CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 BOPA Kerkplein 4-6 12-5-2025

Gemeenteraad (openbaar) 24 september 2025, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen adviesformulier buitenplanse omgevingsplanactiviteit Kerkplein 4 en 6 te Baarle-Nassau20.116 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Hierna kan het bouwvlak volledig worden aangelegd. Het is daarom verstandig de werkzaamheden voor het onderzoek gelijktijdig met de bouw plaats te laten vinden (vlak voor de aanleg van de bouwput). Voor deze werkzaamheden is een Programma van Eisen (PVE) nodig, waarin de randvoorwaarden voor het onderzoek zijn opgenomen. Dit document moet door de gemeente Baarle-Nassau worden beoordeeld en goedgekeurd alvorens de werkzaamheden kunnen plaatsvinden. Mocht de ontwikkeling geen ingrepen met zich meebrengen die dieper reiken dan 30 cm -Mv en er geen archeologisch vervolgonderzoek nodig is, geldt er Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025 Pagina 42 van 53

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

wel een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Baarle-Nassau). Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (gemeente Baarle-Nassau) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. 7.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Een plan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid en dat toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik houdt in ieder geval in dat ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 5.129 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (ladder voor duurzame ontwikkeling). Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? De Ladder is van toepassing op woningbouwplannen, die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Binnen het plangebied worden twaalf appartementen opgericht.

In de bestaande situatie zijn er planologisch twee woningen toegestaan. Dit betreft één woning ter plaatse van Kerkplein 4, boven de reeds aanwezige garageboxen, en één woning ter plaatse van Kerkplein 6, boven de winkel met magazijn. Met de beoogde ontwikkeling is er sprake van een toevoeging van tien extra wooneenheden ten opzichte van de bestaande situatie. De onderhavige woningbouw ontwikkeling is kleinschalig van aard en kan daarom, conform vaste jurisprudentie, niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden aangemerkt. Gelet hierop is het plan niet in strijd met artikel 5.129 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en is de ontwikkeling niet Ladderplichtig. 7.3

Ruimtelijke kwaliteit en welstand

7.3.1

Welstandsnota 2004 Gemeente Baarle-Nassau

In februari 2004 is de welstandsnota van de gemeente Baarle-Nassau vastgesteld. Deze bestaat uit 3 delen. Deel A vormt het inleidende gedeelte, en omvat de algemene bepalingen en de algemene criteria. Deel B bestaat uit gebiedsgerichte criteria die worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen in de bestaande ruimtelijke structuur van Baarle-Nassau. Deel C vormt gestandaardiseerde welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen. Aan de hand van het beleid dat is vastgesteld in de drie delen wordt beoordeeld of bouwaanvragen voldoen aan redelijke eisen van de welstand. Alle bouwwerken die niet vergunningsvrij zijn en dus licht-vergunningsplichtig of regulier vergunningsplichtig zijn hebben een positief welstandsadvies nodig alvorens een bouwvergunning kan worden verleend.

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025

Pagina 43 van 53

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 20: Uitsnede welstandsnota Baarle-Nassau - niveaukaart

Het formuleren van de aspecten en de daarbij behorende criteria waarop een plan beoordeeld wordt tezamen met het vaststellen van het ambitieniveau voor specifieke gebieden, zal moeten leiden tot meer objectiviteit en een duidelijk toetsingskader voor de welstandscommissie. Aan de hand van verschillende deelgebieden binnen de gemeente, is een ambitieniveau voor welstandsbeleid gekoppeld. Afhankelijk van de waarde en gevoeligheid van een gebied is voor elk gebied een niveau vastgesteld. Dit ambitieniveau bepaalt de aard en de intensiteit waarmee de bouwplannen aan de diverse criteria zullen worden getoetst. Op deze manier worden de gebiedseigen waarden met betrekking tot beeldkwaliteit doeltreffend beschermd in Baarle-Nassau. De planlocatie Kerkplein 4 en 6 is gelegen in een gebied wat is aangeduid als een regulier welstandsniveau, zoals blijkt uit bovenstaand figuur. Aan de hand van Deel B van de welstandsnota wordt het deelgebied bepaald voor de planlocatie Kerkplein 4 en 6. De bebouwde omgeving bestaat uit verschillende woon- en werkgebieden zoals historische dorpscentra, naoorlogse woonwijken en bedrijventerreinen. Baarle-Nassau is onderverdeeld in verschillende deelgebieden. Baarle-Nassau is ontstaan rondom de historische kern en verder gebouwd langs de linten. Rondom die linten zijn in de loop der jaren nieuwe wijken ontstaan.

Aan de linten van Baarle-Nassau bevindt zich gemengde bebouwing, Bebouwing variërend van oude boerderijen tot bedrijvigheid tot nieuwbouw.

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025

Pagina 44 van 53

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 21: Uitsnede welstandsnota Baarle-Nassau - gebiedsindeling

De planlocatie Kerkplein 4 en 6 is gelegen binnen het gebied H1 – Historisch dorpsgebied. Voor dit gebied wordt binnen Deel B van de welstandsnota gebiedsbeschrijvingen en criteria omschreven op de basis van een drietal aspecten; hoofdaspecten (relatie met de omgeving), deelaspecten (massa en vorm), en detailaspecten. De welstandscriteria voor de historische dorpsgebieden zijn hieronder weergegeven. Bebouwing en omgeving 1. Bebouwing dient te passen binnen het dynamische karakter van het deelgebied. Monumenten en overige waardevolle bebouwing dienen gehandhaafd te blijven. Bebouwing dient te voldoen aan de structuur en atmosfeer van het betreffende deelgebied; 2. Grote diversiteit van functies is mogelijk, zolang deze ondergeschikt blijft aan de algemene woonkarakteristiek; 3. Bij nieuwbouw dient de individuele expressie per perceel voorop te staan; Het bestaande (historisch gegroeide) beeld met individuele panden is maatgevend voor de nieuwe ontwikkelingen; 4. De bebouwing dient zich te oriënteren op de openbare ruimte; 5. Toekomstige bebouwing dient zich te richten naar de rooilijnen van de huidige bebouwing; (Kleinschalige) verspringingen van de voorgevel en goothoogte van de bebouwing onderling is gewenst, binnen de uitersten van de bestaande belendende percelen; 6.

Deze gebiedscriteria zijn geen absoluut meetbare criteria, maar een argumentatiegrond voor ontwerp en planbeoordeling. In die zin zijn het relatieve criteria die ruimte laten voor interpretatie. De criteria vormen discussiepunten waarmee een planindiener en/of ontwerper een dialoog aan gaat met de gemeente en/of welstandscommissie. Massa en vorm 1. Massa en hoogte a. Bebouwing dient zich te voegen naar het huidige karakter. Karakteristiek voor woonhuizen is 1 à 2 bouwlagen al dan niet met kap, appartementen complexen 3 bouwlagen, al dan niet met kap; b. Het onderscheid tussen hoofd- en bijgebouwen moet worden gehandhaafd en is bepalend voor nieuwe ontwikkelingen; Uitbreidingen aan de voor -en zijkant van het hoofdgebouw dienen ondergeschikt te zijn aan de hoofdmassa en in maatvoering, architectuur en detaillering aan te sluiten op de vormgeving van gevel- en dakvlak van de hoofdbebouwing 2. Dak a. dakvorm moet de individuele expressie van het pand benadrukken. b. In de omvang moet een eventuele dakkapel voldoen aan de sneltoetsscriteria, in de vorm en materialisering mag deze afwijken mits aansluiting wordt gezocht bij de architectuur van de hoofdmassa; 3. De individualiteit van de panden is het uitgangspunt voor de architectuur; Bij het toepassen van reclame-uitingen dienen deze een ondergeschikt onderdeel van de gevel te zijn; 4.

Materiaal- en kleurgebruik hoofdmassa Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025

Pagina 45 van 53

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

a. b.

Materiaal- en kleurgebruik zijn bij voorkeur traditioneel; Helle en felle kleuren zijn niet toegestaan; Daken zijn bedekt met keramische pannen of riet;

Detaillering, kleur en materiaal 1. Vrij, behalve bij monumenten en overige waardevolle historische bebouwing; Bij de uitwerking van het planvoornemen zal met bovenstaande criteria rekening worden gehouden. Kijkend naar de criteria wordt er verwacht dat de ontwikkeling op de locatie Kerkplein 4 en 6 goed aansluit aan de welstandscriteria voor het gebied ‘Historisch dorpsgebied’ uit de Welstandsnota 2004 van de Gemeente Baarle-Nassau.

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025

Pagina 46 van 53

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 8 8.1

Natuurbescherming

Algemeen

Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Omgevingswet. Daarnaast is het beleid van de omgevingsverordening en het Besluit kwaliteit leefomgeving van belang. 8.2

Gebiedsbescherming

Op grond van de Omgevingswet is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Omgevingswet regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. De planlocatie ligt niet in een speciale beschermingszone als bedoeld in de Omgevingswet of binnen het Natuurnetwerk Nederland/ EHS. Het dichtst nabije Natura 2000-gebied ligt op 3,1 km afstand van de planlocatie en betreft het gebied ‘Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout’ op Belgisch grondgebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand. Op 6,7 km hemelsbreed zuidwestelijk bevindt zich ook op Belgisch grondgebied ‘Vennen, heiden en moerassen rondom Turnhout’. In noordoostelijke richting bevind zich op 7,1 km afstand in Nederlands grondgebied ‘Regte Heide & Riels Laag’. Verder bevindt zich ook binnen Nederland in oostelijke richting het ‘Kempenland-West’ op 10,7 km afstand. Om de stikstofdepositie die de ontwikkeling met zich mee brengt te kunnen berekenen, is gebruik gemaakt van het rekenprogramma AERIUS Calculator. Uit de stikstofdepositieberekeningen (bijlage 4) volgt dat er geen Natura 2000 gebieden zijn waarvoor de drempelwaarde van 0,0 mol/ha/jaar wordt overschreden.

In de berekening wordt geen depositie getoond, omdat deze lager is dan 0,0 mol/ha/jaar. 8.3

Beschermde soorten

Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. Dit kunnen verschillende dier- en plantensoorten betreffen, bijvoorbeeld zoogdiersoorten, amfibieën, reptielen, vissen, vogels en vleermuizen. De planlocatie bestaat uit bebouwing van verschillende ouderdom. De bebouwing is opgetrokken uit baksteen met schuine daken, bekleed met pannen en een platdak/dakterras. De bebouwing is aaneengesloten en aan de zuidelijke rand begrensd door een smal gangpad met aan weerszijde bebouwing van gelijke hoogte. De bebouwing bestaat uit massieve muren zonder scheuren of andere tekenen van verweer. Hier en daar vormen er smalle kieren rondom de betimmering en de dakpannen. Het binnenterrein bestaat uit een halfverharding van zand. De bestaande bebouwing op de planlocatie wordt gesaneerd. Gelet op het bovenstaande en de beoogde ontwikkeling op de planlocatie kan gesteld worden dat de beschermde soorten belemmerd kunnen worden. Een nader onderzoek wordt daarom ook noodzakelijk geacht. Door Buro Maerlant is op 29 maart een ecologische quickscan opgesteld. Het onderzoek is als afzonderlijke bijlage toegevoegd. De resultaten van dit onderzoek zijn in de volgende paragraaf weergegeven. 8.3.1

Resultaten onderzoek

In het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, zijn de volgende potentiële natuurwaarden aangetroffen waar rekening mee gehouden dient te worden: • Kans op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de te slopen bebouwing; • Kans op de aanwezigheid van nesten van de huismus en de gierzwaluw in de te slopen bebouwing; Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025 Pagina 47 van 53

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

•

Algemene broedvogels (niet jaarrond beschermd).

Doordat de werkzaamheden op het land plaatsvinden, beperkt van aard zijn, en preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen, zijn over het algemeen géén negatieve effecten op strikter beschermde soorten te verwachten. Echter, is het noodzakelijk nader onderzoek naar vleermuizen, de huismus en de gierzwaluw uit te voeren om actueel gebruik van de bebouwing vast te kunnen stellen voorafgaand aan de sloop. Na uitvoer van het onderzoek kunnen, indien noodzakelijk, gepaste maatregelen worden getroffen. Het plan leent zich om in de nieuwe situatie op vergelijkbare wijze alternatieven te bieden. Vleermuizen Aanbevolen wordt voorafgaand aan de sloop nader onderzoek uit te voeren naar vleermuizen conform het vleermuizenprotocol. Het onderzoek dient volgens het huidige protocol te bestaan uit drie bezoeken in midden mei tot midden juli en twee bezoeken in de periode midden augustus tot 1 oktober, allen met een onderlinge tussenpoos van circa 20 dagen. Huismus Aanbevolen wordt nader onderzoek uit te voeren naar de huismus. In de periode april - mei zijn hiervoor twee ochtendbezoeken nodig. Gierzwaluw Aanbevolen wordt nader onderzoek uit te voeren naar de gierzwaluw conform het kennisdocument gierzwaluw: 3 bezoeken in de periode 1 juni - 15 juli.

Vogels algemeen Doordat de kans bestaat dat broedende vogels in de nabijheid van de werkzaamheden aanwezig zijn, wordt aanbevolen bij buitenwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. De meeste vogels broeden in de periode maart t/m juli. Indien een ter zake deskundige heeft vastgesteld dat er geen broedende vogels binnen de invloedssfeer van de ingrepen aanwezig zijn, is het ook mogelijk binnen deze periode te werken. Het wegnemen en/of opzettelijk verstoren van nesten van broedende vogels is conform de Omgevingswet niet toegestaan. Zorgplicht overige soorten De Omgevingswet stelt dat een ieder naar redelijkheid zorgvuldig met planten en dieren in het wild dient om te gaan. Het betreffen beschermde en niet beschermde soorten. Nader onderzoek Middels het seizoensbrede onderzoek is een goed beeld ontstaan over de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van de huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Nesten van de huismus en de gierzwaluw zijn niet aangetroffen in het plangebied en relevante omgeving. In het plangebied zelf zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. In een woning ten zuiden van het plangebied is een zomerverblijfplats van de gewone dwergvleermuis waargenomen, dat blijkens baltsgedrag tevens functie heeft als paarverblijfplaats. Relaties met het plangebied en nabijgelegen woningen zijn niet aangetroffen.

Dit deel van Baarle is ‘vrij’ van vleermuizen. Effecten op de aangetroffen verblijfplaats / functies gewone dwergvleermuis zijn niet aan de orde. Overige natuurwaarden en algemene zorgplicht. Overige natuurwaarden zijn niet aangetroffen in het plangebied. Het advies uit de quickscan (zorgplichtmaatregelen) inzake vogels algemeen blijft van toepassing op de ingrepen. De sloop en nieuwbouw zijn inzake de huismus, gierzwaluw en vleermuizen zonder meer mogelijk. 8.4

Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB)

Er worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/NNB aantasten gelet op de aard en schaal van de in vorige paragrafen ingrepen. Een toetsing aan het NNN/NNB-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. Het plangebied is niet gelegen binnen de Groenblauwe waarden. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025

Pagina 48 van 53

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Op basis van de aard van de voorgenomen ingreep en planontwikkeling kunnen overtredingen met betrekking tot de Groenblauwe waarden uitgesloten worden.

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025

Pagina 49 van 53

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 9 Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen 9.1

Kabels en leidingen

In de directe nabijheid van de locatie, is geen buisleiding (gasleidingen) gelegen, en dus de realisatie van de nieuwe woningen niet kan belemmeren. Middels een KLIC- melding zullen de overige kabels en leidingen in beeld gebracht worden.

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025

Pagina 50 van 53

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 10

Milieueffectrapportage

Met de ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is in afdeling 16.4 de wetgeving omtrent de milieueffectrapportage opgenomen. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van MER-plichtige plannen en programma’s uit de Bijlage bij het Besluit MER. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Of een besluit over een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een merbeoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Het plan aan het Kerkplein 4 en 6 is niet mer-beoordelingsplichtig volgens bijlage V van het Omgevingsbesluit.

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025

Pagina 51 van 53

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 11 11.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Voorliggende onderbouwing betreft een particulier initiatief waarbij de kosten voor de ontwikkeling direct voor de ontwikkelende partij zijn. Voor zover door de gemeente kosten worden gemaakt, zijn deze afgedekt op basis van een anterieure overeenkomst die tussen de gemeente en de initiatiefnemer gesloten wordt. Om die reden is het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk. 11.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

11.2.1

Omgevingsdialoog

Een omgevingsdialoog is een zorgvuldige afstemming tussen de initiatiefnemer van een (bouw)plan en de omgeving. Met de ‘omgeving’ wordt bedoeld iedereen waarop het plan effect kan hebben, zoals bijvoorbeeld omwonenden, scholen en aangrenzende bedrijven. De omgevingsdialoog is er specifiek op gericht om alle wensen, belangen en bezwaren van de omgeving te kunnen betrekken in het verdere ontwerp van het plan. Doel van de omgevingsdialoog is niet om ‘overeenstemming’ over het plan te verkrijgen. Aanleiding voor het starten van een (omgeving)dialoog is het moment dat een initiatiefnemer een ruimtelijk ontwikkelingsproject wil uitvoeren dat niet past in het geldende bestemmingsplan. Voor het initiatief aan de Kerkplein 4-6 is aan de hand van de participatieleidraad van gemeente Baarle-Nassau een omgevingsdialoog gehouden. Omwonenden zijn geïnformeerd over de planontwikkelingen. Voor de omgevingsdialoog is op 22 januari 2025 een inloopavond gehouden in het pand aan de Singel 20 te BaarleNassau. De reacties van geïnformeerde betrokken waren over het algemeen positief. De gemeente beoordeelt, aan de hand van het verslag van de omgevingsdialoog en als onderdeel van de procedure, uitsluitend of de omgevingsdialoog zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De resultaten van het omgevingsdialoog zijn in bijlage 6 opgenomen.

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025

Pagina 52 van 53

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 12 aan locaties

Evenwichtige toedeling van functies

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. In onderhavige ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat er op de planlocatie sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Voor de milieuaspecten archeologie, geluid, bodem en ecologie is er zelfs een onderzoek uitgevoerd. Uit de onderbouwing blijkt dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 212111 | 12-05-2025

Pagina 53 van 53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15971315/1