kunnen planologisch relevant zijn. Grondroeringsregeling De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke ‘mechanische grondroering’ bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. 9.1.2 Toetsing/onderzoek Uit dit TAM-omgevingsplan blijkt dat in en nabij het plangebied geen planologisch relevante leidingen, hoogspanningslijnen aanwezig zijn. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden.

Indien aan de orde, zal voor deze leidingen nog wel een melding bij het kadaster worden gedaan. 9.1.3 Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

87/93

Hoofdstuk 10

Milieueffectrapportage

10.1 M.e.r.-beoordeling Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije mer-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. We kennen dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure.

In het Omgevingsbesluit is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op ‘een oppervlakte van 100 hectare of meer’, ‘een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat’ of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een Aldi van maximaal 1.750 m². Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. De Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is als bijlage 15 opgenomen. Uit de informatie in de Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat het plangebied niet ligt in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De aard en omvang van het plan leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Door rekening te houden met de volgende maatregelen is het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk: Er zijn twee verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis (twee x drie dieren) vastgesteld. Als gevolg van de plannen kunnen negatieve effecten op verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis niet worden uitgesloten.

Voor de uitvoering van werkzaamheden dient daarom een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor de gewone dwergvleermuis te worden verkregen. Het plangebied aan de Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a kan nog niet archeologisch worden vrijgegeven. In dat kader blijft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' ter plaatse gehandhaafd. Ook de locatie aan de Stationsstraat kan archeologisch niet worden vrijgegeven. Hier is de dubbelbestemming 'Waarde -

88/93

Archeologie 1' opgenomen. Alvorens de gronden geroerd kunnen worden, dient een proefsleuvenonderzoek te zijn uitgevoerd. Er is enkel sprake van circa 5.040 m2 vervangend verhard oppervlak (verhard oppervlak neemt niet toe). Daarmee dient op basis van deze opzet minimaal 5.040 x 0,007 = 35,28 m3 aan waterbergingscapaciteit gerealiseerd te worden. Binnen het plangebied zijn ruim voldoende mogelijkheden om deze omvang aan bergingsvoorziening aan te leggen (bijvoorbeeld onder de parkeerplaatsen). Hier wordt nader invulling aan gegeven bij de verdere uitwerking van het bouwplan. De kenmerken en de plaats van het project vormen geen aanleiding voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Het stedelijk ontwikkelingsproject leidt niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen.

89/93

Hoofdstuk 11

Uitvoerbaarheid

11.1 Economische uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat: 1. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn en; 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Financiële uitvoerbaarheid Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan. Kostenverhaal Deze wijziging van het TAM-omgevingsplan maakt bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 8.13 van Omgevingsbesluit mogelijk. Op grond van artikel 13.11 van de Omgevingswet dient de gemeenteraad het kostenverhaal te verzekeren voor gronden waarop dergelijke bouwactiviteiten zijn voorzien.

De gemeenteraad kan bij een besluit tot vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan besluiten geen kostenverhaalsregels op te nemen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de gronden anderszins is verzekerd. Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling van het project verzekerd is. Het opnemen van regels kostenverhaal in het omgevingsplan is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan geborgd.

11.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 11.2.1 Omgevingsdialoog 14 januari 2020 is er een inloopavond georganiseerd. Het verslag van de betreffende avond is opgenomen in bijlage 16 van deze motivering. Op basis van de reacties kunnen een drietal aandachtspunten worden benoemd: a. De bouwhoogte van de winkel in verband met bezonning en de ramen aan de achterzijde van het nieuwe pand in verband met privacy; b. Ruimte voor de laad- en loszone; c. Verkeersdruk.

90/93

Ad a.: In deze motivering is naar aanleiding van dit aandachtspunt paragraaf 7.3 toegevoegd. In deze paragraaf wordt ingegaan op de invloed van het planvoornemen met betrekking tot de bezonning/schaduwwerking en wordt tevens aangegeven dat de situering van de ramen is aangepast om de privacy te waarborgen; Ad b.: In paragraaf 3.5.3.5 is naar aanleiding van dit aandachtspunt nader inzichtelijk gemaakt hoe het laden een lossen is voorzien. Ad c.: In paragraaf 3.5.3 is in zijn algemeenheid uitgebreid ingegaan op de verkeers- en parkeerdruk die het planvoornemen met zich mee zal brengen. Naar aanleiding van de inloopavond is in de laatste alinea van deze paragraaf nader beschreven op basis van welke uitgangspunten de op- en afrit van het parkeerterrein is gesitueerd. Aldi is eigenaar geworden van het pand aan de Stationsstraat, waardoor bij de eigenaar van het pand duidelijk is dat een supermakt ter plaatse wordt uitgesloten. Daarnaast is overleg gevoerd met de Jumbo en de Albert Heijn in Baarle-Nassau. Zij zijn op de hoogte van de plannen van Aldi. De belangen van beide supermarktketens zijn ook afgewogen in het REO (bijlage 2). Daarnaast zijn de plannen van Aldi beschreven in de media (o.a. BN de Stem, 19 oktober 2020). Eenieder zou dan ook op de hoogte kunnen zijn van onderhavig planvoornemen.

Aangezien de inloopavond ruim vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden en het plan in de tussentijd is aangepast, is een nieuwe inloopavond georganiseerd op 22 mei 2025. Het verslag van deze avond is opgenomen als bijlage 17. Onderstaand is een overzicht gegeven van de besproken vragen en opmerkingen, inclusief een reactie op de verschillende punten: Wordt er een zebrapad aangelegd om de Industrieweg over te steken, ter hoogte van Industrieweg 4 naar de ingang van de supermarkt? 1. Samen met de gemeente is gekeken of dit een wenselijke verkeersmaatregel is. Gezien de intensiteit van het gemotoriseerd verkeer en de beperkte hoeveelheid voetgangers is een zebrapad conform de hiervoor geldende richtlijnen niet wenselijk. Een oversteekvoorziening met kanalisatiestrepen is wel wenselijk en wordt daarom aangelegd op twee plaatsen. Een ter hoogte van Industrieweg 4 en een ter hoogte van de rotonde Generaal Maczeklaan – Alphenseweg – Industrieweg. Hoe wordt omgegaan met geluidoverlast van winkelwagens op het parkeerterrein? 1. Doordat in de nieuwe situatie de ondergrond van asfalt is zal er nagenoeg geen overlast zijn als gevolg van rijdende winkelwagentjes. Wordt het parkeerterrein na sluitingstijd afgesloten? 1. In principe wordt het parkeerterrein niet afgesloten. Mocht blijken dat dit wenselijk kan zijn vanwege bijvoorbeeld overlast, wordt hier alsnog naar gekeken.

Ten aanzien van de locatie Oordeelsestraat 7c: 1. Hoe hoog wordt de muur aangrenzend aan de locatie Oordeelsestraat 7c? Liefst geen beukenhaag aangrenzend. a. Gezamenlijk wordt met de bewoners van de locatie gekeken naar een passende hoogte. Om de muur ook dienst te laten doen als geluidscherm, wordt een kokowall voorgesteld. Een gesprek wordt met de bewoners ingepland en hierover zullen afspraken worden gemaakt. De informatie uit het gesprek zal nadien worden gedeeld met de gemeente.

91/93

Het is belangrijk om aandacht te hebben voor de verkeersveiligheid op de kruising Industrieweg – Oordeelsestraat – Smederijstraat. 1. De verkeerveiligheid is beoordeeld in de motivering. Hieruit komt naar voren dat geen knelpunten in de verkeerssituatie te verwachten zijn. Het gebouw wordt bovendien op voldoende afstand van de Oordeelsestraat geplaatst, zodat voldoende zichtlijnen aanwezig zijn op de kruising. In overleg met de gemeente is de extra uitrit voor vrachtverkeer aan de Oordeelsestraat komen te vervallen, waardoor er juist op deze kruising ook minder hinder is. Door verschillende mensen wordt opgemerkt dat richting de rotonde Generaal Maczeklaan – Alphenseweg – Industrieweg te snel wordt gereden en dat dit tot onveilige situaties en overlast leidt. 1. Dit is nu al het geval en daardoor heeft deze opmerking niet direct betrekking op de ontwikkeling. De opmerking is meegenomen door de medewerker van de gemeente en zal worden terug gelegd bij de verkeersafdeling. Daarnaast wordt erop gewezen dat bewoners vooral meldingen moeten doen via het officiële melding kanaal van de gemeente van verkeersoverlast. Worden er wel voldoende parkeerplaatsen aangelegd? 1.

Met een brutovloeroppervlak van maximaal 1.650 m² kent de realisatie van de nieuwe supermarkt aan de Industrieweg/Oordeelsestraat, op basis van de parkeernormen van de gemeente Baarle-Nassau, een parkeerbehoefte van 66 parkeerplaatsen. Het ontwerp voorziet in de realisatie van 87 parkeerplaatsen. Daarmee wordt dus ruimschoots voldaan aan de parkeernormen. Het creëren van een overcapaciteit aan parkeerplaatsen maakt onderdeel uit van de visie van Aldi waarbij het gemak van de consument voorop staat (dus ten alle tijden voldoende parkeergelegenheid. 11.2.2 Wettelijk vooroverleg Het wettelijk vooroverleg met diverse instanties heeft plaatsgevonden. Op basis van de reactie van de Provinciale Retailadviescommissie en uitvoerige en verschillende overlegmomenten met de provincie, is het REO uit bijlage 2 aangepast, uitgebreid en geactualiseerd. Onder andere is extra aandacht besteed aan de locatieafweging. In het kader van vooroverleg omtrent de verplaatsing van de Aldi en het transformeren van het bedrijventerrein op deze locatie, is een brief gestuurd naar de gemeente Alphen-Chaam. Het Waterschap Brabantse Delta heeft per brief d.d. 18 oktober 2023 een positief wateradvies gegeven. 11.2.3 Zienswijzen Het ontwerpbesluit wijziging TAM-omgevingsplan is voor zes weken ter visie gelegd voor het indienen van zienswijzen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

11.2.4 Vaststelling Na vaststelling van het wijzigingsbesluit wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

92/93

Hoofdstuk 12

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

12.1 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Omgevingswet. Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende: het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoef ten. In artikel 4.2 Omgevingswet is vervolgens ook aangegeven dat het gemeentelijke omgevingsplan met voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels. In de voorliggende motivering is de realisatie van de nieuwe supermarkt van Aldi getoetst aan uiteenlopende aspecten en thema's van de fysieke leefomgeving. Op de huidige locatie aan de Stationsstraat zorgen diverse knelpunten ervoor dat deze Aldi zijn hard discount functie voor de inwoners van Baarle-Nassau niet kan waarmaken.

Rond de huidige winkel aan de Stationsstraat 29 zijn er ruimtelijk gezien geen mogelijkheden voor uitbreiding van de winkel die voldoet aan de gewenste oppervlakten. De locatie aan de Industrieweg 3 5/Oordeelsestraat 7a in Baarle-Nassau biedt deze mogelijkheden wel. In het REO wordt geconcludeerd dat de nieuwe locatie uitstekend past bij het toekomstgerichte concept van Aldi. Hierbij is er meer ruimte voor de winkel en een goed georganiseerde logistiek en betere parkeergelegenheid. Met de ontwikkeling van Aldi aan de Industrieweg/Oordeelsestraat in Baarle-Nassau wordt een bijdrage geleverd aan de kwaliteiten van het bedrijventerrein door op deze specifieke locatie, gelegen aan de rand van het bedrijventerrein en aan de rand van woonwijken, in te zetten op transformatie naar een detailhandelsfunctie. De conceptversterking zit in het mogelijk maken van een supermarkt op een locatie gelegen binnen een randzone van bedrijventerrein en woonwijken, die elders binnen het bestaand stedelijk gebied geen geschikte vestigingslocatie kan vinden.

12.2 Conclusie Alles overwegende is de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar. De impact op omgevingsaspecten is beperkt van aard en er treden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en wordt voorzien in een maatschappelijke behoefte. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

93/93

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16805972/1