CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

3.7 - Bijlage 1 - TAM Omgevingsplan Grens 32

Gemeenteraad (openbaar) 12 maart 2025, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Categorie 3: Raadsinformatiebrieven voor kennisgeving aan te nemen30.361 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|29

Conclusie Het planvoornemen past binnen de doelstelling en het beleid van de gemeente.

4.

BESCHERMING VAN GEZONDHEID EN MILIEU

4.1

Geluid

Wettelijk kader Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van autowegen, spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Bruidsschat In de Bruidsschat (BS) is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald. Geluidsgevoelige gebouwen Artikel 3.21 Bkl omschrijft wat er wordt verstaan onder geluidsgevoelige gebouwen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft.

De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Geluidsproductieplafond De Omgevingswet werkt met geluidsaandachtsgebieden. De omvang van de geluidsaandachtsgebieden wordt bepaald op basis van berekeningen en beslaat het gebied waarbinnen de standaardwaarde mogelijk worden overschreden. De wijze waarop het gebied moet worden bepaald is opgenomen in de Aanvullingsregeling geluid (Arg). De bepaling van een geluidsaandachtsgebied is afhankelijk van de juridische status van de bron. Als een geluidsproductieplafond is vastgesteld, wordt gebruik gemaakt van de gegevens bij vaststelling daarvan. Dit betreft met name rijkswegen, hoofdspoorwegen, provinciale wegen en industrieterreinen. Hetzelfde geldt voor een waterschapsweg, lokale weg of lokale spoorweg als daarvoor een geluidsproductieplafond is vastgesteld.

Als geen geluidsproductieplafond is vastgesteld wordt gebruik gemaakt van basisgeluidsemissies voor die bronnen. Basisgeluidemissie

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|30

Met het invoeren van de Omgevingswet wordt de basisgeluidsemissie (BGE) geïntroduceerd. De basisgeluidemissie is een instrument op de geluidsproductie van lokale bronnen te monitoren. Daarnaast wordt het ook gebruikt om het geluidsaandachtsgebied te bepalen. Voor alle bronnen die buiten de bovengenoemde geluidsproductieplafond-systematiek vallen wordt onder de Omgevingswet een BGE vastgesteld om zo de geluidsproductie vast te leggen en te monitoren. Het gaat in dit geval om gemeentelijke wegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen als daarvoor geen geluidsproductieplafond is vastgesteld. Het BGE wordt in ieder geval vastgesteld voor wegen me een intensiteit hoger dan 4.500 motorvoertuigen per etmaal. De verplichting voor de overige wegen vanaf een intensiteit van 1.000 motorvoertuigen per etmaal wordt pas later van kracht, namelijk 1 januari 2026. Overgangsrecht geluidsaandachtsgebied Totdat het bevoegd gezag geluidproductieplafonds heeft vastgesteld, bestaat het geluidaandachtsgebied uit het gebied dat zich aan weerszijden van de as van de weg uitstrekt tot de volgende afstand, gemeten vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf van de spoorweg: a. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; b.

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en c. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. Als een lokale spoorweg grotendeels is verweven of gebundeld met een gemeenteweg wordt bij de toepassing van het voorstaand het totaal van het aantal sporen of rijstroken beschouwd Onderzoek Voor de realisatie van nieuwbouw woningen aan de Grens 32 te Baarle-Nassau, is een akoestisch onderzoek (bijlage, K+ adviesgroep, Rm240599aaA0, 27 januari 2025) verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de N260 en de Grensweg. Van de provinciale weg N260 zijn nog geen geluidproductieplafonds vastgesteld. Om deze reden dient conform artikelen 3.5 en 3.6 van de Aanvullingswet geluid te worden uitgegaan van de oude wetgeving. Derhalve zijn de geluidbelastingen ten gevolge van de N260 getoetst conform de Wet geluidhinder (Wgh).

Besluit kwaliteit leefomgeving Gemeentewegen • De geluidbelasting ten gevolge van de Grens is maximaal 25 dB waarmee deze onder de standaardwaarde ligt. Het Besluit kwaliteit leefomgeving legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Wet Geluidhinder Provinciale wegen • De voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde worden beiden op een gedeelte van het plangebied overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de N260 is maximaal 63 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh).

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|31

•

•

• • •

•

Indien gewenst is om te bouwen waar de maximale ontheffingswaarde binnenstedelijk gebied wordt overschreden is nieuwbouw in dit gebied alleen mogelijk door het toepassen van een of meer dove gevels of door middel van het treffen van bouwkundige voorzieningen waarmee gezorgd wordt dat optredende gevelbelasting aan de maximale ontheffingswaarde voldoet. Een dove gevel is een gevel waarin, voor zover zich daarachter een verblijfsruimte bevindt, geen te openen delen zijn opgenomen. Bij bouwkundige voorzieningen kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het toepassen van geluidschermen, voorhangschermen en loggia’s. Door de nieuwe woningen akoestisch slim te ontwerpen kan het aantal gevels/bouwkundige maatregelen wellicht beperkt blijven. Indien gewenst is om te bouwen in het gebied waar de voorkeursgrenswaarde maar niet de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden kan bij de gemeente Baarle-Nassau een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In het gebied waar de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden legt de Wet geluidhinder geen restricties op aan het plan. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject een open plaats opvult. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren.

De geluidbelasting kan daarmee worden teruggebracht tot onder de maximale ontheffingswaarde. De kosten voor degelijke maatregelen worden geraamd op € 100.000,- (250 m * 8 m * € 50,-) en stuit daarmee op bezwaren van financiële aard. Het aanbrengen van een stiller wegdek om de geluidbelasting ten gevolge van de N260 terug te dringen is uit het oogpunt van praktische uitvoerbaarheid, beheer en onderhoud niet wenselijk. Het plaatsen van scherm is akoestisch niet verder onderzocht. Om de geluidbelasting op de gevel te verlagen is een geheel gesloten scherm benodigd. Een geheel gesloten scherm is in de praktijk niet uitvoerbaar gezien de inritten van de woningen dan niet te bereiken zijn. Een scherm langs een oprit realiseren brengt de verkeersveiligheid in gevaar, het uitzicht op de weg wordt namelijk belemmerd, ook met een glazen scherm. Indien gekozen wordt om te bouwen waar de standaardwaarde maar niet de grenswaarde wordt overschreden, stelt de gemeente Baarle-Nassau aanvullende voorwaarden aan deze ontheffing. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit betekent dat woningen met een geluidbelasting tussen de 55 dB en 60 dB ten minste één geluidgevoelige ruimte een geluidluwe (dove) gevel aanwezig is met ten minste één te openen deel.

Bij woningen met een geluidbelasting van 60 dB en hoger dienen de gevels met deze geluidbelasting te worden uitgevoerd als een niet-geluidgevoelige gevel en ten minste één geluidgevoelige ruimte dient te beschikken over een geluidluwe zijde met ten minste één te openen deel. Dit staat tevens benoemd in paragraaf 3.7. van het akoestisch onderzoek (Attentiezone geluid provinciale weg).

Gecumuleerd geluid De maximale gecumuleerde geluidbelasting is 63 dB, dit is gelijk aan de maximale geluidbelasting van de bronsoort provinciale wegen. Indien woningen worden gerealiseerd in het gebied waar de standaardwaarde wordt overschreden kan het bevoegd gezag, mede aan de hand van de gecumuleerde geluidbelasting, beoordelen of en in welke mate het verantwoord is de afwegingsruimte boven de standaardwaarde te benutten.

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|32

Gezamenlijk geluid en Besluit bouwwerken leefomgeving Het gezamenlijk geluid is maximaal 63 dB. Indien woningen worden gerealiseerd in het gebied waar de standaardwaarde wordt overschreden worden conform het Besluit bouwwerken leefomgeving eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer de standaardwaarde wordt overschreden, moet voor de nieuw te bouwen woningen worden aangetoond welke geluidbelasting op de gevel heerst en welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 4.103 van het Bbl. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in de gezamenlijke geluidbelasting en 33 dB. Afhankelijk van hoe de woningen worden gerealiseerd is het aannemelijk dat iedere woning zal beschikken over een niet-geluidgevoelige gevel (of dove gevel onder Wet geluidhinder). Daar waar een niet-geluidgevoelige gevel (of dove gevel onder Wet geluidhinder) wordt toegepast dient bij de bepaling van de gevelgeluidwering rekening gehouden te worden met artikel 4.103b van het Bbl waarbij het gezamenlijk geluid met 3 dB moet worden verhoogd. Regeling TAM-Omgevingsplan In het Tam-Omgevingsplan is als gevolg van de berekende geluidbelastingen een Geluidszone – Geluidsaandachtsgebied opgenomen. Binnen deze geluidszone is het toetsingskader en afwegingskader voor het realiseren van geluidsgevoelige functies opgenomen.

Tevens is de vereiste berekeningsmethodiek opgenomen. Op basis van deze regeling kan op basis van de concrete uitwerking van de plannen getoetst worden of aan de standaardwaarden of grenswaarden voldaan kan worden. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen, mits voldaan wordt aan het toetsingskader en afwegingkader voor het realiseren van geluidsgevoelige functies.

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|33

4.2

Bodemkwaliteit

Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door: • Het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; • Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art.

5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO). Onderzoek Voor het plangebied is een vooronderzoek bodem uitgevoerd, conform NEN 5725 (bijlage, Aeres Milieu, AM24401, 12 februari 2025). Uit het vooronderzoek komen de volgende conclusies en aanbevelingen: Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie als “verdacht” beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging. Bij woningbouw en natuurontwikkeling met grondwerkzaamheden is sanering volgens de BUS IMMO Melding noodzakelijk geacht. Tevens wordt er in het niet eerder onderzochte deel van de onderzoekslocatie (zie de situatietekening in bijlage 3) een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 noodzakelijk geacht. Deze dient conform de strategie ‘VED-HE_NL’ uitgevoerd te worden waarbij de bovengrond verdacht is op het voorkomen van zware metalen, PAK, OCB, minerale olie en PFAS. Tijdens het vervolgonderzoek zal er tevens inpandig onderzoek uitgevoerd dienen worden. Dit om eventuele bronnen van bodemverontreiniging in kaart te brengen en/of uit te sluiten. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem kan niet uitgesloten worden (verdacht).

Het betreft het aangetroffen granulaat ter plaatse van de weg aan de westzijde van het perceel en een asbestverdacht dak (met druipzone) aan de zuidzijde het perceel en van de bebouwing. Om de Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|34

aanwezigheid van asbest in de bodem (bovengrond) te onderzoeken, wordt geadviseerd om een verkennend onderzoek asbest in bodem conform de NEN 5707 / 5897 uit te voeren ter plaatse van de (granulaat) weg en de druipzone (asbestverdachte dak). Wordt er tijdens de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek asbestverdacht materiaal op de niet eerder onderzochte locatie aangetroffen dan zal hier tevens een verkennend asbestonderzoek noodzakelijk zijn. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit bodemkwaliteit in combinatie met de bodemvoorschriften voor milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het omgevingsplan (met bodemkwaliteitskaart) van toepassing. Conclusie Voor het aspect bodem dienen vervolgonderzoeken en saneringen plaats te vinden. Via een voorwaardelijke verplichting in de planregels is dit juridisch geborgd.

4.3

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Grenswaarden Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijnstof, koolmonoxide, lood, benzeen en ozon. In Nederland zijn met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn conform artikel 2.4 en 2.5 Bkl en weergegeven in onderstaande tabel. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 μg/m³ 40 μg/m³ 25 μg/m³

Tabel Grenswaarden

Niet in betekenende mate (NIBM) Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijks omgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|35

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het betreft de volgende categorieën: • Woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • Woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; en • Kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlakte met een enkele ontsluitingsweg. Onderzoek De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied dient getoetst te worden aan de grenswaarde voor stikstofdioxide en fijnstof. De waardes zijn bepaald aan de hand van de Atlas leefomgeving. De concentratie PM2,5 is ter plaatse 8,9 μg/m³. De concentratie PM10 is 16,3 μg/m³ en de concentratie NO² 13,5 μg/m³. Op basis van deze kaarten is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. De ontwikkeling van 12 woningen ligt ver onder de drempelwaarde van 1.500 woningen. Daarnaast zoals gesteld in paragraaf 2.4 neemt de verkeersgeneratie fors af, wat betekent dat de luchtkwaliteit ter plaatse verbetert. Het planvoornemen draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ bij aan luchtverontreiniging. Een aanvullend onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.4

Geur

Wettelijke kader In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; • Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geur veroorzakende bedrijven. Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geur veroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten’ van het Bkl staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur (par. 8.5.1). Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|36

Geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau De gemeente Baarle-Nassau heeft op 15 juli 2022 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Gemeente Baarle-Nassau 2022’ vastgesteld. In de geurverordening van de gemeente Baarle-Nassau zijn de volgende regels opgenomen: • De maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende en gewaarmerkte kaart, als volgt: Deelgebied A: 3,0 odour units; Deelgebied B: 5,0 odour units; Deelgebied C: 8,0 odour units; Deelgebied D: 10,0 odour units. • Ruimtelijke initiatieven en plannen waar er sprake is van een nieuw voor geurhinder gevoelig object zoals aangeduid in de Wgv c.q. de uitvoeringsregels van de Omgevingswet wordt als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ voor het aspect cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen, onderstaande waarden gehanteerd:

Onderzoek Voor het planvoornemen is door Derks Advies een Geuronderzoek Veehouderijen uitgevoerd (Bijlage Geurrapportage versie 1.1, d.d. 5 december 2024). Het volledige rapport is opgenomen als bijlage bij deze motivering. In dit onderzoek is aan de hand van de gemeentelijke gebiedsvisie onderzocht of met het planvoornemen aan de Grens 32 sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast is aan de hand van een geurberekening onderzocht of de omliggende bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Uit het onderzoek kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de omliggende bedrijven als gevolg van het planvoornemen niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|37

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.5

Bedrijven en milieuzonering

Wettelijk kader Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Daarom is een inventarisatie naar de aanwezigheid van milieubelastende activiteiten, specifiek ten aanzien van bedrijven, in de directe omgeving van het plangebied (of andersom) noodzakelijk. Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ is in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet gedefinieerd als een “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben, met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten. Voor een aantal milieubelastende activiteiten zijn rijksregels opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen, bevat gemeentelijke regels voor milieubelastende activiteiten.

Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. Daarnaast kunnen er decentrale regels voor milieubelastende activiteiten in het (tijdelijk) omgevingsplan, de Omgevingsverordening, of de Waterschapsverordening staan. Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2023’ De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2023’ van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en vervangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten. Ten behoeve van voorgenomen planinitiatief is een analyse bedrijven en milieuzonering uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd aan de hand van de regelgeving onder het oude stelsel (Wro).

Op moment van schrijven is er nog geen vastgestelde regelgeving vanuit de overheid. Ten behoeve van voorliggend planinitiatief is daarom gebruik gemaakt van de toetsing die gedaan is aan de hand van het Wro. Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen sprake is van activiteiten die kunnen leiden tot onaanvaardbare milieuhinder ter plaatse van de beoogde woningen. Te verwachten is dat dit ook onder het nieuwe stelsel het geval zal zijn. Om dit te onderbouwen is ook de nieuwe VNG Handreiking Activiteiten en milieuzonering (oktober 2024) benoemd. Hieronder zijn de bevindingen opgenomen.

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|38

Onderzoek De omgeving van het plangebied kan worden getypeerd als een rustige woonwijk. Onderstaand is in tabelvorm te zien welke andere functies dan wonen zich rondom het plangebied bevinden. Hierbij zijn de categorieën en de afstand gemeten tot het plangebied opgenomen. Hierbij is uitgaan van de planologische situatie van het bestemmingsplan Grensweg 32 (2017).

Planologisch mogelijke functies Grensweg 26, 28-30 en 32 Baarle-Nassau

Op basis van dat bestemmingsplan zijn de volgende functies toegestaan op de percelen Grensweg 26, 28-30 en 32: Bestemming Gemend: a. cultuur en ontspanning (gehele perceel): voorzieningen ten behoeve van educatie en cultuur, waaronder worden verstaan atelieractiviteiten, cursussen voor ambachtswerk (zoals imkerij, bloemschikken), tentoonstellingen, workshops, excursies en bijeenkomsten en daarmee gelijk te stellen activiteiten; voorzieningen ten behoeve van verenigingsleven dat gerelateerd is aan de cultuurhistorische en ecologische waarden in en rond het plangebied. b.

groothandelsactiviteiten (gehele perceel): Het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan bedrijven of

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|39

instellingen, die deze goederen in een door hen gedreven onderneming aanwenden. c.

Detailhandel (uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel'): Het bedrijfsvloeroppervlak ten behoeve van detailhandel bedraagt maximaal200 m2 en dient door de inrichting als zodanig onderscheidend te zijn;

d.

Horeca (uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca'): Horeca tot en met cat 1b uit de Staat van Horeca-activiteiten behorende bij deze regels in de dag- en avondperiode. Hieronder vallen de volgende horecabedrijven: 1a: Horecabedrijven zoals: broodjeszaak, crêperie, croissanterie; cafetaria, koffiebar, theehuis; lunchroom; ijssalon; snackbar 1b: overige lichte horeca: bed & breakfast; bistro, eetcafé; poffertjeszaak/pannenkoekenhuis; restaurant (zonder bezorg- en/of afhaalservice); wijn- of whiskyproeverij.

• •

Maximaal 175 m2 en dient door een aparte ingang en door middel van een muur of wand als zodanig fysiek afgescheiden te zijn van andere functies. Het gebruik van gronden en gebouwen ter plaatse van de aanduiding ‘horeca’ voor het hebben van gasten, anders dan ten behoeve van een Bed & Breakfast, is niet toegestaan tussen 23.00 uur en 07.00 uur; Bestemming Verkeer – Verblijfsgebied a. Géén parkeervoorzieningen b. Terras Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘terras’): het gebruik van gronden als terras ter plaatse van de aanduiding 'terras' is in de dag- en avondperiode toegestaan en uitgesloten tussen 23.00 uur en 07.00 uur; Er is ten hoogste één terras toegestaan; De oppervlakte van een terras bedraagt maximaal 175 m2; Het gebruik als parkeervoorziening is niet toegestaan. Gezien bovenstaande gelden voor de bedrijven de volgende milieucategorieën en richtafstanden op basis van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering: Functie

Locatie

Milieucategorie

Cultuur en ontspanning

Grensweg 26, 28-30 en 32 Grensweg 26, 28-30 en 32 Grensweg 28-30 Grensweg 30 Bij Grensweg 30

Groothandelsactiviteiten Detailhandel Horeca Terras

1

Richtafstand (m) 10

Werkelijke afstand (m) 0

2

30

0

1 1 1

10 10 10

53 5 17

Tabel nabijgelegen bedrijven met milieucategorieën en richtafstanden op basis VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering

De richtafstanden als gevolg van het horecabedrijf, de cultuur en ontspanning functies en de groothandelsactiviteiten liggen (deels) over het plangebied van Grens 32. Om te voldoen aan de grootste richtafstand van 30 meter vanwege de planologische groothandelsactiviteiten is het bouwvlak voor de nieuwe woningen binnen het plangebied Grens 32 op 30 meter vanuit de perceelsgrens ingetekend.

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|40

VNG Handreiking Activiteiten en Milieuzonering In de VNG Handreiking Activiteiten en milieuzonering (oktober 2024) is in bijlage A5 een ‘Indicatieve lijst met activiteiten met inschatting geluid en geur opgenomen. Op basis hiervan zouden de aanwezige activiteiten als indicatie als volgt ingeschaald kunnen worden: Activiteit

Locatie

Positie

Cultuur en ontspanning

Grensweg 26, 2830 en 32 Grensweg 26, 2830 en 32 Grensweg 28-30 Grensweg 30 Bij Grensweg 30

Groothandelsactiviteiten Detailhandel Horeca Terras

FM

Richtafstand (m) 10

Werkelijke afstand (m) 0

1

30

0

FM FM FM

10 10 10

53 5 17

Tabel nabijgelegen bedrijven met indicatie positie en richtafstanden op basis VNG-Handreiking Activiteiten en milieuzonering (2024).

Conclusie Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor planvoornemen.

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|41

5.

BESCHERMING VAN DE WATERBELANGEN

Wettelijk kader Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot: • Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; • Het bouwen binnen kunstfundamenten buiten stedelijk gebied; en • Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving.

De Europese kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeenten op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal.

Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kader voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: • Heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; • Beheersbaar programma voor de waterkeringen; • Doelmatig beheer van de waterketen; • Werkzaamheden slim combineren; • Het waterschapsbestuur. Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|42

Provincie Noord-Brabant Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022 – 2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Samenwerking met water- en bodempartners De provincie heeft de koers voor de komende jaren niet alleen bepaald. In dialoogsessies hebben vele partners en belanghebbenden actief meegedacht. Naast de Brabantse waterschappen, terreinbeherende organisaties (TBO’s), de Vereniging Industriewater, drinkwaterbedrijven, de Brabantse Milieu Federatie, Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (ZLTO) en verschillende onderwijsinstellingen, waren ook een groot aantal gemeenten aangesloten. Water en bodemsysteem herstellen Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking.

Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Beleid Waterschap Brabantse Delta Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger.

De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|43

hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’. Hieromtrent is bij de Algemene regels van de keur het volgende opgenomen: • Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater; • Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m²); • Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig. In alle gevallen geldt (ook) het gemeentelijke beleid. Gemeentelijk waterbeleid Baarle-Nassau Verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2021 – 2025 (vGRP) Het waterbeleid van de gemeente Baarle-Nassau is vastgelegd in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025. In het waterbeleid zijn de zorgplichten uit de Waterwet verder ingevuld.

Het gemeentelijke waterbeleid schrijft onder meer voor dat stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater op een deugdelijke manier moeten worden ingezameld, geborgen, getransporteerd en/of lokaal gezuiverd. Alle nieuwe nieuwbouw- en herstructureringsprojecten dienen in principe hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd waarbij de wettelijke voorkeursvolgorden gehanteerd worden. Hemelwater wordt daarom, ook als er geen toename is van het verhard oppervlak, bij voorkeur in de bodem geïnfiltreerd en schoon gehouden. Bij vervanging geldt een bergingsnorm van minimaal 7 mm (7 liter per m² of 70 m3 per hectare) voor het vernieuwd verhard oppervlak. Voor de toename van het toekomstige aangesloten verhard oppervlak (daken en verharding) geldt conform het gemeentelijke beleid een norm van minimaal 78 mm voor het nieuwe verhard oppervlak. De gemeente rekent niet met een gevoeligheidsfactor. Oppervlak wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden. De bestaande watersystemen zoals greppels en vijvers dienen gehandhaafd te blijven tenzij de bergende, afvoerende, infiltrerende en drainerende functie gecompenseerd wordt. Watertoets In het kader van de watertoets is door Aeres Milieu en onderzoek “Weging van het waterbelang Grens 32 te Baarle- Nassau” uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen in de bijlage bij deze toelichting (Projectnr: AM24401, d.d.

23 januari 2025) Het toekomstig verhard oppervlak voor de 12 bouwkavels is ingeschat op 50% van het perceel. In onderstaande tabel is een overzicht van het huidig en toekomstig verhard oppervlak door het planvoornemen opgenomen.

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|44

Tabel huidige en toekomstig verhard oppervlak

Door het planvoornemen zal de totale verharding naar verwachting toenemen met ca. 6.862 m2. Opgemerkt wordt dat dit een inschatting betreft van de toekomstige verharding binnen het plangebied zonder rekening te houden met open/waterdoorlatende verhardingen. Het vervangend oppervlak bedraagt ca. 4.430 m2. Vanuit het waterschapsbeleid wordt 60 mm waterverwerking voor de uitbreiding aan verharding vereist. De gemeentelijk norm is hoger met tevens een opgave voor de bestaande verharding, namelijk in totaal ca. (6.862 m2 x 78 mm) + (4.430 m2 x 7 mm) = 566 m3. In het planvoornemen is westelijk ruimte voorzien voor de aanleg van 2 wadi’s. Dit oppervlak van in totaal ca. 1.240 m2 biedt bij een aanlegdiepte van ca. 0,5-0,6 meter ruimte voor ca. 500 m3 hemelwater. Dit is net onvoldoende voor de benodigde waterberging. Oplossing is het uitbreiden van de wadi of om aanvullend langs of onder de toekomstige eigen ontsluitingsweg de resterende 66 m3 water in te passen. Een bovengrondse verzamelwijze in een verlaging langs de verharding heeft de voorkeur. Een alternatief betreft de aanleg van een IT-riool dat verbonden wordt met de wadi’s. Dit IT-riool heeft dan een berging-, infiltratie- en transportfunctie richting de geplande wadi’s. Bij de nieuwbouw wordt een geheel gescheiden stelsel aangelegd.

Door de bijkomende woningen zal de vuilwaterhoeveelheid vanuit het plangebied toenemen naar in totaal ca. 0,3 tot 0,4 m3/u. Binnen het plangebied wordt geen grondwateroverlast of problemen met grondwater en/of afstromend hemelwater verwacht. Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water kan afstromen naar het nabijgelegen groen of HWA-stelsel zodat wateroverlast bij panden vermeden wordt. Conclusie Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|45

6.

WAARBORGEN VAN DE VEILIGHEID

Wettelijk kader Artikel 5.2 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan voor risico’s van branden, rampen en crisis als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, rekening gehouden dient te worden met: het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden.

Uitsnede kaart Veilige Omgeving Atlas Leefomgeving (plangebied rood omcirkeld)

Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen het aandachtsgebied van een risicobron c.q. risicovolle activiteit. Ten noorden op meer dan 1 kilometer bevinden zich locaties met een opslagtank. Conclusie Vanuit het aspect veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|46

7.

BESCHERMING VAN DE LANDSCHAPPELIJKE- EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN EN CULTUREEL ERFGOED

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Omgevingskwaliteit duidt daarbij op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van een gebied en aan dier- en plantensoorten. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden zijn een element van omgevingskwaliteit en het beschermen van die waarden is in artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet wet opgenomen als één van de oogmerken die van belang kan zijn bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet. Voor onderhavige herontwikkeling betreffen dit de volgende waarden: Cultureel erfgoed Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Rijksmonumenten Dienstwoningen Grensweg Ten zuiden van het plangebied is het complex dienstwoningen van architect GW van Heukelom aan de Grens en Grensweg aangewezen als rijksmonument: “Complex dienstwoningen, gebouwd in 1906 in opdracht van de Nederlandse Spoorwegen voor haar personeel bij het reeds verdwenen treinstation aan de spoorlijn van Tilburg naar Turnhout, op de grens van Nederland en België. De woningen zijn ontworpen door G.W. van Heukelom met elementen van Traditionalisme en Chaletstijl. Grensweg 24 hoort bij het complex maar wordt niet beschermd omdat gewijzigde raamindelingen de gevel te zeer aangetast hebben. Omschrijving Deel van oorspronkelijk drie complexen van dienstwoningen voor spoorweg- en grenspersoneel. Eén complex aan de Grens ligt op Belgisch grondgebied (Baarle-Hertog, grens), een tweede complex aan de Grensweg, nu in bezit van diverse particulieren en het derde complex ligt eveneens aan de Grensweg, op de hoek met de Grens. Dit laatstgenoemde gedeelte wordt beschermd en bestaat uit een aantal dubbele en enkele woningen. Aanvankelijk werd het complex als geheel door de N.S.

verkocht. Inmiddels is het grootste deel van de woningen in diverse particuliere handen wat afbreuk doet aan het homogene karakter. Slechts twee woningen worden nog gehuurd en verkeren ook qua interieur in oorspronkelijke staat. De

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|47

bebouwing kent een hiërarchie, aflopend vanaf de plek waar zich oorspronkelijk het grensstation bevond. Hier zijn de woningen voor het hoger personeel gebouwd, naar de Turnhoutseweg toe staan de dienstwoningen voor lagere beambten. De vormgeving en indeling van de huizen wordt met de afstand van het station soberder. Voor het complex ontwierp Van Heukelom vijf verschillende typen huizen waarbij de variatie dicht bij het oorspronkelijke grensstation het grootst is. Waardering Het complex van dienstwoningen is van algemeen belang. Het heeft cultuurhistorisch belang als uitdrukking van de typologische ontwikkeling van de dienstwoning en als uitdrukking van een sociaal-economische ontwikkeling, in het bijzonder de totstandkoming van een groot, intussen verdwenen, grensstation met annexen. Het complex is van architectuurhistorisch belang wegens de stijl en detaillering en de plaats die het inneemt in het oeuvre van de architect. Het heeft ensemblewaarde wegens de situering, verbonden met de ontwikkeling van de streek. Het is gaaf bewaard gebleven en het laatste relict van een belangrijke historische ruimtelijke en infrastructurele ontwikkeling. Gemeentelijk monument Het gebouw Grensweg 32, onderdeel van het stationscomplex, is aangewezen als gemeentelijk monument.

Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant In Noord-Brabant moeten worden getoetst aan de hand van de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) om waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen te behouden. Deze kaart geeft de belangrijkste cultuurhistorische kenmerken aan die bepalend zijn voor het landschap.

Figuur 30 Cultuurhistorische waarden kaart (CHW) plangebied zwart omlijnd

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|48

Baronie De Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) geeft aan dat het plangebied in de regio 'Baronie' ligt, gekenmerkt door een mix van oude en nieuwe zandontginningen en bossen op het dekzandplateau. Oude ontginningen tonen dorpen zonder open akkercomplexen, terwijl jongere ontginningen een gestructureerd patroon van wegen en percelen hebben, soms onderbroken door erf- en wegbeplanting. Daarnaast zijn er meer afgesloten jonge ontginningen met bebouwing langs oude wegen en kleinschalige landschappen van akkers, weiden en bosjes. Het gebied heeft ook coulisselandschappen langs bos- en beekranden, met doorzichtige bomenrijen gericht op de beek. De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is: • Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio.; • De cultuurhistorische waarden van de Baronie in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen.; • Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: “Beekdal van de Mark” en “Dekzandeiland Alphen-Baarle”. Historische stedenbouw Op de CHW is af te lezen dat het zuidelijke deel van het plangebied zich bevindt binnen ‘historische stedenbouw’.

Hiervoor is de volgende omschrijving opgenomen: “Planmatig opgezette, zeer kleine companytown uit 1905-1906 van de Maatschappij tot Exploitatie van de Staats-Spoorwegen, voor douane- en spoorwegpersoneel, aan de staatsgrens met Belgie bij voormalig hoofd-grensstation (gesloopt circa 1950), bestaande uit groep van negen (deels gewijzigde) woonhuizen voor douanepersoneel, sedert circa 1980 gelegen in Belgische enclave aan Turnhoutse Baan, zeven dubbele woonhuizen voor beambten” Historisch groen De laanbeplanting langs de Grens zijn aangewezen als historisch groen. Het betreft laanbeplanting van Amerikaanse eik uit 1893-191. Deze laanbeplanting blijft met het planvoornemen intact. Historische geografie Bels lijntje Het Bels lijntje ten westen van het plangebied heeft een zeer hoge waarde. De volgende omschrijving is opgenomen: “Spoorlijn Tilburg-Turnhout aangelegd in 1867. Vanaf 1934 geen reizigersverkeer meer. In de jaren '50 werd in Tilburg een omleidingsboog aangelegd om de recente uitbreidingen van de stad van het treinverkeer te ontlasten. In 1973 stopte ook het goederenvervoer. Tot 1984 heeft er nog een toeristische stoomtrein gereden.” Grens De weg Grens heeft een redelijk hoge historische-geografische waarde. De cultuurhistorische waarden en kenmerken van deze lijn blijven met het planvoornemen intact.

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|49

Overige bouwkunst Stationsgebouw Het stationsgebouw is op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart aangewezen als MIP-pand. Van het gebouw van architect G.W. van Heukelom zijn zowel het Nederlandse als het Belgisch kantoorgedeelte van het Belgisch-Nederlandse station Baarle-Weelde beschreven. Grensweg 2 t/m 22 Woningen van architect G.W. van Heukelom. Onderdeel van complex van 14 woningen, gebouwd voor Nederlandse spoorwegambtenaren. Grensweg 24 Woning van architect G.W. van Heukelom De huizen zijn niet identiek maar met variatie in grootte, dakvorm en de bescheiden versieringen aan goot en dak. Onderdeel van complex van 14 woningen, gebouwd voor Nederlandse spoorwegambtenaren. Bewoningsgeschiedenis In het archeologisch onderzoek is de bewoningsgeschiedenis van het plangebied als volgt beschreven: “Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw is de situatie op kadastraal niveau te zien. Het plangebied en directe omgeving is onbebouwd en ligt binnen een enkel groot perceel. Volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT) behorende bij het minuutplan, is het perceel in gebruik als bouwland en is onderdeel van het bouwland- en heidegebied de ‘Moleriet Heyde’. Langs de oostelijke grens van het plangebied staat de voorloper van de huidige N260 ingetekend. Het gaat om de ‘De Bosch Straat’ die fungeerde als een weg tussen Turnhout en Baarle.

Ten noordoosten en noordwesten van het plangebied zijn enkele vennen te zien waaronder ook het ‘het Moleriet Ven’. Op de kaart uit 1900 is te zien dat het plangebied nog onbebouwd is en voornamelijk in gebruik is als bos- en/of heidegebied. De eerste spoorlijn ten westen van het plangebied is wel al te zien alsook een (land)weg in het midden van het plangebied, de grote percelen lijken verder te zijn opgedeeld. Gedurende de eerste helft van de 20e eeuw verandert de situatie drastisch. De grote douaneloods voor beide spoordiensten wordt binnen het westelijk en zuidelijk deel van het plangebied gebouwd, de spoorinfrastructuur direct ten westen van het plangebied wordt sterk uitgebreid. Ook de (land)weg in het midden van het plangebied lijkt te zijn verdwenen. Hiervoor in de plaats is er op de topografische kaarten uit 1931 en 1950 een extra spoorlijn binnen het plangebied te zien. De exacte locatie van de spoorlijn is niet te achterhalen aan de hand van het kaartmateriaal. Op de kaart van 1931 is het namelijk binnen het oosten van het plangebied ingetekend terwijl op de kaart van 1950 de spoorlijn juist de oude locatie van de (land)weg lijkt te volgen. Op de kaart van 1980 is grotendeels de huidige situatie binnen het plangebied te zien. Van zowel de uitgebreide douaneloods als ook het spoorinfrastructuurnetwerk is nog maar weinig te zien in het huidige landschap.”

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|50

Historische structuur – Ontwikkelingsrichting In de Ontwikkelingsrichting is de volgende beschrijving van de historie omgeving Grens opgenomen: Bels lijntje In 1865 werd begonnen met de realisatie van een spoorlijn tussen Turnhout en Tilburg, die op 1 oktober 1867 werd geopend voor het vervoer van personen en goederen. De lijn kreeg in de volksmond de naam 'Bels Lijntje'. Oorspronkelijk lag langs de lijn een aantal relatief kleine stations, waaronder Baarle-dorp en Weelde-Merksplas. Vanwege de ambities verwachten Nederland en België dat deze stations te klein zouden zijn voor de benodigde douanehandelingen. Daarom werd besloten om een gemeenschappelijk grensstationcomplex te bouwen. In 1904 werd begonnen met de bouw van dit station dat in 1906 in gebruik is genomen. Het stationscomplex bestond uit een hoofdgebouw met een lengte van 164 meter. De grens liep door dit gebouw heen. Daarbij was een uitgebreid spoorwegemplacement met een lengte van 3 kilometer met 23 kilometer aan spoorrails, wissels en een draaischijf met een locomotievenloods. Ook bebouwing zoals opslagloodsen, seinhuizen en dienstwoningen voor de werknemers maakten deel uit van het complex. De ambitie van de lijn kon echter niet waargemaakt worden. Het internationale treinverkeer maakte vaker gebruik van de verbinding via Roosendaal.

Ook lokaal ontstond concurrentie Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|51

waardoor het reizigersvervoer in 1934 werd gestaakt. Langzaam raakte ook het station buiten gebruik. Vanaf 1940 en 1960 werd het complex grotendeels ontmanteld. De laatste commerciële trein reed in 1973. Het Bels Lijntje is nog een tijdje gebruikt voor toeristische stoomtreinen. In 1989 werd begonnen met de aanleg van een fietspad op het tracé. Markthal De realisatie van de Markthal vond plaats in 1952. In eerste instantie was dit echter niet de Markthal, maar schoenfabriek Lugano, van de familie Snoeker. Deze schoenfabriek begon te draaien in oktober 1952. In de jaren daarna is de fabriekshal nog regelmatig aangepast, aangezien er volgens historische informatie nog 12 bouwvergunningen zijn verleend tot 1967. Op een bepaald moment was de schoenfabriek, eind jaren 60, met ca. 225 werknemers, de grootste werkgever van Baarle-Nassau. Begin jaren 70 kwam de klad er echter in wegens economische omstandigheid. In 1974 sloot de fabriek haar deuren omdat de activiteiten werden verplaatst naar Portugal. Later zijn de gronden en de opstallen aan de Markthal Baarle-Nassau B.V. verkocht. De oudste vergunning die kan worden teruggevonden voor de Markthal stamt uit 1988. Dit was een oprichtingsvergunning voor: “het oprichten en in werking hebben van een markthal, vrije markt i.v.m. verkoop diverse goederen en bakken en verkopen van patates frites en visprodukten”.

Uit andere informatie blijkt dat de markthal sinds april 1984 in gebruik is, met de naam de Vrije Markt. Eerst was de markthal op meerdere dagen geopend. Later alleen nog maar op zondag. De Markthal sloot haar deuren in april 2023. Sindsdien is de Markthal niet meer in gebruik. Bebouwingsconcentratie Baarle-Nassau Grens De bebouwingsconcentratie is ontstaan met de oprichting van het grensstation, net na 1900. De eerste woningen in het gebied waren de dienstwoningen, nu de woningen aan de Grensweg. In dezelfde periode zijn ook de eerste woningen in de Belgische enclave gebouwd, aan de N260. Rondom het grensgebied hebben tot ca. 1950 alleen op Belgische zijde wat ontwikkelingen plaatsgevonden. Daarnaast is ook de bebouwing rondom de kruising Eindegoorweg/Grens in BaarleNassau toegenomen. In de jaren daarop neemt de bebouwing systematisch toe. Op Nederlands grondgebied met o.a. de bouw van de Markthal, maar ook met diverse nieuwe woningen langs de N260. Op Belgische grondgebied, zowel in de enclave als aan Belgische zijde, wordt er meer gebouwd dan aan Nederlandse zijde. Deze trend zet zich vanaf 1980 door met de ontwikkeling van Weelde-Statie. Op Nederlandse grondgebied worden voornamelijk woningen toegevoegd aan de westzijde van de N260. De laatste 20 jaar zijn de ontwikkelingen in Baarle-Nassau beperkt door strenger beleid ten aanzien van bouwen in het buitengebied.

Toetsing Gezien de geschiedenis van het gebied en de aanwezige cultuurhistorische waarden van de omgeving acht de gemeente het van belang dat er een cultuurhistorische analyse wordt uitgevoerd. Bij de uitwerking van het stedenbouwkundige plan moet rekening gehouden worden met deze cultuurhistorische analyse. Dit is als een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen. Archeologische waarden Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: ‘Verdrag van Malta’) regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet

Motivering TAM- Omgevingsplan, Grens 32 Baarle-Nassau

|52

ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving is sinds 2024 in de nieuwe Omgevingswet geregeld. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Gemeentelijk beleidskader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) artikel 5.130, lid 1 is bepaald dat in een (tijdelijke) omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed met inbegrip van bekende en/of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over behoud van archeologische vindplaatsen in de bodem of archeologisch onderzoek. Om het archeologisch erfgoed te kunnen beschermen heeft de gemeente een gemeentelijke archeologiekaart opgesteld.

Figuur 4 Archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau, plangebied rood omlijnd

Volgens deze beleidskaart geldt voor het plangebied een categorie 3 beleid. Dit betekent dat bij bouwwerkzaamheden met een oppervlakte groter dan 500 m2 en/of dieper dan 40 cm, onder het maaiveld, archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Onderzoek Het planvoornemen richt zich op de bouw van 12 woningen waarbij de 500 m2 en 40 diepte worden overschreden. Een archeologisch onderzoek is vereist. Door Aeres Milieu is een archeologisch onderzoek op de locatie Grens 32 uitgevoerd. Het volledig rapport is opgenomen als bijlage bij deze

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15262005/1