3.5 - Bijlage 1 Integraal Rapport Baarle-Nassau - Armoede onderzoek 2023 - versie 1.2
Tekst van het document
De gemeente biedt en/of faciliteert een breed pakket van mogelijkheden op het gebied van sport, bewegen en cultuur; • Lokaal sportakkoord. De gemeente streeft naar een grotere rol van verenigingen en ze zien kansen in de bijdrage die buurtsportcoaches kunnen bieden; • Aandacht voor mentale gezondheid. De gemeente wil preventie, interventie en hulpaanbod voor inwoners die psychisch kwetsbaar zijn, uitbreiden; • Openbare ruimte. De openbare ruimte dient zo veel als mogelijk bij te dragen aan de gezondheid; • Dementie. De gemeente participeert in de werkgroep Dementie Vriendelijke Gemeenschap.
2.6. Bevinding Vanuit de afzonderlijke beleidsplannen van de ABG-gemeenten is een beleidsdocument met leidende principes vanuit de ABG-gemeenten gezamenlijk opgesteld. Deze gedeelde visie staat beschreven in de leidende principes (zie ook hoofdstuk 3). Enerzijds geven de aparte beleidsplannen van de ABG-gemeenten in combinatie met een gedeelde visie in de leidende principes, grond voor verschillen tussen de gemeenten; het bevestigt de keuze om niet volledig geharmoniseerd te werken. Anderzijds duidt het bestaan van de aparte beleidsplannen van de ABG-gemeenten ook op onvolledige harmonisatie die doorwerkt in het aanbod van minimaregelingen en de hoogte van de verstrekte bedragen. Als de ABG-gemeenten zich willen profileren als ABG-organisatie en geharmoniseerd geheel, liggen daar kansen.
21
Baarle-Nassau
Versie 1.2
3. Huidig beleid ABG-organisatie Vanuit de beleidsplannen van de drie ABG-gemeenten zijn leidende principes voortgekomen voor de ABG-organisatie. Dit hoofdstuk geeft de huidige visie en beleidsplannen weer als houvast voor de ABG-organisatie en haar partners.
3.1. Sociaal domein De ABG-gemeenten zien het sociaal domein als de samenleving van al hun inwoners en organisaties en hoe zij daar met iedereen vorm aan geven. Het gaat hierbij om welzijn, zorg, werk, geldzaken, ontmoeten, sport, cultuur, opvoeding en onderwijs.
3.2. Visie sociaal domein ABG Het sociaal domein is voor de ABG-gemeenten een belangrijk en continu actueel thema. Dit omdat: • Meer inwoners (potentieel) kwetsbaar zijn; • Er schaarste is aan geld, handen, huizen et cetera; • Zelfredzaamheid niet vanzelfsprekend is. Door met het sociaal domein aan de slag te zijn, streven de ABG-gemeenten naar: • Dat inwoners mee kunnen doen op een manier die bij hen past; • Dat inwoners kunnen omgaan met kansen en tegenslagen in het leven; • Dat inwoners daarbij geholpen worden als dat nodig is, nu en in de toekomst; • Dat gemeenschapsgeld goed besteed wordt. Kortom: inwoners moeten kunnen participeren in de samenleving en daarin niet worden belemmerd. Eventueel aanwezige belemmeringen moeten (zoveel mogelijk) worden geëlimineerd. In de volgende paragraaf volgen zes leidende principes. Deze principes zorgen ervoor dat het mogelijk is om de visie uit te dragen.
3.3. Leidende basis principes ABG-organisatie De ABG-organisatie heeft zes leidende principes geformuleerd die voor alle gemeenten als leidraad fungeren voor het sociaal domein. 1. Vanuit de leefwereld van de inwoners Perspectief van inwoners is leidend. De vijf leefgebieden zijn belangrijk (prettig wonen in omgeving, zinnige dag invulling, financieel rondkomen, veilige en kansrijke thuissituatie, fit en veerkrachtig). 2. Veerkracht vergroten Het model van de positieve gezondheid is leidend. 3. Samen Gedeelde verantwoordelijkheid voor gemeente, organisatie en inwoners. 4. Op maat Ondersteuning sluit aan op behoefte inwoners. 5. Vakmanschap De gemeente beschikt over passende vaardigheden en kennis. 6. Sturen op maatschappelijk effect De waardendriehoek wordt ingezet bij afwegingen, zie figuur 2.1. Figuur 2.1. Waardendriehoek16 16 Bron: Leidende basis principes ABG-organisatie
22
Baarle-Nassau
Versie 1.2
4. Onderzoeksmethodiek inkomens effectrapportage In dit hoofdstuk geven we een overzicht van de verschillende inkomsten en uitgaven die worden onderscheiden voor de Inkomens Effectrapportage.
4.1. Huishoudens en inkomensgrenzen We berekenen de inkomenseffecten van het lokale en landelijke beleid in 2023 voor de volgende zes huishoudtypen: Niet AOW-gerechtigden: • alleenstaande; • paar zonder kinderen; • alleenstaande ouder met twee kinderen (8 en 13 jaar) • paar (twee volwassenen) met twee kinderen (8 en 13 jaar). AOW-gerechtigden: • alleenstaande; • paar (twee volwassenen). We brengen de inkomenseffecten in beeld voor huishoudens met inkomens van 100, 110, 120, 130, 140 en 150 procent Wsm.
4.2. Inkomensbronnen Het totaal inkomen van de minimahuishoudens is opgebouwd uit het netto-inkomen, de gemeentelijke regelingen en diverse toeslagen van het Rijk. Specifiek gaat het om de volgende categorieën: • •
•
netto-inkomen inclusief vakantietoeslag; bijdrage Rijk: o huurtoeslag; o zorgtoeslag o kinderbijslag; o kindgebonden budget; o combinatiekorting. gemeentelijke minimaregelingen.
4.3. Gemeentelijke minimaregelingen In de onderstaande tabel volgt een overzicht van de gemeentelijke minimaregelingen in 2023. In bijlage 1 worden deze regelingen verder toegelicht. Tabel 4.3.1 Gemeentelijke minimaregelingen Regeling Kwijtschelding gemeentelijke belastingen Collectieve zorgverzekering Individuele inkomenstoeslag Sociaal Cultureel Fonds Jeugdfonds Sport en Cultuur Energietoeslag Niet meegenomen in berekeningen: Bijzondere bijstand Studietoeslag
Inkomensgrens 100% Wsm 110% Wsm 110% Wsm, 3 jaar of langer 110% Wsm 120% Wsm 120% Wsm 110% Wsm n.v.t.
23
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Niet meegenomen regelingen Twee regelingen worden niet meegenomen in de berekeningen en begrotingen. De redenering die hier achter zit, is als volgt: • De Bijzondere bijstand is niet meegenomen in de berekeningen, omdat deze vorm van bijstand wordt verstrekt voor noodzakelijke onvermijdbare individuele uitgaven en dit niet maandelijks bij iedereen voorkomt. Het is dus geen structureel (maandelijks) inkomen. • De Studietoeslag is eveneens niet doorgerekend in de financiële overzichten. Deze regeling kent een specifieke doelgroep; namelijk studenten met een lichamelijke of psychische beperking, waarbij het niet mogelijk is dat zij naast hun studie werken. In deze inkomens effectrapportage is geen huishouden opgenomen waarbij deze regeling van toepassing is. Daarnaast bieden maatschappelijke organisaties tevens ondersteuning aan minimahuishoudens. Deze niet-gemeentelijke voorzieningen ontvangen veelal wel subsidie van de overheid. De bijdrage van deze organisaties wordt niet meegenomen in de inkomenseffectrapportage omdat hier de gemeentelijke voorzieningen centraal staan.
4.4. Uitgaven De uitgaven zijn gecategoriseerd naar: • •
• •
vaste lasten. Dit zijn uitgaven die regelmatig terugkomen. Voorbeelden zijn huur, energiekosten17 en verzekeringen; reserveringsuitgaven. Dit zijn uitgaven die niet regelmatig voorkomen en waarvan de hoogte vooraf niet bekend is. Er moet in principe een bedrag voor gereserveerd worden. Voorbeelden zijn kosten voor inventaris, kleding en het eigen risico voor de zorgverzekering; huishoudelijke uitgaven. Dit zijn terugkerende uitgaven aan voeding, persoonlijke verzorging en dergelijke; werkgelerateerde uitgaven. Dit zijn uitgaven die gemaakt worden als een persoon werkt. Voorbeelden zijn de kosten van woon-werkverkeer en werkkleding.
Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de huur en lokale heffingen. De andere bedragen zijn gebaseerd op landelijke berekeningen van het Nibud. De normbedragen staan per huishoudtype in het financieel maandoverzicht in de bijlage. We benadrukken dat het bij alle posten gaat om de basale uitgaven en dat de normbedragen gemiddelden betreffen. Het is mogelijk dat een huishouden maandelijks minder uitgeeft dan de normbedragen waarmee in deze rapportage wordt gerekend, bijvoorbeeld omdat het huishouden minder geld per maand reserveert voor onregelmatige uitgaven.
4.5. Vrije bestedingen Het budget dat overblijft is vrij besteedbaar en kan worden uitgegeven aan sociale en recreatieve activiteiten. Voor deze vrije bestedingen hanteert het Nibud per huishoudtype eveneens een normbedrag, dat is terug te vinden in de begrotingen in bijlage 3.
4.6. Aannames Voor de inkomsten en uitgaven doen we de volgende aannames: • De huishoudens maken van alle regelingen gebruik en ontvangen daarvoor het maximale bedrag. Daarnaast hebben huishoudens geen schulden.
17 Kosten gas en elektriciteit zijn gebaseerd op tarieven van Budget Energie (Groene Stroom en Aardgas,
Variabel), de kosten voor water op de tarieven van Brabant Water. Heffingskortingen zijn in de maandprijs verrekend. Gegevens over het gemiddelde gebruik per huishoudtype zijn afkomstig van het Nibud.
24
Baarle-Nassau
•
• •
•
•
•
• •
• •
Versie 1.2
Bij de inkomenseffecten wordt uitgegaan van gemiddelden. Dit betekent ook dat een ongunstige situatie, bijvoorbeeld een hogere huurprijs of een slecht geïsoleerd huis, direct gevolgen kan hebben voor de inkomenseffecten zoals in dit rapport zijn weergegeven. Iedereen woont in een huurwoning. We gaan uit van € 588 kale huur per maand voor een alleenstaande en € 669 kale huur per maand voor een meerpersoonshuishouden. Deze bedragen zijn gebaseerd op huurtoeslaggegevens van de Rijksoverheid. Alleenstaande ouders met een inkomen gelijk aan de bijstandsnorm werken niet of zitten in een traject waarbij de kinderopvang wordt vergoed. Alleenstaande ouders hebben voor hun kind van 8 jaar een variërend aantal uur nodig voor buitenschoolse opvang (BSO), afhankelijk van het aantal uur dat de ouder werkt. Het aantal uur dat een alleenstaande ouder werkt, wordt berekend aan de hand van het inkomen en het minimumloon. Daarbij gaan we ervan uit dat een kind van 8 jaar bij een continurooster 30 uur naar school gaat. Dit maakt dat alleenstaande ouders met een inkomen van 110 en 120 procent Wsm per maand geen gebruik maken van BSO. Bij een inkomen van 130 procent Wsm gaat het om 6 uur BSO per maand, bij 140 procent Wsm is dit 16 uur en bij 150 procent is het 26 uur. Dit alles tegen een tarief van € 8,73 (gemiddelde uurtarief in 2023).
Bij een paar met twee kinderen en een inkomen hoger dan 100 procent Wsm werkt slechts één van beide partners. Anders zou het huishoudinkomen hoger zijn. Daarom gaan we ervan uit dat deze huishoudens geen kinderopvang nodig hebben omdat één van beide partners thuis is voor de kinderen. Dit is eveneens waarom paren met kinderen geen combinatiekorting krijgen bij werkaanvaarding; Het collectieve zorgpakket Gemeenten extra uitgebreid van de CZ Zorg-op-maatpolis, wordt door de inwoners van Baarle-Nassau het meest gebruikt. In deze rapportage gaan we er daarom vanuit dat de huishoudens die aanspraak maken op de collectieve zorgverzekering, gebruik maken van dit pakket. De gemeentelijke bijdrage hiervoor bedraagt € 42 per maand en de collectiviteitskorting € 4 per maand. In de inkomenseffectrapportage worden de inkomsten en uitgaven naast elkaar gezet vanuit het perspectief van de inwoner. Daarom wordt € 46 als korting op de collectieve zorgverzekering meegenomen. Huishoudens die (op basis van hun inkomen) geen gebruik kunnen maken van de collectieve zorgverzekering van de gemeente, maken een eigen keuze uit verschillende zorgverzekeraars. De gemiddelde prijs van een standaard zorgverzekeringspakket 18 is berekend door de prijs van zes grote zorgverzekeraars te vergelijken. Dit bedrag komt uit op € 161,97 per polis bij huishoudens jonger dan de AOW-leeftijd.
Voor huishoudens van een AOW-leeftijd bedraagt de prijs per polis € 192,59. Deze gemiddelde prijs is berekend door het gemiddelde bedrag te nemen van 6 grote zorgverzekeraars voor een uitgebreider zorgpakket19; Huishoudens in de bijstand werken niet, en hebben daarom geen werkgerelateerde kosten. Bij een inkomen vanaf 110 procent Wsm werkt één persoon in het huishouden (anders zou het huishoudinkomen hoger zijn), en is er wel sprake van deze kosten. De afvalstoffenheffing en de rioolheffing worden in Baarle-Nassau geregeld door Brabant Water, de waterschapsbelasting door het Waterschap Brabantse Delta. Kwijtschelding voor gemeentelijke belastingen is mogelijk voor afvalstoffenheffing, rioolheffing (vanuit de gemeente), watersysteemheffing en zuiveringsheffing (vanuit het waterschap). De vergoeding uit het Sociaal Cultureel Fonds is voor ieder gezinslid maximaal € 200 per jaar. Kinderen van 0 tot en met 18 jaar kunnen aanspraak maken op het Jeugdfonds Sport en Cultuur. Voor sport kunnen zij maximaal € 250 per jaar ontvangen, voor cultuur maximaal € 450 per jaar. Kinderen vanaf 5 jaar kunnen uit deze regeling zwemles krijgen. Aangezien dit niet van toepassing is voor kinderen uit de huishoudens van deze
Dit bevat een basisverzekering tegen het laagste eigen risico van € 385, met een aanvullende verzekering waarbij negen fysiotherapiebehandelingen worden vergoed en een basis tandartsverzekering. 19 Dit bevat een basisverzekering waarbij hulp in elk ziekenhuis wordt vergoed tegen het laagste eigen risico van € 385, een extra aanvullende verzekering en een uitgebreide tandartsverzekering. 18
25
Baarle-Nassau
Versie 1.2
rapportage, wordt de zwemregeling niet meegenomen in de berekening. In deze rapportage maakt binnen een gezin, één kind gebruik van de sportvergoeding en één kind van de cultuurvergoeding.
4.7. Energiekosten Wegens sterk stijgende energiekosten heeft het Rijk in 2022 een energietoeslag geïntroduceerd. In 2023 keert Baarle-Nassau de toeslag opnieuw uit. Er is bedrag van € 1.300 per huishouden gereserveerd waarbij de gemeente de precieze beleidskaders zelf mag vaststellen. Baarle-Nassau keert dit in 2023 uit aan minimagezinnen met een inkomen tot 120 procent Wsm. De meegenomen kosten van gas en elektriciteit zijn gebaseerd op tarieven van Budget Energie (variabel contract, prijspeil van 22 maart 2023 20). Heffingskortingen zijn in de maandprijs verrekend. De bedragen voor gas en energie komen op de peildatum onder het in 2023 ingestelde prijsplafond uit. Gegevens over het gemiddelde gebruik per huishoudtype zijn afkomstig van het Nibud (elektriciteit) en Essent (gas). De situatie per huishouden kan sterk verschillen en kan bovendien snel veranderen (bij een wijziging van de energieprijzen).
20 De energieprijzen kennen een sterke fluctuatie op dit moment. Dit betekent dat een actueel prijspeil
wenselijk is om de huidige situatie duidelijk in beeld te brengen. Er is gekozen voor het tarief van een variabel contract, ervan uitgaande dat minima op dit moment voor de goedkoopste optie zullen kiezen en hun tarief niet lang willen vastleggen om een eventuele (verdere) daling af te wachten.
26
Baarle-Nassau
Versie 1.2
5. De inkomenseffecten In dit hoofdstuk staan de inkomenseffecten 21. De eerste paragraaf schetst de verhouding tussen de uitkering, landelijke toeslagen en gemeentelijke regelingen per huishoudtype per maand. In paragraaf 5.2 wordt de gemeentelijke bijdrage uitgesplitst naar de verschillende minimaregelingen. Daarna wordt inzicht gegeven in de ontwikkeling van het vrij besteedbaar budget (paragraaf 5.3) en de ontwikkeling van het totale inkomen (paragraaf 5.4).
5.1. Het effect van het landelijk beleid is groter dan het gemeentelijk beleid Minima met een inkomen op bijstandsniveau maken aanspraak op landelijke toeslagen en gemeentelijke regelingen. Het totale bedrag uit de landelijke toeslagen (zoals huurtoeslag en zorgtoeslag) is groter dan het totale bedrag uit de gemeentelijke regelingen. In onderstaande figuren wordt de opbouw van het maandelijks totaal inkomen bij een inkomen van 100 procent Wsm per huishoudtype weergegeven. Daarin is ook duidelijk te zien dat gezinnen met kinderen een aanzienlijk hoger bedrag aan landelijke toeslagen kunnen ontvangen dan huishoudens zonder kinderen. Bij de gemeentelijke bijdragen is het verschil minder groot. Het verschil in hoogte is toe te schrijven aan de verschillende kindregelingen waar gezinnen recht hebben, zoals het kindgebonden budget of de kinderbijslag. Als voorbeeld: een alleenstaande ontvangt maandelijks € 1.196 als uitkering (inclusief vakantietoeslag). Als hij gebruikmaakt van alle landelijke toeslagen, ontvangt hij daar maandelijks € 468 voor. Daarnaast kan hij maximaal € 206 aan gemeentelijke regelingen ontvangen als hij gebruikmaakt van de kwijtschelding gemeentelijke belastingen, de collectieve zorgverzekering, het Sociaal Cultureel Fonds en de energietoeslag.
De individuele inkomenstoeslag wordt hierbij niet meegenomen, omdat deze vergoeding mogelijk is voor huishoudens met een langdurig minimuminkomen. Figuur 5.1.1. Maandelijks inkomen op 100% Wsm, minima niet AOW-gerechtigd zonder kinderen Uitkering
Toeslagen Rijk
€ 1.196
Alleenstaande
Bijdrage gemeente
€ 468 € 206
€ 1.708
Paar zonder kinderen €0
€ 500
€ 1.000
€ 1.500
€ 632
€ 299
€ 2.000
€ 2.500
€ 3.000
21 In de figuren wordt gewerkt met afgeronde bedragen. Deze bedragen kunnen minimaal verschillen met
de daadwerkelijke maandbedragen van de gemeentelijke en landelijke regelingen.
27
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Figuur 5.1.2. Maandelijks inkomen op 100% Wsm, minima niet AOW-gerechtigd met 2 kinderen Uitkering
Alleenstaande ouder met kinderen
Toeslagen Rijk
Bijdrage gemeente
€ 1.196
€ 1.367
€ 1.708
Paar met kinderen
€0
€ 500
€ 332
€ 1.157
€ 1.000
€ 1.500
€ 2.000
€ 394
€ 2.500
€ 3.000
Figuur 5.1.3. Maandelijks inkomen op 100% Wsm, minima AOW-gerechtigd Uitkering
Alleenstaande AOWleeftijd
Toeslagen Rijk
€ 1.331
Bijdrage gemeente
€ 470 € 206
€ 1.807
Paar AOW-leeftijd
€0
€ 500
€ 630
€ 1.000
€ 1.500
€ 2.000
€ 299
€ 2.500
€ 3.000
5.2. Opbouw maandelijkse gemeentelijke bijdrage per huishoudtype Uit de vorige paragraaf blijkt dat de (maximale) maandelijkse gemeentelijke bijdrage verschilt per huishoudtype. Hieronder geven we per huishoudtype de opbouw van het totale bedrag aan gemeentelijke regelingen weer – eerst voor minima met een inkomen van 100 procent Wsm, daarna voor minima met een inkomen van 110 procent Wsm. Bij de opbouw van de maandelijkse gemeentelijke bijdrage geven we ook de individuele inkomenstoeslag weer waar minima die drie jaar of langer een minimuminkomen tot 110 procent Wsm hebben, recht op hebben.
5.2.1. Opbouw maximale gemeentelijke bijdrage per maand op 100% Wsm Als voorbeeld: een alleenstaande ontvangt maandelijks (maximaal) € 36 voor de kwijtschelding gemeentelijke belastingen, € 46 voor de collectieve zorgverzekering, € 17 voor het Sociaal Cultureel Fonds en € 108 voor de energietoeslag vanuit de gemeente. In totaal ontvangt hij dan € 206 per maand vanuit de gemeentelijke regelingen. Als hij al drie jaar of langer een inkomen op bijstandsniveau heeft, krijgt hij daar bovenop nog € 37 voor de Individuele inkomenstoeslag. Bij een langdurig minimuminkomen ontvangt hij € 243 als gemeentelijke bijdrage.
28
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Figuur 5.2.1. Maandelijks bedrag per regeling op 100% Wsm, minima niet AOW-gerechtigd zonder kinderen Kwijtschelding
Collectieve Zorgverzekering
Energietoeslag
Individuele inkomenstoeslag
Alleenstaande
€ 36 € 46 € 17
€ 66
Paar zonder kinderen
€0
€ 50
€ 108
€ 91
€ 100
€ 150
€ 243
€ 37
€ 33
Sociaal Cultureel Fonds
€ 108
€ 200
€ 250
€ 53
€ 300
€ 351
€ 350
€ 400
€ 450
Figuur 5.2.2. Maandelijks bedrag per regeling op 100% Wsm, minima niet AOW-gerechtigd met twee kinderen Kwijtschelding
Collectieve Zorgverzekering
Sociaal Cultureel Fonds
Jeugdfonds Sport en Cultuur
Energietoeslag
Individuele inkomenstoeslag
Alleenstaande ouder met kinderen
€ 70
Paar met kinderen
€ 70
€0
€ 50
€ 46
€ 50
€ 58
€ 91
€ 100
€ 150
€ 108
€ 67
€ 58
€ 200
€ 250
€ 48
€ 108
€ 300
€ 350
€ 379
€ 53
€ 400
€ 447
€ 450
Figuur 5.2.3. Maandelijks bedrag per regeling op 100% Wsm, minima AOW-gerechtigd Kwijtschelding
Alleenstaande AOWleeftijd
Collectieve Zorgverzekering
€ 36 € 46 € 17
€ 66
Paar AOW-leeftijd
€0
€ 50
€ 91
€ 100
Sociaal Cultureel Fonds
€ 206
€ 108
€ 33
€ 150
29
Energietoeslag
€ 200
€ 108
€ 250
€ 299
€ 300
€ 350
€ 400
€ 450
Baarle-Nassau
Versie 1.2
5.2.2. Opbouw maximale gemeentelijke bijdrage per maand op 110% Wsm In onderstaande grafieken wordt de opbouw van de (maximale) gemeentelijke bijdrage bij een inkomen van 110 procent Wsm per huishouden beschreven: dit is een interessante vergelijking met een inkomen van 100 procent Wsm omdat inwoners tussen deze situaties gaan werken. Bij een inkomen hoger dan 100 procent Wsm vervalt het recht op de kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen in Baarle-Nassau. De individuele inkomenstoeslag bij langdurige minima, de bijdrage vanuit de collectieve zorgverzekering en het Sociaal Cultureel Fonds vervallen bij een inkomen hoger dan 110 procent Wsm. Bij een inkomen hoger dan 120 procent Wsm vervallen het Jeugdfonds Sport en Cultuur en de energietoeslag. Als voorbeeld: een paar met twee kinderen (8 en 13 jaar) met een inkomen van 110 procent Wsm ontvangt maandelijks (maximaal) € 91 voor de collectieve zorgverzekering, € 67 voor het Sociaal Cultureel Fonds, € 58 voor het Jeugdfonds Sport en Cultuur en € 108 voor de energietoeslag. In totaal ontvangen zij € 324 per maand vanuit de gemeentelijke regelingen. Dit is in totaal € 70 minder aan gemeentelijke regelingen dan wanneer zij een inkomen hebben op bijstandsniveau. Bij een langdurig minimuminkomen ontvangen zij, door de individuele inkomenstoeslag, € 377 als gemeentelijke bijdrage. Figuur 5.2.4.
Maandelijks bedrag per regeling op 110% Wsm, minima niet AOW-gerechtigd zonder kinderen Collectieve Zorgverzekering
Sociaal Cultureel Fonds
Alleenstaande
€ 46 € 17
€ 108
Paar zonder kinderen
€ 91
€ 33
€50
€100
€0
Energietoeslag
€ 37
€ 207
€ 108
€150
Individuele inkomenstoeslag
€200
€ 53
€250
€ 285
€300
€350
€400
€450
Figuur 5.2.5. Maandelijks bedrag per regeling op 110% Wsm, minima niet AOW-gerechtigd met twee kinderen Collectieve Zorgverzekering
Sociaal Cultureel Fonds
Energietoeslag
Individuele inkomenstoeslag
Alleenstaande ouder met kinderen
€ 46
€ 50
€ 91
Paar met kinderen
€0
€50
€ 58
€ 108
€ 67
€100
Jeugdfonds Sport en Cultuur
€ 58
€150
30
€200
€ 48
€ 108
€250
€300
€ 310
€ 53
€ 377
€350
€400
€450
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Figuur 5.2.6. Maandelijks bedrag per regeling op 110% Wsm, minima AOW-gerechtigd Collectieve Zorgverzekering
Sociaal Cultureel Fonds
Alleenstaande AOWleeftijd
€ 46 € 17
€ 108
Paar AOW-leeftijd
€ 91
€ 33
€50
€100
€0
Energietoeslag
€ 171
€ 108
€150
€200
€ 233
€250
€300
€350
€400
€450
5.3. Het maandelijks vrij te besteden budget verschilt per huishoudtype Alle minimahuishoudens houden door de gemeentelijke regelingen (meer) geld over voor het doen van vrije bestedingen (bedoeld voor sociale participatie). Dit is het geld dat maandelijks overblijft na aftrek van alle vaste lasten, huishoudelijke uitgaven en reserveringsuitgaven. Per huishoudtype en inkomen verschilt het bedrag dat overblijft voor vrije bestedingen aanzienlijk. Het budget dat huishoudens nodig hebben voor, of zullen uitgeven aan vrije bestedingen verschilt ook per huishoudtype. Een paar met kinderen zal daar meer aan (willen) uitgeven dan een alleenstaande. In bijlage 3 staat per huishoudtype het normbudget voor vrije bestedingen. Mogelijk zal iemand die nauwelijks geld meer over heeft, dat niet per se daaraan besteden. Dit normbedrag is afkomstig van het Nibud. In onderstaande figuren staat per huishoudtype het budget dat zij overhouden voor vrije besteding weergeven, opgesplitst in wat zij zonder de gemeentelijke regelingen zouden overhouden en wat de gemeentelijke regelingen toevoegen aan het vrij besteedbaar budget. De meeste huishoudtypen houden bij ieder hoger inkomen ook telkens een groter bedrag over voor het doen van vrije bestedingen.
Duiding vrij besteedbaar budget Het vrij besteedbaar budget is bedoeld voor sociale participatie (een krant, abonnement, dagje uit, op bezoek gaan et cetera). Dat huishoudens in de plus staan betekent niet direct dat huishoudens ook voldoende kunnen participeren. Een alleenstaande zonder kinderen heeft volgens het Nibud € 110 nodig voor minimale sociale participatie. In Figuur 5.3.1. is te zien dat er op bijstandsniveau zonder de gemeentelijke bijdragen niet voldoende budget is voor vrije bestedingen, een alleenstaande heeft dan namelijk een budget van € 95. Indien een alleenstaande gebruik maakt van alle gemeentelijke regelingen is er (€ 95 + € 206 =) € 301 beschikbaar voor vrije bestedingen. Een alleenstaande zonder kinderen heeft dan voldoende budget voor sociale participatie. Bij alleenstaanden met twee kinderen (8 en 13 jaar) is dit plaatje anders: zij hebben € 227 per maand nodig voor minimale sociale participatie. Zonder gemeentelijke bijdragen hebben zijn al voldoende budget beschikbaar voor sociale participatie op bijstandsniveau, namelijk € 360. Met de gemeentelijke bijdragen erbij is er (€ 360 + € 332 =) € 692 vrij besteedbaar budget. In dit geval is er voldoende budget voor vrije bestedingen, waardoor er ook voldoende budget is om sociaal te participeren als gezin. Zie bijlage 3 voor een overzicht van de overige huishoudens.
31
Baarle-Nassau
Versie 1.2
5.3.1. Minima zonder kinderen Beide huishoudtypes zonder kinderen zijn deels afhankelijk van de gemeentelijke bijdragen om voldoende budget voor sociale participatie te hebben. Alleenstaanden zonder kinderen hebben voor sociale participatie € 110 per maand nodig. Zij zijn bij een inkomen tegen 100 procent Wsm afhankelijk van de gemeentelijke bijdragen om voldoende budget voor sociale participatie te hebben. Bij inkomens van 110 procent Wsm en hoger zijn alleenstaanden niet meer afhankelijk van de gemeentelijke bijdragen. Alleenstaanden zonder kinderen krijgen te maken met een demping in de toename van het vrij besteedbare budget, bij een hoger Wsm. Het vrij besteedbare budget is bij 120 en 130 procent Wsm nagenoeg gelijk. Er is geen sprake van een afname in het vrij besteedbare budget. Voor paren zonder kinderen is er een normbedrag van € 176 voor sociale participatie. Paren zonder kinderen zijn bij inkomens tot en met 110 procent Wsm afhankelijk van gemeentelijke bijdragen voor voldoende sociaal participatiebudget. Paren zonder kinderen krijgen in de meeste gevallen te maken met een groter budget voor vrije bestedingen bij een stijging van het inkomen. Wanneer het inkomen van 120 naar 130 procent Wsm verschuift, krijgen paren echter te maken met een afname in het vrij besteedbare budget (van € 41). Figuur 5.3.1. Maandelijks vrij besteedbaar budget alleenstaande, niet-AOW
Vrij besteedbaar budget voor een alleenstaande Zonder gemeentelijke bijdrage
Met alle gemeentelijke bijdragen
Normbedrag sociale participatie € 110 100% Wsm
€ 95
110% Wsm
€ 144
€ 206 € 171 € 298
120% Wsm
€ 108
€ 411
130% Wsm
€ 497
140% Wsm
€ 578
150% Wsm €0
€ 100
€ 200
€ 300
€ 400
€ 500
€ 600
€ 700
€ 800
€ 900 € 1.000
Figuur 5.3.2. Maandelijks vrij besteedbaar budget paar zonder kinderen, niet AOW
Vrij besteedbaar budget voor een paar zonder kinderen Zonder gemeentelijke bijdrage
Met alle gemeentelijke bijdragen
Normbedrag sociale participatie € 176 100% Wsm € 28
€ 299
€ 129
110% Wsm
€ 233 € 318
120% Wsm
€ 108
€ 386
130% Wsm
€ 447
140% Wsm
€ 506
150% Wsm €0
€ 100
€ 200
€ 300
€ 400
€ 500
32
€ 600
€ 700
€ 800
€ 900 € 1.000
Baarle-Nassau
Versie 1.2
5.3.2. Minima met kinderen Van de twee huishoudtypes met kinderen in dit onderzoek hebben alleenstaande ouders met kinderen op ieder inkomensniveau het meeste budget voor vrije bestedingen. Alleenstaande ouders hebben langer recht op hetzelfde bedrag aan landelijke toeslagen en ontvangen aanzienlijk een hoger bedrag voor het kindgebonden budget dan paren met kinderen. Alleenstaande ouders hebben een bedrag van € 227 per maand nodig om te kunnen participeren. Ze zijn hiervoor niet afhankelijk van gemeentelijke regelingen om voldoende budget te hebben. Paren met kinderen hebben een vrij besteedbaar budget nodig van € 272 per maand. Zij zijn bij inkomens tegen 100 en 110 procent Wsm afhankelijk van de gemeentelijke bijdragen om voldoende budget voor sociale participatie te hebben. Bij een inkomen van 120 procent Wsm, hebben zij ook zonder gemeentelijke bijdragen voldoende budget om sociaal te participeren. Alleenstaande ouders met kinderen krijgen in de meeste gevallen te maken met een groter budget voor vrije bestedingen bij een stijging van het inkomen. Wanneer het inkomen van 120 naar 130 procent Wsm verschuift, krijgen alleenstaande ouders echter te maken met een afname in het vrij besteedbare budget (van € 48). Bij ouderparen met kinderen neemt het vrij besteedbare in eerste instantie toe bij het hoger worden van het eigen inkomen naar 110 en 120 procent Wsm.
Bij een inkomen tegen 130 procent Wsm is een terugval te zien van het vrij besteedbare budget (van € 99). Het vrij besteedbare budget bij een inkomen van 140 procent Wsm is ook nog lager dan het budget bij een inkomen van 120 procent Wsm. Pas bij een inkomen tegen 150 procent Wsm hebben ouderparen meer budget (€ 19) dan bij een inkomen van 120 procent Wsm. Figuur 5.3.3. Maandelijks vrij besteedbaar budget alleenstaande ouder met kinderen, niet-AOW
Vrij besteedbaar budget voor een alleenstaande ouder met twee kinderen Zonder gemeentelijke bijdrage
Met alle gemeentelijke bijdragen
Normbedrag sociale participatie € 227 € 360
100% Wsm
€ 332
€ 449
110% Wsm
€ 262 € 609
120% Wsm
€ 167
€ 727
130% Wsm
€ 840
140% Wsm
€ 951
150% Wsm €0
€ 100
€ 200
€ 300
€ 400
€ 500
33
€ 600
€ 700
€ 800
€ 900 € 1.000
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Figuur 5.3.4. Maandelijks vrij besteedbaar budget paar met kinderen, niet-AOW
Vrij besteedbaar budget voor een paar met twee kinderen Zonder gemeentelijke bijdrage
Met alle gemeentelijke bijdragen
Normbedrag sociale participatie € 309 € 159
100% Wsm
€ 394
€ 260
110% Wsm
€ 324 € 449
120% Wsm
€ 167
€ 517
130% Wsm
€ 578
140% Wsm
€ 637
150% Wsm €0
€ 100
€ 200
€ 300
€ 400
€ 500
€ 600
€ 700
€ 800
€ 900 € 1.000
5.3.3. AOW’ers AOW’ers hebben voldoende budget om sociaal te participeren. Alleenstaande AOW’ers zijn niet afhankelijk van gemeentelijke regelingen om voldoende budget voor sociale participatie te hebben. AOW-paren zijn alleen bij een inkomen van 100 procent Wsm afhankelijk van gemeentelijke bijdragen om voldoende budget voor sociale participatie te hebben. Beide huishoudtypen hebben bij een hoger inkomen in de meeste gevallen te maken met een groter vrij besteedbaar budget. Behalve bij het stijgen van het inkomen naar 130 procent Wsm. Alleenstaande AOW-gerechtigden krijgen dan te maken met een terugval in het budget (van € 32). AOW-gerechtigde paren ervaren een demping in het vrij besteedbare budget. Figuur 5.3.5. Maandelijks vrij besteedbaar budget alleenstaande, AOW-gerechtigd
Vrij besteedbaar budget voor een AOW-gerechtigde alleenstaande Zonder gemeentelijke bijdrage
Met alle gemeentelijke bijdragen
Normbedrag sociale participatie € 110 € 210
100% Wsm
€ 206 € 343
110% Wsm
€ 171
€ 474
120% Wsm
€ 108
€ 551
130% Wsm
€ 622
140% Wsm
€ 665
150% Wsm
€0
€ 100
€ 200
€ 300
€ 400
34
€ 500
€ 600
€ 700
€ 800
€ 900 € 1.000
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Figuur 5.3.6. Maandelijks vrij besteedbaar budget paar, AOW-gerechtigd
Vrij besteedbaar budget voor een AOW-gerechtigd paar Zonder gemeentelijke bijdrage
Met alle gemeentelijke bijdragen
Normbedrag sociale participatie € 176 € 109
100% Wsm
€ 299 € 288
110% Wsm
€ 233 € 452
120% Wsm
€ 108
€ 562
130% Wsm
€ 669
140% Wsm
€ 773
150% Wsm
€0
€ 100
€ 200
€ 300
€ 400
€ 500
€ 600
€ 700
€ 800
€ 900 € 1.000
5.4. Werken vanuit de bijstand loont voor de een meer dan voor de ander Bij een hoger inkomen hebben alle huishoudtypen in Baarle-Nassau een hoger totaal inkomen dan in de bijstand. Echter, voor de meeste huishoudens nemen de bijdragen van het Rijk en de gemeente af wanneer het inkomen stijgt. Dit zorgt ervoor dat het totaal inkomen van een huishouden niet altijd evenveel stijgt met de loonstijging. Hieronder geven we de inkomensvooruitgang bij werkaanvaarding vanuit de bijstand tot een inkomen van maximaal 150 procent Wsm weer per huishoudtype. Daarna leggen we de inkomensvooruitgang per inkomensniveau uit aan de hand van twee casussen. In bijlage 2 worden al deze inkomens per huishoudtype uitgesplitst naar inkomenssoort waarmee visueel wordt weergegeven waarom het totaal inkomen stijgt of daalt.
5.4.1. Huishoudens zonder kinderen gaan er meestal op vooruit Alleenstaanden zonder kinderen gaan er bij een hoger loon op vooruit ten opzichte van de bijstand. Wanneer het loon stijgt naar 130 procent Wsm, ervaren zij echter een demping in hun inkomensvooruitgang. Bij paren zonder kinderen is over het algemeen ook te zien dat zij vooruit gaan in hun inkomen. Tegelijkertijd is er bij een loon van 130 procent Wsm sprake van een inkomensachteruitgang.
35
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Figuur 5.4.1. Inkomensvooruitgang t.o.v. 100% Wsm bij werkaanvaarding, huishoudens zonder kinderen 110% Wsm
120% Wsm
130% Wsm
140% Wsm
150% Wsm
4% 8% 8%
Alleenstaande
12% 17% 4% 4% Paar zonder kinderen
2% 5% 7%
Tabel 5.4.1 Inkomensvooruitgang bij werkaanvaarding, huishoudens zonder kinderen Huishoudtype
Netto inkomen incl. VT
Alleenstaande 100% Wsm 1.196 110% Wsm 1.315 120% Wsm 1.435 130% Wsm 1.554 140% Wsm 1.674 150% Wsm 1.793 Paar zonder kinderen 100% Wsm 1.708 110% Wsm 1.879 120% Wsm 2.050 130% Wsm 2.221 140% Wsm 2.391 150% Wsm 2.562
Verschil tov 100% Wsm (€)
Verschil tov 100% Wsm (%)
1.870 1.954 2.011 2.015 2.101 2.182
84 141 145 231 313
4% 8% 8% 12% 17%
2.639 2.744 2.739 2.699 2.759 2.818
105 100 60 120 179
4% 4% 2% 5% 7%
Bijdrage Rijk
Bijdrage gemeente
Totaal inkomen
468 468 468 461 427 389
206 171 108 0 0 0
632 632 581 478 368 256
299 233 108 0 0 0
5.4.2. De inkomensvooruitgang verschilt sterk tussen alleenstaande ouders en ouderparen In de meeste gevallen zorgt een hoger loon bij alleenstaande ouders voor inkomensvooruitgang. Voor alleenstaande ouders neemt de bijdrage vanuit het Rijk niet af bij een hoger loon, dit neemt zelfs toe vanwege de combinatiekorting. Bij een loon tegen 130 procent Wsm is er sprake van een inkomensachteruitgang. Door het wegvallen van de gemeentelijke regelingen is het totaal inkomen van een alleenstaande ouder bij een loon gelijk aan 130 procent Wsm lager dan het totaal inkomen bij een loon gelijk aan 120 procent Wsm. Bij ouderparen dalen de toeslagen van het Rijk als het huishoudinkomen stijgt. In combinatie met het vervallen van het recht op gemeentelijke regelingen is er sprake van een inkomensachteruitgang bij lonen tot 130 procent Wsm. De toename van de inkomensvooruitgang bij een loon van 150 procent Wsm is ten slotte minder dan de toename bij een loon van 110 procent Wsm.
36
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Figuur 5.4.2. Inkomensvooruitgang t.o.v. 100% Wsm bij werkaanvaarding, huishoudens met kinderen 110% Wsm
120% Wsm
130% Wsm
140% Wsm
150% Wsm
3% 4% Alleenstaande ouder met kinderen
3% 7% 11% 3% 2%
Paar met kinderen
-1% 1% 3%
Tabel 5.4.2 Inkomensvooruitgang na werkaanvaarding, huishoudens met kinderen Netto Bijdrage inkomen Rijk incl. VT Alleenstaande ouder met twee kinderen 100% Wsm 1.196 1367 110% Wsm 1.315 1406 120% Wsm 1.435 1411 130% Wsm 1.554 1417 140% Wsm 1.674 1422 150% Wsm 1.793 1428 Paar met twee kinderen 100% Wsm 1.708 1157 110% Wsm 1.879 1157 120% Wsm 2.050 1106 130% Wsm 2.221 1.003 140% Wsm 2.391 893 150% Wsm 2.562 781 Huishoudtype
Verschil tov 100% Wsm (€)
Verschil tov 100% Wsm (%)
2.894 2.983 3.013 2.971 3.096 3.222
89 118 77 202 327
3% 4% 3% 7% 11%
3.259 3.360 3.322 3.223 3.284 3.343
101 63 -36 25 84
3% 2% -1% 1% 3%
Bijdrage gemeente
Totaal inkomen
332 262 167 0 0 0 394 324 167 0 0 0
37
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Voorbeeldcasussen inkomensvooruitgang bij werkaanvaarding Voorbeeldcasus: alleenstaande Lieke is alleenstaand en krijgt een bijstandsuitkering, wat neerkomt op een netto-inkomen van € 1.196 per maand (dit is inclusief vakantietoeslag). Zij heeft maandelijks recht op € 468 aan toeslagen van het Rijk. Voor Lieke bestaat dit uit huurtoeslag en zorgtoeslag. Tot slot kan Lieke rekenen op een financiële bijdrage vanuit de gemeente van € 206 per maand. Dit bestaat uit de kwijtschelding voor gemeentelijke belastingen, de korting op de collectieve zorgverzekering, het Sociaal Cultureel Fonds en de energietoeslag. In totaal heeft Lieke een inkomen van € 1.870 per maand. Als Lieke werk krijgt tegen een inkomen van 110 procent Wsm, dan stijgt haar netto-inkomen naar € 1.315 per maand. Zij houdt recht op huurtoeslag en zorgtoeslag en deze bedragen blijven onveranderd, dus € 468 per maand. Het recht op minimaregelingen komt deels te vervallen; Lieke kan geen kwijtschelding voor gemeentelijke belasting meer aanvragen. De gemeentelijke bijdragen zijn nu € 171 per maand. Bij een inkomen van 110 procent Wsm is het totaal inkomen van Lieke € 1.954. Dit is een stijging van € 84 (4 procent) ten opzichte van haar totaal inkomen bij een bijstandsuitkering. Wanneer Lieke tegen een inkomen van 120 procent Wsm gaat werken, stijgt haar netto-inkomen naar € 1.435 per maand.
De bijdrage van het Rijk blijft € 468. Het recht op de gemeentelijke bijdragen komt vanwege haar hogere inkomen grotendeels te vervallen, maar zij kan nog wel de energietoeslag krijgen. De gemeentelijke bijdrage komt daarmee op € 108. Het totale inkomen van Lieke is € 2.011 per maand, € 145 (8 procent) meer dan wanneer Lieke een bijstandsuitkering heeft. Als Lieke gaat werken tegen een inkomen van 130 procent Wsm dan stijgt haar netto-inkomen naar € 1.554 per maand. De bijdragen van het Rijk zijn gedaald naar € 461 per maand. Lieke ontvangt minder huurtoeslag, maar haar zorgtoeslag blijft gelijk. Lieke heeft geen recht meer op gemeentelijke regelingen. Het totale inkomen van Lieke is nu € 2.015 per maand, dit is € 145 (8 procent) meer dan toen zij een bijstandsuitkering had. Als Lieke werk aanvaardt tegen een loon gelijk aan 140 procent Wsm, dan is haar netto-inkomen € 1.674 per maand. Haar huurtoeslag is verder gedaald, haar zorgtoeslag blijft gelijk. In totaal krijgt zij € 427 vanuit het Rijk. Haar totaal inkomen is nu € 2.101. Dit is € 231 (12 procent) meer dan toen zij een bijstandsuitkering had. Wanneer Lieke tegen een inkomen van 150 procent Wsm gaat werken, dan stijgt haar netto-inkomen naar € 1.793 per maand. Een verdere daling van de huurtoeslag, maakt dat de bijdrage uit het Rijk daalt naar € 389. Het totaal inkomen van Lieke is nu 2.182.
Dit is € 313 (17 procent) meer dan toen zij een bijstandsuitkering had.
38
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Voorbeeldcasus: paar met kinderen Daan en Sam hebben twee kinderen 8 en 13 jaar oud en krijgen een bijstandsuitkering, wat neerkomt op een netto-inkomen van € 1.708 per maand (dit is inclusief vakantietoeslag). Zij hebben maandelijks recht op € 1.157 aan toeslagen van het Rijk. Voor het gezin bestaat dit uit huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderbijslag en kindgebonden budget. Tot slot kunnen Daan en Sam rekenen op een financiële bijdrage vanuit de gemeente van € 394 per maand. Dit bestaat uit kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, de korting op de collectieve zorgverzekering, het Sociaal Cultureel Fonds en de energietoeslag. Voor hun kinderen maken zij nog aanspraak op het Jeugdfonds Sport en Cultuur. In totaal hebben Daan en Sam een totaal inkomen van € 3.259 per maand. Als Daan of Sam werk krijgt tegen een inkomen van 110 procent Wsm, dan stijgt hun netto-inkomen naar € 1.879 per maand. Zij houden recht op dezelfde toeslagen van het Rijk, dus in totaal € 1.157. Ze kunnen geen kwijtschelding meer aanvragen, maar houden wel recht op de andere gemeentelijke regelingen. De gemeentelijke bijdragen zijn dan € 324 per maand. Het totaal inkomen van Daan en Sam is bij een inkomen van 110 procent Wsm € 3.360. Dit is een stijging van € 101 (3 procent) ten opzichte van hun totaal inkomen bij een bijstandsuitkering.
Wanneer Daan of Sam tegen een loon van 120 procent Wsm gaat werken, stijgt hun netto-inkomen naar € 2.050 per maand. De bijdrage van het Rijk neemt iets af, en is nu € 1.106. Het recht op gemeentelijke regelingen is grotendeels vervallen, maar het gezin kan nog aanspraak maken op het Jeugdfonds Sport en Cultuur en de energietoeslag van € 167 in totaal. Het totale inkomen van het gezin is dan € 3.322 per maand. Dit is € 63 (2 procent) meer dan wanneer zij een bijstandsuitkering hebben. Als Daan of Sam gaat werken tegen een inkomen van 130 procent Wsm dan stijgt hun netto-inkomen naar € 2.221 per maand. De bijdragen van het Rijk dalen verder naar € 1.003 per maand. Daan en Sam hebben geen recht meer op gemeentelijke regelingen. Het totale inkomen van Daan en Sam is nu € 3.223 per maand, dit is € 36 (-1 procent) minder dan toen zij een bijstandsuitkering hadden. Wanneer Daan of Sam gaat werken tegen een inkomen van 140 procent Wsm, dan stijgt hun netto-maandinkomen naar € 2.391 per maand. De bedragen van het Rijk dalen naar € 893. Het totale inkomen van Daan en Sam bedraagt nu € 3.284 per maand. Dit is € 25 (1 procent) meer dan toen zij een bijstandsuitkering hadden. Als Daan of Sam tegen een inkomen van 150 procent Wsm gaat werken, dan stijgt hun netto-inkomen naar € 2.562 per maand. De bijdrage uit het Rijk daalt naar € 781. Het totaal inkomen van Daan en Sam is nu 3.343.
Dit is € 84 (3 procent) meer dan toen zij een bijstandsuitkering hadden.
39
Baarle-Nassau
Versie 1.2
6. Gebruik inkomensondersteunende voorzieningen Het voorgaande hoofdstuk gaf een beeld van de financiële situatie van huishoudens als zij gebruikmaken van de beschikbare regelingen. In dit hoofdstuk gaan we nader in op het daadwerkelijke gebruik en bereik onder de doelgroep van de gemeentelijke regelingen. Met deze regelingen wil de gemeente ervoor zorgen dat inwoners met een minimuminkomen kunnen participeren in de samenleving. Zij kunnen door deze regelingen financieel worden ondersteund.
6.1. Regelingen voor het minimabeleid De volgende tabel geeft de inkomensgrens en doelgroep per regeling weer. Tabel 6.1.1 Inkomensgrenzen regelingen en omvang doelgroep Categorie
Inkomensgrens
Doelgroep
Kwijtschelding gemeentelijke belastingen Individuele bijzondere bijstand
100% Wsm 110% Wsm Drie jaar of langer 110% Wsm 110% Wsm 110% Wsm 110% Wsm 110% Wsm 120% Wsm Situatieafhankelijk 120% Wsm
179 huishoudens 209 huishoudens
Individuele inkomenstoeslag Collectieve zorgverzekering Sociaal Cultureel Fonds • Volwassenen • Kinderen Jeugdfonds Sport & Cultuur Studietoeslag Energietoeslag
69 huishoudens 313 personen 313 personen 90 kinderen 108 kinderen n.t.b. 450 huishoudens
6.2. Kwijtschelding gemeentelijke belastingen Huishoudens kunnen kwijtschelding aanvragen voor de afvalstoffenheffing, rioolheffing en waterschapsbelasting. De doelgroep bestaat uit huishoudens met een inkomen tot 100 procent Wsm. In onderstaande tabel wordt de doelgroep en het gebruik weergegeven. Daarnaast is het bereik van de kwijtschelding gemeentelijke belastingen berekend. In 2022 is aan 50 huishoudens geheel of gedeeltelijk kwijtschelding van gemeentelijke belastingen verstrekt. Met elkaar is dit een bereik van 28 procent onder de primaire doelgroep. Een dergelijk gebruiksaandeel ligt onder het gemiddelde bereik in andere gemeenten; daar ligt het bereik tussen de 70 en 75 procent. Tabel 6.2.1 Bereik kwijtschelding gemeentelijke belastingen Categorie Doelgroep Gebruik kwijtschelding gemeentelijke belastingen Percentage bereik
179 huishoudens 50 huishoudens 28%
6.3. Bijzondere bijstand Het bijzondere bijstandsbeleid van Baarle-Nassau is erop gericht om mensen die bijzondere noodzakelijke kosten hebben en deze niet zelf kunnen betalen, te ondersteunen. BaarleNassau beoordeelt bij iedere aanvraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden. De doelgroep bestaat uit huishoudens met inkomens tot 110 procent van de bijstandsnorm. Het is niet mogelijk om het gebruik en bereik van de bijzondere bijstand vast te stellen omdat de registratie niet kan worden uitgesplitst naar unieke gebruikers. Een bereik tussen de 20 en 25 procent is gangbaar bij andere gemeenten. 40
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Tabel 6.3.1 Bereik bijzondere bijstand Categorie Doelgroep Gebruik bijzondere bijstand Percentage bereik
209 huishoudens N.t.b. N.t.b.
6.4. Individuele inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag is bedoeld als inkomensondersteuning voor mensen die langdurig afhankelijk zijn van een minimuminkomen. In Baarle-Nassau behoort iedereen tussen de 21 jaar en pensioengerechtigde leeftijd, die gedurende drie jaar een inkomen heeft tot 110 procent Wsm, tot de doelgroep. Verder geldt als voorwaarde voor toekenning dat er in de afgelopen drie jaar geen mogelijkheden waren voor inkomensverbetering. De doelgroep bestaat dan uit 69 huishoudens. In 2022 hebben 40 huishoudensgebruik gemaakt van deze regelingen. Dit komt neer op een bereik van 58 procent. Vergeleken met andere gemeenten, waar een bereik rond de 50 procent gangbaar is, ligt het bereik in Baarle-Nassau iets hoger dan het gemiddelde. Tabel 6.4.1 Bereik individuele inkomenstoeslag Categorie Doelgroep Gebruik individuele inkomenstoeslag Percentage bereik
69 huishoudens 40 huishoudens 58%
6.5. Collectieve zorgverzekering De gemeente biedt minima de mogelijkheid om deel te nemen aan de collectieve aanvullende zorgverzekering van zorgverzekeraar CZ en VGZ. Inwoners krijgen korting op de premie en profiteren van extra vergoedingen voor zorgkosten. De pakketten die in samenwerking met zorgverzekeraar CZ worden aangeboden zijn; • CZ Gemeenten Start; • CZ Gemeenten Extra; • CZ Gemeenten Extra Uitgebreid. De pakketten die in samenwerking met zorgverzekeraar VGZ worden aangeboden zijn; • VGZ Gemeente Pakket Compact • VGZ Gemeente Pakket Compleet; • VGZ Gemeente Pakket Compleet inclusief eigen risico. Om deel te nemen aan de collectieve zorgverzekering mag het huishoudinkomen niet hoger zijn dan 110 procent Wsm. De doelgroep bestaat uit 313 volwassenen. Op dit moment maken 130 hoofdverzekerden gebruik van deze regeling. Dit komt neer op een bereik van 42 procent. Het bereik van de zorgverzekering ligt landelijk gezien rond de 35 tot 40 procent van de doelgroep. Het bereik in de Baarle-Nassau ligt daarmee iets boven het gemiddelde. Tabel 6.5.1 Bereik collectieve zorgverzekering Categorie Doelgroep Gebruik collectieve zorgverzekering Percentage bereik
313 personen 130 personen 42%
6.6. Sociaal Cultureel Fonds Baarle-Nassau wil ervoor zorgen dat iedereen mee kan blijven doen in de maatschappij. Dit wil de gemeente bereiken door te faciliteren dat minima kunnen deelnemen aan sociale activiteiten.
41
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Daarom kunnen minima gebruikmaken van het Sociaal Cultureel Fonds. De hoogte van de bijdrage bedraagt maximaal € 200,00 per gezinslid per kalenderjaar. Het Sociaal Cultureel Fonds hanteert een inkomensgrens van 110 procent Wsm. De doelgroep bestaat uit 313 volwassenen en 90 kinderen. In 2022 hebben 54 volwassenen gebruik gemaakt van deze regeling. Daarmee ligt het bereik van deze regeling op 17 procent. Landelijk gezien hebben dergelijke regelingen vaak een bereik rond de 40 procent. Tabel 6.6.1 Bereik sociaal cultureel fonds volwassenen Categorie Doelgroep Gebruik Sociaal cultureel fonds volwassenen Percentage bereik
313 volwassenen 54 volwassenen 17%
In 2022 hebben 16 kinderen gebruikgemaakt van het sociaal cultureel fonds. Daarmee ligt het bereik voor kinderen op 18 procent. Gemiddeld zien we bij andere gemeenten een bereik van 40 procent. Het bereik in de gemeente Baarle-Nassau ligt onder het gemiddelde. Tabel 6.6.2 Bereik sociaal cultureel fonds kinderen Categorie Doelgroep Gebruik Sociaal cultureel fonds kinderen Percentage bereik
90 kinderen 16 kinderen 18%
6.7. Jeugdfonds Sport en Cultuur Jeugdfonds Sport en Cultuur is bedoeld voor kinderen tot 18 jaar. Er kan per kind maximaal één sport- of cultuuractiviteit per 12 maanden worden aangevraagd. Voor sport is er jaarlijks maximaal € 250 per kind beschikbaar en voor het cultuurfonds is het maximale bedrag € 450 per jaar. Dit geld kan gebruikt worden voor de contributie of lesgeld. Het huishoudinkomen mag niet hoger zijn dan 120 procent Wsm. De doelgroep bestaat uit 108 kinderen. In Baarle-Nassau hebben 10 kinderen gebruikgemaakt van het Jeugdfonds Sport en Cultuur. Het bereik komt op 9 procent. Het bereik ligt lager dan het landelijk gemiddelde dat tussen 30 en 35 procent ligt. Tabel 6.7.1 Bereik Jeugdfonds Sport en Cultuur Categorie Doelgroep Gebruik Jeugdfonds sport en cultuur Percentage bereik
108 kinderen 10 kinderen 9%
6.8. Studietoeslag Inwoners die een studie of opleiding volgen, maar door een arbeidshandicap moeite hebben om een (bij)baan te hebben, kunnen gebruikmaken van de studietoeslag. De gemeente draagt hiermee bij aan de financiële situatie. Om in aanmerking te komen voor deze regeling zijn een aantal voorwaarden gesteld. Zo moet iemand recht hebben op studiefinanciering of een tegemoetkoming in onderwijsbijdrage en schoolkosten. De inwoner mag geen Wajong uitkering ontvangen en er is sprake van een structurele medische beperking waardoor de persoon naast de studie geen extra inkomsten kan bijverdienen. De doelgroep voor deze regeling kan niet worden vastgesteld. De regeling is namelijk bedoeld voor een specifieke doelgroep die niet als zodanig wordt geregistreerd. In 2022 hebben geen personen gebruikgemaakt van de studietoeslag.
42
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Tabel 6.8.1 Gebruik Studietoeslag Categorie Doelgroep Gebruik individuele studietoeslag Percentage bereik
N.t.b. 0 personen N.t.b.
6.9. Energietoeslag In 2022 zijn de energiekosten enorm gestegen. Dit kan voor inwoners met een laag inkomen een grote zorg zijn. Daarom heeft het Rijk geld beschikbaar gesteld. De gemeente BaarleNassau heeft bepaald dat inwoners in de gemeente met een inkomen tot 120 procent Wsm in aanmerking komen voor de energietoeslag. Er wordt voor deze regeling geen vermogenstoets uitgevoerd. Landelijk heeft de energietoeslag een bereik van ongeveer 85 procent. Tabel 6.9.1 Gebruik Energietoeslag Categorie Doelgroep Gebruik Energietoeslag Percentage bereik
450 huishoudens 260 huishoudens 58%
43
Baarle-Nassau
Versie 1.2
7. Uitvoering van het beleid In dit hoofdstuk wordt de uitvoering van het huidige beleid beschreven. Er hebben vier groepsgesprekken plaatsgevonden met de maatschappelijke organisaties22 (minimapartners) van de verschillende gemeenten en tussen interne medewerkers van de ABG-gemeenten. De input van deze gesprekken wordt ABG-breed samengevat aan de hand van de volgende thema’s: doelgroep, participatie en belemmeringen, minimabeleid, toegang en informatie en samenwerking.
7.1. Doelgroep inwoners met geldzorgen volgens ketenpartners 7.1.1. Kenmerken De doelgroep die te maken heeft met geldzorgen is divers. De interne medewerkers en minimapartners zien grote variatie in de doelgroep van de verschillende minimaregelingen, maar de variatie is nog groter als zij kijken naar inwoners die geen bijstandsuitkering ontvangen en wél gebruikmaken van een minimaregeling. Een aantal doelgroepen komen regelmatig naar voren in de gestelde hulpvragen: • AOW-gerechtigden Deze doelgroep komt de afgelopen tijd vaker in beeld bij hulpvragen, maar bevindt zich ook grotendeels onder de radar omdat ze zuinig leven en niet altijd de digitale vaardigheden hebben om informatie te vinden of hun hulpvraag te stellen. • Werkende armen Een relatief nieuwe doelgroep vormen de inwoners die inkomsten hebben uit betaald werk maar niet meer rond kunnen komen. De inflatie heeft de kosten voor het levensonderhoud doen stijgen waardoor velen met betalingsachterstanden te maken hebben. Ook de inwoners die voorheen (net) konden rondkomen. Minimapartners zien bovendien dat deze groep sterk wisselend is; soms doen inwoners een aanvraag, maar trekken deze daarna terug omdat ze bijvoorbeeld een nieuwe baan met een iets hoger inkomen hebben gevonden. • Inwoners die een scheiding doormaken Na de scheiding moeten de woonlasten en andere kosten van één (parttime) inkomen betaald worden.
Inwoners die een scheiding hebben doorgemaakt kunnen niet altijd rondkomen naderhand. Veelal zal hier ook sprake zijn van een tussensituatie; inwoners ontvangen wellicht nog niet direct de inkomensondersteuning die ze door de veranderde situatie nodig hebben. • Inwoners die woonachtig zijn op recreatieparken Binnen de ABG-gemeenten vindt op enkele recreatieparken (permanente) bewoning plaats. Officieel is dit niet toegestaan en er is ook geen sprake van een gedoogbeschikking. De inwoners die op de recreatieparken wonen, hebben dikwijls te maken met een laag inkomen en lopen bovendien tegen complexe situaties aan bij het aanvragen van regelingen omdat ze geen (permanent) postadres hebben. • Statushouders Mensen die nieuw zijn gekomen in Nederland vormen ook een doelgroep in het minimabeleid. Deze doelgroep wordt relatief uitgebreid ondersteund, maar zijn niet altijd op de hoogte van de kosten. Wanneer zij bepaalde kosten (na verloop van tijd) zelf moeten betalen, hebben zij de beleving dat de gemeente hen laat vallen. Bovendien speelt een taalbarrière. • Inwoners met een beperking Minimapartners benoemen inwoners met een lichamelijke of verstandelijke beperking ook als belangrijke doelgroep. Hier is vaak sprake van multiproblematiek zoals verslaving en korte termijn denken.
22
Een overzicht van de maatschappelijke groepsgesprekken is weergegeven in bijlage 5.
organisaties
44
die
hebben
deelgenomen
aan
de
Baarle-Nassau
•
Versie 1.2
Jongeren Deze doelgroep is niet goed in beeld, maar medewerkers en minimapartners hebben de indruk dat bij deze groep zeker financiële en budgettaire problemen spelen. Bijvoorbeeld als gevolg van intergenerationele armoede 23. De problematiek is echter niet goed in beeld omdat jongeren veelal thuis of op kamers wonen (in een studentenstad die onder andere gemeenten valt) en geen eigen huishouden vormen binnen de ABG-gemeenten.
7.1.2. Ontwikkelingen in aantallen hulpvragen en complexiteit Het aantal hulpvragen is het afgelopen jaar gestegen. Minimapartners vermoeden dat dit onder meer te maken heeft met het verstrekken van de energietoeslag. Aangezien deze regeling wordt verstrekt zonder vermogensgrens is een nieuwe doelgroep in beeld gekomen die budgettaire problemen heeft. Op de vraag of er sprake is van toenemende complexiteit in de hulpvragen schetsen de minimapartners een wisselend beeld. Enerzijds is de problematiek geruime tijd complex: in de meeste situatie is sprake van multiproblematiek. Anderzijds zien minimapartners dat de hulpvragen complexer worden, met name omdat inwoners langer wachten om hun hulpvraag te stellen. Bovendien benoemen minimapartners dat het aanvragen van regelingen complexer is geworden. Zij maken zich daarom ook zorgen of de gemeente en instanties voldoende toegankelijk zijn voor inwoners of dat een (grote) groep niet in beeld komt. Zowel de interne medewerkers als de minimapartners geven aan dat er verschillen tussen de ABG-gemeenten bestaan. Zo ligt het aantal bijstandsuitkeringen en hulpvragen hoger in de gemeente Gilze en Rijen, ook omdat deze gemeente qua inwonertal omvangrijker is. Verder zit in Baarle-Nassau een instelling waar veel mensen van een minimuminkomen moeten rondkomen en vindt de (permanente) bewoning op recreatieparken vooral in Alphen-Chaam plaats.
Verschillen zijn ook te zien per wijk en buurt: in Rijen-zuid zijn bijvoorbeeld veel meer bijstandswijken en ook meer problematiek. Tot slot zijn verschillen ontstaan in de inhoud van de hulpvragen. De kostensoorten waarvoor inwoners ondersteuning aanvragen (bijvoorbeeld binnen de bijzondere bijstand) veranderen. Waar bijvoorbeeld eerder ondersteuning werd aangevraagd voor zorgkosten, zwemlessen of bewindvoering, worden nu aanvragen gedaan voor een cv-ketel of elektrische bakfiets als gevolg van de gestegen energieprijzen.
7.2. Participatie en belemmeringen De gemeenten Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen vinden het van belang dat hun inwoners kunnen meedoen in de samenleving. In de gesprekken is daarom aan de orde gesteld in hoeverre de doelgroep kan participeren en welke eventuele belemmeringen zij hierin identificeren. De volgende belemmeringen worden genoemd: • Gevolgen van de coronaperiode Minimapartners zien dat mensen thuisblijven, ook nu de coronamaatregelen zijn opgeheven. Soms vanuit angst, maar ook omdat inwoners het opzoeken van activiteiten ontwend zijn geraakt. • Dorps karakter Het dorpse karakter van de gemeenten Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen wordt door de inwoners beschreven als waardevol, maar het kan ook een drempel opwerpen. Juist omdat men elkaar kent, is de kans groot om bekenden tegen te komen en speelt schaamte een grotere rol bij hulpvragen. Bovendien speelt afstand tot bepaalde voorzieningen of werkgelegenheid en een beperkte dekking van het openbaar vervoer ook een rol. • Gezondheid 23
De term intergenerationele armoede verwijst naar de (veelvoorkomende) situatie dat kinderen die opgroeien in een minimahuishouden, later zelf ook een minimuminkomen hebben. Armoede kan dan over generaties worden doorgegeven.
45
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Een verminderde lichamelijke gezondheid of langdurig ziekenhuisbezoek kan ook een belemmering zijn om te participeren. • Onbekendheid van ondersteuning Binnen de ABG-gemeenten is ondersteuning beschikbaar om informatie te verkrijgen over inkomensondersteunende regelingen. Bijvoorbeeld via het Budgetcafé of de inkomensconsulenten van de gemeente. Toch zijn deze mogelijkheden niet altijd bij inwoners bekend. Minimapartners geven aan dat dit een belangrijke voorwaarde is om mee te kunnen doen, ook als er belemmeringen worden ervaren. • Geldzorgen Financiële tekorten en geldzorgen worden door de minimapartners als een van de belangrijkste belemmeringen benoemd. Er is dikwijls onvoldoende budget om mee te doen aan sport of cultuur, zeker voor kinderen. De minimapartners denken dat de oplossing voor de belemmeringen met name gezocht moet worden in maatwerk en een breed intakegesprek, omdat er nu niet altijd voldoende tijd is om alle ondersteuningsmogelijkheden te benoemen. Daarnaast snijden de minimapartners een belangrijk punt aan dat misschien ook samenhangt met een oplossing. Volgens hen zijn vele initiatieven tot ondersteuning op het individu gericht. Werkzame initiatieven die zij bijvoorbeeld in den lande tegenkomen, zijn dingen die gezamenlijk worden opgepakt.
De minimapartners merken op dat er een draai is ingezet door de gemeente richting preventie: wat kan er met en door burgers georganiseerd worden? De focus op het individu verschuift daarmee langzaam naar het bouwen van gemeenschappen. Oftewel: individuele begeleiding is nodig, maar om inwoners veerkrachtig te laten zijn ligt een deel van de oplossing vermoedelijk in sociale netwerken. De minimapartners vinden dat de gemeente een faciliterende rol zou moeten hebben in het prioriteren en ondersteunen van sociale cohesie.
7.3. Minimabeleid 7.3.1. Aanbod van inkomensondersteunende regelingen De interne medewerkers vinden dat het huidige aanbod aan inkomensondersteunende regelingen compleet is; voor vele kostensoorten is ondersteuning beschikbaar en vele doelgroepen worden ondersteund. Bovendien willen ze uitdragen dat er ruimte is om af te wijken als de situatie daarom vraagt. Soms worden bepaalde kosten niet vergoed, maar dat gebeurt alleen met valide argumentatie24. De interne medewerkers benoemen dat een verhoging van de huidige inkomensgrenzen (110 procent Wsm en participatieregelingen en Energietoeslag 120 procent Wsm) en een verhoging van de draagkrachtnorm wenselijk zijn om meer inwoners te ondersteunen. De minimapartners onderschrijven dat het regelingenaanbod uitgebreid is. Zij benoemen een brede pakketkeuze bij de collectieve zorgverzekering en de verlenging van de individuele inkomenstoeslag als een inwoner werk aanvaardt als positieve punten. Toch geven ook minimapartners aan dat de inkomensgrenzen relatief laag liggen, ook in vergelijking tot andere gemeenten in de regio. Zij zouden graag een verruiming van de inkomensgrenzen zien.
7.3.2. Harmonisatie ABG-gemeenten Het minimabeleid is niet volledig geharmoniseerd. Er zijn (kleine) verschillen in het aanbod aan gemeentelijke minimaregelingen zichtbaar. Zo worden voor de individuele inkomenstoeslag verschillende bedragen verstrekt, is het Sociaal Cultureel Fonds alleen in Alphen-Chaam en Baarle-Nassau beschikbaar en zijn Stichting Leergeld en Stichting de Weggeefhoek alleen in de gemeente Gilze en Rijen actief. Gevraagd naar hun visie op het volledig harmoniseren van het minimabeleid, geven zowel interne medewerkers als ketenpartners aan dat zij volledige harmonisatie wenselijk zouden vinden. Met name om eenduidigheid te bewaren in de uitleg richting inwoners en tevens als vereenvoudiging voor de uitvoerende consulenten. Hoewel alle
24 De regeling dat statushouders aanspraak konden maken op een fiets is bijvoorbeeld afgeschaft omdat
zij vanuit een andere voorziening een fiets konden aanschaffen.
46
Baarle-Nassau
Versie 1.2
drie de ABG-gemeenten hun eigen politieke kleur hebben, zijn punten voor harmonisatie bespreekbaar volgens de interne medewerkers. Minimapartners geven aan dat beleidsverschillen lastig uit te leggen zijn aan inwoners. Des te meer omdat de grenzen tussen de gemeente dun zijn en inwoners vaak familie, vrienden of expartners in de andere gemeenten hebben wonen. Daarnaast benoemen zij dat de gemeenten zich profileren als ABG-organisatie naar buiten en dat het passend is als het beleid ook op die wijze georganiseerd wordt. Tegelijkertijd zijn sommige minimapartners alleen binnen hun eigen gemeente actief. Zij hebben geen last van een onvolledige harmonisatie; het is lastig om inwoners niet te kunnen helpen vanuit het sociale oogpunt, maar niet vanuit het bestuurlijke oogpunt.