CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

3.3 - Bijlage 1 - TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2 Toelichting

Gemeenteraad (openbaar) 18 februari 2026, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Categorie 3: Raadsinformatiebrieven voor kennisgeving aannemen22.203 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.3.3. Ontwikkelingsrichting voor Ulicoten-Noord en ligging in het landschap

Voor de bebouwingsconcentratie Ulicoten-Noord is het doel een evenwichtige verandering van een primair agrarisch gebied naar een meer gemengde plattelandseconomie. Leegstaande agrarische gebouwen moeten een nieuwe invulling krijgen of gesloopt worden. Het streven is om de ruimtelijke kwaliteit waaronder natuur, landschap en erfgoed te verbeteren. Het doel is een aantrekkelijke en duurzame omgeving, passend binnen het karakter van het gebied. De landschappelijke verschillen tussen het oude en jonge landschap moeten behouden en versterkt worden. Zorgvuldige landschappelijke inpassing en bij het gebied passende architectuur zijn een voorwaarde voor ontwikkelingen. Zichtlijnen op historische en karakteristieke bebouwing moeten behouden en waar mogelijk versterkt worden om de identiteit van het gebied te behouden en beleven. Hierbij moet het verder dichtbouwen van de linten voorkomen worden. De bestaande clusters moeten compact blijven in het landschap. Qua kwaliteitsverbetering zijn er mogelijkheden voor sloop van overtollige (agrarische) bebouwing en de aanleg van groen. Bij ontwikkelingen dient echter wel rekening te worden gehouden met de nog steeds aanwezige agrarische functie in het gebied.

3.3.4. Beschrijving van het initiatief

Het plangebied ligt in het buitengebied van Baarle-Nassau, ten noorden van Ulicoten. De locatie is ongeveer 12.000 m2 in oppervlak. Momenteel staat op het perceel de bebouwing van een voormalig agrarisch bedrijf, bestaande uit een agrarische bedrijfswoning, 3 leegstaande pluimveestallen en aantal kleinere schuren en bijgebouwen. Het gaat om 2.683 m2 aan overtollige bebouwing. In het verleden zat hier een pluimveebedrijf. Het bedrijf is al een tijd gestopt en de milieutoestemmingen zijn al ingetrokken. Het doel van het voorliggende plan is het omzetten van de functie van agrarisch bedrijf

Pagina 20 van 55

naar wonen. Daarbij wordt de bestaande agrarische bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning en worden twee nieuwe woningen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.

3.3.5. Toetsing initiatief aan ontwikkelingsrichting

In het stadium van het conceptverzoek is aangegeven dat ten hoogste twee nieuwe woningen toegestaan kunnen worden, indien passend binnen de milieu-hygiënische situatie. Daarbij is uitgegaan van het huidige bestaande erf. Er is aangegeven dat het ruimtelijk gezien daarom wenselijk is om ongeveer de helft van het nu bebouwde erf aan te houden voor nieuwe bebouwing. Uitgaande van een frontbreedte tussen de 20 en 30 meter voor woningen in het buitengebied zijn 2 woningen voorstelbaar. Op die manier wordt het bestaande erf hergebruikt op een manier waarbij doorzichten naar het omliggende landschap behouden en versterkt worden en waarbij de nieuwe woningen passen bij de schaal van het landschap. Bovendien wordt met de ontwikkeling de voormalige agrarische bebouwing gesloopt en wordt met een storting in het gemeentelijke landschapsfonds voorzien in een bijdrage van €124.434,- voor de aanleg van natuur in of aansluitend aan ecologische verbindingszones in het buitengebied van Baarle-Nassau. Met het bijgevoegde landschappelijke inpassingsplan wordt voorzien dat de nieuwe bebouwing past bij de schaal en karakteristiek van de omgeving en het landschap. Hiermee is het initiatief ook in overeenstemming met de provinciale regels zoals eerder is beschreven in paragraaf 3.1.2. van deze motivering.

3.3.6. Conclusie

Het initiatief aan de Maaijkant 2 sluit aan bij de ontwikkelingsrichting van Ulicoten-Noord en voldoet aan de voorwaarden van zowel de gemeentelijke Omgevingsvisie als de provinciale Omgevingsverordening. Het initiatief ligt binnen een bebouwingsconcentratie en draagt bij aan kwaliteitsverbetering door sloop van overtollige bebouwing. Ook wordt de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van het (plan)gebied versterkt. Verdere verstening is niet aan de orde en het bestaande lint wordt niet verder dichtgebouwd. De sloop van bebouwing en investering in landschap en natuur zijn juridisch te borgen via de planregels van voorliggend plan en via overeenkomst met initiatiefnemer. Hiermee is sprake van een evenwichtige herontwikkeling van het plangebied in het landelijke gebied, passend binnen de beleidsdoelen van gemeente en provincie.

Pagina 21 van 55

4. Toetsing aan het omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen en de bruidsschat. In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan dit omgevingsplan en worden de strijdigheden beschreven. Conform het bestemmingsplan ‘Buitengebied – partiële herziening 1994’ van de gemeente BaarleNassau, aldus vastgesteld op 26 januari 1995 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 19 september 1995, heeft de planlocatie aan de Maaijkant 2 te Ulicoten de volgende bestemmingen en aanduidingen toegekend gekregen, zie Afbeelding 3: - ‘Agrarisch gebied’; - ‘Bouwvlak’; - ‘Archeologie 2’.

Afbeelding 4: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied – partiële herziening 1994’

De beoogde ontwikkeling is niet passend binnen het huidige omgevingsplan. Binnen de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied – partiële herziening 1994’ is echter wel een mogelijkheid opgenomen om de agrarische bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning middels een wijzigingsbevoegdheid (artikel 34 lid 1 sub h van het bestemmingsplan ‘Buitengebied – partiële herziening 1994’). De ontwikkeling van woningen middels het toepassen van de maatwerkregeling is echter niet opgenomen als wijzigingsbevoegdheid. Onderstaand wordt getoetst aan de wijzigingsbevoegdheid voor het wijzigen van de agrarische functie in een woonfunctie. Hiermee wordt aangetoond dat de wijziging planologisch aanvaardbaar is.

Pagina 22 van 55

h. het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een agrarisch bouwvlak, in de bestemming ‘woondoeleinden’ ten behoeve van de gehele of gedeeltelijke herbouw of verbouw van de daarin gelegen agrarische bedrijfswoning(en) en eventueel bedrijfsgedeelten, voor woondoeleinden die geen verband houden met enige tak van agrarische bedrijfsvoering, met inachtneming van het navolgende: 1. De wijziging wordt uitsluitend toegepast indien het agrarische bedrijf binnen het betreffende bouwvlak blijvend aan de agrarische bedrijfsvoering is onttrokken, vanwege het ontbreken van een aanvaardbare continuïteit van het agrarische bedrijf; De pluimveehouderij op locatie is reeds beëindigd.

2. Gelet op de ligging van de te wijzigen agrarische bedrijfsvoering ten opzichte van de omringende agrarische bebouwing, behoeft geen vrees te bestaan voor het ontstaan van ernstige hinder over en weer, of voor verzwaring hiervan;

Middels een onderzoek woon- en leefklimaat is reeds onderzocht of de ontwikkeling niet zorgt voor belemmeringen van de omliggende veehouderijen op het aspect geur en tevens is er gekeken of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De gemeente Baarle-Nassau heeft een beleidsregel opgesteld waarin geurnormen zijn vastgesteld met betrekking tot de veehouderijen waar dieren worden gehouden met geuremissie factor. Er kan worden voldaan aan deze waarden welke zijn vastgesteld in de geurverordening van de gemeente. Derhalve kan er worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet zorgt voor een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving. Het onderzoek naar een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is in paragraaf 5.9 van deze motivering nader toegelicht. Het dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijf is gelegen aan de Maaijkant 2b te Ulicoten. Dit betreft een timmerbedrijf. Zoals blijkt uit de toetsing aan de activiteiten- en milieuzonering, paragraaf 5.6, zal er geen ernstige hinder over en weer ontstaan.

3. De wijziging is uitsluitend van toepassing op de agrarische bedrijfswoning, eventueel met de daarbij gebouwde bedrijfsgebouwen en het bijbehorend omliggend erf; Daarbuiten wordt het bouwvlak verwijderd;

De wijziging is uitsluitend van toepassing op de agrarische bedrijfswoning met bijgebouwen en het bijbehorend omliggend erf. Het volledige agrarische bouwvlak zal worden verwijderd. Naast de functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning zullen ook twee woningen middels de provinciale maatwerkregeling worden gerealiseerd.

4. Het aantal woningen wordt niet vermeerderd, behoudens een woningsplitsing in ten hoogste 2 woningen, uitsluitend indien: a. Woningsplitsing de enige redelijke mogelijkheid is tot handhaving van een karakteristiek object; of b. De betreffende agrarische bedrijfswoning gelegen is in een reeds bestaande woningcluster of lintbebouwing; Het aantal woningen zal op grond van de maatwerkregeling worden vermeerderd met een twee woningen. Er zal geen sprake zijn van woningsplitsing.

5. Het oppervlak van de bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen wordt niet vergroot;

Het oppervlak van de bedrijfswoning en de bedrijfsgebouwen wordt in de beoogde situatie niet vergroot. Er zullen circa 200 m2 aan bijgebouwen bij de woning behouden blijven. Overtollige voormalige bedrijfsbebouwing zal worden gesloopt.

6. Voor het overige zijn de bepalingen van de bestemming ‘Woondoeleinden’ overeenkomstig van toepassing.

De bepalingen van de functie ‘Woondoeleinden’ worden vastgelegd in de regels van dit Omgevingsplan.

Pagina 23 van 55

Conclusie

Op grond van bovenstaande toetsing wordt geconcludeerd dat er beleidsmatig geen belemmeringen zijn voor de beoogde functiewijziging.

Pagina 24 van 55

5. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

Op grond van het bepaalde in het Bkl dient te worden aangetoond of met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten wordt in dit hoofdstuk beschreven of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.1. M.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over projecten. Het gaat hierbij enkel om projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Voor dergelijke plannen moet worden beoordeeld of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Indien een plan aanzienlijke milieueffecten kan hebben, dient bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport te worden opgesteld.

In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn de plannen zoals bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet, opgenomen. Voor deze plannen moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien het plan is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Indien de waarden in kolom 2 van de Bijlage V van het Omgevingsbesluit worden overschreden dient er een milieueffectrapport te worden opgesteld. Indien de waarden in kolom 2 niet overschreden worden dient er een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Categorie J11 is van toepassing bij onderhavig initiatief. Deze categorie betreft namelijk stedelijke ontwikkelingsplannen met inbegrip va de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Wanneer er een aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling plaatsvindt is een m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing. Een stedelijke ontwikkeling betref in beginsel onder andere het realiseren van meer dan 11 woningen. Aangezien in de beoogde ontwikkeling slechts twee woningen worden toegevoegd en een bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een m.e.r.-(beoordeling) en het doorlopen van de bijbehorende procedure. De afzonderlijke milieuparagrafen in deze motivering concluderen gezamenlijk dat geen aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten en dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiermee wordt inhoudelijk geconcludeerd dat het opstellen van een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is. 5.2. Ladder voor duurzame verstedelijking In geval van stedelijke ontwikkeling moet de Ladder voor duurzame verstedelijking worden toegepast. Deze is wettelijk vastgelegd in artikel 5.129g, Bkl. Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken. Het eerste lid van artikel 5.129g is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd:

‘ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ De beoogde ontwikkeling betreft de ruimtelijke ontwikkeling van een woningbouwlocatie. In navolging van jurisprudentie (uitspraak ECLI:NL:RVS:2015:953) is de ontwikkeling van 12 woningen of meer aan

Pagina 25 van 55

te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de beoogde ontwikkeling wordt er een bestaande bedrijfswoning herontwikkeld in een woonfunctie en worden twee extra woningen gerealiseerd op de locatie. Derhalve is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing. 5.3. Duurzaamheid & gezondheid

5.3.1. Duurzaamheid

Het meenemen van duurzaamheid in nieuwbouw plannen wordt door steeds meer partijen belangrijk gevonden. Het integreren van duurzaamheid in nieuwbouw plannen biedt kansen in iedere fase van een plan. Zo kan met een slimme ruimtelijke planning het energieverbruik van gebouwen terug gedrongen worden, bijvoorbeeld door zongericht verkavelen. In het ontwerp van een gebouw kan door de juiste materiaalkeuze de impact op milieu verlaagd worden, door bijvoorbeeld het vermijden van uitlogende materialen als zink of door het gebruik van gerecyclede materialen. Het gebruik van natuurvriendelijke materialen binnenshuis kan het binnenklimaat verbeteren. Dit resulteert in een gezonde en toekomst bestendige leefomgeving, met onder andere een hogere kwaliteit en comfort, alsook lagere vaste (energie)lasten. De ontwikkelingen binnen het plangebied sluiten aan op de duurzaamheidsdoelstellingen waar heel Nederland naar streeft. Nieuwe woningen mogen per 1 juli 2018 niet meer aangesloten worden op het gasnetwerk, maar dienen met duurzamere en schonere energievoorzieningen gerealiseerd te worden. Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.3.1.1.

Endotoxinen

Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniaksecundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. Uit de vervolgonderzoeken is o.a.

gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. De dichtstbijzijnde veehouderij, gemeten vanaf de rand van het bouwvlak, ten opzichte van de planlocatie ligt aan Maaijkant 11 op een afstand van circa 50 meter. Dit betreft een Varkenshouderij. Voor varkenshouderijen kunnen er effecten optreden in het kader van volksgezondheid vanwege geuren fijnstofemissie. Iedere veehouderij moet echter voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën),

Pagina 26 van 55

chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.

5.3.1.1.1.

Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden

Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden, zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevant component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: ▪ Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; ▪ Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; ▪ Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties.

De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO-onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. Op 16 juni 2017 is het eerste vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd. Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd.

Er zijn sterke aanwijzingen dat (componenten van) fijnstof van geitenhouderijen mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet uitgesloten worden. Deze associatie is ook voor pluimveehouderijen gevonden, hetzij aanzienlijk zwakker. Uit luchtwegmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een intensieve veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. Wat betreft fijnstof is de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden van de bijdrage van vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie. In de eerste twee onderzoeken zijn de gezondheidsrisico’s onderzocht aan de hand van gegevens uit huisartsenpraktijken over de periode 2007 t/m 2013. Op 1 september 2018 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III’ gepubliceerd. Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd. Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen. De associatie tussen het

Pagina 27 van 55

voorkomen van longontsteking en het wonen in de nabijheid van pluimveehouderijen zou namelijk mogelijk verklaard kunnen worden door de uitstoot van fijnstof en endotoxinen door deze bedrijven, al dan niet in combinatie met de al aanwezige achtergrondblootstelling. Deze veronderstelling lijkt voor geitenhouderijen echter minder voor de hand liggend, omdat de emissie van fijnstof en endotoxinen beperkt is. Uit de onderzoeksresultaten van deze tweede vervolgstudie blijft dezelfde verhoging voor het aantal longontstekingen bij omwonenden binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen zichtbaar als in de jaren daarvoor. Voor legpluimveehouderijen kan deze verhoging niet (meer) statistisch significant worden aangetoond. Voor vleeskuikenbedrijven alleen in 2014, ondanks dat de emissie van fijnstof hier relatief gezien hoger is dan van legpluimveehouderijen. Conclusie uit deze vervolgstudie is dan ook dat er meer onderzoek zal moeten plaats vinden naar de oorzaak van de associatie tussen longontsteking en het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen.

5.3.1.1.2.

Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid toetsing

Naar aanleiding van het eerste VGO-onderzoek wordt momenteel door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, een landelijk toetsingskader ontwikkeld voor endotoxine. In afwachting hierop is door het ondersteuningsteam van bestuurders van gemeenten in Brabant in 2016 de notitie ‘Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Aan de hand van deze notitie kan het risico van de verspreiding van endotoxinen van uitbreidende veehouderijen beoordeeld worden. Gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Daar waar de advieswaarde al wordt overschreden willen ze voorkomen dat de overschrijding toeneemt. Een standstil van de emissie fijnstof-endotoxine is dus gewenst. Bij voorkeur wordt er een reductie van de emissie bereikt. Omdat endotoxinen zich met (fijn)stofdeeltjes naar de omgeving verspreiden zijn in het Toetsingskader endotoxinen op basis van de fijnstofemissie afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld. Het dichtstbijzijnde intensieve veehouderijbedrijf is de varkenshouderij aan Maaijkant 11 met een PM10-emissie van circa 163 kg/jaar.

Volgens het Endotoxine-toetsingskader 1.0 hoort daarbij een richtafstand van 74 meter tussen woningen en het dichtstbijzijnde emissiepunt. Voor Maaijkant 11 is op 28 september 2022 het bestemmingsplan ‘Maaijkant 11 – 2021’ vastgesteld, waarin het toekomstige bouwplan is vastgelegd. Voor dit bouwplan is op 3 oktober 2023 een omgevingsvergunning milieu verleend. In de toelichting bij het bestemmingsplan ‘Maaijkant 11 – 2021’ staat eveneens dat in het kader van endotoxinen een richtafstand van 74 meter geldt. In diezelfde toelichting is aangegeven dat de afstand tussen de dichtstbijzijnde (toekomstige) varkensstal en de woning aan Maaijkant 2 132 meter bedraagt. Dit is groter dan de richtafstand van 74 meter. Voor de nieuw te bouwen woningen geldt dat deze op grotere afstand van de varkenshouderij aan Maaijkant 11 worden gerealiseerd dan de woning aan Maaijkant 2. De afstand tussen de nieuw te bouwen woningen en de varkenshouderij aan Maaijkant 11 bedraagt daardoor meer dan 132 meter, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de minimale richtafstand van 74 meter. Tevens is aan Maaijkant 3 een leghennenbedrijf gelegen. Dit bedrijf heeft een vergunde fijnstofemissie van 2.964 kg/jaar. Dit correspondeert met een endotoxine-richtafstand van 175 meter. De dichtstbijzijnde emissiepunten van dit bedrijf liggen op circa 300 meter van de toekomstige woningen.

De bestaande (voormalige) bedrijfswoning ligt op een nog grotere afstand. Ten aanzien van Maaijkant 3 zijn daarom geen belemmeringen te verwachten. Gelet op bovenstaande toetsing kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de planlocatie wordt voldaan aan de advieswaarde voor endotoxinen van 30 EU/m³.

Pagina 28 van 55

5.4. Verkeersgeneratie, - afwikkeling & parkeren Binnen het plangebied dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, schrijft in ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ kencijfers ten aanzien van parkeren en verkeersgeneratie voor uiteenlopende activiteiten voor.

5.4.1. Verkeer

Het plangebied is gelegen aan de Maaijkant. Dit betreft een weg gelegen in het buitengebied van Ulicoten welke met name gebruikt wordt voor bestemmingsverkeer. De weg beschikt over voldoende capaciteit om de verkeersbewegingen van een tweetal extra woningen af te wikkelen. De beoogde ontwikkeling heeft, planologisch, bovendien een afname in verkeersbewegingen tot gevolg, aangezien de agrarische bedrijfsfunctie volledig wordt gesaneerd. Voor een agrarisch bedrijf moet immers voer, mest etc. aan- en afgevoerd worden. In de beoogde situatie wordt het plangebied uitsluitend nog gebruikt voor woondoeleinden. Hiermee zijn de verkeerbewegingen van en naar het plangebied in de beoogde situatie vele malen minder dan in de bestaande planologische situatie het geval is.

5.4.2. Parkeren

Naast het aspect verkeer dient tevens voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn binnen het plangebied. Voor dit plan wordt aangesloten bij de Nota Parkeernormen Baarle-Nassau (2011). De twee nieuwe woningen worden groter dan 100 m². Daarvoor geldt een norm van 2 parkeerplaatsen per woning, te realiseren op eigen terrein. In het ontwerp heeft elke woning een garage met een lange oprit (≥ 12 m). Volgens de Nota telt dit als twee volwaardige parkeerplaatsen per woning. De parkeervraag wordt daarmee per woning op het eigen erf opgelost en er ontstaat geen druk op de openbare ruimte. 5.5. Natuur De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van weten regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

5.5.1. Gebiedsbescherming

De Omgevingswet voorziet met het oog op behoud van biodiversiteit, in regels ter bescherming van Natura 2000-gebieden zoals de aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden. Daarnaast verplicht de wet dat voor bepaalde projecten, plannen en handelingen die invloed hebben op Natura 2000gebieden sprake is van een vergunningsplicht op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is beschermd middels regel in de Bkl. In paragraaf 7.3.1 van het Bkl zijn regels opgenomen dat provincies deze beschermingsregels in de Omgevingsverordening dienen op te nemen. Het gaat hier met name om het aanwijzen en de geometrische begrenzing vastleggen van de Natuur gebieden. Daarnaast worden in de Omgevingsverordening regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Hierbij worden de doelstellingen van het gebied in acht genomen. In Nederland zijn 161 Natura 2000gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn het Ulvenhouts Bos en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld.

Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege

Pagina 29 van 55

te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een omgevingsvergunning voor de activiteit natuur wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft het Belgische gebied ‘Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop’, dat op een afstand van circa 3,3 kilometer ligt. Op circa 6 kilometer van het plangebied is het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000gebied ‘Ulvenhouts Bos’ gelegen. In Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Om het effect van de beoogde ontwikkeling op de Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken zijn berekeningen van de aanleg- en de gebruiksfase gemaakt. Middels het rekenprogramma AERIUS wordt de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden.

Indien er wel sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat in de aanleg- en gebruiksfase geen sprake zal zijn van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. De berekeningen en een toelichting op de invoergegevens zijn toegevoegd als separate bijlagen (zie bijlagen 3 en 4). Er zijn derhalve geen negatieve effecten op stikstofgevoelige habitats- en leefgebieden van soorten in Natura 2000 gebieden. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. Vanwege de ruime afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk.

5.5.2. Soortenbescherming

De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in het Bal. In afdeling 11.2 van het Bal zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IX onder A en B bij het Bal. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. Het Bal regelt de bescherming van alle in Nederland in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.

In het Bal is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast

Pagina 30 van 55

is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Maaijkant 2, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te slopen gebouwen en nieuw op te richten woningen, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan.

5.5.2.1.

Quickscan flora en fauna

Voor Maaijkant 2 in Ulicoten is een ecologische quickscan uitgevoerd om te beoordelen of de herontwikkeling (sloop van agrarische bebouwing met woningbouw/functiewijziging en landschappelijke inpassing) past binnen de regels voor gebieds- en soortenbescherming. De quickscan bestond uit bureauonderzoek (o.a. NDFF) en een veldbezoek op 21 maart 2024. Daarmee is de actuele natuurwaarde van het erf, de directe omgeving en de mogelijke effecten van de plannen in beeld gebracht. Uit het onderzoek volgt dat Natura 2000-gebieden op ruime afstand liggen (o.a. Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske op minimaal circa 4,3 km) en dat het plangebied niet in het Natuurnetwerk Nederland ligt; dichtstbijzijnde NNN-gebied is Het Groot Vergoor op circa 410 meter. Externe effecten zijn, gelet op aard en omvang van het plan, niet te verwachten; voor stikstofdepositie wordt geadviseerd dit met een AERIUS-berekening te onderbouwen om zekerheid te geven dat verslechtering van habitats uitblijft. Op soortenniveau zijn met name kansen en risico’s voor vleermuizen beoordeeld. In te slopen gebouwen zijn openingen en spouwruimtes aanwezig en langs de weg staat een berkenrij met holtes; daarmee zijn verblijfplaatsen in bebouwing of bomen en gebruik als vliegroute niet op voorhand uit te sluiten.

Daarvoor is nader onderzoek conform het Vleermuisprotocol aanbevolen; dat onderzoek bepaalt of mitigerende maatregelen of een vergunning in het kader van soortenbescherming nodig zijn. Voor vogels geldt dat algemene broedgevallen kunnen voorkomen in bomen en struiken op het erf en in de omgeving; in de berkenrij zijn eksternesten gezien. Door kap- en sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (of voorafgaand te controleren op actieve nesten) kunnen overtredingen worden voorkomen. Jaarrond beschermde nesten van soorten als uilen of huismus zijn niet aangetoond; het woonhuis blijft daarbij geschikt habitat bieden. Andere soortgroepen leveren geen knelpunten op. Sporen van marterachtigen zijn niet gevonden en geschikte biotopen voor amfibieën, reptielen, vissen, libellen en beschermde dagvlinders ontbreken op het erf, mede doordat oppervlaktewater en specifieke waardplanten ontbreken. Eventuele aanwezigheid van algemene, vrijgestelde grondgebonden soorten (bijv. egels of muizen) kan met zorgplichtmaatregelen worden ondervangen. De berkenrij omvat meer dan twintig bomen en valt daardoor onder de regels voor houtopstanden buiten de bebouwde kom (meld-/herplantplicht). Bij voorgenomen kap moet hiermee rekening worden gehouden en zo nodig een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden worden aangevraagd of een herplant worden geborgd.

De NDFF-gegevens bevestigen het beeld van een agrarisch cultuurlandschap met vooral algemene broedvogels (o.a. koolmees, huismus, buizerd, spreeuw) en incidentele waarnemingen van gewone dwergvleermuis; deze context is gebruikt als onderbouwing van de effectbeoordeling.

Pagina 31 van 55

Het juridische kader is de Omgevingswet (gebieds- en soortenbescherming), waarbij naast de Vogelen Habitatrichtlijnsoorten ook nationaal beschermde soorten en regels voor houtopstanden van belang zijn; de lijsten met beschermde soorten die in het rapport zijn opgenomen vormen daarbij de basis. Alles bij elkaar kan de herontwikkeling ecologisch verantwoord plaatsvinden. Belangrijk is dat vooraf het geadviseerde nader vleermuizenonderzoek wordt uitgevoerd, dat kap en sloop niet in het broedseizoen plaatsvinden (of na een negatieve controle), dat bij eventuele kap van de berkenrij aan meld-/herplantplichten wordt voldaan en dat tijdens uitvoering en gebruik zorgvuldig met verlichting en werkvolgorde wordt omgegaan. Het gehele onderzoek is opgenomen als bijlage 5.

5.5.2.2.

Nader onderzoek vleermuizen

Voor Maaijkant 2 in Ulicoten is door Brabant Eco (rapport 22-09-2025, nr. 2025-BE-0871) nader vleermuisonderzoek gedaan vanwege de sloop van agrarische bebouwing en de bouw/ functiewijziging van woningen. Het onderzoek is uitgevoerd volgens het Vleermuisprotocol 2021, met vijf avond- en ochtendrondes tussen mei en september. Met batdetectors zijn stallen, bomenrijen en erfstructuren onderzocht en zijn recente waarnemingsgegevens uit de omgeving meegenomen. Tijdens het veldwerk zijn geen zomer- of kraamverblijven, paarplaatsen of baltsactiviteiten vastgesteld. Daarmee kunnen vaste rust- en voortplantingsplaatsen op het erf worden uitgesloten. Wel foerageren af en toe enkele gewone dwergvleermuizen (maximaal circa vier dieren) langs de bomenrij aan de westzijde; de laatvlieger is incidenteel waargenomen. Er zijn geen vaste vliegroutes over het erf gevonden en de locatie ligt buiten zones waar aanvullend onderzoek naar meervleermuis-kolonies nodig is. Recente gegevens binnen 2 kilometer bevestigen dit beeld: vooral de gewone dwergvleermuis komt hier voor. De ontwikkeling tast dus geen verblijfplaatsen aan. Als tijdens de uitvoering en in de gebruiksfase onnodige lichtverstoring wordt voorkomen, blijft de beperkte foerageerfunctie behouden. Juridisch betekent dit dat de verboden uit de soortenbescherming (art.

11.46 Bal) niet worden overtreden en dat de staat van instandhouding van de betrokken soorten niet in het geding komt. In een aanvullende ecologische verantwoording is toegelicht waarom één van de veldrondes niet in juni heeft plaatsgevonden: vanwege uitzonderlijk droge voorjaarsomstandigheden met lage insectenactiviteit is het slotbezoek, om representatieve waarnemingen in de kraamperiode te borgen, direct na neerslag begin juli uitgevoerd. Dit wijzigt de onderzoeksopzet niet en doet geen afbreuk aan de dekking en beoordelingswaarde. Het volledige onderzoek, inclusief de ecologische verantwoording, is als bijlage 9 opgenomen. 5.6. Activiteiten en milieuzonering Het omgevingsplan van een gemeente bevat de regels voor de fysieke leefomgeving op gemeentelijk niveau. In het omgevingsplan worden regels gesteld voor activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Voor het gehele grondgebied van de gemeente bevat het omgevingsplan in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze regels kunnen dus onder andere worden gesteld voor activiteiten. De handreiking ‘Activiteiten en Milieuzonering’ is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming.

Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een passende locatie ten opzichte van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de milieuwaarden en bijbehorende contouren in beeld te brengen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijke milieuaspecten geur en geluid. De handreiking geeft voor beide aspecten de milieuwaarden voor verschillende activiteiten. Aan deze milieuwaarden kunnen contouren worden

Pagina 32 van 55

gekoppeld. Deze contouren zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype). Waar slechts (incidenteel) activiteiten (anders dan wonen) plaatsvinden. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). Het plangebied ligt in gemengd gebied aangezien het gebied wordt aangegeven als een bebouwingsconcentratie. Er is derhalve sterke functie mening in het gebied, er liggen verschillende woonfuncties en (niet) agrarische bedrijfsfuncties. Dit houdt in dat de richtafstand met één afstandsstap verkleind mag worden. In de beoogde situatie vindt een functiewijziging plaats van een voormalige agrarische bedrijfslocatie en een perceel landbouwgrond naar een woonfunctie.

Een woonfunctie heeft geen richtafstanden toegekend gekregen in de VNG-publicatie. Echter dient er te worden bekeken of de beoogde functiewijziging en realisatie van de nieuwe woningen geen belemmering vormt voor de omliggende functies welke aanwezig zijn. Het dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijven zijn gelegen aan de Maaijkant 2b en Maaijkant 6 te Ulicoten. Aan de Maaijkant 2b is een timmerbedrijf gevestigd. Een timmerbedrijf is volgens de Activiteiten en milieuzonering vergelijkbaar met een aannemersbedrijf. Een aannemersbedrijf heeft, conform de activiteiten en milieuzonering, een milieucategorie 2, mits de oppervlakte aan bebouwing met betrekking tot het aannemersbedrijf minder dan 1.000 m2 bedraagt. Een milieucategorie 2 bedrijf heeft een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Het bedrijf aan de Maaijkantsestraat 2b te Ulicoten is op minimaal 40 meter van de beoogde woningen gelegen. Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat de beoogde functiewijziging en de realisatie van de woningen niet zullen leiden tot beperkingen voor de (uitbreiding van het) aannemersbedrijf. Aan de Maaijkant 6 te Ulicoten is een steigerbouwbedrijf gevestigd. Een steigerbouwbedrijf is volgens de activiteiten en milieuzonering vergelijkbaar met een aannemersbedrijf.

Een aannemersbedrijf heeft, conform de activiteiten en milieuzonering, een milieucategorie 2, mits de oppervlakte aan bebouwing met betrekking tot het aannemersbedrijf minder dan 1.000 m2 bedraagt. Een milieucategorie 2 bedrijf heeft een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Het bedrijf aan de Maaijkantsestraat 6 te Ulicoten is op minimaal 60 meter van de beoogde woningen gelegen. Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat de beoogde functiewijziging en de realisatie van de woningen niet zullen leiden tot beperkingen voor de (uitbreiding van het) aannemersbedrijf. Voor wat betreft de omliggende agrarische bedrijven wordt verwezen naar het onderzoek woon- en leefklimaat, zoals opgenomen in bijlage 7 bij deze motivering. Uit dit onderzoek blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet zorgt voor een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.

Conclusie

Uit bovenstaande valt te concluderen dat er ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden uit de activiteiten en milieuzonering, waardoor sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.7. Luchtkwaliteit In het Bkl is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl omgevingswaarden voor de buitenlucht opgenomen. Deze waarden betreffen grenswaarden van concentraties voor onder andere zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en

Pagina 33 van 55

benzeen. Om een evenwichtige toedeling van de nieuwe functie op de locatie te waarborgen dient voor het aspect luchtkwaliteit enerzijds onderzocht te worden of de ontwikkeling voldoet aan de wettelijke grenswaarden. Anderzijds moet worden beoordeeld of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.7.1. Toetsing normen luchtkwaliteit

Op grond van het Bkl (paragraaf 2.2.1.1) zijn omgevingswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de gemiddelde jaarconcentratie van NO 2 geldt een grenswaarde van 40 μg/m3. In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan het Bkl in beeld te worden gebracht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht.

Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe functie betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen die, als genoemd in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl, niet in betekenende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Voor de volgende categorieën kan getoetst worden of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties; ▪ Combinatie van woningbouw en kantoren; ▪ Categorie inrichtingen. Het initiatief betreft het omzetten van de (voormalige) bedrijfswoning naar burgerwoning en het realiseren van twee nieuwe woningen. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (artikel 5.54, onder b, onder 1, Bkl).

Aangezien met het initiatief slechts twee nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens.

5.7.2. Woon- en leefklimaat

Indien aan de grenswaarden zoals beschreven in voorgaande alinea wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Jaarlijks wordt door RIVM onderzocht wat de achtergrondconcentratie is van verschillende stoffen. Het ruimtelijke patroon van de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 toont in het noorden van Nederland en in Zeeland lagere waarden dan in de rest van Nederland. De hogere bijdrage van buurlanden, de bijdrage van lokale bronnen (zoals industrie en intensieve veehouderij) en de hogere aandelen van secundair fijnstof zorgen voor hogere fijnstof concentraties in zuiden en oosten van Nederland. Secundair fijnstof is fijnstof dat in de lucht wordt gevormd uit bijvoorbeeld ammoniak en stikstofoxiden.

Pagina 34 van 55

De waarden van de verschillende stoffen worden door het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit gebruikt om Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN) te maken. Volgens deze kaarten wordt in Nederland bijna overal aan de wettelijke grenswaarden voldaan. Lokaal kan de grenswaarde voor fijnstof wel overschreden worden op grote industrieterreinen zoals de Maasvlakte en TataSteel. Ook bij gebieden met een hoge concentratie aan pluimveehouderijen kan lokaal sprake zijn van een overschrijding van de wettelijke grenswaarden. In de omgeving van de planlocatie zijn geen pluimveehouderijen of zware industrie te vinden. Hierdoor kan met zekerheid gesteld worden dat de grenswaarden voor de jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie niet worden overschreden. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 15,63 μg/m3, PM2,5 8,614 μg/m3 en voor NO2 9,849 μg/m3, zie afbeelding 5, 6 en 7.

Afbeelding 5: Uitsnede GCN en GDN kaart, Fijnstof (PM10), locatie met rode cirkel aangegeven

Pagina 35 van 55

Afbeelding 6: Uitsnede GCN en GDN kaart, Fijnstof (PM10), locatie met rode cirkel aangegeven

Afbeelding 7: Uitsnede GCN en GDN kaart, Stikstof (NO2), locatie met rode stip aangegeven

Ten aanzien van de luchtkwaliteit is er ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.8. Geluid Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Ook zijn direct werkende regels in het (tijdelijk) omgevingsplan opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit.

Pagina 36 van 55

In de omgeving van het plangebied liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. Het plangebied ligt wel binnen het geluidszone van de Maaijkant. Door de realisatie van twee nieuwe geluidsgevoelige objecten, is een akoestisch onderzoek noodzakelijk. Binnen de geluidszone van deze weg is aandacht vereist voor de geluidsbelasting op de gevel van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Met het initiatief worden twee nieuwe geluidsgevoelige objecten opgericht in de vorm van woningen. Met betrekking tot wegverkeerslawaai dient de gevelbelasting op dit object derhalve in beeld gebracht te worden. Er dient getoetst te worden aan de normstelling van artikel 5.1.4.2a.4 van het Bkl. De standaardwaarde voor een Rijks- of provinciale weg bedraagt 50 Lden, wanneer het een gemeentelijke of waterschapsweg betreft is de standaardwaarde 53 Lden. Indien de standaardwaarde wordt overschreden is de ontwikkeling toch mogelijk indien er maatregelen worden getroffen. De maximale grenswaarde voor de wegen bedraagt 60 Lden afkomstig van Rijks- of provinciale wegen en 70 Lden afkomstig van gemeentelijke of waterschepswegen. Er is daarom een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai uitgevoerd op 10 april 2024 door Gbs Milieuadvies, zie bijlage 6, voor de beoogde woningen. De bestaande woning betreft een bestaande functie en zal in de beoogde situatie niet wijzigen.

Uit de rekenresultaten blijkt dat de waarde van geluid vanwege het wegverkeer op de gemeente/waterschapswegen ten hoogste 50 dB Lden bedraagt. De standaardwaarde van 53 dB Lden conform art. 5.87t uit het Bkl wordt derhalve niet overschreden. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 5.9. Geur In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot geurhinder van dierenverblijven. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen (ten opzichte van de bruidsschat) vaststelt in het Omgevingsplan. Deze regels zijn afkomstig van de beoordelingsregels zoals opgenomen in het Bkl. Indirect heeft de wetgeving ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Worden bedrijven in de omgeving onevenredig belemmerd door de beoogde ontwikkeling? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat voor wat betreft het aspect geur gegarandeerd? In het kader van geur heeft een onderzoek plaatsgevonden in het kader van het woon- en leefklimaat.

Uit het onderzoek blijkt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 7. 5.10. Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste (overdrachts)maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen, zoals bijvoorbeeld een dichte haag.

Pagina 37 van 55

Doordat de beoogde nieuwe woningen op meer dan 50 meter van aangrenzende landbouwgronden worden gerealiseerd, zijn er in het kader van spuitzones geen belemmeringen te verwachten. De planlocatie heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones. 5.11. Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging gemaakt worden of de beoogde ontwikkeling passend dan wel gewenst is binnen de locatie. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag het omgevingsplan wijzigen. Er is op dit moment wel een goede motivering nodig om van het beleid af te wijken. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit op een locatie. In bijlage VII zijn de milieubelastende activiteiten die relevant zijn voor het aspect veiligheid omschreven.

5.11.1. Beleid

Binnen het aspect omgevingsveiligheid zijn verschillende begrippen relevant. Onderstaand worden de belangrijkste begrippen toegelicht. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze persoon bevindt zich onafgebroken (24 uur per dag) en onbeschermd op één bepaalde plaats. Het plaatsgebonden risicocontour geld niet voor werknemers of bezoekers van de milieubelastende activiteit. De grens- en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze waarden worden ruimtelijk vertaald in afstanden die tot gebouwen en locaties in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties zijn (artikel 5.7 in het Bkl) grenswaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10 -6/jaar). Deze grenswaarden (harde norm) moeten in acht genomen worden. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Kwetsbare gebouwen en locaties kunnen hier tijdelijk afwijken gedurende een periode van ten hoogste drie jaar (artikel 5.10 van het Bkl.) Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde.

In basis moet aan de norm van PR-10-6-contour voldaan worden, tenzij er (goede) redenen zijn om af te wijken. De redenen en de afweging van de risico’s moeten nader gemotiveerd worden. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting door een ongeluk met gevaarlijke stoffen. Door te kijken naar het gebied waar dan een groep van ≥10 personen tegelijk kan overlijden als er iets fout gaat. Het groepsrisico is geen harde norm, het bevoegd gezag moet er rekening mee houden bij het toestaan van bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen. In het omgevingsplan en bij de vergunningverlening. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16496324/1