CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

3.2 - Bijlage 1 - Motivering omgevingsplan Goorweg 1a

Gemeenteraad (openbaar) 18 februari 2026, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Categorie 3: Raadsinformatiebrieven voor kennisgeving aannemen20.977 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

P 21/65

troefkaart te zien. We willen naar een robuustere woningvoorraad. Binnen het thema wonen is een integrale benaderingswijze van ruimtelijke opgaven essentieel. Door ook voldoende ruimte te geven aan werken, voorzieningen ,recreatie, groen en water blijven we een aantrekkelijke woongemeente voor alle doelgroepen. We hebben oog voor het sociale aspect van het thema wonen door de onderlinge betrokkenheid in onze gemeente te versterken.” Thema: Beleefbare en hoogwaardige economie “In het buitengebied is ruimte voor kleinschalige bedrijvigheid, maar daarbij gelden strikte eisen voor de inpassing in het landschap. Daarnaast bieden de enclave-situatie en het groene buitengebied kansen voor toerisme en recreatie. Dit willen we nog beter benutten, ook met het oog op het behouden van het voorzieningenniveau. We leggen in dit hoofdstuk via verschillende ambities uit hoe we deze hoogwaardige en beleefbare economie willen realiseren”. Thema: Evenwichtig buitengebied “Een belangrijk doel is het tegengaan van verrommeling in het buitengebied. We willen voorkomen dat ons landschap versnipperd raakt door ons te richten op doordachte en goed ingepaste ontwikkelingen. Om ervoor te zorgen dat alle ontwikkelingen, functies en activiteiten in lijn zijn met onze visie, hanteren we een afwegingskader met duidelijke en toetsbare randvoorwaarden.

Deze randvoorwaarden hebben we per gebied uitgewerkt en zijn in hoofdstuk 4 van de omgevingsvisie terug te vinden. Nieuwe ontwikkelingen en functies moeten landschappelijk worden ingepast, waarbij de haalbaarheid hiervan afhangt van het gebied, de functie en de bijdrage aan de omgevingskwaliteit.” Jonge landschappen In het buitengebied van Baarle-Nassau is naast de algemene doelen ook aandacht voor specifieke doelen gericht op het jonge landschap. Deze gebieden onderscheiden zich door hun grotere schaal, rechtlijnige ontginningen en beperkte bebouwing. Sommige, zoals de Bedafse heide, de Tommelsche heide en de Strumptsche heide, behouden een open karakter, terwijl andere juist een meer besloten karakter hebben door bosaanplant. Daarnaast is de herkenbaarheid van verschillende landschapstypen een cruciale kwaliteit in dit gebied. Deze diversiteit biedt niet alleen afwisseling, maar ook oriëntatiemogelijkheden en maakt het landschap leesbaar. Zo wordt de ontstaansgeschiedenis als het ware uit het landschap afgelezen.

Onderstaand staan de doelen van gemeente Baarle-Nassau voor het Jonge landschap: • De karakteristiek van de jonge ontginningslandschappen in stand houden en versterken, met name door de open jonge heideontginningen open te houden; • De meer besloten jonge ontginningen beiden in principe opnamecapaciteit voor nieuwe ontwikkelingen, waarbij bestaande bossen decor bieden en afscherming naar de omgeving; • Rond Baarle-Nassau Grens staat veel bebouwing waarvan de oorsprong deels voorkomt uit de douanevoorzieningen en het station. Het sluit aan op Weelde-Statie in België en samen vormen ze een grensoverschrijdend ‘dorpje’. Gezien de dichtheid aan bebouwing kunnen gepaste ontwikkelingen worden toegestaan, mits deze bebouwingsconcentratie niet steeds groter wordt en ontwikkelingen op een robuuste manier wordt ingepast in het landschap. Toetsing aan gemeentelijke omgevingsvisie Met het opheffen van de agrarisch functie en het toevoegen van 3 woningen middels een tweekapper en een vrije kavel worden er drie woningen gebouwd in het buitengebied van Baarle-Nassau. Daarnaast vind er in het plangebied nog een landschappelijke ontwikkeling plaats ten behoeve van de omgeving en worden cultuurhistorische waarden teruggebracht. Hiermee past de ontwikkeling binnen de gesteld doelen en uitgangspunten uit de omgevingsvisie van de gemeente Baarle-Nassau.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 22/65

3.4.2 Ontwikkelingsrichting van het gebied De ontwikkelingsrichting van het gebied omvat het volgende: De Goorweg 1a ligt aan de westzijde van de kern Baarle-Nassau, in het overgangsgebied van de historische dorpsrand naar het open buitengebied. De locatie maakt onderdeel uit van het oude landschap van Baarle-Nassau: een kleinschalig, licht golvend landschap gevormd door eeuwenlang agrarisch gebruik en het reliëf van oude stroompjes. Deze omgeving behoort tot het type ‘kerkakker- of tiendakkerdorp’, met Baarle als centraal punt, omringd door een ring van historische buurtschappen. Eén van die buurtschappen is Loveren, het plangebied is gelegen aan de rand van dit buurtschap. Dit gehucht is cultuurhistorisch waardevol; er bevond zich vroeger een herberg en het kasteel Bruheze, dat inmiddels verdwenen is. De aanwezige structuren – zoals zichtlijnen, erfbeplanting en een fijnmazige verkaveling – zijn echter nog altijd herkenbaar in het landschap en geven de plek zijn karakteristieke uitstraling. De omgeving rond Goorweg 1a kenmerkt zich door een afwisseling van agrarische percelen, solitaire bebouwing en lintstructuren die uitwaaieren vanuit het dorpscentrum. De locatie ligt op korte afstand van natuurgebied Het Goordonk en grenst aan het gebied waar de woningbouwontwikkeling Loveren Fase 2 wordt gerealiseerd.

Deze ontwikkeling voorziet in de bouw van circa 100 tot 150 woningen en markeert de transitie van het dorpsgebied naar het landelijke gebied. De locatie Goorweg 1a ligt direct op deze overgang, op circa 1 kilometer van het centrum. Binnen deze context vormt de herontwikkeling van Goorweg 1a een logische vervolgstap. De bestaande agrarische functie wordt beëindigd. Op de locatie worden drie woningen gerealiseerd: de bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning, en daarnaast worden twee woningen toegevoegd – een twee-onder-eenkapwoning en een vrijstaand landhuis. De inpassing van deze nieuwe woningen vindt plaats binnen het bestaande bebouwingscluster, waarbij zorgvuldig rekening wordt gehouden met de landschappelijke kenmerken en de historische verkaveling. Het vrijstaande landhuis is zodanig gepositioneerd dat dit het gevoel van het voormalige kasteel Bruheze op een eigentijdse wijze terugbrengt in het gebied. Samen met de terug te brengen lanenstructuur – in aansluiting op het landschapsplan van Loveren Fase 2 – wordt hiermee niet alleen een visuele verwijzing naar het verleden gerealiseerd, maar ook de ruimtelijke kwaliteit versterkt. De lanenstructuur krijgt mede een recreatieve functie door de aanleg van een onverhard wandelpad, waarmee een mogelijk ommetje ontstaat dat het landschap beleefbaar maakt.

De ontwikkeling draagt bij aan een geleidelijke overgang tussen de bebouwde kom en het open buitengebied. De positionering van de woningen past bij de bestaande bebouwingsstructuur langs de Goorweg en is zodanig dat de openheid van het achterliggende landschap behouden blijft. Doorzichten tussen erven blijven mogelijk en het erf wordt landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting. De ontwikkeling heeft ook positieve effecten op andere aspecten. De beëindiging van de agrarische activiteit zorgt voor een afname van milieubelastende functies, en voorkomt mogelijke hinder naar omliggende woonfuncties. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan een veilige en gezonde leefomgeving. Er is geen sprake van toename van verkeersdruk of verstoring van infrastructuur. Ook zijn er geen negatieve effecten op de regionale woningmarkt of leegstand elders: het betreft een beperkte toevoeging binnen een bestaande bebouwingsconcentratie, passend bij de gemeentelijke woningbouwopgave en de regionale afspraken. De sloop van overtollige, niet-cultuurhistorisch waardevolle opstallen vormt een belangrijk onderdeel van de planontwikkeling. Daarmee wordt bijgedragen aan het terugdringen van verrommeling en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. In combinatie met de landschappelijke inpassing en de toevoeging van robuuste

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 23/65

groenstructuren ontstaat een erf dat qua maat, schaal en verschijningsvorm goed past bij het karakter van het buitengebied en de bebouwingsconcentratie Loveren. Samengevat draagt de herontwikkeling van Goorweg 1a bij aan de verbetering van de omgevingskwaliteit, het behoud van landschappelijke en cultuurhistorische waarden en een zorgvuldige overgang tussen dorp en landschap. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de gemeentelijke en provinciale ontwikkelingsrichtingen voor het landelijk gebied en vormt een waardevolle impuls voor Baarle-Nassau.

3.4.3 Woonvisie 2018-2023 Baarle-Nassau Er worden vijf prioriteiten benoemd in de gemeente Baarle-Nassau: 1) Identiteit van het wonen in Baarle-Nassau. Inzetten op het behoud en waar mogelijk versterken van de bruisende identiteit van de gemeente en de kernen. Bij woningbouwinitiatieven wordt aangesloten bij de kernwaarden van de gemeente: dorps karakter en een groene landschappelijke uitstraling. Bovendien wordt rekening gehouden met de schaal en het karakter van de kernen. 2) Demografie en de woningbehoefte. De provinciale prognoses worden als richtinggevend beschouwd, nadrukkelijk niet als maximum. De gemeente streeft naar een woningvoorraad die kwantitatief en kwalitatief aansluit op de woonbehoeften van huidige en toekomstige inwoners. De focus ligt op de bestaande woningvoorraad, nieuwbouw is aanvullend. Desalniettemin wordt gestreefd naar een continue nieuwbouwproductie. - Met de focus op het bieden van een passend aanbod voor gezinnen (ruimere, dure koopwoningen). - Voldoende aanbod voor huishoudens met lagere en middeninkomens blijft een aandachtspunt, waaronder voor jongeren en/of starters. - Bij nieuwbouw op centrumlocaties wordt ingezet op toevoeging van levensloopgeschikte woningen, geschikt voor meerdere doelgroepen.

De gemeente zet in op het op peil houden van het bouwtempo en richt zich de komende jaren op ontwikkeling van de rest van Limfa en de locatie Maaijkant (Ulicoten). 3) Betaalbaar wonen. Hierbij zet de gemeente in op voldoende beschikbaar woningaanbod in de sociale huursector en een toereikend aanbod betaalbare koopwoningen. 4) Kwaliteit van de woningvoorraad. In de bestaande voorraad is structureel aandacht voor woningverduurzaming, zowel in de sociale huursector als in de particuliere huur en de koopsector. Nieuwbouw is in principe gasloos en gaat waar mogelijk verder dan het Bouwbesluit. 5) Wonen met zorg en welzijn. Met als ambitie dat er voor ouderen die willen verhuizen voldoende geschikte woningen beschikbaar zijn. Toetsing aan de woonvisie Baarle-Nassau De herontwikkeling van de Goorweg 1a, waar in de huidige situatie een agrarische functie is gevestigd, biedt een kans om een waardevolle transformatie te realiseren binnen de kaders van het buitengebied van Baarle-Nassau. Er is echter ruimte voor een kleinschalige woningbouwontwikkeling, waarbij drie wooneenheden kunnen worden toegevoegd, naast de reeds toegestane woning op het perceel. Deze ontwikkeling sluit aan op de behoefte aan zorgvuldig geplande woningbouw in het buitengebied, draagt bij aan de invulling van de woningbehoefte in de regio en respecteert de landelijke en landschappelijke kenmerken van het gebied.

Daarmee draagt ook de landschappelijke inrichting van een deel van het plangebied bij aan de woonvisie Baarle-Nassau.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 24/65

4

Bescherming van gezondheid en milieu

4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten van de fysieke leefomgeving zoals deze relevant zijn voor het initiatief dat voorligt. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen. 4.2

Geluid

Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

Toetsing aan het aspect geluid Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is door Aveco de Bondt een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage is als bijlage opgenomen bij onderhavige motivering. De belangrijkste resultaten uit het akoestisch onderzoek zijn onderstaand weergegeven. Er is onder andere een onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd voor de gemeentewegen. Hierin is getoetst of het geluid in Lden voldoet aan de standaardwaarde. Uit het rapport komt naar voren dat het geluid ter hoogte van gemeentewegen ten hoogste 49 Lden is op de gevels van de nieuwe bouwblokken. Dit is niet hoger dan de standaardwaarde van 53 Lden. Er is geen sprake van een overschrijding van de standaardwaarde en daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden uit het geluidbeleid. Aan de Loveren 42 bevindt zich een houtzagerij. Uit het geluidrapport wat voor deze locatie is uitgevoerd blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), dat is berekend op de grens van het oostelijk nieuwbouwplan ten hoogste 52 dB(A), 44 dB(A) en 39 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het maximale geluidniveau bedraagt ten hoogste 75 dB(A), 64 dB(A) en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Echter, Goorweg 1a is een bestaande woning van derden waarop reeds de vergunde waarden van toepassing zijn voor de zagerij.

Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau is dit 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. Voor het maximale geluidniveau is dit 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 25/65

Aangezien de nieuwe woningen achter de bestaande woning op Goorweg 1a zijn gelegen en ook verder zijn gelegen van de houtzagerij, kan worden gesteld dat op deze nieuwe woningen wordt voldaan aan de vergunde waarden die ook voor Goorweg 1a gelden. Geconcludeerd kan worden dat de houtzagerij niet wordt beperkt in de bedrijfsvoering door de drie nieuwe woningen. De waarden komen overeen met de toetswaarden voor geluid door activiteiten uit het omgevingsplan en zijn derhalve aan te merken als aanvaardbaar. Er is geen sprake van een overschrijding van de standaardwaarde van een geluidbronsoort. Daardoor kan gesteld worden dan het gecumuleerde geluid aanvaardbaar is. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.3 Trillingen Toetsingskader Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. De regels in deze paragraaf zijn van toepassing Toetsing aan het aspect trillingen Bronnen van trillingen betreffen voornamelijk verkeer of de weg of het spoor en bouw- en sloopactiviteiten. In onderhavig geval is enkel sprake van vrachtverkeer wat zeer sporadisch over de Goorweg of Loveren gaat. De locatie ligt namelijk in het buitengebied. Hierdoor is de kans op trillingen door zwaar vrachtverkeer zeer klein. Verder ligt het plangebied niet in de omgeving van het spoor. Trillingshinder van het spoor is derhalve niet van toepassing.

Op basis van bovenstaande is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.4 Bodemkwaliteit Toetsingskader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door: • Het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; • Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 26/65

Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO). Toetsing aan het aspect bodemkwaliteit Door Wematech is in september 2025 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ten behoeve van onderhavig initiatief. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 4 van deze ruimtelijke motivering. Het doel van het onderzoek was het verkrijgen van een inzicht in de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor het bouwen op een bodemgevoelige locatie. Uit het veldwerk is gebleken dat er in de bovengrond sporen zijn waargenomen van baksteen en bij enkele druppellijnen er sporen van beton zijn aangetroffen. In der ondergrond zijn matige bijmengingen van baksteen gevonden. Uit het verkennend onderzoek is gebleken dat ter plaatse van de druppellijnen er asbest in de ondergrond is aangetroffen. Daarnaast heeft er ,doordat de bebouwing reeds aanwezig is, geen onderzoek plaatsgevonden ter plaatse van de mestplaat.

Bovendien is het ontwerp gewijzigd waardoor enkel het perceel met daarop de beoogde twee-onder-een-kap woning en de bedrijfswoning is onderzocht. Het noordelijk perceel met daarop de beoogde villa is nog niet onderzocht. Derhalve zal er voor vaststelling van dit TAM-omgevingsplan een verkennend onderzoek op het noordelijk perceel worden uitgevoerd evenals een nader onderzoek naar asbest in de druppellijnen en ter plaatse van de mestplaat. Conclusie Na het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek op het noordelijk perceel en nadere onderzoeken naar asbest in de druppellijnen en een bodemonderzoek ter plaatse van de mestplaat kan geconcludeerd worden of de bodem geschikt is voor de beoogde functie. 4.5 Luchtkwaliteit Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Toetsing aan het aspect luchtkwaliteit Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijks omgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het betreft de volgende categorieën: • Woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • Woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; en

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 27/65

•

Kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlakte met een enkele ontsluitingsweg.

Het toevoegen van 3 wooneenheden ligt ver onder de drempelwaarde van 1.500 woningen. Ter plaatse zal rekening houdend met de agrarische activiteiten, het houden van een intensieve veehouderij, met het initiatief de luchtkwaliteit ter plaatse verbeteren. Het planvoornemen draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ bij aan luchtverontreiniging. Het CIMLK is gebruikt om de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied te meten. Het dichtstbijzijnde meetpunt is gelegen ten oosten van het plangebied aan de Alphenseweg. Hieruit blijkt dat de concentratie NO2 12,4 µg/m3 bedraagt, de concentratie PM10 µg/m3 bedraagt 15,2 µg/m3 en de concentratie PM2,5 bedraagt 8,4 µg/m3 . Hiermee wordt ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3 voor PM10 en NO2 gebleven en onder de grenswaarde van 20 µg/m3 voor PM2,5. Op basis van deze getallen is te concluderen dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.6 Geur Toetsingskader Geur kan hinder veroorzaken en gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan algemene en specifieke beoordelingsregels en instructieregels voor het beoordelen van geurhinder vanuit onder meer agrarische bedrijven. Deze zijn van toepassing bij het opstellen van omgevingsplannen.

Via de bruidsschat zijn deze regels opgenomen in het tijdelijk omgevingsplan en gelden daarmee als toetsingskader. Gemeenten moeten op grond van het (tijdelijke) omgevingsplan rekening houden met de geur vanuit dierenverblijven op geurgevoelige gebouwen. De geur van een activiteit moet aanvaardbaar zijn (art. 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden en gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat (agrarische) bedrijven niet worden belemmerd. De gemeente heeft beleidsvrijheid om, binnen kaders, te beoordelen welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Op grond van de wettelijke systematiek moeten nieuwe geurgevoelige gebouwen in beginsel buiten de relevante afstanden en geurcontouren van agrarische bedrijven worden gerealiseerd. Bij de beoordeling hiervan wordt uitgegaan van onder ander het aantal en soort dieren zoals vermeld in de omgevingsvergunning of melding. Volgens jurisprudentie moet bij het bepalen van de geurcontouren of minimale afstanden worden uitgegaan van de grenzen van het bouwvlak van het agrarische bedrijf. Als het volledige bouwvlak echter niet kan worden gebruikt door de nabijheid van bestaande geurgevoelige gebouwen, wordt rekening gehouden met het daadwerkelijk bruikbare deel van het bouwvlak.

Naast de wettelijke systematiek vanuit het Rijk heeft de gemeente Baarle-Nassau op 15 juli 2022 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Baarle-Nassau 2022’ vastgesteld. Deze verordening is van rechtswege opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan. In de verordening zijn voor een aantal gebieden binnen de gemeente Baarle-Nassau afwijkende geurnormen gedefinieerd. Op basis van bovenstaande de verordening geldt binnen het plangebied een geurnorm van 10,0 oue/m3. Toetsing aan het aspect geur Door Aveco de Bondt is een onderzoek geurhinder en veehouderij uitgevoerd. Deze is tevens toegevoegd als bijlage 5 bij deze ruimtelijke motivering. Hierin is onder andere onderzoek gedaan naar de voorgrond- en

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 28/65

achtergrondbelasting vanuit veehouderijen op het plangebied. Ook is onderzoek gedaan naar de vaste afstandscontour vanuit de veehouderijen. Voor de bepaling van het woon- en leefklimaat is de voorgrondbelasting leidend als deze ten minste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie bedraagt de voorgrondbelasting meer dan de helft van de achtergrondbelasting , waardoor de voorgrondbelasting leidend is. Op basis van tabel 2 is er sprake van een matige milieukwaliteit, maar voldoen de waarden waar de woningen beoogd zijn aan de gemeentelijke geurnormen. Op grond van het onderzoek kan vanuit het oogpunt van geurhinder vanuit dierenverblijven het volgende worden geconcludeerd: • Omliggende veehouderijen worden niet gehinderd door het initiatief; • En er is sprake van een aanvaardbare milieukwaliteit. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.7

Endotoxinen

Toetsingskader Bij de beoordeling van het aspect gezondheid in relatie tot endotoxinen wordt aangesloten bij het advies van de Gezondheidsraad (2012) en het regionale Endotoxine toetsingskader 1.0, ontwikkeld door de Omgevingsdiensten, GGD en provincie Noord-Brabant. Dit kader hanteert een richtwaarde van 30 EU/m³ (Endotoxine Units per kubieke meter) voor de buitenlucht. Er is geen landelijk wettelijk toetsingskader, maar het endotoxinekader biedt een methodiek om afstanden tussen veehouderijen en gevoelige functies (zoals woningen) te beoordelen. Toetsing van het aspect endotoxinen Het endotoxinekader 1.0 is ontwikkeld om gezondheidsrisico’s door endotoxinen bij veehouderijen te beoordelen. Dit kader richt zich primair op pluimvee- en varkenshouderijen, omdat deze de hoogste emissies veroorzaken. Rundvee (melk- en vleesvee) is niet expliciet opgenomen, maar kan in beperkte mate bijdragen aan endotoxinebelasting via stofdeeltjes uit stallen en mestopslag. In de omgeving van het plangebied. Bevinden zich drie veehouderijen: • Een kleine melkveehouderij met circa 68 stuks rundvee op ongeveer 100m afstand; • Een kleine melkveehouderij met circa 20 stuks rundvee op ongeveer 380m afstand; • Een groot vleesveebedrijf met circa 2282 stuks rundvee op ongeveer 300m afstand. Voor rundvee zijn geen specifieke risicocontouren in het endotoxinekader opgenomen.

De GGD en RIVM adviseren echter een voorzorgsafstand van circa 250 meter bij nieuwe gevoelige functies. Gezien de beperkte omvang van de melkveehouderij en de afstand van 300 meter tot de vleesveehouderij en 380 meter tot het andere rundveebedrijf, is het risico op overschrijding van de advieswaarde van 30 EU/m³ (Gezondheidsraad) zeer gering. Er is bovendien geen sprake van een cluster van intensieve veehouderijen, waardoor cumulatie van endotoxinen beperkt blijft. Op basis van deze beoordeling wordt geconcludeerd dat het aspect endotoxinen geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 29/65

Conclusie Het aspect endotoxinen vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.8

Bedrijven- en milieuzonering

Toetsingskader In 2009 stelde de VNG, in samenwerking met de Ministeries van VROM en Economische Zaken, de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" op. Deze handreiking bevat richtafstanden voor verschillende bedrijfstypen ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen. Bedrijven zijn ingedeeld in milieucategorieën, waarbij hogere categorieën zwaardere milieubelasting betekenen en grotere richtafstanden vereisen. De richtafstanden zijn indicatief en kunnen worden aangepast mits zorgvuldig onderbouwd. De handreiking onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijken/buitengebieden en gemengde gebieden. In rustige woonwijken wordt functiescheiding nagestreefd, terwijl in gemengde gebieden kortere richtafstanden acceptabel zijn. Bij bedrijven en milieuzonering wordt onderscheid gemaakt tussen interne en externe werking. Interne werking betreft de vraag of de omgeving de nieuwe functie toelaat, terwijl externe werking gaat over de vraag of de nieuwe functie in de omgeving past. Bij zonering moet rekening worden gehouden met planologische rechten en daadwerkelijk gebruik van bestemmingen. De Omgevingswet introduceert ook het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de zogenaamde bruidsschat, die beoordelingsregels voor bedrijven bevatten.

In het Bal worden bedrijven gezien als verzamelingen van milieubelastende activiteiten, met algemene regels voor toelaatbare milieuhinder en specifieke milieuvergunningsplichten. Toetsing van het aspect bedrijven-en milieuzonering Het voorgenomen initiatief maakt het gebruik ten behoeve van 3 woningen mogelijk, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd. Woningen zijn aan te merken als milieugevoelige functies. De richtafstanden van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ moet daarom gehanteerd worden. Het omgevingstype van het plangebied betreft een ‘gemengd gebied’. De omgeving van het plangebied bestaat uit verschillende activiteiten zoals agrarische percelen, woningbouw en bedrijvigheid. In de omgeving zijn enkele relevante milieubelastende activiteiten aanwezig: • Een bedrijf in de vorm van een houtzagerij (milieucategorie 3.2 met richtafstand 50 meter in gemengd gebied) ten zuiden van het plangebied op ongeveer 35 meter. Gelegen op het adres Loveren 42. • Een agrarisch verwant bedrijf (maximale mogelijkheid miliecategorie 3.2 met richtafstand 50 meter in gemengd gebied) in de vorm van een dierenasiel (ezels) ten noorden van het plangebied op circa 15 meter. Gelegen op het adres Goorweg 3. Gezien de maximale planologische mogelijkheden kan er niet voldaan worden aan de richtafstanden van deze 2 activiteiten ter hoogte van het plangebied.

Daadwerkelijke situatie Aan de Goorweg 3 te Baarle-Nassau is een ezelopvang gelegen: Stichting de Ezelshoeve. Hier verblijven over het algemeen tussen de 30 en maximaal 60 ezels. De ezel is een landbouwhuisdier. Een landbouwhuisdier is een zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren. Of bijvoorbeeld paarden of pony’s voor

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 30/65

het fokken. Hieronder vallen ook de dieren die onderdeel zijn van de productieketen, zoals het houden van fokzeugen en moederdieren. De ezel is te typeren als landbouwhuisdier. In eerste instantie is de ezelopvang een dierenwelzijnsorganisatie. Een ezelasiel. De stichting heeft ten doel het bevorderen van: • De opvang van en de zorg voor verwaarloosde, mishandelde of oude ezels; • Het geven van informatie over ezels en alles wat daarmee verband houdt. Wanneer de ezels weer opgeknapt zijn, gaan deze naar een nieuw thuis. Verder is educatie een belangrijk onderdeel op de ezelopvang. De ezelopvang zet sterk in op verspreiden van specifieke ezelkennis, zoals verzorging, gedrag, medicatie en overige onderwerpen. Op basis van bovenstaande informatie kan de ezelopvang worden gezien als landbouwhuisdier. Er is namelijk enkel sprake van educatieve doeleinden en onderzoeksdoeleinden. Milieucategorie 3.2 is derhalve niet van toepassing. De situatie is te vergelijken met het ‘Fokken en houden van overige graasdieren’ zoals deze in de VNG-lijst is opgenomen. Hierbij geldt een milieucategorie 3.1 met richtafstand 50 meter voor geur en 30 meter voor geluid. Gezien het een gemengd gebied is kan deze richtafstand worden verlaagd naar 10 meter.

In onderstaande figuur zijn de milieubelastende activiteiten en bijbehorende richtafstanden weergegeven, waaruit te zien is dat er niet kan worden voldaan aan de richtafstand van 50 meter vanaf de houtzagerij, waardoor een geluidsonderzoek benodigd is. Voor het ezelasiel geldt dat slechts een zeer klein deel binnen de richtafstand valt van het plangebied, maar dit betreft enkel de oprit waar geen woonbestemming komt te liggen.

Figuur 6: Richtafstanden ter hoogte van het plangebied in gemengd gebied.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 31/65

In paragraaf 4.2 is het aspect geluid behandeld. Hierin is onder andere onderzoek gedaan naar het geluid door deze houtzagerij op het plangebied inzichtelijk gemaakt. Hieruit wordt geconcludeerd dat de houtzagerij niet wordt beperkt in de bedrijfsvoering door de drie nieuwe woningen. De waarden komen overeen met de toetswaarden voor geluid door activiteiten uit het omgevingsplan. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het beoogde initiatief. 4.9

Lichthinder

Toetsingskader Onder de Omgevingswet is lichthinder een aspect dat decentrale overheden moeten afwegen bij het opstellen van een omgevingsplan. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat geen Rijksinstructieregels voor lichthinder, behalve dat gemeenten moeten zorgen voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Specifieke rijksregels gelden alleen voor kunstlicht in de glastuinbouw en zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor bouwwerken bevat het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geen directe normen voor lichthinder, maar wel regels voor energie en installaties. Gemeenten kunnen in het omgevingsplan aanvullende regels stellen om lichthinder en verstoring van natuur te voorkomen. Toetsing van het aspect lichthinder De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van woningbouw. Hierbij wordt er geen gebruik gemaakt van kunstlicht. Verder liggen er in de omgeving geen activiteiten (zoals sportvelden of glastuinbouwbedrijven) welke gebruik maken van kunstlicht. Hiermee vormt het aspect lichthinder geen belemmering voor het planvoornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie Het aspect lichthinder vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen.

4.10 Gezondheid Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Deze wet stelt het realiseren van een gezonde fysieke leefomgeving centraal en erkent gezondheid als een volwaardig belang binnen de ruimtelijke afweging. Dit vraagt om een integrale benadering waarbij gezondheid structureel wordt meegenomen in beleid en besluitvorming. Het besluit moet voldoen aan de eisen uit de omgevingswet (artikel 1.3). Op Grond van artikel 1.3, OW dient met het oog op de duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, rekening te worden gehouden met de gevolgen van activiteiten binnen de fysieke leefomgeving, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Het Bkl bevat daartoe instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en de veiligheid tot doel hebben. Daarnaast kent het Bkl instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Binnen het ruimtelijke domein wordt gezondheid doorgaans benaderd vanuit twee pijlers: gezondheidsbescherming en -bevordering.

Gezondheidsbescherming betreft het treffen van maatregelen ter bescherming van de gezondheid van de mens tegen omgevingsfactoren, zoals geur, geluid, luchtkwaliteit bodem,

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 32/65

ect. Het richt zich enkel op het voorkomen van gezondheidsbedreigingen door middel van wet- en regelgeving, alsmede het uitvoeren van toezicht. Nadat gezondheidsbescherming in voorgaande paragrafen is behandeld, is deze paragraaf enkel gericht op de gezondheidsbevordering. Dit betreft het actief bevorderen van gezonde leefstijlen en het creëren van omstandigheden die bijdragen aan het verbeteren van de gezondheid van de fysieke leefomgeving. Dit omvat onder andere het stimuleren van voldoende lichaamsbeweging en het voorkomen van risicovol gedrag in verband met sociale gezondheid. Hoewel op dit moment nog geen specifieke wet- en regelgeving bestaat voor gezondheidsbevorderende aspecten, zetten gemeenten zich actief in voor het bevorderen van ene gezonde fysieke leefomgeving. Dit doen gemeenten onder andere via het opstellen van een omgevingsvisie en, in sommige gevallen, aanvullende beleidsdocumenten, zoals een nota gezondheid. In deze beleidsstukken worden gezondheidsthema’s meegenomen als integraal onderdeel van ruimtelijke afwegingen. Elke gemeente heeft tot uiterlijk 2032 de wettelijke verplichting om een omgevingsplan vast te stellen. In dit omgevingsplan moet worden vastgelegd hoe onder andere gezondheid en een gezonde leefomgeving worden meegenomen in de fysieke inrichting van de leefomgeving.

De gemeente Baarle-Nassau licht hieronder toe hoe zij het thema gezondheid in relatie tot de fysieke leefomgeving vormgeeft binnen het ruimtelijk domein. Gezondheidsvisie gemeente Baarle-Nassau De gemeente Baarle-Nassau beschouwt gezondheid als één van de belangrijkste thema’s in hun omgevingsvisie ‘Baarle BRUIST’, naast wonen, natuur, energie, economie, verkeer, recreatie en erfgoed. De gemeente BaarleNassau wil een veilige en gezonde leefomgeving bieden voor iedereen, van jong tot oud, inclusief kwetsbare groepen. Daarbij sluit Baarle-Nassau aan bij het gedachtegoed van Positieve gezondheid, waarin gezondheid breder wordt gezien dan alleen het ontbreken van ziekte. Ook factoren zoals sociale contacten, eigen regie, welzijn en zingeving maken volgens de gemeente deel uit van een gezonde leefomgeving. In de manier waarop de gemeente haar openbare ruimte wil inrichten, komt die brede kijk op gezondheid duidelijk terug. Wijken en openbare plekken moeten mensen uitnodigen om te bewegen, elkaar te ontmoeten en actief deel te nemen aan de samenleving. Groene plekken, toegankelijke sport- en speelvoorzieningen en ruimte voor kunst en ontmoeting worden daarbij als belangrijk gezien. Ook vindt de gemeente het nodig dat voorzieningen op het gebied van zorg, welzijn en sport goed bereikbaar zijn, vooral voor mensen die extra ondersteuning nodig hebben.

Gezondheid speelt daarnaast een rol binnen het ruimtelijke en milieubeleid. Nieuwe ontwikkelingen, zoals onderhavig initiatief, dienen ook in te gaan op de bijdrage aan het welzijn en de leefbaarheid van inwoners. Een schone, veilige en toegankelijke buitenruimte, goede luchtkwaliteit, rust en het beperken van milieubelastende activiteiten horen volgens de gemeente bij een gezonde leefomgeving. Om dit te bereiken wil Baarle-Nassau samenwerken met zorginstellingen, woningcorporaties en maatschappelijke partners. De aandacht voor gezondheid hangt ook samen met maatschappelijke ontwikkelingen zoals vergrijzing en de groei van het aantal kwetsbare inwoners. Deze veranderingen vragen volgens de gemeente om een leefomgeving waarin voorzieningen toegankelijk zijn en waar ruimte is voor ontmoeting, beweging en samenhang. Door gezondheid te verweven met thema’s als duurzaamheid, energie, natuur en wonen wil Baarle-Nassau bouwen aan een veerkrachtige gemeente waarin inwoners zich prettig, veilig en verbonden voelen. Planspecifiek Leefomgeving+ model - Aveco de Bondt

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 33/65

Aveco de Bondt heeft het Leefomgeving+ model ontwikkeld om gezondheid locatie specifiek, structureel en onderbouwd te integreren in ruimtelijke projecten. Het model onderscheidt zich door gezondheid te benaderen vanuit zowel gezondheidsbescherming als -bevordering. In drie stappen, het formuleren van de visie, het bepalen van een strategie en het kiezen van maatregelen, helpt het model om abstracte gezondheidsdoelen te vertalen naar concrete, meetbare keuzes in gebiedsontwikkeling. Hiermee wordt gezondheid niet slechts als randvoorwaarde gezien, maar als kans om ruimtelijke kwaliteit en maatschappelijk draagvlak te versterken.

Figuur 7: Prioriteiten aangegeven in Leefomgeving+ model

Het besluitgebied voldoet aan de gezondheidsvisie van de gemeente Baarle-Nassau. Gezondheidsbevordering is op diverse thema’s aangehaakt binnen het Besluitgebied, met de nadruk op groen & water en beweging. Gezondheid is expliciet meegenomen in de planvorming van de Goorweg 1a te Baarle-Nassau. Zo zal er ten behoeve van onderhavig initiatief een intensieve veehouderij stoppen. De beëindiging van de agrarische activiteit zorgt voor een afname van milieubelastende functies, en voorkomt mogelijke hinder naar omliggende woonfuncties. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan een veilige en gezonde leefomgeving. Daarnaast worden niet-cultuurhistorisch waardevolle opstallen gesloopt, wordt hiermee verrommeling teruggedrongen en wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt. Middels het realiseren van een landschappelijke inpassing met daarin voldoende waterberging en robuuste groenstructuren wordt er bovendien positief bijgedragen aan het klimaat en de biodiversiteit in een erf welke tevens passend is bij het karakter van het buitengebied en de bebouwingsconcentratie Loveren. Tot slot wordt er een lanenstructuur aangelegd in de vorm van een wandelpad waardoor er een ommetje ontstaat welke bewegen stimuleert. conclusie Het doel van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving.

Binnen de ontwikkeling van Goorweg 1a te Baarle-Nassau wordt de fysieke leefomgeving verbeterd ten opzichte van de

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 34/65

huidige situatie, waarbij thema’s als groen en water en bewegen worden bevorderd. Hiermee wordt er voldaan aan de gezondheidsvisie van de gemeente Baarle-Nassau en bevorderd derhalve de gezondheid in de fysieke leefomgeving.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 35/65

5

Bescherming van de waterbelangen

Toetsingskader Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot: • Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; • Het bouwen binnen kunstfundamenten buiten stedelijk gebied; en • Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving.

De Europese kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeenten op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal.

Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kader voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: • Heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; • Beheersbaar programma voor de waterkeringen; • Doelmatig beheer van de waterketen; • Werkzaamheden slim combineren; • Het waterschapsbestuur.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 36/65

Provincie Noord-Brabant Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 Water en Bodem Programma (RWP) 2022 – 2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Samenwerking met water- en bodempartners De provincie heeft de koers voor de komende jaren niet alleen bepaald. In dialoogsessies hebben vele partners en belanghebbenden actief meegedacht. Naast de Brabantse waterschappen, terreinbeherende organisaties (TBO’s), de Vereniging Industriewater, drinkwaterbedrijven, de Brabantse Milieu Federatie, Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (ZLTO) en verschillende onderwijsinstellingen, waren ook een groot aantal gemeenten aangesloten. Water en bodemsysteem herstellen Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking.

Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Beleid Waterschap Brabantse Delta Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger.

De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’. Hieromtrent is bij de Algemene regels van de keur het volgende opgenomen:

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 37/65

• Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater; • Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m²); • Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig. In alle gevallen geldt (ook) het gemeentelijke beleid. Gemeentelijk waterbeleid Baarle-Nassau Verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2021 – 2025 (vGRP) Het waterbeleid van de gemeente Baarle-Nassau is vastgelegd in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 20212025. In het waterbeleid zijn de zorgplichten uit de Waterwet verder ingevuld. Het gemeentelijke waterbeleid schrijft onder meer voor dat stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater op een deugdelijke manier moeten worden ingezameld, geborgen, getransporteerd en/of lokaal gezuiverd. Alle nieuwe nieuwbouw- en herstructureringsprojecten dienen in principe hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd waarbij de wettelijke voorkeursvolgorden gehanteerd worden. Hemelwater wordt daarom, ook als er geen toename is van het verhard oppervlak, bij voorkeur in de bodem geïnfiltreerd en schoon gehouden.

Bij vervanging geldt een bergingsnorm van minimaal 7 mm (7 liter per m² of 70 m3 per hectare) voor het vernieuwd verhard oppervlak. Voor de toename van het toekomstige aangesloten verhard oppervlak (daken en verharding) geldt conform het gemeentelijke beleid een norm van minimaal 78 mm voor het nieuwe verhard oppervlak. De gemeente rekent niet met een gevoeligheidsfactor. Oppervlak wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden. De bestaande watersystemen zoals greppels en vijvers dienen gehandhaafd te blijven tenzij de bergende, afvoerende, infiltrerende en drainerende functie gecompenseerd wordt. Toetsing aan het aspect water In de huidige situatie bestaat het plangebied voornamelijk uit grasland en verharding met agrarische bebouwing. De huidige agrarische bebouwing zal gesloopt worden en in de toekomstige situatie zal de bestaande bedrijfswoning worden omgezet naar een woonfunctie. Tevens worden er nog 3 woningen toegevoegd. In figuur 10 is een visualisatie van de toekomstige verharding weergegeven. In onderstaand tabel is de verandering in de hoeveelheid verharding kwantitatief weergegeven: Tabel 1: Hoeveelheid verharding in huidige en toekomstige situatie.

Omschrijving Huidig (m2 )

Toekomstig (m2 )

Verschil (m2 )

Bebouwing

1010 (bedrijfsbebouwing) 150 (bedrijfswoning)

480

-680

Verharding

1640

2140 (halfverharding 50%) +1031 531 (verharding 100%)

Totaal

2800

3151

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

+351

P 38/65

Figuur 8: Visualisatie toekomstige verharding.

Bergingseis gemeente Uit de tabel blijkt dat het huidige verharde oppervlak 2.800 m² bedraagt en dat dit in de toekomstige situatie toeneemt tot 3.151 m².Het gemeentelijk beleid maakt onderscheid in vervangende verharding en toegevoegde verharding. De hoeveelheid vervangende verharding, waarover een bergingsnorm van 7mm wordt gehanteerd, betreft 2800m2. De nieuw toegevoegde hoeveelheid verharding, waarover een bergingsnorm van 78mm wordt gehanteerd, betreft 351m2. Dit leidt tot de volgende berekeningen van de bergingsopgave: • Berekening vervangende verharding: 2800m2 * 0,007 = 19,6 m3 • Berekening nieuw toegevoegde verharding: 351m2 * 0,078 = 27,4 m3 Dit komt uit op een totale benodigde waterbergingscapaciteit 47 m3. Bergingseis waterschap Het waterschap hanteert een bergingseis over de nieuw toegevoegde hoeveelheid verharding. Aangezien de nieuw toegevoegde verharding minder dan 500m2 betreft, stelt het waterschap geen aanvullende eisen voor wat betreft waterberging. Aangezien het gemeentelijk beleid de grootste waterbergingsopgave met zich meebrengt, dient deze eis als uitgangspunt te worden genomen voor de waterbergingsopgave. In een nadere fase wordt het landschappelijk inpassingsplan vastgesteld waarin rekening moet worden gehouden met de benodigde waterbergingscapaciteit volgens de gemeentelijke eisen.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 39/65

Binnen het plangebied wordt geen grondwateroverlast verwacht. Voor de vaststelling van dit plan zal dit nader worden onderzocht en toegelicht. Daarnaast wordt het omliggende terrein zodanig ingericht dat wateroverlast bij de gebouwen wordt voorkomen. Overtollig hemelwater kan afstromen naar het nabijgelegen groen of het HWAstelsel. Bij de nieuwbouw wordt een volledig gescheiden rioolstelsel aangelegd. In een vervolgfase zal het plan worden afgestemd met het waterschap. Conclusie Bij een nadere uitwerking van het planvoornemen dient voldoende waterberging in het landschappelijke inpassingsplan geborgd te worden. Indien hiermee in een nadere fase wordt rekening gehouden is er vanuit het aspect water sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 40/65

6

Waarborgen van de veiligheid

6.1

Externe veiligheid

Toetsingskader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Toetsing aan het aspect externe veiligheid De landelijke signaleringskaart voor externe veiligheid is geraadpleegd om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van risicobronnen rondom het plangebied . Hieruit blijkt dat geen risicobronnen en aandachtsgebieden aanwezig zijn in de omgeving van het plangebied. Er is wel een opslagtank in het gebied Baarle-Nassau, maar deze bevindt zich op circa 400 meter afstand van het plangebied.

Figuur 9: Uitsnede signaleringskaart (plangebied = gele arcering)

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 41/65

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 6.2 Ontplofbare oorlogsresten Volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 4.10 is de initiatiefnemer verplicht om bij bodemroerende werkzaamheden ten minste één oriënterend onderzoek te laten uitvoeren naar ontplofbare oorlogsresten. Dit om een veilige werkplek te kunnen garanderen. Toetsing aan het aspect ontplofbare oorlogsresten In november 2025 is een oriënterend onderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd door KWS. Deze is als bijlage toegevoegd bij onderhavige motivering. Hieruit is gebleken dat het er een verhoogde kans is op het aantreffen van mogelijk aanwezige ontplofbare oorlogsresten in het onderzoeksgebied. Op dit moment zijn de voornaamste indicaties hiervoor: • Het destijds aangelegde (en mogelijk niet geheel opgeruimde) mijnenveld binnen het projectgebied; • En het feit dat er in de directe omgeving daadwerkelijk al meldingen en ruimingen van enkele verschoten geschutgranaten zijn aangetroffen. Vanwege bovenstaande is een vervolg van het onderzoeksproces benodigd. Dit betreft een bureaustudie welke conform het CS-VROO wordt uitgevoerd en opgeleverd. Conclusie Wanneer het vervolgonderzoek naar OO wordt uitgevoerd en de mogelijke acties die daaruit volgen ook worden opgevolgd, vormt het aspect OO geen belemmering voor het initiatief.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 42/65

7

Bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

7.1 Cultureel erfgoed Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Omgevingskwaliteit duidt daarbij op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van een gebied en aan dier- en plantensoorten. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden zijn een element van omgevingskwaliteit en het beschermen van die waarden is in artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet wet opgenomen als één van de oogmerken die van belang kan zijn bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet. In de omgeving van het plangebied zijn geen Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Wel houdt onderhavig initiatief rekening met de aanwezig landschappelijke waarden doordat het initiatief landschappelijk wordt ingepast. De landschappelijke waarden ter plaatse worden derhalve beschermd. Toetsing De plek Loveren, waarin Goorweg 1a is gelegen, kent een diepgewortelde middeleeuwse historie.

In 1358 is sprake van een verpachte hoeve – de hof te Loveren – onder de abdij van Thorn, met de verplichting tot bouw van een huis op het goed. In de loop van de 15e eeuw ontwikkelde dit goed zich tot een omgracht kasteel, vanaf 1448 bereikbaar via een brug – daarmee vormt het de middeleeuwse versterking, later bekend als Kasteel Bruheze. Gedurende eeuwen is Bruheze in verschillende adellijke handen geweest; het kasteel fungeerde als landgoed en uitvalsbasis, en behoorde tot de historische kern van Loveren. Hoewel het kasteel in 1870 is afgebroken en de grachten in 1914 zijn gedempt, blijft de historische structuur zichtbaar in het landschap en het verkavelingspatroon: de ligging ten opzichte van wegen, perceelgrenzen, mogelijke funderingen in de bodem en de ruimtelijke ordening weerspiegelen het oude erfgoed. Bovendien getuigt het nabijgelegen bebouwingspatroon van het gehucht Loveren – met onder meer historische panden zoals de vroegere herberg (nu monument) – van de historische betekenis en continuïteit van bebouwing en verblijf in deze streek. De herontwikkeling van Goorweg 1a biedt de mogelijkheid om deze cultuurhistorische lagen te eren en opnieuw beleefbaar te maken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16496325/1