Bijlage 1 - Cultuurhistorische waardenkaart
Tekst van het document
Totaalscore 5, 6, 7 of 8
P: Gebied / stedenbouwkundig ensemble met positieve (middel hoge) waarde
Totaalscore 1, 2, 3 or 4
B: Basiswaarde (niet in deze inventarisatie)
Tabel 12. Scores en klassen van de waardering van de stedenbouwkundige ensembles.
De verschillende waarden-schaalniveaus kunnen als volgt worden gedefinieerd: Stedenbouwkundig waardevol gebied “hoge cultuurhistorische waarde” (H) De historische situatie is gaaf en goed herkenbaar en de historisc he zeggingskracht is hoog tot zeer hoog. Deze gebieden kunnen op lokaal en regionaal niveau als relatief zeldzaam worden beschouwd en ogen in structuur en (oorspronkelijk) bebouwingsbeeld gaaf. Het stedenbouwkundige ensemble is zeer duidelijk een weerslag van een belangrijke fase in de historische ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Baarle-Nassau. Het gebied draagt om hoge mate bij aan de identiteit van de gemeente. Stedenbouwkundig waardevol gebied “positieve of middelhoge cultuurhistorische waarde” ( P) De historische situatie is nog redelijk gaaf en vooral in de structuur herkenbaar als onderdeel van de stedenbouwkundige ontwikkeling. Het draagt bij aan de identiteit van de gemeente Baarle -Nassau. Het karakter kan op onderdelen veranderd of verstoord zijn. Stedenbouwkundig waardevol gebied “basiswaarde” (B) De historische situatie is vooral in de structuur herkenbaar als onderdeel van de stedenbouwkundige ontwikkeling. Het draagt bij aan de identiteit van de gemeente Baarle -Nassau. Het karakter is op onderdelen veranderd of verstoord. Er is geen sprake van zeldzaamheidswaarde.
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[24]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
3 Korte landschapsbiografie 3.1 Inleiding 5 Het landschap van Baarle-Nassau is niet van de ene op de andere dag ontstaan. Het is gevormd over een lange tijd, waarbij zowel tektonische activiteit, natuurkrachten zoals water, wind, sneeuw en ijs, als menselijk handelen een rol hebben gespeeld. Om het landschap van Baarle -Nassau te begrijpen moet je beginnen bij de basis, letterlijk. De geologische ondergrond en de daarop ontstane landschapsvormen (geomorfologie) hebben de natuurlijke omgeving gecreëerd waarin de mens zo’n 300.000 jaar geleden zijn intrede deed. Vanaf het neolithicum (ca. 6.900 jaar geleden), toen men van een bestaan als jager-verzamelaars overging naar een samenleving waarin landbouw belangrijk werd, is de mens steeds meer zijn stempel op het landschap gaan drukken. Vanaf de vroege middeleeuwen (500-1000 na Christus) werd de basis gelegd voor het huidige landschap.
3.2 Geologie en geomorfologie 3.2.1
Oudste afzettingen – ca. 2,5 miljoen jaar geleden
Het grondgebied van de gemeente ligt in zijn geheel op de Kempische Horst of het Kempisch Plateau, een tektonisch opheffingsgebied waarop oude afzettingen dicht aan het oppervlak voorkomen (zie figuur 2). Dit staat in tegenstelling tot de zogenaamde Roerdalslenk, een dalingsgebied dat begint o p enkele kilometers ten noordoosten van de gemeente, waarin de oude afzettingen diep zijn weggezakt en vervolgens zijn afgedekt met dikke pakketten jongere afzettingen. De grens tussen de horst en de slenk wordt gevormd door de tektonische Feldbissbreuk , die globaal loopt op de lijn van Hilvarenbeek via Goirle naar Tilburg-west. De basis van het landschap in de gemeente Baarle-Nassau wordt gevormd door grindhoudende zanden die in het Laat Plioceen en het Vroeg Pleistoceen (ca. 2-2,5 miljoen jaar geleden) zijn afgezet door een tak van de Rijn die door Zuid-Nederland stroomde. 6 In de laatste afzettingsfase is veelal een afdekkend kleipakket afgezet. Deze klei komt rond Castelré dicht onder het maaiveld voor en wordt gerekend tot de Formatie van Waalre (code Wa1 in figuur 2). 7 In de loop van het Vroeg Pleistoceen (ca. 1 miljoen jaar geleden) nam de invloed van de Rijn in het gebied af en vervolgens werden voornamelijk afzettingen van meer lokale oorsprong gevormd die de oudere afzettingen van Waalre grotendeels hebben afgedekt.
8 Dat was onder andere als gevolg van verplaatsing van bodemmateriaal door de wind en sneeuwsmeltwater, maar ook door rivieren en beken uit Midden-België, is in deze periode tot aan het begin van het Midden Pleistoceen (ca. ½ miljoen jaar geleden) een lagenpakket van zandige en kleiige afzettingen gevormd. 9 Deze afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Stramproy en komen in het grootste deel van de gemeente aan of nabij het oppervlak voor (code Sy1 in figuur 2). 10 De afzettingen van Stramproy komen over het algemeen echter niet direct aan het maaiveld voor, omdat zij meestal worden bedekt met een (dunne) laag dekzand.
5
Deze paragraaf is een samenvatting van hoofdstukken 2 en 3 van Ellenkamp e.a., 2011. W esterhoff & W eerts, 2003. 7 Stiboka, 1983 en W eerts, e.a., 2006. 8 W esterhoff & W eerts, 2003. 9 De Lang & W eerts, 2003. 10 W eerts, e.a., 2006. 6
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[25]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
Figuur 2. Uitsnede van de geologische kaart (Weerts e.a., 2006). Inzet: schematische weergave van de werking van horsten en slenken. (Ellenkamp e.a., 2011, 16).
3.2.2
Laatste ijstijd – ca. 100.000 jaar geleden
Het dekzand is gevormd tijdens de laatste ijstijd (Weichselien, 116.000 -11.500 jaar geleden) aan het eind van het Pleistoceen. In deze periode heerste in Zuid -Nederland een poolklimaat en kenmerkte het landschap zich door een toendravegetatie. Omdat begroeiing schaars was, lag de bodem bloot aan winderosie. Op deze wijze werd door de wind veel bodemmateriaal verplaatst en in de vorm van glooiende dekzandpakketten weer afgezet. De dikste pakketten dekzand werden afgezet in de lagere slenk en worden gerekend tot de Formatie van Boxtel (code Bx in figuur 2). 11 Op de Kempische horst, dat voornamelijk als brongebied diende, is het dekzandpakket relatief dun. Dat heeft erin geresulteerd dat het reliëf van de onderliggende afzettingen van de Formatie van Stramproy nog doorschemert in het huidige landschap van de gemeente Baarle-Nassau. De golvende afzettingen met het dekzanddek zijn op de geomorfologische kaart aangegeven als terrasafzettingswelvingen (lichtgroen op figuur 3). 12
11 12
W eerts, e.a., 2006. Stiboka & RGD, 1981.
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[26]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
De terrasafzettingswelvingen worden doorsneden met grijsgroen gekleurde dalvormige laagten (grijsgroen op figuur 3) die, afhankelijk van de ligging ten opzichte van de waterscheiding, naar het westen of het oosten afstromen. Deze dalen zijn ontstaan tijdens de overgangen van ijstijden naar warmere tussen-ijstijden. Hierbij kwamen grote hoeveelheden (sneeuw)smeltwater vrij, die als gevolg van de aanvankelijk nog bevroren ondergrond (permafrost) noodgedwongen oppervlakkig afstroomden via een systeem van verwilderde geulen en beken. 13 Deze dalen volgden veelal de laagtes die al in het onderliggende midden-pleistocene reliëf aanwezig waren. Grofweg op de lijn Baarle -Nassau – Gilze ligt een noord-zuid georiënteerde waterscheiding. De dalen ten westen van deze lijn lopen in (noord)westelijke richting en die ten oosten lopen in (noo rd)oostelijke richting.
Figuur 3. Uitsnede van de geomorfologische kaart. (Stiboka & RGD, 1981).
Ook herkenbaar op de geomorfologische kaart zijn uitblazingsbekkens (donkergroen op figuur 3), die zijn ontstaan als gevolg van intensieve uitstuiving door de wind en zij ko men op uitgebreide schaal voor op de Kempische horst. 14 Op de horst is niet alleen zand weggewaaid, maar is ook zand afgezet in de vorm van dekzandruggen en -plateaus (donkergeel op figuur 3). De kern Baarle-Nassau ligt op een uitgestrekt dekzandplateau en ook Ulicoten bevindt zich op een dekzandrug. Verspreid over de gemeente komen verder af en toe lage landduinen voor (lichtgeel op figuur 3).
13 14
Stiboka, 1985. Stiboka & RGD, 1981.
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[27]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
3.2.3
Holoceen – vanaf 11.500 jaar geleden
Circa 11.500 jaar geleden brak het warmere Holoceen aan. 15 Het werd geleidelijk steeds warmer en vochtiger, waardoor het vegetatiedek zich uitbreidde en de bodem erosie verminderde. Hierdoor kregen de vlechtende beken geleidelijk meer een meanderend karakter met één stroomgeul die de bestaande dalvormige laagtes in het landschap volgden (figuur 4). De beken sneden zich daarbij nog dieper in de dalen in en zetten in hun dal zand en klei af. Deze afzettingen worden gerekend tot de formatie van Boxtel (code Bx3 in figuur 2). 16 Met name in het dal van het Merkske in het zuiden en de Strijbeekse beek in het noorden van de gemeente zijn door erosie uitgesproken beekdalzijden ontstaan (middengroen, langs de beek, op figuur 3). 17 Als gevolg van de vernatting van het landschap tijdens het Holoceen vond plaatselijk in de laagten van het landschap veenvorming plaats. Op deze wijze zijn enkele van de uitblazingsbekkens en dalvormige laagten, maar ook delen van het dal van het Merkske en de Strijbeekse beek, opgevuld met veen.
Figuur 4. Schematisch overzicht van de erosie en sedimentatie van een beek in een oude dalvormige laagte (Stiboka & RGD, 1977).
Figuur 5. Globaal overzicht van de grondwatertrappenverdeling. De blauwe gebieden zijn relatief nat, de bruine relatief droog. (Ellenkamp e.a., 2011, 22).
15
De Mulder, e.a., 2003. W eert, e.a., 2006. 17 Stiboka & RGD, 1981. 16
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[28]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
3.3 Menselijke invloed tot en met de middeleeuwen In de gemeente Baarle-Nassau komt een grote verscheidenheid voor aan combinaties van (moeder)materiaal (geologie) en landvormen (geomorfologie). Zo zijn er zandige ruggen, met veen opgevulde laagten, en vlaktes waar dicht onder het oppervlak kleilagen voorkomen. De verschillende landschappelijke liggingen en moedermaterialen resulteren in een grote diversiteit aan hydrologische omstandigheden. De hydrologie van het gebied heeft directe invloed op de bodemgesteldheid en daarmee ook op de mogelijkheden dat het landschap heeft geboden voor menselijk gebruik. De eerste mensen vestigden zich in het midden-paleolithicum (ca. 300.000-35.000 jaar geleden) in het gebied dat nu de gemeente Baarle-Nassau is. Na een min of meer continue bewoning tot en met de Romeinse tijd, waarin de invloed van de mens op het landschap geleidelijk toenam, werd het gebied verlaten vanaf de 3 e eeuw na Christus, toen het Romeinse Rijk aan zijn neergang begon. Het landschap werd voor zeker 3 tot 4 eeuwen overgelaten aan de natuur, zodat delen het grondgebied van Baarle-Nassau langzaam door bos overwoekerd raakten. 18
3.3.1
Vroege middeleeuwen
Al vanaf de late 4 e , vroege 5 e eeuw verschenen de eerste bewoners weer in het gebied. 19 In de loop van de vroege middeleeuwen (450-1050 na Christus) raakte het gebied geleidelijk veder bevolkt en ontstonden op de hoogste zandgronden de eerste dorpen en gehuchten. De namen Baarle en Loveren wijzen op een vroegmiddeleeuwse ouderdom (en mogelijk nog ouder) van bewoning en ontginning. Loveren betekent waarschijnlijk ‘ven in een beboste plaats’ (Lohoven). De naam Baarle wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde van 1 juni 992 20 en ook Castelré heeft mogelijk al een vroegmiddeleeuwse oorsprong. 21 De Sint-Salvatorkapel in Nijhoven zou mogelijk ook teruggaan tot de 8 e eeuw, al laat recent onderzoek zien dat een ontstaan de 12 e of 13 e eeuw waarschijnlijker is. 22 De oudste cultuurlanden lagen waarschijnlijk op he t vruchtbare dekzandplateau rondom Baarle en bij Castelré. 23 Omdat de akkers nog niet (op grote schaal) bemest werden, raakte de bodem geleidelijk uitgeput bij langdurig gebruik. Door een perceel tijdelijk als weiland in gebruik te nemen, kreeg de bodemvruchtbaarheid de kans zich te herstellen. Alhoewel het landbouwareaal voortdurend uitgebreid werd, hadden de meeste boerenhoeves slechts een klein akkerareaal ter beschikking.
3.3.2
Late middeleeuwen
De 11 e tot 13 e eeuw vormden in heel Europa een periode van economische expansie. De oudste ruimtelijke ordeningsstructuren zijn terug te voeren op de uitgebreide landbouwkundige ontginningen die tijdens de late middeleeuwen werden uitgevoerd om de sterk groeiende bevolking te kunnen blijven voeden. Onder meer de introductie van de keerploeg maakte het mogelijk meer grond te bewerken. 24 De bevolkingsgroei en agrarische hoogconjunctuur leidden overal tot ontginningen. Het toponiem “Reuth” duidt nog op deze ontginningen. De naam is afgeleid van “rode”, dat duidt op het rooi en van bomen en struikgewassen. 25 De Retsche akkers ten zuidoosten van Baarle zijn dus waarschijnlijk ontstaan na ontginning van de bossen die zich na de Romeinse periode hadden ontwikkeld. Ook een naam als Boschoven duidt op de ontginning van of in het bos. In deze periode werd de voorheen verspreid liggende bewoning verplaatst naar de randen van de akkercomplexen, op de overgang van de akkerlanden (dekzandruggen) naar de graslanden in de beekdalen of de onontgonnen woeste gronden.
18
Zie voor een uitgebreide bewoningsgeschiedenis hst. 3 van Ellenkamp e.a., 2011. Brouwer & Van der W eerden, 2020, 43. 20 Amaliavansolms.org, z.j., Korte Dorpsgeschiedenis. 21 Leenders, 1999. 22 Ellenkamp e.a., 2011, 40 en Brouwer & Van der W eerden, 2020, 66. 23 Tol, 1988 en Leenders, 1999. 24 Van Ginkel & Theunissen, 2009. 25 Leenders, 1999. 19
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[29]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
Ook Loveren ligt zo op de overgang van de beek De Bremer naar de hoge akkers. De meeste gehuchten lagen op de overgang van het akkerareaal naar de woeste gronden. De diverse ‘eind’ toponiemen (Hoogeind, Gorpeind) duiden op een dergelijke grensligging (eind: de laatste van). Ook he t toponiem ‘kant’ duidt hierop. 26 De late middeleeuwen werden gekenmerkt door een grote bevolkingsgroei en agrarische expansie. In deze periode werden de akkers op de zandgronden enorm uitgebreid. Binnen de gemeente Baarle Nassau zijn deze ontginningen globaal te lokaliseren ter hoogte van de gehuchten Ulicoten en Bedaf. De uitbreiding van de landbouwgronden hing nauw samen met een forse toename van de bevolking en de opkomst en groei van de steden. 27 In de loop van de late middeleeuwen ging het platteland zi ch steeds meer richten op de stad. Door het ontstaan van de geldeconomie gingen boeren zich geleidelijk specialiseren in de teelt van handelsgewassen zoals broodgraan (rogge), vlas voor de linnenweverijen, gerst en hop voor de bierbrouwerijen en het houden van schapen voor de lakennijverheid. 28 Doordat de graanteelt een centrale positie kreeg, kon een groter aantal mensen gevoed worden. De nieuwe ontginningen vonden waarschijnlijk plaats grenzend aan de oude. Depressies werden gedempt en akkerarealen werden uitgebreid richting het beekdal.
Dit leidde onder meer tot het ontstaan van aaneengesloten open akkercomplexen. Deze zijn vooral te vinden rond de oude bewoningskernen van Baarle en ten zuiden van Castelré. Het ging hierbij niet altijd om grote ruimtelijke expansie, maar vooral om intensiever gebruik van de bestaande landerijen door verbeterde landbouwtechnieken. De invoering van de plaggenbemesting is daarvan ook een voorbeeld, en deed in de Kempen in de periode 1350 1550 zijn intrede. 29
Figuur 6. Het open akkercomplex ten westen van de dorpskern is een van de oudste van Baarle -Nassau en heeft een bolle vorm door de plaggenbemesting. (Ellenkamp e.a., 2011, 46).
26
Buiks, 1997. Vervloet, 1986. 28 Bieleman, 1992. 29 Vangheluwe & Spek, 2008. 27
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[30]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
Naast aaneengesloten akkercomplexen werden vanaf de late middeleeuwen ook de kleinere en meer geïsoleerd gelegen vruchtbare gronden ontgonnen als uitbreiding op het bestaande akkerareaal. Deze zogenaamde kampontginningen komen zowel voor aan de randen van de oude bouwlanden, als op geïsoleerde hogere zandruggen op enige afstand van de oudste akkerarealen. De hoeve lag tegen het nieuwe akkerareaal aan. De kampontginningen konden uitgroeien tot buurtschappen zoals de Oude Strumpt, Liefkenshoek, Keizershoek, Klein Bedaf, Heikant en Maaikant. De percelen waren in de regel omgeven door een haag of houtwal, waarbij de begroeiing vaak bestond uit geriefhout. 30 De toponiemen Haag en Heining – met een haag of heg omgeven – slaan op deze perceelrandvegetatie.
3.3.3
Ontginning van de beekdalen
Er zijn in het verleden grote inspanningen gedaan om de natte beekdalen in te richten voor het gebruik als hooiland en weidegebied. Het beekdal werd verdeeld in langgerekte perceeltjes loodrecht op de beek (beemden) die veelal waren afgebakend door kleine slootjes met daarlangs een netwerk van hagen of elzen- of wilgensingels. Deze omheiningen dienden zowel als perceelsgrens en veekering, maar ook als houtleverancier (geriefhout). De inspanningen om de beekdalgronden om te zetten in hooi- en graslanden zijn te begrijpen als men beseft hoe belangrijk de gras landen waren voor het landbouwbedrijf. De opbrengst van het hooiland (wintervoer) bepaalde hoeveel vee men de winter kon doorhelpen. De hoeveelheid vee bepaalde de hoeveelheid mest en bijgevolg ook de grootte van het akkerareaal. Het is derhalve niet verwonderlijk dat de Oude Hof van Thorn al voor 1200 cijnzen ontving van diverse beemden in het dal van het Merkske. 31 Langs het Merkske is plaatselijk de historische beemdenpercelering nog steeds bewaard gebleven. Naast de diverse ‘beemd’ -toponiemen wijzen ook de ‘Maaien’ (of hooien) op de graslanden. Een mooi voorbeeld is het gehucht Maaikant dat is ontstaan aan de rand van een groot hooi- en weidegebied.
3.3.4
Woeste gronden
Grote delen van het landschap waren minder geschikt voor permanent akker - of grasland en behoorden tot de zogenaamde ‘woeste gronden’. De woeste gronden bestonden over het algemeen uit bossen, heide, moerassen en vennen. Het grondgebruik komt nog veel terug in de toponiemen. Zo duiden de -lo (le), -laar en -hout toponiemen op de geleidelijke ingebruikname van het bos en geeft “Eikelenbosch” aan dat er een eikenbos lag. Hoewel de term ‘woeste grond’ het tegendeel doet vermoeden, werd bijzondere aandacht en zorg besteed aan deze gronden en waren ze van groot belang voor het dagelijks leven. 32 De woeste gronden waren zeer belangrijk als weidegebied voor het vee. Daarnaast gebeurde de winning van grondstoffen vooral op de woeste gronden. Plaggen en strooisel werd en verzameld om de mest mee aan te maken en hout werd gehakt als brandstof, maar ook als bouwmateriaal voor bouwwerken, transportmiddelen, werktuigen, huisraad en omheiningen. Daarnaast werden de woeste gronden met de opkomst van de rechten op de grond in de middeleeuwen veelal gebruikt als jachtgebied voor de lokale adel die daarvoor de jacht - en visrechten wist te verkrijgen.
3.3.5
Grondstofwinning
De talrijke ontginningen in de late middeleeuwen zorgden echter voor een sterke afname van de bossen, waardoor er alleen in de nattere gebieden nog relatief veel hout voorkwam. De (elzen)broekbossen werden waarschijnlijk intensief beheerd als hakhoutbossen. De twijgen van voornamelijk het elzen- en wilgenhout werden gebruikt als brandhout, voor bezemstelen, voor het
30
Kakebeeke, 1949. Leenders, 1999. 32 Renes, 1999. 31
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[31]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
vlechten van manden en de wanden van de vakwerkhuizen. Met het steeds schaarser worden van ho ut werd in de natte broekgebieden ook volop turf gestoken voor de brandstofvoorziening. Ook leem of klei werd veelvuldig gewonnen. Al in de prehistorie werden wanden van huizen, woonvloeren en ovens gemaakt van leem. De klei die plaatselijk aan het opperv lak komt, was zeer geschikt als grondstof. Al in de 16 e eeuw werd er klei gewonnen bij Kleistraat (steenoven), Heesboom (steenoven), Eikelenbos (leemputten) en de Steenovensche velden. 33 Tot in de 19 e eeuw gold de leem uit de oude kuil van Schaluinen als de beste voor pleisterwerk en dorsvloeren. 34
3.4 Nieuwe Tijd (1500-heden) Vanaf het einde van de late middeleeuwen tot aan de introductie van het kunstmest (eind 19 e eeuw), werd naast door de uitbreiding van het akkerareaal de landbouwproductie ook vergroot door een intensivering van bemesting. Hierdoor konden de akkers jaarlijks benut worden en hoefden ze niet meer braak te liggen. De al bestaande bemesting met plaggen werd verder geïntensiveerd in het zogenaamde ‘potstalsysteem’. 35 Humusrijk materiaal (zoals bosstrooisel, heide- en/of grasplaggen) werd gebruikt om de (vloeibare en vaste) dierlijke mest van het gestalde vee te binden. Het mengsel (stalmest, plaggen/strooisel) werd vervolgens op de akker gebracht en zo werd de bodemvruchtbaarheid van het akkerareaal op peil gehouden. Omdat het humusrijke materiaal behalve organisch afval ook veel minerale bestanddelen (zand en of klei, afkomstig van de plaggen) bevatte, kon ten gevolge van eeuwenlange, intensieve bemesting een dikke humushoudende bovenlaag ontstaan: een zogenaamd plaggendek. De plaggendekken zijn voornamelijk gevormd van de late 14 e tot de 19 e eeuw. 36 In de nattere delen van het gebied komen de jongste plaggendekken voor. Hier dienden snelle ophogingen waarschijnlijk voornamelijk een verbetering van de (grond-)waterhuishouding. De van oorsprong relatief natte omstandigheden op deze akkers komen nog tot uiting in de toponiemen.
Zo komt het toponiem ‘Rijt’ (o.a. Retten) veel voor, dat duidt op ontwateringssloten en dus op van oorsprong natte omstandigheden.
3.4.1
Kleinschalige ontginningen
Ook in de nieuwe tijd werden de diverse akkercomplexen nog uitgebreid met kampontginningen aan de randen van de oude bouwlanden alsook midden in de woeste gronden. De Nieuwe Strumpt en de Maaikant dateren vermoedelijk uit de 16 e eeuw. 37 Eén van de jongere kampontginningen is hoeve De Postel die in 1789 voor het eerst genoemd wordt. De namen Heikant en Heiakkers, enkele akkers nabij Castelré, duiden ook op jongere ontginningen van gronden die waarschijnlijk vrij lang tot de heidevelden behoorden.
3.4.2
Woeste gronden
De vergroting van het landbouwareaal en de productieverhoging veroorzaakte n een grotere behoefte aan mest. Hiervoor was een grote veestapel nodig. Dit vee, vooral schapen, graasde op de heide en zorgde ervoor dat jonge boompjes en struiken geen kans kregen om te groeien. Omdat steeds meer vee in het bos werd geweid en er ook op grote schaal plaggen en bosstrooisel gewonnen werd, degradeerde het nog aanwezige bos zo sterk dat het geleidelijk verdween en er uitgestrekte heidevelden ontstonden. Op sommige plaatsen ging het intensieve gebruik zelfs zo ver dat de vegetatie
33
Leenders, 1999. Joosen, 2006. 35 Zie Vera, 2011. 36 Zie o.a. Heunks & Roymans, 2000 en Spek, 2004. 37 Leenders, 1999. 34
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[32]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
geheel verdween en zandverstuivingen ontstonden. De namen van gebieden als de Witte bergen, Reulsche bergen, Tommelse Bergen, etc. refereren nog aan het duinr eliëf dat in de zandverstuivingen ontstond. Al in 1544 werd in Tommelen melding gemaakt van verstuivingen : ‘vliegende sants (stuifzand) oyck ter tommelen gelegen aent sant daer boom op staen’ . 38 Ook de Molenheide werd in de 19 e eeuw nog gekenmerkt door vele stuifduinen. In het gebied werden nog geregeld plaggen gestoken en er werd zand weggehaald. De natuurlijke hoogten werden door de boeren duin genoemd. 39
3.4.3
Ontginning van de woeste gronden
De onontgonnen, woeste gronden die in vroegere tijden zeer belangrijk waren voor het goed functioneren van het gemengde boerenbedrijf werden vanaf de 19 e eeuw minder essentieel, mede door de komst van vernieuwingen in de landbouw. Aangezien de woeste gronden eigendom waren van de landsheer (de baron van Breda; begin 19 e eeuw de Prins van Oranje, later de Koning der Nederlanden) werden de gronden in de 19 e eeuw nog beheerd door de Dienst Domeinen. Delen van de woeste gronden werden met enige regelmaat aan particulieren verkocht. In 1845 stond de koning tegen een schadevergoeding zijn rechten af en in 1861 werd besloten de gehele dom aniale heide in veiling te brengen. 40 De eeuwenoude balans tussen de cultuurgronden en de woeste gronden veranderde hierna volledig. De introductie van de kunstmest (eind 19 e eeuw) droeg daar nog eens extra aan bij. De woeste gronden verloren hun functie: plaggenbemesting en extensieve graslanden waren niet langer noodzakelijk. Uit deze periode dateert dan ook de term ‘woeste grond’. Er werden grootschalige werkzaamheden uitgevoerd om de woeste gronden bruikbaar te maken. Vennen werden ontwaterd, wegen en sloten aangelegd. Delen werden ontgonnen voor de landbouw, grote delen werden ook bebost, met name voor de productie van hout voor de opkomende mijnen.
3.4.4
20 e -eeuwse veranderingen
In de 20 e eeuw vonden geleidelijke, grootschalige en planmatige veranderingen plaats. De geleidelijke veranderingen werden uitgevoerd door particulieren die voortdurend kleine ingrepen uitvoerden: het rooien van een houtwal, egalisatie van een dekzandkop en dergelijke. Structurele hervormingen werden na de Tweede Wereldoorlog doorgevoerd. Productieverhoging, kostprijsverlaging en intensivering van de landbouw waren de kernpunten van het landbouwbeleid van de overheid. De instrumenten om de doelstellingen te realiseren, waren – naast onderwijs en voorlichting – de ruilverkavelingen. De ruilverkavelingen gingen gepaard met grote cultuurtechnische werken met het doel het rendement per hectare te vergroten. Grote delen van het Brabantse zandgebied hebben zich hierdoor ontwikkeld tot een agrarisch productielandschap met een bijna industrieel karakter. 41 In de gemeente Baarle-Nassau heeft echter geen grootschalige ruilverkaveling plaatsgevonden. Daardoor zijn veel van de karakteristieke landschapselementen, veelal in samenhangende structuren, bewaard gebleven. De gemeente is dus redelijk uniek in Nederland, aangezien een laatmiddeleeuws cultuurlandschap min of meer bewaard is gebleven.
38
Brekelmans, 1965; Leenders, 1999. Verhagen, 1997. 40 Joosen, 2006. 41 Van der Heijden e.a., 2003. 39
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[33]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
4 Cultuurlandschappen 4.1 Ontginningstypen Aangezien de gemeente Baarle-Nassau geheel op de Kempische Horst ligt (zie § 3.2.1), vallen de landschappen in de gemeente onder het fysisch landschapstype ‘plateaulandschap’. In het landschap zijn drie typen ontginningen te herkennen: kampontginningen, beekdalontginningen en heideontginningen. Kampontginningen zijn de oudste. Ze zijn in de middeleeuwen ontstaan door op met name de hogere zandgronden gebieden in gebruik te nemen voor de landbouw. Beekdalontginningen volgden in de loop van de middeleeuwen, toen het voor de bemesting van de akk ers noodzakelijk werd voldoende vee te houden. In de beekdalen werden wei - en hooilanden aangelegd. De jongste zijn heideontginningen. In de loop van de 19 e eeuw werd het mogelijk ook op de armste gronden landbouw te bedrijven. Delen van de heide zijn ook systematisch bebost.
Figuur 7. Ontginningstypen in Baarle-Nassau. Niet gekarteerd zijn de historische dorpskernen.
Natuurontwikkeling In de alinea’s hierna worden per ontginningstype de landschapseenheden beschreven. Niet apart beschreven zijn de landschappen die zijn omgezet naar natuur. Deze hebben de toevoeging ‘n’ aan de code gekregen. De omzetting naar natuur, of natuurontwikkeling, betekent eigenlijk per definitie een ‘verwildering’ van het cultuurlandschap. Met name perceelsrandbeplanting krijgt veel minder onderhoud, waardoor heesters hoger en breder groeien, en ook soorten als bramen kunnen gaan
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[34]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
(over)woekeren. Vaak worden ook poelen gegraven en de humusrijke bovenlaag van de bodem verwijderd.
4.2 Kampontginningen P0k1 - open akker De oudste ontginningen uit de vroege middeleeuwen, op de dekzandplateaus van Baarle en Castelré, zijn in de late middeleeuwen aaneen gegroeid tot grote open akkercomplexen. In Noord -Brabant worden deze complexen akker genoemd (in Drenthe es). Baarle ligt midden tussen grote akkers, de akker van Castelré ligt ten zuiden van ’t Groeske, omdat deze zich bevindt op de overgang naar het beekdal. De percelen op de akkers kenden geen zichtbare perceelsgrenzen. Opgaand groen kwam overwegend voor langs wegen of aan de randen van de akker, meestal in de vorm van houtwallen of -singels. Grote delen van de akkers waren echter volledig vrij van enige opgaande elementen. Bebouwing kwam evenmin voor op de akkers. Deze concentreerde zich in de kernen van Baarle en Ca stelré. Op een enkele plaats kwamen langs de uitvalswegen enkele erven voor. Ook akkers hebben vanwege de plaggenbemesting vaak een bolle ligging gekregen. Historische ruimtelijke kenmerken •
Overwegend in gebruik als bouwland.
•
Overwegend geen zichtbare perceelsgrenzen.
•
Vaak bolle vorm door plaggendek.
•
Percelen van wisselende grootte en vorm.
•
Bebouwing en ander opgaand groen bijna niet voorkomend.
Figuur 8. De akker van Castelré heeft zijn oorspronkelijke karakter behouden. Achter d e bolle akker de begroeiing in het dal van de Mark met daarachter de kerktorens van Hoogstraten en Minderhout. (RAAP, 25 -07-2024). RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[35]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
P0k2 - droge kampontginning, onregelmatig verkaveld Vanaf de late middeleeuwen werden buiten de aaneengesloten open akkercomplexen (zie P0k4) ook kleinere, individuele akkers (kampen) aangelegd als uitbreiding op het bestaande akkerareaal. Deze aanvankelijk kleinschalige ontginningen werden ter bescherming omgeven door een houtwal of -singel. Mettertijd werden ook de gebieden tussen individuele kampen ontgonnen en ontstond een lappendeken van akkers en houtwallen. Door plaggenbemesting is op veel plaatsen in de loop der tijd een plaggendek ontstaan zijn op akkers, waardoor ze een bolle vorm hebben gekregen. Waar de perceelsrandbegroeiing verdwenen is, en zelfs waar perceelsgrenzen zijn gewijzigd, zijn de oude percelen door het plaggendek nog herkenbaar in het reliëf. Erven lagen aan de rand van de kampen, waarbij bij nieuwere ontginningen de erven vaak geclusterd werden en gehuchten ontstonden. De kring van gehuchten rondom Baarle – Reuth, Heesboom, Hoogeind, Eikelenbosch, Corpeind, Nijhoven, Keizershoek, Heikant – is zo ontstaan. Ulicoten, Hazenberg, Schootsen Hoek en Groot Bedaf zijn ook nederzettingen die te midden van kampontginningen zijn ontstaan. Historische ruimtelijke kenmerken •
Overwegend in gebruik als akker.
•
Veelal bolle vorm door plaggendek.
•
Percelen van wisselende grootte en vorm.
•
Perceelsgrenzen in de vorm van opgaand groen (houtwal, -singel, heggen en/of bomenrijen).
•
Bebouwing in kleine clusters.
•
Onregelmatig wegenpatroon.
Figuur 9. In Schootsenhoek zijn op enkel plaatsen nog heggen en bomenrijen als perceelsgrens aanwezig. Ze geven een beeld van de kleinschaligheid die de kampontginningen ke nmerkten. (RAAP, 25-07-2024).
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[36]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
P0k3 - droge kampontginning, regelmatig verkaveld Aan de randen van de onregelmatige kampontginningen komen ook kampontginningen voor die een meer regelmatige structuur hebben. Percelen hebben vanouds overwegend een rechthoeki ge vorm. Deze regelmatige opzet doet vermoeden dat ze enigszins jonger zijn dan de onregelmatige kampontginningen. Meestal zijn ze ook verder van de oude bewoningscentra gelegen. Toch komen ook in de regelmatige kampontginningen aanzienlijke plaggendekken voor. De dikte van plaggendekken is niet direct een indicatie van de ouderdom, dus het zou ook kunnen dat deze gebieden een intensievere plaggenbemesting hebben gekend dan de onregelmatige kampontginningen. Bebouwing komt in de regelmatige kampontginningen minder vaak voor dan in de onregelmatige. Ook is de bebouwing minder geclusterd en dus verspreid aanwezig in het gebied. het regelmatige patroon van de percelen maakt ook dat het wegenpatroon in deze landschappen regelmatiger is. Historische ruimtelijke kenmerken •
Overwegend in gebruik als akker.
•
Veelal bolle vorm door plaggendek.
•
Percelen van overwegend regelmatige grootte en rechthoekig van vorm.
•
Perceelsgrenzen in de vorm van opgaand groen (houtwal, -singel, heggen en/of bomenrijen).
•
Bebouwing verspreid.
•
Regelmatig wegenpatroon.
Figuur 10. Tussen Hoogeind en Heesboom liggen langs de Hoogstraten sebaan kampen die door een plaggendek beduidend hoger liggen dan de weg. (RAAP, 25-07-2024).
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[37]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
P0k4 - kleinschalige kampontginning Verder van de dorpen, op geschikte plekken tussen de woeste gronden, hebben vanaf de late middeleeuwen kleinschalige ontginningen plaatsgevonden. Deze kleinschalige kampontginningen – eigenlijk de oervorm van kamptonginningen – werden beschermd tegen de woeste gronden door houtwallen. Van de woeste gronden konden immers dieren komen die de gewassen beschadigen, maar ook konden zandverstuivingen ontginningen bedreigen. 42 Kleinschalige kampontginningen hebben overwegend een onregelmatige vorm omdat ze zich aanpassen aan de geomorfologische omstandigheden en organisch gegroeid zijn. Erven kwamen niet in alle kleinschalige kampontginningen voor, waarschijnlijk werden meerdere kampen vanuit dezelfde erven bewerkt. Het namenpaar Oude Strumpt en Nieuwe Strumpt laat zien dat kleinschalige kampontginningen zich ook ‘vermeerderen’: vanuit één ontginning werd een nieuwe gesticht. Kleinschalige kampontginningen komen voornamelijk voor in het uitgestrekte heidegebied ten westen van Baarle. Ook ten zuiden van Baarle zijn enkele kleinschalige kampontginningen te vinden. Historische ruimtelijke kenmerken •
Overwegend in gebruik als bouwland.
•
Bestaande uit één of meerdere percelen.
•
Soms bolle vorm door plaggendek.
•
Percelen van wisselende grootte en vorm.
•
Perceelsgrenzen in de vorm van opgaand groen (houtwal, -singel, heggen en/of bomenrijen).
•
Bebouwing sporadisch en verspreid.
Figuur 11. De bebouwingscluster van Oude Strumpt, rond een plaatse, vormt de kern van een cluster kleinschalige kampontginningen op de grote heide ten westen van Baarle. (RAAP, 25-07-2024).
42
Kakebeeke, 1949.
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[38]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
P0k5 - nat-droge flankontginning, onregelmatig verkaveld Aan de randen van beekdalen (rond Castelré) en aan de bovenlopen van beken (rond Baarle) komen kampontginningen voor die vanwege de nattere omstan digheden een ander karakter hebben dan de andere kampontginningen. De ontginningen aan de randen van beekdalen bestonden hoofdzakelijk uit akkerland maar onderscheiden zich van de overige kampontginningen door hun lagere ligging en overwegend kleinere perceelsgrootte. Deze ontginningen hebben ook minder dan andere kampontginningen een plaggendek, waardoor het hoogteverschil tussen beide landschappen vergroot wordt. Als perceelsrandbegroeiing kwamen voornamelijk heggen met bomenrijen voor. Erven zijn alleen op de hoogste delen te vinden. De ontginningen aan de bovenlopen van beken vallen op doordat er naast akkerland ook veel weilanden voorkomen. Dit is een duidelijke indicatie van nattere omstandigheden. De akkers hebben som een plaggendek, waardoor ze een bolle vorm hebben en (onbedoeld) ook een betere afwatering kregen. De perceelsgrenzen zijn vaak gemarkeerd door bomenrijen ( waaronder elzen en knotwilgen), al dan niet in combinatie met heggen, of houtwallen/-singels. Erven liggen verspreid lang de wegen. In beide deelgebieden volgen de wegen de hoogtelijnen, wat betekent dat ze meestal parallel aan de beken langs, en soms door de ontginningen heen lopen.
Historische ruimtelijke kenmerken •
Aan de rand van beekdalen overwegend in gebruik als bouwland; aan de bovenlopen gemengd gebruik, zowel bouwland als weilanden.
•
Aan de rand van beekdalen heggen en bomenrijen als perceelsgrenzen; aan de bovenlopen ook bomenrijen en houtwallen/-singels.
•
Soms bolle vorm door plaggendek.
•
Percelen van wisselende grootte en vorm.
•
Wegen meestal parallel aan de beek.
•
Bebouwing verspreid langs de wegen.
Figuur 12. Het beekdal ten noorden van Hazenberg is kenmerkend voor de bovenlopen van beken, met een afwisseling van akkers en weilanden. Bomenrijen markeren perceelsgrenzen en de beek. (Google Streetview).
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[39]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
P0k6 - overgangszone van kampontginning met heiderestanten, onregelmatig verkaveld Rond Ulicoten en ten oosten van Baarle (Veldbraak, Heikant, Bedaf) was een geleidelijke overgang tussen de kampontginningen en de onontgonnen heide. Verschillende kleine en grotere ontgonnen gebiedjes en heiderestanten wisselden elkaar af. Het is een beeld dat enigszins overeenkomt met de oudste kampontginningen, die ook als ‘eilanden’ in onontgonnen gebied lagen. Het is nie t ondenkbaar dat de overgangszone zich langzaam verplaatst heeft van de oudste ontginningen rond de dorpskern tot waar die uiteindelijk lag aan het begin van de 20 e eeuw, vlak vóór de grootschalige ontginning van de heide. Telkens werden nieuwe kampen ontgonnen in de woeste gronden en werden de restanten van woeste grond tussen de kampen ook in gebruik genomen. Zo ontstonden de zones met aaneengesloten kampontginningen – in de meest intensieve plekken uitgegroeid tot open akkers – met aan de rand het mozaïek van kampen en woeste gronden. De meeste overgangszones hebben een onregelmatige verkaveling. Dit doet vermoeden dat ze overwegend organisch gegroeid zijn, door opeenvolgende kleinschalige ontginningen. In de overgangszones kwamen vrijwel geen erven voor. De erven die er waren, lagen verspreid. Mogelijk zijn deze erven de ‘kiemcellen’ van waaruit de ontginningen plaatsvonden. Historische ruimtelijke kenmerken •
Gemengd landgebruik van zowel bouwland als weilanden afgewisseld met heiderestanten en bosjes.
•
Perceelsgrenzen vaak in de vorm van houtwallen, -singels of bomenrijen.
•
Soms bolle vorm door plaggendek.
•
Percelen van wisselende grootte en vorm.
•
Onregelmatig wegenpatroon, soms van rechte wegen.
•
Bebouwing zeer sporadisch.
P0k7 - overgangszone van kampontginning met heiderestanten, regelmatig verkaveld Naast de overgangszones met een onregelmatige (organische?) structuur komen ook zones voor met een meer regelmatige structuur. De zones bestaan uit vierkante of rechthoekige percelen en getuigen van een planmatige opzet van de ontginning. Op verschillende plekken was de verkaveling reeds doorgetrokken op de heide, al waren die percelen nog niet ontgonnen. Net als in de regelmatige overgangszones was er een gemengd grondgebruik en werden de meeste perceelgrenzen gemarkeerd met houtwallen of -singels. Bebouwing was schaars. De ontginning bij Liefkenshoek maakt onderdeel uit van landgoed De Kievit en past in de formele, regelmatige structuur van de rest van het landgoed. Historische ruimtelijke kenmerken •
Gemengd landgebruik van zowel bouwland als weilanden afgewisseld met heiderestanten en bosjes.
•
Perceelsgrenzen vaak in de vorm van houtwallen, -singels of bomenrijen.
•
Soms bolle vorm door plaggendek.
•
Percelen van overwegend regelmatige grootte en vorm.
•
Overwegend regelmatig wegenpatroon.
•
Bebouwing zeer sporadisch.
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[40]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
4.3 Beekdalontginningen P0b1 - beekdal, onregelmatig verkaveld In de gemeente komen brede en smalle beekdalen voor. De dalen van het Merksken en de Hollandsche Loop zijn breed en kennen redelijk abrupte overgangen naar de hogere gronden. Noordelijker in de gemeente zijn bij Strumpt, Ulicoten en Loveren (De Bremer), Pineind en Groot Bedaf (Poppelsche Leij) smalle beekdalen te vinden. De beekdalen kenmerken zich door een grondgebruik van overwegend grasland, da t het gevolg is van de relatief natte bodemgesteldheid. Perceelsgrenzen bestaan in de brede beekdalen dan ook grotendeels uit sloten, waarlangs vanouds bomenrijen stonden, waarschijnlijk knotwilgen of elzen. In de smalle beekdalen komen ook perceelgrenzen voor zonder begroeiing en op enkele plaatsen komen, net als in de aangrenzende kampontginningen, houtwallen en -singels voor. De merendeels langwerpige percelen zijn in de brede beekdalen overwegend haaks op de beek georiënteerd, in de smalle beekdalen zijn veel percelen ook parallel aan de beek georiënteerd. Wegen lopen zowel parallel aan de beek als haaks erop. In het grote broekgebied Het Manke Gooren komen vrijwel geen wegen voor. In de smalle beekdalen wordt de beek vaak gekruist met behulp van duikers . In de brede beekdalen zijn kruisingen minder gebruikelijk omdat ze vanwege de breedte van de beek uitgevoerd moeten worden als brug.
In beekdalen komt nagenoeg geen bebouwing voor. Alleen langs De Bremer bij Ulicoten lagen enkele erven aan de rand van het beekdal. Historische ruimtelijke kenmerken •
Overwegend in gebruik als grasland, soms afgewisseld met bosjes.
•
Perceelsgrenzen vaak in de vorm van sloten, meestal met bomenrijen, in de smalle beekdalen soms ook als houtwallen/-singels.
•
Lagere ligging ten opzichte van omgeving.
•
Percelen zijn overwegend langwerpig. In de brede dalen merendeel haaks op de beek, in smalle dalen ook parallel aan de beek.
•
Wegen zowel langs de randen als haaks op de beek. in smalle beekdalen veel kruisingen met de beek d.m.v. duikers, in brede dalen minderkruisingen d.m.v. bruggen.
•
Bebouwing zeer sporadisch.
Figuur 13. Het dal van het Merksken ten noorden van Castelré is aanzienlijk veranderd in de afgelopen 15 jaar. Het dal lijkt extensiever te worden beheerd, vooruitlopend op het beekherstel dat in 2025 gaat plaatsvinden (Brabantsedelta.nl). Hierdoor wordt een deel van de historische geslotenheid teruggebracht. (links: Google Streetview 2009, rechts: RAAP, 25-07-2024).
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[41]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
P0b2 - beekdal, regelmatig verkaveld Een deel van de beekdalen, met name in het zuiden van de gemeente, heeft een regelmatige verkaveling. In de smalle beekdalen uit zich dit in een verkaveling van overwegend blokken. In de brede beekdalen zijn er grote blokken herkenbaar die verdeeld zijn in stroken, al dan niet van gelijke breedte. Dit lijkt het resultaat van een ontginning die gezamenlijk is uitgevoerd, waarna de deelnemers elk een gelijk deel van de ontginning kregen. Historische ruimtelijke kenmerken •
Overwegend in gebruik als grasland, soms afgewisseld met bosjes.
•
Perceelsgrenzen vaak in de vorm van sloten, meestal met bomenrijen, in de smalle beekdalen soms ook als houtwallen/-singels.
•
Lagere ligging ten opzichte van omgeving.
•
Percelen in de brede dalen merendeel strookvormig binnen e en blok, in smalle dalen overwegend blokvormig.
•
Wegen en bebouwing afwezig.
P0b3 - beekdal, overwegend onverkaveld Delen van het beekdal nabij Castelré hadden geen verkaveling. Het dal bestond hier over een lengte van enkele honderden meters uit ononderbroken grasland tussen de beek en de rand van het dal. Opgaand groen kwam alleen langs de randen van het dal voor en op een enkele plaats langs de beek. Dit moeten de minst intensief gebruikte delen van het beekdal zijn geweest, dat vooral als hooiland beheerd werd. Historische ruimtelijke kenmerken •
In gebruik als grasland.
•
Perceelsgrenzen nagenoeg afwezig.
•
Open gebied; opgaand groen alleen langs de rand van het dal, soms ook langs de beek.
•
Lagere ligging ten opzichte van omgeving.
•
Wegen en bebouwing afwezig.
Figuur 14. De openheid van het nog steeds grotendeels onverkavelde beekdal bij Castelré is grotendeels nog aanwezig. (Google Streetview). RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[42]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
4.4 Heideontginningen Met de komst van de kunstmest aan het eind van de 19 e eeuw veranderde de landbouw drastisch. Het onderhouden van een grote veestapel ten behoeve van de mest was niet meer nodig, waarmee de noodzaak voor hooilanden verdween. Ook werden er op de heide geen plaggen meer gestoken voor de plaggenbemesting. En kwam een grote golf van heideontginningen op gang. Waterplassen en vennen zoals de Kievitsvennen, het Ganzenblik, het Blockmoerven, het Vossenven, het Middelven, het Wolfsven, de Poel, de Huisvennen en het Groot Vergoorven werden drooggelegd door sloten te graven die aantakten op bestaande beken. De bodem werd gespit of geploegd voor bebossing ten behoeve van de productie van mijnhout. Rond 1900 waren grote delen van de heide bebost. Andere delen werden omgezet in landbouwgrond, dat mogelijk was op deze arme gronden dankzij de kunstmest. Veel heideontginningen kregen een systematisch en regelmatig verkavelingspatroon, waarbij een netwerk van rechte wegen tot stand kwam. Vaak gingen de ontginningen ook gepaard met egalisatiewerkzaamheden. In de loop van de 20 e eeuw zijn veel bossen gerooid en de gronden voor de landbouw geschikt gemaakt. In de jaren 60 was de heide volledig verdwenen in de gemeente. Na de ontginning heeft in deze intensieve landbouwgebieden vaak nog een schaalvergroting plaatsgevonden.
We maken hier onderscheid tussen heideontginningen en heidebebossingen. Heideontginningen is waar de heide direct is omgezet in landbouwgrond. Heidebebossingen is waar de heide systematisch is bebost. Als dit bos later is gerooid en omgezet in landbouwgrond dan noemen we dat hier ee n heidebebossing die later ontgonnen is. Dit landschapstype heeft in de code de toevoeging ‘o’ gekregen. P0h1 - kleinschalige heideontginning De oudste ontginningen op de heide zijn de kleinschalige heideontginningen. Ze liggen als eilandjes verspreid over het zuidelijk deel van de gemeente. Enkele liggen aan de rand van kampontginningen of het beekdal maar de meeste liggen als eilandjes midden op de heide. Het zijn plekken die zich bevinden nabij kruispunten van wegen of waar de bodemgesteldheid waarschijn lijk net iets gunstiger was dan op de rest van de heide. Net als de kleinschalige kampontginningen waren de kleinschalige heideontginningen meestal omgeven door houtwallen. Ze onderscheiden zich van de kleinschalige kampontginningen enerzijds door de meer regelmatige vorm. De meeste kleinschalige heideontginningen bestaan uit een of enkele rechthoekige percelen. Anderzijds hebben kleinschalige heideontginningen geen of hooguit een klein plaggendek. De bodem bestaat uit veld- of haarpodzolgronden in plaats van zwarte enkeerdgronden.
In veel kleinschalige heideontginningen waren ook een of meerdere erven aanwezig. Dit was waarschijnlijk het erf van degene die de ontginning gebruikte. Hier en daar komen op perceelsgrenzen binnen kleinschalige ontginningen bomenrijen voor. Met name aan de Grens ten zuiden van Baarle lagen binnen de kleinschalige ontginningen ook bospercelen met een ander karakter dan de grote heidebebossingen er omheen. Historische ruimtelijke kenmerken •
Overwegend in gebruik als bouwland.
•
Bestaande uit één of meerdere percelen.
•
Perceelsgrenzen in de vorm van sloten, soms met bomenrij.
•
Geen of hooguit klein plaggendek.
•
Percelen meestal rechthoekig, van wisselende grootte.
•
Omgeven door opgaand groen (houtwal, -singel, heggen en/of bomenrijen).
•
Meestal één of enkele erven.
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[43]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
Figuur 15. De kleinschalige heideontginning aan de Schaluinen heeft met zijn opgaand groen, traditionele bebouwing en zandwegen een zeer authentiek karakter. (RAAP, 25 -07-2024).
P0h2 - jonge heideontginning, onregelmatig verkaveld Bij Catelré, rond Strumpt en ten noorden van Ulicoten komen onregelmatige jonge heideontginningen voor, in verschillende grootte. Rond Strumpt vormen deze ontginningen als het ware een schil rondom de oudere kleinschalige kampontginningen. Ook bij Castelré zijn deze onregelmatige jonge heideontginningen gelegen tegen de oudere kampontginningen aan. Dit doet vermoeden dat de onregelmatige heideontginningen de oudste jonge heideontginningen zijn. Ze zijn minder dan latere ontginningen uitgevoerd op basis van een ‘masterplan’. Elders, bijvoorbeeld in het uiterste noordwesten van de gemeente, lijkt er sprake te zijn van reststukken heide met een onregelmatige vorm. Deze vorm leidde er ook toe dat de indeling van deze ontginning onrege lmatig was. Alle onregelmatige jonge heideontginningen bestaan uit een verkaveling van onregelmatige blokken. Perceelsgrenzen worden gemarkeerd door sloten. Op een enkele plaats was langs de sloot een bomenrij aanwezig. Ook langs sommige wegen komen bomenrijen voor. Bebouwing kwam in deze gebieden nauwelijks voor. Slechts enkele erven werden oorspronkelijk in deze gebieden gesticht. Vanouds hebben de jonge heideontginningen een gemengd gebruik; zowel bouwlanden als weilanden kwamen voor.
Her en der lagen ook kleine bosjes, mogelijk op de slechtste gronden of in hoekjes die overbleven na de ontginning. Een opmerkelijk ontginningsblok, met een onregelmatige langgerekte driehoekige vorm, ligt ten zuiden van Schootsenhoek, ingeklemd tussen een oude weg over de h eide en de rijksgrens.
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[44]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
Historische ruimtelijke kenmerken •
In gebruik als bouwland en grasland, hier en daar bosjes.
•
Perceelsgrenzen in de vorm van sloten, soms met bomenrijen.
•
Percelen onregelmatig blokvormig.
•
Wegen overwegend recht, soms met bomenrijen.
•
Bebouwing zeer sporadisch.
Figuur 16. Dit opmerkelijke langwerpig-driehoekige ontginningsblok ten zuiden van Schootsenhoek ligt ingeklemd tussen een oude weg over de heide (links) en de rijksgrens (links langs het gebouw). Het geb ouw staat grotendeels in België, het grasland is Nederland. Het perceel op de voorgrond ligt dus in beide landen. De bomen aan de achterzijde van het grasland markeren de andere kant van dit driehoekige ontginningsblok; de weg kruist na een knik gemaakt te hebben zo’n 1,5 kilometer verderop weer de rijksgrens. (RAAP, 25 -07-2024).
P0h3 - jonge heideontginning, regelmatig verkaveld Met name ten zuiden en oosten van Baarle liggen enkele regelmatige heideontginningen. Ze hebben een rechthoekige opzet met daarbinnen een strokenverkaveling. Duidelijk zijn ze als één blok ontgonnen en (later) opgedeeld. Rondom Ulicoten komen ook kleine heideontginningen voor die een regelmatige vorm en inrichting hebben. De regelmatige jonge heideontginningen kenden net als de onr egelmatige een gemengd gebruik van bouwland en weiland met hier en daar ook bospercelen. Perceelsgrenzen in de vorm van sloten waren recht, net als de wegen. Opgaand groen langs sloten en wegen kwam bijna niet voor. Ook bebouwing was er niet in de regelmatige jonge heideontginningen. Enige uitzondering is het grote ontginningsblok ten zuiden van Baarle, waar met name rondom de spoorwegovergang erven aanwezig waren die hoofdzakelijk met de spoorwegen te maken hadden. Historische ruimtelijke kenmerken •
In gebruik als bouwland en grasland, hier en daar bosjes.
•
Perceelsgrenzen in de vorm van sloten.
•
In de grote ontginningsblokken percelen hoofzakelijk strookvormig, in kleinere ontginningen percelen vaak blokvormig.
•
Wegen recht.
•
Geen bebouwing, met uitzondering van de omgeving van het spoor ten zuiden van Baarle.
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[45]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
P0h4 - jonge heideontginning, overwegend regelmatig verkaveld Tussen de vorige twee landschapstypen in zit de overwegend regelmatig verkavelde jonge heideontginning. Deze heeft in hoofdlijnen een onregelmatige structuur, dat wil zeggen dat bijvoorbeeld het wegenpatroon onregelmatig is, met veel niet haaks op elkaar staande of korte wegen. Ook kan de hoofdvorm van het gebied onregelmatig zijn. Binnen dit onregelmatige kader heeft de verkaveling wel een zekere regelmatigheid. De verkaveling is vaak in grote blokken of stroken. Het landgebruik was gemengd met hier en daar bosjes. Perceelsgrenzen bestaan meestal uit sloten. Op een enkele plaats, met name ten zuiden van Ulicoten, staan bomenrijen langs sloten o f wegen. Bebouwing komt in dit landschapstype nagenoeg niet voor. Een belangrijke uitzondering is het gebied De Blokken, dat het zuidelijkste deel van de gemeente vormt. Via een nauwe corridor van iets minder dan 20 meter breed door Belgisch grondgebied is dit gebied verbonden met de rest van de gemeente. Dit deel zou met recht “Nederland op z’n smalst” genoemd kunnen worden ( figuur 17). Historische ruimtelijke kenmerken •
In gebruik als bouwland en grasland, hier en daar bosjes.
•
Perceelsgrenzen in de vorm van sloten.
•
Verkaveling vaak in blokken of stroken.
•
Wegen overwegend recht.
•
Op enkele plaatsen bomenrijen langs sloten of wegen.
•
Bebouwing zeer sporadisch.
Figuur 17. “Nederland op z’n smalst” in het uiterste zuiden van de gemeente. De weg en houtwal zijn Nederlands, het land achter de houtwal en rechts van de weg is Belgisch. Dit weggetje verbindt de ontginning De Blokken met de rest van de gemeente Baarle-Nassau. (RAAP, 25-07-2024).
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[46]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
P0h5 - natte heideontginning, onregelmatig verkaveld Veelal gelegen aan de bovenloop van beken zijn de onregelmatig verkave lde natte heideontginningen. Ook op het plateau van Castelré is een groot gebied met natte heideontginningen. Deze laatste is grotendeels voor natuurontwikkeling in gebruik. De onregelmatige verkaveling is vaak het gevolg van het feit dat dit ontginningsty pe een onregelmatig gevormd restgebiedje was dat te nat was om bij de ‘gewone’ heideontginning meegenomen te worden. De natte omstandigheden noopten tot adequate maatregelen ten aanzien van de waterafvoer. Kenmerkend voor veel natte heideontginningen is dan ook de aanwezigheid van een grote watergang. Vaak is dit een gegraven of genormaliseerde bovenloop van een beek. Voor ontginning bestonden de gebieden vaak uit moeras of kwamen er vennen voor. De overwegend als grasland in gebruik zijnde percelen waren soms kruinig om een zo goed mogelijke afwatering te hebben. De aanwezigheid van wegen is zeer divers, soms is er een weg langs de rand, soms wordt het gebied doorsneden door wegen. In dit landschapstype kwam en komt nagenoeg geen bebouwing voor. Perceelsrandbegroeiing kwam sporadisch voor. Langs wegen waren hier en daar bomenrijen aanwezig. In gebieden met natuurontwikkeling zijn de bomenrijen vaak verdwenen, op andere plekken is perceelsrandbegroeiing gekomen en/of verwilderd.
Historische ruimtelijke kenmerken •
Onregelmatige vorm en percelering, overwegend in gebruik als grasland.
•
Aanwezigheid van kruinige percelen.
•
Veelal een grote watergang voor de afwatering.
•
Wegen aan de randen of dwars door het gebied.
•
Op enkele plaatsen perceelsrandbeplanting of bomenri jen langs wegen.
•
Bebouwing nagenoeg niet voorkomend.
Figuur 18. De Castelreesche Heide is de grootste natte heideontginning van de gemeente. Door de natuurontwikkeling is in de open graslanden meer opgaande beplanting gekomen. Me t de aanleg van poelen is het landschapsbeeld van voor de ontginning deels teruggebracht. (RAAP, 25 -07-2024). RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[47]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .
P0h6 - natte heideontginning, regelmatig verkaveld Verspreid over de oorspronkelijke uitgestrekte heidegebieden lagen vennen en natte laagtes die los van de andere jonge heideontginningen zijn ontgonnen. Deels zijn ze mogelijk ook wat later dan de omliggende heide ontgonnen, omdat ze moeilijker in gebruik te nemen waren vanwege de natte omstandigheden. De regelmatige natte heideontginningen zijn veel minder dan de onregelmatige gelegen aan de bovenloop van beken. Slechts op een enkele plaats is dit het geval, zoals ten oosten van Nieuwe Strumpt. Wel zijn er altijd grotere watergangen aanwezig in de gebieden voor de ontwatering. Kruinige percelen helpen verder de afwatering te verbeteren. Ook de regelmatige natte heideontginningen kenden weinig opgaand groen, al komen bosjes en perceelsrandbeplanting langs de randen soms voor. De gebieden zijn redelijk klein en wegen liggen alleen aan de randen ervan. Ze zijn voornamelijk in gebruik geweest als grasland en bebouwing kwam er niet voor. Historische ruimtelijke kenmerken •
Kleine gebieden met regelmatige verkaveling, verwegend in gebruik als grasland
•
Aanwezigheid van kruinige percelen.
•
Veelal een grote watergang voor de afwatering.
•
Wegen aan de randen van het gebied.
•
Hier en daar bosjes aanwezig of perceelsrandbeplanting langs de randen.
•
Geen bebouwing.
P0h7 - kleinschalige natte heideontginning In het noorden van de gemeente waren te midden van de grote he idebebossingen, enkele ‘eilandjes’ die tot agrarische grond ontgonnen waren. Deze kleine gebiedjes kenmerk(t)en zich door een kleinschalige verkaveling van deels kruinige percelen. Ze waren in gebruik als grasland en langs de perceelsscheidende sloten stonden bomenrijen, vermoedelijk van knotwilgen of vergelijkbare soorten. De enige bebouwing in deze kleinschalige ontginningen was en is te vinden in De Huisvennen. Dit gebied, dat al in 1503 voor het eerst wordt genoemd, is eind 19 e eeuw ontgonnen en in 1913 is daar het jachthuis Antoinette gebouwd. 43 Een deel van de ontginning werd toen als park ingericht. Historische ruimtelijke kenmerken •
Kleinschalige percelering, overwegend in gebruik als grasland.
•
Aanwezigheid van kruinige percelen.
•
Sloten als perceelsgrens vaak met bomenrij.
•
Bebouwing alleen in Huisvennen.
P0h8 - jonge heidebebossing, onregelmatig verkaveld Grote delen van de heide zijn bebost na het verdwijnen van het potstalsysteem en bemesting met heideplaggen. De nutteloos geworden arme gronden werden het meest rendabel door ze aan te planten met bomen, overwegend naaldbomen. Deze groeien snel en waren ideaal voor het gebruik in de mijnen. Naaldhout kraakt voor het breekt en waarschuwt mijnwerkers zo voor een naderende instorting. Ongeveer een kwart van de heidebebossingen had een onregelmatige structuur. Deze gebieden zijn
43
Amaliavansolms.org, z.j., W andelommetje Huisvennen.
RAAP-rapport 7401 / versie 06-05-2025
[48]
Cultuurhistorische waardenkaart van Baarle-Nassau. Inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, bouwkunst en stedenbouw .