B1 Bestemmingsplan Baarleseweg 2 en 4 te Ulicoten - Toelichting
Tekst van het document
Het naaiatelier is een nevenactiviteit naast de hoofdactiviteit melkveehouderij aan de Baarleseweg 4 te Ulicoten. De bedrijfswoning en melkveehouderij zijn en blijven primair ten opzichte van de nevenactiviteit. De nevenactiviteit wordt geëxploiteerd door de vrouw van de boer van de Baarleseweg 4 te Ulicoten. Evident is dat de vrouw van de boer naast haar betrokkenheid bij het agrarisch bedrijf zelf het naaiatelier exploiteert als (ondergeschikte) nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf. In drukke perioden helpt haar moeder mee in het naaiatelier.
2. de activiteit in of het gebruik van de woning mag niet leiden tot onevenredige publieksaantrekkende werking;
Het naaiatelier wordt in de beoogde situatie ten westen van de bedrijfswoning Baarleseweg 4 gesitueerd. In de beoogde situatie wordt hier een naaiatelier van maximaal 300 m2 gebouwd ten behoeve van deze nevenactiviteit. In het naaiatelier worden kledingstukken gemaakt, kleding gestreken en kunnen logo’s worden bedrukt op de kleding. Echter wordt de locatie bezocht door relaties/klanten die gebruik willen maken van de werkzaamheden van het naaiatelier. De relaties zullen maar kort aanwezig zijn op de locatie, ook zal er in de beoogde situatie genoeg parkeergelegenheid aanwezig zijn. De parkeergelegenheid en verkeersbewegingen worden nader onderbouwd in paragraaf 4.12 van deze toelichting.
3. de activiteit in of het gebruik van de woning mag geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en op de parkeerbalans. Dit betekent onder meer dat binnen het bestemmingsvlak ‘Agrarisch bedrijf’ moet worden voorzien in de voor de activiteit benodigde parkeerruimte;
Bij het naaiatelier zal in de beoogde situatie voldoende parkeergelegenheid aanwezig zijn. In het naaiatelier werken de vrouw van de boer en bij drukke periodes haar moeder, zij strijken de kleding en repareren de kleding, deze werkzaamheden nemen een aantal uren in beslag. De meeste bezoekers komen hun kleren brengen of halen en gaan dan weer weg. De bezoekers komen meestal op afspraak en verspreid over de dag, naar schatting komen er 10 bezoekers verspreid over de dag. 3 parkeerplaatsen op het plangebied zijn daarom voldoende.
4. de activiteit of het gebruik mag in de woning en/of een bijgebouw worden uitgeoefend;
Het naaiatelier van circa 300 m2 zal gevestigd worden in een bijgebouw ten noordwesten van de bedrijfswoning Baarleseweg 4.
5. degene die de activiteiten zal uitvoeren dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
Degene die de activiteiten van het naaiatelier zal uitvoeren is de bewoner van de woning aan Baarleseweg 4 te Ulicoten. Zij helpt waar nodig mee op de hoofdactiviteit de melkveehouderij.
6. ten hoogste 40% van het vloeroppervlak van de woning en de daarbij behorende gebouwen ten behoeve van de aan huis gebonden bedrijf/beroep in gebruik mag zijn, tot een gezamenlijk maximum van 200 m²; Artikel 4. Agrarisch, agrarisch bedrijf Bestemmingsplan ‘’Buitengebied 2008’’
Het initiatief betreft een naaiatelier waarbij het noodzakelijk is om een veelzijdige opslag van stoffen en naaidraden te hebben. Ook is de opslag van belang voor het opslaan van gestreken en ongestreken kledingstukken wat al een oppervlakte in beslag neemt. In het naaiatelier zijn verschillende apparaten
23 van 54
nodig voor het maken, borduren en strijken van de kleding, waaronder naaimachines en strijkijzer/strijkplank. Om efficiënt te kunnen werken is het van belang dat er genoeg werkruimte is om de stoffen op te kunnen meten en verknippen, zodat er zo min mogelijk stoffen worden verspilt. De eigenaar wil ook naailessen geven in de toekomst om er voor te zorgen dat dit vakmanschap in de toekomst blijft bestaan. Voor de veiligheid van de klanten/relaties en de professionaliteit van het naaiatelier is het van belang dat het naaiatelier een kleine ontvangst-/wachtruimte heeft. Het initiatief heeft voor haar werkzaamheden circa 300 m2 oppervlak nodig om haar werkzaamheden efficiënt, professioneel en veilig mogelijk te kunnen uitvoeren (afbeelding 7).
7. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop van ter plaatse vervaardigde producten als ondergeschikte activiteit en wel in verband met het aan huis gebonden bedrijf of beroep;
Het naaiatelier is een aan huis gebonden bedrijf/beroep voor het initiatief. Feitelijk betreft dit een ontvangstruimte met een balie waar voorbeelden van producten (borduren) worden getoond en waar de inname en uitgifte van producten plaatsvindt zoals borduur opdrachten, gestreken kleding etcetera.
8. geen activiteit of gebruik mag worden uitgeoefend welke onevenredige hinder voor het woonmilieu mag opleveren; voor zover het een inrichting betreft in de zin van de Wet milieubeheer zijn slechts bedrijven toegestaan welke voorkomen onder categorie 1 en 2 zoals opgenomen in de bij deze regels behorende Staat van bedrijven, mits het niet betreft geluidszoneringsplichtige inrichtingen;
De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige objecten concreet in te vullen. In de handreiking is een lijst opgenomen die snel inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Er is per bedrijf in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. Op basis van de VNG-handreiking behoort een naaiatelier behoort tot categorie 1 (persoonlijke dienstverlening) met een minimale afstand van 10 meter. De afstand tussen het beoogde naaiatelier en de stofferingszaak aan de Baarleseweg 8 is 188 meter. De afstand van het naaiatelier tot de Baarleseweg 1a is meer dan 50 meter.
c. detailhandel in door het agrarisch bedrijf zelf voortgebrachte agrarische producten of agrarische streekproducten tot een verkoopvloeroppervlak van maximaal 100 m² of zeer beperkte verkoop in het klein in direct verband met het aan huis gebonden beroep; Niet van toepassing.
d. gebruik van bestaande bouwwerken voor stalling van caravans en/of kampeerauto’s tot een maximale oppervlakte van 1000 m²; Niet van toepassing.
e. bewerking en/of verwerking van door het agrarisch bedrijf zelf voortgebrachte agrarische producten in maximaal 30 % van de aanwezige bedrijfsgebouwen en tot maximaal 300 m²; Niet van toepassing.
f. kleinschalig kamperen bij een functionerend agrarisch bedrijf; Niet van toepassing.
g. de uitoefening van niet-agrarische bedrijvigheid als nevenactiviteit overeenkomstig de aard, functie, locatie en het maximale toegestane oppervlak zoals omschreven in de navolgende staat; Niet van toepassing.
De eigenaar wil de bestaande nevenactiviteit ‘Atelier 43’ binnen voornoemde bestemming ‘agrarischagrarisch bedrijf’ aan laten duiden als nevenactiviteit naaiatelier met een maximale oppervlakte van 300 m². Zoals aangetoond in de toetsing aan artikel 4.3.3. voldoet de nevenactiviteit naaiatelier aan de regels. Echter, voor een goede uitvoering van de nevenactiviteit beoogd het initiatief een naaiatelier met een oppervlakte van 300 m2 te realiseren in nog te realiseren bebouwing (afbeelding 7). Het bestaande naaiatelier wordt binnen één jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het bouwen van het nieuwe naaiatelier gesloopt dit is vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan.
24 van 54
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: ▪ Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. ▪ Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.1 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.
Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in zowel de realisatieals de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan. Het initiatief betreft het in gebruik nemen van de woonfunctie en huisnummer van de voormalige agrarische bedrijfswoning Baarleseweg 2 te Ulicoten als burgerwoning. De bedrijfswoning aan de Baarleseweg 2 te Ulicoten wordt gesloopt en een nieuw burgerwoning met het huisnummer Baarleseweg 2 wordt op het meest oostelijke bouwvlak gerealiseerd. Het gaat dus om een woning verplaatsing, waardoor een intensieve veehouderij locatie wordt herbestemd naar wonen, die verder geen milieuhygiënische effecten heeft op de omgeving. De activiteiten voor de melkveehouderij blijven ongewijzigd. Er worden enkel twee bouwvlakken samengevoegd tot één agrarisch bouwvlak van 1,5 hectare met een differentiatievlak van 0,3 hectare voor de opslag van ruwvoer. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er voor het initiatief geen (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen.
Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
4.2.1. Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen
25 van 54
het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. De provincie heeft de koers voor de komende jaren niet alleen bepaald. In dialoogsessies hebben vele partners en belanghebbenden actief meegedacht. Naast de Brabantse waterschappen, terreinbeherende organisaties (TBO’s), de Vereniging Industriewater, drinkwaterbedrijven, de Brabantse Milieu Federatie, Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (ZLTO) en verschillende onderwijsinstellingen, waren ook een groot aantal gemeenten aangesloten. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking.
Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Waterschap Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger.
De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’.
Hieromtrent is bij de Algemene regels van de keur het volgende opgenomen: • Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater; • Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m²);
26 van 54
Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig. In alle gevallen geldt (ook) het gemeentelijke beleid. •
Verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2021 – 2025 (vGRP) Het waterbeleid van de gemeente Baarle-Nassau is vastgelegd in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025. In het waterbeleid zijn de zorgplichten uit de Waterwet verder ingevuld. Het gemeentelijke waterbeleid schrijft onder meer voor dat stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater op een deugdelijke manier moeten worden ingezameld, geborgen, getransporteerd en/of lokaal gezuiverd. Alle nieuwe nieuwbouw- en herstructureringsprojecten dienen in principe hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd waarbij de wettelijke voorkeursvolgorden gehanteerd worden. Hemelwater wordt daarom, ook als er geen toename is van het verhard oppervlak, bij voorkeur in de bodem geïnfiltreerd en schoon gehouden. Aangezien in de beoogde situatie geen sprake zal zijn van een toename aan verhard oppervlak en er sprake zal zijn van een zorgvuldig ruimtegebruik, zullen er voor wat betreft het aspect water ten aanzien van het gemeentelijk beleid geen belemmeringen ontstaan in de beoogde situatie. In de beoogde situatie wordt namelijk 990 m2 gesloopt (900 m2 aan varkensstallen en bedrijfswoning Baarleseweg 2 circa 90 m2). In de beoogde situatie wordt er een woning circa 150 m2 met bijgebouw 400 m2 en een naaiatelier van 300 m2 nieuw gerealiseerd. De bestaande sleufsilo’s en mestopslag worden enkel verplaatst.
Bij een toename van het verhard oppervlak (daken en bestrating) van minder dan 500 m² geldt alleen het gemeentelijk beleid en wordt alleen voor het oppervlak van de bouwwerken een opgave meegegeven. Bij het aanpassen van bebouwd oppervlak geldt een bergingseis van minimaal 7 mm (liter/m²) voor het vervangende oppervlak en minimaal 78 mm voor een eventuele toename van het bebouwd oppervlak. De gemeente rekent niet met een gevoeligheidsfactor. Oppervlak wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden. In de beoogde situatie is er zoals eerder benoemt geen toename van het verhard oppervlak wel wordt het bebouwd oppervlak aangepast met 850 m2. Er dient dus een retentie van 850 m 2 * 0,007 (m) = 5,93 m3 te worden gerealiseerd binnen het plangebied. In afbeelding 16 is weergegeven waar deze retentie wordt beoogd.
4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.
4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
De bedrijfswoning Baarleseweg 2 wordt gesloopt. De beoogde situatie zal een positief effect hebben op de waterhuishouding. Overtollige agrarische bedrijfsbebouwing en erfverhardingen (900 m2) en de bedrijfswoning Baarleseweg 2 zullen verdwijnen. Een woning met bijgebouw 400 m2 wordt hier teruggebouwd en ten noordwesten van de bedrijfswoning Baarleseweg 4 wordt een naaiatelier van 300 m2 gebouwd. Er is geen sprake van toename in oppervlakteverhardingen. De bestaande waterhuishoudkundige situatie aan de Baarleseweg 4 blijft onveranderd. Het beoogde naaiatelier wordt enkel toegevoegd op het gemeentelijke riool. De beoogde burgerwoning en bijgebouw worden ook aangesloten op het gemeentelijk riool. De voormalige bedrijfswoning Baarleseweg 2 wordt gesloopt en dus ook losgekoppeld van het gemeentelijk riool. In de beoogde situatie is er zoals eerder benoemt
27 van 54
geen toename van het verhard oppervlak wel wordt het bebouwd oppervlak aangepast met 850 m 2. Er dient dus een retentie van 850 m2 * 0,007 (m) = 5,93 m3 te worden gerealiseerd binnen het plangebied. In afbeelding 16 is de locatie van de beoogde retentie opgenomen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
28 van 54
4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie afbeelding 12. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.
Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.
29 van 54
Afbeelding 12: Uitsnede kaart Natuur Netwerk Brabant Iov, plangebied rode kruis
4.3.2. Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Arendonk, Merksplas, Ulvenhoutsebos, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie NoordBrabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.
Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft het Belgische Natura 2000-gebied Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels Turnhout op een afstand van 5,9 kilometer. Het dichtstbij liggende Nederlandse Nature 200-gebied is Regte Heide en Riels laag, dat op een afstand van circa 8,7 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en
30 van 54
habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Voor het bedrijf is een aanvraag Wet natuurbescherming d.d. 08-02-2016 voor het houden van 278 melk- en kalfkoeien en 163 stuks vrouwelijk jongvee als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming. Met de vergunde ammoniakemissie van 4.150,5 kg NH3 per jaar. Daar dit de bestaande planologisch legale situatie, direct voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan wordt geldt die vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming als uitgangssituatie. In de beoogde situatie worden er 194 melk- en kalfkoeien en 4 stuks vrouwelijk jongvee gehouden aan de Baarleseweg 4 te Ulicoten. Bij de beoogde woonbestemming (kadastraal gemeente Baarle-Nassau sectie M nummer 728) worden 4 koeien en 4 stuks vrouwelijk jongvee hobbymatig gehouden.
Dit komt neer op 2.609,2 kg NH3 (198 melk- en kalfkoeien *13 kg NH3 /dierplaats/jaar + 8 vrouwelijk jongvee * 4,4 kg NH3 /dierplaats/jaar) er is dus een afname van 1.541,3 kg NH3 in de beoogde situatie ten opzichte van de vigerende WNB vergunning. Ook wordt de bestaande bedrijfswoning Baarleseweg 2 gesloopt en wordt een nieuwe gasloze woning (geen stikstofemissie) gerealiseerd binnen de beoogde woonbestemming. Tevens kan gesteld worden dat er in de beoogde situatie twee agrarische bouwvlakken verdwijnen waardoor in de beoogde situatie de verkeersbewegingen van en naar het plangebied afnemen. Voor de volledigheid is er een AERIUS berekening gemaakt voor de aanleg- en bouwfase van de beoogde situatie. Uit deze AERIUS berekening blijkt dat de aanleg- en bouwfase van de beoogde situatie geen toename van stikstofdepositie tot gevolg heeft, zie bijlage 3 bij deze toelichting. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.
Overige storingsfactoren
Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout (België) leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn).
31 van 54
2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.
Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Baarleseweg 2-4-ongenummerd, dient er te worden bepaald of ter plaatse van planlocatie, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Op het plangebied is een flora en fauna quickscan uitgevoerd, deze QuickScan is door het bedrijf Brabant Eco uitgevoerd (zie bijlage 8). Naar aanleiding van deze quickscan zijn tevens nadere onderzoeken uitgevoerd naar marterachtigen, uilen, huismussen en vleermuizen. Dit nadere onderzoek is bijgevoegd in bijlag 11 bij deze toelichting.
Er zijn geen bijzondere functies, nest- of verblijfplaatsen van de bovenstaande soorten waargenomen tijdens het nader onderzoek. De staat van instandhouding van de genoemde soorten komt niet in het geding. Hierdoor is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het voortzetten van de werkzaamheden niet noodzakelijk. Hieruit blijkt dat met het realiseren van de beoogde ontwikkeling geen overtredingen te verwachten zijn ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is.
32 van 54
4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde woning moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.4.1. Cultuurhistorie
De cultuurhistorie en aardkunde binnen het plangebied wordt beschouwd aan de hand van het wettelijk toetsingskader en het daaruit volgende provinciaal beleid. Wettelijke toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.
Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant ziet het ruimtelijke erfgoed als een belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Het Brabantse erfgoed is daarom opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Prominent onderdeel van deze kaart is het provinciaal cultuurhistorisch belang, met name erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. Het provinciaal belang is beperkt tot het landelijk gebied, waar de provincie haar belangrijkste taak heeft. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant heeft de provincie de aardkundige en cultuurhistorische waarden opgenomen. Uit de kaart aardkundige en/of cultuurhistorische waarden, behorende bij paragraaf 3.2.4, van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet in een gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie afbeelding 13.
33 van 54
Afbeelding 13: Uitsnede Archeologisch-, cultuurhistorisch en landschappelijke waarden Iov, plangebied rode kruis
De CHW bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Ook alle informatie die op de CHW 2006 te vinden was is opgenomen op de nieuwe CHW. Uit Afbeelding 14 blijkt dat het plangebied is gelegen ter plaatse van het archeologische landschap ‘Dekzandeiland Alphen-Baarle’, waardoor het plangebied indicatieve archeologische waarden heeft. Het aspect archeologie wordt verder beschreven in navolgende paragraaf. Verder is het plangebied gelegen in de regio De Baronie. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn dorpen en buurtschappen zonder open akkercomplexen en bijhorende groenstructuren. Op enkele plaatsen komen open akkercomplexen voor. De bebouwing en de akkers liggen vaak op de rand van de beekdalen, de graslanden (beemden) in het beekdal en de (voormalige) heidevelden op de hogere zandgronden. De jongere ontginningen hebben vaak een open karakter met een rationeel patroon van wegen, waterlopen en percelen. De openheid wordt onderbroken door erfbeplanting en wegbeplanting. De omgeving van de locatie wordt gekenmerkt door het besloten zandontginningslandschap.
Er zijn reeds hagen aanwezig welke aansluiten op de kwaliteiten en kenmerken van het ter plaatse aanwezige landschap. In het landschappelijk inpassingsplan is hierbij aangesloten door de aanleg van bomen en struweel rondom de (beoogde) bebouwing. Hierdoor wordt beslotenheid van het landschap teruggebracht. De beoogde bedrijfsontwikkeling sluit daarmee aan bij de ontwikkelingsstrategie van de regio De Baronie.
Afbeelding 14: Uitsnede CHW-kaart provincie Noord-Brabant
34 van 54
4.4.2. Aardkundig waardevolle gebieden
Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap. De provincie wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar structuurvisie ruimtelijke ordening. In de Verordening ruimte is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld. De Provincie heeft de 'Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant’ ontwikkeld, welke is opgenomen in de verbeelding van de Interim omgevingsverordening. De kaart geeft aan op welke gebieden de bestaande beleidsregels betrekking hebben en welke gelden. Het plangebied is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied.
4.4.3. Archeologie Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: ‘Verdrag van Malta’) regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). ). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.
Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Derhalve heeft de gemeente Baarle-Nassau de 'Nota Archeologie' vastgesteld. In combinatie met de archeologische beleidskaart vormt deze het beleidsinstrumentarium voor de gemeente om haar wettelijke taak als bevoegde overheid voor archeologie uit te kunnen voeren. De gemeente heeft in haar beleidskaart een 6-tal categorieën met bijbehorende verwachtingen opgenomen. Deze variëren van een zeer hoge tot een verwaarloosbare archeologische verwachting. Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. De archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau is in afbeelding 16 weergegeven. De archeologische verwachting van het plangebied is laag dit betekent dat er geen oppervlakte- en dieptegrens restricties zijn. Op de plek van de melkveehouderij Baarleseweg 4 te Ulicoten is de archeologische verwachting middelhoog dit betekent dat het oppervlak aan bebouwing alle bodemingrepen tezamen binnen die beleidscategorie op die locatie niet meer dan 1.000 m 2 mogen zijn en niet dieper dan 40 cm -Mvdiep mag zijn.
Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat een archeologisch onderzoek ter plaatse niet noodzakelijk is en dat wordt voldaan aan de eisen die hieraan worden gesteld. Daarom zal de dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie’ gehandhaafd worden voor het deel wat in afbeelding 15 met geel is aangegeven op de agrarische bestemming. Bij de omgevingsvergunning zal blijken of archeologisch onderzoek al dan niet nodig is.
35 van 54
Afbeelding 15: Uitsnede archeologisch beleidskaart gemeente Baarle-Nassau, plangebied rood omcirkeld
4.5. Landschappelijke inpassing De locatie is gelegen ter plaatse van een jonge ontginningslandschap. Landschappelijke kenmerken van deze jonge landschappen is de grotere schaal, het rechtlijnige karakter van de ontginningen en het beperkter voorkomen van bebouwing. Het landschap in de omgeving van het plangebied heeft een open karakter. De erven in de directe omgeving hebben een meer ‘cultuurlijk’ karakter aan de voorzijde en hebben een meer landschappelijke groene inrichting naar achter toe. Aan de voorzijde van het
36 van 54
plangebied zijn reeds knip- en scheerhagen te vinden en er staan land schapsbomen bomen op de betreffende percelen. De bestaande inheemse bomen zullen in de toekomst gehandhaafd blijven. Om aan te sluiten bij het rechtlijnige karakter van de omgeving, worden de perceelsgrenzen begeleid met houtsingels bestaande uit inheemse boom- en sruweelvormers. Tussen de beoogde twee bouwvlakken zullen de groene singels de zichtlijn begeleiden naar het achterliggende landschap. Eerder genoemde bestaande en nieuwe groenstructuren in het landschap versterken het eigen karakter van het gebied. Gezien voor gaand worden diverse landschapselemen ten aangeplant welke zorgen voor een versterking van het landschapsbeeld en een kwaliteitsverbetering van het landschap tot gevolg heeft. Door deze landschapsversterkende maatregelen wordt de ruimtelijke vormgeving van de gebouwen verzacht en geheel of gedeeltelijk aan het zicht onttrokken en sluit het aan op de landschappelijke kenmerken van de omgeving en sluit het aan op Omgevingsvisie van de gemeente Baarle-Nassau. De landschappelijke inpassing is toegevoegd in bijlage 1 van deze toelichting.
Afbeelding 16: Landschappelijke inpassingsplan beoogde situatie plangebied
4.6. Bodem kwaliteit In de beoogde situatie dient er een bodemonderzoek uitgevoerd te worden ter plaatse van de nog te saneren varkensstallen. De varkensstallen worden gesaneerd wanneer het bestemmingsplan Baarleseweg 2 en 4 te Ulicoten is vastgesteld. Er is daarom een voorwaardelijke verplichting bodemonderzoek opgenomen in de regels van het bestemmingsplan dat de sloop van bebouwing en het gebruiken van gronden conform de bestemmingsomschrijving Wonen-1 slechts is toegestaan indien een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd dat voldoet aan de norm NEN5740 en door het bevoegd gezag is goedgekeurd.
37 van 54
4.7. Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Het plangebied ligt direct aansluitend aan landbouwgronden. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de planlocatie komen geen boomgaarden voor.
Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze worden spuitdoppen getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. Bovendien wordt het plangebied aan de randen voorzien van landschappelijke inpassing. Hierdoor wordt voorkomen dat drift – mocht deze al ontstaan – tot aan de gewenste woningen reikt. De planlocatie heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones. 4.8.
Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.
Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct
38 van 54
naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). Het plangebied ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. rundveehouderij, paardenkliniek en recreatie de Steppe. Deze functies liggen binnen verschillende bestemmingen (agrarisch, wonen, recreatie en bedrijf). De ontsluiting van de weg vindt plaats tussen Baarle-Nassau en Ulicoten. De rundveehouderij op het plangebied Baarleseweg 4 te Ulicoten behoort tot milieucategorie 3.2 (rundveehouderij) waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt in gemengd gebied. Het naaiatelier behoort tot milieucategorie 1 (persoonlijk dienstverband) hiervoor geldt een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. De beoogde nieuw te bouwen woning behoort tot milieucategorie waarvoor een richtafstand van 0 meter geldt in gemengd gebied. Tabel 1: Functies in omgeving plangebied Adres Milieucategorie Baarleseweg 1a Milieucategorie 3.1 (recreatie de Steppe) Baarleseweg 2 Milieucategorie 1 (Beoogde woning) Baarleseweg 5 Milieucategorie 3.2 (rundveehouderij) Baarleseweg 10 Milieucategorie 3.1 (paardenkliniek)
Richtafstand 30 meter
Werkelijke afstand 50 meter
0 meter
50 meter
50 meter
130 meter
30 meter
270 meter
Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.9. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
4.9.1. Omgekeerde werking
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moeten veehouderijen, waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geurcontouren in acht nemen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Dit geldt onder andere voor pluimveehouderijen en varkenshouderijen. Voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundveehouderijen, gelden vaste afstanden. Wanneer er een nieuw geurgevoelig object wordt opgericht binnen de geurcontour of vaste afstand van een veehouderij, kan dat de ontwikkelingsmogelijkheden van die veehouderij belemmeren. In dit geval ligt de beoogde woning het dichtstbij de agrarische bestemming. De beoogde woonbestemming wordt op een afstand van minimaal 50 meter van het beoogde agrarische bouwvlak gerealiseerd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.
39 van 54
4.9.2. Woon- en leefklimaat
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNGhandreiking. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan Baarleseweg 4. Dit betreft een melkveehouderij. Hiervoor geldt op grond van de VNG-handreiking een richtafstand van 50 meter. De melkveehouderij ligt op een afstand van circa 50 meter ten opzichte van de planlocatie. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij ligt aan de Loveren 48 op een afstand van 1 kilometer. Dit betreft een varkenshouderij. Voor dit bedrijfstype geldt een richtafstand van 200 meter. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. De beoogde woning wordt op minimaal 50 meter afstand van de agrarische bestemming gerealiseerd. Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de achtergrondbelastingkaart, opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant.
Als bronnenbestand is een export van het bestand veehouderijen brabant genomen met als peildatum maart 2022. Daartoe kan de kaart als vrij recentelijk en accuraat worden beschouwd. Uit Afbeelding 17 blijkt dat ter plaatse van het plangebied de kwaliteit van de leefomgeving goed is, waardoor het woon- en leefklimaat aanvaardbaar wordt geacht zal zijn voor wat betreft het aspect geur.
Afbeelding 17: Uitsnede achtergrond geurbelastingkaart ODZOB, plangebied rood omcirkeld
4.10. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon-
40 van 54
en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.
4.10.1. Niet in betekenende mate
Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.
Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties; ▪ Combinatie van woningbouw en kantoren; ▪ Categorie inrichtingen. Het initiatief betreft het saneren van een intensieve veehouderij en het creëren van één nieuwe woning waarvoor de bestaande bedrijfswoning Baarleseweg 2 wordt gesloopt en het samenvoegen van twee agrarische bouwvlakken ten behoeve van de melkveehouderij (geen uitbreiding) met nevenactiviteit naaiatelier. Aangezien met het initiatief slechts één nieuwe woning met bijgebouw mogelijk wordt gemaakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.
4.10.2. Woon- en leefklimaat
Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 14,51 μg/m3, voor PM2,5 8,211 μg/m3 en voor NO2 10,45 μg/m3, zie afbeelding 18, afbeelding 19 en afbeelding 20. Derhalve is ter plaatse van het plangebied sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat voor wat betreft de luchtkwaliteit.