Bijlage 1 BOPA Kerkplein 4-6 12-5-2025
Tekst van het document
Bedrijven en milieuzonering
4.2.1
Richtafstanden bedrijven
Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen.
Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld: ▪ Categorie 1: grootste afstand 10 meter; ▪ Categorie 2: grootste afstand 30 meter; ▪ Categorie 3: grootste afstanden 50 en 100 meter; ▪ Categorie 4: grootste afstanden 200 en 300 meter; ▪ Categorie 5: grootste afstanden 500, 700 en 1.000 meter; ▪ Categorie 6: grootste afstand 1.500 meter. Omgevingstype In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd (buiten)gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025
Pagina 24 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied beschouwd worden. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Indien sprake is van een gemengd gebied kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. De omgeving van de planlocatie is gelegen in het centrum van Baarle-Nassau. In de omgeving is een grote diversiteit aan functies (woonfunctie, detailhandelsfunctie, maatschappelijke functies, horeca functies) in het bebouwingslint van de Desirée Geeraertstraat en rondom het Kerkplein. Het gebied kan daarom worden gekarakteriseerd als ‘gemengd gebied’. De richtafstanden mogen met één afstandsstap worden teruggebracht, met uitzondering van het aspect gevaar. Richtafstanden In de omgeving zijn diverse (agrarische)bedrijven gevestigd. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van het plangebied, uitgaande van een gebiedstypering ‘gemengd gebied’. Binnen de voor ‘Centrum’ bestemde gronden zijn alleen bedrijven toegestaan met een milieucategorie 1 of 2. Voor deze categorieën geldt een richtafstand van 30 meter. In de onderstaande tabel zijn daarom alle bedrijven meegenomen welke binnen een afstand zijn gelegen van maximaal 30 meter tot de planlocatie.
Stof
Geluid
Gevaar
Ca. afstand vanaf het bedrijf tot de nieuwe woningen aan Kerkplein nummer 4 en 6
Geur
Tabel 4: Richtafstanden bedrijven, omgevingstype ‘gemengd gebied’ Bedrijfsomschrijving Adres Milieuc Richtafstand at. omgevingstype ‘gemengd gebied’ in meter
Wild West Restaurant
Singel 18
1
0
0
0
10
0 meter
De Pannenkoekenbakker
Singel 16
1
0
0
0
10
6 meter
Dominique Mode
Singel 14 – Desirée Geeraertstraat 1 Desirée Geeraertstraat 3 Nieuwstraat 1
1
0
0
0
0
22 meter
1
0
0
0
10
6 meter
1
0
0
0
0
17 meter
Desirée Geeraertstraat 8 Kerkplein 8
1
0
0
0
0
10 meter
1
0
0
0
0
2 meter
Kerkplein 5, BaarleHertog (BE) Kerkplein 8, BaarleHertog (BE)
1
0
0
0
10
11 meter
2
0
0
10
0
8 meter
Eeterij Lambik Guilickx Schoenen By Kristel Hairstyling Baarle Zonnestudio Sunwise Pasha Baarle Sint-Remigiuskerk
De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Binnen gemengde gebieden, hier aangeduid als gebieden met functiemenging, heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd, zoals in het centrum van Baarle-Nassau, en dus ook in de omgeving van het Kerkplein en de Desirée Geeraertstraat. Gelet op de toekomstige woondoeleinden dient voorkomen te worden dat overlast veroorzaakt wordt voor de woonomgeving door de vestiging van eventueel nieuwe bedrijven. Planologisch zijn enkel bedrijven toegestaan die uit het oogpunt van hinder passen binnen de omgeving waar ze zich bevinden (categorie 1 en 2). Categorie 1 en 2 bedrijven kunnen in een gemengd (centrum) gebied, gelet hun aard en invloed op de omgeving, toegelaten worden tussen, naast en onder woningen. Door de wijze van bestemmen en de ligging in een gemengd gebied zoals hiervoor uiteengezet, is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies en locaties. Bestaande omliggende, en eventueel toekomstige bedrijven worden niet belemmerd door de beoogde ontwikkeling. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025 Pagina 25 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
4.3
Geur
Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de geurregels voor veehouderijen vanuit de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen in paragraaf 22.3.6 van de bruidsschat. In paragraaf 22.3.6 staan de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De regels hebben het doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de bruidsschat opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De bruidsschat vormt vanaf 1 januari 2024 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Indirect hebben de regels in de bruidsschat ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd.
Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: ▪ Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen? ▪ Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De toekomstige appartementen op de locatie Kerkplein 4 en 6 kunnen gezien worden als geurgevoelig object. Voor de planlocatie dient te worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van de planlocatie acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op de planlocatie door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. De bruidsschat geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie.
De gemeente Baarle-Nassau kent voor het gebied waarin de planlocatie is gelegen geen geurverordening, voor het bepalen van een goed woon- en leefklimaat worden daarom de geurnormen uit de bruidsschat gehanteerd. Woon- en leefklimaat op basis van geuremissie In de bruidsschat zijn in artikel 22.98 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m3). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. De gemeente Baarle-Nassau is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen binnen een concentratiegebied. De planlocatie Kerkplein 4 en 6 is gelegen binnen de bebouwde kom, waardoor conform artikel 22.98, lid 1 van de bruidsschat een geurbelasting van 3 odour units (ouE/m³) op een gevoelig object is toegestaan. Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder een geuremissiefactor en een geurgevoelig object. De norm van 3 ouE/m³ geldt altijd, tenzij het gaat om het houden van dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de bruidsschat. Dan geldt een vaste afstand. De nieuwe woningen aan het Kerkplein 4 en 6 kunnen gezien worden als geurgevoelige object in het kader van de bruidsschat voor omliggende bedrijven.
Gekeken moet worden of op de planlocatie een acceptabel woonen leefklimaat aanwezig is en of de ontwikkeling op de planlocatie geen beperkende werking heeft voor omliggende veehouderijen. Het woon- en leefklimaat als het gevolg van de geurbelasting van omliggende veehouderijen is in onderstaande afbeelding weergegeven. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft voor heel Noord-Brabant, op basis van een export van de bronnen uit Web-BVB met behulp van V-Stacks Gebied, de achtergrondbelasting bepaald. De gehanteerde emissiegegevens dateren van het jaar 2023 en zijn daarmee recent en actueel. De emissie van elk bedrijf is geconcentreerd op de x- en y-coördinaat zoals die in het Web-BVB is ingevoerd. Hierdoor geeft de Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025
Pagina 26 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
onderstaande kaart een indicatie van het woon- en leefklimaat. Opgemerkt dient te worden dat in de directe nabijheid van een veehouderij de achtergrondbelasting net anders kan zijn. Als uit deze kaart blijkt dat er overbelaste situaties aan de orde zijn, is een gedetailleerde achtergrondberekening benodigd.
Figuur 14: Uitsnede achtergrondbelastingkaart, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant
Uit bovenstaande figuur, een uitsnede van de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant, blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving op basis van de achtergrond belasting als ‘goed’ is aan te merken. Op de planlocatie is er geen sprake van een overbelaste situatie. Een aanvullende berekening voor het bepalen van de achtergrondbelasting of voorgrondbelasting is in deze situatie dan ook niet noodzakelijk. Aan het Kerkplein 4 en 6 is de achtergrondbelasting zo laag dat niet te verwachten is dat er op basis van de voorgrondbelasting van een afzonderlijke veehouderij belemmeringen optreden. Er is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat op basis van geuremissie. Woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden In de bruidsschat worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor en een geurgevoelig object. Conform artikel 22.101 van de bruidsschat gelden voor agrarische bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. De minimale afstand binnen de bebouwde kom betreft 100 meter. Daarnaast dient op grond van artikel 22.103 van de bruidsschat een minimale afstand aangehouden te worden van 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object.
Het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf waarbij de vaste afstanden van toepassing zijn, is het veehouderijbedrijf op Nederlands grondgebied aan de Kapelstraat 36 te Baarle-Nassau. Het betreft een melkveehouderij waar melkrundvee gehouden wordt. De veehouderij ligt op een afstand van ca. 880 meter ten oosten van de planlocatie Kerkplein 4 en 6 en ligt daarmee op een grote afstand van de planlocatie. Alle overige veehouderijen met dieren waarbij de vaste afstanden gelden zijn op een grotere afstand vanaf de planlocatie gelegen. De ontwikkelingen op de planlocatie Kerkplein 4 en 6 vinden hierdoor plaats op een ruime afstand van bestaande veehouderijbedrijven. De hiervoor genoemde afstanden worden hiermee ruimschoots behaald. Er is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat op basis van de vaste afstanden. Gelet op voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen binnen het plangebied, en andersom ook geen beperkende werking hebben op eventuele toekomstige uitbreiding mogelijkheden van veehouderijbedrijven in de omgeving. 4.3.1
Gezondheidsaspecten
Toetsingskader Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025
Pagina 27 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Het gezondheidsaspect heeft de laatste jaren steeds meer aandacht als het gaat om veehouderijen in de nabijheid van woningen en woonkernen. Met name komst of de aanwezigheid van intensieve veehouderijen kan onrust veroorzaken over de gezondheid bij omwonenden. Mogelijke risico's voor de gezondheid kunnen worden veroorzaakt door fijnstof, stank, endotoxinen en zoönose. Endotoxinen zijn deeltjes van bacteriën of schimmels die zitten in agrarisch stof. Zoönose zijn infectieziekten die van dieren op mensen overdraagbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn de vogelgriep, MRSA, BSE en Q-koorts. De huidige onderzoeken – bekend gemaakt vanuit Ministeries, Rivm, Gezondheidsraad of GGD - maken duidelijk dat er nog veel onbekend is en dat daarom nauwkeurige uitspraken over een eventuele directe relatie tussen nabijheid van veehouderij en effecten op de gezondheid van omwonenden nog niet mogelijk zijn. Voor zover echte verbanden tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden gevonden, hebben deze betrekking op de afstand tussen veehouderij en bewoning en op het aantal bedrijven binnen een zekere straal rond bewoonde gebieden. Uit de resultaten van huidige onderzoeken kan echter niet simpelweg worden geconcludeerd om welke afstand het gaat en bij welke concentraties gezondheidseffecten optreden.
Omdat veel mensen zich afvragen of het (on)gezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen heeft het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) onderzoek laten verrichten. Dit heeft geresulteerd in twee onderzoeksrapporten “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden”, kortweg VGO 1 uit 2016 en VGO 2 uit 2017. De belangrijkste resultaten uit deze onderzoeken zijn: ▪ Rond pluimveehouderijen en geitenhouderijen komen iets vaker longontstekingen voor; ▪ Bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen komen astma en neusallergie minder voor; ▪ Mensen die in de buurt van veel veehouderijen wonen kunnen een verminderde longfunctie hebben. Uit het VGO 2-rapport volgt verder dat er een verhoogde kans (29%) op longontsteking is binnen een straal van 1,5 tot 2 km van geitenveehouderijen en 1 km van pluimveehouderijen. De precieze oorzaak van deze verhoogde risico`s kan echter niet worden aangegeven door de GGD. Op dit moment gaat men ervan uit dat pas binnen enkele jaren meer concreet aangegeven kan worden of er oorzakelijke verbanden bestaan en wat deze inhouden. In maart 2016 is de eerste versie van de Handreiking veehouderij en volksgezondheid verschenen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu.
Vervolgens is een wijze van beoordeling uitgewerkt (‘het stappenplan’) om tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Op deze manier wordt gestreefd om in Brabant, totdat er meer duidelijkheid is over een toe te passen (wettelijk) beoordelingskader, dan wel dat zich andere ontwikkelingen voordoen, gezamenlijk tot een breed gedragen werkwijze te komen die recht doet aan het belang van de volksgezondheid voor de burgers in de provincie. Inmiddels is de handreiking van maart 2016 geactualiseerd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. In het stappenplan zijn aspecten meegenomen in de afweging of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is in principe ook te gebruiken voor ruimtelijke plannen. In het stappenplan wordt onder andere getoetst aan de aspecten geur en fijnstof zoals deze staan beschreven in paragraaf 4.3 en 4.5. Daarnaast wordt er aan de hierboven benoemde afstanden getoetst of er binnen deze afstanden bepaalde veehouderijen zijn gelegen.
Beoordeling Doormiddel van het bovenbeschreven stappenplan is bekeken of er voor de planlocatie een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit GGD wenselijk is. In het voorliggend bestemmingsplan zijn de gezondheidsrisico’s naar verwachting erg laag. Er is geen sprake van een hoge concentratie van veehouderijen in de directe omgeving. Daarnaast spelen de grootste gezondheidsrisico’s bij de intensieve veehouderijen. De planlocatie aan het Kerkplein 4 en 6 is niet gelegen binnen een cirkel van 2 km van een geitenhouderij. Ook is de planlocatie niet gelegen binnen een cirkel van 1 km van een pluimveehouderij. De planlocatie is daarnaast niet gelegen binnen 250 meter van overige intensieve veehouderijbedrijven. De geur- en fijnstofnormen zijn doorgaans voldoende om een overschrijding van de endotoxine advieswaarde te voorkomen. Zoals aangegeven in paragraaf 4.3 ‘Geur’ en paragraaf 4.5 ‘Luchtkwaliteit’ wordt ruimschoots Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025
Pagina 28 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
voldaan aan de geur- en fijnstofnormen in het plangebied en vindt er geen overschrijding plaats van de normen. Daarbij is de planlocatie niet gelegen in een gebied met een hoge concentratie aan veehouderijbedrijven. De afstanden zoals hierboven beschreven voor het plangebied ten opzichte van de intensieve veehouderijbedrijven worden ruimschoots behaald. Op basis hiervan is er voor het plangebied geen verhoogd risico door endotoxinen en daarmee geen verhoogd risico voor de volksgezondheid door de ontwikkelingen binnen de planlocatie Kerkplein 4 en 6. Conclusie Iedere veehouderij moet voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Alles in ogenschouw nemende en de ruime afstand tot aan de veehouderijbedrijven wordt de ontwikkeling aan het Kerkplein 4 en 6 op gebied van gezondheid passend geacht. Door het stappenplan te doorlopen, blijkt dat er geen verhoogde gezondheidsrisico’s te verwachten zijn en ter plaatse van het plangebied een goed woonen leefklimaat te garanderen is op basis van de gezondheidsaspecten.
Er is gezien bovenstaande motivatie geen advies van de GGD benodigd voor onderhavige planlocatie. Het aspect volksgezondheid zal dan ook niet leiden tot een belemmering voor het beoogde initiatief. 4.4
Bodemkwaliteit
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient rekening te worden gehouden met de kwaliteiten van de bodem. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat er sanerende of beschermende maatregelen benodigd zijn bij overschrijding van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem. Bij een wijziging van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor de beoogde ontwikkeling. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Op 3 mei is door Moerdijk Bodemsanering B.V. een rapport uitgebracht van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek. Het doel van dit verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de bodemkwaliteit (in relatie tot mogelijke verontreinigingen in de bodem). Hiertoe is de kwaliteit van zowel de grond als het grondwater beoordeeld op basis van een steekproef, waarbij een beperkt aantal boringen is verricht en een aantal grond(meng)monsters en grondwatermonsters chemisch-analytisch zijn onderzocht. Onderstaand is de conclusie van het rapport met daarin de belangrijkste onderzoeksresultaten weergegeven. Voor het volledige onderzoek wordt kortheidshalve verwezen naar de afzonderlijke bijlage (bijlage 2).
Conclusie verkennend bodemonderzoek De locatie heeft een oppervlakte van 1.033 m2 . De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 745 m2 en betreft een voormalig winkel-/magazijn pand met bovenwoning, een drietal garageboxen met bovenwoning en een bijgebouw aan de westzijde welke recent is gesloopt. Tussen de bebouwing is er een binnenplaats aanwezig. Uit de resultaten van het vooronderzoek (inclusief locatie-inspectie) blijkt dat de locatie als heterogeen verdacht beschouwd dient te worden ten aanzien van zware metalen en PAK in grond. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: - Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is ter plaatse van boring 06 zwak kolengruishoudende grond aangetroffen. Voor het overige zijn zintuigelijk (geur, kleur en samenstelling) geen afwijkingen waargenomen. Er zijn visueel in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. - In bovengrondmengmonster M01 zijn verhoogde gehalten aan koper, zink, lood, kwik en minerale olie aangetroffen. De interventiewaarden worden niet overschreden. - In ondergrondmengmonster M02 zijn verhoogde gehalten aan zink, koper, kwik en lood aangetroffen. De interventiewaarden worden niet overschreden. - In ondergrondmengmonster M03 zijn verhoogde gehalten aan koper, kwik en lood aangetroffen. De interventiewaarden worden niet overschreden.
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025
Pagina 29 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
-
In grondwatermonster GW01 is een verhoogde concentratie aan molybdeen aangetroffen. De interventie/signaalwaarde wordt niet overschreden. Aangenomen wordt dat de verhoogde concentratie aan molybdeen een natuurlijk verhoogde waarde betreft.
De tevoren gestelde hypothese ‘heterogeen verdachte’ locatie dient formeel gezien te worden geaccepteerd. De verhogingen in de grond en het grondwater overschrijden de interventie/signaalwaarden echter niet. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van appartementen op de locatie. 4.5
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Voor een activiteit dat NIBM (niet in betekende mate) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de omgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Een plan is NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende: Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Er vindt met onderhavig plan een realisatie plaats van 12 woningen ontsloten aan een bestaande weg, namelijk de Desirée Geeraertstraat. En plan wat NIBM bijdraagt omvat maximaal een toevoeging van 1500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied een ‘niet in betekenende mate’ bijdrage levert die beschouwd kan worden als verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling in het plangebied zal niet resulteren in een significante toename van het verkeer op de Desirée Geeraertstraat.
Voor het onderhavige plan geldt een grens van 3 %. De verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling op de planlocatie zal naar verwachting geen invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse en derhalve de 3 % grens niet overschrijden. Een nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Omdat bij de beoogde ontwikkeling sprake is van nieuwe woonfuncties, dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties. De coördinaten van de planlocatie aan het Kerkplein 4 en 6 zijn bij benadering: ▪ X = 123225 ▪ Y = 383818 De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: ▪ 2023: PM10: 14.89 μg/m3 en NO2: 9.777 μg/m3 ▪ 2025: PM10: 14.98 μg/m3 en NO2: 10.96 μg/m3 ▪ 2030: PM10: 13.92 μg/m3 en NO2: 8.938 μg/m3 Om het woon- en leefklimaat met betrekking tot de luchtkwaliteit in het plangebied te bepalen wordt gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN). Hieruit volgt dat ter plaatse van de planlocatie zowel in de huidige situatie als voor 2030 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen.
Hiermee is er vanuit het aspect luchtkwaliteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4.6
Trillingen
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025
Pagina 30 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijzen trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten aan. Overheden passen deze instructieregels toe als zij activiteiten toelaten op een locatie. Dit doen zij bijvoorbeeld bij het opstellen van een omgevingsplan. Artikel 5.80 van het Bkl wijst gebouwen of gedeeltes van gebouwen met de gebruiksfunctie 'wonen' aan als trillinggevoelige gebouwen. Hieronder vallen alle gebouwen met een woonfunctie, zoals woningen en verzorgingshuizen. In het kader van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' kan het aspect trillingen bij dergelijke gebouwen in de ruimtelijke inpassing wel een rol spelen. De nieuwe woningen aan het Kerkplein 4 en 6 kunnen worden gezien als trillinggevoelig gebouw. Beweging over weg- en spoorwegverkeer kunnen trillingen veroorzaken in woningen, scholen en dergelijke. Dit moet het bevoegd gezag betrekken bij de ruimtelijke inpassing van spoor(wegen) en/of trillinggevoelige gebouwen, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. Bij het passeren van vooral zware voertuigen, zoals vrachtwagens en bussen, kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter.
De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheden, zoals bij een brug. In de meeste gevallen speelt het aspect trillingen geen rol bij de ruimtelijke inpassing. Er gelden hiervoor geen instructieregels van het Rijk. De Desirée Geeraertstraat en het Kerkplein bestaan uit een klinkerweg, waarbij er een maximum snelheid geldt van 30 km/h. Zwaar wegverkeer zal zich nauwelijks bevinden op deze wegen. Door de ligging van de N260 ten oosten van Baarle-Nassau, wordt zwaar verkeer om het dorp geleid. In het centrum zal bestemmingsverkeer van zware omvang eens in de tijd door het centrum en rondom het plangebied begeven. Er kan gesteld worden dat er vanuit het wegverkeer geen trillingen worden verwacht wat hinder uitoefent op het toekomstige appartementencomplex. In de omgeving zijn er reeds woningen gelegen welke zich dichter tot de weg bevinden.
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025
Pagina 31 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 5 5.1
Bescherming van de waterbelangen
Waterschap Brabantse Delta
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen In het waterbeheerplan 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De waterschapsverordening en de Legger. De waterschapsverordening bevat alle regels die bepalen welke activiteiten, waar in het werkgebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel.
Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De waterschapsverordening en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. 5.2
Handreiking Waterbeleid Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen
In het waterbeleid zijn de zorgplichten uit de Waterwet verder ingevuld. Het gemeentelijke waterbeleid schrijft onder meer voor dat stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater op een deugdelijke manier moeten worden ingezameld, geborgen, getransporteerd en/of lokaal gezuiverd. Alle nieuwe nieuwbouw- en herstructureringsprojecten dienen in principe hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd waarbij de wettelijke voorkeursvolgorden gehanteerd worden. Hemelwater wordt daarom, ook als er geen toename is van het verhard oppervlak, bij voorkeur in de bodem geïnfiltreerd en schoon gehouden. Bij het oprichten van een bouwwerk en aanleg van bestrating geldt voor de toename van het toekomstige aangesloten verhard oppervlak (daken en verharding) conform het gemeentelijke beleid een norm van minimaal 60 mm (in Gilze en Rijen) of 78 mm (in Alphen-Chaam en Baarle-Nassau) voor het nieuwe verhard oppervlak. Bij vervanging geldt een bergingsnorm van minimaal 7 mm (7 liter per m² of 70 m3 per hectare) voor het vernieuwd verhard oppervlak. Hiermee worden kleine buien zoveel mogelijk in de bodem geïnfiltreerd om verdroging tegen te gaan en wordt het rioolsysteem ontlast bij korte hevige buien. 5.2
Grondwaterbeschermingsgebieden
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025
Pagina 32 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 15: Uitsnede Keurkaart Waterschap Brabantse Delta
De planlocatie ligt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. De locatie ligt wel binnen het invloedsgebied Natura 2000. Binnen het invloedsgebied Natura 2000 gelden extra maatregelen met betrekking tot de grondwaterstand. Op de planlocatie zijn in de bestaande situatie geen waterpartijen aanwezig. Daarnaast wordt er naar aanleiding van de ontwikkeling op de planlocatie geen water onttrokken uit het gebied. De ontwikkeling op de planlocatie heeft geen invloed op de bovengenoemde gebieden. 5.3
Waterlopen
In en rondom de projectlocatie zijn geen waterlopen aanwezig en/of aangeduid op de legger van waterschap Brabantse Delta.
Figuur 16: Uitsnede Leggerkaart Waterschap Brabantse Delta
5.4
Riolering en infiltratie
Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekent. Daarbij zal zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van milieuvriendelijke Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025
Pagina 33 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
bouwmaterialen en worden uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC zoveel mogelijk achterwegen gelaten. Voor de geprojecteerde bebouwing geldt derhalve dat het realiseren van een gescheiden stelsel uitgangspunt is, het huishoudelijke afvalwater van de geprojecteerde bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel van de Desirée Geeraertstraat en/of het Kerkplein. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via de drukriolering wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in de Keur opgenomen dat in principe verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. d.
de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid aangegeven dat bij afgekoppeld verhardoppervlak voor locaties kleiner dan 500 m², het is toegestaan het water direct af te voeren op het oppervlaktewater of op het in de omgeving aanwezige bestaande rioolstelsel. Er hoeft dan geen infiltratie dan wel retentie toegepast te worden. De factor 0,06 vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m³/ ha) die het verschil aangeeft tussen de hoeveelheid neerslag en enkele verliesposten op het maaiveld. De gevoeligheidsfactor is afhankelijk van kenmerken van het beïnvloedingsgebied, deze gevoeligheidsfactor is terug te vinden op de kaart behorende bij de Keur. De gevoeligheidsfactor op de planlocatie is 1. De gehele planlocatie betreft bouwdeel C1, C2 en D en heeft een oppervlakte van circa 745 m². In de huidige situatie zijn op de locatie Kerkplein 4 en 6 diverse gebouwen aanwezig met bij elkaar een oppervlakte van circa 319 m².
In de toekomstige situatie zal er een deel van de bestaande bebouwing gesaneerd en getransformeerd worden naar een appartementencomplex met 12 appartementen. In de toekomstige situatie is er ca. 490 m² aan bebouwing aanwezig op de planlocatie. Met de aanleg van parkeerplaatsen en overige benodigde verharding zal het totale verharde oppervlak in de toekomstige situatie ca. 718 m² bedragen. Er is dan een vergroting van 399 m² aan verhard oppervlak. Volgens het beleid van het Waterschap Brabantse Delta hoeft er daarom geen infiltratie dan wel retentie toegepast te worden, en is het toegestaan water direct af te voeren op het oppervlaktewater of op het in de omgeving aanwezige rioolstelsel. Beleid gemeente Baarle-Nassau In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGR) beschrijft de gemeente hoe zij invulling geeft aan de gemeentelijk watertaken met daarbij het ambitieniveau en de speerpunten. In het VGR is beschreven dat het beleid erop gericht is versnelde of vergrote afvoer van hemelwater zoveel als mogelijk te voorkomen door infiltratie of retentie. Daarbij stelt de gemeente als uitgangspunt dat perceeleigenaren redelijkerwijs trachten te voldoen aan de retentienormen voor hemelwater. Als dat niet eenvoudig lukt, zoeken de gemeente en perceeleigenaren naar een geschikte oplossing.
Bij vervanging geldt een bergingsnorm van minimaal 7 mm (7 liter per m² of 70 m3 per hectare) voor het vernieuwd verhard oppervlak. Voor de toename van het toekomstige aangesloten verhard oppervlak (daken en verharding) geldt conform het gemeentelijke beleid een norm van minimaal 78 mm voor het nieuwe verhard oppervlak. De gemeente rekent niet met een gevoeligheidsfactor. Oppervlak wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden. De bestaande watersystemen zoals greppels en vijvers dienen gehandhaafd te blijven tenzij de bergende, afvoerende, infiltrerende en drainerende functie gecompenseerd wordt.
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025
Pagina 34 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
In de huidige situatie wordt er 319 m² aan bebouwing gesloopt. Het voornemen is om nieuwe bebouwing op te richten van circa 490 m² en circa 228 m² aan verharding. Er is dus een toename van 399 m² aan verhard oppervlak. Het vervangend oppervlak is 319 m². De benodigde compensatie ten behoeve van het nieuwe bijgebouw met vergroting van het verhard oppervlak is: 319 x 0,007 + 399 x 0,078 = 33,36 m³ 5.5
Weging van het waterbelang
De weging van het waterbelang proces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De weging van het waterbelang zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De weging van het waterbelang is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het proces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap.
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025
Pagina 35 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 6 6.1
Waarborgen van de veiligheid
Algemeen
Omgevingsveiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van de infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten, waarbij het met name gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets misgaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. 6.2
Toetsingskader
Omgevingsveiligheid beschrijft alle risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. 6.3
Beoordeling omgevingsveiligheid
Veiligheidsregio Een verantwoording groepsrisico geldt voor alle ruimtelijke plannen en afwijkingsbesluiten in het kader van de Wro. De feitelijke verklaring wordt vastgesteld door het bevoegd gezag, tegelijk met de vaststelling van het bestemmingsplan en/of afwijkingsbesluit. Ten behoeve van de verantwoording groepsrisico wordt bij de Veiligheidsregio (verplicht adviseur) om advies gevraagd. De Veiligheidsregio heeft ervoor gekozen om in bepaalde situaties een standaardadvies af te geven. In dit standaardadvies wordt in het kader van de verantwoording groepsrisico aandacht besteed aan de volgende aspecten: ▪ ▪ ▪
Mogelijk te treffen maatregelen ter verbetering van de veiligheid; Mogelijkheden voor de rampenbestrijding; Mate van zelfredzaamheid van de aanwezigen
De standaard verantwoording groepsrisico is van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen die: ▪ Buiten de 750 meter van een niet categoriale Bevi-inrichting1 of indien er een kleiner invloed gebied is vastgesteld en vastgelegd, dan geldt deze kleinere afstand; ▪ Buiten de 200 meter van een categoriale Bevi-inrichting2, autoweg3 of buisleiding of indien de wettelijk vastgelegde afstand kleiner is dan 200 meter, dan geldt deze kleinere afstand.
1
Inrichting waarvoor een QRA is opgesteld
2
Inrichting waarvoor vaste afstanden gelden voor plaatsgebonden risico en invloed gebied (tabellen Revi)
3
Spoorlijn en waterweg zijn niet van toepassing
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025
Pagina 36 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 17: Uitsnede kaart register externe veiligheidsrisico’s
Binnen het aspect omgevingsveiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Het Bevi is van toepassing op vergunning plichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Op basis van de uitgevoerde risico-inventarisatie blijkt dat de planlocatie niet is gelegen in een invloedsgebied van een Bevi-bedrijf, waardoor het Bevi niet relevant is en er geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied.
Transportleidingen Wanneer sprake is van relevante buisleidingen in een gebied, dient er een ruimtelijke reservering opgenomen te worden in het bestemmingsplan voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR). Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval bekeken worden. De voor onderhoud gereserveerde ruimte bedraagt minimaal 5 meter aan beide zijden van de leiding. Uit de risicokaart van de provincie blijkt dat er geen risicorelevante buisleidingen in de directe omgeving van de planlocatie aanwezig zijn. Op basis van de uitgevoerde risico-inventarisatie blijkt dat de planlocatie niet in een invloed gebied (200 meter) ligt van een buisleiding, waardoor het Bevb niet relevant is en er geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied. Transportassen Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage 2, 3 en 4 van het Bevt zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025
Pagina 37 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Op basis van de uitgevoerde risico-inventarisatie blijkt dat de planlocatie niet is gelegen in een invloedsgebied van transportas, waardoor het Bevi niet relevant is en er geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied. Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het Kerkplein 4 en 6 is niet gelegen binnen een PR 10-6 contour. Van een plaatsgebonden risicocontour is geen sprake wanneer de jaarintensiteit aan GF3 kleiner is dan 500. Op alle wegen in gemeente Baarle-Nassau is de jaarintensiteit GF3 lager dan 500 transporten. Het bepalen van het plaatsgebonden risico is niet van toepassing op het plangebied. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen. Groepsrisico Bij een groepsrisico is er sprake van ‘aandachtsgebieden’.
Volgens artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving hebben risicovolle activiteiten van rechtswege aandachtsgebieden. Deze aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Op figuur 17 is te zien dat de planlocatie niet in een aandachtsgebied is gelegen volgens het register externe veiligheidsrisico’s.
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025
Pagina 38 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 7 Bescherming van landschappelijke stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 7.1
Cultureel erfgoed
7.1.1
Cultuurhistorie
Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet.
Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant Voor het bepalen van de cultuurhistorische elementen van het plangebied is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.
Deze kaart is eveneens via de TAMomgevingsverordening Noord-Brabant een verplicht te raadplegen onderdeel. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (figuur 18) van de provincie Noord-Brabant is te zien dat de planlocatie is gelegen binnen het cultuurhisorische landschapsregio ‘Baronie’. Ook is de planlocatie gelegen in het gebied met de aanduiding 'Archeologische monumenten: Terrein van hoge archeologisch waarde'. De Desirée Geeraertstraat heeft een historische geografie van redelijk hoge waarde. Daarnaast ligt het plangebied binnen het gebied met de aanduiding 'Historische stedenbouw'. Het plangebied ligt namelijk binnen de oude dorpskern van Baarle-Nassau en Baarle-Hertog. Daarnaast is het plangebied gelegen in een gebied waar historische zichtrelaties liggen. Het valt namelijk binnen het blikveld van een molenbiotoop. Het betreft de molenbiotoop rondom de industrie -en poldermolen aan de Molenstraat 75 in Baarle-Hertog. Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht die de zichtlijnen op de molenbiotoop verstoren. Ten oosten en ten noorden van het plangebied bevinden zich enkele bebouwingen met cultuurhistorische waarde. Doordat het plan op eigen perceel wordt ontwikkeld, geeft dit geen belemmering voor de aanwezige cultuurhistorische bebouwing. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025
Pagina 39 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 18 : Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2024
Cultuurhistorische landschappen De planlocatie valt binnen het cultuurhistorisch landschap ‘Baronie’. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat onderbroken wordt door beken. In het zuiden stromen 't Merkske, de Chaamse beken en de Strijbeekse beek. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. De regio Baronie bezit bossen die de hele bosgeschiedenis weerspiegelen. Het Liesbos, het Ulvenhoutse Bos en het Chaamse Bos zijn zeer oude bossen die de kaalslag van de middeleeuwen overleefden. Ten zuiden van Breda hebben veel dorpen hun kleinschalige karakter behouden, zoals Galder, Strijbeek, Hulten en Molenschot. De planlocatie betreft geen landgoed en er zijn ook geen beken of bossen in de directe omgeving aanwezig. Op de planlocatie vinden geen ontwikkelingen plaats die van invloed kunnen zijn op de cultuurhistorische landschappen. Historische geografie De Desirée Geeraertstraat is aangeduid als historische geografie (lijn) van redelijk hoge waarde. Deze weg betreft een herkenbare en relatief gave elementen van het historisch landschap. De lijnen zijn representatief voor de diverse soorten lijnvormige landschapselementen in Noord-Brabant. De provincie wil de geografische lijnen, net als de overige cultuurhistorische waarden, behouden, verder ontwikkelen en toeristisch-recreatief ontsluiten.
De historische lijnen blijven door de ontwikkelingen op de planlocatie onaangeroerd. Het plangebied wordt stedenbouwkundig ingepast in het bestaande karakter van het lint. Het initiatief voorziet niet in een wijziging die van invloed is op de aanwezige structuren, er vinden geen wijzigingen plaats die van invloed kunnen zijn op de historische geografie van de Desirée Geeraertstraat. Het toevoegen van de nieuwe woningen aan het bestaande historisch lint wordt passend geacht. Historische stedenbouw Over de planlocatie ligt een aanduiding voor ‘Historische stedenbouw’. Baarle-Nassau is ontstaan uit een tiendakkerdorp ontwikkeling, waaromheen een dubbele krans van nederzettingen zich heeft bevonden. Het centrale dorpsplein (Singel) met het aansluitend kerkplein (Sint-Remigiuskerk) van waaruit lintbebouwde straten bevinden naar omliggende buurtschappen. De nederzetting omvat Belgische enclaves, tezamen BaarleHertog, en Nederlandse exclaves, ontstaan na opdeling van bezittingen tussen hertog van Brabant en heer van Breda in 1198 en resulterend in zeer kleinschalig patroon van rijksgrenzen. Ondanks de staatkundige grenzen ontbreekt tussen de twee dorpen elk visueel onderscheid, uitgezonderd enkele dubbele overheids- en andere gebouwen (stadhuizen, politiebureaus, kerken en dergelijke). Staatkundig is het gebied zonder meer een unicum.
Het initiatief voorziet niet in een wijziging die van invloed is op de kenmerkende omliggende gebouwen. De gebouwen op de planlocatie worden gesloopt, en daarvoor komt een soortgelijke bebouwing er voor terug met een andere functie. Het toevoegen van de nieuwe woningen aan het bestaande historisch lint wordt passend geacht. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025
Pagina 40 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
7.1.2
Archeologie
Beoordeling Het tijdig identificeren en meewegen van archeologische (verwachtings-)waarden kan een bijdrage leveren aan het behoud en versterking van de historische identiteit en kwaliteit van de leefomgeving (inclusief het landschap). Daarom is door de gemeente Baarle-Nassau de Archeologische beleidskaart opgesteld. De beleidsnota en bijbehorende archeologische beleidskaart is het centrale instrument dat alle betrokken partijen bij planvorming in staat stelt om vooraf inzicht te krijgen in de nog aanwezige of te verwachten archeologische waarden. In figuur 19 is ter plaatse van de (planlocatie) een uitsnede van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau weergegeven. Hieruit blijkt dat de planlocatie is gelegen in het ‘archeologisch monument (niet beschermd)’ gebied.
Figuur 19: Uitsnede Archeologische beleidskaart Baarle-Nassau
Archeologisch monumenten (niet beschermd) Dit gebied is op de archeologische beleidskaart aangeduid als categorie 1. Binnen deze gebieden zijn voorheen archeologische waarden gevonden, door onderzoek en/of combinatie met andere bronnen, die als behoudenswaardig kunnen worden gekarakteriseerd. Voor deze gebieden geldt er een hoge archeologische verwachting op basis van geologische en bodemkundige opbouw, historische informatie, en archeologische gegevens. Er is een (zeer) hoge kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische vondsten of sporen. Om het archeologisch bodemarchief van deze gebieden gedegen te beheren is vanaf een bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 50 m² én een diepte van 40 cm onder het maaiveld een archeologisch onderzoek vereist. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de bestaande gebouwen en het oprichten van nieuwe bebouwing. Er is daarom een archeologisch onderzoek vereist. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025
Pagina 41 van 53
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Archeologisch onderzoek Op 25 februari 2025 is door Transect een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor in het plangebied aan de Kerkplein 4-6 in Baarle-Nassau. Conclusie • Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied op een dekzandplateau ligt, waarvan de ondergrond uit rivierafzettingen van de Formatie van Stramproy. Mogelijk is er een dunne laag dekzand op aanwezig. Op grond van de ouderdom van de afzettingen in het gebied, kunnen theoretisch gezien vindplaatsen uit de periode Midden-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen aanwezig zijn. In de top van de rivierafzettingen – op circa 1,0 m -Mv - kunnen resten uit het MiddenPaleolithicum aanwezig zijn, in de top van het dekzand resten uit het Laat Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. Resten uit het Midden-Paleolithicum zijn echter zeldzaam en de trefkans erop is in het plangebied klein. De verwachting hierop is zodoende laag. Voor resten uit het LaatPaleolithicum-Vroege Middeleeuwen is de verwachting echter hoog. Deze zullen zich in de top van het dekzand bevinden. De exacte diepteligging hiervan is echter niet bekend. Verder zijn er zeer waarschijnlijk resten uit de Late Middeleeuwen Nieuwe tijd aanwezig. Het terrein heeft immers een hoge archeologische waarde. Het plangebied ligt namelijk in de historische kern van Baarle-Nassau, direct naast de 16e eeuwse kerk van Baarle-Hertog.
Gezien de ligging naast de kerk, waarvan er mogelijk zelfs sprake is van voorgangers, is de kans op resten van bewoning uit de Late Middeleeuwen groot. Dat resten uit de Nieuwe tijd te verwachten zijn, blijkt uit historische kaarten. In het begin van de 19e eeuw stonden in het plangebied namelijk twee huizen, waarvan er één een pastoorswoning was. De kans dat er dus funderingsresten van bebouwing en eventuele voorgangers daarvan aanwezig zijn is dus groot. • Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat de hoge archeologische waarde voor resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd is bevestigd. In de boringen is sprake van een intacte, dikke cultuurlaag met baksteenresten, leembrokken en fosfaat. De variatie in dikte doet zelfs vermoeden dat er afvalkuilen in het plangebied liggen. Er is ook middeleeuws aardewerk aangetroffen, die de ouderdom van de laag in het plangebied bevestigen. De mate van verstoring van de laag is beperkt: alleen de bovenste 50 cm van het bodemprofiel is door subrecente of moderne graafwerkzaamheden aangetast. Voor de overige perioden is de archeologische verwachting naar laag bij te stellen. De reden hiervoor is dat de overgang tussen de cultuurlaag en de top van de pleistocene afzettingen veelal scherp is en door vergraving tot stand is gekomen. De kans is groot dat resten die ouder zijn dan de Late Middeleeuwen hierbij verdwenen zijn.
Advies In het plangebied zijn sloop- en graafwerkzaamheden gepland ten behoeve van de aanleg van een appartementencomplex. Het archeologisch onderzoek heeft echter aangetoond, dat vanaf een diepte van 50 cm -Mv resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd aanwezig kunnen zijn, die onderdeel zijn van de historische kern van Baarle-Nassau. Dit betekent zo gauw er graafwerkzaamheden in het gebied gepland zijn, die binnen 30 cm -Mv blijven, deze niet leiden tot een aantasting van de bodem en daarvoor geen aanvullende maatregelen nodig zijn. Mocht dit echter wel het geval zijn, dan adviseren wij om een vervolgonderzoek uit te laten voeren om de aanwezigheid van behoudenswaardige resten aan te tonen en deze eventueel op te graven binnen de civieltechnische einddiepte van de plannen. Een dergelijk onderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek met een eventuele doorstart naar het opgraven van de bouwputten van Bouwdeel C2 en D. Dit onderzoek zal na de bovengrondse sloop van de loods in het zuiden van het plangebied moeten plaatsvinden. Ook moet er binnen het plangebied rekening worden gehouden met een beperkt ruimtebeslag. Wellicht dat voor Bouwdeel C2 volstaan kan worden met een archeologische begeleiding bij het verwijderen van de bestaande funderingen van de te slopen loods (de diepte van de funderingen van deze loods is niet bekend).