3.5 - Bijlage 1 Integraal Rapport Baarle-Nassau - Armoede onderzoek 2023 - versie 1.2
Tekst van het document
EVALUATIE MINIMABELEID BAARLE-NASSAU
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Evaluatie Minimabeleid 2023 Baarle-Nassau Onderzoek naar de omvang en samenstelling van de doelgroepen voor het gemeentelijk minimabeleid, het effect van het landelijk en lokale beleid op de inkomens, het huidige beleid en haar uitvoering, de ervaringen van ketenpartners en interne medewerkers en een behoeftepeiling van minimahuishoudens in de ABGgemeenten.
Cofon Colofon Opdrachtgever Gemeente Gemeentenaam Opdrachtgever Datum ABG-organisatie November 2021 Datum Auteurs Juni 2023 Michelle Ellens Reimer Vonk Auteurs Michelle Ellens Grafische Jitske Kooistra ondersteuning - van der Wijk Senne Boer Anieta Trip KWIZ Stavangerweg 23 - 5 9723 JC Groningen 050 - 5252473 contact@kwiz.nl Uitgave Deze publicatie publicatie isis een eenuitgave uitgavevan vanKWIZ KWIZ. B.V.Het Hetovernemen overnemenvan van cijfers cijfers en/ en / ofof teksten teksten is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd en en//of ofopenbaar openbaargemaakt gemaaktworden wordenin inwelke welkevorm vormdan danook ookzonder zonder voorafgaande toestemming van KWIZ B.V.
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Inhoudsopgave Inhoudsopgave .............................................................................................................................. 1 Inleiding ......................................................................................................................................... 2 Samenvatting en conclusie ........................................................................................................... 5 1. Minimahuishoudens in Baarle-Nassau .................................................................................... 15 2. Huidig beleid gemeente Baarle-Nassau .................................................................................. 18 3. Huidig beleid ABG-organisatie ................................................................................................ 22 4. Onderzoeksmethodiek inkomens effectrapportage ................................................................ 23 5. De inkomenseffecten ............................................................................................................... 27 6. Gebruik inkomensondersteunende voorzieningen .................................................................. 40 7. Uitvoering van het beleid ......................................................................................................... 44 8.
Ervaring inwoners minimaregelingen ...................................................................................... 49 9. Scenarioanalyse ...................................................................................................................... 53 Bijlage 1. Overzicht minimaregelingen ........................................................................................ 61 Bijlage 2. Opbouw totaal inkomen 100 tot 150% Wsm ............................................................... 62 Bijlage 3. Financieel maandoverzicht .......................................................................................... 64 Bijlage 4. Onderzoeksmethodiek Armoede Index ....................................................................... 70 Bijlage 5. Overzicht deelnemers groepsgesprekken ................................................................... 71
1
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Inleiding Gemeenten hebben de zorgplicht om de leefsituatie en het toekomstperspectief van kwetsbare burgers die in armoede verkeren, te verbeteren. Daarnaast hebben zij de taak en het belang om prikkels te geven aan burgers om zoveel mogelijk zelfstandig in hun levensonderhoud te voorzien. In de ABG-gemeenten is het minimabeleid een relevant thema en een constant aandachtspunt. De ABG-gemeenten willen het huidige minimabeleid en het aanbod aan minimaregelingen evalueren. KWIZ voert daarom een evaluatie uit aan de hand van een beleidsanalyse, een schatting van de minimapopulatie, inkomens effectrapportage, gesprekken met interne medewerkers en ketenpartners en een behoeftepeiling onder de doelgroep. In dit integrale rapport zijn alle deelonderzoeken weergegeven. Dit onderzoek dient inzicht te geven in: • De omvang en kenmerken van de doelgroepen voor armoede; • De effecten van het beleid op de doelgroepen en de inkomens; • Hoe de doelgroep het beleid beoordeelt; • Wat de ketenpartners en interne medewerkers van het beleid en de uitvoering ervan vinden. Beleidsanalyse Voor de beleidsanalyse is gebruikgemaakt van twee leidende documenten. Ten eerste is voor het lokale beleid1 van de gemeente Baarle-Nassau gebruikgemaakt van het beleidsdocument ‘Baarle Bruist – met elkaar en voor elkaar’.
Daarnaast is voor het brede sociaal domein van de ABG-gemeenten gebruikgemaakt van de basispresentatie (werkdocument) over de ‘leidende principes’: de belangrijke leidraad voor de ABG-organisatie. Deze leidende principes zijn afgeleid uit de lokale beleidsplannen van de ABG-gemeenten en dienen als handvat voor de medewerkers en de externe minimapartners. Opzet van de Armoede Index De Armoede Index is een door KWIZ ontwikkeld analysemodel. Deze index wordt samengesteld op basis van een combinatie van gemeentelijke gebruiksgegevens, geëxtrapoleerde CBS-gegevens en kengetallen op basis van ervaringscijfers bij andere gemeenten. Met als resultaat een schatting van het aantal minimahuishoudens dat tot de doelgroep van het minimabeleid behoort. Dit zijn de minimahuishoudens op 1 januari 2023 met een inkomen tot maximaal 150 procent Wsm2 en een vermogen binnen de grenzen van de Participatiewet. Daarnaast wordt het gebruik van de regelingen in 2022 weergegeven, op basis van aantallen die door de gemeente zijn aangeleverd. Vergelijkingen met andere gemeenten die worden gedaan zijn gebaseerd op ervaringscijfers van KWIZ. De gemeente wordt hierbij vergeleken met gemeenten die vergelijkbaar zijn qua inwonertal (tot 50.000 inwoners). Voor deze doelgroep berekenen wij voor 2023 (het huidige jaar) het effect van het landelijke en lokale beleid door.
Dit doen we door middel van de Inkomens effectrapportage.
1 Naast het lokale beleidsdocument is het document ‘Beleidsregels Bijzondere Bijstand’ van kracht. Hierin
staan de minimaregelingen met bijbehorende voorwaarden beschreven. Dit document wordt niet meegenomen in de beleidsanalyse omdat het geen visiedocument is. Het ligt echter wel ten grondslag aan de inkomens- effectrapportage en andere rapportdelen. 2 Wsm verwijst naar de term ‘Wettelijk sociaal minimum’. Oftewel een normbedrag dat nodig is om in levensonderhoud te voorzien. Dit normbedrag is vastgesteld door de overheid en wordt verstrekt via de bijstandsuitkering.
2
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Opzet van de Inkomens effectrapportage Voor zes verschillende huishoudtypen met zeven verschillende inkomens (tot en met 150 procent Wsm en een langdurig minimuminkomen) ten opzichte van het Wettelijk sociaal minimum worden het landelijke en lokale beleid berekend. Met behulp van landelijke inkomensnormen, landelijke toeslagen en informatie over gemeentelijke regelingen is per huishoudtype het inkomen bepaald. Voor de vaste uitgaven is uitgegaan van cijfers en normen van het Nibud3. Voor de andere uitgaven is waar mogelijk gebruikgemaakt van lokale tarieven (zoals huur en waterschapsbelasting, zie paragraaf 3.4 tot en met 3.7). Tenslotte worden de gemeentelijke regelingen omgezet in een maandbedrag. Op die manier ontstaat per huishoudtype een overzicht van de inkomsten en uitgaven per maand. Energietoeslag In 2023 kunnen huishoudens opnieuw aanspraak maken op een tegemoetkoming in de energiekosten. Deze regeling wordt in de huidige rapportage meegenomen, aangezien deze toeslag een substantiële invloed heeft op het budget van de inwoners. De compensatie is van belang om een realistisch inzicht in de huidige situatie te geven. Deze regeling wordt later in het rapport verder toegelicht.
Onderzoeksmethode gesprekken met ketenpartners en interne medewerkers De ketenpartners, ook wel minimapartners genoemd, spelen een belangrijke rol in de uitvoering van de inkomensondersteunende regelingen. Ze staan namelijk in nauw contact met de doelgroep. Ook de ervaringen van interne medewerkers die betrokken zijn bij de uitvoering en het beleid zijn relevant. Daarom worden de visies van interne medewerkers en ketenpartners op (de uitvoering van) het beleid meegenomen in dit onderzoek. Er hebben drie groepsgesprekken plaatsgevonden in 2023 met ketenpartners uit AlphenChaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen. Ook is een groepsgesprek afgenomen met interne medewerkers om de ervaringen in beeld te krijgen. De gesprekken hebben online of op locatie plaatsgevonden. De input uit de groepsgesprekken is verwerkt in dit onderzoek en wordt voor de ABG-gemeenten gezamenlijk weergegeven. Onderzoeksmethode behoeftepeiling minimadoelgroep De doelgroep bestaat 1.805 inwoners in de ABG-gemeenten die in het afgelopen jaar (2022) een bijstandsuitkering hadden en/of gebruik hebben gemaakt van een of meerdere minimaregelingen (inclusief de energietoeslag). De volledige doelgroep is aangeschreven. De vragenlijst is verstuurd in februari 2023 en was zowel op papier als online in te vullen.
In de vragenlijst staan de volgende thema’s centraal: • Meedoen, sociale contacten en belemmeringen in de participatie; • Financiële situatie; • Kennis en gebruik van gemeentelijke regelingen en maatschappelijke organisaties; • Informatievoorziening; • Contact met de gemeente; • Tips en adviezen van respondenten. Respons In totaal hebben 425 respondenten de enquête ingevuld (353 op papier en 72 online). Dat brengt de respons op 24 procent. De respons is ruim voldoende om uitspraken te doen over de volledige doelgroep binnen de ABG-gemeenten met een betrouwbaarheid van 95 procent 4. De respons per afzonderlijke gemeente is niet voor alle ABG-gemeenten voldoende betrouwbaar: voor Gilze en Rijen kunnen uitspraken over de volledige doelgroep worden gedaan met een betrouwbaarheid van 90 procent, maar voor Alphen-Chaam en Baarle-Nassau gelden de resultaten als indicatief.
3 Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) is een onafhankelijke stichting die informeert en
adviseert over financiën van huishoudens. 4 Om betrouwbare uitspraken te kunnen doen met een betrouwbaarheidsniveau van 95 procent moet de respons bestaan uit minstens 317 respondenten. Dit is ruimschoots behaald.
3
Baarle-Nassau
Versie 1.2
De volledige weergave en analyse van de resultaten is opgeleverd als aparte rapportage van de behoeftepeiling. Hiervoor verwijzen wij u graag naar het rapport ‘Behoeftepeiling Minimabeleid 2023’, opgeleverd in april 2023. Voor een uitgebreide weergave van de resultaten, diagrammen en analyse verwijzen wij u graag naar die rapportage. Weergave van de resultaten De meeste resultaten worden weergegeven op gemeentelijk niveau. Het gaat bijvoorbeeld om de Armoede Index, inkomens- effectrapportage en beleidsanalyse. De resultaten van de behoeftepeiling onder de doelgroep, gesprekken met interne medewerkers en externe ketenpartners worden op niveau van de gezamenlijke ABG-gemeenten weergegeven. De conclusie voort deels voort uit de gezamenlijke onderdelen en deels vanuit de lokale situatie van de afzonderlijke ABG-gemeenten. Leeswijzer Na de samenvatting wordt in het eerste hoofdstuk de huidige doelgroep voor de minimaregelingen in kaart gebracht. Door middel van een schatting (Armoede Index) wordt de omvang van de doelgroep weergegeven en wordt er een aantal kenmerken beschreven. Nadat de doelgroep bekend is, wordt in het tweede hoofdstuk het minimabeleid geanalyseerd. Dit geeft een beeld van het beleid voor de doelgroep die in het eerste hoofdstuk is beschreven. Om inwoners met een minimuminkomen te ondersteunen heeft de gemeente een aantal inkomensondersteunende regelingen.
Deze regelingen worden in hoofdstuk 3 beschreven. Daarna wordt er in hoofdstuk 4 gekeken naar het effect van deze regelingen op de financiële (maand)overzichten van verschillende huishoudtypes op verschillende inkomensgrenzen. In hoofdstuk 5 geven we per regeling weer door hoeveel huishoudens de regeling gebruikt wordt en wat daarmee het bereik per regeling is. In hoofdstuk 6 volgt een analyse van de mening en ervaringen van de ketenpartners en de interne medewerkers over het minimabeleid. In hoofdstuk 7 worden tot slot de mening en ervaringen van de inwoners die tot de doelgroep behoren weergegeven. In bijlage 1 staat een overzicht met de minimaregelingen in de gemeente Baarle-Nassau inclusief voorwaarden en bedragen. In bijlage 2 staat per huishoudtype de opbouw van het totale inkomen bij een inkomensniveau tussen de 100 en 150 procent Wsm. Bijlage 3 geeft het financieel maandoverzicht per huishoudtype weer. In bijlage 4 is de onderzoeksmethodiek van de Armoede Index beschreven.
4
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Samenvatting en conclusie S.1. Bevindingen S1.1. Aantal minimahuishoudens Op 1 januari 2023 hebben naar schatting 209 huishoudens in de gemeente Baarle-Nassau een inkomen tot 110 procent van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm)5. Dat is 6,8 procent van alle huishoudens in de gemeente. Naar schatting hebben 257 huishoudens een inkomen tot 120 procent Wsm, 8,4 procent van alle huishoudens in de gemeente Baarle-Nassau. Vergeleken met andere gemeenten ligt het aandeel minima onder het gemiddelde. In andere gemeente van vergelijkbare grootte (inwonersaantal tot 50.000 inwoners) is het aandeel minima 8 à 9 procent. De minimahuishoudens hebben een vermogen dat past binnen de grenzen van de Participatiewet6. Naar schatting groeien 108 kinderen tot 18 jaar op in een huishouden met een inkomen tot 120 procent Wsm. Dat is 9,4 procent van alle (1.130) kinderen in de gemeente Baarle-Nassau. Tabel S.1.1.1. Aantal en aandeel minimahuishoudens en minimakinderen gemeente BaarleNassau Inkomen Tot 100% Wsm Tot 110% Wsm Tot 120% Wsm Tot 130% Wsm Tot 140% Wsm Tot 150% Wsm Overig Totaal
Huishoudens Aantal Aandeel 179 5,8% 209 6,8% 257 8,4% 315 10,3% 376 12,3% 447 14,6% 2.623 3.070
85,4% 100%
Kinderen Aantal Aandeel 79 7,1% 90 8,1% 108 9,4% 132 11,4% 152 13,2% 174 15,1% 956 1.130
84,9% 100%
Kenmerken doelgroep minimabeleid Van de huishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm heeft 26 procent een uitkering vanuit de Participatiewet. Daarnaast heeft 42 procent AOW en krijgt 32 procent een andersoortig inkomen, bijvoorbeeld uit de WW of een baan. Naar huishoudtype vormt de helft van de minimahuishoudens een alleenstaand huishouden. Verder heeft 27 procent van de minimahuishoudens thuiswonende kinderen tot 18 jaar. Hiervan is 10 procent een eenoudergezin en 17 procent een meerpersoonshuishouden met kinderen. De overige 21 procent is een meerpersoonshuishouden zonder kinderen.
5
De meeste regelingen in de gemeente Baarle-Nassau hebben een inkomensgrens van 110 procent Wsm. Daarom wordt de minimapopulatie geschat tegen die inkomensgrens. In hoofdstuk 1 komt tevens het geschatte aantal huishoudens tegen een inkomen van 100, 120, 130, 140 en 150 procent Wsm aan de orde. 6 Een vermogen binnen de grenzen van de Participatiewet betekent dat alleenstaanden maximaal € 7.605 aan eigen vermogen mogen bezitten om aanspraak te maken op een bijstandsuitkering. Voor paren geldt een norm van € 15.210. Bij de schatting van het aantal minimahuishoudens houdt KWIZ rekening met deze vermogensgrenzen.
5
Baarle-Nassau
Versie 1.2
S1.2. Minimabeleid Iedere ABG-gemeente heeft een eigen beleidsdocument. De gemeente Baarle-Nassau legt daarbij de focus op vijf leefgebieden: 1) prettig wonen in de buurt 2) financieel rondkomen 3) thuis veilig en kansrijk zijn 4) een zinvolle daginvulling 5) fit en veerkrachtig zijn. Voor deze leefgebieden zijn verschillende doelstellingen geformuleerd. Het minimabeleid en bijbehorende beleidsregels zijn lokaal vormgegeven hoewel de ABG-gemeenten in hun aanbod aan inkomensondersteunende regelingen zeker overlap tonen. Overeenkomst in de drie visies van de ABG-gemeenten op het sociaal domein is de insteek dat inwoners moeten kunnen participeren in de samenleving en daarin niet worden belemmerd. Eventueel aanwezige belemmeringen moeten (zoveel mogelijk) worden geëlimineerd. Oftewel: de basis is dat meedoen mogelijk gemaakt moet worden. Om de visie uit te dragen zijn zes leidende principes opgesteld: 1) Vanuit de leefwereld van inwoners 2) Veerkracht vergroten 3) Samen 4) Op maat 5) Vakmanschap 6) Sturen op maatschappelijk effect.
S1.3. Bereik van de minimaregelingen Om ervoor te zorgen dat inwoners met een laag inkomen kunnen participeren in de samenleving biedt de gemeente een aantal minimaregelingen aan. Onderstaand geven we het bereik (d.w.z. het gebruik afgezet tegen de doelgroep) van de verschillende gemeentelijke regelingen weer. Vergeleken met andere gemeenten ligt het bereik van de individuele inkomenstoeslag hoger dan gemiddeld en het bereik van de collectieve zorgverzekering in lijn met het gemiddelde bereik. Het bereik van de kwijtschelding gemeentelijke belastingen, Jeugdfonds sport en cultuur en het sociaal cultureel fonds liggen onder het gemiddelde bereik. Tabel S1.3.1. Bereik inkomensondersteunende regelingen Categorie
Gebruik in 2022
Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen Individuele bijzondere bijstand Individuele inkomenstoeslag Collectieve zorgverzekering Sociaal Cultureel Fonds • Volwassenen • Kinderen Jeugdfonds Sport en Cultuur Individuele studietoeslag Energietoeslag
50 huishoudens Onbekend 40 huishoudens 130 personen
Bereik onder de doelgroep 28% Onbekend 58% 42%
54 personen 16 kinderen 10 kinderen 0 personen 260 huishoudens
17% 18% 9% 58%
S1.4. Bevindingen inkomenseffecten Financieel effect Het bedrag dat minima vanuit het Rijk aan toeslagen kunnen ontvangen is veel hoger dan het bedrag dat ze aan gemeentelijke regelingen kunnen ontvangen. Financieel gezien is de invloed van de gemeente dan ook kleiner dan de invloed van het Rijk. Het bedrag aan landelijke toeslagen neemt voor de meeste huishoudens geleidelijk af bij een hoger inkomen. Ditzelfde gaat op voor de gemeentelijke regelingen. De gemeentelijke regelingen zorgen ervoor dat huishoudens (meer) ruimte overhouden voor het doen van vrije bestedingen. Dit komt met name voor paren (met en zonder kinderen) ten goede. Zij hebben zonder de gemeentelijke regelingen bij inkomens tegen 100 en 110 procent Wsm niet voldoende budget voor vrije bestedingen en zouden daardoor niet volledig sociaal kunnen participeren. Het bedrag dat wordt overgehouden verschilt aanzienlijk per huishoudtype en inkomensniveau. Alleenstaanden en alleenstaande ouders zijn gemiddeld minder afhankelijk van de gemeentelijke bijdragen om sociaal te participeren dan (ouder)paren.
6
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Het vrije besteedbare budget wordt bijna altijd ruimer bij een hoger inkomen. Er zijn echter een aantal uitzonderingen. Alleenstaanden zonder kinderen ervaren een demping van het vrij besteedbare budget bij een inkomen van 130 procent Wsm. Verder is er bij alleenstaande ouders, paren zonder en met kinderen sprake van een teruggang in het vrij besteedbare budget wanneer het inkomen stijgt van 120 procent naar 130 procent Wsm. Dit is het moment dat de gezinnen geen aanspraak meer maken op gemeentelijke regelingen. Daarnaast is het belangrijk om te noemen dat binnen het huidige rapport de aanname is gedaan dat huishoudens gebruik maken van alle beschikbare regelingen. Echter in de praktijk is de ervaring dat huishoudens niet of gedeeltelijk gebruik maken van de regelingen. In werkelijkheid valt het vrij besteedbaar budget waarschijnlijk vaak lager uit. Werken loont voor sommige huishoudens meer dan voor andere Wanneer huishoudens in Baarle-Nassau vanuit de bijstand gaan werken, gaan zij er in totaal inkomen bijna altijd op vooruit ten opzichte van de bijstandssituatie (mits zij gebruikmaken van alle toeslagen en regelingen). Het totaal inkomen bestaat uit het netto-inkomen (inclusief vakantietoeslag), landelijke toeslagen en gemeentelijke regelingen. Het totale inkomen neemt echter niet procentueel gezien steeds sterker toe, vergeleken met de bijstandssituatie.
Landelijke toeslagen lopen namelijk terug en het recht op gemeentelijke regelingen vervalt. Relatief gezien gaan alleenstaanden zonder kinderen er het meest op vooruit bij ieder hoger inkomen. Paren met kinderen ervaren de minste inkomensvooruitgang. Zij krijgen eerder dan de andere huishoudtypen te maken afnames aan toeslagen van het Rijk. Alle huishoudtypen hebben te maken met een inkomensvooruitgang wanneer het loon stijgt naar 110 en 120 procent Wsm. Tegelijkertijd ervaren ook alle huishoudtypen een demping in de groei of een terugval in hun procentuele inkomensgroei als het loon stijgt van 120 procent Wsm naar 130 procent Wsm. Dit is het moment dat het recht op de gemeentelijke regelingen vervalt 7. Verder zet de inkomensvooruitgang door bij de meeste huishoudtypen met lonen tegen 140 en 150 procent Wsm. Alleen bij paren met kinderen blijft de inkomensvooruitgang grotendeels uit.
7 Maatschappelijke partners zoals de voedselbank zijn hier buiten beschouwing gelaten. Zij ondersteunen
inwoners op basis van hun besteedbaar inkomen en hanteren geen inkomensgrens gerelateerd aan Wsm.
7
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Figuur S1.4.1. Inkomensvooruitgang t.o.v. 100% Wsm bij werkaanvaarding 110% Wsm
120% Wsm
130% Wsm
140% Wsm
150% Wsm
4% 8% 8%
Alleenstaande
12% 17% 4% 4% Paar zonder kinderen
2% 5% 7% 3% 4%
Alleenstaande ouder met kinderen
3% 7% 11% 3% 2%
Paar met kinderen
-1% 1%
3%
Energiekosten De energietoeslag is in 2023 door het Rijk opnieuw ter beschikking gesteld om huishoudens met een laag inkomen te compenseren in de energiekosten. De energietoeslag bedraagt € 1.300 euro per huishouden per jaar voor 2023 8, wat neerkomt op een maandelijkse bijdrage van € 108. Opvallend in de energiekosten, is dat de tarieven voor stroom en gas (op het moment van het prijspeil) onder het prijsplafond liggen. Uit de berekeningen en maandbegrotingen blijkt dat de energiecompensatie van € 108 euro per maand een impact heeft op het vrij besteedbare budget van de inwoners. De toeslag hoeft niet (volledig) ingezet te worden voor de energiekosten, vanwege de verlaging van de energiekosten. Het vrij besteedbare budget van de inwoners wordt door de energietoeslag ruimer en heeft impact op de gemeten inkomensvooruitgang bij werkaanvaarding, voor alle inkomensgroepen tot 110 en 120 procent Wsm. Tegelijkertijd is de toeslag in werkelijkheid nog niet aan inwoners uitgekeerd. Dit kan betekenen dat het budget van minimagezinnen in de maanden waarin de energietoeslag nog niet is uitgekeerd, krapper is dan weergegeven in de begrotingen. Wanneer er daarbij minder gebruik gemaakt wordt van andere minimaregelingen, kan er (te) weinig budget overblijven voor minimagezinnen.
Eind maart 2023 is binnen de ABG-gemeenten de eerste € 500 uitbetaald aan de huishoudens die in 2022 ook gebruik hebben gemaakt van de energietoeslag. In een later stadium zal de overige € 800 volgen. 8
8
Baarle-Nassau
Versie 1.2
S1.5. Uitvoering van het beleid Participatie en belemmeringen Minimapartners en interne medewerkers identificeren verschillende belemmeringen waardoor inwoners soms verminderd meedoen aan de samenleving. Het gaat bijvoorbeeld om gezondheid, onbekendheid van de ondersteuningsmogelijkheden, het dorpse karakter (afstand tot voorzieningen, beperkt openbaar vervoer), gevolgen van de coronaperiode en geldzorgen. Minimapartners zien maatwerk en een collectieve, netwerkgerichte aanpak als de oplossing. Aanbod van regelingen Minimapartners en interne medewerkers vinden het aanbod aan minimaregelingen uitgebreid, waardoor vele doelgroepen worden ondersteund. Hoewel het aanbod uitgebreid is, signaleren minimapartners dat een verhoging van de inkomensgrenzen wenselijk zou zijn. Inwoners komen regelmatig niet in aanmerking voor de minimaregelingen terwijl ze de ondersteuning nodig hebben. De ABG-gemeenten hanteren ook relatief lage inkomensgrenzen in vergelijking tot andere gemeenten. Gezien de toegenomen complexiteit van de hulpvragen is een verruiming van de inkomensgrenzen wenselijk, volgens minimapartners. Het aanbod aan minimaregelingen is deels geharmoniseerd binnen de ABG-gemeenten, maar er bestaan ook verschillen in zowel het aanbod en de hoogte van de vergoedingen 9. Minimapartners benoemen hun behoefte aan een volledige harmonisatie binnen de ABGgemeenten.
De belangrijkste reden hiervoor is eenduidigheid richting de inwoners. Interne medewerkers onderschrijven het belang van harmonisatie en overwegen de keuzes: welke minimaregeling (Alphen-Chaam, Baarle-Nassau of Gilze en Rijen) is het meest wenselijk? In de scenario’s en aanbevelingen wordt hierover denkrichting en advies gegeven. Toegankelijkheid en informatievoorziening Het uitgebreide aanbod aan gemeentelijke minimaregelingen vraagt om een duidelijk overzicht van de mogelijkheden. Daarnaast zijn in de afzonderlijke ABG-gemeenten verschillende organisaties actief die financiële ondersteuning bieden wat meerdere aanvraagloketten tot gevolg heeft. Minimapartners signaleren dat inwoners niet altijd op de hoogte zijn van de ondersteuningsmogelijkheden of waar zij hulp kunnen vragen. De huidige informatievoorziening is niet voor iedereen laagdrempelig genoeg. Samenwerking De samenwerking tussen de gemeente en haar minimapartners verloopt goed; beide partijen zijn tevreden. Verder zoeken minimapartners ook de onderlinge samenwerking in de inhoud van hun activiteiten en frequente contactmomenten.
S1.6. Ervaring doelgroep minimabeleid Meedoen De helft van de respondenten heeft het gevoel mee te kunnen doen in de samenleving. De belangrijkste belemmeringen voor niet (volledig) mee kunnen doen zijn weinig geld, een slechte gezondheid en weinig sociale contacten. Financiële situatie Twee derde van de respondenten kan maandelijks niet (altijd) rondkomen en de meeste respondenten met geldzorgen hebben hier al drie jaar of langer mee te maken. Het ontbreekt respondenten het meest aan geld voor leuke dingen en de aanschaf van noodzakelijke spullen. Bekendheid en gebruik van regelingen De bekendheid en het gebruik van de minimaregelingen verschilt per regeling. De energietoeslag, collectieve zorgverzekering en kwijtschelding van gemeentelijke belastingen zijn de meest bekende regelingen. De meest genoemde reden voor niet-gebruik van regelingen 9 Voorbeelden zijn dat Stichting Leergeld actief is in de gemeente Gilze en Rijen, maar niet in Alphen-
Chaam en Baarle-Nassau. Verder is bij de participatieregelingen voor volwassenen (Sociaal Cultureel Fonds en Meedoenregeling) per gemeente een verschillend bedrag beschikbaar.
9
Baarle-Nassau
Versie 1.2
is onwetendheid; de regelingen zijn niet altijd voldoende bekend. Er worden regelingen gemist voor reiskosten, huishoudelijke uitgaven, participatie en zorgkosten. Deels worden deze regelingen reeds aangeboden (participatie en zorgkosten), maar deels ook niet. Inwoners spreken een aanvullende behoefte uit in het aanbod van de regelingen (reiskosten en huishoudelijke uitgaven) of in de hoogte of mogelijkheden van de vergoedingen. Informatie en contact Vrienden en familie vormen de belangrijkste informatiebron bij geldzorgen. Ruim een derde van de respondenten is uitgesproken positief over de informatie: ze weten waar ze moeten zijn en snappen de informatie die ze krijgen. Tegelijkertijd kan een kwart van de respondenten niet de informatie vinden die zij zoeken. Respondenten die moeite hebben met lezen en/of schrijven kunnen minder vaak de informatie vinden die ze zoeken. Een meerderheid van de respondenten voelt zich serieus genomen door de medewerkers en vindt dat de medewerkers voldoende tijd voor hem hebben genomen. Tips en adviezen Respondenten hadden de gelegenheid om tips en adviezen mee te geven: • Aanvullende ondersteuningsbehoefte: De kosten voor het levensonderhoud zijn gestegen en respondenten geven aan dat ze graag een hogere bijstandsuitkering zouden ontvangen.
Op gemeentelijk niveau zouden ze een hogere inkomensgrens en (meer) ondersteuning voor reiskosten en sport wenselijk vinden. • Informatievoorziening: Het is voor inwoners niet altijd duidelijk welke regelingen beschikbaar zijn en of zij daar aanspraak op kunnen maken. Een duidelijk overzicht dat proactief verstrekt wordt door de gemeenten zou hen daarbij helpen. • Maatwerk: Respondenten vinden het belangrijk dat er aandacht is voor de persoonlijke situatie van inwoners en dat er extra hulp wordt geboden wanneer nodig. • Communicatie: Open contact en behulpzaamheid van de medewerkers vinden respondenten belangrijk. Ook bredere beschikbaarheidstijden of openingstijden worden wenselijk gevonden. Aanvraagprocedure: Het aanvragen van regelingen is niet voor iedereen toegankelijk en duidelijk. Respondenten noemen suggesties als een inloopspreekuur en één aanvraagloket.
S1.7. Scenarioanalyse De onderzoeksresultaten geven aanleiding tot het beschouwen van drie mogelijke beleidsscenario’s: • Het ophogen van het gebruik en bereik van de regelingen In dit scenario is het gebruik en bereik van de regelingen gelijkgesteld aan het landelijke gemiddelde. Sommige regelingen (zoals de kwijtschelding van gemeentelijke belasting en het Sociaal Cultureel Fonds) hebben een lager bereik dan landelijk gemiddeld. Als de gemeente inzet op informatievoorziening en communicatie zou het bereik van de regelingen kunnen toenemen. Het scenario schetst de omvang van de toename in de programmakosten. • Een verruiming van de inkomensgrens van het Sociaal Cultureel Fonds Op dit moment wordt het Sociaal Cultureel Fonds verstrekt tegen een inkomensgrens van 110 procent Wsm. In het scenario worden de programmakosten doorgerekend voor de situatie dat de inkomensgrens wordt verruimd naar 120 of 130 procent Wsm. Daarnaast bevat het scenario tevens een doorrekening voor een richtbedrag binnen de participatieregeling. De ABG-gemeenten bieden op dit moment geen geharmoniseerde participatieregeling aan; zowel de regeling als de hoogte van het bedrag verschilt per gemeente. Op basis van lokale sport- en muziektarieven en reiskosten is een inschatting gemaakt voor een wenselijk richtbedrag.
• Een verruiming van de inkomensgrens van de collectieve zorgverzekering Tot slot is een inschatting van de programmakosten gemaakt als de collectieve zorgverzekering wordt verstrekt tot een inkomensgrens van 120 of 130 procent Wsm (in plaats van 110 procent Wsm). Hierbij is rekening gehouden met de huidige verdeling in aanvullende pakketten (basis, midden en uitgebreid).
10
Baarle-Nassau
Versie 1.2
S.2. Conclusie De visie van de gemeente Baarle-Nassau is helder: De inwoners kunnen mee (blijven) doen. Door onderlinge betrokkenheid kunnen inwoners hierin veel voor elkaar betekenen. Daarnaast kunnen inwoners rekenen op professionele hulp wanneer informele ondersteuning niet voldoende is. Deze hulp en ondersteuning wil de gemeente passend en tijdig bieden: zo licht als mogelijk, zo specialistisch als nodig. Vanuit de lokale visie vloeit een gezamenlijke visie voor de ABG-gemeenten voort: de leidende principes. Aan de hand van deze zes leidende principes worden de belangrijkste bevindingen en analyses beschreven met daaruit voortvloeiende aanbevelingen. 1. Vanuit de leefwereld van individuen Dit eerste principe stelt dat de leefwereld van inwoners leidend dient te zijn voor de vijf verschillende leefgebieden: prettig wonen in omgeving, zinnige dag invulling, financieel rondkomen, veilige en kansrijke thuissituatie, fit en veerkrachtig. Voorliggend onderzoek is met name ingestoken op de leefgebieden ‘financieel rondkomen’, ‘een zinnige daginvulling’ en ‘fit en veerkrachtig zijn’. De gemeente vindt het van groot belang dat inwoners kunnen meedoen naar vermogen. In het onderzoek zijn daarom een aantal belemmeringen geïdentificeerd waardoor inwoners verminderd kunnen participeren in de samenleving.
Uit de gesprekken met ketenpartners is naar voren gekomen dat inwoners in hun participatie worden belemmerd door gevolgen van de coronaperiode (ontwenning om aan sociale activiteiten deel te nemen) en het dorpse karakter van de gemeente (afstand tot voorzieningen en werk in combinatie met beperkte dekking van openbaar vervoer). Verder zijn ook een verminderde gezondheid, weinig sociale contacten, onbekendheid van de ondersteuningsmogelijkheden en geldzorgen (financiële tekorten en onvoldoende budget voor participatie) belangrijke belemmeringen voor adequate deelname aan de samenleving.
Aanbeveling Onderzoek in hoeverre de belemmeringen tot participatie op dit moment voldoende in beeld zijn in de huidige beleidsplannen en of extra inzet van middelen noodzakelijk is.
De belemmering ‘geldzorgen’ sluit nauw aan bij deze evaluatie van het minimabeleid. Op dit moment worden inwoners financieel ondersteund met minimaregelingen tot een inkomensgrens van 110 dan wel 120 procent Wsm. De gestelde inkomensgrens is lager dan omliggende regiogemeenten. Minimapartners signaleren dat een relatief grote groep inwoners boven de inkomensgrens zit, maar wel ondersteuning nodig heeft. Zij worden belemmerd in hun participatie door hun financiële situatie. Zowel ketenpartners als inwoners benadrukken de behoefte aan maatwerk. Op deze manier staat de persoonlijke situatie (en daarmee de leefwereld) van inwoners centraal. Op dit moment bieden de ABG-gemeenten waar mogelijk ruimte voor maatwerk. Het is ook hun intentie dat inwoners op de hoogte zijn van het feit dat inwoners zich met hun brede hulpvraag kunnen melden en dat er wordt gekeken naar mogelijkheden. Aanbeveling Overweeg een verruiming van de inkomensgrens voor enkele regelingen. Bijvoorbeeld voor het Sociaal Cultureel Fonds (van 110 naar 130 procent Wsm) om de participatie van inwoners (speerpunt van de gemeente) te bevorderen.
11
Baarle-Nassau
Versie 1.2
2. Veerkracht vergroten Het tweede leidende principe van de ABG-gemeenten is om de veerkracht van inwoners te vergroten. Het minimabeleid dient hierin te dienen als een ‘springplank’ voor hen die in staat zijn om (op termijn) werk te aanvaarden en zelfredzaam te zijn. Voor de inwoners die geen uitzicht hebben op werkaanvaarding dient het minimabeleid te werken als ‘vangnet’ en zoveel mogelijk te stimuleren tot participatie in de samenleving op andere vlakken. Het minimabeleid in haar huidige vorm biedt ondersteuning voor verschillende doelgroepen zoals inwoners met kinderen en inwoners met een zorgvraag. Ondanks dat is de ondersteuning voor participatiedoeleinden op dit moment beperkt, zowel qua inkomensgrens als het beschikbare budget. In één van de doorgerekende beleidsscenario’s is hier verder op ingegaan en een nieuw richtbedrag toegelicht. Daarnaast worden door inwoners regelingen gemist voor zorgkosten, reiskosten en huishoudelijke uitgaven. Op dit moment wordt al ondersteuning geboden voor zorgkosten in de vorm van een collectieve zorgverzekering en een zorgkostenregeling via de bijzondere bijstand Er wordt nog geen ondersteuning geboden voor reiskosten voor sociale contacten en huishoudelijke uitgaven.
Aanbeveling Overweeg een verhoging van het budget vanuit het Sociaal Cultureel Fonds voor participatie (zie scenario 2, hoofdstuk 9). Geef het Sociaal Cultureel Fonds vorm als een keuzebudget. Inwoners kunnen hier naar behoefte gebruik van maken. Zij krijgen dan keuzevrijheid voor de besteding van het budget. Dit komt ten goede aan de zelfredzaamheid van inwoners en sluit aan bij het gedachtengoed van positieve gezondheid.
Minimapartners benoemen dat de gemeente de focus heeft verlegd van het individu naar het bouwen van gemeenschappen. Oftewel: individuele begeleiding is nodig, maar om inwoners veerkrachtig te laten zijn ligt een deel van de oplossing vermoedelijk in sociale netwerken. Het minimabeleid zou daarmee ook een focus op samenredzaamheid moeten krijgen. Aanbeveling Ondersteun lokale initiatieven gericht op sociale cohesie. Neem daarin als gemeente een faciliterende en prioriterende rol, als cruciaal onderdeel van het minimabeleid.
3. Samen De ABG-gemeenten zien de aanpak van het minimabeleid als een gedeelde verantwoordelijkheid voor de gemeente en maatschappelijke organisaties. Samenwerking vindt op dit moment plaats op drie verschillende niveaus: 1) binnen de ABG-gemeenten 2) tussen de gemeenten en de maatschappelijke organisaties en 3) tussen de maatschappelijke organisaties onderling. De samenwerking als ABG-organisatie is begin 2016 gestart en dit wordt door de medewerkers beschreven als ‘langdurig proces’. De ambtelijke organisatie van de drie gemeenten is gefuseerd en de samenwerking verloopt steeds beter. De interne medewerkers zien een verdere harmonisatie van beleid als een kans om de samenwerking te versoepelen.
12
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Op dit moment bestaan er verschillen tussen de ABG-gemeenten in het aanbod van de regelingen en in de hoogte van de beschikbare bedragen. Dit komt bijvoorbeeld naar voren in de participatieregelingen (Sociaal Cultureel Fonds in Alphen-Chaam en BaarleNassau en de Meedoenregeling in Gilze en Rijen), maar ook de bedragen voor de individuele inkomenstoeslag. Zowel interne medewerkers als minimapartners vinden verdere harmonisatie wenselijk, met name om eenduidigheid te bieden richting de inwoners.
Aanbeveling Een belangrijke overweging voor de ABG-gemeenten is om een keuze te maken in het al dan niet verder harmoniseren van het minimabeleid. Verdere harmonisatie komt ten goede aan inwoners en uitvoerbaarheid van het beleid.
De samenwerking tussen de gemeenten en maatschappelijke organisaties (oftewel: minimapartners) verloopt voorspoedig. Beide partijen zijn positief en tevreden over het wederzijdse contact. Niet alle partijen hebben evenveel contact met de gemeentelijke medewerkers, maar ervaren wel dat ze contact kunnen opnemen bij onduidelijkheden. Onderling doorverwijzen tussen de gemeenten en haar minimapartners, maar ook tussen minimapartners onderling kan worden geïntensiveerd. De samenwerking tussen de maatschappelijke organisaties onderling is de afgelopen jaren sterk verbeterd, zowel in de frequentie van het contact als in de afstemming van de ondersteuning die geboden wordt. Het Budgetcafé speelt hierin tevens een verbindende en doorverwijzende rol als eerste aanspreekpunt voor inwoners. Aanbeveling De samenwerking verloopt goed. Blijf als gemeente beschikbaar en toegankelijk voor de minimapartners. Faciliteer, bij behoefte, netwerkbijeenkomsten om te zorgen voor een integraal hulpverleningsnetwerk waarin partners elkaar kennen en doorverwijzen.
4. Op maat De gemeente streeft na dat ondersteuning aansluit bij de behoeften van inwoners. Het huidige armoedebeleid is uitgebreid vormgegeven. Voor de verschillende levensgebieden – zoals zorgkosten, participatie en thuiswonende kinderen - zijn inkomensondersteunende regelingen beschikbaar. Vanuit de inkomenseffectrapportage komt naar voren dat inwoners in principe voldoende budget hebben om hun vaste lasten te bekostigen en op een minimaal niveau sociaal te participeren (gebaseerd op het normbedrag van het Nibud). In de praktijk blijkt echter dat zes op de tien respondenten maandelijks niet (altijd) kunnen rondkomen. Inwoners maken namelijk niet altijd gebruik van de aangeboden ondersteuning; dit blijkt ook uit het bereik van de inkomensondersteunende regelingen. Om gebruik te maken van de beschikbare regelingen, is het cruciaal dat inwoners op de hoogte zijn van de mogelijkheden en het gevoel hebben dat ze met hulpvraag goed terechtkunnen bij de gemeente. Uit de behoeftepeiling onder de doelgroep is naar voren gekomen dat inwoners niet altijd weten waar zij hulp kunnen vragen en welke ondersteuningsmogelijkheden voor hen beschikbaar zijn. Zij hebben behoefte aan laagdrempelige en toegankelijke informatievoorziening en één aanvraagloket.
Uit de gesprekken met interne medewerkers, minimapartners en vanuit de enquêteresultaten onder de doelgroep is bovendien naar voren gekomen dat inwoners lang wachten met het stellen van hun hulpvraag. Uitstel van de hulpvraag kan ertoe leiden dat de problematiek intensiveert en bovendien gecompliceerder wordt. 13
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Laagdrempeligheid is daarom van groot belang bij het aanbieden van hulp en informatievoorziening over de inkomensondersteunende regelingen. De gemeenten beschikken over overzichten van de regelingen en ondersteuning van externe partijen (inkomens- en zorgkaart), maar dit wordt niet actief verspreid onder inwoners. Voor de gemeenten liggen hier kansen om een regisserende rol op te pakken in het verspreiden van deze informatie. Aanbeveling Onderzoek de mogelijkheden om het aanvragen van regelingen te vereenvoudigen. Bijvoorbeeld door automatisch toe te kennen, te werken met een gezamenlijke intermediair of één aanvraagloket. Bied maatwerk waar nodig en mogelijk. Stel een overzicht op van de beschikbare regelingen en ondersteuning van externe organisaties. Neem als gemeente een regisserende rol en zorg voor regelmatige updates en verspreiding van deze sociale kaart. Voor alle communicatie-uitingen geldt: B1-niveau en pictogrammen of filmpjes spreken tot de verbeelding.
5. Vakmanschap Om een integraal minimabeleid aan te bieden is het belangrijk dat de gemeentelijke medewerkers blijven beschikken over passende vaardigheden en kennis. Op deze manier kunnen medewerkers ook adequaat met inwoners communiceren en hen informeren op een wijze die bij de doelgroep past. Investeer daarom in de personele bezetting. Aanbeveling Investeer in de personele bezetting om hen te laten ontwikkelen zodat zij kunnen blijven aansluiten bij de leefwereld van inwoners. En ook inwoners op de best mogelijke manier te ondersteunen.
6. Sturen op maatschappelijk effect Op dit moment vindt monitoring plaats op de gebruikscijfers van de regelingen. Deze rapportages worden besproken en bij opvallende trends worden aanvullende vragen gesteld. Van verdere sturing op deze cijfers is geen sprake. De gemeente maakt gebruik van de jaarlijkse burgerpeiling en maandrapportages (Maraps) en hanteren daarmee een brede manier van kijken naar de actualiteit. Hoewel de monitoring dus op orde is, vindt op basis hiervan geen sturing plaats voor de visie op het lokale armoedebeleid of de leidende principes die voor de ABG-gemeenten gezamenlijk zijn vastgesteld.
Aanbeveling Geef de gebruikscijfers van de regelingen een grotere rol in de monitoring van het lokale minimabeleid en de leidende principes.
14
Baarle-Nassau
Versie 1.2
1. Minimahuishoudens in Baarle-Nassau In dit hoofdstuk beschrijven we de omvang en samenstelling van de groepen huishoudens met inkomens tot 150 procent van het Wettelijke sociale minimum (Wsm) in de gemeente Baarle-Nassau. Dit is de doelgroep die centraal staat in dit onderzoek 10. Het aantal minimahuishoudens schatten we aan de hand van de Armoede Index 11. De Armoede Index wordt samengesteld op basis van een combinatie van gemeentelijke gebruiksgegevens, geëxtrapoleerde CBS-gegevens en kengetallen op basis van ervaringscijfers bij andere gemeenten. Met als resultaat een schatting van het aantal minimahuishoudens dat tot de doelgroep van het minimabeleid hoort.
1.1. Alle huishoudens In de gemeente Baarle-Nassau wonen 6.931 personen, verdeeld over 3.070 huishoudens, waarmee de gemiddelde huishoudgrootte op 2,26 personen komt. Dat is meer dan het landelijke gemiddelde (2,16 personen per huishouden). Van de 6.931 personen in de gemeente, zijn er 1.130 (16 procent) jonger dan 18 jaar en 1.800 (26 procent) personen ouder dan 66 jaar. De huishoudsamenstelling in de gemeente Baarle-Nassau wijkt af van het landelijke beeld. Het aandeel huishoudens met alleenstaanden ligt in Baarle-Nassau lager dan het landelijk gemiddelde. Het aandeel meerpersoonshuishoudens zonder kinderen ligt in de gemeente Baarle-Nassau hoger dan het landelijke aandeel. Onderstaand geven we de belangrijkste kenmerken van de bevolkingspopulatie in 2023 in de Baarle-Nassau weer. Tabel 1.1.1 Aantal huishoudens en inwoners Categorie Aantal huishoudens Aantal personen Gemiddelde huishoudgrootte
Baarle-Nassau 3.070 6.931 2,26
Tabel 1.1.2 Huishoudens naar type Huishoudtype Alleenstaand Alleenstaande ouder Meerpersoons zonder kinderen Meerpersoons met kinderen Totaal
Baarle-Nassau Aantal Aandeel 982 32% 188 6% 1.106 36% 794 26% 3.070 100%
Landelijk Aandeel 39% 7% 29% 25% 100%
1.2. Minimahuishoudens Van alle huishoudens in de gemeente Baarle-Nassau moeten (naar schatting) 179 huishoudens rondkomen van een inkomen op bijstandsniveau (100 procent Wsm). Dit is 5,8 procent van alle huishoudens. Het gemiddelde percentage met een dergelijk inkomen ligt landelijk tussen de 5 en 6 procent. In totaal hebben 209 huishoudens een inkomen tot 110 procent Wsm, 6,8 procent van alle huishoudens in de Baarle-Nassau en naar schatting hebben 257 huishoudens een inkomen tot 120 procent Wsm, 8,4 procent van alle huishoudens. Dit ligt in lijn met het gemiddeld aandeel 10 De omvang van de doelgroepen tot 150 procent Wsm wordt tevens weergegeven. 11 In bijlage 4 staat de onderzoeksmethodiek van de Armoede Index beschreven.
15
Baarle-Nassau
Versie 1.2
minimahuishoudens in andere (vergelijkbare) gemeenten12: het gemiddelde aandeel is 8 à 9 procent. 315 huishoudens hebben een inkomen tot 130 procent Wsm (10,3 procent van alle huishoudens). De volgende tabel bevat een overzicht van het actuele aantal en aandeel huishoudens in de gemeente dat een inkomen heeft tot maximaal 150 procent van het Wettelijk sociale minimum voor het betreffende huishoudtype. Tabel 1.2.1 Huishoudens naar inkomen Baarle-Nassau Aantal Aandeel 179 5,8% 209 6,8% 257 8,4% 315 10,3% 376 12,3% 447 14,6%
Inkomen Tot 100% Wsm Tot 110% Wsm Tot 120% Wsm Tot 130% Wsm Tot 140% Wsm Tot 150% Wsm Overig Totaal
2.623 3.070
Landelijk aandeel 5 à 6% 6 à 7% 8 à 9% 9 à 10% -13 -
85,4% 100%
Verdeling naar kenmerken De doelgroep voor de regelingen met een inkomensgrens van 110 procent Wsm bestaat voor 26 procent uit huishoudens met die een uitkering ontvangen vanuit de Participatiewet en voor een 42 uit huishoudens met een AOW-uitkering. 32 procent heeft een overig inkomen. Dit bestaat uit bijvoorbeeld een WW-uitkering of inkomen uit werk. In andere gemeenten zien we gemiddeld dat 40 à 45 procent van de minimahuishoudens een uitkering vanuit de Participatiewet ontvangt, 20 à 25 procent heeft een AOW-uitkering en 35 à 40 procent een overig inkomen. Baarle-Nassau heeft relatief minder huishoudens met een uitkering vanuit de Participatiewet en meer huishoudens met een AOW-uitkering. Van alle minimahuishoudens is het grootste deel (52 procent) alleenstaand. Dit beeld komt overeen met wat we in andere gemeenten met een inwonerstal tot 50.000 vinden. Gemiddeld ligt het aandeel alleenstaanden in deze gemeenten tussen de 50 en 55 procent van alle minimahuishoudens. In totaal heeft 27 procent van de minimahuishoudens thuiswonende kinderen. Dit ligt ook in lijn met het gemiddelde dat we bij andere gemeenten van vergelijkbare grootte zien; 25 à 30 procent. Tabel 1.2.1 Inkomensbron minima, inkomen tot 100% tot en met 130% Wsm Categorie Inkomensbron Participatiewet AOW inkomen Ander inkomen • WW/ WAO/ Wajong • ZZP • Werk uit arbeid Totaal
100% Wsm
110% Wsm
Aantal Aandeel
Aantal Aandeel
120% Wsm
130% Wsm
Aantal Aandeel
Aantal Aandeel
55 80 44
31% 45% 24%
55 88 66
26% 42% 32%
55 110 92
21% 43% 36%
55 128 132
17% 41% 42%
24
12%
35
17%
43
17%
60
19%
10 10 179
6% 6% 100%
15 16 209
7% 8% 100%
23 26 257
9% 10% 100%
34 38 315
11% 12% 100%
12 Onder vergelijkbare gemeenten wordt bedoeld: gemeenten met maximaal 50.000 inwoners. 13 Tot een inkomen van 130 procent Wsm kunnen landelijk gemiddelden worden weergegeven. Aangezien
veel gemeenten het minimabeleid tot 130 procent Wsm vaststellen, is er weinig informatie beschikbaar over het landelijk aandeel minimahuishoudens tot 140 en 150 procent Wsm.
16
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Tabel 1.2.2 Huishoudtype minima, inkomen tot 100% tot en met 130% Wsm Categorie Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Meerpersoons zonder kinderen Meerpersoons met kinderen Totaal
100% Wsm
110% Wsm
120% Wsm
130% Wsm
Aantal Aandeel
Aantal Aandeel
Aantal Aandeel
Aantal Aandeel
91 17
50% 10%
108 20
52% 10%
135 24
52% 9%
165 29
52% 9%
39
22%
45
21%
55
21%
67
21%
32
18%
36
17%
44
17%
54
17%
179
100%
209
100%
257
100%
315
100%
1.3. Kinderen Van alle 1.130 kinderen tot 18 jaar in de Baarle-Nassau groeien naar schatting 108 op in een huishouden met een inkomen tot 120 procent van het voor dat huishouden geldende Wettelijk sociaal minimum. In totaal vormen zij 9,4 procent van alle kinderen in de gemeente. Dit aandeel ligt net iets hoger dan het gemiddelde in vergelijkbare gemeenten: in andere gemeenten van vergelijkbare grootte vormen minimakinderen gemiddeld zo’n 8 procent van alle kinderen. Circa 79 kinderen (7,1 procent van alle kinderen) groeien op in een huishouden met een inkomen tot 100 procent Wsm. Tabel 1.3.1 Aantal kinderen naar inkomen, cumulatief (schatting)
Tot 100% Wsm Tot 110% Wsm Tot 120% Wsm Tot 130% Wsm Tot 140% Wsm Tot 150% Wsm
Baarle-Nassau Aantal Aandeel 79 7,1% 90 8,1% 108 9,4% 132 11,4% 152 13,2% 174 15,1%
Overige inkomens Alle kinderen
956 1.130
Kinderen
Landelijk aandeel 6 à 7% 7 à 8% 8 à 9% 9 à 10% -14 -
84,9% 100%
14 Tot een inkomen van 130 procent Wsm kunnen landelijk gemiddelden worden weergegeven. Aangezien
veel gemeenten het minimabeleid tot 130 procent Wsm vaststellen, is er weinig informatie beschikbaar over het landelijk aandeel minimakinderen tot 140 en 150 procent Wsm.
17
Baarle-Nassau
Versie 1.2
2. Huidig beleid gemeente Baarle-Nassau In dit hoofdstuk staat het huidige beleid (visie, uitgangspunten en oplossingsrichtingen) rondom het minimabeleid van de gemeente Baarle-Nassau beschreven. Dit doen we aan de hand van het meest recente armoedebeleid van de gemeente Baarle-Nassau. Dit is de Beleidsvisie voor het Sociaal Domein 2020 ‘Baarle Bruist: met elkaar, voor elkaar’.
2.1. Context specifieke kenmerken Het beleidsplan van gemeente Baarle-Nassau is geschreven op basis van de evaluatie van het vorige beleidsplan. De gemeente ziet voor het beleid van 2020-2024 een aantal uitdagingen in het uitvoeren van het minimabeleid in Baarle-Nassau. Zo wordt geconstateerd dat er een toenemende vraag van inwoners is naar hulp en ondersteuning. Deze hulpvragen worden ook steeds complexer. Dit is onder andere het gevolg van veranderingen in de zorg en demografische ontwikkelingen zoals vergrijzing. Dit leidt er vervolgens toe dat steeds meer inwoners met een zorgvraag zelfstandig thuis (blijven) wonen. Daarbij is tijdens de vorige beleidsperiode door de gemeente vastgesteld dat het belangrijk is om te realiseren dat ‘eigen kracht’ niet voor iedereen haalbaar is en dat blijvende ondersteuning noodzakelijk blijft voor een grote groep kwetsbare inwoners. De gemeente heeft hierin eerder te veel verwacht van de inwoners zelf. Verder heeft gemeente Baarle-Nassau te maken met financiële krapte. De uitgaven op het sociaal domein stijgen door de toenemende vraag, maar er is geen stijging in de financiële middelen. Tot slot blijft het voor de gemeente lastig om de hulp zo te organiseren dat het aansluit bij de leefwereld van de inwoners. De gemeente merkt dat ze nog vaak te bureaucratisch, afstandelijk en versnipperd te werk gaat.
2.2. Visie en missie 2.2.1. Visie De visie van de gemeente Baarle-Nassau is gericht op de onderlinge betrokkenheid van de inwoners. Door deze te vergroten in de gemeente, kunnen inwoners voor elkaar veel betekenen. De inwoners kunnen rekenen op professionele hulp wanneer informele ondersteuning niet voldoende is. De hulp en ondersteuning wil de gemeente passend en tijdig bieden: zo licht als mogelijk, zo specialistisch als noodzakelijk. De visie van de gemeente is als volgt geformuleerd: ‘Baarle Bruist! Met elkaar, voor elkaar. Om te zorgen dat onze inwoners mee kunnen (blijven) doen versterken we de sociale basis, het gewone, alledaagse leven en zorgen we voor (professionele) hulp en ondersteuning als dat nodig is. Dat kunnen en willen we als gemeente niet alleen. Samen met onze inwoners en samenwerkingspartners werken we daaraan. We doen dat door maatwerk te bieden en actief netwerken te versterken. We gunnen iedereen daarbij zoveel mogelijk eigen verantwoordelijkheid en regie. We beschouwen ‘zekerheid, zeggenschap en zingeving’ als succesfactoren om dat te bevorderen.’
2.2.2. Missie De gemeente Baarle-Nassau heeft de volgende missie geformuleerd: ‘Onze inwoners kunnen mee (blijven) doen’. De participatie van inwoners is belangrijk voor de lichamelijke en psychische gezondheid. Het verwezenlijken van deze ambitie krijgt vorm op vijf leefgebieden: 1) prettig wonen in de buurt, 2) financieel kunnen rondkomen, 3) thuis veilig en kansrijk zijn, 4) een zinnige daginvulling en 5) fit en verkrachting zijn. Om de ambities van de gemeente Baarle-Nassau te realiseren zijn er vier kernbegrippen gedefinieerd.
18
Baarle-Nassau
• •
•
•
Versie 1.2
Maatwerk: de gemeente biedt maatwerk aan de inwoners in de vorm van passende hulp en ondersteuning. Dit biedt de kans om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de persoonlijke omstandigheden, talenten en drijfveren van de inwoners. Sterke netwerken: Inwoners hebben baat bij een sterk netwerk omdat zij dan een beroep op elkaar kunnen doen. Netwerken van professionals zorgen ervoor dat er samen de juiste hulp en ondersteuning aan inwoners geboden kan worden. In sterke netwerken wordt gebruik gemaakt van elkaars kennis, kunde en mogelijkheden. Als de netwerken onderling ook verbonden zijn, kunnen inwoners, professionals en organisaties en ondernemers samen nog meer voor elkaar kunnen betekenen. De gemeente wil meer samenwerken in sterke netwerken. De gemeente zoekt naar, en laat zich vinden door partners, waardoor doelen gezamenlijk kunnen worden bereikt 15. Succesfactoren: de gemeente zet in op de succesfactoren zekerheid, zeggenschap en zingeving. Door als gemeente meer in te zetten op deze factoren, krijgen inwoners ruimte voor eigenaarschap. Inwoners kunnen rekenen op professionele ondersteuning als dat nodig is (zekerheid). Door de ondersteuning in te zetten op wat inwoners als zinvol ervaren, wordt hun motivatie en inzet voor het initiatief groter (zingeving). Het ervaren van invloed, leidt tot een gevoel van eigenaarschap (zeggenschap).
Publieke waarden: bij een hulpvraag of nieuw initiatief maakt de gemeente een afweging op het gebied van betrokkenheid, rendement en legitimiteit (de waardendriehoek).
2.3. Uitgangspunten Gemeente Baarle-Nassau heeft de volgende uitgangspunten geformuleerd voor een Bruisend Baarle. Op deze manier wil de gemeente ‘meedoen’ mogelijk maken. De uitgangspunten zijn: • Betekenis: iedereen wil betekenis ervaren. De dingen die de gemeente doet zijn betekenisvol voor de inwoners en hierbij wordt aangesloten op de motivatie en drijfveren van de inwoners. • Regie: iedereen wil regie over eigen leven en initiatieven. De gemeente geeft zoveel mogelijk eigen verantwoordelijkheid en regie aan de inwoners. Hierbij krijgen inwoners ruimte en zeggenschap. Als dit niet mogelijk is (doordat de veiligheid in het geding is), neemt de gemeente de regie over. • Uniek: ieder mens, dorp op vereniging is uniek en mag dat zijn. De gemeente biedt maatwerk, biedt ruimte voor eigen oplossingen en initiatieven van inwoners en de gemeente werkt gebiedsgericht. • Inclusief: iedereen hoort erbij. De gemeente vergroot de mogelijkheden om mee te kunnen doen en de sociale en/of fysieke toegankelijkheid wordt zo optimaal ingericht. De gemeente betrekt inwoners met een beperking als ervaringsdeskundige. • Samen: samen kom je verder. De gemeente benut de kennis, kunde en mogelijkheden van inwoners, partners en ondernemers. En er wordt samengewerkt om tot de beste oplossingen te komen. • Toekomstgericht: voorbereid op de toekomst.
De gemeente streeft naar duurzame, lange termijn oplossingen en werkt preventief om problemen te voorkomen. Daarnaast wil de gemeente zekerheid bieden voor inwoners en partners.
2.4. Sturing en verantwoording Voor het meten van de effecten en het vaststellen of de doelstellingen zijn bereikt, worden Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s) gebruikt. Hiermee worden de ervaringen van inwoners in hoofdlijnen in beeld gebracht. Om de kostenstijging af te remmen, wil de gemeente de vraag dure zorg afremmen, meer maatschappelijk rendement realiseren en meer kostendeling en cofinanciering.
15 De gemeente beschrijft haar rol als ‘op basis van gedeelde verantwoordelijkheid en partnerschap’. De
gemeente zal niet altijd het voortouw nemen bij ontwikkelingen, ook al vinden zij deze belangrijk.
19
Baarle-Nassau
Versie 1.2
2.5. Doelstellingen en uitvoering De gemeente Baarle-Nassau heeft de doelstellingen en oplossingsrichtingen weergegeven voor de vijf leefgebieden. In deze paragraaf is hiervan een beknopt overzicht gegeven. Prettig wonen in de buurt De gemeente heeft als doel dat inwoners onderlinge betrokkenheid en verbondenheid ervaren, dat ze zich prettig voelen in de fysieke leefomgeving en tevreden zijn met hun woning. De oplossingsrichtingen gaan over: • Een buurt voor iedereen: het verbeteren van de samenhang in een buurt door gedeelde verantwoordelijkheid voor gemeente, inwoner en professionals. Hiervoor moeten er voldoende mogelijkheden zijn voor ontmoeting, gezamenlijke activiteiten of lichte ondersteuningsmogelijkheden. Verder wil de gemeente de fysieke toegankelijkheid verbeteren bij de inrichting van de straten; • Het bevorderen van vrijwillige inzet. Inwoners die zich vrijwillig inzetten voor anderen, moeten op ondersteuning kunnen rekenen. • Meer passende woonvormen. De gemeente streeft naar het creëren van meer passende huisvestigingsmogelijkheden (specifiek voor ouderen) en zoveel mogelijk differentiatie in buurten en straten. Financieel rondkomen De gemeente wil bereiken dat inwoners financiële zekerheid op basisbehoeften ervaren en dat inwoners met financiële problemen zich betrokken voelen bij de samenleving.
De oplossingsrichtingen hebben betrekking tot: • Het voorkomen van schulden. Dit wordt gepoogd door eerder te signaleren, meer voorlichting te geven en de drempel voor inwoners te verlagen door met het Dorpsteam samen te werken; • Effectieve schuldhulp. Hulp is hierin op maat en stress-sensitief; • Empowerment. Middels het participeren aan activiteiten en het ervaren van zeggenschap; • Slimme regelingen. De gemeente wil de regelingen eenvoudiger maken en beter op elkaar afstemmen. Ook kijkt de gemeente naar meer stimuleringsregelingen. Thuis veilig en kansrijk zijn Als doel heeft de gemeente dat inwoners ervaren dat ze thuis veilig zijn en dat inwoners steun en stimulans ervaren in hun thuissituatie. De geformuleerde oplossingsrichtingen zijn: • Aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling. De meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling wordt uitgebreid; • Sluitende keten zorg en veiligheid. De gemeente wil de samenwerking tussen het zorgen veiligheidsdomein versterken, zodat de veiligheid en de zorg gegarandeerd blijft en wordt afgestemd op elkaar; • Zorgen voor elkaar mogelijk maken. Het ondersteunen van mantelzorg kan bijvoorbeeld met respijtzorg, met vormen van psycho-educatie of met lotgenotencontact; • Woonzorg concepten.
De gemeente wil vernieuwende woonzorgconcepten mogelijk maken voor mensen met een zorgvraag die zelfstandig willen wonen; • Opvoed- en opgroeiondersteuning. De gemeente wil innovatieve en preventieve mogelijkheden vergroten om ouders en kinderen zo gewoon mogelijk te ondersteunen.
20
Baarle-Nassau
Versie 1.2
Zinnige daginvulling De gemeente wil bereiken dat inwoners ervaren dat ze ertoe doen, dat ze hun dag goed kunnen invullen en zich kunnen ontwikkelen. De volgende oplossingsrichtingen zijn beschreven: • Meer werk, minder zorg. We willen actief ‘sociale activering’ aanbieden, ter ondersteuning van het groeiproces; • Doorgaande lijn re-integratie. Inwoners die deelnemen aan sociale activering of reintegratie hebben nu te maken met veel verschillende regelingen die niet goed op elkaar aansluiten. De gemeente onderzoekt hoe ze binnen de landelijke wetgeving deze inwoners meer zekerheid en houvast kan bieden; • Re-integratie voor bijzondere doelgroepen. Inwoners die een minder grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben, biedt de gemeente maatwerk. In samenwerking met de regio wordt een aanpak voor specifieke doelgroepen ontwikkeld; • Laaggeletterdheid. De gemeente verlaagt de drempel om aan educatieve activiteiten deel te nemen door ze aan te bieden op logische plekken die voor inwoners laagdrempelig zijn; • Lokale educatieve agenda. De gemeente wil inzetten op het verminderen van onderwijsachterstanden, het voorkomen van schooluitval en op het stimuleren van burgerschap. Fit en veerkrachtig zijn Het doel van de gemeente is dat inwoners zich lichamelijk en mentaal gezond voelen. De oplossingsrichtingen betreffen: • Sport en cultuur óók als middel.