CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

3.2 - Bijlage 1 - Motivering omgevingsplan Goorweg 1a

Gemeenteraad (openbaar) 18 februari 2026, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Categorie 3: Raadsinformatiebrieven voor kennisgeving aannemen20.977 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Door in het plan uit te gaan van functiewijziging en landschappelijke inpassing – in combinatie met terugbrengen van structuren als een lanenstructuur – kan het verleden opnieuw zichtbaar worden gemaakt zonder nostalgie maar op basis van historische feiten en ruimtelijke logica. In dat licht kan de voorgenomen toevoeging van een vrijstaand landhuis zodanig worden vormgegeven dat het een hedendaagse interpretatie is van de status van Kasteel Bruheze: niet als reconstructie, maar als eerbiedige verwijzing naar de vroegere markante plek. Door de lanenstructuur door te trekken en – waar relevant – zichtassen of erfbeplanting in te zetten, herstelt het plan de landschappelijke samenhang die in het verleden het landgoed en haar omgeving kenmerkte. Dit versterkt de ruimtelijke en visuele relatie tussen bebouwing, historische erfgoedwaarden en het agrarische landschap daaromheen. Daarmee wordt de historische identiteit van Loveren niet ondergraven, maar getransformeerd tot een nieuwe invulling die recht doet aan verleden én toekomst.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 43/65

De sloop van overtollige agrarische opstallen en de transformatie van bedrijfswoning naar woonfunctie biedt ruimte om de schaal, structuur en beleving van het gebied zorgvuldig opnieuw in te vullen. Dit sluit aan bij het beleid voor behoud en versterking van cultuurhistorie en landschap, en biedt tegelijkertijd een realistische, toekomstgerichte invulling van het perceel. Conclusie Het plan voor Goorweg 1a kan – mits zorgvuldig vormgegeven – bijdragen aan behoud én vernieuwing van cultuurhistorische waarden, door met respect en aandacht voor verleden en landschap een hedendaagse woonfunctie in te passen. 7.2 Archeologische waarde De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.

Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Toetsing Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. In het omgevingsplan is aangegeven dat archeologisch onderzoek is vereist bij ingrepen groter dan 100 m2, indien geen andere regeling is opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (de zogenaamde ‘bruidsschat’, waarin de oude bestemmingsplannen zijn opgenomen). Gemeenten hebben tot eind 2031 de tijd om die bestemmingsplannen om te zetten naar nieuwe onderdelen van het omgevingsplan. In de praktijk geldt dus nog het oude bestemmingsplan. Hierin is geregeld dat archeologisch onderzoek nodig is bij ingrepen groter dan 100 m2 (Paraplubeheersverordening Baarle-Nassau 2023). De omvang van de geplande verstoringen overschrijdt de vrijstellingsgrenzen zoals die in het vigerende Omgevingsplan zijn aangegeven. Derhalve is door Laagland Archeologie een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Deze is als bijlage toegevoegd bij deze ruimtelijke motivering. Het verkennend onderzoek is reeds getoetst door de regioarcheoloog en wordt bijgewerkt n.a.v. de gemaakte opmerkingen. Bovendien wordt het plangebied uitgebreid.

Desalniettemin is de verwachting dat er gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Hiervoor is een door het bevoegd gezag goed te keuren Programma van Eisen benodigd. Deze worden derhalve eerst voorgelegd aan het bevoegd gezag. Bij het aanvragen van de bouwvergunning dient er in ieder geval een proefsleuvenonderzoek te zijn uitgevoerd conform een goedgekeurd PvE en logischerwijs een goedgekeurd verkennend archeologisch onderzoek. Conclusie De archeologische dubbelbestemming blijft gehandhaafd zodat de mogelijk aanwezige archeologische waarden intact blijven. Bij het aanvragen voor de omgevingsvergunning bouwen dient aangetoond te zijn dat er geen archeologische waarden worden geschaad.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 44/65

7.3 Ladder voor de duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning BOPA. Het planvoornemen wordt op basis van artikel 5.129g Bkl niet aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder is derhalve niet noodzakelijk. 7.4 Landschappelijke waarden en ruimtelijke kwaliteit en welstand Op basis van de Omgevingsvisie van de gemeente Baarle-Nassau bevindt het plangebied zich in het landschapstype ‘jonge landschap’. Voor de omgevingsvisie wordt het jonge landschap als één gebied aangemerkt vanwege de overeenkomsten in karakter en dynamiek. Om het overzicht te behouden, zijn echter wel subgebieden benoemd, zoals De Bedafsche Heide, De Rethsche Heide, De Tommelsche Heide, De Strumptsche Heide en de Ulicootsche Heide. Het plangebied bevindt zich in het subgebied de Tommelsche Heide. De belangrijkste landschappelijke kwaliteit van het buitengebied van Baarle-Nassau is de herkenbaarheid van de verschillende landschapstypen.

De kenmerken van de landschapstypen zijn verschillend, zorgen voor afwisseling, maken oriëntatie mogelijk en maken het landschap leesbaar. Hierdoor is de ontstaansgeschiedenis als het ware uit het landschap af te lezen. De basisgedachte voor de landschappelijke inpassing van de beoogde ontwikkeling is om aan te sluiten op de nog aanwezige landschapselementen van kleine bosjes en houtsingels ter behoud en versterking van het huidige landschap. Op deze manier wordt de beoogde ontwikkeling op een vanzelfsprekende en natuurlijke wijze ingepast. Dit is tevens reeds toegelicht in paragraaf 3.2.2 en bijlage 1 van deze ruimtelijke motivering. Conclusie Het aspect landschappelijke en stedenbouwkundige waarden vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 45/65

8

Natuurbescherming

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en Habitats. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren.

Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. Toetsing aan het aspect flora en fauna Voor het planvoornemen is een Quickscan natuurwetgeving uitgevoerd door Veldbiologische Werken. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage 7 bij deze motivering. De Quickscan geeft inzicht of ter plaatse beschermde dier- en/of plantsoorten voorkomen.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 46/65

Gebiedsbescherming Door Aveco de Bondt is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Deze is toegevoegd als bijlage 8 bij deze motivering. Uit de (enkelvoudige) berekeningen van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het project is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit. Nadere toetsing in de vorm van een passende beoordeling is niet aan de orde. De voorgenomen ingreep zal niet leiden tot aantasting van Natura 2000-gebieden in de vorm van verstoring door licht, geluid, trillingen. Evenmin kan de voorgenomen ingreep leiden tot versnippering van Natura 2000-gebieden. Een nadere toetsing ten behoeve van het plangebied in relatie met Natuurnetwerk Brabant is niet aan de orde. De voorgenomen ingreep in het plangebied zal redelijkerwijs geen negatieve effecten veroorzaken aan Natuurnetwerk Brabant.

Soortenbescherming Uit de bevindingen van het veldonderzoek, het literatuur- en bronnenonderzoek en toetsing van de resultaten van dit onderzoek aan de Omgevingswet en de Omgevingsverordening Noord-Brabant, blijkt dat bij uitvoering van de voorgenomen ingrepen geen schade wordt veroorzaakt aan beschermde soorten. Het is niet nodig nader onderzoek te doen naar de functionaliteiten van het plangebied voor beschermde soorten. Er wordt aangeraden om de zorgplicht toe te passen t.a.v. algemene amfibieën, broedende vogels en vrijgestelde zoogdieren (de egel en spitsmuis). Pas zorgplicht toe voor de houtduif die in de schuur/loods aan het broeden is. Pas zorgplicht toe voor de huismus aanwezig in het huis dat blijft staan. Pas zorgplicht toe voor mogelijke aanwezigheid van kleine parelmoervlinder. Verdiepend onderzoek naar huismussen en ringmussen binnen het plangebied dient nog te worden uitgevoerd. Dit kan uitsluitsel geven omtrent de functie van het erf en de impact van de sloop van de schuren op het leefgebied van een mogelijke populatie huismussen/ringmussen binnen het plangebied. Tot slot is tijdens het veldbezoek is het plangebied onderzocht op boombewonende vleermuissoorten. Hierbij is voornamelijk gekeken naar bomen van een geschikte omvang en naar de aanwezigheid van holtes, kieren of spleten die kunnen dienen als verblijf.

Het veldbezoek toonde aan dat er mogelijk geschikte bomen nabij het plangebied aanwezig zijn, echter zijn in deze bomen geen verblijfsmogelijkheden in de vorm van holtes, kieren en/of spleten aangetroffen. Tevens worden deze bomen niet aangetast tijdens de voorgenomen werkzaamheden. De volgende maatregelen worden aangeraden tijdens de werkzaamheden: • Werk in de buurt van deze bomen bij voorkeur overdag; • Wanneer bouwverlichting wordt gebruikt, richt deze dan niet op de bomen ten zuiden/zuidwesten van het plangebied; • Gebruik bij voorkeur verlichting met speciale armatuur die het licht bundelt en geen restlicht veroorzaakt dat uitstraalt naar de bomen aan de achterzijde van het plangebied. Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor het initiatief. Bij het uitvoeren van het vervolgonderzoek naar de huis- en ringmussen zal volgen of er aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden. Daarmee vormt het aspect flora en fauna geen verdere belemmering voor het planvoornemen. Bij het aanvragen van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit dient dit

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 47/65

vervolgonderzoek derhalve aangeleverd te worden. Dit is tevens als voorwaardelijke verplichting in dit TAMomgevingsplan opgenomen.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 48/65

9

Behouden van de staat en werking van de infrastructuur en voorzieningen

9.1 Kabels en leidingen Binnen het plangebied en in de nabijheid van het plangebied kunnen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig zijn. Dit betreft kabels en leidingen voor hoofdinfrastructuur en voor nutsvoorzieningen. Voorbeelden zijn aardgasleidingen, hoogspanningskabels, afvalwaterleidingen en gas- en olieproducten. De locaties van de kabels en leidingen worden in het gemeentelijke omgevingsplan weergegeven. Toetsing aan het aspect kabels en leidingen Er bevinden zich geen kabels en/of leidingen in de nabijheid van het plangebied die bedoeld zijn voor hoofdinfrastructuur of nutsvoorzieningen. De dichtstbijzijnde leiding en/ of kabel die bedoeld is voor hoofdinfrastructuur of nutsvoorziening bevinden zich nabij Alphen op een afstand van circa 5 kilometer. Het plangebied bevindt zich derhalve op ruim voldoende afstand van het invloed gebied van relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen. Conclusie Vanuit het aspect kabels en leidingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 49/65

10 Milieueffectrapportage Toetsingskader De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.- beoordelingsprocedure.

Toetsing aan het aspect milieueffectrapportage Onderhavige ontwikkeling betreft een project dat, vanwege de aard van de functiewijziging en de omvang van de bebouwing, niet als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt getypeerd. Een stedelijk ontwikkelingsproject komt voor onder categorie J11 van bijlage V bij het Ob. Daarbij moeten minstens 12 woningen gerealiseerd om het als een stedelijk ontwikkelingsproject te zien. Echter is dit project te kleinschalig om deze onder categorie J11 van bijlage V van het Ob te schalen. Hiervan is in deze situatie sprake. Geconcludeerd wordt dus er geen project-merbeoordeling benodigd is. Conclusie Geadviseerd wordt om geen milieueffectrapportage op te stellen voor dit plan.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 50/65

11 Uitvoerbaarheid 11.1 Economische uitvoerbaarheid Wanneer er kosten zijn verbonden aan de exploitatie van locaties die door de gemeente moeten worden verhaald, dient er een verantwoording van de wijze waarop de kosten worden verhaald te worden onderbouwd. Publiekrechtelijk kostenverhaal vindt in het concrete geval niet langer plaats via de omgevingsvergunning, maar door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Ook wel de beschikking bestuursrechtelijke geldschuld genoemd. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaal plichtige activiteiten. Dat zijn: • aangewezen bouwactiviteiten • aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

Voor de gronden in deze specifieke ontwikkeling welke in eigendom is van particulieren is een anterieure overeenkomst gesloten. Er zijn afspraken gemaakt over exploitatiebijdragen vanuit initiatiefnemer aan de gemeente Baarle- Nassau. Op grond van de provinciale regels zijn middels de overeenkomst afspraken gemaakt over het bedrag wat in het landschapsfonds en kwaliteitsverbetering wordt gestopt. Tevens zijn er afspraken gemaakt over de spuitvrije zone op enkele percelen en de bijbehorende nadeelcompensatie. De gemeente voert rioolaansluiting uit op kosten van de initiatiefnemer. Met de overeenkomst is de economische haalbaarheid aangetoond en de uitvoerbaarheid van het plan bevestigd. 11.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie De initiatiefnemer heeft samen met een tussenpersoon en Aveco de Bondt een omgevingsdialoog gehouden in september 2025. Hierbij zijn alle relevante omwonenden uitgenodigd welke woonachtig zijn op Loveren, op de Goorweg en op Loverenbeemd. Daarnaast waren de eigenaar van de houtzagerij en Van Wijnen projectontwikkeling – Zuid uitgenodigd. In de omgevingsdialoog zijn in een tafelgesprek met alle aanwezigen de plannen doorgenomen en is er de gelegenheid gegeven om vragen te stellen. Hierop is een verduidelijking gegeven op de aspecten verkeer, landschappelijke inpassing, water, het ontwerp, archeologie en geur.

Daarnaast zijn de aanwezigen over overwegend positief en zijn er tevens vragen gesteld over Loveren Fase 2. Deze ontwikkeling maakt echter geen deel uit van onderhavig initiatief en derhalve is hier niet verder op ingegaan. Het verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage bij deze ruimtelijke motivering gevoegd. Tot slot is naderhand nog gesproken met de eigenaren van de agrarische percelen in de omgeving. Dit heeft plaatsgevonden door de initiatiefnemer zelf in de vorm van keukengesprekken. Hierbij is de zone t.b.v. spuitzonering besproken en hierover zijn afspraken gemaakt. Advies en instemming PM

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 51/65

Vaststellingsprocedure PM

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 52/65

12 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties , gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 3). De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief – de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4,5,6,7,8,9 en 10). Hieruit blijkt dat het toevoegen van 2 wooneenheden en het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning een gewenste invulling is ter plaatsen van een agrarisch bedrijf.

Daarnaast heeft de ontwikkeling geen onaanvaardbare negatieve effecten voor de fysieke leefomgeving. Gelet op de conclusies uit de voorgaande hoofdstukken met betrekking tot het beleidskader, de effecten op de fysieke leefomgeving en de betrokken belangen wordt geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 53/65

Bijlage 1 Landschappelijke inpassing en bijbehorende berekening

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 54/65

Bijlage 2 Oppervlakte voormalige bedrijfsbebouwing

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 55/65

Bijlage 3 Akoestisch onderzoek

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 56/65

Bijlage 4 Bodemonderzoek

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 57/65

Bijlage 5 Geuronderzoek

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 58/65

Bijlage 6 Oriënterend onderzoek ontplofbare oorlogsresten

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 59/65

Bijlage 7 Archeologisch onderzoek

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 60/65

Bijlage 8 Quickscan flora en fauna

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 61/65

Bijlage 9 Stikstofdepositieonderzoek

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 62/65

Bijlage 10 Omgevingsdialoog

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 63/65

Bijlage 11 Rekenmodule provincie

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 64/65

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 65/65

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16496325/1