CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

B1 Bestemmingsplan Baarleseweg 2 en 4 te Ulicoten - Toelichting

Gemeenteraad (openbaar) 18 december 2024, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Bestemmingsplan Baarleseweg 2 en 4 Ulicoten20.934 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

41 van 54

Afbeelding 18: Uitsnede GCN-kaart PM10, plangebied rood omcirkeld

Afbeelding 19: Uitsnede GCN-kaart PM2,5, plangebied rood omcirkeld

42 van 54

Afbeelding 20: Uitsnede GCN-kaart NO2, plangebied rood omcirkeld

4.11. Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Aangezien er ter plaatse van het plangebied een woonkavel ten behoeve van één woning mogelijk wordt gemaakt, dient getoetst te worden aan de aspecten van geluidhinder. De beoogde ontwikkeling betreft een bestemmingsplanherziening naar een woonbestemming, waardoor een nieuw geluidsgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder wordt opgericht. Het plangebied is niet gelegen in de invloedzone van een spoorweg, toetsing aan dit aspect is derhalve niet nodig.

4.11.1. Wegverkeerslawaai

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. Indien de maximale snelheid op een weg maximaal 30 km/h bedraagt hoeft de akoestische situatie niet onderzocht te worden. In dat geval gaat de Wgh er van uit dat gezien een lage verkeersintensiteit en lage verkeerssnelheid altijd voldaan wordt aan de normen. Binnen de geluidszones is aandacht vereist voor de geluidsbelasting op de gevel van woningen. Met betrekking tot wegverkeerslawaai dient de gevelbelasting derhalve in beeld gebracht te worden. Er wordt getoetst aan de normstelling van de Wgh, rekening houdend met 5 dB aftrek op grond van artikel 110g van de Wgh. De hoogst toelaatbare geluidbelasting wordt gesteld op 48 dB. Eventueel kan een hogere grenswaarde worden afgegeven van maximaal 53 dB, indien voldaan wordt aan de criteria voor een hogere grenswaarde. De beoogde burgerwoning is gelegen binnen de geluidszone van de Baarleseweg, dit betreft een 60 km/u weg. Er is daarom een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai uitgevoerd door K+ Adviesgroep, zie bijlage bij deze toelichting.

43 van 54

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de maximale ontheffingswaarde zal worden overschreden met 56 dB, op 3 van de 18 waarneempunten, vanwege verkeerslawaai van de Baarleseweg. Alleen onder grote restricties als het oprichten van “dove-gevels” kan een woning in het oranje gebied worden gebouwd. In de beoogde situatie wordt de beoogde woning opgericht met een dove-gevel. De gemeente is verzocht om voor in onderhavige onderzoek beschouwde woning een hogere grenswaarde te verlenen. In bijlage 3 van de regels is het volledige ontwerpbesluit voor een hogere grenswaarden voor geluid opgenomen. In bijlage 9 van deze toelichting is het rapport van het akoestisch onderzoek toegevoegd.

4.11.2. Industrielawaai

In de omgeving van het plangebied zijn geen industriële bedrijfsgebouwen gevestigd. In paragraaf 4.8 ‘Bedrijven en milieuzonering’ is reeds aangegeven dat de afstanden tussen het plangebied en omliggende bedrijven aanvaardbaar zijn. Derhalve kan geconcludeerd worden dat bedrijfsactiviteiten geen geluidhinder veroorzaken op de nieuw te realiseren woning. 4.12. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. In de beoogde situatie nemen de verkeersbewegingen af aangezien een intensieve veehouderijlocatie wordt gesaneerd en twee agrarische bouwvlakken samengevoegd worden tot één agrarisch bouwvlak. De bestaande bedrijfswoning Baarleseweg 2 wordt gesaneerd en een nieuwe woning wordt gerealiseerd op de beoogde woonbestemming. Het bestaande naaiatelier wordt binnen één jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het bouwen van het nieuwe naaiatelier gesloopt dit is vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan. De ontsluiting van het naaiatelier zal plaatsvinden via de bestaande oprit van de Baarleseweg 4 te Ulicoten ook zijn hier voldoende parkeerplaatsen aanwezig.

De tweede oprit van het bedrijf nabij de te slopen woning (Baarleseweg 2) betreft namelijk de bedrijfsoprit waar veel transportbewegingen over plaats vinden. Combinatie van het naaiatelier en het gebruik van de bedrijfsoprit is niet wenselijk. De locatie van het naaiatelier is gekozen nabij het woonperceel van de bedrijfswoning (Baarleseweg 4) zodat het makkelijk is om vanuit huis bij het naaiatelier te komen zonder dat het melkveebedrijf betreden hoeft te worden vanuit veiligheid en hygiëne. De beoogde woonbestemming met burgerwoning en bijgebouw krijgt een eigen oprit. Vervolgens kan de weg vervolgd worden over de Baarleseweg richting het oosten naar Baarle-Nassau of richting het westen naar Ulicoten. De Baarleseweg is een doorgaande weg tussen de dorpen Ulicoten en Baarle-Nassau. De Baarleseweg beschikt over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte- maar ook zware motorvoertuigen af te wikkelen. De bestaande melkveehouderij aan de Baarleseweg 4 te Ulicoten blijft ongewijzigd. Twee agrarische bouwvlakken worden enkel samengevoegd tot één agrarisch bouwvlak. De intensieve veehouderij locatie wordt herbestemd naar ‘Wonen-1’ met een burgerwoning en bijgebouw.

De nevenactiviteit naaiatelier vindt in de huidige situatie plaats binnen een vergunningsvrij gebouw wanneer het nieuwe naaiatelier is gerealiseerd dan wordt de naaiatelier in het vergunningsvrij gebouw beëindigd. In de beoogde situatie is er een afname van zware verkeersbewegingen aangezien in de beoogde situatie twee agrarische bouwvlakken verdwijnen. CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, schrijft in ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ kencijfers ten aanzien van parkeren en verkeersgeneratie voor uiteenlopende activiteiten voor parkeerbeleid. Er zijn echter geen representatieve cijfers in opgenomen voor agrarische bedrijven. Eigen machines en werktuigen kunnen worden gestald in de daarvoor bestemde machine- en werktuigenbergingen. Vrachtwagens en tractoren van derden verblijven altijd maar kortstondig op het bedrijf, bijvoorbeeld voor melkafname, voerlevering of loonwerk. Voor dergelijk materieel is ruim voldoende erfverharding aanwezig. Voor het eigen personenvervoer wordt aangesloten bij de vereiste parkeergelegenheid bij een vrijstaande koopwoning, liggend in niet-stedelijk buitengebied. Hiervoor wordt een minimum van 2 parkeerplaatsen

44 van 54

voorgeschreven. Op de inrit naar de bedrijfswoning is ruim voldoende ruimte om 2 auto’s te kunnen parkeren. Gemiddeld zullen er dagelijks 2 tot 4 bezoekers met personenvervoer naar het bedrijf toe komen. Te denken valt aan de veearts, vertegenwoordigers, adviseurs, privébezoekers etc. Normaliter zullen deze niet gelijktijdig op het bedrijf aanwezig zijn, maar zelfs als dit het geval zou zijn is er ruim voldoende erfverharding aanwezig voor in totaal 6 personenvervoersmiddelen, eigen vervoersmiddelen en van bezoekers, te parkeren. Bij het naaiatelier zal in de beoogde situatie voldoende parkeergelegenheid aanwezig zijn. In het naaiatelier werken de vrouw van de boer van de Baarleseweg 4 te Ulicoten en in drukke periodes haar moeder, die de kleding strijken en kleding repareren deze werkzaamheden nemen een aantal uren in beslag. De meeste bezoekers komen hun kleren brengen of halen en gaan dan weer weg. De bezoekers komen meestal op afspraak en verspreid over de dag, naar schatting komen er 10 bezoekers verspreid over de dag. 3 parkeerplaatsen op de planlocatie zijn daarom voldoende. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt een norm van 2,0-2,8 parkeerplaatsen per woning. Bij de woning is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in minimaal drie privé parkeerplaatsen.

In de regels van het bestemmingsplan wordt geborgd dat er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid (in de overige regels). Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op het bedrijf. 4.13. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.13.1. Regelgeving De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd.

45 van 54

Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn.

Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

4.13.2. Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Risicokaart Nederland, zie afbeelding 21. In de buur van het plangebied is een risico met de aanduiding ‘A’ aanwezig. Dit is een kwetsbaar object aangezien hier veel mensen tegelijk verblijven aangezien dit een recreatie bestemming is.

46 van 54

Afbeelding 21: Uitsnede risico kaart, plangebied zwarte stip

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (realiseren van een woning) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plan voorziet zowel kwetsbare objecten (woning) als beperkt kwetsbare objecten (naaiatelier). Aangezien uit de risicokaart Nederland blijkt dat het plangebied niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn in Nederland geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkeling, zie afbeelding 21. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid inrichtingen. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het besluit externe veiligheid transportroutes stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo dient een basisveiligheidsniveau rond transportassen en een transparante afweging van het groepsrisico te worden gewaarborgd. Met dit besluit is ruimtelijk gewaarborgd dat het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten rekening moet houden met transporten van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. Het plangebied is op circa 880 meter van de A266 gelegen en het spoortraject is op meer dan 9 kilometer gelegen. Dit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan Buitengebied is in de nabijheid geen dubbelbestemming ‘Leiding – […]’ opgenomen. De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemming en de voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.

47 van 54

4.14. Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 20). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen. Voor deze planologische procedure zijn er geen belemmeringen inzake het aspect technische infrastructuur. 4.15.

Volksgezondheid

4.15.1. Melkveehouderij

Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. Voor melkveehouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt gebleken vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Vooralsnog wordt er bij melkveehouderijen daarom getoetst aan de wettelijke grenswaarden voor diverse stoffen, zoals geur en fijnstof. Daar deze grenswaarden nationaal zijn vastgesteld en de beoogde bedrijfsopzet hieraan voldoet, mag er vanuit worden gegaan dat deze waarden de volksgezondheid afdoende beschermen. Daarnaast betreft de ontwikkeling geen uitbreiding van melkvee, en worden er geen andere soorten dieren op het bedrijf gehouden. De afstand tot woningen in de omgeving is tevens voldoende groot om het risico naar de omgeving te beperken.

4.15.2. Wonen

In paragraaf 4.8 is reeds uiteen gezet dat de dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan Baarleseweg 4 op een afstand van circa 50 meter. Dit betreft een melkveehouderij. Voor melkveehouderijen geldt dat de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt zijn vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bovendien moet iedere veehouderij voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Gezien de grote afstand van het plangebied tot veehouderijen in de omgeving, kan dus worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect volksgezondheid geen onevenredige nadelige effecten zullen optreden binnen de planlocatie.

4.15.3. Geitenmoratorium Uit het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies, RIVM 2017-0062) blijkt dat er een verhoogde kans op longontsteking is voor mensen die in een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij wonen. Het is onbekend waardoor dit verhoogde risico ontstaat zodat vervolgonderzoek nodig is naar de oorzaak van dit risico. De resultaten van dat onderzoek komen pas op termijn beschikbaar. Het plangebied is gelegen op een afstand van meer dan 2 kilometer van de geitenhouderij aan Eikelenbosch 13 te Eikelenbosch, zie afbeelding 22. Dit is de dichtstbijzijnde geitenhouderij ten aanzien van de ligging van het plangebied. Gelet op het feit dat het plangebied op grote afstand van de dichtstbijzijnde geitenhouderij is gelegen zijn geen belemmeringen te verwachten met betrekking tot het geitenmoratorium. Tevens betreft de situering van het plangebied een feitelijke en vergunde situatie. Op verzoek van gemeenten en vanwege de noodzaak voor een uniforme aanpak van geitenhouderijen binnen de provincie is een regeling in de Interim omgevingsverordening opgenomen om de ontwikkeling van geitenhouderijen tijdelijk tegen te gaan. De kans op longontsteking zal binnen het plangebied niet kunnen verhogen, omdat de dichtstbijzijnde geitenhouderij dus niet mag uitbreiden.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn er voor het beoogde initiatief derhalve geen belemmeringen omtrent het aspect geitenhouderij en volksgezondheid.

48 van 54

Afbeelding 22: Uitsnede gebied binnen 2 km van geitenhouderij blauw omcirkeld, plangebied rood omcirkeld

4.16. Brabantse zorgvuldigheidscore veehouderij (BZV) In de beoogde situatie dient er een grondgebonden melkveehouderij op de locatie aan de Baarleseweg 4 te Ulicoten aanwezig te zijn. Het melkveebedrijf is een grondgebonden bedrijf, aangezien het bedrijf 71,24 hectare grond in gebruik heeft. Deze gronden zijn binnen een straal van 2 á 3 kilometer van het bedrijf gelegen. 71,24 hectare x 2,75 Grootvee eenheden (GVE) = 195,91 GVE beschikbaar. De eigenaar huisvest in de beoogde situatie 194 melken kalfkoeien en 5 vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. Dit is 194 x 1GVE= 194 en 5 x 0,4 GVE = 1,6. Samen is dit 1,6 + 194 = 195,6 GVE. Maximale GVE voor het aantal hectare dat de initiatiefnemer heeft is 195,91 GVE en het aantal GVE van het initiatief is 195,6 GVE. De eigenaar heeft dus een grondgebonden bedrijf. Ook voldoet de melkveehouderij met het aantal dieren aan de Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij (BZV) met een 7,27 en dient te blijven voldoen aan een grondgebonden veehouderij en de BZV, zie bijlage 5. De veestapel én de hoeveelheid grond kan gedurende de tijd wijzigen, maar er zal altijd moeten worden voldaan aan de criteria van een grondgebonden veehouderij, als opgenomen in de Nadere regels zorgvuldige veehouderij als bedoeld in artikel 5.11 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

In de regels van het bestemmingsplan is hiervoor een voorschrift opgenomen onder artikel 4.1.1 én 4.3.2 dat blijvend moet worden voldaan aan de grondgebondenheid en BZV. Dus wanneer de eigenaar meer dieren gaat houden dan 194 melk- en kalfkoeien en 5 stuks vrouwelijk jongvee moet er worden getoetst aan grondgebondenheid en aan de BZV.

49 van 54

5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1. Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.

Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: ▪ Enkelbestemming Agrarisch; ▪ Enkelbestemming Agrarisch-Agrarisch Bedrijf; ▪ Enkelbestemming Groen-Landschappelijke inpassing; ▪ Enkelbestemming Wonen-1; ▪ Dubbelbestemming Waarde-Archeologie 4; ▪ Bouwvlak; ▪ Functieaanduiding specifieke vorm van agrarisch naaiatelier; ▪ Functieaanduiding – Bedrijfswoning; ▪ Functieaanduiding – grondgebonden veehouderij; ▪ Functieaanduiding specifieke vorm van agrarisch – differentiatievlak voeropslag; ▪ Specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering; ▪ Figuur: gevellijn; Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is op aanvraag van de gemeente BaarleNassau aangesloten bij het moederplan bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 2’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. 5.3. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied,

50 van 54

herziening 2’. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen.

51 van 54

6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1. Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Baarleseweg 2 en 4 te Ulicoten betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden.

6.2.1. Vooroverleg en omgevingsdialoog

In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap Brabantse Delta en provincie Noord-Brabant. Naar aanleiding van dit overleg is het plan aangepast. In bijlage 10 bij deze toelichting zit de notitie beantwoording vooroverlegreacties, hierin is aangegeven wat er met de opmerkingen van de provincie is gedaan. Er is tevens een omgevingsdialoog uitgevoerd met de directe omwonende van het plangebied. Uit dit dialoog blijkt dat de omwonende positieve opmerkingen geven. Eventuele onduidelijkheden van de plannen zijn toegelicht. Het verslag van het omgevingsdialoog is toegevoegd in bijlage 7 van deze toelichting.

6.2.2. Zienswijzen en beroep

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. De bekendmaking van de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan ‘Baarleseweg 2 en 4 Ulicoten’ is op 14 december 2023 gepubliceerd in het gemeenteblad. Onderhavig beleidsvoornemen lag van 14 december 2023 tot en met 24 januari 2024 ter inzage. Tijdens deze termijn kon iedereen zowel schriftelijk als mondeling een zienswijze indienen. Er zijn in deze periodes geen zienswijzen ontvangen tegen het plan. Wel is er een nader onderzoek uitgevoerd in het kader van ecologie, er is daarom in bijlage 12 een nota van ambtelijke wijzigingen bijgevoegd. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep instellen tegen het vaststellingsbesluit bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.

52 van 54

7. Bijlagen

Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Toelichting grondgebondenheid Bijlage 3: Rekenresultaten AERIUS berekening op Nederlandse Natura-2000 gebieden Bijlage 4: Toelichting AERIUS invoergegevens Bijlage 5: Uitdraai BZV Bijlage 6: Berekening opslagcapaciteit Bijlage 7: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 8: Flora en fauna onderzoek Bijlage 9: Akoestisch onderzoek Bijlage 10: Beantwoording vooroverleg reacties Bijlage 11: Nadere onderzoeken ecologie Bijlage 12: Nota van ambtelijke wijzigingen

53 van 54

54 van 54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14800958/1