3.4 - Bijlage 2 - Toelichting ontwerp omgevingsplan (inclusief bijlagen)
Tekst van het document
Feitelijke afstand tot plangebied (m) 700,4 1.100 2.400 3.200
3.300
Tabel 5 Uitwerking bedrijven met endotoxine-uitstoot
4.5.2. Zoönosen en antibioticareductie Zoönosen zijn infectieziekten die van dier op mens kunnen worden overgedragen. In Nederland is het beleid rond zoönosen en antimicrobiële resistentie verankerd in het in het Nationaal Actieplan Versterken Zoönosenbeleid 2022-2026 en het Nationaal Actieplan Antimicrobiële Resistentie 2024-2030. Beide plannen volgen de One Health beandering, waarbij mens, dier en leefomgeving integraal worden beschouwd. Het beleid richt zich op het voorkomen van infectieoverdracht van dier op mens en het terugdringen van resistentie door antibioticareductie. Voor de veehouderij gelden strenge regels: antibiotica mogen uitsluitend door een dierenarts worden voorgeschreven en toegepast 29
en veehouders moeten werken met bedrijfsgezondheids- en behandelplannen om preventie te bevorderen. Sinds 2009 is het antibioticagebruik in de Nederlandse veehouderij met ruim 69% gedaald, mede door deze maatregelen. Bij ruimtelijke initiatieven moeten deze gezondheidsaspecten expliciet worden meegewogen, vooral in gebieden met intensieve veehouderij. In het onderhavige plan wordt de oude varkensstal gesloopt en vervangen door een loods voor statische opslag. Hierdoor verdwijnen mogelijke bronnen van zoönosen (zoals mest, dieren of voer) en neemt het risico op infectieoverdracht aanzienlijk af. Tevens draagt het initiatief indirect bij aan de doelstellingen van antibioticareductie, omdat er geen dierhouderij meer plaatsvindt en daarmee geen noodzaak tot antibioticagebruik bestaat. Conclusie; Het initiatief heeft geen negatieve invloed op de volksgezondheid en sluit aan bij nationale beleidsdoelen voor zoönosenpreventie en antibioticareductie. Door de functiewijziging naar statische opslag wordt het risico op infecties en resistentie niet alleen beperkt, maar feitelijk geëlimineerd, wat bijdraagt aan een gezonde en veilige leefomgeving. Vanuit het aspect gezondheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.6.
Geluid
In de fysieke leefomgeving hebben veel functies te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidsgevoelige gebouwen en functies. In het omgevingsplan is het aspect geluid opgenomen in paragraaf 22.3.4. Hierin zijn de regels opgenomen voor geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegestaan. In afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels van toepassing op beheersing van geluid van een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 van Bkl). Er wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een geluidsproductieplafond als omgevingswaarden en bronnen met een basisgeluidsemissie. Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het geluid van deze bronnen moet worden beoordeelt bij geluidsgevoelige gebouwen. Voor een aantal geluidsgevoelige gebouwen heeft het rijk specifieke regels gesteld. De regels voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidsgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden. Bij de aanwijzing is het functie bepalend, de instructieregels zijn onder andere geldend voor functies zoals wonen, onderwijs en zorg.
In het omgevingsplan dient rekening gehouden te worden met het geluid door wegen, spoorwegen, luchtvaart en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied (of geluidzone). Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een vliegveld of industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Voor het bepalen van de omvang van het geluidaandachtsgebied gelden de regels uit bijlage IV van de omgevingsregeling. Binnen deze aandachtsgebieden moet bij realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen getoetst worden aan de geluidwaarden die voor dat aandachtsgebied gelden. Bij een lokale (Spoor)weg, zoals de Hoogstratensebaan in deze situatie, is het geluidaandachtsgebied tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip begrensd door vaste afstanden (artikel 17.5 Omgevingsregeling). Hierbij geldt dat voor gemeentewegen en waterschapwegen de etmaalintensiteit minimaal 1.000 mvt (motorvoertuigen) per etmaal moet zijn om te spreken van een geluidaandachtsgebied.
30
In voorliggende situatie is de Hoogstratensebaan de meest nabijgelegen (lokale) weg. Uit de samenvatting van de verkeersstelling blijkt dat de verkeersintensiteit van de Hoogstratensebaan rond de (1659 mvt/etmaal werkdag x 5 + 1489 mvt/etmaal weekenddag x 2 / 7) = 1610 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Deze verkeersintensiteit ligt boven de 1.000 mvt per etmaal, waarmee deze weg conform de omgevingswet een geluidaandachtsgebied heeft. De planlocatie ligt niet binnen het geluidaandachtsgebied van andere (spoor)wegen. Daarnaast worden er op het plangebied geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen opgericht waardoor akoestisch onderzoek naar verkeerslawaai niet noodzakelijk geacht wordt. Zie onderstaande figuur voor de geluidbelasting van verkeer in het plangebied.
Afbeelding 10 Geluidbelasting plangebied Atlas Leefomgeving
Bovendien geldt voor deze planlocatie, dat uit de regels op de kaart van het Omgevingsloket blijkt dat de planlocatie niet binnen de geluidzone van een vliegbasis (luchtvaartlawaai) of een industrieterrein (industrielawaai) ligt. Akoestisch onderzoek naar luchtvaart- of industrielawaai is dan ook niet noodzakelijk. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.7.
Externe veiligheid
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. De regels voor externe veiligheid zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 zijn van toepassing op het toelaten van beperkt kwetsbare, kwatsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit als bedoeld in die paragrafen die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
31
De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen en (ondergrondse) buisleidingen.
Afbeelding 11 Uitsnede plangebied Veilige omgeving
Inrichtingen Op een afstand van circa 682 meter van het plangebied is een propaangastank gelegen. Het plangebied ligt buiten het risicogebied voor explosies. Op basis van de externe veiligheid op het gebied van inrichtingen zijn er geen belemmeringen voor het initiatief Transportroutes In de directe omgeving van het plangebied zijn geen transportroutes gelegen waarvan de invloedsfeer reikt tot het plangebied. Op basis van aanwezige transportroutes zijn er geen belemmeringen voor het initiatief. Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. Op basis van buisleidingen zijn er geen belemmeringen voor het initiatief. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.7.1. Ontplofbare oorlogsresten Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn op diverse locaties in Nederland explosieven terechtgekomen die niet tot ontploffing zijn gekomen. Deze ontplofbare oorlogsresten(OO), zoals vliegtuigbommen, granaten en munitie, kunnen nog steeds in de bodem aanwezig zijn en vormen een risico bij grondroerende werkzaamheden zoals sloop, nieuwbouw en graafwerkzaamheden. Volgens artikel 4.10 van het Arbeidsomstandighedenbesluit dient een werkgever maatregelen te treffen om gevaren door ontplofbare oorlogsresten te voorkomen.
Dit gebeurt doorgaans door het uitvoeren van een historisch vooronderzoek conform de CSVROO-richtlijnen. Een dergelijk onderzoek is echter alleen noodzakelijk wanneer sprake is van een reële kans op aanwezigheid van explosieven in ongerichte bodem.
32
Feitelijk wordt de nieuwe loods gerealiseerd binnen het bestaande bouwvlak, exact op de locatie van de huidige stal. Daarnaast is voor de fundering van de stal in het verleden reeds volledige ontgraving uitgevoerd tot het benodigde diepteprofiel. Bij eerdere werkzaamheden zijn geen aanwijzingen van explosieven aangetroffen. Omdat de bodem op de betreffende locatie aantoonbaar is verstoord en er geen diepere ontgravingen buiten het bestaande bouwvlak plaatsvinden, is de kans op aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten verwaarloosbaar. Daarmee is het uitvoeren van een historisch vooronderzoek of detectieonderzoek niet noodzakelijk.
4.8.
Cultuurhistorie en archeologie
4.8.1. Cultuurhistorie Gemeenten moeten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In artikel 5.130 lid 2 van het Bkl zijn hiervoor instructieregels opgenomen. Deze regels gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten • Verplaatsen van beschermde monumenten • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument • Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. De provincie Noord-Brabant heeft voor haar grondgebied de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgesteld. Volgens de CHW is het plangebied gelegen in cultuurhistorische regio de Baronie. In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig die als gevolg van het initiatief beschadigd worden. Het plangebied grenst aan het Landgoed De Hollandse Bossen. Landgoed De Hollandse Bossen kenmerkt zich door bos, weilanden, akkers en lanen en is gelgen op de overgang van zandgronden naar beekdalen. Het gebied vormt een ecologische verbinding tussen natuurgebieden in Brabant en Vlaanderen, herbergt cultuurhistorische waarden en biedt ruimte voor biodiversiteit en recreatie in een kleinschalig landschap.
Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden van Landgoed De Hollandse Bossen niet aan. De loods wordt gerealiseerd binnen bestaand erf, zonder ingrepen in historische lanen, zichtlijnen of landschappelijke structuren. Het karakteristieke kleinschalige landschap en ecologische verbindingen blijven volledig behouden.
33
Afbeelding 12 Uitsnede plangebied cultuurhistorische waardevol gebeid en cultuurhistorische landschappen
Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.8.2. Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Omgevingswet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Bij het opstellen van het Omgevingsplan houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen in een omgevingsplan ook: - Regels worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden; en - Gevallen worden aangewezen waarin kan worden afgezien van onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of het opleggen van plichten met die strekking. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen.
De gemeente Baarle-Nassau heeft voor haar grondgebied de ‘Archeologische beleidsadvieskaart “Grenzen en gradiënten” vastgesteld. Volgens de kaart is er ter plaatse van het plangebied sprake van een lage archeologische verwachtingswaarde. Op het plangebied geldt er ‘Waarde – categorie 5’.
34
Afbeelding 13 Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau
Afbeelding 14 Uitsnede legenda archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau
Voor gronden met ‘Waarde – categorie 5’ kan sprake zijn van twee situaties: 1. Het reeds uitgevoerde onderzoek is nog niet afgerond. Dat wil zeggen dat op basis van het vooronderzoek nog vervolgonderzoek noodzakelijk is. Ten behoeve van het parapluplan zijn de vrijstellingsgrenzen van deze gebieden onder behoud van de (tussentijdse) resultaten aangepast en verwerkt in een nieuwe of bestaande WR-a. De zones zoals opgenomen op de beleidskaart zijn daarom als zodanig te herkennen op de verbeelding. Er kan sprake zijn van de volgende situaties: • Indien alleen een bureauonderzoek of een bureauonderzoek aangevuld met een booronderzoek is uitgevoerd waaruit blijkt dat vervolgonderzoek 35
noodzakelijk is, maar niet is uitgevoerd dan is er sprake van een hoge verwachting. Er wordt dan aangesloten bij deze categorie van de beleidskaart. • Indien uit een proefsleuvenonderzoek blijkt dat er een vindplaats aanwezig is maar deze blijkt niet verder onderzocht te zijn, dan is hiervoor een oppervlakte- en dieptegrens opgenomen van 0 m2 en 0 cm minus maaiveld. Daar waar geen vindplaats aanwezig bleek te zijn, is het onderzochte gebied uiteraard vrijgegeven. 2. Er is onderzoek uitgevoerd dat nooit aan de gemeente is voorgelegd ter beoordeling en besluitvorming. Er ontbreekt van deze gebieden een besluit over het plangebied. Deze gebieden zijn op een separate kaart opgenomen die als bijlage in het parapluplan is opgenomen zodat wel duidelijk is om welke gebieden het gaat. Zo maakt de gemeente inzichtelijk van welke gebieden wel een archeologische rapportage bestaat. Deze rapportages zijn op te vragen bij de RCE. De zones zoals opgenomen op de beleidskaart zijn daarom niet als zodanig te herkennen op de verbeelding. Middels het initiatief wordt de varkensstal op het plangebied gesloopt en wordt er op deze plek een loods voor statische opslag opgericht. De bodem is op deze plek al eerder geroerd, omdat de varkensstal op de plek van de nieuwe loods gesitueerd is. De trefkans van archeologische waardevolle elementen is daardoor zeer klein.
Archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Vanuit het aspect archeologie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.9.
Flora en Fauna
4.9.1. Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000- gebieden. Op grond van artikel 2.43 van de Omgevingswet zijn de instandhoudingsdoelstelling vastgelegd. Gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen (artikel 2.7, tweede lid Wnb). De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Ten noordoosten van de initiatieflocatie is het Natura2000-gebied gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura2000-gebiede bedraagt ruim 10,3 kilometer.
36
Afbeelding 15 Uitsnede plangebied kaartlaag Natuur
Beoordeeld moet worden of het planvoornemen significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden. Gezien de afstand tot het Natura2000-gebied is het niet te verwachten dat de ontwikkeling leidt tot effecten als verstoring, oppervlakteverlies en/of verstoring of verandering van de soortensamenstelling. Een ander belangrijk aspect dat getoetst moet worden is de depositie van stikstof als gevolg van het initiatief. Met het initiatief wordt de varkensstal op het plangebied gesloopt en wordt er een nieuwe loods teruggebouwd op deze plek. Om de effecten van de ontwikkeling op de stikstofdepositie op relevante Natura2000-gebieden in beeld te brengen, is er een AERIUS-berekeningen gemaakt. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat het initiatief niet leidt tot een significante bijdrage aan de depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden binnen 25 kilometer van het plangebied. het gebruik van het plangebied leidt daarmee niet toe een verslechtering van relevante Natura 2000-gebieden op het gebied van stikstof. Vanuit het aspect gebiedsbescherming zijn er gezien de grote afstand van 10,3 kilometer ten opzichte van het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling te verwachten. 4.9.2. Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Omgevingswet.
Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. In afdeling 11.2 van het Bal zijn regels opgenomen voor activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name de regels de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.4 van belang. •
•
37
Paragraaf 11.2.2 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Paragraaf 11.2.3 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn. Dit zijn soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn.
•
Paragraaf 11.2.4 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten. Dit zijn alle in Nederland in het wild levende soorten waaronder zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zoals genoemd in het Bal, bijlage IX.
Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een planvoornemen waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Met het initiatief wordt de varkenshouderij op het bedrijf beëindigd en wordt de varkensstal gesloopt. Op de plek van de varkensstal wordt in de beoogde situatie een loods gerealiseerd voor statische opslag. Het initiatief zou een negatief effect kunnen hebben op beschermde planten- en/of diersoorten. Om inzichtelijk te maken of er beschermde soorten worden belemmerd als gevolg van het initiatief, is er een QuickScan flora & fauna uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn er geen effecten van de voorgenomen werkzaamheden te verwachten die negatieve invloed hebben op mogelijk aanwezig beschermde soorten en hun functioneel leefgebied. Het plangebied betreft een voormalig varkensbedrijf met gesloten bio-security, waarbij ammoniakemissies worden voorkomen door luchtinlaten en luchtwassers. De bebouwing en omliggende terreinen vertonen geen sporen, indicaties of biotopen die geschikt zijn voor beschermde soorten. Verstoring van flora of fauna door de voorgenomen werkzaamheden is daarmee uitgesloten.
Voor het volledige onderzoeksrapport, zie bijlage 4. Vanuit het aspect gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.10.
Landschappelijke inpassing
Zoals aangegeven in paragraaf 3.4 betreft de beoogde ontwikkeling een categorie 3 ontwikkeling. De landschappelijke inpassing van het beoogde initiatief is afgestemd op de kwaliteiten en kenmerken van het landschap in de omgeving van het plangebied. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt voldaan aan de eisen voor kwaliteitsverbetering vanuit de provincie en gemeente. In afbeelding 16 is het beplantingsplan weergegeven en in tabel 6 wordt de berekening van de fysieke tegenprestatie voor kwaliteitsverbetering weergegeven. Voor het volledige landschappelijke inpassingsplan wordt verwezen naar bijlage 2.
38
Afbeelding 16 Landschappelijk inpassingsplan
Berekening fysieke tegenprestatie kwaliteitsverbetering Aantal m2
Normbedrag per m2
Huidige situatie Agrarisch bouwvlak
7000 €
25,00
Beoogde situatie Bedrijf bebouwd Bedrijf onbebouwd Agrarisch onbebouwd
1137 € 2863 € 3000 €
95,00 45,00 7,00
Waarde € 175.000,00
€ 108.015,00 € 128.835,00 € 21.000,00 € Waardevermeerdering gronden € 82.850,00 20% Waardevermeerdering € 16.570,00
Investering kwaliteitsverbetering Sloop varkensstal Verwijderen verharding Landschappelijke inpassing
Aantal m2 Normbedrag per m2 Investering 1000 € 25,00 € 25.000,00 483 € 5,00 € 2.415,00 € 5.447,90 Totale investering kwaliteitsverbetering € 32.862,90
Tabel 6 Berekening fysieke tegenprestatie kwaliteitsverbetering
39
4.11.
Waterparagraaf
4.11.1.
Relevant waterbeleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. Per 18 maart 2022 is het Nationaal Waterprogramma 20222027 vastgesteld. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de Stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. De wateropgaven waar Nederland voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor de 3 hoofdambities van het NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta; • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta; • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027 vastgesteld. Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan.
Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: • wonen en werken; • infrastructuur en mobiliteit; • landbouw en voedsel; • natuur en biodiversiteit; • erfgoed; • een concurrerende en duurzame economie; • de energietransitie. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het water- en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. 4.11.2.
Waterschap Brabantse Delta
Op 1 december 2021 heeft Waterschap Brabantse Delta haar Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerprogramma (Wbp) bepaalt het waterschap haar doelstellingen en strategie. Hiermee zetten ze in op een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor Midden- en West-Brabant voor de middellange (2027/2030) en lange termijn (2050). Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken van het waterschap en draagt zo bij aan een integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Bij het realiseren van ambities streeft het waterschap naar samenhang tussen wateropgaven en andere opgaven in de omgeving en samenleving. Om dit te bereiken zijn zes generieke beleidskeuzes gemaakt. De strategieën voor waterveiligheid, gezond
40
water, voldoende water, vaarwegen en waterketen worden aan de hand van de volgende zes beleidskeuzes uitgewerkt. 1. Water als drager voor een vitale regio. In het kader van klimaatbestendigheid en veerkracht moet aangesloten worden bij het natuurlijk watersysteem. Water is een belangrijke medebepalende factor bij ruimtelijke ontwikkelingen. Duurzame ontwikkeling vereist slim aansluiten op de draagkracht van het bodem-water-systeem. Het waterschap stimuleert een geleidelijke overgang van ‘peil volgt functie’ naar ‘functie volgt peil’. De bedoeling is om te komen tot een ruimtelijke inrichting waarbij gebruiksfuncties, gebiedskenmerken en waterhuishouding zo goed mogelijk bij elkaar passen. 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem In het beleid en bij de uitvoering staat het evenwicht in het water- en bodemsysteem centraal. Hierbij streeft het waterschap er naar om de sponswerking van de bodem te vergroten. Een goede sponswerking van de bodem is essentieel voor een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem. Verhoging van het organische stofgehalte van de bodem zorgt ervoor dat water langer wordt vastgehouden en kan infiltreren. In Nederland valt voldoende regenwater om het grondwater aan te vullen. Het huidige watersysteem is in veel gevallen gericht op het afvoeren van overtollig water.
Hierin zal een omslag gemaakt moeten worden om water beter vast te houden en te laten infiltreren naar het grondwater zodat er ook in droge perioden voldoende grond- en oppervlaktewater beschikbaar is. 3. We werken samen Samenwerking is een kernwaarde voor het waterschap. Individueel kunnen de wateropgaven niet gerealiseerd worden. Brabantse Delta zet daarom in op diverse samenwerkingsvormen om de eigen opgaven en ambities te verbinden met die van partners. Dit vindt op kleine schaal plaats bij initiatieven van burgers en ondernemers maar ook op grotere schaal met diverse binnenlandse en ook internationale stakeholders binnen het watersysteem. 4. We werken duurzaam Waterschap Brabantse Delta verduurzaamt actief. Het waterschap draagt bij aan een vitale regio die klimaatbestendig, klimaatneutraal en circulair is. Zo zet het waterschap zich actief in bij regionale energiestrategieën, het zoeken naar mogelijkheden voor hergebruik van grondstoffen en naar reductie van uitstoot van broeikasgassen. Bij de beoordeling van initiatieven van duurzame energie op of in het watersysteem, zoals waterkrachtcentrales of drijvende zonnepanelen, zijn de KRW-doelen en andere resultaatverplichtingen leidend. Ook zet het waterschap actief in op het versterken van de biodiversiteit en een gezonde leefomgeving. 5.
We werken veerkrachtig en vernieuwend De vele ontwikkelingen in de samenleving en de leefomgeving vragen om een anticiperende, omgevingsgerichte en veerkrachtige houding van het waterschap, dat bijdraagt vanuit kennis en expertise. Dit gebeurt door in te zetten op digitalisering en door slim gebruik te maken van diverse datastromen. Daarnaast wordt ook ingezet op innovatie zodat het waterschap haar kerntaken beter kan uitvoeren. In onderstaande afbeelding is een overzicht gegeven van strategische innovatiegebieden en voorbeelden van innovaties.
41
Figuur 1 Uitsnede tabel innovaties WS Brabantse Delta
6. Wij prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden Het is niet mogelijk om alle doelen en opgaven tegelijk aan te pakken. Daarom moeten in de komende periode prioriteiten worden gesteld door het waterschap. Als er geprioriteerd moet worden hanteert het waterschap de volgorde resultaatverplichtingen, inspanningsverplichtingen en aanvullende wensen. In een aantal gebieden is er veel samenhang tussen wateropgaven en andere opgaven zoals landbouw, natuur en verstedelijking. In deze gebieden werkt het waterschap samen met haar partners in een gebiedsgerichte aanpak. 4.11.3.
Waterschapverordening en Legger
De Waterschapverordening is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en dijken (waterkeringen) die in beheer zijn bij het waterschap. De verordening is ook van toepassing op sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen, zoals burgers, agrariërs en tuinders. De voorschriften in de Waterschapverordening geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Bijvoorbeeld voor het lozen van water in sloten en beken (oppervlaktewater), grondwater onttrekken, een sloot dempen en/of een duiker of brug plaatsen. Vanuit de Waterschapverordening wordt regelmatig verbinding gelegd met de ‘legger’. Een legger is een door het waterschap vastgesteld register en geeft een overzicht van: • •
•
Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv. stuwen, bruggen, etcetra) Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent. Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen die, volgens de keur, van toepassing zijn. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken.
In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele A en B watergangen gelegen die in de legger zijn opgenomen. In onderstaand figuur zijn in paars de B watergangen en in blauw de A watergang weergegeven.
42
Afbeelding 17 Watergangen plangebied
4.11.4.
Toekomstige waterhuishoudkundige situatie
Riolering is noodzakelijk vanuit het oogpunt van volksgezondheid en milieubescherming, alsook het voorkomen van wateroverlast. De aanleg, het beheer en onderhoud van riolering is op grond van de Wet milieubeheer een gemeentelijke taak. Voor de gemeente Baarle-Nassau en Baarle-Hartog is sprake van een unieke situatie. Voor beide gemeenten gelden er andere landelijke en provinciale regels. De rioleringszorg heeft drie hoofddoelen: -
Het duurzaam beschermen van de volksgezondheid; Het bevorderen van de kwaliteit van de leefomgeving; Het duurzaam beschermen van natuur en milieu (bodem, grond- en oppervlaktewater).
Het initiatief heeft betrekking op de herontwikkeling van de planlocatie. Hierbij is er een afname van het verhard oppervlak binnen het plangebied. Dit betekent dat er sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Voor de bebouwing en verharding kan de bestaande wijze van opvangen en infiltreren in stand blijven. Zo kan voldoende water geborgen worden op de omliggende in eigendom zijnde gronden en tevens in de bodem (infiltreren). De woning blijft onveranderd aangesloten op het riool. Hiermee vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan. 4.11.5.
Hemelwaterinfiltratie
Voor particulier terrein geldt dat de eigenaar primair verantwoordelijk is voor de afvoer van hemelwater. De gemeentelijke hemelwaterzorgplicht is pas van toepassing wanneer van de perceeleigenaar redelijkerwijs niet kan worden gevraagd het hemelwater af te voeren. De zorgplicht houdt in dat geval in dat de gemeente samen met de perceeleigenaar een oplossing zoekt voor het afvoeren van hemelwater. Het oppervlaktewater is primair bedoeld voor de berging en de afvoer van overtollig hemelwater. Deze functies moeten met goed beheer en onderhoud van het oppervlaktewater worden geborgd. Veranderende omstandigheden zoals klimaatverandering vragen om een integrale benadering van het stedelijk watersysteem. Om overlast te voorkomen, moet het ontvangende oppervlaktewater voldoende afvoer en berging hebben om de neerslag op te vangen en langdurig te bergen. 43
In de situatie van extreme neerslag kunnen de werknormen worden overschreden. De berging en afvoermogelijkheden van de riolering en het oppervlaktewater zijn maximaal benut. Echte overlast ontstaat bij een te grote wateroverlast van bebouwing en hieruit voorvloeiende schade. Door de openbare ruimte dusdanig in te richten dat er rekening wordt gehouden met locatie-specifieke omstandigheden, kan wateroverlast worden beperkt. Bijvoorbeeld door de openbare ruimte zo in te richten dat overtollig water op het maaiveld kan worden geborgen op een locatie waar dit geen overlast geeft (pleinen/wadi’s/etc.).
4.12.
Spuitzone
Bij de teelt van gewassen op landbouwgrond is de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen niet ongebruikelijk. Met name bij het telen van fruit en in boomgaarden is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen vaak noodzakelijk. Om de middelen op gewassen te brengen wordt gebruik gemaakt van mobiele spuitinrichtingen die via de lucht de middelen op de gewassen brengen. Met het in de lucht brengen van middelen worden deze bloot gesteld aan de wind en daarmee ontstaat het risico dat middelen meer bereiken dan het gewas alleen. Dit proces wordt ‘drift’ genoemd. Gewasbeschermingsmiddelen vormen een potentieel risico voor de gezondheid van omwonenden, om die reden is het bij ruimtelijke ontwikkelingen inmiddels gebruikelijk om spuitzones en middelengebruik mee te nemen in de verantwoording bij planologische besluitvorming zodat het eventuele risico beoordeeld wordt voor gevoelige locaties. Om handvatten te geven aan de wijze waarop initiatiefnemers en gebruikers rekening dienen te houden met het gebruik en de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) een indicatieve afstand van 50 meter als vuistregel in de ruimtelijke ordening geïntroduceerd.
In september 2014 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan waarin is overwogen dat de voorgestelde afstand van 50 meter indicatief dient te worden gebruikt en de feitelijke situatie op locatie van groter belang is bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij dienen eventuele te treffen voorzorgsmaatregelen meegenomen te worden in de afweging. In een klein land als Nederland kunnen veel agrarische bedrijven (met name in de fruitteelt) niet uit de voeten met de voorgestelde afstand van 50 meter en is maatwerk noodzakelijk om een goed woon- en leefklimaat te garanderen en de bedrijfsvoering van de bedrijven niet te negatief te beïnvloeden. Rondom het plangebied zijn percelen landbouwgrond gelegen. De betreffende percelen worden in de huidige situatie voornamelijk ingezet als akkerbouwgrond en grasland. In de feitelijke situatie is er geen sprake van fruitteelt of een vergelijkbare activiteit waarbij dermate intensief gebruik gemaakt wordt van gewasbeschermingsmiddelen dat moet worden voldaan aan de regels in het activiteitenbesluit. Daarnaast worden er op het plangebied geen nieuwe gevoelige gebouwen gerealiseerd, waardoor het aspect spuitzone geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.13.
Mobiliteit en parkeren
Het plangebied is gelegen aan de Hoogstratensebaan. Dit is een lokale weg in het buitengebied waar een maximumsnelheid van 80 km/uur geldt. Uit de samenvatting van de verkeerstelling blijkt dat de verkeersintensiteit van de Hoogstratensebaan rond de 1610 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Met het initiatief wordt de varkenshouderij ter plaatse beëindigd wat resulteert in een afname van het aantal vrachtverkeerbewegingen. De nieuw te bouwen loods zal zorgen voor een lichte toename van het aantal verkeersbewegingen op het plangebied. Op basis 44
van de CROW-publicatie 381 wordt uitgegaan van de volgende verkeersgeneratie per activiteit. Verkeersgeneratie Functie
Type gebied
Verkeersnorm
Aantal
Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief Bedrijfswoning (koop, vrijstaand)
Buitengebied
5,7 per 100 m2 bvo
500 m2
Aantal verkeersbewegingen 28,5
Buitengebied
8,6 per woning
1
8,6
Tabel 7 Verkeersgeneratie op basis van CROW
In totaal leidt het initiatief in een worst-case scenario tot circa 37 verkeersbewegingen per etmaal. Echter gaat het om statische opslag, waarbij niet te verwachten is dat het aantal extra verkeersbewegingen ten behoeve van de opslag dagelijks plaats zullen vinden. Ook vinden de verkeersbewegingen ten behoeve van de bedrijfswoning op dit moment al dagelijks plaats. Het is dan ook niet te verwachten dat het verkeer op de Hoogstratensebaan en de directe omgeving hinder zullen ondervinden van het initiatief. Voor het initiatief is het van belang dat er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd op het eigen terrein. Hiervoor zijn de parkeernormen uit de Nota parkeernormen 2011 aangehouden, in onderstaande tabel zijn deze normen opgenomen. Parkeernomen Parkeernorm
Aantal
Aantal parkeerplaatsen
Type gebied
Functie Bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief Bedrijfswoning (koop, vrijstaand)
Buitengebied
0,8 per 100m2 bvo
500m2
4
Buitengebied
2 per woning
1
2
Tabel 8 Parkeernormen op basis van CROW
Op basis van de parkeernormen zullen er op het plangebied 6 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Er mag gesaldeerd worden met de intensieve veehouderij/kwekerij, met een norm van 0,5 parkeerplaats per 100 m2 en de bestaande woning. Gelijk aan een parkeereis van 7 parkeerplaatsen. Er hoeft daarmee niet te worden voorzien in extra parkeerplaatsen. In de beoogde situatie is er voldoende erfverharding aanwezig om in de parkeerbehoefte te voorzien. Mobiliteit en parkeren vormen geen belemmeringen voor het initiatief.
4.14.
Trillingen
Bij de sloop van de oude varkensstal en de realisatie van de nieuwe loods voor statische opslag is het risico op trillinghinder en schade aan omliggende bebouwing zeer beperkt. De werkzaamheden bestaan hoofdzakelijk uit het verwijderen van bovengrondse constructies en het realiseren van een lichte fundering voor een loods zonder zware installaties of dynamische belasting. Hierdoor zijn geen ingrijpende technieken zoals 45
intrillen of heien noodzakelijk. De gekozen werkmethodiek richt zich op mechanische sloop met klein materieel, waarbij de trillingsemissie minimaal is en ruim onder de grenswaarden van de SBR-richtlijnen blijft. De wettelijke basis voor trillingen is vastgelegd in de Omgevingswet, met name in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze besluiten verplichten dat bouwwerkzaamheden geen gevaar of onaanvaardbare hinder veroorzaken en dat de beste beschikbare technieken worden toegepast. Voor de beoordeling van trillingen wordt aangesloten bij de SBR-meet- en beoordelingsrichtlijnen (SBR-A voor schade aan gebouwen, SBR-B voor hinder voor personen en SBR-C voor storingen aan apparatuur). Deze richtlijnen geven streef-, standaard- en grenswaarden voor trillingssterkte en vormen het gangbare toetsingskader. Daarnaast is de nieuwe functie niet trillinggevoelig en zijn er in de directe omgeving geen gebouwen met een hoge gevoeligheid voor trillingen, zoals monumenten of zorginstellingen. Door deze omstandigheden is het uitvoeren van een uitgebreid trillingsonderzoek niet noodzakelijk. Eventuele hinder voor personen in gebouwen is uitgesloten, omdat er geen nabijgelegen verblijfsfuncties zijn die onder de normstelling van SBR-B vallen.
Ook het risico op schade aan omliggende bebouwing conform SBR-A is verwaarloosbaar, gezien de afstand tot andere constructies. Omdat de werkzaamheden kleinschalig en kortdurend zijn, is het treffen van aanvullende mitigerende maatregelen niet nodig. er wordt gewerkt met standaard slooptechnieken die voldoen aan de zorgplicht en de beste beschikbare technieken. Monitoring of aanvullende trillingsmetingen zijn niet vereist, maar kunnen desgewenst worden ingezet als verificatie. Door deze aanpak wordt voldaan aan de wettelijke verplichtingen en is het risico op trillingshinder nagenoeg nihil.
4.15.
Lichthinder
Bij de sloop van de oude varkensstal en de realisatie van een nieuwe loods voor statische opslag is het risico op lichthinder verwaarloosbaar. De nieuwe loods heeft geen functie die continue buitenverlichting vereist en zal uitsluitend voorzien worden van functionele verlichting tijdens incidentele werkzaamheden. Hierdoor is structurele lichtuitstraling naar de omgeving uitgesloten. De wettelijke basis voor lichthinder is opgenomen in de Omgevingswet, waarbij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geen rijksinstructieregels bevat voor lichthinder, behalve voor kassen in de glastuinbouw. Voor overige situaties geldt een zorgplicht vanuit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): activiteiten mogen geen onaanvaardbare hinder veroorzaken. Gemeenten kunnen aanvullende regels stellen in het omgevingsplan. In de praktijk wordt lichthinder beoordeeld aan de hand van NSVV Richtlijn Lichthinder, die normen geeft voor lichtsterkte, richting en branduren. Gezien de aard van het initiatief is het treffen van aanvullende maatregelen niet noodzakelijk. eventuele verlichting wordt beperkt tot functionele armaturen, gericht en afgeschermd, en uitsluitend gebruikt tijdens werkzaamheden. Hierdoor wordt voldaan aan de zorgplicht en is het risico op lichthinder voor omwonenden en natuur nihil.
46
5. Economische uitvoerbaarheid 5.1.
Financieel economische haalbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven. Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een TAM-IMRO procedure voor rekening komen van de initiatiefnemer.
5.2.
Kostenverhaal en nadeelcompensatie
Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Voor iedere TAM-IMRO procedure activiteit wordt een anterieure overeenkomst gesloten op basis van titel. 4.5 Awb.
47
6. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De uitgangspunten voor het beleid, zijn terug te vinden in het vigerende Omgevingsplan. Over het beleid is reeds consensus bereikt. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Baarle-Nassau heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de voorgenomen ontwikkelingen. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is.
6.1.
Participatie
Participatie is het betrekken van de samenleving bij de aanvraag. Het doel is het inwinnen van opvattingen en het verkrijgen van inzicht in relevante feiten en omstandigheden en in andere belangen over een voorgenomen project. Door dit vroegtijdig te doen, kan dit de kwaliteit van het project zelf en het besluitvormingsproces erover verbeteren. In artikel 7.4 van de Omgevingsregeling staat een plicht voor de aanvrager van een omgevingsvergunning • •
of de aanvrager aan participatie heeft gedaan zo ja: hoe de aanvrager aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn
De gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is. Voor het initiatief aan de Hoogstratensebaan 44 te Baarle-Nassau is door de initiatiefnemers aan participatie gedaan door middel van een schriftelijke omgevingsdialoog. Initiatiefnemers zijn met een brief rondgegaan bij omwonenden en hebben van 6 omwonenden reactie ontvangen. Geen enkele van de omwonenden heeft bezwaar tegen de plannen. De brief en reacties zijn opgenomen in bijlage 1.
6.2.
Bestuurlijk vooroverleg
In deze paragraaf beschreven hoe hogere overheden en andere stakeholders zijn meegenomen bij de plannen. Provincie… Waterschap…
6.3. 6.4.
48
Bindend adviesrecht gemeenteraad Vastellingsprocedure
7.
Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
In dit hoofdstuk wordt een algehele conclusie getrokken. Gemotiveerd wordt of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Indien het initiatief in strijd is met de omgevingsvisie, provinciale verordening of rijksbeleid is er geen sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de locatie en is het niet mogelijk om dit met een TAM-IMRO procedure te vergunnen. De hoofdstukken 3 en 4 van onderhavige toelichting voorzien in een uitgebreide motivering van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. Hiermee wordt aangetoond dat in onderhavig planvoornemen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
49
Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5.
50
Omgevingsdialoog Landschappelijk inpassingsplan AERIUS-berekening Ecologisch onderzoek Bodemonderzoek
Arvalis Roermond
Arvalis Den Bosch
Steegstraat 5
Onderwijsboulevard 225
6041 EA Roermond +31 (0)475 355 700 info@arvalis.nl
5223 DE ‘s Hertogenbosch +31 (0)732173580 infozbg@arvalis.nl
Arvalis Venlo
Arvalis Colijnsplaat
Villafloraweg 1
Noordlangeweg 42-B
5928 SZ Venlo +31 (0)478 578 257 info@arvalis.nl
4486 PR Colijnsplaat +31 (0)113247747 infozbg@arvalis.nl
Arvalis Maastricht Airport
Arvalis Deurne
Europalaan 24
Heuvelstraat 12
6199 AB Maastricht Airport +31 (0)43 450 5100 info@arvalis.nl
5751 HN Deurne +31 (0)493 242 133 info@arvalis.nl
51
Baarle-Nassau, 24-A5-2A25
Geachte heer/mevrouw, beste buurtbewoner, Via deze weg willen wij u op de hoogte brengen van onze plannen om de huidige varkensstaladres Hoogstratensebaan 44 51118R Baarle-Nassau af te breken en daarvoor in plaats een nieuwe loods te bouwen. Deze loods zal per saldo minder m2 bebouwing hebben. Deze loods zaldienen voor opslag. lk hoop u via deze weg voldoende geïnformeerd te hebben over onze plannen. I\Iocht u vragen hebben, neem dan gerust contact met mij op. Met vriendelijke groet, Bas Haagen
Joris Bruurs Hoogstratensebaan 48 5111ER Baa
Louis Haagen Hoogstratensebaan 51 511182 Baarle-Nassau
&sY
Karel Jansens Hoogstratensebaan 55 5111ËZ Baarle-Nassau
K
Jeroen Gulickx: Hoogstratensebaan 49 5111EP Baarle-Nassau
Jos Kamp Hoogstratensebaan 47 5111EP Baarle-Nassau Ben Tengnagel Hoogstratensebaan 38 5111ER Baarle-Nassau
lk onderteken voorgezien en dat ik geïnformeerd ben over de voorgenomen wijziging op het perceel. lk behoud me tevens het recht voor om in de formele procedure alsnog mijn reactie te mogen geven'.
Landschappelijk inpassingsplan L.J.A.M. Haagen Hoogstratensebaan 44
Landschappelijk Inpassingsplan Hoogstratensebaan 44 Colofon
Arvalis Rens de Kruijf Adviseur Omgeving
4 december 2025
Kantoor ’s-Hertogenbosch Onderwijsboulevard 225 5223 DE ’s-HERTOGENBOSCH Postbus 100 5201 AC ’s-HERTOGENBOSCH
2
Landschappelijk Inpassingsplan Hoogstratensebaan 44
3
Landschappelijk Inpassingsplan Hoogstratensebaan 44
Inhoudsopgave 1.
Aanleiding ................................................................................................................ 5
2.
Beleid ....................................................................................................................... 6
3.
Cultuurhistorie en landschap .................................................................................. 10
4.
Erfinrichtingsplan ................................................................................................... 11
4
Landschappelijk Inpassingsplan Hoogstratensebaan 44
1.
Aanleiding
Sinds 1980 exploiteert de familie Haagen een vleesvarkensbedrijf aan de Hoogstratensebaan 44 te Baarle-Nassau. Initiatiefnemers zijn voornemens het bestaande vleesvarkensbedrijf om te zetten naar een andere bestemming. Redenen daarvoor vormen onder andere het moeilijk combineren van de varkenstak met de bestaande loondienstfunctie van bedrijfsvoerder Bas Haagen, de groeiende weerstand vanuit de maatschappij tegen de veehouderij, de bedrijfsomvang en de voortdurende stikstofdiscussie. Dit maakt dat er veel onzekerheid is rondom toekomstige investeringen en inkomensperspectief. Initiatiefnemers overwegen daarom om de vleesvarkenstak te staken, de stal te slopen en een loods met een oppervlakte van 500 m2 terug te bouwen. Het wegvallen van de inkomsten uit de varkenstak dient immers te worden gecompenseerd om zowel de sloopkosten te kunnen betalen als ook noodzakelijk inkomen te behalen om de locatie te kunnen financieren. Overigens voldoet het bedrijf van de initiatiefnemers niet aan de eisen om te kunnen deelnemen aan de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderij (LBV). Initiatiefnemers hebben goed nagedacht over een alternatief voor de vleesvarkens.
Het beëindigen van de varkenshouderijtak, het slopen van de stal en het terugbouwen van een loods voor statische opslag, lijkt initiatiefnemers een passend alternatief voor de vleesvarkens om op deze wijze een ander verdienmodel op te kunnen gaan zetten op locatie. Bij ruimtelijke ontwikkelingen van het buitengebied dient sprake te zijn van een kwaliteitsverbetering van het landschap. Met onderhavig landschappelijk inpassingsplan wordt hier in voorzien. Daarnaast wordt in het plan ook de waterbergingsopgave op basis van het gemeentelijk beleid meegenomen. Dit landschappelijk inpassingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: •
Een beschrijving van de relevante beleidskaders, hoofdstuk 2;
•
Een analyse van de (cultuur)historische en huidige kenmerken van het landschap, hoofdstuk 3;
•
Een erfinrichtingsplan op basis van de uitgangspunten en kaders die geschetst zijn in de eerdere hoofdstukken, hoofdstuk 4.
Ligging plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Baarle-Nassau, op een afstand
Figuur 1-1: luchtfoto locatie en omgeving
van circa 2,6 kilometer Zuidwestelijk van de komgrens van Baarle-Nassau. Kadastraal is in sectie Q met perceelnummer 893 & 894.
5
Landschappelijk Inpassingsplan Hoogstratensebaan 44
2.
Beleid
2.1 Landschapsinvesteringsregeling De Kempen Om de kwaliteit van het landschap te versterken heeft de provincie Noord-Brabant het principe ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ geïntroduceerd. De gemeente Baarle-Nassau heeft in samenwerking met meerdere gemeentes dit beleid verder uitgewerkt in de Landschapsinvesteringsregeling de Kempen. De mate waarin kwaliteitsverbetering van het landschap toegepast moet worden hangt af van de impact van de ontwikkeling op de omgeving. Hiermee rekening houdend worden ontwikkelingen onderverdeeld in de volgende categorieën; • •
•
Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met relatief weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden waarbij de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vormgegeven door te voorzien in enkel een goede landschappelijke inpassing. Categorie 3: Alle ruimtelijke ontwikkelingen welke mogelijk worden gemaakt via met name een wijzigingsplan of bestemmingsplanherziening, tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie. Voor deze ontwikkelingen wordt de basisinspanning bepaald op basis van de kwaliteitswinst doormiddel van normbedragen.
Onderhavige ontwikkeling is volgens de LIR van de Kempen een categorie 3 ontwikkeling. Onderhavig initiatief, waarbij de varkenshouderij wordt beëindigd en de bestemming wordt omgezet naar de functie ‘bedrijf’, heeft primair kwaliteitsverbetering van het landschap als doel. Volgens ‘kwaliteitsverbetering landschap 2023’ van de Regio Hart van Brabant wordt het initiatief als categorie 3 ontwikkeling aangemerkt. Hieronder is de berekening van de kwaliteitswinst en de benodigde tegenprestatie weergegeven.
6
Landschappelijk Inpassingsplan Hoogstratensebaan 44 Tabel 1 Berekening benodigde fysieke tegenprestatie Cat. 3 LIR
Berekening fysieke tegenprestatie kwaliteitsverbetering Aantal m2
Normbedrag per m2
Huidige situatie Agrarisch bouwvlak
7000 €
25,00
Beoogde situatie Bedrijf bebouwd Bedrijf onbebouwd Agrarisch onbebouwd
1137 € 2863 € 3000 €
95,00 45,00 7,00
Waarde € 175.000,00
€ 108.015,00 € 128.835,00 € 21.000,00 € Waardevermeerdering gronden € 82.850,00 20% Waardevermeerdering € 16.570,00
De benodigde tegenprestatie van € 16.570,- wordt deels behaald door de sloop van bedrijfsgebouwen en verharding. Het deel van de tegenprestatie
wordt behaald door de landschappelijke inpassing zoals beschreven in hoofdstuk 4. Tabel 2 Berekening investering kwaliteitsverbetering Cat. 3 LIR
Investering kwaliteitsverbetering Sloop varkensstal Verwijderen verharding Landschappelijke inpassing
Aantal m2 Normbedrag per m2 Investering 1000 € 25,00 € 25.000,00 483 € 5,00 € 2.415,00 € 5.447,90 Totale investering kwaliteitsverbetering € 32.862,90
7
Landschappelijk Inpassingsplan Hoogstratensebaan 44
2.2 Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau Op 26 juni 2019 heeft de gemeente Baarle-Nassau de ‘Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau’ vastgesteld. De samenleving verandert voortdurend. Dat vraagt om een flexibele gemeente die tijdig en adequaat inspeelt op maatschappelijke ontwikkelingen. Vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s) levert nieuwe mogelijkheden voor functies die tot voor kort niet of nauwelijks in het buitengebied voorkwamen. Dit vergroot de diversiteit in het buitengebied. Tegelijkertijd kunnen die nieuwe functies ook voor beperkingen in de gangbare landbouw zorgen. Niet alle nieuwe functies in VAB’s zijn gewenst, bijvoorbeeld als ze veel verkeer aantrekken, op andere manieren overlast veroorzaken of als ze schade aan natuur en landschap veroorzaken. Het buitengebied van Baarle-Nassau kan worden ingedeeld in drie herkenbare landschapstypen: 1. De oude landschappen (oude bouwlanden en de kampontginningen) 2. De jonge landschappen (de open en besloten heideontginningen) 3. Het beekdal van het Merkske en de Schouwloop Het plangebied is gelegen binnen het landschapstype ‘De jonge landschappen’. Om de landschappelijke karakteristiek te behouden en te versterken, wordt er van nieuwe ontwikkelingen een bijdrage gevraagd; een kwaliteitsimpuls. Deze kan variëren van landschappelijke inpassing tot een kwaliteitsbijdrage elders.
Plattelandsontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door ruimte te bieden aan verbrede landbouw en door nieuwe functies mogelijk te maken binnen VAB’s, onder de volgende voorwaarden: -
Verbreding en nieuwe functies mogen bestaande functies niet belemmeren in hun ontwikkelingsmogelijkheden; Verbreding en nieuwe functies moeten passen in het landschap; Verbreding en vernieuwing moet aansluiten bij de overige doelen die de gemeente voor het buitengebied heeft geformuleerd, De nieuwe functies maken in beginsel gebruik van bestaande gebouwen. Voor overtollige bebouwing ligt sloop voor de hand.
Karakteristiek voor de jonge landschappen is de grotere schaal, het rechtlijnige karakter van de ontginningen en het beperkter voorkomen van bebouwing. De karakteristiek van de jonge ontginningslandschappen dient versterkt en in stand gehouden te worden door met name de open jonge heideontginningen open te houden. De meer besloten jonge ontginningen bieden in principe opnamecapaciteit voor nieuwe ontwikkelingen. Ondanks dat er in de jonge landschappen minder agrarische bedrijven voorkomen dan in de oude landschappen, biedt dit deelgebied meer perspectief voor de landbouw. De agrarische bedrijven worden hier veel minder beperkt door omliggende burgerwoningen, zodat gemakkelijker aan de eisen van gezondheid en milieu kan worden voldaan. Wel zullen agrarische ontwikkelingen landschappelijk inpasbaar moeten zijn. Vanuit de gemeente wordt naar gestreefd om zorgvuldig om te gaan met vrijkomende agrarische bebouwing. Het behouden van historische agrarische bebouwing draagt bij aan het versterken van de culturele identiteit van het gebied. Terwijl vrijkomende agrarische bebouwing die niet goed onderhouden wordt kan bijdragen aan de verloedering of verrommeling van het landschap of zelfs kan leiden tot criminele activiteiten.
8
Landschappelijk Inpassingsplan Hoogstratensebaan 44 Door de ligging van het plangebied sluit de ontwikkeling van de initiatiefnemer goed aan bij de omgevingsvisie van de gemeente. Er wordt een nieuwe functie gerealiseerd op het plangebied, waarbij de huidige varkensstal wordt gesloopt. Wat verloedering of verrommeling van het landschap voorkomt. Daarnaast wordt er ook gebruik gemaakt van de landschapsinvesteringsregeling De Kempen.
9
Landschappelijk Inpassingsplan Hoogstratensebaan 44
3.
Cultuurhistorie en landschap
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente BaarleNassau. De oudste akkerbouwgronden in de regio dateren uit de middeleeuwen en zijn ontstaan door lange tijd van bemesting en het potstalsysteem. Dit proces zette zich voort tot de latere 19e eeuw. Veel van dit gebied bestond uit uitgestrekte heidegebieden. Veel van dit gebied is ontgonnen en omgezet naar landbouw of naaldhoutbeplanting. Hierdoor zijn komt de oorspronkelijk heidevegetatie nauwelijks meer in het landschap voor. Na de Tweede Wereldoorlog werd onder het motto ‘nooit meer honger’ de landbouw verder geïntensiveerd. Door schaalvergroting nam de landbouw sterk toe. Bossen werden ontgonnen ten behoeve van de
1930
1960
1990
Heden
landbouw en door middel van ruilverkaveling werden percelen vergroot. Het gebied kenmerkt zich door waardevolle historische elementen, zoals zandpaden, historische wegdek en karakteristieke beplanting langs wegen. Het aanleggen van landschappelijke elementen rond het Natuur Netwerk Brabant heeft een positief effect op de biodiversiteit in het gebied. Het aanleggen van een zandpad in het plangebied en het aanbrengen van beplanting langs de weg draagt bij aan de cultuurhistorische waarde van het gebied. Daarnaast zorgt het ook voor een verfraaiing van het landschap.
10
Landschappelijk Inpassingsplan Hoogstratensebaan 44
4.
Erfinrichtingsplan
In de beoogde situatie wil initiatiefnemer zijn bedrijf ontwikkelen. Initiatiefnemer gaat de varkenshouderij tak van het bedrijf stopzetten. Hiervoor wordt de varkensstal van 1000 m2 gesloopt. In plaats hier van wordt er een nieuwe loods van 500 m 2 gerealiseerd. Hierbij wordt ook het bouwvlak op de planlocatie verkleind van 7000 m2 naar 4000 m2. De huidige aanwezige loods van 500 m2 blijft behouden voor eigen gebruik. Daarnaast wordt er circa 470 m2 verharding weg gehaald. Dit gaat om de verharding in het Noorden van het plangebied die van de huidige én nieuw te bouwen loods tot de weg de Haldijk loopt. Deze verharde weg wordt omgevormd naar een zandpad. Verder worden er een aantal landschapselementen aangelegd. Zo worden er in het oosten van het plangebied een hakhoutbosje aangelegd (500 m2) die rondom de nieuw te bouwen loods en langs de verwijderde verharding komen te liggen. Voor het hakhoutbos worden verschillende inheemse soorten gebruikt. De volgende soorten kunnen in de bossingel gebruikt worden: -
-
Boomvormers: o
Zomereik – Quercus robur
o
Ruwe berk – Betula pendula
o
Haagbeuk – Carpinus betulus
o
Veldesdoorn – Acer campestre
Stuikvormers o
Hazelaar – Corylus avellana
o
Meidoorn – Crataegus monogyna
o
Sleedoorn – Prunus spinosa
o
Sporkehout – Frangula alnus
o
Gewone vlier – Sambucus nigra
o
Gelderse roos – Viburnum opulus
o
Hondsroos – Rosa canina
De bomen en heesters worden aangeplant in driehoeksverband met een plantafstand van circa 1,5 meter met een plantdichtheid van circa 50 stuks per 100 m2. Er zijn een viertal landschapsbomen aanwezig in het plangebied. Met ieder een diameter van 60 cm of groter. Een is gesitueerd aan de oostelijke kant voor de bedrijfswoning. De andere drie bomen staan aan de westelijke kant van het plangebied achter de bedrijfswoning. Er worden aan de noord- en oostkant van de bestaande loods 6 laanbomen geplant. Voor de bomenlaan wordt gebruik gemaakt van de soort Zwarte populier (Populus nigra), deze past goed in de omgeving van het plangebied. De overige landschapselementen zichtbaar op de tekening zijn al aanwezig op de locatie van het plangebied.
11
Landschappelijk Inpassingsplan Hoogstratensebaan 44 De landschappelijke inpassing die wordt gerealiseerd sluit goed aan bij de ambities en de visie van de gemeente. Het zorgt voor een verfraaiing van het landschap. Daarnaast hebben de nieuw in te passen landschapselementen een positief effect op de biodiversiteit in de omgeving en zorgen ook deze voor verdere verfraaiing van het landschap. De nieuwe beplanting langs de twee loodsen sluit goed aan bij de cultuurhistorische waarde van het gebied. Tabel 3 Fysieke tegenprestatie op basis van aanleg en beheer van nieuwe landschapselementen