CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

3.3 - Bijlage 1 - TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2 Toelichting

Gemeenteraad (openbaar) 18 februari 2026, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Categorie 3: Raadsinformatiebrieven voor kennisgeving aannemen22.203 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Pagina 38 van 55

regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig bepaald conform bijlage VII van het Bkl. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Voorschriftengebied De gemeente kan binnen aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan (art. 5.14 Bkl). In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Locaties voor nieuwe zeer kwetsbare gebouwen in een brandof explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Register Externe Veiligheidsrisico’s In het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) zijn de risico’s met gevaarlijke stoffen vastgelegd.

De afstanden met betrekking tot het plaatsgebonden risico, brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied vuurwerk, civiele of militaire explosieaandachtsgebied wordt visueel weergegeven via geografische kaarten zoals de kaart van Atlas Leefomgeving en EV signaleringskaart. Op deze kaart zijn onder andere de PR-10-6-contour en aandachtsgebieden visueel weergegeven. Transportroutes De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor transportroutes als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, over het basisnet zijn opgenomen in Bijlage VII, onder C, van BKL. Bijlage VII, onder C verwijst naar bij ministeriële regeling aangewezen afstanden voor het plaatsgebonden risico. Conform artikel 2.23 (aandachtsgebieden) van de Omgevingsregeling betreffen dit de afstanden zoals opgenomen in Bijlage 1 van de Regeling basisnet voor wegen en Bijlage 2 van de Regeling Basisnet voor spoorwegen. In Bijlage VII, onder C zijn voor brandaandachtsgebieden een afstand van 30 meter en voor een explosie aandachtgebied 200 meter opgenomen. Buisleidingen De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor buisleidingen (als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving) zijn berekend (zie Bijlage VII, onder D, onder 2 van BKL. Deze afstand is geregistreerd in het REV en weergegeven op de geografische kaarten.

5.11.2. Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan de normen uit de hierboven genoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de standaardwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. De toetsing begint met een inventarisatie van de omgeving, weergegeven in onderstaande uitsnede van de Risicokaart.

Pagina 39 van 55

Afbeelding 8: Uitsnede Risicokaart, locatie weergegeven met zwarte cirkel

De omgevingsveiligheid is beoordeeld voor zowel de twee nieuwe woningen als voor de functiewijziging van de (voormalige) agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning. Uit de kaart blijkt dat de bestaande woning aan de rand gedeeltelijk binnen het explosieaandachtsgebied van een nabijgelegen propaantank ligt. Dit aandachtsgebied correspondeert met de zone waarbinnen de effectafstand voor explosie relevant is (bij propaantanks doorgaans ongeveer 80–100 meter, gericht op overdruk en glasbreuk). De bestaande woning blijft echter op dezelfde plaats en behoudt dezelfde functie; de afstand tot de risicobron verandert niet. Er vindt geen toename van blootstelling plaats. Hierdoor blijft het risico gelijk en neemt ook het groepsrisico niet toe: het aantal aanwezigen, de zelfredzaamheid en de vluchtmogelijkheden blijven ongewijzigd. Specifieke aanvullende maatregelen zijn niet noodzakelijk; volstaan kan worden met de gebruikelijke generieke maatregelen die overal gelden (bijvoorbeeld het sluiten van ramen en ventilatieopeningen en het opvolgen van instructies van hulpdiensten). De beoogde nieuwe woningen worden buiten het explosieaandachtsgebied én buiten overige effectafstanden gerealiseerd.

De afstand van de nieuwe woningen tot de propaantank overschrijdt ruimschoots de relevante effectafstand (circa 100 meter), waardoor het risico op overschrijding van plaatsgebonden risico- of effectnormen is uitgesloten. Voor deze woningen zijn daarom geen bron- of locatie-specifieke maatregelen vereist. Gelet op het bovenstaande leidt het aspect omgevingsveiligheid niet tot een belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.11.3. Ontplofbare oorlogsresten

Voor de veiligheid bij grondroerende werkzaamheden is bezien of in en rond Maaijkant 2, Ulicoten een reële kans bestaat op ontplofbare oorlogsresten (OO) uit de Tweede Wereldoorlog. Op basis van beschikbare historische bronnen (topografische kaarten 1930–1955, luchtfoto’s en lokale historische

Pagina 40 van 55

informatie) zijn in of direct grenzend aan het erf géén aanwijzingen gevonden voor bombardementen, beschietingen, crashlocaties, munitieopslag of loopgraven. De locatie ligt buiten bekende front- en doelgebieden en kent geen objecten die destijds militair strategisch waren (zoals spoorbruggen of industrie). Deze conclusie sluit aan bij de recente veldwerkervaring op het erf. Tijdens het proefsleuvenonderzoek archeologie zijn geen verdachte objecten of oorlogsresten aangetroffen. Daarmee wordt het plangebied als niet-verdacht aangemerkt in de zin van OO-risicobeoordeling en is aanvullend opsporingsonderzoek (WSCS-OCE) niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat ontplofbare oorlogsresten geen belemmering vormen voor de boogde ontwikkeling. 5.12.

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

5.12.1. Archeologie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is het zoveel mogelijk behouden van archeologische resten in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet zorgen samen voor een integrale bescherming van het cultureel erfgoed in Nederland. Het Europees beleid is verankerd in de Nederlandse wetgeving. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Onder cultureel erfgoed vallen: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen het behoud van archeologisch erfgoed in de bodem en de bescherming van cultureel erfgoed en landschap verplicht moet worden meegewogen in de besluitvorming. Als voor het aspect archeologie behoud in de bodem niet mogelijk is, moet het bodemarchief met zorg worden ontsloten via archeologisch onderzoek. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn in artikel 5.130 beginselen geformuleerd voor de bescherming van cultureel erfgoed.

Deze beginselen gaan over de omgang met gemeentelijke monumenten (beschermd via het omgevingsplan), archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast staan in afdeling 8.8 van het Bkl regels voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten en voor het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid op het gebied van archeologie en cultuurhistorie is doorgaans vastgelegd op een archeologische beleidskaart en een cultuurhistorische waardenkaart. Deze waarden en verwachtingen zijn in veel gevallen doorvertaald naar archeologische en cultuurhistorische functieaanduidingen in het omgevingsplan.’ Conform het geldende omgevingsplan is het plangebied gelegen binnen de functie ‘Waarde – Archeologie 2’. Binnen deze functie is het verboden om zonder omgevingsvergunning gebouwen of bouwwerken te bouwen met een oppervlakte groter dan 100m2 en welke dieper reiken dan 0,40 meter onder het maaiveld. Met de beoogde ontwikkeling worden er graaf- en/of grondwerken uitgevoerd ten behoeve van de herontwikkeling van het plangebied. De beoogde omvang hiervan bedraagt meer dan 100 m2, waardoor een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

5.12.1.1.

Uitgevoerd onderzoek

Het archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureau- en booronderzoek heeft op 19 juni 2024 plaatsgevonden. Uit het onderzoek komt naar voren dat binnen het plangebied mogelijk archeologische waarden te vinden zijn, zie bijlage 8. Er is besloten wordt om een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren binnen deze ruimtelijke procedure. Uit het onderzoek moet blijken of er een behoudenswaardige vindplaats aanwezig is en of deze opgegraven moet worden. Op basis van het door het bevoegd gezag goedgekeurde Programma van Eisen (bijlage 10) is begin november een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd binnen het plangebied. In totaal zijn negen sleuven

Pagina 41 van 55

aangelegd. Tijdens dit onderzoek is/zijn geen behoudenswaardige archeologische vindplaats(en) aangetroffen. Wel is een opvallende bodemopbouw herkend, welke mogelijk nog nader onderzoek verdient. Omdat het rapport van het proefsleuvenonderzoek nog niet beschikbaar is, wordt, in lijn met de archeologische beleidskaart van de gemeente, een ‘waarde – archeologie 2’ opgenomen.

5.12.2. Cultuurhistorie en landschap

Uit de cultuurhistoriekaart van de Omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in een gebied met landschappelijke of cultuurhistorische waarden ligt, zie afbeelding 8. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of landschappelijk waardevol gebied.

Afbeelding 9: Uitsnede omgevingsverordening Noord-Brabant ‘Aardkundige- en Cultuurhistorische waarden

De provincie Noord-Brabant ziet het ruimtelijke erfgoed als een belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Het Brabantse erfgoed is daarom opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Prominent onderdeel van deze kaart is het provinciaal cultuurhistorisch belang, met name erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. De CHW-kaart bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de CHW weergeven.

Pagina 42 van 55

Afbeelding 10: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant, plangebied zwart omcirkeld

Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat de planlocatie niet is gelegen ter plaatse van gronden die zijn aangewezen als archeologisch of cultuurhistorisch waardevol gebied. Wil is de projectlocatie gelegen in de directe nabijheid van de Maaijkant en de Hondeindsebaan. Beide wegen zijn aangeduid als historisch-geografische lijnen van redelijk hoge waarden. De wegen Maaijkant en Hondseindsebaan maken deel uit van het historische landschapspatroon rond Ulicoten. Het betreft verbindingen die al vóór de kadastrale opname van 1832 bestonden en die de hogere, drogere zandruggen volgden om het kleinschalige agrarische buitengebied te ontsluiten. Vanuit het kerkdorp Ulicoten ontwikkelden zich langs deze lijnen verspreid liggende erven met akker- en graslanden. Het buurtschap Maaijkant is op die manier ontstaan als losse reeks boerderijen met bijbehorende kavels, heggen en bomenrijen. Diverse voormalige voet- en karrensporen die hierop aansloten zijn in de twintigste eeuw door ruilverkaveling en schaalvergroting grotendeels verdwenen, maar het hoofdpatroon is nog goed herkenbaar in de wegtracés, perceelsgrenzen en beplanting. De voorgenomen ontwikkeling sluit op dit patroon aan en tast de cultuurhistorische lijnen niet aan.

Het tracé, profiel en de functie van de Maaijkant en de Hondseindsebaan blijven ongewijzigd; de bestaande erfontsluiting wordt gehandhaafd en er komen geen nieuwe doorsnijdingen of verhardingen in de openbare ruimte bij. Door de sloop van overtollige agrarische bebouwing, de behoudende positionering van de nieuwe woningen op het bestaande erf en de uitvoering van landschappelijke inpassing met erfbeplanting wordt de historische leesbaarheid eerder versterkt dan verzwakt. Zichtlijnen langs de wegen blijven open, de ritmiek van erf-aan-weg blijft behouden en de lineaire structuur van het landschap wordt met passende beplanting ondersteund. Daarmee is de ontwikkeling verenigbaar met de cultuurhistorische waarden van het gebied en doet zij recht aan de ontstaansgeschiedenis van Ulicoten en het buurtschap Maaijkant. 5.13. Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde in art. 5.89i van het Bkl is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl)

Pagina 43 van 55

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in de Omgevingswet en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering.

Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de functie en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. De nieuwe woningen worden gerealiseerd ter plaatse van de reeds aanwezige (voormalige) stallen. Bodemonderzoek is derhalve op dit moment niet mogelijk. De stallen worden immers pas gesloopt nadat het omgevingsplan is vastgesteld. Derhalve zal een bodemonderzoek pas na vaststelling van het omgevingsplan kunnen plaatsvinden. Initiatiefnemer zal middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van het omgevingsplan worden verplicht om na de sloop van de voormalige bedrijfsgebouwen een bodemonderzoek conform de NEN 5740 te laten uitvoeren. 5.14. Weging van waterbelang Voor de wijziging van het Omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Voor de beoogde ontwikkeling is het daarom van belang om te toetsen aan een evenwichtige toedeling van functies met betrekking tot het watersysteem. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

5.14.1. Waterrelevant beleid Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit het (tijdelijke) omgevingsplan van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel

Pagina 44 van 55

5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.

5.14.1.1.

Provinciaal waterbeleid

Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: ▪ Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; ▪ Een betere waterveiligheid door preventie; ▪ Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Op de kaart behorende bij deze instructieregels ligt het plangebied niet in een ‘Grondwaterbeschermingsgebied’. Wel is de locatie gelegen binnen de aanduiding ‘Diep grondwaterlichaam’, waardoor artikel 3.12 van toepassing is. Hierin is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding ‘Diep grondwaterlichaam’ een verbod geldt voor het exploiteren van een milieubelastende activiteit gericht op de onconventionele winning van koolwaterstoffen. Doordat de beoogde ontwikkeling geen betrekking heeft op het uitoefenen van een dergelijke milieubelastende activiteit, zijn er geen bezwaren.

De wijze waarop de provincie omgaat met water is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Het RWP is op 22 december 2021 inwerking getreden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050 en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het water- en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het moet worden gewijzigd; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: ▪ Voldoende water ▪ Schoon water ▪ Veilig water ▪ Vitale bodem ▪ Klimaatadaptatie Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in haar RWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend.

5.14.1.2.

Beleid Waterschap Brabantse Delta

Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. De doelstelling van het waterprogramma luidt als volgt; Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. In 2050 is Nederland aangepast om de negatieve gevolgen van klimaatverandering op te vangen.

Pagina 45 van 55

De ambitie van het waterschap is samen met de omgeving te werken aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de regio Midden- en West-Brabant. Het realiseren van deze ambitie wordt bereikt aan de had van zes beleidskeuzes; 1. Water als drager voor een vitale regio 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem 3. We werken samen 4. We werken duurzaam 5. We werken veerkrachtig en vernieuwend 6. We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Door middel van de Waterschapsverordening van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 januari 2024, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het realiseren van een retentievoorziening.

De Waterschapsverordening van Waterschap Brabantse Delta schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m 2 verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn.

5.14.1.3.

Gemeentelijk waterbeleid

Op 29 september 2020 heeft het college ingestemd met een nieuw verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) 2021-2025. Ter besluitvorming zal dit plan voorgelegd worden aan de gemeenteraad. In het vGRP staat hoe de gemeenten Baarle-Nassau en Baarle-Hertog de watertaken uitvoeren. De gemeenten Baarle-Nassau en Baarle-Hertog willen zich nadrukkelijk profileren als groene gemeenten met een veerkrachtig watersysteem, een goede waterkwaliteit, waarvan duurzaam gebruik wordt gemaakt en waarbij natuurwaarden worden hersteld. In de vGRP is bepaald dat alle nieuwbouwwoningen (zowel in- als uitbreidingen) binnen de gemeente Baarle-Nassau en de gemeente Baarle-Hertog dienen te worden aangesloten op de riolering. Dit wordt afgedwongen, doordat de lozing van verontreinigd water op oppervlaktewater en in de bodem niet is toegestaan. Dit is wettelijk geregeld door middel van het lozingenbesluit Wet Bodembescherming en het Zoneringsplan. Bij de verlening van een omgevingsvergunning wordt melding gemaakt van de verplichte aansluiting op de riolering. In het waterbeleid zijn de zorgplichten uit de Waterwet verder ingevuld. Het gemeentelijke waterbeleid schrijft onder meer voor dat stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater op een deugdelijke manier moeten worden ingezameld, geborgen, getransporteerd en/of lokaal gezuiverd.

Alle nieuwe nieuwbouw- en herstructureringsprojecten dienen in principe hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd waarbij de wettelijke voorkeursvolgorden gehanteerd worden. Hemelwater wordt daarom, ook als er geen toename is van het verhard oppervlak, bij voorkeur in de bodem geïnfiltreerd en schoon gehouden. Voor het aanpassen van verhard oppervlak geldt een retentie-eis van 7 mm voor het vervangende oppervlak en 78 mm voor een eventuele toename van verhard oppervlak. Verhard oppervlak wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden.

5.14.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de directe nabijheid van de planlocatie zijn enkele watergangen aanwezig, zie onderstaande uitsnede van de legger.

Pagina 46 van 55

Afbeelding 11: Uitsnede leggerkaart Brabantse Delta

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er vanaf de locatie enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op locatie wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op locatie vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.

5.14.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

Bij de nieuwbouw van de beoogde woningen zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen in acht worden genomen. Binnen 5 meter van de watergangen worden geen nieuwe obstakels, zijnde bebouwing dan wel landschapselementen, mogelijk gemaakt. Zoals aangegeven is waterschap Brabantse Delta de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Door middel van de Keur van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap Brabantse Delta schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn.

Pagina 47 van 55

In het kader van het gemeentelijk beleid, dient bij iedere toename aan verhard oppervlak sprake te zijn van een mitigerende maatregel van minimaal 78 mm (liter/m2). Op basis van het ingevulde formulier ‘Berekening wateropgave ABG’ en conform het Handboek Waterbeleid ABG is 7,7 m³ aanvullende waterberging vereist. Het perceel biedt hiervoor voldoende ruimte. Deze wateropgave wordt bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit uitgewerkt (keuze voorziening, dimensionering en infiltratiecapaciteit). In de planregels is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Tabel 1: Berekening watercompensatie BEREKENING TE REALISEREN WATEROPGAVE Verhard oppervlak [vo, m2] Daken In nieuwe situatie 600 Ondergrens verhard oppervlak is 50 m2 In huidige situatie

3.620

Bestrating Verhard oppervlak 500 1.100 m2 dan wel opgave 365

Dan is: Toename vo en Vervanging vo

0 m2 1.100 m2

3.985 m2

Opgave toename

78 mm

0,0 m3

Opgave vervanging

7 mm

7,7 m3

TOTAAL te realiseren opgave:

7,7 m3

De waterberging wordt ondiep uitgevoerd. Conform het uitgangspunt dat de bodem van de voorziening niet onder de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) mag komen. Ter plaatse bedraagt de GHG circa 0,43 m onder maaiveld (–mv). De berging wordt daarom maximaal 0,40 m –mv diep aangelegd. De benodigde inhoud wordt gerealiseerd door voldoende oppervlakte (bijv. ondiepe wadi/greppel), niet door extra diepte. Bij de uitwerking bij de aanvraag omgevingsvergunning bouwen wordt de GHG ter plaatse nogmaals gecontroleerd en, waar nodig, afgestemd met het waterschap.

Afbeelding 12: Uitsnede GHG-kaart ‘Kaartbank provincie Noord-Brabant’

5.15. Technische infrastructuur Technische infrastructuur betreft een relevant planologisch aspect waarbij rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van een nieuw Omgevingsplan. Onder andere ondergrondse leidingen, hoogspanningsleidingen en radarverstoringsgebieden hebben betrekking op technische infrastructuur.

Pagina 48 van 55

5.15.1. Ondergrondse leidingen

Op de EV-signaleringskaart en in het omgevingsplan dient gecontroleerd te worden of er aanduidingen zijn opgenomen voor riooltransportleidingen en/of watertransportleidingen. Riooltransportleidingen en watertransportleidingen betreffen leidingen die geen betrekking hebben op omgevingsveiligheid maar op technische infrastructuur. Binnen of nabij het plangebied zijn geen relevante (buis)leidingen aanwezig. Derhalve zijn in het omgevingsplan geen beperkingen opgenomen binnen de bouwregels. Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen binnen en nabij het plangebied in beeld te brengen.

5.15.2. Hoogspanningslijnen

Elektriciteit wordt in Nederland vanuit een energiecentrale d.m.v. (bovengrondse) hoogspanningslijnen verplaatst. Bij het transport van elektriciteit door (bovengrondse) hoogspanningslijnen ontstaan magnetische velden, welke mogelijk effect kunnen hebben op de gezondheid van mensen. In het kader van onderhavige procedure zal gemotiveerd moeten worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met de beoogde ontwikkeling.

Afbeelding 13: Uitsnede RIVM-netkaart, plangebied zwart omcirkeld

Conform de RIVM-netkaart zijn geen hoogspanningslijnen in het gebied aanwezig (afbeelding 11). De beoogde ontwikkeling zal niet zorgen voor een nieuw gevoelig object binnen een magneetveld, derhalve zullen de hoogspanningslijnen geen negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat.

Pagina 49 van 55

5.15.3. Radarverstoringsgebied

In Nederland staan verschillende radarposten die dienen voor de vliegveiligheid en de nationale veiligheid. Om zeker te stellen dat de defensieradars niet in onaanvaardbare mate worden verstoord door hoge objecten, zijn in het Bkl bepalingen opgenomen om de defensieradars te beschermen. In artikel 5.155 en 5.161a van het Bkl zijn regels opgenomen met betrekking tot een maximale bouwhoogte van bouwwerken binnen 15 km, dan wel 75 km van een radarverstoringsgebied. In bijlage XIV, onder e van het Bkl zijn de maximale bouwhoogtes opgenomen binnen radarverstoringsgebieden. De laagste maximale bouwhoogte zoals opgenomen in deze bijlage bedraagt 24 meter. Er wordt geen bebouwing van hoger dan 24 meter gerealiseerd. Derhalve voldoet het initiatief aan eisen zoals opgenomen in het Bkl. 5.16. Volksgezondheid In deze onderbouwing zijn de gezondheidsgerelateerde milieuaspecten integraal beoordeeld: luchtkwaliteit (PM₁₀, PM₂,₅ en NO₂), geluid (wegverkeer), geur (veehouderijen), trillingen (geen relevante bronnen in de omgeving) en bodem (geschiktheid voor wonen). Deze onderwerpen zijn in de voorgaande paragrafen uitgewerkt.

5.16.1. Spuitzones

De omliggende gronden worden agrarisch gebruikt. Bij de situering van de woningen en de inrichting van het erf is rekening gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving. Het landschappelijk inpassingsplan voorziet in erfbeplanting en een groene rand, die tevens als fysieke buffer fungeert. In samenhang met de afstand tot omliggende percelen en de naleving van de wettelijke toepassingsvoorschriften (o.a. driftreducerende technieken) is hiermee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.16.2. Endotoxinen

Voor Maaijkant 11 (varkenshouderij, PM₁₀ ≈ 163 kg/jaar) geldt volgens het Endotoxine-toetsingskader 1.0 een richtafstand van 74 m. De bestaande woning aan Maaijkant 2 ligt op circa 132 m van de dichtstbijzijnde (toekomstige) stal en blijft op dezelfde plek; de nieuwe woningen komen op grotere afstand dan 132 m te liggen. Voor Maaijkant 3 (leghennen, PM₁₀ ≈ 2.964 kg/jaar) geldt een richtafstand van 175 m; de toekomstige woningen liggen op circa 300 m en de bestaande woning nog verder. Daarmee wordt voldaan aan de gehanteerde richtafstanden en is geen overschrijding van de advieswaarde 30 EU/m³ te verwachten.

5.16.3. Geitenhouderijen

In lijn met de VGO-onderzoeken is specifiek gekeken naar geitenhouderijen. Op basis van de beschikbare plan- en dossierinformatie zijn geen geitenhouderijen in de directe invloedssfeer van het plangebied aanwezig. Een verhoogd risico op longontsteking dat in de literatuur met geitenhouderijen wordt geassocieerd, is daarom niet aan de orde. Eventuele toekomstige veranderingen worden via het geldende vergunningenstelsel beoordeeld.

5.16.4. Conclusie

De gezondheidstoets ziet op de kwaliteit van de leefomgeving voor toekomstige bewoners en omwonenden. Met de resultaten voor luchtkwaliteit, geluid, geur, trillingen en bodem, en de aanvullende beoordelingen van spuitzones, endotoxinen en geitenhouderijen, is de bescherming van de gezondheid voldoende geborgd. Deze paragraaf vult de reeds uitgevoerde beoordelingen aan en rondt de integrale gezondheidstoets af.

Pagina 50 van 55

6. Uitvoerbaarheid 6.1.1. Economische uitvoerbaarheid

In deze motivering is onderbouwd dat deze wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie wordt bereikt en dat de toegekende functie binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Zodoende kan aangenomen worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

6.1.2. Kostenverhaal

Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht kosten te verhalen, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten uit artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, op andere wijze verzekerd zijn of vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit. Met de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten. Hierin is geregeld dat alle kosten die samenhangen met het deze wijziging voor rekening komen van initiatiefnemer. Deze wijziging van het omgevingsplan heeft voor de gemeente geen financiële gevolgen. 6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader wordt gelegenheid tot inspraak geboden in de vorm van de publicatie van het TAMIMROplan. Het plan is in concept voorgelegd aan de vooroverlegpartners van het waterschap Brabantse Delta, de Brandweer Midden- en Westbrabant en de provincie.

6.2.1. Overlegpartners

Het concept van deze wijziging van het omgevingsplan zal worden toegezonden aan de provincie NoordBrabant in het kader van kennisgeving en participatie volgens artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit. Daarnaast wordt het conceptplan verstrekt aan de Omgevingsdienst en het waterschap. De ontvangen reacties zijn beoordeeld en waar nodig verwerkt in het plan. Het waterschap heeft een positief advies uitgebracht. Daarbij is aangegeven dat er geen toename van verharding plaatsvindt en dat het, gezien de ligging van het perceel, goed mogelijk is om het hemelwater van de nieuwe woningen op eigen terrein te laten infiltreren in plaats van dit af te voeren naar de omliggende B-wateren. Het waterschap spreekt de verwachting uit dat deze voorkeursroute in de verdere uitwerking daadwerkelijk wordt toegepast. De Brandweer Midden- en West-Brabant heeft een reactie gegeven met enkele aandachtspunten voor de uitvoeringsfase. Zo dienen de woningen te worden voorzien van rookmelders conform NEN 2555 (artikel 4.211 Bbl), moet rekening worden gehouden met de weerstand tegen brandoverslag tussen de nieuwe woningen en naar omliggende percelen, en moeten de woningen bereikbaar zijn voor hulpdiensten. De Maaijkant is een doorgaande weg en voldoet daarmee aan de bereikbaarheidseisen.

Daarnaast valt de ontwikkeling onder scenario 10 van de ‘Interregionale Adviesleidraad bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2022’, wat betekent dat binnen 200 meter een Bwatervoorziening met een debiet van ten minste 60 m³/uur aanwezig moet zijn. Volgens de brandweer is aan deze eis voldaan: aan de Maaijkant bevindt zich een brandkraan met voldoende capaciteit. De brandweer wijst erop dat de planlocatie gedeeltelijk binnen het explosieaandachtsgebied van een propaantank ligt. De nieuwe woningen worden echter buiten dit aandachtsgebied gesitueerd. Voor de bestaande woning wordt verwezen naar de toets externe veiligheid in paragraaf 5.11.2. De provincie Noord-Brabant heeft eveneens gereageerd. De provincie wees erop dat de rekenmodule voor maatwerk omgevingskwaliteit in de conceptversie ontbrak; deze is inmiddels toegevoegd als bijlage bij de toelichting. Ook werd opgemerkt dat de beschrijving van de bebouwingsconcentratie nog

Pagina 51 van 55

beperkt was. Dit is aangevuld door het opnemen van een uitgebreidere ontwikkelingsrichting in paragraaf 3.3. Verder vroeg de provincie om een landschapsanalyse. Hieraan is voldaan door het landschappelijk inpassingsplan, inclusief analyse, als bijlage op te nemen bij zowel de regels als de toelichting. Met het verwerken van deze reacties is het plan verder aangescherpt en sluit het aan op de aandachtspunten van de betrokken overlegpartners.

6.2.2. Zienswijzen

Het ontwerp van deze wijziging van het omgevingsplan heeft van P.M. tot en met P.M. ter inzage gelegen. Toen zijn P.M. zienswijzen ingediend.

Pagina 52 van 55

7. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Voor de gewenste ontwikkeling aan Maaijkant 2 te Ulicoten, is een wijziging van het omgevingsplan nodig. Volgens artikel 4.1, eerste lid, van de Omgevingswet moeten gemeenten ervoor zorgen dat het omgevingsplan leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit het ruimtelijke beleid zijn geen belemmeringen voor de nieuwe woningen. Uit de uitgevoerde beschouwing blijkt dat er geen relevante aspecten zijn die de uitvoerbaarheid van het plan verhinderen. Daarom is het plan in overeenstemming met een evenwichtige toedeling aan functies.

Pagina 53 van 55

8. Bijlagen

8.1. Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan 8.2. Bijlage 2: Berekening omgevingskwaliteit 8.3. Bijlage 3: AERIUS-berekening bouw- en gebruiksfase 8.4. Bijlage 4: Invoergegevens AERIUS-berekening 8.5. Bijlage 5: Flora en fauna onderzoek 8.6. Bijlage 6: Akoestisch onderzoek 8.7. Bijlage 7: Onderzoek woon- en leefklimaat 8.8. Bijlage 8: Archeologisch onderzoek 8.9. Bijlage 9: Nader onderzoek flora- en fauna 8.10. Bijlage 10: Programma van Eisen (PvE) 8.11. Bijlage 11: Brief omgevingsdialoog

Pagina 54 van 55

Pagina 55 van 55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16496324/1