CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

3.2 - Bijlage 1 - Motivering omgevingsplan Goorweg 1a

Gemeenteraad (openbaar) 18 februari 2026, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Categorie 3: Raadsinformatiebrieven voor kennisgeving aannemen20.977 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Goorweg 1a te BaarleNassau TAM-omgevingsplan

datum projectnummer

8 december 2025 251093

Rapport TAM-omgevingsplan

Aveco de Bondt BV Holten - Amstelveen - Breda - Eindhoven - Nieuwegein Burgemeester van der Borchstraat 2, 7451 CH Holten T +31 88 004 82 12 info@avecodebondt.nl avecodebondt.nl

Goorweg 1a te Baarle-Nassau project projectnummer

status

Planologische procedure Goorweg 1a Baarle-Nassau 251093

Ontwerp

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding Aanleiding Ligging van het plangebied Het vigerende omgevingsplan Leeswijzer

2 2 2 4 4

2 2.1 2.2 2.3

Wijzigingen van de fysieke leefomgeving Inleiding Bestaande situatie Toekomstige situatie

5 5 5 6

3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid en rijksregels 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 NOVEX 3.1.3 Instructieregels Rijk (AMvB’s) 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale omgevingsvisie Noord-Brabant (POVI) 3.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Brabantse Woondeal 3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau 3.4.2 Woonvisie 2018-2023 Baarle-Nassau

7 7 7 8 8 9 9 10 20 20 21 21 24

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10

Bescherming van gezondheid en milieu Inleiding Geluid Trillingen Bodemkwaliteit Luchtkwaliteit Geur Endotoxinen Bedrijven- en milieuzonering Lichthinder Gezondheid

25 25 25 26 26 27 28 29 30 32 32

5

Bescherming van de waterbelangen

36

6 6.1 6.2

Waarborgen van de veiligheid Externe veiligheid Ontplofbare oorlogsresten

41 41 42

7

Bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 43 Cultureel erfgoed 43

7.1

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

7.2 7.3 7.4

Archeologische waarde Ladder voor de duurzame verstedelijking Landschappelijke waarden en ruimtelijke kwaliteit en welstand

44 45 45

8

Natuurbescherming

46

9 9.1

Behouden van de staat en werking van de infrastructuur en voorzieningen Kabels en leidingen

49 49

10

Milieueffectrapportage

50

11 11.1 11.2

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

51 51 51

12

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

53

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11

Landschappelijke inpassing en bijbehorende berekening Oppervlakte voormalige bedrijfsbebouwing Akoestisch onderzoek Bodemonderzoek Geuronderzoek Oriënterend onderzoek ontplofbare oorlogsresten Archeologisch onderzoek Quickscan flora en fauna Stikstofdepositieonderzoek Omgevingsdialoog Rekenmodule provincie

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 1/65

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Ten westen van de kern Baarle-Nassau in het buitengebied aan de Goorweg 1a liggen de agrarisch percelen van de familie v.d. Walle, hierna initiatiefnemer. Op het perceel vonden voornamelijk agrarische activiteiten plaats, betreffende het houden van rundvee, en de initiatiefnemer heeft er zijn woning staan. Het plangebied aan de Goorweg 1a biedt op basis van het vigerende bestemmingsplan de mogelijkheid tot het in gebruik nemen van het perceel t.b.v. een agrarisch bedrijf. Een dergelijke functie wordt in het buitengebied én omgeving door de gemeente als ongewenst gezien. De initiatiefnemer zet met een herontwikkeling van het plangebied in op een waardevolle transformatie binnen de kaders van het buitengebied. Belangrijke kaders voor de herontwikkeling zijn beperking van de detailhandel, woningbouw als prioriteit en landschappelijke en ecologische versterking. Gezien de ligging in het buitengebied kan er in dit gebied niet zomaar grootschalige stedelijke ontwikkeling plaatsvinden. Hier is op het perceel tevens geen ruimte voor, er is echter wel ruimte voor een kleinschalige woningbouwontwikkeling, waarbij 3 wooneenheden worden toegevoegd ter plaatse van het agrarische bedrijf.

Op het plangebied vigeert sinds 1 januari 2024 het Omgevingsplan ‘Gemeente Baarle-Nassau’ (in werking getreden vanaf 5 juni 2024), onder dit omgevingsplan zijn de voormalige bestemmingsplannen en beheersverordeningen nog van toepassing. Voor het plangebied gelden derhalve de beheersverordening ‘Buitengebied Baarle-Nassau’, vastgesteld op 11 december 2013 en ‘Paraplubeheersverordening Baarle-Nassau 2023’, vastgesteld op 1 november 2023. Deze beheersverordeningen kennen aan de gronden de enkelbestemming ‘Agrarisch’ en ‘Waarde – Archeologie 2’ toe. Het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en het toevoegen van drie wooneenheden is niet toegestaan volgens geldende omgevingsplan van rechtswege. Om woningbouw te realiseren aan de Goorweg 1a te Baarle-Nassau wordt het omgevingsplan gewijzigd met een TAM-IMRO procedure. 1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied aan de Goorweg 1a ligt in het buitengebied van Baarle-Nassau, binnen de gelijknamige gemeente, specifiek in kadastrale sectie N. Dit gebied omvat de kadastrale percelen: nummers 27 en 978 met een totale oppervlakte van 10.005 m2. Het kadastrale perceel 979 zal onderdeel uit gaan maken van de woningbouwontwikkeling Loveren 2 (grootschalige woningbouwontwikkeling ten zuiden van de locatie). Het plangebied ligt op circa 1 km ten westen van het centrum van Baarle-Nassau.

Aan de noordzijde ligt op circa 260 meter het natuurgebied ‘’Het Goordonk’’. Het plangebied grenst aan de oostzijde aan een gemeentelijke weg, de Goorweg. Aan de zuidzijde van het plangebied is een agrarisch perceel gelegen. Dit agrarisch perceel zal naar verwachting onderdeel uitmaken van een grootschalige woningbouwlocatie. Aan de westzijde grenst het plangebied aan agrarische percelen en tevens een woning. Aan de noordzijde bevindt zich een open grasveld, deze heeft een agrarische functie en dit grasveld is in eigendom van de initiatiefnemer. In figuur 2 staat het plangebied met daarin de huidige bebouwing weergegeven, de bebouwing in het gele vlak betreft de huidige bedrijfswoning en de bebouwing in de blauwe vakken betreffen de agrarische opstallen. De rode lijn vormt de kadastrale grens.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 2/65

Figuur 1. Weergave plangebied (rode pijl) t.a.v. de kern Baarle-Nassau

Figuur 2: Luchtfoto situatie plangebied

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 3/65

1.3 Het vigerende omgevingsplan Het plangebied maakt onderdeel uit van het omgevingsplan ‘Gemeente Baarle-Nassau’ zoals in werking getreden op 1 januari 2024. Het tijdelijke omgevingsplan bestaat uit alle geldende bestemmingsplannen en de bruidsschat. De Bruidsschat betreft een set regels die de rijksoverheid automatisch onderdeel heeft laten uitmaken van het omgevingsplan. Gemeenten en waterschappen krijgen door de bruidsschat de tijd om zelf een afweging te maken of en hoe ze deze onderwerpen willen opnemen in het definitieve omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau. Het plangebied met perceelnummers 27 en 978 en heeft een oppervlakte van 10.005 m2. Ter plaatse van het plangebied gelden de beheersverordeningen: ‘Buitengebied Baarle-Nassau’, vastgesteld door de gemeente Baarle-Nassau op 11 december 2013, en ‘Paraplubeheersverordening Baarle-Nassau 2023’, vastgesteld op 1 november 2023. Deze beheersverordeningen kennen aan de gronden de enkelbestemming ‘Agrarisch’ en ‘Waarde – Archeologie 2’ toe. Daarnaast geldt het ‘paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau’ vastgesteld op 23 mei 2025. Dit paraplubestemmingsplan kent aan een deel van de gronden de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ toe.

De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch gebruik met daaraan diverse ondergeschikte functies zoals natuur en landschapselementen, paden en wegen of recreatief medegebruik. De voor ‘Waarde – Archeologie’ aangewezen gronden, zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische monumenten en archeologische vindplaatsen. Daarnaast zijn deze gronden ook bestemd voor de bescherming van mogelijke archeologische waarden binnen gebieden met een archeologische verwachtingswaarde. Strijdigheid Het planvoornemen is in strijd met het vigerende omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau. De woningen worden namelijk gerealiseerd op de aangewezen gronden voor ‘Agrarisch’ en ‘Waarde - Archeologie 1 en 2’. De beoogde ontwikkelingen aan de Goorweg 1a te Baarle-Nassau zijn derhalve niet toegestaan binnen het vigerende omgevingsplan. De huidige bestemming agrarisch laat het beoogde gebruik niet toe. Om het planvoornemen mogelijk te maken, dient initiatiefnemer een ruimtelijke procedure te doorlopen om af te wijken van het omgevingsplan. Het betreft de procedure voor een TAM-IMRO. De gemeente Baarle-Nassau treedt op als bevoegd gezag.

Onderhavige motivering voorziet in de toetsing van het voornemen aan diverse beleidsregels en mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving, om zo te onderbouwen dat voldaan kan worden aan een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. 1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande en beoogde situatie van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. Hierbij is het uitgangspunt dat er met onderhavige ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). In hoofdstuk 5 komt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 4/65

2

Wijzigingen van de fysieke leefomgeving

2.1 Inleiding Voor het opstellen van de ruimtelijke motivering is het van belang dat de uitgangspunten en de huidige situatie van het plangebied goed in beeld worden gebracht. Het plangebied is om deze reden geïnventariseerd en geanalyseerd. In dit hoofdstuk wordt de huidige en beoogde situatie binnen het plangebied beschreven. 2.2 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom ten westen van Baarle-Nassau. Het plangebied staat kadastraal bekend als de kadastrale gemeente Baarle-Nassau, sectie N, nummer 27 en 978. De totale oppervlakte van het plangebied betreft circa 10.005 m2. De ligging en begrenzing van het plangebied is weergeven in de onderstaand figuur. Het plangebied grenst aan de noord- en westzijde aan agrarische grond. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan een bedrijfsbestemming. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan de Goorweg. De omgeving van het plangebied typeert zich voornamelijk door agrarische grond met bedrijfswoningen en aan de oostzijde woonwijken van Baarle-Nassau. Het centrum van Baarle-Nassau ligt op circa 1 kilometer afstand aan de oostzijde van het plangebied. Aan de noord/noordoost zijde bevindt zich de provinciale weg N639 en natuurgebied het Goordonk.

Figuur 3: Weergave van plangebied o.b.v. luchtfoto

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 5/65

2.3 Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens het perceel te (her)ontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Het plangebied is momenteel in gebruik ten behoeve van een agrarische functie waar opstallen aanwezig zijn. De beoogde invulling van het plangebied betreft vier woningen. De huidige bedrijfswoning wordt omgezet naar een woonfunctie, deze heeft een inhoud van 750 m3 en deze blijft ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast worden er 2 woningen toegevoegd in de vorm van een tweekapper. Tot slot wordt een villa toegevoegd aan de noordwestzijde van het plangebied. De gezamenlijke inhoud van de twee-onder-een-kapwoning betreft maximaal 1.000 m3 conform de provinciale regeling. De vrijstaande woning op het noordelijk perceel dient een bijzonder gebouw te worden. In de buurtschap Loveren bevond zich vroeger namelijk een herberg en het kasteel Bruheze. De vrijstaande woning wordt zodanig gepositioneerd dat dit het gevoel van het voormalige kasteel Bruheze op een eigentijdse wijze terugbrengt in het gebied. Zo wordt er tevens een bijzondere lanenstructuur teruggebracht waardoor zowel de visuele verwijzing naar het verleden wordt gerealiseerd maar waardoor ook de ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt.

De vrijstaande woning wordt gesitueerd aan het einde van deze bomenlaan waardoor deze terugkomt in de zichtlijn van de bomenlaan en derhalve de cultuurhistorische waarden terugbrengt. De vrijstaande woning dient daarom bijzonder te zijn ten opzichte van woningen in de omgeving en mag derhalve maximaal 1.000 m3 bedragen. Normaliter wordt een maximale inhoud van 750 m3 gehanteerd voor woningen in het buitengebied. In figuur 4 is de landschappelijke inpassing weergegeven. Hierin zijn ook de beoogde woningen indicatief weergegeven. Het stedenbouwkundig plan zal nader worden uitgewerkt en zal onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit.

Figuur 4. Weergave verkaveling met daarin een indicatieve weergave van de beoogde woningen.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 6/65

3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld op grond van de geldende wet- en regelgeving. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is volledig geïntegreerd in deze visie. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dit betekent dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Verder helpt het Rijk keuzes te maken waar dat moet, want niet alles kan overal. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050 en geeft het kabinet richting aan grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende 30 jaar ingrijpend zullen veranderen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.

Zo kunnen in gebieden betere en meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen. Het Rijk blijft wel verantwoordelijk voor het systeem ‘de fysieke leefomgeving’. Daarnaast kan een Rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: • Een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports greenports en valleys; • Over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; • Een onderwerp provincie- of landgrensoverschrijdend is ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant. • Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in 4 prioriteiten.

1) Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; 2) Duurzaam economisch groeipotentieel; 3) Sterke en gezonde steden en regio’s; 4) Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1) Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt gebruik en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. 2) Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 7/65

3)

Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing aan de Nationale Omgevingsvisie De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. Een nationaal belang genoemd in de NOVI is zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woningbehoeften. Provinciaal is dat vertaald in de provinciale omgevingsvisie (POVI). De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan het sterker en leefbaarder maken van Baarle-Nassau. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de NOVI. 3.1.2 NOVEX De Rijksoverheid heeft specifiek 16 gebieden aangewezen waar de ruimtelijke opgaven van overheden zo groot en gestapeld zijn, dat ze vragen om gezamenlijke regie van het Rijk en de regio. De 16 gebieden zijn aangewezen omdat deze elk een eigen ontwikkeling ondergaan. Daarin is onderscheidt gemaakt tussen 3 verschillende clusters: haven- en industriegebieden, verstedelijkingsgebieden en landelijke gebieden. Deze gebieden worden de NOVEXgebieden genoemd. Om de opgaven effectief aan te pakken, bundelen de Rijksoverheid, regio, provincies, waterschappen en gemeenten hun krachten en werken ze gebiedsgericht samen. De NOVEX beschrijft dat het land robuust en duurzaam inrichten een uitdagende puzzel is. Dat betekent dat er nu verstandige en voor de toekomst houdbare plannen moeten worden gemaakt. Dit om voldoende duurzame, betaalbare en bereikbare woningen te hebben, plus schone energie en een gezonde natuur.

Dit vraagt keuzes en slimme combinaties en innovaties, want ons land wordt niet groter, niet alles kan overal. In het programma NOVEX werken alle overheden samen aan een plan voor de inrichting van Nederland. Daarvoor moet eerst duidelijk zijn wat de ruimtevragers zijn, wat er ruimtelijk moet worden ingepast. Zowel nationaal als regionaal. De nationale doelen en belangen zijn samengebracht in een startpakket. Dit startpakket vormt de basis voor het leggen van de ruimtelijke puzzel per provincie. De twaalf provincies gaan nu aan de slag om – met de waterschappen en gemeenten – de nationale opgaven en doelen ruimtelijk te vertalen, te combineren en in te passen in provinciale plannen. Want pas regionaal wordt duidelijk waar de kansen liggen en waar het knelt. Toetsing aan NOVEX De NOVEX laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. Ook valt het plangebied niet onder één van de 16 deelgebieden die zijn aangewezen door het Rijk. Wel is gesteld dat ontwikkelingen geen negatief effect mogen hebben op de samenhangende opgaven rondom bodem, water en natuur. In hoofdstuk 4 worden deze thema’s behandeld. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan het versterken van de leefbaarheid van het dorp Baarle-Nassau. Agrarische grond maakt plaats voor een landschappelijke ontwikkeling wat gunstig is voor zowel de natuur als de bodem.

Daarnaast wordt extra woonruimte gecreëerd. Daarmee is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met de NOVEX. 3.1.3 Instructieregels Rijk (AMvB’s) Artikel 8.0b , eerste lid van het Bkl, bepaalt dat bij een wijziging van het omgevingsplan de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat deze wijziging van het omgevingsplan geweigerd wordt als: A. De activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegestaan op grond van instructieregels; B. De omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit)

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 8/65

C.

De omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert.

De hoofonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat zijn: • Waarborgen van veiligheid; • Beschermen van waterbelangen; • Beschermen van gezondheid en milieu; • Instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder van de duurzame verstedelijking; • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buileidingen, natuur- en recreatiegebied; • Het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorzieningen, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare ruimte voor personen. Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Toetsing aan de instructieregels Rijk In het vervolg van deze ruimtelijke motivering wordt nader ingegaan op de verschillende milieuplanologische thema’s.

Per thema wordt waar nodig ook aangetoond op welke wijze de ontwikkeling passend is binnen de instructieregels zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van het Bkl. Uit de beoordeling van de deze thema’s blijkt dat de activiteit passend is binnen de instructieregels van het Rijk. 3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie Noord-Brabant (POVI) De Omgevingswet bundelt de wetten en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, cultuur erfgoed en water. De wet regelt zo het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. In december 2018 is de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. De Omgevingsvisie geeft antwoord op de vraag hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien en waar Noord-Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De visie bestaat uit een basisopgave en vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn. De basisopgave is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. De vier hoofdopgaven komen voort vanuit de basisopgaven. Het gaat om de volgende hoofdopgaven: • Hoofdopgave I: werken aan de Brabantse energietransitie; • Hoofdopgave II: werken aan een klimaatproof Brabant; • Hoofdopgave III: werken aan de slimme netwerkstad; • Hoofdopgave IV: werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Om de doelen voortkomend uit de hoofdopgaven te bereiken zet de provincie Noord-Brabant in op een samenhangende ruimtelijke koers.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 9/65

Deze opgaven, die Noord-Brabant breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Noord-Brabant bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Noord-Brabant is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Brabantse Omgevingsvisie wordt een toekomstbeeld van 2020-2050 geschetst. Toetsing aan provinciale omgevingsvisie De Brabantse Omgevingsvisie laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. Wel is gesteld dat ontwikkelingen een positief effect hebben op de omgevingskwaliteit. Een intensieve veehouderij wordt herontwikkeld tot woningen. Dit verbeterd de gezondheid en omgevingskwaliteit. Daarmee wordt met deze ontwikkeling positief bijgedragen aan de leefomgeving en is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met de Brabantse Omgevingsvisie. 3.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant De Omgevingsverordening Noord-Brabant, zoals in werking getreden vanaf 1 januari 2024, is een uitvoeringsinstrument van de provincie om haar doelen te realiseren. In de Omgevingsverordening vertaalt de provincie kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op het omgevingsplan. De instructieregels uit deze hoofdstukken zijn ook van toepassing op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit bepaalt de wet dat de instructieregels uit deze verordening gelden als beoordelingsregels voor de vergunningverlening. Het plangebied valt volgens de Omgevingsverordening Noord-Brabant onder de volgende gebieden: • Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant: − Landelijk gebied − Beperking grootschalige logistiek • Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur, water en wegen: − Geen attentiezone waterhuishouding − Diep grondwaterlichaam • Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden en Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied en Natuur Netwerk Brabant: − Natuur Netwerk Brabant − Attentiezone waterhuishouding • Instructieregels gemeenten: specifieke ontwikkelingen − Stalderingsgebied • Instructieregels voor waterschappen: watersystemen- veiligheid en -berging: − Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied • Instructieregels gemeenten: aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden − Groenblauwe waarden

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 10/65

Figuur 3. Weergave TAM-Omgevingsverordening

Voor het planvoornemen zijn de volgende instructieregels c.q. beoordelingsregels van toepassing: 5.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een omgevingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Lid 2 Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit wordt toepassing gegeven aan: a. zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in Artikel 5.8 ; b. de lagenbenadering, bedoeld in artikel 5.9 ; en c. meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10 . Toetsing Toetsing aan bovenstaande zal plaatsvinden in de navolgende paragrafen. Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag; b. de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling; c. bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel ; en

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 11/65

e.

splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan.

Lid 2 Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder de in dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden. Toetsing Met onderhavig initiatief worden er twee van de drie wooneenheden toegevoegd binnen bestaand ruimtebeslag. Hierbij wordt de huidige agrarische functie niet meer voortgezet en worden de agrarische opstallen gesloopt. Alhoewel de vrijstaande woning buiten het bestaande ruimtebeslag valt, is het initiatief in lijn met de doelen van de cultuurhistorische elementen, ontwikkelingsrichting zoals bedoeld in Artikel 5.12 en de uitbreiding van Loveren. Het initiatief wordt landschappelijk ingepast waardoor de ontwikkeling passend is binnen de landschappelijke waarden van de omgeving en er wordt een cultuurhistorisch waardevol element toegevoegd evenals een bijbehorende bomenlaan. Bij de toevoeging van drie wooneenheden geldt wel de benodigde kwaliteitsverbetering, deze wordt nader toegelicht in paragraaf 5.14. Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering Lid 1 Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in: a. welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd; en b. hoe negatieve effecten worden voorkomen.

Lid 2 Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden: a. de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en c. de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden , de omvang van de functie en de bebouwing , de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving . Lid 3 Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Toetsing Met het toepassen van de lagenbenadering wordt inzicht geboden in de effecten van een ontwikkeling op de lagen (ondergrond, netwerklaag en het milieu). In hoofdstuk 4, 5, 6, 7 en 8 wordt uitgebreid ingegaan op deze effecten. Aangetoond wordt dat er geen onaanvaardbare milieueffecten te verwachten zijn.

Vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid is relevant dat met onderhavige ontwikkeling drie woningen ter plaatse van een agrarische functie, een intensieve veehouderij, gerealiseerd worden en moeten voldoen aan de huidige wet- en regelgeving en technische en functionele eisen. De ontwikkeling verbeterd de omgevingskwaltieit doordat een intensieve veehouderij stopt, en met het initiatief worden de landschappelijke en cultuurhistorische waarden behouden. Hiermee wordt voor een zorgvuldige overgang tussen dorp en landschap gezorgd en wordt er extra woonruimte gecreëerd. Gelet op deze invulling op een locatie buiten bestaand stedelijk gebied is hiermee sprake van duurzaam ruimtegebruik.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 12/65

Artikel 5.10 Meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Toetsing Met onderhavig initiatief wordt er naast het toevoegen van woningen ervoor gezorgd dat de agrarische functie, een intensieve veehouderij, stopt. Het initiatief wordt landschappelijk ingepast waardoor de ontwikkeling passend is binnen de landschappelijke waarden van de omgeving, waterberging plaats kan vinden, de biodiversiteit wordt bevorderd en een cultuurhistorisch waardevol element wordt toegevoegd evenals een bijbehorende bomenlaan. Er vind derhalve een meerwaardecreatie plaats op diverse opgaven. 5.14 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit Lid 1 Een omgevingsplan kan voor een concreet initiatief een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken als: a.

b. c. d. e. f. g. h.

dat aantoonbaar bijdraagt aan het fysiek versterken van omgevingskwaliteit, zoals de sloop van bebouwing, de aanleg van natuur en bos, groenblauwe dooradering, het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken, het terugdringen van emissie van milieuhinderlijke stoffen of de verbetering van het woon- en leefklimaat, doordat die bouw- of gebruiksactiviteit daarvoor de middelen genereert; de realisering van de onder a. bedoelde versterking van omgevingskwaliteit niet op een andere wijze is verzekerd; de onder a. bedoelde versterking van omgevingskwaliteit bijdraagt aan algemene belangen en juridisch is geborgd; de bouw- of gebruiksactiviteit door meerwaardecreatie bijdraagt aan algemene belangen zoals energietransitie, klimaat, circulariteit en verduurzaming; zowel de activiteit als de versterking van omgevingskwaliteit passen binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12; is onderbouwd dat de activiteit volhoudbaar is naar de toekomst, vanuit duurzaamheid en economisch oogpunt; zowel de activiteit als de versterking van omgevingskwaliteit passen binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die deze verordening beoogt te beschermen; en bij de uitwerking van het plan deskundigen worden betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.

Lid 2 In het geval dat de fysieke versterking van omgevingskwaliteit is gericht op sanering van een milieubelastende activiteit, omvat de juridische borging in ieder geval dat alle voor die activiteit op de locatie rustende rechten en toestemmingen, waaronder verleende vergunningen, zijn ingetrokken.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 13/65

Lid 3 In aanvulling op het eerste lid worden bij de hierna genoemde gevallen tenminste de volgende aspecten in acht genomen: a.

b.

c.

d.

als de activiteit de toevoeging van een woning betreft: a. wordt de woning gerealiseerd op een passende locatie; b. staat de omvang van de fysieke tegenprestatie gericht op het versterken van omgevingskwaliteit in verhouding tot de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavel; en c. is in overleg met de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte onderzocht of de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtekavel tot de mogelijkheden behoort; als de activiteit de ontwikkeling van een nieuw landgoed betreft: a. heeft het landgoed ten minste een omvang van10 hectare; b. is de fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit gericht op de ontwikkeling van natuur die bijdraagt aan de samenhang en kwaliteit van het Natuur Netwerk Brabant; c. bestaat 50% van het gerealiseerde landgoed uit aangelegde natuur binnen het Natuur Netwerk Brabant; d. wordt bebouwing buiten het Natuur Netwerk Brabant gesitueerd en zo veel mogelijk geconcentreerd opgericht; e. is de bebouwing van allure en qua omvang passend bij de uitstraling van het landgoed f. zijn naast landgoedwoningen ook andere bij een landgoed passende gebruiksactiviteiten mogelijk, waaronder zorg; en g.

is de openbaarheid van het landgoed verzekerd; als de ontwikkeling is gericht op het behoud van een bestaand landgoed is de toevoeging van een woning of andere gebruiksactiviteit mogelijk op het bestaande landgoed als: a. het landgoed niet is aangewezen als cultuurhistorisch waardevol complex; en b. waar mogelijk toepassing wordt gegeven aan het bepaalde onder b; als de ontwikkeling tot doel heeft om de cultuurhistorische waarden en kenmerken te behouden of te herstellen van een rijks- of gemeentelijk monument of een cultuurhistorisch waardevol complex, zoals beschreven op de Cultuurhistorische waardenkaart, is de fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit gericht op het behoud of herstel van de aanwezige waarden en kenmerken.

Lid 4 Er is sprake van een passende locatie voor de toevoeging van een woning als: a. de ontwikkeling in een bebouwingsconcentratie ligt; b. de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied, Bebouwd gebied of een bebouwingsconcentratie; of c. de woning inpandig wordt gerealiseerd binnen karakteristieke bebouwing. Toetsing artikel 5.14 Onderhavig initiatief voegt drie woningen toe binnen de bebouwingsconcentratie ‘Loveren’. Echter dient er wel voldaan te worden aan de maatwerkregeling van de provincie Noord-Brabant. Deze is geactualiseerd in juli 2025 en is genaamd ‘Regeling paragraaf 7.1 Maatwerk omgevingskwaliteit’. Deze paragraaf geeft invulling aan bovenstaand artikel. De GS (Gedeputeerde Staten) kunnen meewerken aan het toevoegen van een woning als er een voldoende fysieke tegenprestatie in het versterken van de omgevingskwaliteit wordt gerealiseerd die qua omvang in verhouding staat tot het op te richten woningtype, er sprake is van een passende locatie voor de ontwikkeling en de ontwikkelingsrichting van het gebied. Deze maatregelen dienen te worden ingezet voor de fysieke tegenprestatie en de ontwikkeling dient plaats te vinden op een passende locatie. Tot slot dient de ontwikkeling rekening te houden met de ontwikkelingsrichting van het gebied. Bij de ontwikkeling van meerdere woningen tevens met de

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 14/65

effecten op het landelijk gebied, de woningbouwopgave in het stedelijk gebied, de bereikbaarheid van voorzieningen en mobiliteit. Onderhavig initiatief voegt drie wooneenheden toe welke liggen in landelijk gebied. Het zullen drie wooneenheden worden in de vorm van een twee-onder-één-kap en 1 vrijstaande woning. De twee-onder-één-kap woning zal een bouwvolume hebben van maximaal 1.000 m3 en derhalve dient er conform artikel 7.1.6. van de desbetreffende beleidsregel van GS een fysieke tegenprestatie geleverd te worden voor 2 wooneenheden. Rekening houdend met de huidige agrarische bestemming is de locatie met motorvoertuigen goed bereikbaar tevens is de kern BaarleNassau op fietsafstand gelegen. Het toevoegen van de wooneenheden en het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning vergt echter wel een fysieke tegenprestatie. In onderhavig initiatief kunnen de volgende maatregelen van de in te brengen fysieke tegenprestatie gehaald worden: • het slopen van bedrijfsbebouwing op locatie á 1.008 m2 (een weergave van deze bebouwing is te zien in figuur 6 en bijlage 2). • het inleveren van 737 kg ammoniakrechten á 15 euro per kilo • Het verwijderen van 1075 m2 aan asbesthoudende daken á 2 euro per m2 • Het aanvoeren van 212 m3 aan zand t.b.v. de mestputten á 5 euro per m3 De fysieke tegenprestatie behelst 125.000 euro per wooneenheid welke wordt toegevoegd.

Bovenstaande maatregelen kunnen van deze tegenprestatie worden afgehaald. Voor de omzetting van de bedrijfswoning naar een burgerwoning wordt 250 m2 van de te slopen bedrijfsbebouwing gebruikt. Derhalve resteert er 758 m2. In totaal behelst bovengenoemde tegenprestatie derhalve het volgende: • Slopen bedrijfsbebouwing: 758 m2 * 45 euro = 34.110 euro • Inleveren ammoniakrechten: 737 * 15 euro = 11.055 euro • Verwijderen van asbesthoudende daken: 1075 * 2 euro = 2.150 euro • Aanvoeren van zand t.b.v. mestputten: 212 * 5 = 1.060 euro • Verwijderen erfverharding: 690* 2,43 euro = 1.680 euro • Verwijderen kuilput en sleufsilo: 390* 3,85 euro= 1.500 euro • De aanleg- en beheerkosten van het cultuurhistorisch landschapselement, niet zijnde een reguliere landschappelijke inpassing á 15.455,05 euro (een concretisering hiervan is toegevoegd onder bijlage 1). In totaal komt dit neer op 67.010,05 euro. In bijlage 11 is de ingevulde rekenmodule toegevoegd. Het resterende bedrag van de tegenprestatie, conform artikel 5.14 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, ter hoogte van € 182.989,95 wordt gestort in het gemeentelijke landschapsfonds van Baarle-Nassau. De inzet van deze middelen is specifiek gericht op het versterken van de omgevingskwaliteit binnen de gemeente. De financiële borging is vastgelegd in een anterieure overeenkomst.

Als concreet bestedingsdoel draagt de gemeente de aanleg van ecologische verbindingszones (EVZ’s) aan. In dit kader wordt samengewerkt met waterschap Brabantse Delta, waarmee een samenwerkingsovereenkomst is gesloten. De middelen kunnen worden ingezet voor de realisatie van EVZ-opgaven zoals EVZ Het Groot Vergoor, EVZ Leij en overige waterlopen, waarvoor grondaankoop of uitvoering nog moet plaatsvinden. Indien zich in de komende jaren andere passende landschapsdoelen voordoen, worden deze ter goedkeuring aan de provincie voorgelegd. De besteding van de middelen dient binnen vijf jaar na storting gerealiseerd te zijn. Jaarlijks wordt aan de provincie verslag uitgebracht over de voortgang, besteding en doelbinding van de middelen, conform de daarvoor geldende provinciale richtlijnen.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 15/65

Figuur 4. Weergave te slopen voormalige bedrijfsbebouwing.

cultuurhistorisch waardevol complex; De opstallen hebben geen status als cultuurhistorisch waardevol object. De gebouwen zijn verouderd en niet geschikt voor herbestemming naar hedendaagse gebruiksdoelen zoals woningen of moderne bedrijvigheid. In de omgeving zijn weinig geschikte cultuurhistorische waardevolle of leegstaande locaties die in aanmerking komen voor woningbouw. Daarom zet de gemeente in op transformatie van de locatie die bijdraagt aan ruimtelijke kwaliteit. Dit biedt de kans om deze locatie te revitaliseren op een manier die aansluit bij de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten van de omgeving. Dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12; In paragraaf 3.4.2 is de ontwikkelingsrichting van het gebied uitgebreid toegelicht. -

de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting is afgestemd op de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving, waaronder de met deze verordening te beschermen en te ontwikkelen waarden; De voorgestelde ontwikkeling op de Goorweg 1a draagt bij aan een kwalitatieve versterking van de ruimtelijke structuur en het landschap. Dit wordt bewerkstelligt door het initiatief landschappelijk in te passen. De landschappelijke inpassing is toegevoegd als bijlage 1 bij deze ruimtelijke motivering. Baarle-Nassau is onderdeel van het zandlandschap en gebouwd op een dekzandplateau. Dit is een landvorm die is ontstaan door de afzetting van materiaal door de wind. De aanwezigheid van stromend water in de nabijheid maakte deze locatie in het verleden geschikt voor wonen. Het plangebied is geomorfologisch gezien gelegen op een terrasafzettingswelvingen, deze vormen de overgang tussen het dekzandplateau en de dalvormige laagtes.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 16/65

Terrasafzettingswelvingen zijn ontstaan door erosie en afzetting van sedimenten op de flanken die van nature al hoger liggen. Het plangebied zelf is gelegen op hoge zwarte enkeerdgronden. Karakteristieke landschapselementen voor deze omgeving zijn perceelrandbegroeiingen en bosjes. Deze landschapselementen diende er onder andere voor om vee op het perceel te houden. Na de opkomst van prikkeldraad zijn veel van deze perceelrandbegroeiingen verdwenen. In het huidige landschap, in de directe nabijheid van het plangebied zijn er echter nog een aantal van deze landschapselementen aanwezig wat bijdraagt aan het karakter van het gebied. De potentieel natuurlijke vegetatie (PNV) van het gebied is een ‘Droog berken-zomereikenbos’ met kernsoorten als zomereik, ruwe berk, wilde lijsterbes en grove den. De landschappelijke inpassing van de beoogde ontwikkeling sluit derhalve aan op de nog aanwezige landschapselementen van kleine bosjes en houtsingels ter behoud en versterking van het huidige landschap. Op deze manier wordt de beoogde ontwikkeling op een vanzelfsprekende en natuurlijke wijze ingepast. Middels deze landschappelijke inpassing wordt voldaan aan de uitgangspunten van de Brabantse Omgevingsvisie en Omgevingsverordening.

Naast het behouden en versterken van de landschappelijke waarden zorgt de landschappelijke inpassing ook voor het toevoegen van hoogwaardige ruimtelijke kwaliteit en voor de ecologische en hydrologische robuustheid van het gebied. Het initiatief is daarmee derhalve in lijn met de provinciale doelstellingen op het gebied van klimaatadaptatie en biodiversiteit. De geplande ontwikkeling creëert een geleidelijke overgang tussen de bebouwde omgeving en het omliggende landschap. Dit voorkomt ongecontroleerde verstedelijking en draagt bij aan een evenwichtige ruimtelijke ontwikkeling. Een weergave van de landschappelijke inpassing is weergegeven in onderstaand figuur.

Figuur 5. Landschappelijk inpassingsplan

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 17/65

Daarnaast sluit de ontwikkeling aan bij de basisprincipes uit de Omgevingsvisie ‘De Kwaliteit van Brabant’, waarin wordt ingezet op het behoud en de verbetering van omgevingskwaliteit door middel van zorgvuldig ruimtegebruik en een evenwichtige afstemming tussen bebouwing en landschap. De herontwikkeling van de Goorweg 1a draagt hieraan bij door geen versnippering te veroorzaken, maar juist een samenhangende en goed ingepaste uitbreiding te realiseren. De bebouwing wordt zodanig gesitueerd en vormgegeven dat deze aansluit op de bestaande bebouwingsstructuur en de historische karakteristieken van het gebied respecteert. Door deze integrale benadering draagt de ontwikkeling bij aan een duurzame en hoogwaardige inrichting van de omgeving, conform de eisen van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De locatie vormt een overgangsgebied tussen de bestaande bebouwing en het open landschap. De herontwikkeling draagt bij aan een logische en duurzame afronding van het bebouwde gebied, zonder verdere verspreiding van bebouwing in het buitengebied. Dit wordt nader toegelicht in bijlage 1 behorend bij deze ruimtelijke motivering. In de regels van dit TAM-IMRO omgevingsplan is gewaarborgd dat de toekomstige stedenbouwkundige opzet overeenkomt met de stedenbouwkundige waarden van de omgeving.

Daarnaast zorgt de landschappelijke inpassing er voor dat de ontwikkeling aansluit op het bestaande landschap en de infrastructuur. De nieuwe bebouwing zal op een wijze gepositioneerd worden welke de ruimtelijke samenhang versterkt en verrommeling zal voorkomen. Tevens vormt de herontwikkeling een natuurlijke afronding van de grensoverschrijdende bebouwingsconcentratie. De bebouwing wordt zodanig ingepast dat er een vloeiende overgang ontstaat tussen het stedelijk gebied en het omliggende landschap, waardoor de ruimtelijke kwaliteit van het grensgebied wordt gewaarborgd. Volgens vaste jurisprudentie wordt een ontwikkeling van 3 nieuwe woningen niet als stedelijke ontwikkeling aangemerkt. Deze woningen sluiten aan op de bestaande bebouwingsstructuur en voorziet in de woningbouw behoefte van Baarle-Nassau. Het plan draagt bij aan de samenhang van de bebouwingsstructuur en voorziet in een duurzame invulling die is afgestemd op de ruimtelijke context. Natuur Netwerk Brabant Het provinciale ruimtelijke beleid voor het NNB is vastgelegd in paragraaf 5.2.5. van de Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant. De instructieregels bevatten de kern voor de bescherming van het Natuur Netwerk Brabant (NNB).

Bij het opstellen van een omgevingsplan zijn gemeenten verplicht aansluiting te zoeken bij de wezenlijke ecologische kenmerken en waarden die in het natuurbeheerplan zijn beschreven. Deze waarden en kenmerken zijn per gebied vastgelegd in een beheertypenkaart en in een ambitiekaart. Beide kaarten vormen de kern van het natuurbeheerplan. De beheertypenkaart brengt in beeld wat de actuele situatie is. De ambitiekaart geeft de gewenste eindsituatie (ambitie) aan. Zolang er geen sprake is van een significante aantasting, is er vanwege het NNB geen grond om de activiteit tegen te houden. Wel wordt de activiteit uiteraard nog getoetst aan ander beleid of regelgeving. Naast behoud en ontwikkeling van ecologische waarden en kenmerken streeft de provincie binnen het NNB ook behoud na van cultuurhistorische waarden en andere wezenlijke kenmerken zoals rust en stilte. Op provinciaal niveau zijn de cultuurhistorische waarden en kenmerken vastgelegd op de Cultuurhistorische waardenkaart van Noord-Brabant. In hoofdstuk 8 van deze motivering komt Natuurbescherming aan bod en wordt getoetst aan het NNB. Gezien al het bovenstaande wordt voldaan aan artikel 5.14, de maatwerkregeling van de provincie Noord-Brabant.

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 18/65

Kwaliteitsverbetering landschap (artikel 5.11) Een ontwikkeling in ‘Landelijk gebied’ moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Voor het bepalen van de kwaliteitsverbetering moet tevens uitgegaan worden van de afspraken in regionaal verband met het Hart van Brabant. Voor het bepalen van de kwaliteitsverbetering wordt aangesloten bij het afsprakenkader kwaliteitsverbetering West-Brabant. Hierin wordt onderscheidt gemaakt tussen een drietal categorieën: • Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist (geen landschappelijke inpassing en evenmin ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist). • Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed op het landschap hebben (alleen landschappelijke inpassing vereist).

• Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkeling waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap (zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist). De landschappelijke inpassing is geborgd als een voorwaardelijke verplichting in de planregels van dit TAM Omgevingsplan. Het planvoornemen past binnen de doelstelling en het beleid van de provincie Noord-Brabant. Aardkundige, cultuurhistorische- en groenblauwe waarden (artikel 4.42) De provincie streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuur Netwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe waarden. De locatie Groenblauwe waarden ligt binnen Landelijk gebied op gebieden met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. Binnen Groenblauwe waarden is het beleid gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem en de ontwikkeling van groenblauwe waarden, natuur en landschap.

De herontwikkeling van de Goorweg 1a levert een positieve bijdrage aan de natuur, landschap en water. Door een zorgvuldige stedenbouwkundige opzet met aandacht voor groeninpassing sluit de ontwikkeling aan op het bestaande landschap en de natuur. De nieuwe bebouwing met aandacht voor een landschappelijke inrichting in het plangebied zorgt voor een goede balans en een overgangsgebied wat aansluit op de omgeving. Reservering waterberging (artikel 5.50) Een omgevingsplan ter plaatse van Reservering waterberging strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. Als een omgevingsplan voorziet in de ontwikkeling van een gebruiks- of bouwactiviteit, bevat het omgevingsplan een onderbouwing van de wijze waarop de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft. In afwijking van bovenstaande kan een omgevingsplan ter plaatse van Reservering waterberging een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken als: a. reële alternatieven voor die bouw- of gebruiksactiviteit ontbreken; b. in het omgevingsplan vervangende maatregelen zijn opgenomen die borgen dat het waterbergend vermogen van het gebied gelijk blijft; en

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 19/65

c.

uit overleg met het waterschap blijkt dat hiertegen geen bezwaren bestaan.

Ten behoeve van onderhavig initiatief zal voor vaststelling van dit Tam-omgevingsplan in overleg getreden worden met het waterschap Brabantse Delta om passende maatregelen te bespreken welke geïmplementeerd kunnen worden zodat het waterbergend vermogen van het gebied behouden blijft. Toetsing aan de provinciale omgevingsverordening De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan het versterken van de leefbaarheid van het dorp Baarle-Nassau. De ontwikkeling verbeterd namelijk de omgevingskwaltieit doordat een intensieve veehouderij stopt, behoudt het initiatief landschappelijke en cultuurhistorische waarden en daarmee een zorgvuldige overgang tussen dorp en landschap en wordt er extra woonruimte gecreëerd. Daarmee past het planvoornemen binnen de doelstelling en het beleid van de provincie Noord-Brabant, en binnen het gestelde kader in de Omgevinsgsverordening. 3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Brabantse Woondeal In het eerste kwartaal van 2022 heeft het Rijk de Nationale Woon- en Bouwagenda uitgebracht, met als kerndoelen: beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit. Hierin stelt het Rijk dat er regionale woondeals moeten komen. In het voorjaar van 2022 heeft het Rijk aan de provincies gevraagd een Woonbod op te stellen om tot provinciale woningbouwafspraken te komen, die vertaald worden in regionale woondeals. Alle provincies hebben in het Woonbod het aantal te realiseren woningen in de periode tot en met 2030 aangegeven en de bijbehorende randvoorwaarden. Zo ook de provincie Noord-Brabant. In Noord-Brabant zijn vier regio’s te onderscheiden binnen de woondeal, te weten West-Brabant west, regio SBRT (stedelijk gebied Breda-Tilburg), Noordoost Brabant en Zuidoost Brabant. Afgesproken is dat er in totaal 130.600 woningen in de periode tot en met 2030 worden gerealiseerd in Noord-Brabant, verdeeld over deze vier regio’s. Landelijk, provinciaal en regionaal gaat 2/3 van de nieuwbouw verplicht bestaan uit betaalbare woningen. Van nieuwbouw is 40% bedoeld voor de middeninkomens en 30% voor sociale huur. De gemeente Baarle-Nassau valt onder de SRBT-regio. De SRBT is één van de regio’s met de hoogste verstedelijkingsdruk.

De spoorzones Breda/ Tilburg en de Kennisontwikkelingen in Tilburg en Breda horen bij de vijftien grootschalige ontwikkellocaties die in de NOVI zijn benoemd. De SRBT is zowel op de Oost-West-As, maar ook de Noord-Zuid-As een belangrijk knooppunt voor diverse economische activiteiten met de internationale OV-stations. Daardoor is er een kwalitatief hoogwaardig vestigingsklimaat ontstaan voor nationaal en internationaal opererende bedrijven en recreatie. Naast die meer externe en naar buiten gerichte oriëntatie van onze regio, is er ook de eigen dynamiek en inrichting. Het vormt één regio waarin men woont, werkt, recreëert. In de Brabantse woondeal is aangegeven dat de SRBT-regio 39.210 woningen moet realiseren tot en met 2030. Deze opgave is gebaseerd op taakstelling van het Rijk waarbij het aantal woningen is bepaald op basis van bevolkingsprognoses. Het woonbod is binnen de kaders van de strategie vertaald naar een regionale woondeal voor de gemeente binnen de SRBT-regio. Elke gemeente neemt een aandeel in het realiseren van het totaal aantal woningen, waarbij een minimaal aantal woningen is opgenomen. Voor de gemeente Baarle-Nassau vertaald dit zich in het realiseren van minimaal 95 woningen tussen 2022 en 2026.

Toetsing Woondeal Het beoogde planvoornemen leidt tot een kleinschalige uitbreiding van het aantal woningen in de gemeente Baarle-Nassau, er worden namelijk 3 wooneenheden toegevoegd. Dergelijke projecten vragen volgens de

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

P 20/65

woondeal niet om regionale afstemming. Dit geldt in het landelijk gebied pas voor woningbouwontwikkelingen van 25 woningen of meer. 3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau De gemeenteraad van de gemeente Baarle-Nassau heeft op 23 april 2025 de vernieuwde omgevingsvisie vastgesteld. De omgevingsvisie geeft aan wat de gemeente Baarle-Nassau tot 2040 wil bereiken binnen de gemeentegrenzen. De gemeente Baarle-Nassau wil tot 2040 groeien als een levendige, duurzame en inclusieve grensgemeente, waarbij het unieke enclavekarakter centraal blijft staan. De visie richt zich op een balans tussen wonen, duurzaamheid, economie, leefbaarheid, bereikbaarheid en een toekomstbestendig buitengebied. De belangrijkste uitgangspunten zijn het behouden en versterken van de identiteit. Baarle-Nassau staat voor Buitengebied, Recreatief, Uniek, Inspirerend, Samen, Thuis (BRUIST!). Voor de ontwikkeling zijn de onderstaande onderdelen uit de omgevingsvisie van toepassing: Buitengebied In het buitengebied staat de gemeente nieuwe huizen en andere functies toe in plaats van agrarische gebouwen in bebouwingsconcentraties. Bouwen in het buitengebied moet bijdragen aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid van het gebied. Nieuwe ontwikkelingen passen bij het karakter van de gemeente en de mogelijkheden van de omgeving. In de gebiedsgerichte uitwerking van deze omgevingsvisie is te vinden welke uitgangspunten en voorwaarden gehanteerd worden in de verschillende bebouwingsconcentraties.

Wonen voor iedereen “Baarle-Nassau is een aantrekkelijke woongemeente voor inwoners die levendige kernen en een rustige omgeving waarderen. We willen graag meer mensen deze fijne woonervaring bieden. We willen groeien en willen, naast eigen inwoners, ook met name jonge gezinnen uit de regio een woonplek kunnen geven. Momenteel verloopt het bouwen van nieuwe woningen niet soepel. We streven daarom naar een bouwproces waarin we tegelijkertijd plannen in voorbereiding en uitvoering hebben. We houden de woonbehoefte in onze gemeente steeds goed in de gaten, zodat we beter in kunnen spelen op de vraag naar woningen. We stemmen grotere woningbouwplannen af met de regio en maken afspraken met woningcorporaties en verhuurders over zaken zoals: de omvang van de voorraad sociale huurwoningen, verduurzaming en langetermijnstrategie. Zo creëren we meer inzicht en werken we samen om de grote woningopgave te realiseren en de opgave in te vullen. We vinden het belangrijk dat bijzondere doelgroepen – zoals uitstroom uit zorg, statushouders, medisch of sociaal urgenten of andere spoedzoekers – binnen een redelijke termijn een geschikte woning kunnen vinden in onze gemeente. In de uitwerking van de regionale woonzorgvisie maken we afspraken over hoe we verschillende doelgroepen het beste over de gemeente kunnen verdelen.

We vinden het belangrijk om rekening te houden met de draagkracht van buurten en de dorpen, bijvoorbeeld door gespreid te huisvesten en concentratie zoveel mogelijk te voorkomen. Bereikbaarheid en voldoende voorzieningen in de buurt zijn hierbij belangrijke voorwaarden. We doen dit in samenwerking met de regio. Naast de nieuwbouwopgave willen we ook zorgen dat we bestaande woningen levensloopbestendig maken voor verschillende doelgroepen, zoals ouderen en inwoners met een beperking. In sommige gevallen kunnen bestaande woningen een kwaliteitsverbetering gebruiken en veel woningen moeten ook nog worden verduurzaamd. Hierbij kan er ook herstructurering in bestaande woonwijken plaatsvinden. In het programma Wonen hebben we vastgelegd hoe we bovenstaande doelen gaan realiseren. We willen inspelen op de veranderende bevolkingssamenstelling en de huisvestingsvraag die daarbij hoort door de vergrijzing als

datum referentie

8 december 2025 251093_AdB_RAP_0001_v3.0

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16496325/1