3.4 - Bijlage 2 - Toelichting ontwerp omgevingsplan (inclusief bijlagen)
Tekst van het document
Toelichting wijziging omgevingsplan Hoogstratensebaan 44 Baarle-Nassau
1
Kadastrale gegevens
Gemeente Sectie Nummer
: : :
Baarle-Nassau Q 893
Opgesteld door
:
Referentie
:
Projectnummer
: :
Klik of tik om tekst in te voeren. Klik of tik om tekst in te voeren.
Datum
2
Ontwerp: Vastgesteld:
Inhoudsopgave 1.
Beschrijving bestaande situatie ..................................................................... 6
1.1.
Aanleiding en doel ....................................................................................... 6
1.2.
Ligging en begrenzing .................................................................................. 6
1.3.
Vigerend omgevingsplan .............................................................................. 7
1.4.
Leeswijzer .................................................................................................. 7
2.
Planbeschrijving .......................................................................................... 8
2.1.
Huidige situatie ........................................................................................... 8
2.2.
Beoogde situatie .......................................................................................... 8
2.3.
Mogelijkheden omgevingsplan voor beoogde ontwikkeling ...............................10
3.
Beleidskader ..............................................................................................11
3.1.
Inleiding ....................................................................................................11
3.2.
Rijksbeleid .................................................................................................11
3.2.1.
Nationale omgevingsvisie .........................................................................11
3.2.1.
Ladder duurzame verstedelijking ...............................................................11
3.2.2.
Laddertoets op hoofdlijnen .......................................................................12
3.2.3.
M.e.r.-beoordeling ...................................................................................13
3.3.
Provinciaal beleid ........................................................................................13
3.3.1.
Brabantse Omgevingsvisie ........................................................................13
3.3.2.
Omgevingsverordening Noord-Brabant.......................................................14
3.3.2.1.
Toets ..................................................................................................15
3.4.
Regionaal beleid .........................................................................................20
3.5.
Gemeentelijk beleid ....................................................................................21
3.5.1.
Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau ...................................................21
4.
Omgevingsaspecten ....................................................................................22
4.1.
Bodem ......................................................................................................22
4.2.
Activiteiten en milieuzonering ......................................................................22
4.3.
Geur .........................................................................................................24
4.4.
Luchtkwaliteit.............................................................................................25
4.5.
Gezondheid................................................................................................28
4.5.1.
Endotoxine .............................................................................................28
4.5.2.
Zoönosen en antibioticareductie ................................................................29
4.6.
Geluid .......................................................................................................30
4.7.
Externe veiligheid .......................................................................................31
4.7.1.
Ontplofbare oorlogsresten ........................................................................32
4.8.
Cultuurhistorie en archeologie ......................................................................33
4.8.1.
Cultuurhistorie ........................................................................................33
3
4.8.2.
Archeologie ............................................................................................34
4.9.
Flora en Fauna ...........................................................................................36
4.9.1.
Gebiedsbescherming ................................................................................36
4.9.2.
Soortenbescherming ................................................................................37
4.10.
Landschappelijke inpassing .......................................................................38
4.11.
Waterparagraaf .......................................................................................40
4.11.1.
Relevant waterbeleid ............................................................................40
4.11.2.
Waterschap Brabantse Delta .................................................................40
4.11.3.
Waterschapverordening en Legger .........................................................42
4.11.4.
Toekomstige waterhuishoudkundige situatie ............................................43
4.11.5.
Hemelwaterinfiltratie ............................................................................43
4.12.
Spuitzone ...............................................................................................44
4.13.
Mobiliteit en parkeren ..............................................................................44
4.14.
Trillingen ................................................................................................45
4.15.
Lichthinder .............................................................................................46
5.
Economische uitvoerbaarheid .......................................................................47
5.1.
Financieel economische haalbaarheid ............................................................47
5.2.
Kostenverhaal en nadeelcompensatie ............................................................47
6.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................48
6.1.
Participatie ................................................................................................48
6.2.
Bestuurlijk vooroverleg ...............................................................................48
6.3.
Bindend adviesrecht gemeenteraad ..............................................................48
6.4.
Vastellingsprocedure ...................................................................................48
7.
Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties? .............................49
Bijlagen ...............................................................................................................50
4
Bijlage(n) 1. 2. 3. 4. 5.
5
Omgevingsdialoog Landschappelijk inpassingsplan AERIUS-berekening Ecologisch onderzoek Bodemonderzoek
1. Beschrijving bestaande situatie 1.1.
Aanleiding en doel
Sinds 1980 exploiteert de familie Haagen een vleesvarkensbedrijf aan de Hoogstratensebaan 44 te Baarle-Nassau. Initiatiefnemers zijn voornemens het bestaande vleesvarkensbedrijf om te zetten naar een andere bestemming. Redenen daarvoor vormen onder andere het moeilijk combineren van de varkenstak met de bestaande loondienstfunctie van bedrijfsvoerder Bas Haagen, de groeiende weerstand vanuit de maatschappij tegen de veehouderij, de bedrijfsomvang en de voortdurende stikstofdiscussie. Dit maakt dat er veel onzekerheid is rondom toekomstige investeringen en inkomensperspectief. Initiatiefnemers overwegen daarom om de vleesvarkenstak te staken, de stal te slopen en een loods met dezelfde oppervlakte terug te bouwen. Het wegvallen van de inkomsten uit de varkenstak dient immers te worden gecompenseerd om zowel de sloopkosten te kunnen betalen als ook noodzakelijk inkomen te behalen om de locatie te kunnen financieren. Overigens voldoet het bedrijf van de initiatiefnemers niet aan de eisen om te kunnen deelnemen aan de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderij (LBV). Initiatiefnemers hebben goed nagedacht over een alternatief voor de vleesvarkens.
Het beëindigen van de varkenstak, het slopen van de stal en het terugbouwen van een loods voor statische opslag, lijkt initiatiefnemers een passend alternatief voor de vleesvarkens om op deze wijze een ander verdienmodel op te kunnen gaan zetten op locatie.
1.2.
Ligging en begrenzing
Het plangebied is gesitueerd aan de Hoogstratensebaan 44 te Baarle-Nassau in het buitengebied van de gemeente Baarle-Nassau op een afstand van circa 2,6 kilometer van de komgrens van Baarle-Nassau. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Baarle-Nassau, sectie Q, nummer 893.
Afbeelding 1 Topografisch kaart
6
1.3.
Vigerend omgevingsplan
De locatie is gelegen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ ‘Buitengebied – partiële herziening 1994’ zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente BaarleNassau bij besluit van 1 februari 1990.
1.4.
Leeswijzer
De onderhavige onderbouwing voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: • • •
• • •
7
plan- en gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2; het actuele beleid met betrekking tot de milieuwetgeving en ruimtelijke ordening met toetsing aan het ruimtelijke beleid, hoofdstuk 3; Toetsing aan milieuwetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële belemmeringen in de omgeving van het plangebied (milieuaspecten, ruimtelijke aspecten, flora en fauna, landschappelijke inpassing en waterparagraaf), hoofdstuk 4; De economisch uitvoerbaarheid van het planvoornemen, hoofdstuk 5; De maatschappelijke uitvoerbaarheid, hoofdstuk 6; De bij het plan behorende bijlagen.
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plangebied weergegeven. Zowel voor de huidige als de boogde situatie. Vervolgens zijn de mogelijkheden in het bestemmingsplan beschreven voor de beoogde ontwikkeling.
2.1.
Huidige situatie
Initiatiefnemers exploiteren op het plangebied een vleesvarkensbedrijf. Daarnaast hebben de initiatiefnemers 2,3 hectare akkerbouwgrond. Op de locatie zijn een bedrijfswoning met garage, loods/berging (500 m2) en vleesvarkensstal (1.000 m2) bestaande uit 630 vleesvarkensplaatsen gesitueerd. De stal is uitgerust met een luchtwasser.
Afbeelding 2 Luchtfoto huidige situatie plangebied
2.2.
Beoogde situatie
Initiatiefnemers zijn voornemens het vleesvarkensbedrijf in het plangebied te beëindigen. Initiatiefnemers zijn voornemens de bestemming om te zetten naar ‘Bedrijven met bedrijfswoning’ gepaard gaande met een kwaliteitsverbetering die te halen is door het slopen van de varkensstal (1.000 m2), het verwijderen van de bestemming ‘Intensieve veehouderij’, het verkleinen van het bouwblok en het terugbouwen van een nieuwe loods van 500 m2 op de locatie van de huidige varkensstal van 1.000 m2. De in de huidige situatie aanwezige loods van 500 m2 dient behouden te blijven en wordt ingezet als statische opslag voor het opslaan van machines van derden. De initiatiefnemer en tevens bewoner van de bedrijfswoning zal als ondergeschikte functie sleutelen aan deze machines. Het bouwblok wordt hierbij verkleind (zie figuur 4) ten gunste van de toekenning van de bedrijfsbestemming waarbij de initiatiefnemers zich 8
zullen gaan richten op ‘statische opslag’ in de vorm van goederen zoals caravans, boten, campers, klassieke auto’s etc.
Afbeelding 3 Beoogde situatie plangebied
Afbeelding 4 Luchtfoto huidige bouwvlak en beoogd bouwvlak plangebied
9
2.3. Mogelijkheden omgevingsplan voor beoogde ontwikkeling In het bestemmingsplan zijn geen mogelijkheden voor het onderhavige initiatief opgenomen.
10
3. Beleidskader 3.1.
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het planvoornemen op Europees, nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor deze omgevingsplanactiviteit en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.
3.2.
Rijksbeleid
3.2.1. Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: •
•
•
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en past binnen de prioriteiten van de NOVI. 3.2.1. Ladder duurzame verstedelijking In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een 11
woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Het artikel 5.129g legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Lader duurzame verstedelijking. In deze uitspraak worden geen harde ondergrenzen gesteld, maar wel ‘in beginsel’. Voor woningbouwlocaties geldt volgens vaste rechtspraak dat, in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Bij andere stedelijke functies in de vorm van een terrein is de ondergrens ‘in beginsel’ 500m2. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden.
Conclusie; Het onderhavige initiatief omvat een functiewijziging van agrarisch naar bedrijfsfunctie (statische opslag), met een ruimtebeslag van 500 m2. Dit is een grensgeval, maar wordt in de rechtspraak doorgaans als stedelijke ontwikkeling aangemerkt, waardoor de laddertoets op hoofdlijnen wenselijk is. In de volgende paragraaf is het initiatief op hoofdlijnen getoetst aan de laddertoets voor duurzame verstedelijking. 3.2.2. Laddertoets op hoofdlijnen Het initiatief betreft het omzetten van een agrarische bestemming naar een bedrijfsfunctie voor statische opslag op het perceel Hoogstratensebaan 44a te BaarleNassau. Volgens vaste jurisprudentie wordt een functiewijziging van agrarisch naar bedrijfsfunctie in beginsel aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling, mits deze naar aard en omvang substantieel is. Met een ruimtebeslag van 500 m2 bevindt het initiatief zich op de ondergrens, maar gezien de aard van de bedrijfsfunctie is een toetsing op hoofdlijnen gerechtvaardigd. De Ladder verlangt dat de behoefte aan de ontwikkeling wordt aangetoond. De beoogde functie voorziet in statische opslag, waarvoor in de regio Baarle-Nassau een actuele vraag bestaat. Binnen bestaand stedelijk gebied is slechts beperkt aanbod van vergelijkbare opslagmogelijkheden. Het initiatief speelt in op deze behoefte en draagt bij aan het faciliteren van lokale bedrijvigheid.
Het perceel lift in het buitengebied van Baarle-Nassau. De Ladder schrijft voor dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen bij voorkeur binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvinden. In dit geval is gemotiveerd dat er geen geschikte locaties beschikbaar zijn binnen bestaand stedelijk gebied voor deze specifieke functie. Het perceel sluit aan bij bestaande bebouwing en infrastructuur en vormt daarmee een logische plek voor de beoogde ontwikkeling. Het initiatief leidt niet tot versnippering van het landschap en past binnen de ruimtelijke structuur van het gebied.
12
Conclusie; de behoefte aan statische opslag is aannemelijk, de locatiekeuze is gemotiveerd en zorgvuldig ruimtegebruik is gewaarborgd. Het plan voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. 3.2.3. M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bij nieuwe ontwikkeling moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. In bijlage V van het Omgevingsbesluit is een opsomming van de projecten waarop een mer-beoordeling van toepassing kan zijn weergegeven. In de eerste kolom van de bijlage staat de omschrijving van een project. In de tweede kolom is de projectomvang opgenomen voor de gevallen waarin de milieueffectenrapportage-plicht geldt. Wanneer een ontwikkeling voorkomt in de eerste kolom geldt dat er een project-merbeoordeling moet worden uitgevoerd. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde waarde in de tweede kolom dient er een milieueffectrapport te worden opgesteld.
Wanneer een ontwikkeling voorkomt in de derde kolom er de merbeoordelingsplicht van kracht, de conclusie van de beoordeling kan hierbij zijn dat er een milieueffectenrapportage opgesteld dient te worden. Conclusie; De beoogde ontwikkeling is niet beschreven in de eerste kolom van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Het beoogde initiatief voor het plangebied is het beëindigen van de intensieve veehouderij, het slopen van de varkensstal en het terugbouwen van een loods van 500 m2 ten behoeve van statische opslag. De beoogde ontwikkeling wordt niet genoemd in de eerste, tweede of derde kolom van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit wil zeggen dat er voor de beoogde ontwikkeling geen verplichtingen zijn met betrekking tot de m.e.r.. In hoofdstuk 4 is de ontwikkeling getoetst aan relevante milieuaspecten.
3.3.
Provinciaal beleid
3.3.1. Brabantse Omgevingsvisie De Brabantse Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot 2050. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaat-proof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Brabantse Omgevingsvisie geeft aan hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien en waar Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De visie noemt hiervoor een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moet er minder energie worden gebruikt en meer duurzame energie worden opgewekt. 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop men zich verplaatst verandert en dit stelt andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.
13
4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering is er sprake van meer extremen in temperatuur en neerslag. Hier moet mee worden omgegaan. 5. Concurrerende, duurzame economie: Noord-Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt. De Brabantse Omgevingsvisie wordt uitgewerkt in de omgevingsverordening NoordBrabant. In deze omgevingsverordening Noord-Brabant vindt een vertaalslag van de hoofdopgaven in concreet bindende regels plaats. De ontwikkeling wordt in navolgende paragraaf getoetst aan deze verordening. 3.3.2. Omgevingsverordening Noord-Brabant Sinds 1 januari 2024 geldt voor de Provincie Noord-Brabant de Omgevingsverordening Noord-Brabant, deze vervangt met de invoering van de Omgevingswet de Interim omgevingsverordening. Vanuit de Omgevingswet moet de provincie naast een omgevingsvisie ook een omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken.
Afbeelding 5 Uitsnede plangebied Omgevingsverordening Noord-Brabant
Het plangebied ligt binnen het ‘Landelijk gebied’, zie afbeelding 4. De ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de mogelijkheden die worden geboden binnen deze aanduidingen. Gezien de aard van de ontwikkelingen zijn op grond van de Omgevingsverordening Noord-Brabant de volgende artikelen van toepassing: -
Artikel 5.12 ontwikkelingsrichting Artikel 5.14 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit Artikel 5.78 Niet-agrarische activiteit
Onderstaand nemen we de tekst uit artikel 5.12, 5.14 en 5.78 over met daaronder in cursieve tekst de beantwoording/uitleg hoe hieraan voldaan kan worden.
14
3.3.2.1. Toets Artikel 5.12 Ontwikkelingsrichting Lid 1 Een omgevingsplan dat de uitbreiding mogelijk maakt van een bestaande activiteit of dat een nieuwe functie of activiteit toedeelt in Landelijk gebied, bevat een onderbouwing dat die ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, bedoeld in paragraaf 5.1.2, en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten: a. welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving; In de Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau ‘Baarle Bruist!’ is weergegeven hoe de integrale aanpak van het buitengebied van Baarle-Nassau zich wil ontwikkelen. In hoofdstuk 4.2 Ontwikkelingsrichting van de Omgevingsvisie wordt nadrukkelijk omschreven hoe de gemeente bedrijvigheid in het buitengebied ziet: ‘Voor bedrijvigheid zien we in het buitengebied ruimte voor bedrijvigheid die niet past in een rustige woonomgeving, maar vanwege haar karakter ook niet thuishoort op het bedrijventerrein. Het gaat dan met name om kleinschalige bedrijvigheid, waarvan de overlast voor de omgeving beperkt is. Voor nietagrarische bedrijven in het buitengebied zien we vestiging in voormalige agrarische bedrijfsbebouwing als optie.’ Het saneren van een varkensbedrijf en het toevoegen van statische opslag aan de locatie past in de omgeving. b.
welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, bedoeld in Afdeling 5.2, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; In hoofdstuk 4 wordt het initiatief getoetst aan de relevante milieu- en ruimtelijke aspecten. c. op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap; en De omgevingskwaliteit wordt verbeterd door de sanering van een intensieve veehouderij. De kwaliteitsverbetering is het saneren van overtollige erfverharding en bedrijfsbebouwing. Op het plangebied wordt een nieuwe loods van 500 m 2 gerealiseerd. Hierdoor resteert er per saldo na de ontwikkeling veel minder verharding en tevens bebouwing. d. op welke wijze de sloop van leegstaande of overtollige bebouwing wordt gerealiseerd. De varkensstal van 1.000 m2 wordt in eigen beheer gesloopt. Lid 2 Bij het opstellen van een ontwikkelingsrichting worden deskundigen betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie NoordBrabant werkzaam is. De motivering van de beoogde ontwikkeling is door de gemeente bij de deskundige van de provincie Noord-Brabant neergelegd om te toetsen.
Artikel 5.14 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit Lid 1 Een omgevingsplan kan voor een concreet initiatief een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken als: a. dat aantoonbaar bijdraagt aan het fysiek versterken van omgevingskwaliteit, zoals de sloop van bebouwing, de aanleg van natuur en bos, groenblauwe door-adering, het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken, het 15
terugdringen van emissies van milieuhinderlijke stoffen of de verbetering van het woon- en leefklimaat, doordat die bouw- of gebruiksactiviteit daarvoor de middelen genereert; Het initiatief draagt bij aan het fysiek versterken van de omgevingskwaliteit. De varkenshouderij van de initiatiefnemers wordt beëindigd. De varkensstal op het plangebied wordt middels het initiatief gesloopt. Op de plek van de varkensstal wordt een nieuwe loods van 500 m2 gerealiseerd die in gebruik genomen zal worden als statische opslag. Door de beëindiging van de varkenshouderij worden emissies teruggedrongen en vindt er een verbetering van het woon- en leefklimaat plaats. b. de realisering van de onder a. bedoelde versterking van omgevingskwaliteit niet op een andere wijze is verzekerd; De realisering van de onder a. bedoelde versterking kan niet op een andere wijze voltooid worden. c. de onder a. bedoelde versterking van omgevingskwaliteit bijdraagt aan algemene belangen en juridisch is geborgd; De ontwikkeling draagt bij aan de algemene belangen doordat de varkenshouderij op het plangebied beëindigd wordt en er een beter woon- en leefklimaat gecreëerd wordt. De vergunningen ten behoeve van de varkenshouderij worden middels het initiatief ingetrokken. d.
de bouw- of gebruiksactiviteit door meerwaardecreatie bijdraagt aan algemene belangen zoals energietransitie, klimaat, circulariteit en verduurzaming; Initiatiefnemers zouden meerwaardecreatie kunnen creëren aan de algemene belangen door zonnepanelen te bevestigen op het dak van de nieuw te bouwen loods. e. zowel de activiteit als de versterking van omgevingskwaliteit passen binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 5.12; De activiteit en de versterking van de omgevingskwaliteit passen binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, zie de onderbouwing van artikel 5.12. f.
is onderbouwd dat de activiteit volhoudbaar is naar de toekomst, vanuit duurzaamheid en economisch oogpunt; Met het initiatief wordt er een loods opgericht voor statische opslag van campers, caravans, etc.. In de toekomst zal de vraag naar statische opslag blijven, omdat er een steeds groter groeiende behoefte is aan vrije tijd en recreëren.
g. zowel de activiteit als de versterking van de omgevingskwaliteit passen binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die deze verordening beoogt te beschermen; en De statische opslag en de versterking van de omgevingskwaliteit, in de vorm van het slopen van de stallen op het plangebied en de vermindering van de verharding, passen binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die deze verordening beoogt te beschermen. h. bij de uitwerking van het plan deskundigen worden betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is. Bij de uitwerking van het plan zijn deskundige van de provincie Noord-Brabant betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit. Lid 2
16
In het geval dat de fysieke versterking van omgevingskwaliteit is gericht op sanering van een milieubelastende activiteit, omvat de juridische borging in ieder geval dat alle voor die activiteit op de locatie rustende rechten en toestemmingen, waaronder verleende vergunningen, zijn ingetrokken. Op het plangebied wordt middels het onderhavige initiatief de varkensstal op het plangebied gesaneerd en worden de op de locatie rustende rechten en ruimtelijke- en milieutoestemmingen voor de varkenshouderij ingetrokken. Lid 3 In aanvulling op het eerste lid worden bij de hierna genoemde gevallen tenminste de volgende aspecten in acht genomen: a. als de activiteit de toevoeging van een woning betreft: 1. wordt de woning gerealiseerd op een passende locatie; 2. staat de omvang van de fysieke tegenprestatie gericht op het versterken van omgevingskwaliteit in verhouding tot de tegenprestatie voor een ruimte-voorruimtekavel; en 3. is in overleg met de Ontwikkelmaatschappij ruimte voor ruimte onderzocht of de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtekavel tot de mogelijkheden behoort; Niet van toepassing, er wordt namelijk geen woning toegevoegd. b. als de activiteit de ontwikkeling van een nieuw landgoed betreft: 1. heeft het landgoed ten minste een omvang van 10 hectare; 2.
is de fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit gericht op de ontwikkeling van natuur die bijdraagt aan de samenhang en kwaliteit van het Natuur Netwerk Brabant; 3. bestaat 50% van het gerealiseerde landgoed uit een aangelegde natuur binnen het Natuur Netwerk Brabant; 4. wordt bebouwing buiten het Natuur Netwerk Brabant gesitueerd en zoveel mogelijk geconcentreerd opgericht; 5. is de bebouwing van allure en qua omvang passend bij de uitstraling van het landgoed; 6. zijn naast landgoedwoningen ook andere bij een landgoed passende bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk, waaronder zorg; en 7. is de openbaarheid van het landgoed verzekerd; Niet van toepassing, er wordt namelijk geen landgoed toegevoegd. c. als de ontwikkeling is gericht op het behoud van een bestaand landgoed is de toevoeging van een woning of een andere bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk op het bestaande landgoed als: 1. het landgoed niet is aangewezen als cultuurhistorisch waardevol complex; en 2. waar mogelijk toepassing wordt gegeven aan het bepaalde onder b; Niet van toepassing, er is geen sprake van een bestaand landgoed. d.
als de ontwikkeling tot doel heeft om de cultuurhistorische waarden en kenmerken te behouden of te herstellen van een rijks- of gemeentelijk monument of een cultuurhistorisch waardvol complex, zoals beschreven op de Cultuurhistorische waardenkaart, is de fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit gericht op het behoud of herstel van de aanwezige waarden en kenmerken. Niet van toepassing, er is middels het initiatief geen sprake van het doel om de cultuurhistorische waarden en kenmerken van een rijks- of gemeentelijk monument of een cultuurhistorisch waardevol complex te behouden of te herstellen. Lid 4 Er is sprake van een passende locatie voor de toevoeging van een woning als: 17
a. de ontwikkeling in een bebouwingsconcentratie ligt; b. de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied, Bebouwd gebied of een bebouwingsconcentratie; of c. de woning wordt gerealiseerd binnen karakteristieke bebouwing. Niet van toepassing, er wordt geen woning toegevoegd aan de locatie. Lid 5 Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing” a. Artikel 5.8, eerste lid, onder a en e; b. Artikel 5.11 Aan de hiervoor genoemde artikelen wordt niet getoetst. Artikel 5.78 Niet agrarische activiteit Lid 1 Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied kan bepalen dat de ontwikkeling van een niet-agrarische activiteit binnen een bestaand bouwperceel mogelijk is als: a. dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 5.12; De ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, zie onderbouwing artikel 5.12. b. aanwezige, overtollige bebouwing wordt gesloopt; en De varkensstal wordt gesloopt door middel van het onderhavige initiatief. Op het plangebied wordt een nieuwe loods gerealiseerd van 500 m2. c. dit geen betrekking heeft op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. het toelaten van een nieuwe lawaaisport; en 3. een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbehandeling, mestvergisting en mestbewerking. Niet van toepassing. Lid 2 Het omgevingsplan regelt: a.
welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; De loods zal in gebruik genomen worden als statische opslag voor campers, caravans, klassieke voertuigen, etc. b. een bij de omvang passende maximale omvang; De loods krijgt een oppervlakte van 500 m2. c. dat de niet-agrarische activiteit, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied als bedoeld in artikel 5.12; De niet-agrarische activiteit past ook op de langere termijn binnen de ontwikkelingsrichting als bedoeld in artikel 5.12, omdat het past binnen de Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau ‘Baarle Bruist!’. d. dat een ontwikkeling naar een functie met grote publieksaantrekkende werking is uitgesloten; Het is niet te verwachten dat de nieuwe activiteit een grote publieksaantrekkende werking heeft. In paragraaf 4.13 wordt dit onderbouwd. e. dat opslag en stalling van voorwerpen of materialen plaatsvindt in gebouwen, behalve als de activiteit de opslag van zand, grond en grind betreft; en De statische opslag vindt plaats in de gebouwen en betreft geen zand, grond en grind. 18
f.
dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de toegelaten omvang, bedoeld onder a. De ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de toegelaten omvang. Voor de huidig gevraagde omvang van 1.000 m2 aan statische opslag zal dit geen probleem zijn.
Lid 3 Als uitgangspunt voor een bij de omgeving passende omvang als bedoeld in het tweede lid geldt voor: a. een bedrijfsmatige activiteit, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; De bedrijfsmatige activiteit, in de vorm van statische opslag, is kleinschalig en past binnen een gemengde omgeving. Het is niet van belang dat deze activiteit op een bedrijventerrein gevestigd wordt. b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m2; Niet van toepassing, er is geen sprake van een detailhandelsvoorziening. c. een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. Niet van toepassing, er is geen sprake van een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg. Lid 4 Een omgevingsplan kan voorzien in een redelijke uitbreiding van een bestaande nietagrarische activiteit, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.75 Mest bewerking, als dat vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving. Niet van toepassing, er is geen sprake van een uitbreiding van een bestaande nietagrarische activiteit. De Omgevingsverordening wil goede initiatieven ondersteunen.
Daarvoor sluit de Omgevingsverordening aan bij de nieuwe manier van werken uit de Brabantse Omgevingsvisie en worden mogelijkheden geboden voor maatwerk. Hiertoe zijn in de Omgevingsverordening in plaats van middelvoorschriften, doelvoorschriften opgenomen en wordt uitgegaan van een ‘ja, mits – benadering’. Daarnaast dient het beoogde voornemen te voldoen aan paragraaf 5.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies van de Omgevingsverordening NoordBrabant. Hierbij dient rekening gehouden te worden met: - Artikel 5.7: Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; - Artikel 5.8: Zorgvuldig ruimtegebruik; - Artikel 5.9: Toepassing van de lagenbenadering; - Artikel 5.10: Meerwaardecreatie; Hieronder wordt nader ingegaan op enkele verschillende aspecten. Een toelichting op het toepassen van de lagenbenadering en de meerwaardecreatie blijkt uit voorliggend planvoornemen. Dit leidt tot het waarborgen van de verschillende aspecten zoals hierboven genoemd. Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik Ten behoeve van de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is in de Omgevingsverordening de ‘zorgplicht’ opgenomen. Een bestemmingsplan dat voorziet in 19
een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is een compacte opzet met een concentratie van bebouwing en gebruik van bestaande bebouwing. Dit betekent dat zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen . Uitbreiding is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen het huidige toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving. Toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op drie verschillende lagen: 1. De ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; 2. De netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. 3. De bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Daarnaast speelt de factor tijd een belangrijke rol.
Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on-)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Meerwaardecreatie omvat daarnaast een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling betrokken zijn. Hierdoor ontstaan mogelijkheden om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat. Tevens kan de ontwikkeling een bijdrage leveren aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Onderhavig initiatief heeft betrekking op de beëindiging van de varkenshouderij en het daarvoor in de plaats realiseren van een loods van 500 m2 ten behoeve van statische opslag. In hoofdstuk 4 worden de verschillende ruimtelijke en milieuaspecten toegelicht welke bij de verschillende lagen van de lagenbenadering horen. Middels de toets aan het relevante beleidskader wordt inzicht gegeven in de meerwaardecreatie van onderhavige initiatief. Dit sluit aan bij de randvoorwaarden zoals opgenomen in het provinciaal (en gemeentelijk) beleid. Het planvoornemen past binnen de kaders van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.4.
Regionaal beleid
De regio West-Brabant hanteert het principe van kwaliteitsverbetering van het landschap voor ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied, zoals vastgesteld in de provinciale Verordening ruimte en nader uitgewerkt in het regionale afsprakenkader. Dit principe is bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit te versterken en zorgvuldig ruimtegebruik te waarborgen. Binnen het afsprakenkader worden drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden: -
20
Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen die geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap vereisen.
-
-
Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vormgegeven door te voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de basisinspanning voor kwaliteitsverbetering wordt genormeerd in euro’s (op basis van forfaitaire bedragen).
Onderhavig initiatief, waarbij de varkenshouderij wordt beëindigd en de bestemming wordt omgezet naar de functie ‘bedrijf’, valt onder categorie 3. Dit betekent dat naast een goede landschappelijke inpassing een financiële bijdrage aan kwaliteitsverbetering van het landschap verplicht is. De hoogte van deze bijdrage wordt bepaald op basis van de regionale afspraken en vastgesteld in een anterieure overeenkomst. De landschappelijke inpassing van het initiatief is nader toegelicht in paragraaf 4.10. hiermee wordt invulling gegeven aan de regionale beleidsdoelstelling om de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te versterken en een toekomstbestendig landschap te realiseren.
3.5.
Gemeentelijk beleid
3.5.1. Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau Op 15 juli 2025 heeft de gemeente Baarle-Nassau haar geactualiseerde Omgevingsvisie vastgesteld. Deze visie kijkt vooruit tot 2040 en schetst een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, waarin thema’s zoals duurzaamheid, leefbaarheid en een vitaal buitengebied centraal staan. De gemeente streeft naar een balans tussen agrarische functies, natuur, recreatie, en nieuwe economische activiteiten. Het buitengebied is in transitie: landbouw deelt de ruimte met recreatie, toerisme en kleinschalige bedrijvigheid. Deze ontwikkeling wordt aangeduid als plattelandsontwikkeling en vormt een belangrijk uitgangspunt in de Omgevingsvisie. Het initiatief aan Hoogstratensebaan 44a betreft het beëindigen van de varkenshouderij en het omzetten van de bestemming naar een bedrijfsfunctie. Dit sluit aan bij de visie om zorgvuldig om te gaan met vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s). De Omgevingsvisie benadrukt dat nieuwe functies in VAB’s gewenst zijn, mits zij: • • •
bijdragen aan de kwaliteit van het landschap; passen binnen de karakteristiek van het gebied; geen belemmeringen veroorzaken voor omliggende functies.
Het plangebied ligt in het landschapstype jonge ontginningen, gekenmerkt door een grotere schaal en een rechtlijnig patroon. De visie vraagt om behoud van openheid en versterking van landschappelijke structuren. Het initiatief voorziet in een landschappelijke inpassing en sloop van overtollige bebouwing, waarmee een kwaliteitsimpuls wordt gerealiseerd. dit draagt bij aan de doelstelling van ontstening en landschapsherstel. Daarnaast sluit het plan aan bij de gemeentelijke ambitie om een toekomstbestendig buitengebied te creëren, waarin ruimte wordt geboden aan nieuwe economische activiteiten onder afbreuk te doen aan natuur, milieu en leefbaarheid. Door hergebruik van bestaande bebouwing en het beperken van verkeers- en milieubelasting voldoet het initiatief aan de uitgangpunten van de Omgevingsvisie.
21
4. Omgevingsaspecten Bij dergelijke aanpassingen dient rekening gehouden te worden met mogelijke (milieu-) effecten op de omgeving en vanuit de omgeving. Het onderzoek naar de diverse milieuen planologische aspecten wordt in de volgende paragrafen beschreven.
4.1.
Bodem
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem regels opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij een nieuw ruimtelijk plan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Er is een bodemonderzoek noodzakelijk indien er een bodemgevoelig gebouw wordt opgericht. Een bodemgevoelig gebouw betreft een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover het aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Door middel van het initiatief wordt de varkensstal op het plangebied gesloopt. Op de oude plek van de varkensstal wordt een nieuwe loods gerealiseerd voor statische opslag. De varkensstal heeft een asbest dak, waardoor er bodemonderzoek gedaan is langs de druppelzone om de bodem te onderzoeken en mee te saneren met het dak. Uit het onderzoek ik gebleken dat er ter plaatse van de druppelzones geen bodemvreemde bijmengingen of asbestverdachte materialen zijn waargenomen. Analytisch is in de toplaag (0 – 10 cm) geen asbest boven de detectiegrens aangetoond. Daarom kan worden aangenomen dat de druppelzones niet verontreinigd zijn met asbest. Tevens zijn er in de toplaag geen verontreinigingen met PCB aangetoond (klasse Landbouw/Natuur).
Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Het bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 5.
4.2.
Activiteiten en milieuzonering
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, stof en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 een nieuwe publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering’ uitgebracht. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: • •
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
De opgenomen richtafstanden betreffen de indicatief aan te houden afstand tussen hinderveroorzakende en milieugevoelige functies. Indien dit voldoende gemotiveerd wordt, kan hiervan afgeweken worden. De locatie aan de Hoogstratensebaan 44 te Baarle-Nassau wordt ingedeeld in de categorieën “Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)” en “Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)”. Per categorie worden de bijbehorende richtafstanden en indices weergegeven. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een 22
‘gemengd gebied’ wordt gedefinieerd als: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.” In zo’n geval is het ruimtelijke aanvaardbaar dat de richtafstanden met één stap worden verlaagd. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden opgenomen.
Activiteiten en milieuzonering
2
Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)
2
Geur: 0 Stof: 0 Geluid: 30 Gevaar: 10 Geur: 10 Stof: 10 Geluid: 30 Gevaar: 10
Feitelijke afstand tot planlgebied(m)
Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)
Afstanden Categorie 3(m)
Milieucategorie
Functie
Locatie Hoogstratensebaan 44
63,6
63,6
Tabel 1 Uitwerking richtafstanden bedrijven en milieuzonering in omgeving plangebied
Zoals wordt aangetoond in tabel 1 wordt voldaan aan de richtafstanden voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. In de nabije omgeving van het plangebied zijn verschillende (agrarische) bedrijven gevestigd, zie tabel 2.
Activiteiten en milieuzonering Locatie
Functie
Milieucategorie
Afstanden (m)
Hoogstratensebaan 17
Het fokken en houden van rundvee
3.2
Hoogstratensebaan 16
Fokken en houden van overige graasdieren paardenfokkerijen Het fokken en houden van rundvee
3.1
Het fokken en houden van rundvee
3.2
Geur: 100 Stof: 30 Geluid: 30 Gevaar: 0 Geur: 50 Stof: 30 Geluid: 30 Gevaar: 0 Geur: 100 Stof: 30 Geluid: 30 Gevaar: 0 Geur: 100 Stof: 30 Geluid: 30 Gevaar: 0
Hoogstratensebaan 24 Hoogstratensebaan 55
23
3.2
Feitelijke afstand tot plangebied (m) 1.400
1.400
846,8
110,8
Eikelenbosch 11
Het fokken en houden van varkens
4.1
Eikelenbosch 12
Het fokken en houden van rundvee
3.2
Eikelenbosch 14
Het fokken en houden van rundvee
3.2
Eikelenbosch 3
Overige metaalbewerkende industrie
3.2
Eikelenbosch 4
Fokken en houden van rundvee
3.2
Geur: 200 Stof: 30 Geluid: 50 Gevaar: 0 Geur: 100 Stof: 30 Geluid: 30 Gevaar: 0 Geur: 100 Stof: 30 Geluid: 30 Gevaar: 0 Geur: 10 Stof: 30 Geluid: 100 Gevaar: 30 Geur: 100 Stof: 30 Geluid: 30 Gevaar: 0
700,4
929,9
822,2
1.100
1.300
Tabel 2 Uitwerking richtafstanden bedrijven en milieuzonering in omgeving plangebied
Zoals blijkt uit de tabel is het plangebied buiten de richtafstanden gelegen voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar.Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.3.
Geur
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet. Gemeentes kunnen geurregels opnemen voor veehouderijen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat met instructieregels voor gemeenten beschreven hoe ze de geurregels in het omgevingsplan moeten opnemen. Deze instructieregels staan in paragraaf 5.1.4.6.3 ‘Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf’. In Artikel 22.3.6 van het Omgevingsplan heeft de gemeente regels omtrent geur vastgelegd. Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Baarle-Nassau van toepassing is. Dit betekent dat de onderstaande wettelijke normen en afstanden van toepassing zijn binnen het grondgebied van de gemeente: Wettelijke normen en afstanden
20,0
Minimum afstand Gevel-totgevel in meters
14,0
Minimum afstand emissiepunt in meters
Maximale achtergrond belasting in oue/m3
Gebied Buitengebied binnen concentratiegebied
Maximale voorgrond belasting in oue/m3
Locatie Hoogstratensebaan 44
50
25
Tabel 3 Uitwerking wettelijke normen en afstanden voor de plangebied
Om de geursituatie te plaatse inzichtelijk te maken is de achtergrond geurkaart van de ODZOB geraadpleegd. Op basis van de kaart blijkt dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een matig tot tamelijk slecht leefklimaat op het gebied van 24
achtergrondgeurbelasting. Met het beëindigen van de varkenshouderij zal de emissie van geur afnemen op het plangebied waardoor er een verbetering van het leefklimaat ontstaat.
Afbeelding 6 Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur ODZOB
Belang van veehouderij Nabijgelegen veehouderijen mogen niet in hun ontwikkelmogelijkheden worden beperkt als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. De meest nabijgelegen veehouderijen zijn Hoogstratensebaan 24 (vleeskalveren), Eikelenbosch 11 (varkens), Eikelenbosch 12 (vleeskalveren) en Eikelenbosch 14 (vleeskalveren). Met de onderhavige ontwikkeling worden er geen nieuwe geurgevoelige objecten opgericht. De ontwikkeling, waarbij de varkenshouderij ter plaatse wordt beëindigd en een nieuwe loods voor statische opslag opgericht wordt, heeft dan ook geen gevolgen voor de ontwikkelmogelijkheden van de omliggende bedrijven. Belang omwonenden Voor omwonenden is het van belang dat er als gevolg van het initiatief geen overbelaste situatie ontstaat op het gebied van geur. Het initiatief voorziet in het oprichten van een loods voor statische opslag op de plek van de oude varkensstal. Door het beëindigen van de varkenshouderij is er een afname van de geuremissie op de locatie. De loods ten behoeve van statische opslag zorgt niet voor een nieuwe vorm van geuremissie op de locatie. Het initiatief leidt daarmee tot een verbetering van het woon- en leefklimaat op het gebied van geur. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4.
Luchtkwaliteit
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt eisen aan de concentratie van emissie van verontreinigende stoffen vanuit bedrijven naar de lucht: de emissiegrenswaarden. Er geldt een waarde en ondergrens per stofklasse. Voor kleine bronnen met een jaarlijkse emissie beneden de ondergrens gelden de emissiegrenswaarden niet. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan rijksomgevingswaarden voor lucht. Om de risico’s van luchtverontreiniging voor mens en natuur te beperken, zijn op Europees niveau normen vastgelegd. De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de 25
lucht beïnvloeden. Deze zijn als rijksomgevingswaarden vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. Voor fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) zijn er aparte aandachtsgebieden. Daar zijn de concentraties relatief hoog. Draagt een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging dan is het niet nodig om de omgevingswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide te toetsten. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Als de 3 % grens voor fijn stof of stikstofdioxide niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In artikel 5.54 van het Bkl is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen een plan altijd NIBM is. Indien een plan boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een plan in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. De beoogde ontwikkeling is wat betreft aard en omvang van een kleinschaligere omvang dan een ontwikkeling van 1.500 woningen (grenswaarde nibm). Hierdoor draagt het plan naar verwachting niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Op het plangebied zal het aantal voertuigbewegingen licht toenemen. Deze bevatten in een ‘worst-case’ scenario een weekdaggemiddelde van 37 bewegingen op basis van CROW-publicatie 381. Volgens de CROW-publicatie heeft statische opslag een verkeersgeneratie van 5,7 bewegingen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte. De gebruiksoppervlakte bedraagt 500 m2. De bedrijfswoning heft een verkeersgeneratie van 8,6 bewegingen per woning.
Tabel 4 NIBM-tool
Het planvoornemen betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.
26
Achtergrond Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN 2020) ligt de concentratie PM10 ter plaatse op 14,62 μg/m³ en de PM2,5 op 8,13 μg/m³, zie afbeelding 7 en 8. Daarnaast ligt de concentratie NO2 ter plaatse op 9,83 μg/m³, zie afbeelding 9. In het BKL is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM 10 40 μg/m³ en voor PM2,5 25 μg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 μg/m³. Volgens de is de luchtkwaliteit ter plaatse dan ook voldoende.
Afbeelding 7 Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM10)
Afbeelding 8 Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM2,5).
27
Afbeelding 9 Uitsnede plangebied kaart stikstofoxide (NO2)
4.5.
Gezondheid
Bij ruimtelijke ontwikkelingen speelt gezondheid een belangrijke rol in het creëren van een veilige en leefbare omgeving. Voor deze locatie wordt gekeken naar factoren zoals luchtkwaliteit, geluid en bodemgesteldheid, maar ook naar specifieke risico’s die samenhangen met agrarische activiteiten in de omgeving. Dit betreft onder andere endotoxinen (uit mest en stof), zoönosen (infectieziekten die van dier op mens over kunnen gaan) en het belang van antibioticareductie om resistentieontwikkeling te beperken. Deze aspecten worden beoordeeld om te voorkomen dat de gezondheid van bewoners en gebruikers in het gedrang komt. 4.5.1. Endotoxine Veehouderijen stoten (fijn)stof uit naar de omgeving. Pluimveehouderijen stoten meer (fijn) stof uit dan varkenshouderijen. Varkenshouderijen stoten weer meer uit dan andere veehouderijtakken. Endotoxine is een van de stoffen die wordt verspreid in de omgeving van veehouderijen. Het Endotoxinerapport en het gezondheidsonderzoek van het RIVM (VGO) tonen aan dat er gezondheidsrisico’s kleven aan de verspreiding van stoffen uit stallen. Op grond van het onderzoek Intensieve-veehouderij en Gezondheid (IVG: de voorloper van het VGO-onderzoek) ziet de Gezondheidsraad endotoxine als een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op luchtwegen.
Dit inzicht was voor de Gezondheidsraad aanleiding om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van maximaal 30 EU/m³ (Endotoxin Units) vast te stellen. De Gezondheidsraad is het adviesorgaan voor het Rijk aangaande complexe gezondheidsvraagstukken. Binnen de gemeente Baarle-Nassau worden ruimtelijke ontwikkelingen tevens getoetst aan het endotoxine toetsingskader. Uitgangspunt hierbij is het voorkomen dat bestaande overschrijdingen groter worden en tevens het voorkomen van nieuwe overschrijdingen. Van de endotoxinen-norm gaat ook een omgekeerde werking uit. Dit betekent concreet dat voor de ontwikkeling aan Hoogstratensebaan 44 te Baarle-Nassau bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat endotoxines moeten worden meegewogen en dat wordt gemotiveerd of deze ontwikkeling geen extra belemmeringen oplevert voor omliggende veehouderijen i.v.m. hun endotoxines-uitstoot.
28
Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat geitenhouderijen de grootste bron voor endotoxine uitstoot zijn en dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Niet onomstotelijk is aangetoond dat de verhoging van het aantal gevallen van longontsteking een direct gevolg is van de aanwezigheid van geitenhouderij bedrijven, echter is het vanuit het voorzorgsprincipe wenselijk om hieraan te toetsen. In een omtrek van 2 kilometer rond het plangebied is een geitenhouderij gelegen, hiervoor is de kernregistratie dierverblijven van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. De dichtstbijzijnde geitenhouderij is gelegen op een afstand van ruim 680 meter. Echter worden er geen nieuwe gevoelige gebouwen opgericht. Op basis hiervan is aan te nemen dat de aanwezigheid van geitenhouderijen geen belemmeringen vormen voor het initiatief. In de omgeving zijn enkele varkenshouderijen en pluimveehouderijen gelegen welke endotoxine uitstoten. Dit betreft de varkenshouderijen aan Eikelenbosch 11, Hoogeind 4 en Beemdendreef 3 en de pluimveehouderijen aan Maaijkant 3 en Postelsestraat 3. Daarnaast zijn er meerdere vleesveehouderijen gevestigd in de omgeving waar niet endotoxine gerelateerde dieren worden gehouden. Zoals hieronder wordt aangegeven wordt voldaan aan de minimale afstanden.
De minimale afstanden zijn berekend aan de hand de afstanden van Erbrink. Hierdoor vormt de beoogde ontwikkeling zowel voor het plangebied als voor de omliggende veehouderijen geen belemmering. Locatie
Eikelenbosch 11 Hoogeind 4 Beemdendreef 3 Maaijkant 3
Postelsestraat 3
Veehouderijen met endotoxine-uitstoot Functie PM10 kg/jaar Minimale afstanden tot plangebied (m) Fokken en 544,546 147 houden van varkens Fokken en 1.298,604 199 houden van varkens Fokken en 193,879 85 houden van varkens Fokken en 2.963,350 175 houden van pluimvee – legkippen Fokken en 877,830 182 houden van pluimvee – opfokkippen en mestkuikens